6. LA TRACE ET L'« ILLÉITÉ »

 

Si la signifiance de la trace consiste à signifier sans faire apparaître, si elle établit une relation avec l'illéité ‑ relation qui, personnelle et éthique, ‑ qui, obligation, ‑ ne dévoile pas ‑ si, par conséquent la trace n'appartient pas à la phénoménologie ‑ à la compréhension de l'« apparaître » et du « se dissimuler » ‑ on pourrait, du moins, s'en approcher par une autre voie en situant cette signifiance à partir de la phénoménologie qu'elle interrompt.

6. De spoor en de « illé-iteit »

Wanneer het spoor betekenis aanbrengt door te betekenen zonder te voorschijn te laten komen, wanneer het een verhouding tot stand brengt met de illé-iteit – een relatie die persoonlijk en ethisch is – die zich, als verplichting, niet verhult, – wanneer derhalve het spoor niet valt onder de fenomenologie – onder het begrijpen van wat « zich laat zien » en wat « zich verbergt », dan zou men het spoor in ieder geval kunnen benaderen via een weg die dit proces van betekenen een plaats geeft vanuit de fenomenologie die zij onderbreekt.

Het spoor betekent. Het betekent zonder aan het licht te komen, licht, overzichtelijk, beheersbaar, hanteerbaar te worden. Het spoor is resultaat van een verleden. Iets, aangeduid als het spoor, vraagt aandacht, verplicht mij. Mij, persoonlijk, mij, ik in de vierde naamval, (ik voordat ik “ik” ben) – ik, wordt (tot de orde) geroepen, uitgezonderd, uitzondering.
Wat (het spoor) mij verplicht ontrekt zich aan mij (mijn heden, mijn hier en nu). Levinas probeert nu, het verschijnen van het spoor (dat nooit verschijnsel, nooit begrip wordt), het “aandragen van betekenis en teken geven” door het spoor te duiden vanuit breuk met de fenomenologie waar het spoor (bij gebrek aan verschijnsel) immers een stokje voor steekt.
Anders gezegd: Het spoor is geen verschijnsel. Daarover kun je dus niets zeggen. Als verschijnsel stelt het niets voor, verschijnsel-zwak is het niets. Maar is over of rondom dat niets toch iets te zeggen? is er (zoiets als) een plaats voor?

 

La trace n'est pas un signe comme un autre. Mais elle joue aussi le rôle du signe. Elle peut être prise pour un signe, Le détective examine comme signe tout ce qui marque sur les lieux du crime l'oeuvre volontaire ou involontaire du criminel, le chasseur marche sur la trace du gibier, laquelle reflète l'activité et la marche de la bête que le chasseur veut atteindre, l'historien découvre, à partir des vestiges qu'avait laissés leur existence, les civilisations anciennes connue horizon de notre monde. Tout se range en un ordre, en un monde, où chaque chose révèle l'autre ou se révèle en fonction d'elle.

Het spoor is niet een teken als een willekeurig ander teken. Toch, het speelt ook de rol van teken. Het kan voor een teken worden aangezien. De detective onderzoekt als teken alles wat op de plaatsen van de misdaad het opzettelijke of onopzettelijke werk van de misdadiger markeert, de jager gaat op het spoor van het wild dat het doen en gaan van het dier weergeeft dat de jager wil bereiken, de historicus ontdekt vanuit de sporen die de oude beschavingen van hun bestaan hebben nagelaten de horizon die van onze wereld bekend is. Alles schaart zich aaneen tot een ordening, een wereld. Ieder gegeven openbaart het andere dat er bij hoort, of wordt in functie daarvan open gelegd. 
Het  spoor betekent iets, als elk teken, maar toch is het geen teken. Je kunt het als een teken zien. Je kunt het spoor volgen. Maar als zodanig (als richting) is het spoor ontsporend (in het duits ook: Entgleisung). Het enige waar het spoort naar voert is naar de andere kant, naar mij die het (spoor als grammaticaal onderwerp, als voor-woord) bespeurt, op het spoor zet.

