§ 4. LA DIACONIE

La visitation du visage n'est donc pas le dévoilement d'un monde. Dans le concret du monde, le visage est abstrait ou nu. Il est dénudé de sa propre image. Par la nudité du visage, la nudité en soi est seulement possible dans le monde.
La nudité du visage est un dépouillement sans aucun ornement culturel ‑ une absolution ‑ un détachement au sein de sa production même. Le visage entre dans notre monde à (272) partir d'une sphère absolument étrangère ‑ c'est‑à‑dire précisément à partir d'un absolu qui est d'ailleurs le nom même de l'étrangeté foncière. La signification du visage dans son abstraction est au sens littéral du terme, extra‑ordinaire. Comment une telle production est‑elle possible? Comment la venue d'Autrui à partir de l'absolu dans la visitation du visage peut‑elle ne se convertir, à aucun titre, en révélation ‑ fût‑elle symbolisme ou suggestion? Comment le visage n'est‑il pas simplement une représentation vraie où l'Autre renonce à son altérité? Pour y répondre nous aurons à étudier la signifiance exceptionnelle de la trace et l'ordre personnel où une telle signifiance est possible.

§ 4. De diaconie

Het aangezicht als visitatie wil derhalve niet zeggen dat er een wereld ontsluierd wordt. Binnen het concreet zijn van de wereld is het aangezicht abstract of naakt. Het is ontkleed, ontdaan van zijn eigen beeld. Enkel de naaktheid van het aangezicht maakt het naakt zijn op zich in de wereld mogelijk.
De naaktheid van het aangezicht wil zeggen dat er niets uit de wereld van de cultuur als versiering overblijft. Hier zien we absolutie, losgemaakt worden van de schoot waarin je precies ontstaan bent. Het aangezicht treedt binnen in onze wereld vanuit een absoluut vreemde sfeer – dat wil zeggen vanuit een absoluut iets. Absoluut is precies de naam van die volstrekte vreemdheid. Het aangezicht brengt betekenis aan op de wijze van abstractie. In de letterlijke zin van het woord is dit buiten-gewoon. Hoe is een dergelijke productie van betekenis mogelijk ? Hoe kan in de visitatie van het aangezicht de komst van de/het Andere zich op geen enkele wijze converteren tot openbaring – ook niet in de vorm van symboliek of suggestie ? Waarom is het Aangezicht niet eenvoudigweg een echte representatie waarbij de ander afziet van zijn anders-zijn ? Om deze vragen te beantwoorden dienen wij de uitzonderlijke wijze te bestuderen waarop het spoor betekenis verleent en de persoonlijke orde waarin een dergelijke proces van betekenisverlening mogelijk is.

Binnen het concrete dat de  wereld is dient zich iets totaal anders aan. Hoe kan dat? Om in de wereld iets te betekenen moet je van de wereld worden.  Om in de wereld iets te doen, iets te betekenen dien je je toch te tooien met alles dat precies “des wereld” is? Levinas is van mening dat er nog een andere mogelijkheid is. Dat andere, het anders zijn van de ander, noemt Levinas Visage. Ik vertaal het hier steeds met Aangezicht. Visage is “Jij die mij aanziet”. Wanneer de ander mij in de immanentie van mijn wereld waarin ik alfa en omega ben aanziet, blijkt er een soort staatsgreep plaatsgevonden te hebben. Het ik is niet berekend op de ander; ik kan me niet op hem voorbereiden. Onverhoeds overvalt het dichterbij komen van de ander mij. Iemand raakt mij aan. De wereld houdt op.
Hoe gebeurt dat ? Eigenlijk heel simpel. De ander komt dichterbij zoals als alles wat mij nadert. Maar terwijl hij dichterbij komt blijkt hij ander te zijn, op afstand te komen. Het moment van concreetheid markeert zijn abstractie. De ander is letterlijk: los gemaakt. Niets van de wereld, niets concreets dient hem tot verhulling. Het Aangezicht is naakt.
De ander is geen teken van het andere, van meer, geen symbool of aanduiding. De ander is de/het andere. “Vanwaar zijt gij gekomen, wij wisten niets van U?”
Hoe kan dat?

