§ 5. LA TRACE

 

Mais l'au‑delà dont vient le visage, n'est‑il pas à son tour une idée comprise et dévoilée? Si l'extraordinaire expérience de l'Entrée et de la Visitation conserve sa signifiance, c'est que l'au‑delà n'est pas une simple toile de fond à partir de laquelle le visage nous sollicite, n'est pas un « autre monde » derrière le monde. L'au‑delà est précisément au‑delà du « monde », c'est‑à‑dire au‑delà de tout dévoilement, comme l'Un de la première hypothèse du Parménide, transcendant toute connaissance fût‑elle symbolique ou signifiée. « Ni semblable, ni dissemblable, ni identique ni non‑identique » dit Platon de l'Un en l'excluant précisément de toute révélation même indirecte. Le symbole ramène encore le symbolisé au monde où il apparaît.

§ 5. Het spoor

Maar is gene zijde waar het aangezicht vandaan komt op zijn beurt niet een begrepen en tot helderheid gebracht idee ? De buitengewone ervaring van Binnen komen en Visitatie bewaart zijn betekenis verlenend vermogen, omdat de overzijde niet een doek is, tegen de achtergrond waarvan het aangezicht zich aan ons opdringt. Het is geen « andere wereld », achter de wereld. De overzijde is precies over de wereld heen, dat wil zeggen de overzijde van alles wat ontsluierd (aan het licht gebracht) kan worden, zoals dat het geval is met het Ene uit de eerste hypothese van Parmenides alle kennen overstijgt, ook als symbool of laatste betekenis. « Noch gelijk, noch ongelijk, noch identiek noch niet-identiek » zegt Plato over het Ene. Daarmee sluit hij het Ene precies uit van iedere openbaring, ook wanneer zij niet rechtstreekse zou zijn. Het symbool hecht immers het gesymboliseerde aan de wereld waarin het verschijnt.

Iets doet zich voor. “Er wordt aangebeld” . Zo kan men het opschrift boven Raadsel en verschijnsel (Het menselijk gelaat, p.192 parafraseren. Iemand of iets – weet ik veel – dient zich aan. Blijkbaar er er iemand gearriveerd. Visite. De zaak wordt overhoop gehaald. Visite die een beproeving is, visitatie. Alsof een ander de dienst uitmaakt, voorwoord is. Overrompeld door het verschijnen van het Aangezicht dat van buiten (mijn wereld) komt. Waar komt dat wat zich laat zien, het Aangezicht vandaag? Hoe kan ik dat wat van buiten mijn wereld, “de overzijde” duiden?
Het is niet achter de wereld – dan zou immers de wereld nog een plaats zijn, iets waar waar iets achter is, een achtergrond, een dragende element, een vangnet.
Levinas citeert Parmenides en Plato. Hen citerend kan hij aangeven dat die “overzijde” niet ergens is, niet bereikbaar onbereikbaar. Het is hier nergens aan te wijzen, want hier is mijn wereld.

 

Quelle peut dès lors être cette relation avec une absence radicalement soustraite au dévoilement et à la dissimulation et quelle est cette absence rendant la visitation possible, mais ne réduisant pas à l'abscondité, puisque cette absence comporte une signifiance, mais une signifiance dans laquelle l'Autre ne se convertit pas au Même ?

Wat kan dan, zo gezien, die verhouding zijn met een afwezigheid die radicaal onttrokken is aan ontsluiering (aan het licht komen) en verbergen, een afwezig-zijn dat visitatie mogelijk maakt maar dat niet te reduceren is tot het verborgene, omdat dit verborgene een betekenis verlenen inhoudt waarin de Ander niet geconverteerd wordt tot het Zelf.
Geen herhaling van zetten, maar het toespitsen van de vraag die vanaf het begin van het artikel dragend is: hoe kan iets in mijn wereld komen en tegelijk buiten mijn wereld blijven? Of: hoe kan iets tegelijk aanwezig en afwezig zijn, buiten de termen aanwezig/afwezig blijven? Hoe kan het Aangezicht zodanig afwezig zijn dat het, binnenkomend, afwezig blijft? Hoe kan het betekenis hebben of krijgen – en aldus toch deel van mijn wereld worden, door mij benoemd, thema - zonder deel van mijn wereld te worden. Wat is dat voor tijd, afwezig blijvend aanwezig zijn?
Met andere woorden …? Zeg het nog eens, probeer het eens anders. Levinas weet niets anders dan weer weer te beginnen met het wonder dat zo allerdaags en benaal is als elke dag: iemand ziet mij aan. Hoe ziet Levinas dat? Wat betekent het voor hem? Welke woorden zet hij daartoe in? Wat mag in- en opzet zijn? Dat wordt een lange alinea. Maar wie weet hoe verhelderend een nieuw begin, opnieuw beginnen kan zijn.

