Johannes 9

B: Het Proces

Jan Engelen

 

(Voor mijn studenten:

Cursief weergegeven tekst dient als citaat gelezen te worden.
Voetnoten lees je pas bij tweede lezing.)

 

Tot nu toe.

Een nieuw verhaal is begonnen. Jezus ziet in het voorbij≠gaan. De leerlingen vragen. Jezus geeft antwoord en doet met woorden en zijn lichaam. We horen een opdracht. Die wordt uitgevoerd. Hoe verder nu!

 

Een en al zien.

Hij komt ziende. Blepoo (9,7.15.19.21.25.29.41), zien. Naast deze zeven keer nog drie keer versterkt met ana- door en door, geheel en al (11, 15.18). Aan de hand van dit woord, door en door, een en al zien krijgt het vervolg zijn beslag.

 

 

Buren

Regel 11 speelt zich af voor het forum van de buren. Hij in de tekst zal de mens blind uit geboorte wel zijn, maar de tekst noemt hem autos- houtos of ekeinos, hij of deze, aangeduid, aangewezen, niet genoemd.

††† De buurt vraagt: Hoe zijn van jou de ogen geopend? In het verhaal van hem ontbreekt het verleden. Na de mededeling ik ben blijkt de buurt te weten, over wie het gaat.

†† Simpelweg het geschiede wordt herhaald. Geen ..openen van de ogen meer. Alleen de mens genoemd Jezus deed dit en zei dat en weggegaan en me gewassen hebbend zie ik" (9,11).

 

De FarizeeŽn.

Regel 15. De gebeurtenissen zijn een kwestie aan het worden. Een en ander komt voor het tribunaal van de FarizeeŽn. Weer nu vroegen hem de FarizeeŽn hoe hij zag. Hij vertelt hun het hele verhaal. De derde keer klinkt het heel kort. Een enkel regeltje vat 9,1‑7 samen in drie werkwoor≠den. Jezus is het onderwerp van het eerste werkwoord. Het tweede heeft het tot onderwerp geworden object van zien en vragen gedaan: ik waste me. Het derde werkwoord is volop heden: ik zie. Tegenwoordige tijd.

 

Het schisma.

Regel 18. Het schisma ontstaat in de confrontatie van de waarneming van het gebeurde, en de gangbare beoordeling daarvan n.a.v. de sjabbes. Deze twee kunnen als gegeven klaarblijkelijk niet naast elkaar bestaan. Hij kan dus niet blind geweest zijn. Zij geloven niet omtrent hem dat hij blind was en zag. De ouders van degene die ziet wor≠den erbij gehaald. Hoe ziet hij nu dan? (9,19). Hoe hij nu ziet weten wij niet (21). Het dogma, dat de mens zondig is, maakt het onmogelijk het gebeurde te accepte≠ren. De mens blind uit geboorte heeft daar aanzienlijk minder moeite mee. Of hij zondig is weet ik niet. …en weet ik, dat ik blind zijnde nu zie (25). Een mens kan zich vergissen tenslotte. Die mogelijkheid is ruim≠schoots aanwezig.

††† Of hij zondig is weet ik niet. Maar over weten gesproken. Weten, kennen, ťťn zijn met. Van nu af aan speelt het zien van deze blind zijnde geen enkele rol meer. Over zijn hoofd heen zal de ander, en dus dezelfde, veroordeeld worden. Dit zal niet geschieden op de wijze welke onze Tora naar de woorden van Nicodemus aangeeft: Onze Tora veroordeelt een mens niet tenzij wanneer men hem kent en weet wat hij doet. (7,51).

Pas in regel 39 komt de afsluiting van de carriŤre van blepoo, zien: Opdat de niet zienden zullen zien en de zienden blind worden. Geldt dit ook voor ons? Nu jullie zeggen: wij zien, blijft jullie zonde.

 

Het drama a.

Nu gaat het drama op gang komen. Het voltrekt zich tussen: is niet deze?" (8) en Als niet was deze (33). Het onderwerp verschuift van bedelaar (8) naar deze van de kant van God (33).