 

Insistons pour le moment sur le sens que comporte l'abstraction ou la nudité du visage qui nous ouvre cet ordre et le bouleversement de la conscience qui répond à cette abstraction. Dépouillé de sa forme même, le visage est transi dans sa nudité. Il est une misère. La nudité du visage est dénûment et déjà supplication dans la droiture qui me vise. Mais cette supplication est une exigence. L'humilité s'unit en lui à la hauteur. Et par là s'annonce la dimension éthique de la visitation. Alors que la représentation vraie demeure possibilité d'apparence, alors que le monde qui heurte la pensée ne peut rien contre la libre pensée capable de se refuser intérieurement, de se réfugier en soi, de rester précisément libre pensée en face du vrai et d'exister « en premier » comme origine de ce qu'elle reçoit, de maîtriser par la mémoire ce qui la précède, alors que la pensée libre reste « le Même », le visage s'impose à moi sans que je puisse être sourd à son appel ni l'oublier – je veux dire sans que je puisse cesser d'être tenu pour responsable de sa misère. La conscience perd sa première place.  

Laten we een ogenblik blijven stil staan bij de betekenis die de abstractie of naaktheid van het aangezicht aanbrengt. Zij opent ons voor deze verhouding. Zij betekent een omkering van het bewustzijn die aan deze abstractie beantwoordt. Ontdaan van zijn vorm is het aangezicht door en door naakt. Het is door en door lijden. De naaktheid van het aangezicht is ontkleding, het is al een smeken in de directheid die mij aanziet. Maar dit smeken is een eis. Nederigheid verenigt zich hier met hoogte. Op deze wijze wordt de ethische dimensie van de visitatie aangekondigd. Terwijl de ware representatie de mogelijkheid biedt zich te laten zien, terwijl de wereld die het denken pijn doet niets vermag tegen het vrije denken dat zich innerlijk af kan sluiten, dat zichzelf in kan vluchten, dat precies een vrij denken kan blijven tegenover het ware en « als eerste » kan bestaan, als oorsprong van wat het ontvangt, om door het geheugen dat te bemeesteren wat vooraf gaat. Terwijl dus het vrije denken « het Zelfde » blijft, dringt het aangezicht zich aan mij op zonder dat ik doof kan zijn voor het appel dat er vanuit gaat – ik wil zeggen: terwijl ik niet in staat ben mij te onttrekken aan de verantwoordelijkheid voor zijn leed. Het bewustzijn verliest (zichzelf als) zijn eerste plaats.

« Wat mag ik voor u betekenen ?” Zeer professioneel biedt een verkoper zijn of haar diensten aan? Hij of zij presenteert zichzelf en het bedrijf waarin ik blijkbaar iets te zoeken heb. Maar deze presentatie is een representatie. Reeds aanwezig presenteert iemand zich opnieuw, nu aan mij als mogelijke cliënt. Ik kan zeggen: “Dank U wel”, of: “Ik wil even wat rondkijken.” Het gaat hier om functionele verhoudingen en relaties. In het aanbod blijft de klant koning. Het verschijnen van het aanaangezicht is iets volstrekt anders. De ander presenteert zich, is er, blijkt.  

De ander, het Aangezicht, heeft geen functie, is geen functie. Het aangezicht kan zich niet verhullen of voordoen. Het breekt zo maar in, heeft wellicht ook geen idee van de inbreuk die hij op mijn (gemoeds-)rust maakt. Omdat het aangezicht zich steeds ontdoet van zijn vorm is het een schreeuw om ontferming. “Hoort wie klopt daar kinderen … Het is een vreemdeling zeker.” 
Ik kan doen alsof er niets aan de hand is. Ik kan er een etiket overheen plakken, een pleister op de wonde, of er een rubriek van maken. Ik kan als professioneel zelfs vaststellen dat “Japie om aandacht vraagt zoals altijd”, maar het kan ook zijn dat … Ik met mijn bewustzijn, mijn kennis en kunde, ik sta opeens met lege handen, ben op een of andere manier opeens niet meer de eerste persoon. Alsof het Aangezicht mij vooraf gaat. Alsof ik plotseling, op een onbewaakt moment, verantwoordelijk ben.
Alsof de ander als verschijnen, woord is, spreken.

