De echte herder

printversie

printversie

Bij de ingang van de Hogeschool IPABO te Amsterdam (foto je)

Les 5, mei 2003

Johannes 10. Je zult er je tekst wellicht bij moeten hebben.

Geloof me, het is waar. Of: je kunt er van op aan dat. Wat wordt met zoveel stelligheid en geruststelling ingeleid? Wie niet door de deur binnenkomt in de schaapskooi, wie ergens anders vandaan komt. Dat is een dief en een rover. Wie door de deur binnenkomt – de man aan de deur doet voor hem open. Je vraagt je af wie die engel bij de deur mag wezen. Wie bewaart de poort, bewaart de toegang? Wanneer een engel (zie Genesis 3,24) God bij wijze van spreken is dan wordt ook hier meer te verstaan gegeven dan je in eerste instantie vermoed. Dan is zo je wilt zelfs het verrijzenisverhaal aan de orde. Maar ik wil daar niet op ingaan. Ik wil wat meer achtergrondinfo geven en me daartoe beperken.

Enkele (veel) jaren geleden verscheen er in een landelijk dagblad een advertentie: herder gevraagd. Het ging over een kudde op de Drentse hei. Enkele duizende sollicitanten. We hebben een idyllische opvatting over herders. Het lijkt zo lekker puur natuur. Pastorale. Een pastor is een herder. De herder en zijn kudde geurt naar het leven op het land. Begrijp: in de goede oude bijbelse tijd waren de meeste mensen zoiets als een herder. Of de kudde bestond uit de schapen van meerdere families. Nomaden. Zwerven achter de “ooit een beetje geregend en dus is er wat te eten voor de schapen” aan.

Je kunt de herder geen brief schrijven. Hij leeft buiten de samenleving. Hij mocht ook niet getuigen voor de rechtbank. Hij was min of meer professioneel a-sociaal. Mozes was een herder. David ook. En Abraham had ook een grote kudde. Eigenlijk allemaal.

De herder is dus een goede bekende. Een vertrouwd figuur uit het bijbelse landschap. Hij moest van wanten weten.

De schaapskooi [1] is een gebogen stenen muur, een cirkel met een toegang open gelaten. De herdertjes lagen bij nachte in de schaapskooi. De kudde, bijeengebracht voor de nacht, is dan gemakkelijk te hanteren.

Als je op een andere (dan de voor-geschreven) weg binnen komt, dan is het niet goed. Ga je door de deur dan wordt de poort voor je open gehouden.

Voor wie doet de man aan de poort dan de schaapskooi open? Voor iemand van wie de tekst drie dingen zegt.

  1. De schapen horen zijn stem
  2. Hij  kent de schapen bij hun naam
  3. Hij voert hen naar buiten.

Je hoort: de echte herder brengt zijn schapen naar buiten. Het lijkt wel ochtend [2] als hij komt. Werk aan de winkel: hij brengt zo naar buiten. Exodus een feit.

De binding tussen de schapen en de herder is gebaseerd op zijn kennen. Hij kent hun bij naam. En zij kennen zijn stem.

Wanneer hij zijn schapen allen uitdrijft. Ik vindt dat allen zo aardig. Het geeft iets weer van “allen bij naam.” In je stage hoef je maar twee keer bewegingsonderwijs te geven, dan weet je al wie het laatste klaar is. Allen, ieder heeft zijn eigen ritme, hij weet dat, houdt daar rekening mee.

Dan gaat hij voor hen uit. In 1978 zag ik het in de woestijn ten Oosten van Amman. Een stofwolk uit de woestijn. Toen het stof week voor een beetje zichtbaarheid zag je een reus, de herder, die aan de kop van de kudde, als een belhamel [3] , vooruitloopt, met zijn staf grote gebaren makend zoals Sinterklaas [4] dat ook kan doen. Daarachter zag je een wolk op heel veel pootjes: de kudde.

Hij loopt voor hem uit en zij achter hem aan WANT. Hier wordt uitgelegd waarom ze hem volgen. Want ze kennen zijn stem. Hoe hele gang is de vertolking of het effect van hun kennen. Ze kennen en herkennen hem. Hij hoeft zijn mond maar open te doen en ze weten dat het goed zit. De stem is vertrouwd. Het doet mij denken aan de stem die voorleest uit de Tora in de synagoge. Wat je ook hoort: het geluid is door en door vertrouwd, puur herkenning.