Vanaf regel 13 bepalen de FarizeeŽn steeds, wie de vol≠gende zet mag doen en wat daarbij op het spel staat. Op het einde van het verhaal krijgen zij de plaats die ze gekozen hebben. Vooralsnog stellen zij de vragen of roepen ze. Zij oordelen naar wat genoemd wordt hun weten. De stra≠tegie welke zij volgen laat zien, op welke wijze zij ziende blind zijn.

Nog nauwelijks begonnen staat hun oordeel vast: Niet is deze (16). Deze stelling houden zij vast tot het einde toe. De conclusie, hun oplossing luidt: buiten werpen. De mens blind uit geboorte overkomt de geschiedenis van het onderwerp van het evangelie.

 

Het drama b.

De buren nu en de eerder zienden dat hij bedelaar was zeggen:

Is niet deze de gezetene en bedelende!

Anderen zeggen:

deze is het.

Anderen zeggen:

niet, maar hij lijkt op hem.

Hij zegt: ik ben.

Zij zeggen dus hem:

Hoe dus zijn geopend van jou de ogen?" (9,8‑10).

Sommigen, anderen en hij zelf. Met de uitspraak: ik ben blijkt het legitimatieproces is de definitieve fase gekomen. Maar het opent de volgende vraag.

Klaarblijkelijk is er iets merkwaardigs gebeurd. Zoveel staat wel vast. Hij is het wel, hij is het niet maar lijkt op hem. Een onheimelijkheid. Men voelt zich niet meer thuis, is vreemdeling geworden in een gebied waar men in de regel alleen thuiswedstrijden speelt.

 

Hoe

Hoe zijn jou de ogen geopend? (10).

Het weder≠om van regel 15 herhaalt de vraag. De vraag is hetzelfde, de nuance anders. Wederom vroegen hem dus de FarizeeŽn hoe hij zag. Omwille van te verwachten moeilijk≠heden zijn de formuleringen van dien aard, dat Jezus niet meer als subject of medewerkend , voorwerp meedoet in de zinnen. De bevraagde (mens blind uit geboorte) zal deze andere iemand bij wijze van spreken invoeren. Hoe kun je immers over het gebeurde spreken, zonder het te hebben over degene die het gedaan heeft.

 

Hij.

De voorzichtige invoering van "hij" (Jezus) gaat ex≠ploderen in een schisma, geformuleerd in het derde hoe. Hoe kan een zondig mens dergelijke tekenen doen? (16). Het derde hoe maakt van het gebeurde DERGELIJ≠KE TEKENEN. Het gebeurde is daarmee als teken gekwalificeerd, ge≠kend, herkend. De mens blind uit geboorte heeft daarop een kort antwoord ‑ alsof hij gewassen is in de geschiedenis van de vrouw in Samaria: Hij is een profeet (9,17 zie 4,19). Hij moet de reis van de derde naar de tweede persoon (vgl 4,19) nog maken, maar zal daartoe, ondergaande in het verhaal, gebracht worden (21,18).

 

Wij Ė de ouders.

Het wij van de ouders bevestigt de zodanige geboor≠te. Daar kunnen zij voor instaan. In bang zijn weten zij niets van hoe en zeker niet van wie ‑ al hebben ze daarmee het spoor aangegeven van wie, iemand.

 

Het gezag.

Het vragen van de FarizeeŽn, Joden vindt zijn antwoord in de "synthese" waartoe zij reeds voor dit verhaal beslo≠ten hadden. Sun-etheinto (Letterlijk: ze hadden samen geplaatst.), Ze wa≠ren samen overeen gekomen. Nu het begin van het verhaal vast staat (blind uit geboorte), zal aan de mens die ZOON geworden is, opnieuw gevraagd worden. Zij zeggen dus hem: wat heeft hij je gedaan; hoe heeft hij van jou de ogen geopend" (26)? Wat is het nut van spreken waar niet ge≠luisterd wordt! Hij antwoordt hen: ik heb het jullie gezegd en jullie hebben niet geluisterd. En de mens blind uit geboorte vermoedt een ander traject: Toch niet ook jullie willen leerlingen worden van hem?. Het is de taal van iemand die de leeftijd heeft.

 

Leerling zijn.

