Waar het Johannes op aan komt

Aantekeningen bij les 1 door Jan Engelen

 

Waar in een tekst of verhaal lost de spanning op?

Wanneer weet je: “Het is zo ver!”?

Bij een verhaal is dat eigenlijk heel eenvoudig. Het verhaal zet iets in gang. Er begint iets. Wat is dat iets? Precies dat wordt verteld.

Er was eens een koning.

Dus het gaat over een koning. Wat is dan met die koning? Vul maar in. Zo begin je aan een eigen verhaal over een koning. Wanneer ben klaar met deze koning?

Deze koning is uitgespeeld wanneer je verteld hebt wat hij op zijn op zijn lever heeft en hoe het daar dan verder mee gaat, met die koning en met wat hij op zijn lever heeft. Met andere woorden: wat is er met hem? wat verzet zich daartegen? hoe komt dat? hoe slaagt hij er uiteindelijk dan toch in om te …?  Je begrijpt: je bent aan het einde, alles is duidelijk, wanneer het verhaal zo goed als uit is.

 

Het komt dus aan op de afloop.

Aan het einde van het verhaal wordt onthuld waar het eigenlijk of feitelijk om begonnen is. Van hier, aan het begin, naar daar, het einde, is die geschiedenis de grote spanningsboog die het geheel omvat, die er zoiets als een geheel van maakt. Alle delen binnen dat geheel sporen op een of andere wijze met dat geheel. Al die sporen spannen samen om ons te brengen naar waar de verteller ons hebben wil, naar wat wij als goede lezers zouden moeten, willen of mogen weten.

Voor Johannes betekent dat: kijk naar de laatste verhalen, keep in touch, houdt voeling met het einde. Op weg daarheen construeert het verhaal zich, informeert en vormt het de lezer, maakt het de lezer tot lezer van dit verhaal. Wanneer de lezer door het geheim van dit verhaal is meegenomen, wanneer de lezer door het verhaal geïnformeerd is kan voor haar of hem het verhaal beginnen. Nu je enigermate weet waar het over gaat, ga je mee.

 

Bladerend door het evangelie krijg je de indruk van een structuur. Je merkt dat het begint met verhalen. Daarin ontstaat een spanning, een gemotiveerde of ongemotiveerde tegenstand. Voor de kleine groep van de intimi (de lezer is waarschijnlijk door de tekst mede inbegrepen) volgt dan een langere toespraak. Tenslotte is er de gevangenneming, veroordeling en terechtstelling. Dan dient zich een verrassing aan. Het einde blijkt  niet het einde te zijn. Het is nog niet afgelopen. In Johannes 20 krijgt het verhaal een nieuw begin.

 

Na dit alles. Johannes 21.

Heel het voorafgaande is in dit alles samengevat. Wat is er na dit alles. Wat moet, kan nu nog gebeuren. Waarheen zou de tekst ons willen meenemen?

Jezus laat zich weer zien aan de leerlingen.

Vertalingen geven graag verscheen Jezus. Ik houd niet van dat verschijnen. Er zijn mij te veel mensen die last van verschijningen hebben. Ze kijken dan vol overtuiging en praten notoire onzin. Laten zien, zich laten zien, zegt de tekst. Dat is mij voldoende. Jezus laat zich zien.

Aan wie laat hij zich zien. Aan de leerlingen. Zo je wilt worden ook wij tot meewerkend voorwerp gemaakt.

Bij de zee van Tiberias. Waar Galilea zo’n beetje ophoudt. Waar je langs komt wanneer je uit Galilea naar Jerusalem gaat. Het is een beetje een centrale plaats, vissersplaats.

Daar is een groep van de leerlingen bijeen. Namen worden genoemd. Elke naam is minstens één verhaal. Maar laat ons even verder gaan. Simon Petrus zegt: ik ga weg, ik trek op, om te vissen. Hij lijkt wel een Hollandse jongen. Ik ga een potje vissen. De anderen blijken daar alles voor te voelen. Dan gaan we mee. Individueel en sociaal samen.

Ze vangen de hele nacht. De hele nacht loopt uit op niks. Zinloze vertoning. Terwijl het nog vroeg is staat Jezus aan de kant. De tekst zegt dat het Jezus is. Je krijgt niet de indruk dat zij dat weten of zien. De vreemdeling vraagt of ze iets te eten hebben. Dat hebben ze niet. Alsof de beste stuurman aan wal stat zegt hij: Gooi het net over de andere kant, gooi het over een andere boeg. En het lijkt er op: het net heeft nog niet het water geraakt of al die visjes springen er in. Zwaar, topzwaar is hetnet. Ze kunnen het niet slepen.

Dat ziet een van de leerlingen – zien of begrijpen – dat het de heer is. En Petrus gooit zijn gewaad om want hij was niet gekleed.

Kleren zijn in die tijd iets anders dan nu. Kleding was kostbaar en schaars. Die vissers wekken de indruk te vissen in iets wat je als adamskostuum kunt identificeren.