 

Le visage est abstrait. Cette abstraction n'est certes pas à l'instar de la donnée sensible brute des empiristes. Elle n'est pas non plus une coupure instantanée du temps où le temps croiserait l'éternité. L'instant ressortit au monde. C'est une coupure du temps qui ne saigne pas. Alors que l'abstraction du visage est visitation et venue. Elle dérange l'immanence sans se fixer dans les horizons du monde. Son abstraction ne s'obtient pas par un processus logique partant de la substance (276) des êtres allant du particulier au général. Elle va, au contraire, vers ces êtres, mais ne se compromet pas avec eux, se retire d'eux, s'ab‑sout. Sa merveille tient à l'ailleurs dont elle vient et où déjà elle se retire. Mais cette venue d'ailleurs n'est pas un renvoi symbolique à cet ailleurs comme à un terme. Le visage se présente dans sa nudité, il n'est pas une forme recélant mais par là‑même indiquant ‑ un fond, un phénomène cachant ‑ mais par là‑même trahissant une chose en soi. Sinon le visage se confondrait avec un masque qui le présuppose. Si signifier équivalait à indiquer, le visage serait insignifiant. Et Sartre dira d'une façon remarquable, mais en arrêtant l'analyse trop tôt, qu'Autrui est un pur trou dans le monde. Il procède de l'absolument Absent. Mais sa relation avec l'absolument absent dont il vient, n'indique pas, ne révèle pas cet Absent; et pourtant l'Absent a une signification dans le visage. Mais cette signifiance n'est pas pour l'Absent une façon de se donner en creux dans la présence du visage ‑ ce qui nous ramènerait encore à un mode de dévoilement. La relation qui va du visage à l'Absent, est en dehors de toute révélation et de toute dissimulation, une troisième voie exclue par ces contradictoires. Comment cette troisième voie est‑elle possible? Mais avons‑nous eu raison de rechercher ce dont procède le visage, comme sphère, comme lieu, comme monde? Avons‑nous été assez fidèle à l'interdiction de rechercher l'au‑delà comme monde derrière notre monde? L'ordre de l'être serait encore supposé ainsi. Ordre qui ne comporte d'autre statut que celui du révélé et du dissimulé. Dans l'Être, une transcendance révélée, s'invertit en immanence, l'extra‑ordinaire s'insère dans un ordre, l'Autre s'absorbe dans le Même. Ne répondons‑nous pas en présence d'Autrui à un ordre où la signifiance demeure dérangement irrémissible, passé absolument révolu? Une telle signifiance est la signifiance de la trace. L'au‑delà dont vient le visage signifie comme trace. Le visage est dans la trace de l'Absent (277) absolument révolu, absolument passé, retiré dans ce que Paul Valéry appelle «profond jadis, jadis jamais assez» et qu'aucune introspection ne saurait découvrir en Soi. Le visage est précisément l'unique ouverture où la signifiance du Transcendant n'annule pas la transcendance pour la faire entrer dans un ordre immanent, mais où, au contraire, la transcendance se maintient comme transcendance toujours révolue du transcendant. La relation entre signifié et signification est dans la trace non pas corrélation, mais l’irrectitude même. La relation prétendument médiate et indirecte de signe a signifié, est encore rectitude, car dévoilement qui neutralise la transcendance. La signifiance de la trace nous place dans une relation latérale, inconvertible en rectitude (ce qui est inconcevable dans l'ordre du dévoilement et de l'être) et qui répond à un passé irréversible. Aucune mémoire ne saurait suivre ce passé à la trace. C'est un passé immémorial et c'est peut‑être cela aussi l'éternité dont la signifiance n'est pas étrangère au passé. L'éternité est l'irréversibilité même du temps, source et refuge du passé.