De FarizeeŽn zijn op hun ziel getrapt. Leerling zijn heeft bij kerkelijke autoriteiten vaker het karakter van weten. Want nooit zijn er genoeg slachtoffers. En als je die maakt met een bedroefd gezicht, dan is duidelijk sprake van Apostolische Bewogenheid. Christelijke Geschiede≠nis. Wij weten, dat wij leerlingen van Mozes zijn. Het betoog wordt doorgestoten tot op zijn hoogtepunt in 9,30-≠33. Voor de FarizeeŽn betekent dit een dusdanig geweld, dat zij het niet meer verdragen kunnen. Deze mens zal overkomen, waar Jeremia mee gezegend werd. Ze be≠spotten hem (Jer 20,7.8). Ze werpen hem buiten.

 

 

"Hij antwoordt:

de genoemde Jezus heeft slijk gemaakt

en opgezalfd van mij de ogen

en hij zei mij: Ga weg naar de Siloam en was je.

En zij zeggen hem: waar is hij?

Hij zegt ik weet niet.

Zij voeren hem naar de FarizeeŽn de eens blinde.

Maar het is sjabbes op de dag waarop Jezus slijk maakt en van hem opent de ogen (9,11‑14).

Waar[1]. We komen terug in Jerusalem, op het feest dat men de tent opbouwt. Jerusalem staat te morren. Waar is hij (7,1l)? Willen zij leerlingen worden (vgl. 1,39), bij hem zijn, op zijn plaats?

"Weer dus ondervragen hem

ook de farizeeŽr

hoe hij ziet.

Maar hij antwoordt hen: Hij heeft slijk opgelegd

mij op de ogen

en ik waste me en ik zie" (9,15).

 

De stelling in de scheiding: vooronderstelling.

Het verhaal is kort geworden. Geen vragende leerlingen, geen uitleg van Jezus, geen opdracht aan de eens blinde om zich te gaan wassen. Er is enkel een voorwoord, of beter een voor‑daad geweest. Verder ligt er geen ini≠tiatief elders.

Zeggen dus uit de FarizeeŽn sommigen:

Niet is deze van de kant van God de mens, omdat hij de sjabbes niet onderhoudt. (9,16).

De tekst zal wel duidelijk zijn. In de regel wordt hij spontaan op Jezus toegepast. Hij kan evengoed uitgespro≠ken worden over de mens blind uit geboorte. Pas in de volgende regel blijkt de interpretatie meer duidelijk in de richting van Jezus te gaan. Maar anderen zeggen: Hoe kan een zondig mens dergelijke tekenen doen" (9,16).

Dit moet problematiserend gaan werken. Zondig mens tegenover dergelijke tekenen. In de volgende tekst heet dit: het schisma: en een scheiding was in hen. Als oplossing wordt de eens blinde tot meewerkend voorwerp gemaakt. Welke uitweg, welke opening zal hij geven? Zij zeggen dus tot de blinde weer. Een fout bij Johannes! Een slordigheid. De man is niet blind meer. Of geeft Johannes aan, hoe gefixeerd zij hem hebben, wij hem hebben op zijn rol en ons grote gelijk! Volgen wij ‑ dit volk dat de Tora niet kent? Nee. Dat dat důet om te hůren en te kťnnen wat hij doet. Onderricht door Nicodemus (7,51) ‑ volgen wij hem.

Wat jij

zeg jij omtrent hem dat hij de ogen geopend heeft van jou?

Maar hij zegt:

hij is een profeet." (9,17).

 

Een oplossing.

Het schisma wordt opgeheven in de klaarblijkelijk eensge≠zinde vraag aan de "blinde": wat zeg jij omtrent hem?

De tekst vraagt nu niet meer naar de feitelijkheid van het eerder verhaalde. Die feitelijkheid leidde tot het schisma, vanwege dergelijke tekenen. Met dit woord staan zij immers op het punt, deel uit te maken van de velen uit de schare (7,31) die vertrouwen in hem krijgen. Zal de Messias wanneer hij komt meer tekenen doen? Met der≠gelijke tekenen worden zij ook deel van de schare met hem, die getuige wordt wanneer hij Lazarus gaat roepen. Zij herinneren zich, dat zij gehoord hebben van dit teken. De FarizeeŽn spreken dan over de "kosmos/wereld" achter hem aan (12,17‑19).