Petrus trekt zijn kleren aan en springt in de zee. We zullen straks, of over een paar weken, wel zien, hoe dat verder gaat met die vissen. Interessant voor het moment is: het lijkt er op dat aan het einde van het verhaal het verhaal iets toevoegt dat ons terugbrengt naar het begin van het verhaal, van alle verhalen.

 

Terug naar het begin: Johannes één en Genesis één

In den beginne. Om te beginnen. Genesis 1 kan open. Johannes 1 ook.

Genesis 1: om te beginnen: God schept: hemel en aarde.

Johannes 1: om te beginnen: er is het woord. Dat woord is gericht op God, naar God toe, trekt naar hem toe. Dat woord is God.

Johannes klinkt raadselachtig. Maar woord is hier niet logos (logica, -logie, ratio, redelijkheid) maar natuurlijk (Natuurlijk? Ja, natuurlijk, wanneer je let op het vanzelfsprekende milieu waarin deze tekst klinkt. Dat is niet de wereld van de griekse filosofie, maar de wereld van de synagoge, de tempel in Jerusalem, kortom, de wereld van de Tora) Tora. We komen daar dadelijk op terug. Trouwens we zijn daar ook.

Johannes 1,1 roept Genesis 1,1 op. Om te beginnen met het scheppen van God: hemel en aarde. Onwillekeurig denken wij dan steeds aan een soort allesomvattende archeologie op paleontologie. Het scheppingsverhaal geeft de oergeschiedenis van deze aardbol of –korst. Alleen: de vertellers hebben geen idee van ronde aarde of interstellaire ruimte, weten niets over de verhouding tussen zon en aarde die zomer en winter bepalen, of dag en nacht. Ja, zon en dag, dat komt er in voor. Maar dat is dan, afgezien van het parallelverhaal over de kleine maan, werkelijk alles.

Genesis 1 is er veel meer op uit om te vertellen dat hemel en aarde het eerste stel is, het eerste paar, zo je wilt het eerste waarvan zon en maan, in ieder geval zeker  Eva en Adam (waarom deze typische volgorde?) een ander beeld zijn. Hemel en aarde horen, hoe en wat dan ook, bij elkaar.

Hemel: waar God is.

Aarde, waar de mens is, waar de mens hopelijk mens is of kan zijn.

Hemel en aarde zijn dank zij Gods scheppen één. Waar wij geneigd zijn een hemel van verschil te zijn, een onmeetbare afstand, bijbels gesproken zijn hemel en aarde elkaars buren. Ze horen in zijn scheppen bijeen.

Ook al is in vers 2 de aarde alleen woest en leeg, zonder begin, de geest – het laatste stukje van Gods aanwezigheid over een opgegeven aarde – maakt duidelijk, garandeert, dat hemel en aarde toch één zijn, bijeen horen.

Gods scheppen – blijken zal: dat staat en valt met zijn spreken, zijn woord, zijn Tora.

Van begin af aan moet een ding duidelijk zijn: deze wereld is niet een wereld van slavendrijvers en slaven. God heeft daar principieel anders over gesproken: Licht moet er zijn, en er is licht en God ziet het licht. Hoe goed! En hij noemt het licht dag, en de duisternis nacht. Zo is er avond, zo is er ochtend. Dag één.

Dag één is de enige dag met het hoofdtelwoord. De rest heeft rangtelwoorden. Dag één is een uitzondering, zoals de uittocht uit de slavernij een absolute uitzondering is, een echt en werkelijk begin voor mensen die aan vrijheid toe zijn, die daar oren naar hebben. Uitzondering, een uitzondering zoals ieder mens een uitzondering is: geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.

Dag één, de dag van het licht. Dat licht is de bevrijding op handen.

 

 

Johannes 20

Het is de eerste dag van de week.

 

Bijbels gesproken is dat de eerste dag van de week, tegenwoordig de zondag (al denken de agenda’s om praktische redenen dat de zondag als deel van het weekend de week afrondt). Feria prima. Dag Een. Bijbels is die dag bekend omwille van het licht. Het is ook de uitzonderlijke dag. Geen enkele andere dag in Genesis 1 wordt met het hoofdtelwoord genoemd. De tweede tot en met de zesde dag zijn rangtelwoorden. Alleen DAG EEN is geteld met het hoofdtelwoord, een uitzondering. Het eerste dat goed is noemt God in het verhaal licht.

Bij Johannes begint die dag met Maria van Magdala die naar het graf gaat. In 20,11 staat ze bij het graf te huilen. Desgevraagd zegt ze te huilen omdat haar Heer is weggenomen. Ze weet niet waar ze hem hebben neergezet.

 

Die Heer is Jezus. Hij is in Johannes 19 aan het kruis gestorven en door Jozef van Arimatea samen met Nicodemus in een nieuw graf neergelegd. Dat alles is gebeurd op voorbereidingsdag (Joh 19,42), dus vlak voor vrijdagavond. Op Vrijdagavond begint de zevende dag, sjabbes.