 

Mais, ainsi prise pour un signe, la trace, par rapport aux autres signes, a encore d'exceptionnel ceci: elle signifie en  (279) dehors de toute intention de faire signe et en dehors de tout projet dont elle serait la visée. Quand, dans les transactions, on « règle par chèque » pour que le paiement laisse une trace, la trace s'inscrit dans l'ordre même du monde. La trace authentique, par contre, dérange l'ordre du monde. Elle vient en surimpression. Sa signifiance originelle se dessine dans l'empreinte que laisse celui qui a voulu effacer ses traces dans le souci d'accomplir un crime parfait, par exemple. Celui qui a laissé des traces en effaçant ses traces, n'a rien voulu dire ni faire par les traces qu'il laisse. Il a dérangé l'ordre d'une façon irréparable. Il a absolument passé. Etre en tant que laisser une trace, c'est passer, partir, s'absoudre.

Maar het spoor, aldus als teken opgevat, heeft in verhouding tot andere tekenen, ook nog dit uitzonderlijke : buiten iedere bedoeling om een teken te geven om brengt het betekenis aan buiten ieder project om dat deze bedoeling beoogt. Bij een transactie kan men zijn zaken regelen « met een overschrijving » om een spoor van de betaling achter te laten. Het spoor hoort dan bij de ordening zelf die de wereld is. Het authentieke spoor daarentegen laat de ordening die de wereld is, ontsporen. Hij komt als een opdruk. De oorspronkelijke betekenis verlening tekent zich daar af in de indruk die degene heeft achter gelaten die zijn sporen heeft willen uitwissen, bijvoorbeeld omdat hij een volmaakte misdaad wil plegen. Degene die sporen heeft achter gelaten door die sporen uit te wissen, heeft niets willen zeggen of doen door de sporen die hij achter laat. Hij heeft de orde op onherstelbare wijze verstoort. Hij is op absolute wijze langs gekomen. Zijn op de wijze van een spoor achterlaten, is voorbijgaan, weggaan, vertrekken, zich los maken.
De wereld, mijn wereld, onze wereld, is een wereld van oorzaak en gevolg. Elk muisje heeft zijn staartje en waar rook is daar is vuur. In de wereld van de verschijnselen heeft alles een naam, een rol, een betekenis, een funktie, een … Kortom: alles is gekend. Zo niet, dan wordt het nog wel gekend, hanteerbaar of voorwerp van onderzoek. Wat nu nog niet gekend, begrepen is, eens zal het gekend, begrepen zijn. Niets onttrekt zich immers permanent aan de macht van de wetenschap, ook al wordt haar agenda alleen maar groter meer moeten gaan doen.
Maar het spoor ontwricht de stelligheid van het binaire (welles/nietes, fort/da) systeem. Het spoor is er, abrupt [1] , “zo maar”, bijkomstig, niet essentieel of noodzakelijk, toevallig, bij-komstig. Zoiets als een opdruk. Overbepaald. Zoals het spreken van sommige sprekers soms zo nadrukkelijk of karakteristiek is dat er iets anders (of meer) aan de hand moet zijn dan hetgeen betoogd wordt. Een half woord kan daartoe ruim voldoende zijn. Maar zover is het bij “het spoor volgens Levinas” niet. Dat halve woord is er wel, maar daarmee is het raadsel niet ontsloten. Mijn orde, mijn wereld, mijn (in de wereld) zijn is verstoord. Ik blijk een ander spel te spelen maar ik ken of begrijp de functie van de stukken of de regels niet.

 

Mais tout signe est, dans ce sens, trace. En plus de ce que le signe signifie, il est le passage de celui qui a délivré le signe. La signifiance de trace double la signification du signe émis en vue de la communication. Le signe se tient dans cette trace. Cette signifiance résiderait pour une lettre, par exemple, dans l'écriture et le style de cette lettre, dans tout ce qui fait que, lors de l'émission même du message que nous captons à partir du langage de cette lettre et de sa sincérité, quelqu'un passe  purement et simplement. Cette trace peut être à nouveau prise pour un signe. Un graphologue, un connaisseur de styles ou un psychanalyste, pourra interpréter la signifiance singulière de la trace pour y quérir les intentions scellées et inconscientes, mais réelles, de celui qui a délivré le message. Mais ce qui, dès lors, dans la graphie et le style de la lettre, reste spécifiquement trace, ne signifie aucune de ces intentions, aucune de ces qualités, ne révèle ni ne cache précisément rien. Dans la trace a passé un passé absolument révolu. Dans la trace se scelle son irréversible révolution. Le dévoilement qui restitue le monde et ramène au monde et qui est le propre d'un signe ou d'une signification, s'abolit dans cette trace.