Het Aangezicht is abstract. Deze abstractie komt zeker niet in plaats van het zintuiglijke gegeven waar de mensen van de empirie zich mee inlaten. Het is evenmin een moment, een doorsnede van de tijd waarin tijd de eeuwigheid over steekt. Dat moment hoort bij de wereld. Het is een doorsnede van de tijd waar geen bloed aan te pas komt. Als abstractie is het Aangezicht evenwel visitatie en komst. Het doet de immanentie ontsporen zonder zich vast te leggen binnen wat de wereld als horizon kent. Deze abstractie komt niet tot stand in een logisch proces dat uitgaat van de zijnden als substantie, door van het bijzondere naar het algemene te gaan. Integendeel. Zij gaat naar die zijnden toe zonder zich daarmee in te laten. Ze onttrekt zich daaraan, maakt zich los. Het is wonderlijk omdat het van elders komt en zich daar ook terugtrekt. Maar dit van elders vandaan komen betekent geen symbolische verwijzing waarin dit elders een eindterm zou zijn. Het Aangezicht presenteert zich in zijn naaktheid. Het is geen vorm die verbergt maar daardoor – een fundament, een verschijnsel verbergend – aanwijzend, een Ding an sich [1] verraadt. Dan zou men het Aangezicht verwarren met een masker. Dat veronderstelt wat er achter zit. Als betekenen gelijk is aan aanwijzen, dan betekent het Aangezicht niets. Sartre heeft op een opmerkelijke wijze gezegd, maar hij heeft zijn analyse te snel afgebroken, dat de ander een zuiver gat is in de wereld. Hij komt te voorschijn uit wat absoluut afwezig is. Die verhouding met het absoluut afwezige waar het vandaan komt, wijst dit Afwezige niet aan, openbaart het niet; toch heeft het afwezige iets te betekenen in het aangezicht. Maar deze betekenis is voor de Afwezige niet een manier om zich in de leegte te geven in het aanwezig zijn als aangezicht – dat zou ons terugvoeren naar een soort ontsluiering (aan het licht komen). De verhouding tussen het aangezicht en de afwezige speelt zich af buiten ieder openbaren of verbergen om. Dat zijn tegenstellingen die iedere derde weg uitsluiten. Hoe zou die derde weg mogelijk kunnen zijn ? Maar hebben wij terecht onderzoek gedaan naar waar het Aangezicht vandaan komt. Is dat een sfeer, een plaats, een wereld ? Zijn wij voldoende trouw gebleven aan het verbod, gene zijde te zoeken als een wereld achter onze wereld ? Daarmee wordt de orde van het zijn weer verondersteld Die orde kent geen ander statuut dan dat wat geopenbaard of verborgen is. In het Zijn wordt een geopenbaarde transcendentie vertaald tot immanentie. Het buiten-gewone wordt opgesloten in een orde, de Ander geabsorbeerd in het Zelf. Beantwoorden wij in de aanwezigheid van de/het Andere niet aan een orde [2] waarin een betekenis die zich aandient een onherstelbare ontsporing betekent? een absoluut gepasseerd verleden? Een dergelijk proces van betekenis verlenen is die wijze waarop het spoor teken is. De overzijde waar het Aangezicht vandaan komt reikt als spoor betekenis aan. Het Aangezicht is in het spoor van de absoluut voorbij Afwezige, absoluut verleden, teruggetrokken in wat Paul Val éry noemt « ten diepste voorbij, nooit genoeg voorbij » . Geen enkel onderzoek binnen het ik zou dat binnen Zichzelf kunnen ontdekken. Het Aangezicht is precies de unieke opening waarin het betekenis verlenend vermogen van de Transcenderende de transcendentie niet opheft om haar in een immanente orde binnen te doen gaan. Integendeel, het transcenderende blijft het steeds voorbije transcenderende van de transcendente. De verhouding tussen betekenis en het betekenis verlenende proces in het spoor is geen correlatie. Het is precies het niet rechtstreekse. De zogenaamd bemiddelende en indirecte samenhang tussen teken en betekenis is rechtstreeks. Het brengt aan het licht en neutraliseert het transcenderen. Het spoor brengt zijlings een relatie aan, niet te converteren in directheid (wat is in de orde van licht en zijn onbegrijpelijk is). Het beantwoordt aan een onomkeerbaar verleden. Geen enkel geheugen kan wat gepasseerd [3] is aan dit spoor volgen. Het is een onheugelijk verleden is en wellicht is dat ook de eeuwigheid. Betekenis hebben is niet vreemd aan het verleden. Eeuwigheid is precies de onomkeerbaarheid van de tijd, bron en verblijfplaats van het verleden.
Abstract is het aangezicht, letterlijk : los gemaakt. Het is zonder verband (met). Het valt buiten de wereld, is nergens mee te vergelijken – is zonder precedent - , doet de wereld ineen storten: ontsporing. Je kunt niet zeggen: iemand ziet me aan zoals een ander mij aanziet. De klassieke redenering: een mens is sterfelijk, Piet is een mens, Piet is sterfelijk. Als het jouw Piet is weet je wel dat zijn dood met niets en niemand te vergelijken is. Ieder die je aanziet, ziet je aan op de hem of haar eigen manier.
Dus: het aangezicht is niet een teken van wat daarachter schuil gaat, niet een teken van een nieuwe, andere wereld (zoals de mijne). Het aangezicht is abstract, naakt, kaal. De betekenis die zijn verschijnen heeft, licht niet op in “nou begrijp ik het”, of “even had ik het niet, nu heb ik het weer, ben ik er weer”. Het aangezicht betekent zijlings, terloops, per ongeluk, toevallig, uitzonderlijk. Suggestie, werkelijkheid? Betekent het iets? (Kan ik het inpassen in mijn systeem ?) Kan ik wat gebeurd is in het verschijnen van de ander converteren in “ik stond er bij en ik keek er naar”? – tot mijn verhaal maken, mijn verleden, mijn geschiedenis? Maakt het spoor het voorbij gegaan zijn van wie voorbij gegaan is ongedaan? 

