3.
Johannes 7 - Hoofdwerk 3.1. Inleiding
Meta tauta – the beginning of chapter 7 – is a signifier. It
presents the preceding in front of the following as a whole, as a
body. The whole story is starter for the beginning of a new story:
Jezus is walking around in Galilee. Het Johannes-evangelie confronteert, als alle literatuur, zijn lezers vanaf het begin met eigen, niet vertrouwde, vreemde zaken – ook al suggereert zoals steeds, een zekere vertrouwdheid de schijn van het tegendeel. Die “zekere vertrouwdheid” is meer het verleden van de lezer of toehoorder dan eigen aan de tekst. Na dit alles wandelt Jezus in Galilea rond
want hij wil
niet rondwandelen in Judea. Het
vragen mag beginnen. Hoezo Galilea?
Wat is er met Judea in
het Johannes-evangelie[1]? Bovendien: Na
dit (alles)? ‘Na wat alles?’ zal men willen weten, dienen te weten. Dat alles is bijeengebracht
aangaande het onderwerp van het verhaal. En dan hebben we het nog
niet eens over dat onderwerp[2]. Wat mobiliseert Johannes in het zevende hoofdstuk om de lezer of hoorder van dit verhaal te laten weten wat hij vertellen wil? Hoe doet hij dat? Johannes
7 zal men waarschijnlijk binnenkomen in het spoor van de voorafgaande
hoofdstukken, misschien zelfs vanuit een globale of meer gedetailleerde
kennis van het geheel van het evangelie. Zie de webpagina de choreografie en chronografie
van Johannes, een beargumenteerd kort overzicht van de ruimten,
de beschreven[3]
plaatsen en tijden, van het Johannes-evangelie. Galilea en Jerusalem
zijn in dat geval een eerste keer gezien. Galilea bij Johannes - deze tekst - kent Kana hooggelegen en Kapernaüm beneden.
Jerusalem wordt zonder enige twijfel in Judea gevonden. Jerusalem
kent een heiligdom[4],
een vijver. Vanuit Jerusalem (1,19) bereikt men in het evangelie zonden
omhaal via de Jordaan (Bethani, Ainon,
Salim) Galilea en Judea. Tussen deze twee gebieden is ruimte vrij
gemaakt voor Samaria. De
eerste woorden van 7,1 noteren een nieuwe positie. De tekst neemt
afstand van het voorafgaande. En
na dit (alles) - een begin voor zoiets als een nieuw verhaal.
Johannes 7 knoopt aan bij het voorafgaande en neemt er afstand van.
Bultmann schrijft: V.1 gibt die Verknüpfung
mit dem Vorangegangenen und damit zugleich die algemeine Situationsangabe:
Jesus hält sich jetzt in Galiläa auf, um den Nachstellungen der Juden
zu entgehen[5].
Bultmann schrijft vervolgens: Vorausgesetzt
ist also, dass er sich vor dieser Zeit in Judäa (Jerusalem) aufgehalten
hat. Meta tauta is
iets anders dan meta touto. Na Kana
(2,12) geeft de tekst het enkelvoud:
touto, dit. Na
dit is het Pesach. Jezus gaat op naar Jerusalem. De tijd maakt
plaats voor de ruimte. In het Heiligdom maakt hij plaats voor het Huis van de Vader.[12]
Het is een huis dat afgebroken kan worden. De tekst voegt er iets
aan toe. Hij spreekt over het Heiligdom van Zijn Lichaam. (2,21).
Pas na het verhaal over de Paasnacht met
Nicodemus (3,22) geeft de tekst meta tauta,(na dit
alles). Het verhaal is daar weer bij de plaats van het begin, bij
de Jordaan[13].
De Jordaan is overgestoken[14]. Meta tauta vormt
een schakel. De
meervoudsvorm (tauta)
heeft derhalve wellicht het vermogen, op
een of andere wijze het Evangelie samenvattend bijeen te houden. Telkens
weer blijkt het verhaal in het aan deze woorden voorafgaande verhaal
definitief begonnen. 3.2 De plaats en de tijd (7,1-2)Judea in John is a name with danger in it. Therefore
Jesus is walking around in Galilee. Soekkoth is the name for the time
in de present part of the story. It is the only biblical feast for
Israel and the nations alike. A Feast that is filled up with notions
and messages concerning the brotherhood of mankind. The essence of
it is not a feeling but the concreteness of an obligation. But they,
the brothers don’t understand. En na dit (alles) wandelt Jezus rond. Het
werkwoord peripatein beschrijft in Johannes
7,1 Jezus' aanwezigheid in Galilea. Hij wandelt er rond. Hetzelfde
werkwoord geeft de tekst, in 1,36. Voordat het Pasen
is [17]
(2,13) wijst Johannes Jezus aan als het Lam van God. Na
dit alles wandelt Jezus rond in Galilea.