Ieder teken is in die zin, spoor. Maar meer dan dat het teken betekent, is het het voorbijgaan van degene die het teken heeft afgegeven. Het betekenis-verlenend vermogen van het spoor verdubbelt gezien vanuit de communicatie, de betekenis van het gegeven teken. Het teken handhaaft zich in dat spoor. Die betekenis bevindt zich in een brief bijvoorbeeld in het schrift en de stijl van de brief, in alles dat maakt dat iemand, door deze boodschap te sturen die wij in ontvangst nemen door de taal van deze brief en haar directheid, eenvoudig en simpel langs komt. Dit spoor kan op zijn beurt opnieuw als teken gezien worden. Een grafoloog, een kenner van stijlen of een psychoanalist kan de bijzondere betekenis van het spoor interpreteren en de daarin verborgen en onbewuste maar reële bedoelingen aan het licht brengen van degene die de boodschap heeft achter gelaten. Maar wat aldus in het schrift en de stijl van de brief specifiek spoor blijft, heeft deze bedoelingen of kwaliteiten niet, openbaart of verbergt precies niets. In het spoor is een verleden voorbijgegaan dat absoluut verleden is. In het spoor wordt deze absolute ommekeer bezegeld. De ontsluiering die de wereld herstelt en alles terug breng tot de wereld, en die eigen is aan het teken of aan de betekenis, wordt in dit spoor opgeheven

 
Een voorbeeld. Een brief geeft een boodschap. Iemand komt als brief voorbij, deelt mede. Ik begrijp wat medegedeeld wordt. Maar de brief is meer aanwezig dan de schrijver bedoeld heeft of kan hebben. Het handschrift, de stijl, de rytmiek, de frasering, kortom: heel de materialiteit van de brief vertelt een verhaal dat de schrijver ontgaan is. Deze betekenissen zijn nooit bedoeld. Niets daarvan is mede gedeeld, of verborgen. De brief is of wordt deel van mijn wereld. Daar hoort het bij, daar heeft het een plaats en betekenis. Ik heb de boodschap ontvangen.

 

Mais dès lors la trace ne serait‑elle pas la pesanteur de l'être même en dehors de ses actes et de son langage – pesant (280) non pas par sa présence qui le range dans le monde, mais de par son irréversibilité même, de par son ab‑solution?

Maar is het spoor dan niet precies de zwaarte van het zijn zelf, buiten die daden en buiten haar taal – met een gewicht, niet door zijn aanwezigheid die het een plaats toewijst in de wereld, maar door zijn onomkeerbaarheid, als zich los makend?
Een laatste poging om het spoor bij de tijd te houden lijkt het. Ook al valt het spoor buiten de massiviteit van de wereld en buiten de mogelijkheden van taal en betekenis, buiten het zijn, dan kan het toch nog wel zijn als onomkeerbaar (tot hetheden) in de zin van als afwezige aanwezig zijn (gemist worden), geweest zijn. Zoiets als een litteken? Maar alles blijft hangen als vraag.

 

La trace serait l'indélébilité même de l'être, sa toute-puissance à l'égard de toute négativité, son immensité incapable de s'enfermer en soi et en quelque façon trop grande pour la discrétion, pour l'intériorité, pour un Soi. Et, en effet, nous avons tenu à dire que la trace ne met pas en relation avec ce qui serait moins que l'être, mais qu'elle oblige à l'égard de l'Infini, de l'absolument Autre.

Het spoor is precies de onverwoestbaarheid van het zijn, haar almacht ten overstaan van iedere negativiteit, haar mateloosheid die zich niet in zich af kan sluiten en die op een of andere manier te groot is voor wat beschroomd is, voor het innerlijke, voor een Zich. En inderdaad, wij hebben met nadruk naar voren gebracht dat het spoor geen relatie tot stand brengt met dat wat minder is dan het zijn, maar dat het verplicht ten overstaan van het oneindige, van het absoluut andere.
Wanneer je het spoor probeert te lezen als de afwezigheid van wat geweest is, dan breng je het spoor onder de macht van het zijn dat alles toch weer onder zijn hoedje weet te vangen. Daarom heeft Levinas gezegd dat het spoor geen kwaliteit is van de weg. Het spoor IS niet. Het verplicht door zijn eindeloos gebrek aan zijn. (Zoals onlangs iemand zei: “Het kan best zijn dat je geen kwaad wilde, dat je niet wilt kwetsen of beledigen. Maar je kunt er niet aan ontkomen dat zíj zeggen dat je hen pijn gedaan hebt.)
Omdat de ander in mijn wereld geen been heeft om op te staan, daarom moet ik hem de hand reiken. De ander is geheel en al anders – zelfs niet anders dan ik (dan zou ik de maat van zijn anders-zijn zijn) maar totaliter aliter. 