 

Mais si la signifiance de la trace ne se transforme pas aussitôt en droiture qui marque encore le signe ‑ lequel révèle et introduit l'Absent signifié dans l'immanence – c'est que la trace signifie au‑delà de l'Être. L'ordre personnel auquel nous oblige le visage, est au‑delà de l'Être. Au‑delà de l'Être est une troisième personne qui ne se définit pas par le Soi‑Même, par l'ipséité. Elle est possibilité de cette troisième direction d'irrectitude radicale qui échappe au jeu bipolaire de l'immanence et de la transcendance, propre à l'être où l'immanence gagne à tout coup contre la transcendance. Le profil que, par la trace, prend le passé irréversible, c'est le profil du « Il ». L'au‑delà dont vient le visage est la troisième personne. Le pronom Il, en exprime exactement l'inexprimable irréversibilité, c'est‑à‑dire déjà échappée à toute révélation comme à toute dissimulation ‑ et dans ce sens – absolument  (278) inenglobable ou absolu, transcendance dans un passé ab‑solu. L'illéité de la troisième personne est la condition de l'irréversibilité.

Het spoor betekent. Het transformeert zich niet terstond tot iets directs dat nog kenmerkend is voor het teken. Het openbaart de/het afwezige en introduceert het in de immanentie. Dat komt doordat het spoor betekent over het Zijn heen. De orde van het persoonlijke waartoe het aangezicht ons verplicht, bevindt zich over het zijn heen. Over het Zijn heen is een derde persoon. Zij definieert zich niet door Zichzelf, door de ipsé-ïteit. Het is de mogelijkheid van deze derde richting, de radicale niet-directe dat ontkomt aan het bipolaire spel van immanent en transcendent, eigen aan het zijn, waarin de immanentie het steeds weer wint van de transcendentie. Door het spoor krijgt het onomkeerbare verleden profiel. Dat profiel is « hij ». De overzijde waar het aangezicht vandaan komt is de derde persoon. Het voornaamwoord Hij geeft precies aan hoe onomkeerbaar dit profiel is : niet weer te geven. Het is ontkomen aan ieder openbaren en aan ieder verbergen – daarom is het op absolute wijze niet te omvatten, absoluut, transcendentie van een los-gemaakt voorbijgegaan zijn. Illé-iteit, de derde persoon, geeft de conditie, de onomkeerbaarheid aan.
Het lijkt er op dat het toch gemakkelijker wordt. De verhouding met degene die zich aan mij laat zien is rechtstreeks, onmiddellijk. Hij, de derde persoon, staat aan de zijlijn, is slechts zijlings betrokken bij wat mij overkomt. Welnu: de ander overkomt mij vanuit het onpartijdige “hij”, vanuit het voor mij terloopse gebeuren. Het  aangezicht dat mij aanziet, dat mij tot ik maakt, vertolkt de zich terugtrekkende derde persoon. Jij maakt de ander (hij/Hij) concreet abstract.