Wat jij, jij omtrent hem? Een uitspraak, een waarde≠ring, een oordeel, een standpunt wordt gevraagd. Een alternatieve tekst moet geproduceerd, te voorschijn ge≠bracht worden. Waarom? Wat zal de tekst daarmee gaan doen?

Heeft de "blinde" intussen gehoord van de onenigheid, van het wespennest waarin hij gestoken zal worden? Zal hij zich verdiepen in hun schisma? En welke boodschap heeft hij aan het hem gebeurde?

 

Maar hij zegt.

De grieks tekst geeft licht iets van een tegenstelling: maar. Een lichte indicatie minstens van een tegengestelde beweging. Een tegenstem gaat in de stroom van deze ontwikkelingen tot klinken gebracht worden.‑ Deze is een profeet. In 7,40 is de volgorde: Profeet ‑ Galilea ‑ schisma, verworpen in 7,52, om nog nooit heeft zo een mens gesproken tot zwijgen te brengen en Nicodemus' terechtwijzing vast te spijkeren op zijn verleden.

 

Intussen.

De blinde heeft nog niet gezien, dat zij niet hem, maar Jezus op en in het oog hebben. De FarizeeŽn blijken geen boodschap te hebben aan zijn antwoord, aan hun vraag. Nog is er een uitstel. Of denken zij, dat hij het goed heeft gezien en vertrouwen zij daarom niet, dat hij blind geweest is? In ieder geval, de antecedenten worden nu geverifieerd, de ouders erbij gehaald.

Door Jezus profeet te noemen is Mozes al ter sprake gebracht. Men kan dit zien in 1,45, over wie Mozes en de profeten gesproken hebben. Ook horen wij de echo uit de mond van de vrouw bij de put van Jacob (4,19). Ook komt hij in het gezelschap van de menigte die brood (6,14) en dood[2] bijeenbrengt. Door Jezus profeet te noemen, sluit de mens blind uit geboorte ook aan bij het woord van Jesaja zoals Johannes in 12,28vv. zal laten horen.

Waar is hij (9,12): ik weet het niet.

Wat jij omtrent hem (9,17): profeet.

 

Vertrouwen

De FarizeeŽn hebben geen vertrouwen in hern. Waarom niet? In wie niet? Niet in "hem" over wie de "blinde" iets moet zeggen? Nee, een ander circuit wordt gekozen, een andere strategie geprobeerd. Zij proberen de problematiek elders te situeren, de spreker te ondergraven om de uitspraak te kunnen ontgaan. Alsof zij begrepen hebben, dat hier een getuigenis van twee aan het komen is (8,14). Daarom doen zij zoals geschreven staat: Maar omdat ik de waarheid zeg, hebben jullie geen vertrouwen in mij (8,45).

Het woord vertrouwen (meestal in de vertaling weergegeven met geloven) krijgt zijn eerste plaats in het verhaal dat het negende hoofdstuk van Johannes heet.

 

Onder druk gezet.

Niet dus vertrouwen de Joden omtrent hem

dat hij blind is geweest en weer ziet,

zodat zij zijn ouders roepen.

En zij roepen hen en zeggen:

is deze de zoon van jullie, van wie jullie zeggen dat hij blind geboren is?

Hoe ziet hij dan nu?

Antwoorden dus de ouders van hem en zeggen:

wij weten dat deze is de zoon van ons en dat hij blind is geboren.

Maar hoe hij nu ziet weten wij niet.

Of iemand van hem de ogen geopend heeft wij weten het niet.

Vraagt hem zelf hij heeft de leeftijd, laat hem zelf omtrent zichzelf spreken (9,18‑21).

†† De ouders krijgen een vraag in drie delen. In hun antwoord richten zij zich precies naar die vragen. Twee daarvan bevestigen zij in een weten. Dan volgt een dubbel niet

weten. Zij weten niet hoe, noch of iemand'. Maar in het niet weten wijzen zij de goede richting, de weg die ten halve gegaan is, namelijk: hoe en iemand die de ogen geopend heeft. Maar zij weten het niet.