 

Na haar woorden draait Maria zich om. Ze ziet Jezus staan maar weet niet dat hij het is. De lezer weet meer dan Maria. Hoe komt Maria zo ver dat zij evenveel weet als de geïnformeerde lezer?

Zij denkt dat het de tuinman is. De man van de tuin roept herinnering op aan die andere man in die andere tuin. Is die associatie terecht? Wil het verhaal dat we daar aan denken? (Het lijkt er op dat dit wel het geval is. Kijk maar even verder.  Jezus zegt haar: raak mij niet aan. De boom in het midden mocht de mens niet aanraken.) Dit is de ochtend van de eerste dag van de week. We komen daar nog op terug. Gaan we nu naar de avond van die eerste dag.

 

Op de avond van die eerste dag zijn de leerlingen bijeen, achter gesloten deuren. Jezus komt en gaat in het midden – het midden! – staan.

 

Je gaat nooit zo maar staan. Je gaat altijd staan om te, om iets te doen. Wat gaat hij die in het onmiddellijk voorafgaande slachtoffer van het verhaal geworden is, nu nog doen. Als eerste zegt de tekst: hij gaat in het midden staan.

Waar je, ook als lezer of toehoorder van dit verhaal,  staat, hij staat in het midden. Daar kun je niet omheen. Waarom gaat hij in het midden staan? Om iets te zeggen. Het slachtoffer heeft het woord. Wat heeft hij te zeggen?

 

“Vrede op jullie.”

Eigenlijk is dat een beetje verwarrend.

Zijn al die woorden als tekst gegroepeerd om ons vanuit het midden toe te spreken en tegen ons te zeggen: Vrede op jullie? Is vrede zo belangrijk? De tekst die alsof dat wel het geval is. Wat is vrede dan?

 

Hier kunnen we twee wegen bewandelen. We kunnen een onderzoek starten naar het begrip vrede in de bijbelse literatuur.

Een samenvatting ontleen ik aan F.J.Pop, Bijbelse woorden en hun geheim, Theologische verklaring van een aantal Bijbelse begrippen, ’s-Gravenhage, Boekencentrum 1951, p. 192-195. 1. De grondbetekenis is welzijn met de nadruk op de materiële kant daarvan. Zo vraagt men ernaar bij een groet. Het gaat dan over gezondheid en welstand (Richt. 19,20; Gen 29,6).

2. God geeft de vrede. Dat is een diepe overtuiging. (Ps 122,6. Zie Lev 26,6)

3. De profeten verkondigen de vrede. Het begint met valse profeten en valse vrede. God zal dan geen vrede schenken. Maar in de ballingschap verandert dit. Zie Jer 29,11; Ez. 34,25; Jes 48,18, 54,13; 60,17. Zie ook Jes 66,12 en 57,19.

4. Sjalom is geen innerlijke vrede. Het gaat niet zozeer om het gevoel van het individu. Aan de orde is met name het politiek, sociaal, religieus klimaat: de vruchten van het werk, de vreugde van de omgang met elkaar. Ps 85,11: Gerechtigheid en vrede kussen elkaar.

Het tegengestelde van vrede is rampen, ongeluk, ellende, verdriet. Pas daarna natuurlijk ook oorlog.

Bezien we dit alles als decor voor het woord hier aan de orde, op die avond van de eerste dag van de week bij Johannes, wanneer de gedane zaken een keer lijken te nemen.

We kunnen ons ook beperken tot wat Johannes over vrede naar voren brengt. Dat is allereerste dan hier, de context van het woord, het verhaal over Jezus die gestorven en niet te vinden is, maar die zich aan Maria laat zien, en nu aan de leerlingen. We vinden het woord hier, aan het einde, drie keer: Jo 20,19.21.26. Er is een vooruitgeschoven post. Johannes zet de vrede nog twee keer in. In 14,27 en 16,33.

In 14,27 heeft die vrede onmiskenbaar te maken met de heilige geest, en met het heengaan en terugkomen van Jezus. In het kader van het voorafgaande kan dit te denken geven over het programma dat opschrift en voor-schrift is van heel de bijbelse literatuur: hemel en aarde horen dank zij Gods scheppen bijeen. In 16,33 is die vrede het gevolg van alles wat hij, Jezus zegt. De vrede vat blijkbaar alle woorden (vgl 6,63) samen.

 

Conclusie – voorlopig

We gaan uit van de werkhypothese dat het Johannes uiteindelijk begonnen is om de vrede en alles wat daarin meeklinkt. Die vrede is de vertolking van hemel en aarde, God en mensen, horen bij elkaar, dragen elkaar. Daar dienen al die woorden van Johannes toe.

© Dr. Jan Engelen
Amsterdam 25 november 2006

les 1. Vrede
les 2. Bruiloft
les 3. De Samaritaanse
les 4. De blindgeborene een twee drie
les 5. Een echte herder
les 6. Nog eens: vrede

Algemeen overzicht

Andere aanloop

Home