 

Mais cette supériorité du superlatif, cette hauteur, cette constante élévation à la puissance, cette exagération ou cette surenchère infinie et, disons le mot, cette divinité, ne se déduisent pas de l'être de l'étant, ni de sa révélation ‑ fut‑elle contemporaine d'une abscondité ‑ ni de la « durée concrète ». Elles sont signifiantes à partir d'un passé qui, dans la trace, n'est ni indiqué, ni signalé, mais où il dérange encore l'ordre, ne coïncidant ni avec la révélation, ni avec la dissimulation. La trace est l'insertion de l'espace dans le temps, le point où le monde s'incline vers un passé et un temps. Ce temps est retraite de l'Autre et, par conséquent, en aucune façon dégradation de la durée, entière dans le souvenir. La supériorité ne réside pas dans une présence au monde, mais dans une transcendance irréversible. Elle n'est pas une modulation de l'être de l'étant. En tant que Il est troisième personne elle est en quelque façon, en dehors de la distinction de l'être et de l'étant. Seul un être transcendant le monde peut laisser une trace. La trace est la présence de ce qui, à proprement parler, n'a jamais été là, de ce qui est toujours passé. Plotin a conçu la procession à partir de l'Un, comme ne compromettant ni l'immutabilité, ni la séparation absolue de l'Un. C'est dans cette situation, d'abord purement dialectique et quasi‑verbale (et qui se répète à propos de l'Intelligence et de l'Ame demeurant auprès de leurs principes en leur partie supérieure et ne s'inclinant que par leurs parties inférieures, ce qui est  (281) encore de l'iconographie), que la signifiance exceptionnelle de la trace se dessine dans le monde. « Quand il s'agit du principe antérieur aux êtres, l'Un, celui‑ci reste en lui‑même; mais bien qu'il reste, ce n'est point une chose différente de lui qui produit les êtres conformément à lui; il suffit de lui pour les engendrer... ici, la trace de l'Un fait naître l'essence, et l'être n'est que la trace de l'Un. » (Ennéades V, 5, trad. Bréhier).

Maar deze superioriteit van de superlatief, deze hoogte, deze constante tot de macht verheffing, deze overdrijving of dit eindeloze poging om nog verder te gaan, en deze – laten we dit woord maar gebruiken – goddelijkheid – ze zijn niet af te leiden van het zijn van het zijnde, en ook niet van de openbaring daarvan – ook al zou dat een tijdgenoot van het verborgene zijn – noch van de « concreet duren dat de tijd is ». Zij zijn dragers van betekenis vanuit een verleden dat, in het spoor, niet aangewezen, noch gesignaleerd is, maar dat nog steeds de orde verstoort door niet samen te vallen met zich openbaren of zich verbergen. Het spoor is het invoegen van de ruimte in de tijd, het punt waar de wereld zich buigt naar een verleden en een tijd. Deze tijd is het zich terug trekken van de Ander en daarom op een of andere wijze het ontwrichten van de tijd als duur die een geheel zou kunnen zijn in de herinnering. De superioriteit schuilt niet in een in de wereld present zijn, maar in een transcendentie die onomkeerbaar is. Het is geen modaliteit van het zijn van het zijnde. Zoals Hij de derde persoon is, zo staat zij op een of andere wijze buiten het onderscheid van zijn en zijnde. Alleen een zijn dat de wereld transcendeert kan een spoor achter laten. Het spoor is de tegenwoordigheid van dat wat er bij wijze van spreken, nooit geweest is, van dat wat altijd verleden is. Plotinus heeft de opvatting dat er iets voort komt uit het Ene, zonder de onveranderlijkheid of het absolute gescheiden zijn van het Ene te compromitteren. In deze, eerst puur dialectische en quasi-verbale omstandigheid (die ook van toepassing voor het Verstand en voor de Ziel die met hun hogere deel bij hun oorsprong blijven en zich alleen met hun lagere delen naar beneden buigen – wat nog steeds een soort iconografie is) tekent de uitzonderlijke betekenis van het spoor zich af in de wereld. "Wat betreft het princiep dat vooraf gaat aan de zijnden, het Ene blijft in zichzelf; maar de Ene die blijft is niet iets anders dan degene die de zijnden gelijk aan hem doet voortkomen; het is hem voldoende ze voort te brengen ... hier laat het spoor van de Ene de essentie geboren worden, en het zijn is niets anders dan het spoor van de Ene".(Ennéaden V, 5)
De verhevenheid van de ander, zelfs zijn goddelijkheid, is niet af te leiden uit het zijn, uit de wereld of uit de tijd. Ze is niet van de wereld, niet van deze tijd, is niet. Zij verstoort slechts. Zoals de derde persoon (hij/Hij) absoluut buitenstaander is en blijft in het spel van de tweede en de eerste persoon. De derde persoon wordt nooit de tweede, blijft buitenstaander, spoor.
Plotinus heeft het zo over de ziel. Zij keert zich welliswaar af van de hoogste, zodat zij zwaar wordt en deel van de wereld, maar met haar hoogste vermogen blijft zij verbonden met de Godheid die haar voorbrengt.
Het zijn is spoor van de Ene.