Maar ze begrijpen toch niet waar hij het over heeft. Hier is nog geen kudde met een eigen herder. Opnieuw gaat Jezus naar de deur – al is het toch verassend.

Betrouwbaar is wat ik jullie zeg: ik ben de deur van de schapen. Naar dieven en rovers luisteren de schapen niet . Ze weten wel beter. Maar ik ben de deur. Er is iets dat hem tot deur maakt.

Een beetje merkwaardig beeld. Ik hoor me al zeggen: “Ik ben de deur.”

Wantrouwen tegen deze formulering vertolkt je eigen onbekendheid. De herder is namelijk “de deur” wanneer de schapen de schaapskooi binnengaan. Hij gaat in de deuropening staan en laat de schapen onder zich doorlopen. Hij staat dan letterlijk boven de schapen, over de schapen heen. Hij zet zijn leven [5] over de schapen heen. Precies dat staat letterlijk in Johannes 10,15. Hij is dus als het ware hun hemel over hun aarde, hun plaats, hun zich veilig voelen en geborgen weten, hun durf (om er te zijn).


zie lukas 13,34 - gezien metrostation heemstedestraat, voorjaar 2003 (je)

Nu begrijp je nog beter: ze kennen zijn stem, ze kennen, vertrouwen hem. Hij is “zijn stem”. Zijn stem horen betekent voor hem: vrolijk vooruit huppelen en je toe goed doen aan wat de weide beidt. Kort gezegd: hun gaan is zijn stem. Daar heb je beeld en tekst bij elkaar. Zo is hij hun Tora, hun woord dat geschiedt.

Toepassing

Van hieruit kun je Johannes 20,11 en volgende beter verstaan. Ik zeg het kort: hoe weet Maria dat hij het is. Ze herkent hem aan zijn stem. Iemand merkt op:”Maar waarom herkent ze hem dan niet eerder? Hij zegt toch al eerder iets tegen haar!” Waarom herkent ze hem nu pas. Omdat ze zijn stem herkent wanneer hij haar naam uitspreekt (20,16). Let eens op het gezicht van kinderen die elkaar weer zien.

Uitweiding

Het zou onverantwoord zijn om hier niets te zeggen over psalm 23.

Mijn herder is de heer, het ontbreekt mij aan niet. Hij … mij

De tekst begint in de derde persoon.

Als die herder wordt genoemd … hij leidt mij naar grazige weide … De tekst ziet direct dat er plaats voor mij is, en wat voor plaats! Grazige weide, rustige wateren, sporen die naar hun doel voeren reiken begaanbaarheid aan. Omwille van zijn naam, want zo IS hij.

Wanneer dat zo zeker is, dan is er ook geen angst meer. Al ga ik door de vallei van de dood, ik vrees geen kwaad WANT JIJ. Opeens is er de omslag van de derde persoon (hij) naar de tweede (jij). Je stok en je staf, je “herderlijkheid”, je gaan, je Tora. En moet je dan zien wat JIJ doet! In tafel. Zelfs ieder die zich tegen mij keert mag zien hoe er voor mij bij jou plaats is en hoe je met me omgaat. Met olie zalf je me (dat gebeurt met ieder kind dat gedoopt wordt in de katholieke kerk), maak je me tot gezalfde [6] , geeft me koninklijke allure. En mijn beker, mijn plaats om te drinken – het houdt niet op. Bevrijding en genegenheid ben JIJ voor MIJ, zolang mijn leven duurt. En tijd vloeit dan uiteen in ruimte, heilige ruimte: het huis van de heer. Waar HIJ (nu weer de derde persoon) thuis is. Daarmee heeft de goed ge-”herder”-de werkelijk alles gezegd.

Nog iets.

Johannes 8,1-10

Een verhaal met een heel eigen vocabulaire.  Vermoedelijk is het een “verdwaalde tekst”. Maar een tekst die zijn plaats niet kent is ook een afgerond verhaal. En het is een uitzondering. Alleen hier deelt Jezus het midden met een ander, met een vrouw.

Het verhaal is bekend, alleen de titel al. De overspelige vrouw. Iedereen weet ook waar dit verhaal over gaat. De vrouw is op heterdaad betrapt. Maar als die daad zo heet is als de gemiddelde Nederlander denkt, waar is dan die man?