Zoals de tijd (sjabbes) aanleiding geeft tot het probleem van de FarizeeŽn, zo wordt de tijd aangevoerd, om de zoon zelf te laten spreken. Waarom die omtrekkende beweging? Het motief van 7,13 komt terug. Vrees voor de Joden blijkt sterker dan de vrees voor God.

 

Leeftijd

Dit zeggen zijn de ouders

omdat zij de Joden vrezen

want reeds zijn die van Juda overeen gekomen

om wanneer iemand hem beleid als Messias,

hij uit de synagoge zal worden geworpen.

Daarom zeggen zijn ouders: hij heeft de leeftijd.

Roept hem op" (9,22‑23).

De leeftijd kan de lezer in grote problemen bren≠gen. In de Septuaginta is het woord te vinden in Job 29,18. Mijn leeftijd zal oud worden[3].

 

Weten

††† Zij roepen dan de mens voor de tweede keer die blind was

†††† en zij zeggen hem: Geef eer aan God.

†††† Wij weten

dat deze mens zondig is.

Hij antwoordt, hij:

of hij zondig is weet ik niet.

Eťn weet ik,

dat ik blinde nu zie" (9,24‑25).

De ouders weten niet hoe, maar als vanzelf blijkt dit voor hen te betekenen of iemand geopend heeft. Zij zwijgen en geven hun vermoeden door terug te wijzen in het verhaal. Terug naar de bron. Zij brengen de discussie weer op de plaats waar het geschiedt: de mens.

 

Verplicht subject.

Onder de druk van de vragen met de daarin besloten opties en vooronderstellingen zal de mens blind uit ge≠boorte, nu hij het woord gekregen heeft, spraakzaam moeten worden, zijn zien gaan uitspreken. Door de teksten te wijzigen, blijken de posities en hoe zij betrokken worden, zijn.

De druk wordt geÔntensiveerd: "Geef eer aan God"! Gebeurt dit tot nu toe dan niet? Gaan we nu uit een ander vaatje tappen? Of komt het er nu op aan? De tekst situeert deze ere‑dienst: wij weten.

FarizeeŽn en Joden zitten met hetzelfde probleem als de leerlingen. Zij komen nit op verhaal. Jezus wijst de opties van de leerlin≠gen af. De mens lijkt hetzelfde te doen met de FarizeeŽn: ťťn weet ik. ňťn is zeer pregnant. Wat is dit ene?

 

Wat wij weten.

Zij zeiden dus hem: wat heeft hij jou gedaan?

Hoe heeft hij van jou de ogen geopend?

Hij antwoordt hen:

ik heb het jullie reeds gezegd en jullie hebben niet gehoord.

Zij vragen wat, geven daar de woorden voor en willen daar vervolgens niet van weten. Het alter≠natief moge duidelijk zijn, ook voor de toehoorders en lezers van deze tekst: Wat willen jullie nu weer horen? Zouden zij dan ook leerlingen willen worden! Willen we dat dan? Toch?

 

Het uitdrukkelijk onderwerp.

Wat er gebeurd is heeft te maken met wie gedaan heeft. Dit wordt devraag naar het uitdrukkelijk onderwerp, naar degene die doet. Zo mogen wij vernemen: Wij moeten de werken doen van degene die mij zendt (9,4). Zo zullen wij horen van ťťn die zegt en naar wie men horen kan (9,36‑38).

 

Afgewezen.

En zij bespotten hem en zij zeggen:

jij,

een leerling van hem ben jij,

maar wij

wij zijn leerlingen van Mozes.

Wij,

wij weten dat met Mozes gesproken heeft God,

van hem echter weten wij niet vanwaar hij is" (9,28‑29).

Met Mozes heeft God gesproken. Daar is het vanwaar bekend. Bij hem is dat niet het geval. Zie Joh 1,26!

 

Bovenstaande regels geven bij Johannes de naam van Mozes voor het laatst. In de Joodse traditie is de naam van het graf van Mozes niet bekend is. Mozes is immers niet "dood en begraven" te krijgen. Ook deze regels komen daarvoor niet in aanmerking.

 

Zien of niet, weten of niet.