 

Cette troisième personne qui dans le visage s'est déjà retirée de toute révélation et de toute dissimulation, qui a passé, ‑ cette illéité ‑ n'est pas un « moins que l'être » par rapport au monde où pénètre le visage; c'est toute l'énormité, toute la démesure, tout l'Infini de l'absolument autre, échappant à l'ontologie. La suprême présence du visage est inséparable de cette suprême et irréversible absence qui fonde l'éminence même de la visitation.

De derde persoon heeft zich in het aangezicht reeds teruggetrokken van alles wat openbaren of verbergen is. Hij is voorbij gegaan. Deze Illé-iteit is niet een « minder dan het zijn » in vergelijking met de wereld waarin het aangezicht binnen dringt . Hij is heel het enorme, heel het mateloze, heel het oneindige van de absoluut andere die aan de ontologie ontkomt. De verheven presentie van het aangezicht is niet te scheiden van deze verheven en onomkeerbare afwezigheid die precies de visitatie als gebeuren bij uitstek fundeert.

Buiten de norm, buiten de  maat, buiten de einder, buiten de steeds egologische en tautologische ik en mijn wereld waarin alles hetzelfde blijft, uiteindelijk “ik” en “mijn” blijft. De ander is het spoor van hij die mij voorbijgegaan is, ooit, eens. Niet meer en nooit te integreren roept hij mij tot de orde, voor de dag, is hij mijn voor-taal.

Het begint religieus te worden. Is dat zo? En als het zo is, wat is dat  dan? Als het religieus is, dan gaat het niet over religie als gedomesticeerde transcendentie [4] .  Tijd voor de laatste paragraaf.

 

1. Het zijn en het zelf
2. Een beweging zonder retour
3. Behoefte en verlangen
4. De diaconie

6. Het spoor en de Illé-iteit



[1] Wie het existentialisme gepasseerd is weet van en soi en pour soi, op zich en voor zich. Dat verhaal begint met Descartes (die in Amsterdam gewoond heeft, maar ook in Santpoort, Egmond aan de Hoef en Egmond-Binnen  vanaf 1629). Om het wezen van de dingen vast te stellen maakt hij gebruik van de termen zelfstandigheid, attribuut en modus. Strikt genomen is alleen God zelfstandig. Hij heeft volgens Descartes niets nodig om te zijn. De andere substanties, moeten geschapen worden. Verder zijn zij zelfstandig.

Welnu, iedere substantie heeft een wezenskenmerk, een attribuut. Dat maakt het tot wat het is. Voor het  ding is dat de extensio, de uitgebreidheid, de ruimtelijkheid. Het ding is “op zich”. De geest of de ziel daarentegen heeft als wezenskenmerk de cogitatio, het denken, dat wil zeggen bewustzijn. Het bewustzijn is iets waarvoor iets bestaat, “voor zich”.

Sartre laat het pour soi gaten boren door het en soi, om zo de dingen ahw in zich op te nemen. Levinas verwijst daarnaar. 

[2] We hebben hier te maken met twee betekenissen van het franse ordre: orde en gebod (order).

[3] Passé: verleden en gepasseerd. La Passée kan het verleden als duur zijn, maar ook dat wat gebeurd is.

[4] In Autrement … p. 190 maakt Levinas een in dit opzicht verhelderende tegenstelling. Het getuigenis waarin ik de ander ontvang door “hier ben ik” (in het frans: me voici, zie mij, ik in de vierde naamval, als lijdend voorwerp) te zeggen, is nederig, een bekentenis. Dit gaat vooraf aan iedere theologie. Wat gaat dan aan iedere theologie vooraf. Het is kerugma en gebed, verheerlijking en erkentelijkheid. En wellicht moet je deze zelfstandige naamwoorden verstaan als werkwoorden. Het gaat niet over  dingen, feiten, niet over dat te catalogiseren is. Levinas merkt op dezelfde pagina op: Quelle déception pour les amis de la vérité thématisante. (Er staat in de eerste druk thematisant, maar dat moet een drukfout zijn.) Vertaling: Wat een teleurstelling voor de vrienden van de waarheid die thematiseert.