 

La présence du visage signifie ainsi un ordre irrécusable ‑ un commandement ‑ qui arrête la disponibilité de la conscience. La conscience est mise en question par le visage.  (273) La mise en question ne revient pas à prendre conscience de cette mise en question. L'absolument autre ne se reflète pas dans la conscience. Il y résiste au point que même sa résistance ne se convertit pas en contenu de conscience. La visitation consiste à bouleverser l'égoïsme même du Moi, le visage désarçonne l'intentionalité qui le vise.

De aanwezigheid van het aangezicht betekent zodoende de aanwezigheid van een opdracht die je niet naast je neer kunt leggen – een gebod – het maakt een einde aan het bewustzijn waarvoor alles beschikbaar is. Het bewustzijn is : onderwerp zijn van de vraag die het aangezicht stelt. Dat onderworpen zijn aan de vraag betekent niet dat ik die vraag bewust tot mij kan nemen. De absoluut ander spiegelt zich niet in het bewustzijn. De weerstand die het biedt is van dien aard dat het geen inhoud kan worden van het bewustzijn. Visitatie betekent: het ik als egoïsme ontregelen. Het aangezicht heft de intentionaliteit op die haar aanziet.

 
Het aangezicht, de stem die zonder een enkel woord spreekt, ontregelt mij. Het bewustzijn wordt geprovoceerd, moet te voorschijn komen – gedagvaardigd zegt Levinas in eerdere verbanden.
De ander wordt vraag. Ik – mijn mond vol tanden - kan daarop niet een antwoord produceren. Ik wordt overvraagd. Van autonoom ben ik heteronoom geworden. Heer en meester zijnde zag ik een fiets, een huis, een boom. Heer was ik in mijn eigen huis. Maar nu ik jou zie kijken weet ik me geen raad meer.

 

Il s'agit de la mise en question de la conscience et non pas d'une conscience de la mise en question. Le Moi perd sa souveraine coïncidence avec soi, son identification où la conscience revient triomphalement à elle‑même pour reposer sur elle‑même. Devant l'exigence d'Autrui, le Moi s'expulse de ce repos et n'est pas la conscience, déjà glorieuse, de cet exil. Toute complaisance détruirait la droiture du mouvement éthique.

Het gaat over de in vraag stelling van het bewustzijn, niet over het bewustzijn van de in vraag stelling. Het Ik verliest zijn soeverijn samenvallen met zichzelf, zijn identiticatie waarin het bewustzijn triomfantelijk opnieuw tot leven komt om in zichzelf tot rust te komen. Ten overstaan van de eis van de Ander wordt het Ik verdreven uit deze rust. Het ik is niet meer het reeds triomferende bewustzijn van deze verbanning. De directheid van de ethische beweging vernietigt iedere tevredenheid.
Het aangezicht ziet. Dat zien ontregelt mij. Zo simpel is het. Ik kan niet meer samenvallen met mezelf en tot rust komen. De vraag van de ander verdrijft mijn rust

 

Mais la mise en question de cette sauvage et naïve liberté, sûre de son refuge en soi, ne se réduit pas à ce mouvement négatif. La mise en question de soi est précisément l'accueil de l'absolument autre. L'épiphanie de l'absolument autre, est visage où l'Autre m'interpelle et me signifie un ordre de par sa nudité, de par son dénûment. Sa présence est une sommation de répondre. Le Moi ne prend pas seulement conscience de cette nécessité de répondre, comme s'il s'agissait d'une obligation ou d'un devoir dont il aurait à décider. Il est dans sa position même de part en part responsabilité ou diaconie, comme dans le chapitre 53 d'Isaïe.