 

Ce qui dans chaque trace d'un passage empirique, par‑delà le signe qu'il peut devenir, conserve la signifiance spécifique de la trace ‑ n'est possible que par sa situation dans la trace de cette transcendance. Cette position dans la trace ‑ que nous avons appelée illéité ‑ ne commence pas dans les choses, lesquelles, par elles‑mêmes, ne laissent pas de trace, mais produisent des effets, c'est‑à‑dire restent dans le monde. Une pierre a rayé une autre. La rayure peut être, certes, prise pour une trace; en réalité, sans l'homme qui a tenu la pierre, la rayure n'est qu'un effet. Elle est aussi peu trace que le feu de bois est la trace de la foudre. La cause et l'effet, même séparés par le temps, appartiennent au même monde. Tout dans les choses est exposé, même leur inconnu: les traces qui les marquent font partie de cette plénitude de présence, leur histoire est sans passé. La trace comme trace ne mène pas seulement vers le passé, mais est la passe même vers un passé plus éloigné que tout passé et que tout avenir, lesquels se rangent encore dans mon temps, vers le passé de l'Autre, où se dessine l'éternité ‑ passé absolu qui réunit tous les temps.

Dat wat in ieder spoor van een empirisch voorbijgaan, over het teken dat het kan worden heen, de specifieke betekenis van het spoor bewaart, – is enkel mogelijk door haar situatie, in het spoor van deze transcendentie. Deze plaats in het spoor – wij hebben haar illé-iteit genoemd – begint niet in de dingen. De dingen laten uit zichzelf geen spoor na. Zij produceren effecten, dat wil zeggen : zij blijven in de wereld. Een steen heeft een kras gemaakt op een andere steen. Zeker, men kan de kras aanzien voor een spoor maar in werkelijkheid, zonder de mens die de steen heeft vastgehouden, is de kras enkel een effect. Zij is evenmin een spoor als het brandend hout een spoor is van de bliksem. Oorzaak en gevolg, zelfs gescheiden door de tijd, horen tot dezelfde wereld. Alles wat zij zijn wordt in de dingen zichtbaar, zelfs dat wat wij nog niet weten : de sporen die daar teken van zijn maken deel uit van deze volledige aanwezigheid. Haar geschiedenis kent geen verleden. Als spoor leidt het spoor niet alleen naar het verleden, maar het is zelf de pas(sage) naar een verleden dat verder verwijderd is dan ieder verleden en dan heel de toekomst. Die reiken beiden nog naar mijn tijd. Het spoor leidt naar het voorbijgegaan zijn van de Ander. De eeuwigheid tekent zich daarin af – het absoluut verleden dat alle tijden bijeen brengt.

De ander verschijnt als spoor buiten het zijn om, overstijgt het zijn. Dat is de betekenis van het woord transcendent. De plaats van het spoor is de illé-iteit. Daarin zit het latijnse ille, hij, gindse. Maar er zit ook een associatie in met het hebreeuwse el(ohiem), God of de godheid. Het spoor verwijst niet naar de wereld van de dingen, van oorzaak en gevolg, van gegevens en reconstueerbaarheid. Niet van mijn tijd [2] maar voortijd, voor mijn tijd. Daarin tekent de eeuwigheid zich af. Levinas zegt wonderlijk concreet bijna: eeuwigheid [3] , de absoluut verleden tijd die alle tijden bijeen brengt.