Moet het hele evangelie opnieuw verteld worden? Kan≠ het nog helpen wanneer de eens blinde zijn verhaal opnieuw geeft? Hij gaat in elk geval niet meer in op hun vraag. Voor hem is het een abstractie. Hij kiest als ant≠woord hetgeen vanaf het begin gebeurd is.

De mens antwoordt en hij zegt hen:

want in dit is het verwonderlijke

†† dat jullie niet weten vanwaar hij is,

†† en mij heeft hij de ogen geopend." (9,30).

De woorden gaan nu verschuiven, zien en niet zien, weten en niet weten worden verplaatst. De mens die vol≠gens regel 1 blind is uit geboorte, citeert dezelfde autoriteit, hetzelfde voorschrift. Hij deelt detraditie met zijn oppo≠nenten maar niet heus. Hij speelt het spel van Nicodemus mee in 7,50v. Hij zal inbrengen: wie God hoort omdat hij zijn wil doet. Als je niet van de kant van God bent, kun je niets doen. Dan zal er geen zien zijn of gegeven worden.

Wij weten

dat God zondaars niet hoort, maar wanneer iemand God vererend is,

en de wil van hem doet,

deze hoort hij.

Uit de eeuw is niet gehoord

dat iemand de ogen opent van een blind geborene.

Als niet deze is van de kant van God,

niets kan hij doen.

Zij antwoorden en zeiden hem:

In zonden ben je geboren geheel,

... en jij, jij onderricht ons! En zij wierpen hem buiten" (9,31‑34).

 

Eerste einde

Dit fragment maakt de tijd rijp, de maat vol. De door zijn geboorte marginale figuur, blijkt door zijn we≠reld, nu hem iets gebeurd is, niet te handhaven. Er is een andere druk aan het werk.

Wie bij zo veel weten vertelt wat hem overkomen is mag volgens dit verhaal niet meer vertoeven in de kring van de wetenden. …ťn≠oog moet hangen. Hij moet weg. Hij maakt dezelfde beweging als die waar Jezus hem toe uitgenodigd heeft, maar nu onder dwang, als object. De choreografie van het verhaal komt terug als geweld. Het krijgt de naam van uitstoten of verwerpen. Deze verplaatsing gaat uit van degenen die zich daartoe verbonden hebben (22). In hun midden verdragen zij geen nieuwe spreker meer. Zij werpen hem buiten.

Ook de Joden houden zich in dit verhaal aan hun tekst. Nu het erom gaat, wie van de kant van God is, tekent de blind‑geborene van regel 1, hoe hij die God eert, diens wil doet. Daar wordt geen stem tegen verheven. Er is ook geen protest meer, geen mogelijkheid tot langer spreken. Alleen het ongeduldige bruskeren. Zij kunnen met hem niets doen. De paria moet voor hen terug naar de kantlijn, terug naar af. Hij had niet op verhaal moeten komen, buiten moeten blijven.

De ordeverstoring wordt zogenaamd ongedaan gemaakt. In het voorbij≠gaan binnen gekomen wordt hij nu terug geplaatst op de plek die de leerlingen hem in 9,2 toedenken: zonden! Voor de woordvoerders van dit moment in het verhaal bestaat zoiets als de werken Gods die wij moeten doen niet. Geen sprake van. Hun wereld verdraagt geen nieuwe spreker, sluit zich voor hem.

Voor wie de verhalen opnieuw wil horen beginnen Mo≠zes en de profeten weer. Zij blijken zelfs bezig. Een leraar (en jij leert ons) wordt niet meer verdragen. Want hij is in zonde geboren of in zonden geboren. Zo simpel is dat. Er is geen alternatief, alleen de banale identiteit waarvoor elke nuance onver≠schillig is. Hij wordt uit de synagoge gezet. Daarmee staat hij niet buitenspel.

 

Johannes 9a
Johannes 9b
Johannes 9c


[1] Waar ligt tussen vanwaar en waarheen. In 7,35 is dat een probleem. Nicodemus hoort er in de Paasnacht over. De geest is daar meer dan een voorbeeld (3,8). Waar? De mens kan Jezus nog niet plaatsen. Daarmee krijgt het verhaal een nieuwe start.