Overspel in de bijbelse literatuur is vaak een ander woord voor afgodendienst, voor zijn heil ergens anders zoeken.

In het voorafgaande stuk is Jezus min of meer veroordeeld. Of nog beter: de dienaren die Jezus hadden moeten meenemen worden veroordeeld. Toch niemand van de ´autoriteiten” ziet wat in die man, alleen dat stomme volk dat de Tora niet kent. Nicodemus [7] (een van die autoriteiten) merkt op: Onze Tora veroordeelt een mens niet, tenzij wanneer men hem kent en weet wat hij doet. Daarop proberen ze hem ook aan de kant te zetten. Uit Galilea zeker. Geen profeet komt uit Galilea [8] !

Op deze plek van misverstand, onwil, narrigheid – wat zal het zijn – eindigt het verhaal. De olijfberg, de westelijke flank vol olijven, in de stalen van de middag en avondzon. Daar was een olijfpers, de hof van olijven. Volgens Johannes is het een plaats waar Jezus graag is. Als je je ogen opslaat, ’s morgens vroeg, zie je daarboven, vlak bij, de tempel.

De volgende dag: Jezus, de tempel, het volk, leren. Je ziet het zo voor je gebeuren. Leren, bezig zijn met de Tora. Maak daarvan niet alleen het dor en droge bladeren in je bijbeltje van. Want de Tora, het vrijgeleide van Egypte naar het veelbelovende land, kun je alleen maar horen en lezen als je zelf hoort en leest. Je adem moet als het ware leven geven aan de woorden die er staan, ze opwekken uit de dode drukinkt.

Bezig zijn met de Tora heeft te maken met horen en vertellen, met vragen stellen, peinzen, denken, betrokkenheid. Het heeft ook te maken met degenen die voor en naast je staan of zitten. Zo neemt Tora (denk aan de echte herder) een mens mee, Ervaringsleer, vanuit je ervaring begrijpen wat je hoort, vermoeden, tasten.

De tempel, Jezus, het volk, leren.

In dat tafereel wordt ingebroken. Ze komen met een vrouw. Gepakt. Veroordeeld. En die zetten ze voor hem neer, in het midden, om hem te pakken. Daar kan hij nooit onderuit. Als Mozes je veroordeelt kun je niet zeggen: “Halleluja, halleluja, niets aan de handa”. En dan moet er gestenigd worden.

Intermezzo

Dat moet nu even. Want stenigen is in sommige gemeenschappen nog steeds denkbaar en te doen. Toch berust dat op misverstand, wanneer de traditie van Israël rond de boeken van Mozes enig recht van spreken heeft.

Eerst de simpele laag. Wanneer iemand vaneen halszaak beschuldigd wordt, dan moet de beschuldiger bij veroordeling de eerste steen gooien. Die moet dodelijk zijn. Een vals getuigenis laat zien wie je bent: een moordenaar.

Ten tweede: natuurlijk mag en moet je de gemeenschap beschermen tegen mensen die de gemeenschap naar het leven staan. De hoge raad had het recht om iemand ter dood te veroordelen, maar een raad die dat soort oordelen velde was een bloedraad. Dat was dus niet gebruikelijk.

Ten derde: bij bijvoorbeeld overspel of een ander dramatisch vergrijp moet je je als dader goed realiseren wat je doet. Je maakt je zelf tot iemand die buiten spel staat, je beroofd jezelf van de gemeenschap, je veroordeelt, “stenigt” je zelf. Ook de vloekpsalmen met je zo verstaan. De teksten beogen niet de ander te veroordelen. Ze brengen je onder ogen dat je jezelf veroordeelt wanneer je je als een tegenstander gedraagt. (Het is een oude poging tot pedagogie waarin je je zelf je eigen pedagoog bent. Dit soort teksten staan je niet toe anderen te veroordelen. Ze zijn voor eigen consumptie.

Jezus buigt zich. Onttrekt hij zich aan de zaak? Hij schrijft op de grond [9] . We weten niet wat hij schrijft. Wel dat hij zich buigt. Die vrouw heeft iemand die zich voor haar buigt. Het is het gebaar dat je maakt wanneer een kind je iets vraagt. Dan buig je je ook, een koninklijk, meester-lijk gebaar, je buigen voor de ander. En zij blijven aandringen. Ze willen. HAAR veroordelen, HEM veroordelen. Op hun aandringen richt hij zich op. Hij zegt iets over de eerste steen, alsof er al veroordeeld is. Wie van u zonder zonde is … Die opgeheven vinger met het korte, beslissende en dreigende gebaar wordt overwonnen door een paar woorden. Wie van jullie zonder zonde is.