Maar deze in vraag stelling van de wilde en naïeve vrijheid met zijn zekerheid van toevlucht in zichzelf kan men niet terugbrengen tot een negatieve beweging. De in vraag stelling van het ik is precies de ontvangst van de absoluut ander. Het verschijnen van de absoluut ander is aangezicht. Daarin interpelleert de ander mij. Door zijn naaktheid, door zijn ontkleding reikt hij mij een gebod aan. Zijn presentie is opdracht om antwoord te geven. Het Ik neemt niet alleen deze noodzaak om te antwoorden ter kennis. Het is niet een opdracht of een verplichting waarover ik een beslissing zou kunnen nemen. Precies door zijn plaats wordt het ik steeds meer verantwoordelijkheid, of dienaar, zoals in Jesaja 53.

 
Hoe herkenbaar in vele voorbeelden de tekst ook is, Levinas is er niet op uit een psychologie van de ontmoeting tussen mensen te beschrijven. De intrige die hij beschrijft speelt zich af op een eerder plan, voor het bewustzijn een keuze kan maken, onttrekt zich aan het bewustzijn. Ik kan de ander als vraag niet integreren. Nog voor ik iets weet van waar ik antwoord op moet geven word ik opgeroepen, verantwoordelijk, “tot uw dienst”.

 

Etre Moi signifie dès lors ne pas pouvoir se dérober à la responsabilité. Ce surcroît d'être, cette exagération qu'on appelle être moi, cette saillie de l'ipséité dans l'être, s'accomplit comme une turgescence de la responsabilité. La mise en question de Moi par l'Autre me rend solidaire d'Autrui d'une façon incomparable et unique. Non pas solidaire comme la matière est solidaire du bloc dont elle fait partie ou comme l'est un organe de l'organisme où il a sa fonction ‑ la solidarité, ici, est responsabilité comme si tout (274) l'édifice de la création reposait sur mes épaules. L'unicité du Moi c'est le fait que personne ne peut répondre à ma place. La responsabilité qui vide le moi de son impérialisme et de son égoïsme ‑ fût‑il égoïsme du salut ‑ ne le transforme pas en moment de l'ordre universel. Elle le confirme dans son ipséité, dans sa fonction de support de l'univers.

 

Ik zijn betekent van nu af aan: zich niet kunnen onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid. Dit toenemen van het zijn, deze overdrijving die men « ik – zijn » noemt, deze sprong van het zelf in het zijn, wordt het oplichten van de verantwoordelijkheid. In vraag gesteld door de ander wordt het ik op een onvergelijkelijke en unieke wijze solidair. Niet solidair op de manier waarop de materie solidair is met het blok waar het deel van uit maakt, een orgaan van een organisme waarin het een functie heeft – solidariteit betekent hier verantwoordelijkheid alsof heel het gebouw van de schepping op mijn schouders rust. De uniciteit van het ik betekent dat niemand hier, op mijn plaats, antwoord kan geven. De verantwoordelijkheid die het ik ontledigt van zijn imperialisme en zijn egoïsme – ook al is dat het egoïsme van het heil – wordt niet omgevormd tot een moment van de universele orde. Die verantwoordelijkheid bevestigt het ik in zijn zelf-zijn, in zijn functie van het dragen van de wereld.
Het  begin van de alinea is duidelijk. Het verschijnen van de ander, het Aangezicht, roept mij, over mijn grenzen heen, te voorschijn. Mijn verantwoordelijkheid vergroot mijn moeten en mogen buitenproportioneel. De solidariteit betekent niet dat ik nu ga horen bij degenen die verantwoordelijkheid dragen. De solidariteit individualiseert mij, zondert mij af, maakt mij uitzonderlijk, ik. “Uitverkoren”, dat zo vaak misverstane woord in de uitdrukking “uitverkoren volk”, betekent: een verantwoordelijkheid (meer) hebben. Uniek zijn betekent: niemand kan in mijn plaats, op mijn plaats, namens mij, de wereld dragen. Ik voel me verantwoordelijk, geroepen.