 

L'absolu de la présence de l'Autre qui a justifié l'interprétation de son épiphanie dans la droiture exceptionnelle du tutoiement, n'est pas la simple présence où, en fin de compte, sont aussi présentes les choses. Leur présence appartient au présent de ma vie. Tout ce qui constitue ma vie avec son passé et son avenir, est rassemblé dans le présent où me viennent les choses. Mais c'est dans la trace de l'Autre que (282) luit le visage: ce qui s'y présente est en train de s'absoudre de ma vie et me visite comme déjà ab‑solu. Quelqu'un a déjà passé. Sa trace ne signifie pas son passé ‑ comme elle ne signifie pas son travail ou sa jouissance dans le monde, elle est le dérangement même s'imprimant (on serait tenté de dire se gravant) d'irrécusable gravité.

De aanwezigheid van de Ander als absoluut rechtvaardigt de interpretatie van het verschijnen in het uitzonderlijke rechtstreekse van het jij-zeggen. Die absolute aanwezigheid van de Ander is niet de simpele aanwezigheid waarmee uiteindelijk ook de dingen aanwezig zijn. Dat zij aanwezig zijn hoort bij de tegenwoordige tijd van mijn leven. Alles wat mijn leven met zijn verleden en zijn toekomst tot stand brengt komt bijeen in de tegenwoordige tijd waarin de dingen op mij af komen. Maar in het spoor van de Ander schijnt het aangezicht : wat zich hier presenteert is bezig zich te verwijderen uit mijn leven. Het bezoekt me als reeds los gemaakt (ab-solu) is. Iemand is al voorbij gegaan. Zijn spoor betekent niet zijn voorbijgegaan zijn, zijn verleden – zoals het ook niet zijn werk betekent of zijn genieten van de wereld. Het is precies de ontsporing die zich afdrukt (men is geneigd te zeggen : die zich graveert) met een gewicht dat men niet naast zich neer kan leggen.
De ander is niet aanwezig als de dingen. De ander is aanwezig in alle modaliteiten van het “jij”.  De dingen, mijn wereld, hoort bij mij. De ander is buiten [4] mij. Als hij mij aanspreekt, aanspraak is, interpelleert hij mij, nog zonder woorden volop taal, als verschijnen. Zoals een heel jong kind, nog zonder woorden, volop spreekt, weet van jij.
Het spoor is niet het teken van voorbijgegaan zijn, het ont-spoort.
Zijn lichte, net niet, aanwezigheid graveert [5] zich, onontkoombaar.

 

L'illéité de cet Il, n'est pas le cela de la chose qui est à notre disposition et à qui Buber et Gabriel Marcel ont eu raison de préférer le Toi pour décrire la rencontre humaine. Le mouvement de la rencontre ne s'ajoute pas au visage immobile. Il est dans ce visage même. Le visage est par lui-même visitation et transcendance. Mais le visage, tout ouvert, peut à la fois être en lui‑même parce qu'il est dans la trace de l'illéité. L'illéité est l'origine de l'altérité de l'être à laquelle l'en soi de l'objectivité participe en le trahissant.

De ille-iteit van dit Il (Hij) is niet het het van het ding waar wij over kunnen beschikken. Buber en Gabriel Marcel hebben terecht de voorkeur gegeven aan het Jij om de ontmoeting van mensen te beschrijven. De ontmoeting als beweging wordt niet toegevoegd aan het onbeweeglijke aangezicht. Zij is in dit aangezicht zelf. Precies daardoor is het aangezicht visitatie en transcendentie. Maar het aangezicht, geheel open, kan op zijn beurt in zichzelf zijn, omdat het zich bevindt in het spoor van de ille-iteit. De ille-iteit is de oorsprong van het anders zijn van het zijn. Het in zich zijn van de objectiviteit kan men hier alleen aan toekennen door het te verraden.
Terecht hebben Marcel en Buber Hij gebruikt voor de mens die wij ontmoeten. Hij is geen het. In het nederlands zijn we daar nogal precies mee. Niet de ander waarover, maar de ander over wie ik spreek. Die ontmoeting is tegenwoordige tijd. Zij voegt niet iets toe aan het Aangezicht. Ik ontmoeting de ander als aangezicht, jij – visitatie en transcendentie, niet in het spoor van zichzelf maar in het spoor van de illé-iteit. De derde persoon, hij is de achtergrond vanwaar het aangezicht komt. Als men het aangezicht fixeert, objectiveert, het maakt (“daar het je hem/haar weer!”) betekent dit verraad. Ontkenning.