Helaas weten wij precies wat zonde is. Toch zou het beter zijn om te doen alsof je dat niet wist. Daarvoor is het niet-goede te veel een raadsel. Zonde is je distantiëren, niet meedoen, kiezen voor het a-sociale. Ieder voor zich en God voor ons allen betekent toch simpel: ikke is ikke en de rest kan “je weet wel.” Zonde is geen antwoord geven, je niet verantwoorden. Zonde vergeven is dan het verbond herstellen, pardon – niets herstellen, weer als nieuw maken. Een ervaring wijzer en rijker geworden, weer wat geleerd.

Maar ze gaan weg. Let op hoe genuanceerd Johannes dit geeft: een voor een. De ontdekking dat je niet een onnozel schaapje bent dat van niks weet doe je blijkbaar persoonlijk: een voor een. En nog leuker: te beginnen bij de oudste [10] .

Dus dat volle toneel in de tempel, al die mensen, dan die vooruitgeschoven vrouw als valstrik voor hem, dat kabaal en de stilte. Iedereen blijkt weg te gaan. Allen af. Hij blijft alleen over en zij in het midden.

Er volgt niet veel dialoog. De woorden moeten op een goudschaaltje gewogen worden. Maar ze blijken er niet te zijn.

Waar zijn ze – nee: eerst spreekt hij haar aan. Vrouw. Hij maakt haar tot tweede persoon enkelvoud en geeft haar het woord. Waar zijn ze. Heeft niemand je aangeklaagd?

Jezus wil de rol van de aanklager ook niet spelen [11] . Zondig voortaan niet meer. Natuurlijk is de zich emanciperende gemeenschap hierover gevallen. Zolang je fetisjistisch over zonde denkt grijp je alles aan voor je eigen gelijk. Geeft Johannes hier bij monde van Jezus niet aan, dat er een nieuw begin is. Zie johannes 1,1: om te beginnen, het woord.

les 1. Vrede
les 2. Bruiloft
les 3. De Samaritaanse
les 4. De blindgeborene een twee drie
les 5. Een echte herder
les 6. Nog eens: vrede


[1] De schaapskooi hier bij Johannes doet ook ongetwijfeld denken aan de tempel in Jerusalem. In het grieks heet die binnenplaats de aula.

[2] Zie de tijdsaanduiding in johannes 20,1.

[3] Een hamel is een mannelijk schaap. De sterkste loopt voorop. Die heeft soms een bel om zijn nek. Dan horen de anderen waar het naar toe moet. De belhamel. (En joodse officier gaat als echte herder voor de manschappen uit. Officier zijn is geen kantoorbaan. Dat is het model van de herder.)

[4] Sinterklaas is een bisschop. Een bisschop heeft een staf, een herdersstaf. Daarom zit die krul er aan. Dan heb je voorzichtig toch een beetje greep op een van de pootjes van het schaap.

[5] Je leven geven voor. In de regel wordt dit verstaan als “sterven voor”. Volgens mij is je leven heel iets anders. Een onderwijsgevende geeft zichzelf, geeft zijn leven, zijn kennis, kunde, inzicht en ervaring voor de club die hem of haar toegewezen is.

[6] De griekse vertaling daarvan is Christus. Dat betekent een koning.

[7] Nike: overwinning. Demos: volk. (Net zoals LAOS). Zegt de naam NICOLAOS je wat?

[8] Niet waar. Jona, die vrede moet melden in NINIVE, komt uit Galilea.

[9] Wanneer je de tijd neemt is het indrukwekkend bij die verhaal te lezen Jeremia 17,12-18. Je hoort bijna de vrouw in Johannes 8 spreken, vrouwe Israël of vrouwe Jerusalem.

[10] Johannes heeft Maleachi 4,5 en 6 gelezen lijkt het wel. (De oudsten zijn de vaderen.)

[11] Bekent hij medeschuldigheid? Zie dat niet moraliserend. Zie je hier dat hij zich naast haar stelt, dat hij zich verantwoordelijk maakt. Zie Johannes 1,29: op zich nemen.