 

Découvrir au Moi une telle orientation, c'est identifier Moi et moralité. Le Moi devant Autrui est infiniment responsable. L'Autre qui provoque ce mouvement éthique dans la conscience et qui dérègle la bonne conscience de la coïncidence du Même avec lui‑même, comporte un surcroît inadéquat à l'intentionalité. C'est cela le Désir: brûler d'un autre feu que le besoin que la saturation éteint, penser au‑delà de ce qu'on pense. A cause de ce surcroît inassimilable, à cause de cet au‑delà, nous avons appelé la relation qui rattache le Moi à Autrui ‑ Idée de l'Infini.

In het Me een dergelijke oriëntatie ontdekken betekent, het me identificeren als een moreel ik. Het Ik is voor de ander oneindig verantwoordelijk. De ander provoceert deze ethische beweging in het bewustzijn. Hij ontregelt het goede geweten waarin ik met mezelf samen val. De ander brengt een groei aan die niet gelijk is aan de intentionaliteit. Dit is het Verlangen : branden door en ander vuur dan de verzadiging kan doen blussen, meer denken dan men denken kan. Omwille van deze niet in zich op te nemen groei, omwille van dit meer dan, hebben wij de relatie die het Ik verbindt aan de Ander de idee van het Oneindige genoemd.

Opeens zijn alle grenzen verlegd. De ander ontregelt mij, choqueert, breekt open – maar ook ontgrendelt mij. Ik wordt eindeloos verantwoordelijk – eindeloos, omdat ik het einde daarvan niet kan vast stellen. Levinas zal daar de term transcendentie bij zetten. Daar waar de ander mij opent wordt ik onevenredig voor het voetlicht geplaatst van wat niet meer te overzien is. Dat noemt Levinas de idee van het oneindige. Het verdient de voorkeur dit niet te geheimzinnig of te religieus te verstaan. In Totalité et Infini schrijft Levinas: « L’idée de  l’infini est le mode d’être – l’infinition de l’infini. L’infini n’est pas d’abord pour se réléver ensuite. Son infinition se produit comme rélévation, comme une mise en moi de son idée. » (De idee van het oneindige is de wijze van zijn – het zich veronteindigen van het oneindige. Het oneindige is niet eerst om zich vervogens te openbaren. Zijn zich veronteindigen geschiedt als openbaring, als een in mij aanbrengen van de idee daarvan. TI, p. XV.) En hij schrijft verder op : En réalité, l'homme a déjà l'idée de l'infini, c'est-à-dire vit en société et se représente les choses. (In werkelijkheid heeft de mens reeds de idee van het oneindige, dat wil zeggen: hij leeft in een samenleving en representeert zich de dingen A.w., p. 147.) Het gaat er blijkbaar over dat het toneel groter blijkt dan de plaats waarop ik hier en nu sta.

 

L'idée de l'infini ‑ est Désir. Elle consiste, paradoxalement, à penser plus que ce qui est pensé en le conservant cependant dans sa démesure, par rapport à la pensée, à entrer en relation avec l'insaisissable, tout en lui garantissant son statut d'insaisissable. L'infini n'est donc pas le corrélat de l'idée de l'infini, comme si l'idée était une intentionalité s'accomplissant dans son objet. La merveille de l'infini dans le fini, est un bouleversement de l'intentionalité, un bouleversement de cet appétit de lumière: contrairement à la saturation où s'apaise l'intentionalité, l'infini désarçonne son idée. Le Moi en relation avec l'Infini est une impossibilité d'arrêter sa marche en avant, l'impossibilité de déserter son poste selon l'expression de Platon dans le Phédon; c'est littéralement, ne pas avoir le temps pour se retourner. L'attitude irréductible à la catégorie, c'est cela. Ne pas pouvoir se dérober à la responsabilité, ne pas avoir de cachette d'intériorité où l'on rentre en soi, marcher en avant sans égard pour soi. Accroissement d'exigences à l'égard de soi: plus je fais face à (275) mes responsabilités et plus je suis responsable. Pouvoir fait d'impuissances ‑ voilà la mise en question de la conscience et son entrée dans une conjoncture de relations qui tranchent sur le dévoilement.