Waarom voert de buurt hem? Waarom willen ze we≠ten waar Hij is? Willen zij Jezus mee willen voeren, naar Annas (Channan/genegenheid tegenover Jo-≠Channan, God is genegenheid) zoals in 18,13; naar Kajafas (18,28), naar buiten (19,4.14)? De tijd wordt ingevoerd, voor het eerst in dit verhaal. In Beth Hesed Bethesda was die tijd een hoofdprobleem. Van Sjabbath naar God als Vader. Ook nu zal de tijd van de Heer en zijn koningschap niet hun tijd zijn, zelfs leiden tot de ontkenning van het verhaalde gebeuren. Jezus kan volgens hen niet (in)staan voor het gezond worden van de mens (7,23).

[2] "Mijn God is Kracht" Eleazer/Lazarus 12,38‑41.

[3] Volgens we dat spoor. Job 29,18. Als de stam van een foiniks zal ik veel tijd leven. Foiniks kan dan foenix zijn, maar ook palmboom. De Statenvertaling geeft van het betreffende vers de volgende vertaling. lk zal in mijn nest den geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand van de zee. De samenhang tussen beide vertalingen van hetzelfde vers is volkomen zoek. De Vulgaat geeft een vertaling welke in het nederlands weergegeven luidt: In mijn nest zal ik sterven en als een palm zal ik de dagen vermenigvuldigen. De Soncinovertaling geeft aan: I shall die with my nest, and I shall multiply my days as the phoenix. Een aantekening vertelt: hij zal in zijn huis sterven, omgeven door zijn kinderen; zij zullen hem begra≠ven, en niet hij hen, zoals hem nu overkomen is. Hetzelfde commentaar vermeldt, dat chol in de regel vertaald wordt met zand, stof. Maar de meeste Joodse leraren nemen de oude joodse traditie, waarbij met het woord, zoals Rashi aangeeft, een vogel bedoeld wordt die niet sterft, omdat hij niet geproefd heeft van de boom van kennis. De Soncino vertaling geeft daar als vertaling Phoenix (TB San 108b). In de midrasj vinden we Job 29,18 in GenR. 19,5. Eva geeft daar van de boom aan het vee, de dieren en de vogels. Alleen de chol gehoorzaamde haar niet. In de Talmoed vinden we het citaat in het verlaten van de ark van Noach. Na Jona, de duif komt Noach met de zijnen en dan de dieren naar hun soort.

Moeten we ons door de Septuaginta laten verleiden tot een spoor naar Job 29? Ik vermoed van wel. Job 20 moet voor Johannes belangrijk geweest zijn. Een paar woorden:

-         dat ik bij zijn licht het duister doorwandele;

-         toen Gods verborgenheid over mijn tent was;

-         de oversten hielden de woorden in en legden de hand op hunne mond;

-         als een oog mij zag, zo getuigde het van mij;

-         den blinde was ik tot ogen, en den kreupele was ik tot voeten;

-         mijn wortel was ultgebreid tot aan het water;

-         zij hoorden mij aan en wachtten en zwegen op rnijnen raad. Na mijn woord spraken zij niet weder ... Want zij wachtten naar mij gelijk naar de regen ... het licht mijns aangezichts deden zij niet neervallen. Verkoos ik hunnen weg, zo zat ik bovenaan, en woonde als een koning onder de benden, als een man die treurigen vertroost.

 

Tenslotte. Het woord dat de vertalingen van Job 29,18 weergeven met oud worden of sterven is een verta≠ling van het hebreeuwse Gawa (gimel, waw ajin). Ringgren geeft in het Theologische WŲrterbuch zum Alten Te≠stament (1973) 1, kol 978v aan, dat het een zeldzaam en vrij eenduidig woord is. Gen 6,17 en 7,21 geven het in het verhaal over Noach in de vloed als alle vlees omkomt. Vaak is het synoniem met sterven. Zo ook in het boek Job. Zie ook 3,15 Nicodemus over schoot. Job 3,11 verrast met "Waarom ben ik niet gestor≠ven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den schoot voortkwam. Het is dan niet moeilijk, de weg terug te vinden naar de mens, blind uit geboorte.

© Jan Engelen, Herten, 2004 (Amsterdam, 1982)

home