 

Le Dieu qui a passé n'est pas le modèle dont le visage serait l'image. Être à l'image de Dieu, ne signifie pas être l'icône de Dieu, mais se trouver dans sa trace. Le Dieu révélé de notre spiritualité judéo‑chrétienne conserve tout l'infini de son absence qui est dans l'ordre personnel même. Il ne se montre que par sa trace, comme dans le chapitre 33 de l'Exode. Aller vers Lui, ce n'est pas suivre cette trace qui n'est pas un signe, c'est aller vers les Autres qui se tiennent dans la trace.

De God die voorbij gegaan is is niet het model waarvan het aangezicht het beeld is. Naar het beeld van God zijn betekent niet icoon van God zijn, maar zich bevinden in zijn spoor. God die in onze spiritualiteit van Joden en christenen geopenbaard is, bewaart heel de oneindigheid van zijn afwezigheid. Precies dat is de persoonlijke orde. Hij laat zich alleen zien door zijn spoor, zoals in Exodus 33. Naar Hem toegaan betekent niet: dit spoor dat geen teken is, volgen. Het betekent : naar de Anderen gaan die zich in het spoor bevinden.

De traditionele filosofie en theologie kent uit de bijbelse literatuur de zinsnede die vertelt dat de mens “geschapen is naar Gods beeld op hem gelijkend”. De geschiedenis heeft daarvan gemaakt dat de mens een icoon van God zou zijn. Levinas zegt: naar het beeld van God zijn betekent: zich bevinden in zijn spoor. Gods blijft daardoor eindeloos afwezig, buiten onze wereld, buiten onze tijd – tenzij wanneer wij hem toelaten, wanneer wij ons laten verplichten tot zijn orde. Zijn spoor volgen betekent naar de anderen gaan. Zij bevinden zich in het spoor. 

 

Bijna abrupt eindigt daarmee la trace de l’autre, verschenen in het tijdschrift voor filosofie van 1963. Het is een van de funderende artikelen waarin men het denken van Levinas op het spoor te komen. Grote delen van le trace ... herneemt Levinas in Autrement.... Misschien maak ik een bijlage en volg ik enkele lijnen uit dit artikel in Autrement (1974).

 

© Jan Engelen,

Herten 2004/Amsterdam 2013

 

 

1. Het zijn en het zelf
2. Een beweging zonder retour
3. Behoefte en verlangen
4. De diaconie
5. Het spoor



[1] Letterlijk ab/af en rumpere/breken: af- of uitgebroken.

[2] Is veel zogenaamd “verleden” niet een reconstructie of hypothese, bedoeld om ons een beetje heden te geven of ons gebrek aan heden te compenseren?

[3] Eeuwigheid is niet tijd zonder grens of beperking. In ieder geval het bijbelse woord eeuwigheid betekent simpel: voor mij tijd en na mijn tijd.

[4] Het eerste hoofdwerk van Levinas, Totalité et Infini (1968) geeft een beschrijving van het subject zijn van het subject. Een beetje snel gezegd: “Ik zijn, wat is dat, hoe werk dat?” Het werk is ondertiteld: essai sur l’extériorité, essay over het exterieur zijn.  

[5] Graveren, gravure, griffel: schrijven, maar ook grave-zijn, zwaar zijn, gewicht hebben, doorslaggevend gewicht hebben. Denk aan de ziel die (bij de Egyptenaren) alvorens binnen te gaan in het dodenrijk gewogen wordt: heeft zij genoeg gewicht tegenover het kwaad dat zij gedaan heeft? Dit gewichtig zijn heet in het hebreeuws KBD (kabad). Daarvan is afgeleid Kabood, gewicht, in de gangbare bijbels helaas vertaald met heerlijkheid. (Wij associeren heerlijkheid met licht – dat is iets geheel anders.)