De idee van het oneindige - is Verlangen. Paradoxaal bestaat het daaruit, dat het meer denkt dan hetgeen gedacht is. Het bewaart dit als dat wat in zijn verhouding tot het denken toch niet te meten is, en door in relatie te treden met wat niet te grijpen is, terwijl het het statuut van de ongrijpbaarheid die het heeft te garanderen. Het oneindige is derhalve niet het correlaat van de idee van het oneindige alsof die idee een intentionaliteit zou zijn die zich voltooit in zijn object. Het wonder van het oneindige in het eindige betekent een verstoring van de intentionaliteit, het verstoren van haar honger naar licht : dit in tegenstelling tot de verzadiging waarin de intentionaliteit tot rust komt. Het oneindige verbrijzelt de idee die ik ervan heb. Het ik in relatie tot het oneindige betekent: ik kan onmogelijk stoppen met verder gaan, ik kan onmogelijk mijn post verlaten zoals Plato in de Phaido zegt. Het is letterlijk geen tijd meer hebben om terug te gaan. Het is de attitude (houding) die geen categorie (wezenseigenschap) kan worden. Zich niet kunnen onttrekken aan de verantwoordelijkheid, geen plaats in zijn binnenste meer hebben om zijn toevlucht toe te nemen, vooruit gaan zonder acht te slaan op zichzelf. De eisen aan het zelf nemen toe : naarmate ik meer tegemoet kom aan wat van me gevraagd wordt, naar die mate groeit ook mijn verantwoordelijkheid. Een macht gemaakt van onvermogen – dat is het bewustzijn dat in vraag gesteld wordt en terecht komt in een samenhang van verhoudingen die niet aan het licht komen.

Wat niet ophoudt. Het verlangen. Levinas noemt de idee van het oneindige verlangen. Alle ongrijpbaarheid en onmeetbaarheid wordt daarin als zodanig gesauveerd. Daarmee wordt mijn gerichtheid op en bewustzijn van het andere onderbroken, verbrijzeld. Niet meer ik neem de maat, de ander doet dit op een of andere, voor mij niet grijpbare wijze, waaraan ik me niet onttrekken kan. Hoe ik de ander ook denk (intentionaliteit) de ander is altijd meer anders, ongrijpbaar. Zonder te  weten wat het zou kunnen zijn moet ik op mijn tellen passen. Die gevoeligheid kan nooit een grondhouding worden, een eigenschap van mij. Zij wordt mij voortdurend gevraagd. Naarmate ik inga op de uitnodiging, naar die mate is zij dwingender en wordt er meer gevraagd. Op een andere plaats verwijst Levinas naar Abraham voor God in Genesis 18,27. Abraham eist van God dat God rechtvaardig is “hoewel ik stof en as ben”. Zijn zwakte is zijn kracht. God moet zich over Abraham ontfermen. “Als U het niet doet, wanneer U het niet opneemt voor degenen voor wie ik het opneem – wat wil ik dan nog. Zonder U ben ik immers nergens.”

De vraag blijft. Ik kan alleen maar horen. De vraag, het Aangezicht, jij die mij aanziet, blijft voor mij mij voor. Dat wordt voor mij nooit transparant, licht. Het blijft: honger naar licht.

 

1. Het zijn en het zelf
2. Een beweging zonder retour
3. Behoefte en verlangen

5. Het spoor
6. Het spoor en de Illé-iteit

home