De tekst zou het onbelangrijk kunnen achten, waar Jezus is. Zijn verblijfplaats
kan onbeduidend zijn. Maar de tekst blijkt dit anders te benoemen.
En na dit (alles) wandelt Jezus rond in Galilea,
want hij wil niet in Judea rondwandelen omdat de Joden hem zoeken
te doden. Deze volzin brengt de lezer(es) binnen in een wereld
die, zeker in eerste instantie, niet de zijne
of hare is. De samenhang is niet het inzicht van wie leest. De samenhang
is een eigenschap van de tekst. Jezus'
verblijf in Galilea wordt door de tekst gemotiveerd. In Judea is hij
de gezochte. Ze zoeken hem te doden. Nu,
in 7,1, zoeken zij Jezus
te doden. Sinds 5,18 staat
dit zoeken vast. Het is genoteerd in de tekst. Is er dan geen ontkomen
aan? Door God Zijn Vader te noemen maakt hij Zich gelijk aan God,
zeggen ze. Volgens Johannes zegt Jezus dan: Mijn
Vader werkt tot nu toe, ook Ik werk (5,17). Het
grijpzuchtige en moordlustige zoeken
is als alle zoeken, ook taal. Waar taalt gij
naar?[21]
Het zoeken te doden is een
merkwaardige[22]
taal. Het is immers niet
uit op een partner en het is niet van plan iets te zeggen.
Wanneer
Galilea eenmaal bepaald is door niet
Judea, voegt de tekst een nieuw element in. Maar nabij was het feest van de mensen van Judea, het Loofhuttenfeest (7,2).
Het Loofhuttenfeest, Soekkoth is eggus/nabij. Bij
7,2 laat Lagrange er zich ook niet over uit. Een notie bij 1,14 geeft
evenwel meer dan expressis verbis in het hoofdstuk over het Loofhuttenfeest
te vinden is. ... eskènoosen. Joli
expression biblique pour désigner la vie nomade (Jud.VIII,11).
Le nomade transporte son abri ça et Ià:
image du caractère transitoire de la vie humaine. Mais ceux qui vivent
sous la tente, s'ils semblent moins compter sur la durée que ceux
qui habitent des maisons de pierre, s'en vont ensemble et n’en sont
que plus solidaires les uns des autres[31]. LAGRANGE vervolgt:
La traduction habitavit retrouve Ie sens de l’hebreu
sjakeen.
L’intimité est indiquée par en hèmin, qui, d'apres la
suite, doit être restreinte au groupe des disciples parmi lesquels
Jésus a vraiment vécu. - Un lecteur étranger aux idées d'Israel n'aurait
peut-être rien vu de plus dans ces deux mots. Mais Jo. n’a
pas du choisir ce mot de vivre sous la tente, à une époque où la vie
nomade était restreinte au désert, si ce n’était précisément en mémoire
de la présence de Dieu au milieu d'Israel. D'autant que cette habitation
avait étée manifesté par une nuée, dans Ie Tabernacle ... et ensuite
dans Ie Temple ... de sorte que la Chekina,
'habitation', était une présence sensible de Dieu et une expression
pour signifier Dieu.[32]
De meeste commentaren geven enige informatie bij het Loofhuttenfeest
- alsof énige informatie aan kán geven, welke betekenis het Loofhuttenfeest
heeft, welke rol het speelt van jaar tot jaar voor de mensen die leven
willen met en van de Tora of in Jerusalem en omstreken. Volgens
Michaelis is het Loofhuttenfeest theologisch niet relevant
voor het optreden van Jezus in Jerusalem. De auteur laat zich dan
ook niet uit over de tekst waarin Jezus optreedt in Jerusalem en wat
er gebeurt op titel van het Loofhuttenfeest. De scène met de broers
(7,3-8) als direct en blijkbaar vanzelfsprekend vervolg op de
naam van het feest krijgt van Michaelis
geen aandacht. De titel had evengoed weg kunnen blijven. De meeste
lezers kennen de achtergronden van dit feest toch niet! Alsof de meeste
christelijke lezers wel de achtergronden van het Joodse Paasfeest
kennen en dit derhalve ook niet relevant is. De meeste christelijk
gevormde lezers kennen ook Mozes en de Profeten niet. Zijn die derhalve
ook irrelevant en bijkomstigheden? Dit criterium eigent zich de vrijheid
toe, zogenoemd ‘irrelevante fragmenten’ uit het Evangelie weg te halen.
Maar het is niet ondenkbaar dat teksten overbodig verklaren nauwelijks
"lezen" mag worden genoemd. Michaelis
meent evenwel goede papieren te hebben. Hij gaat uit van de veronderstelling
dat het Evangelie zeer laat ontstaan is. De tekst zou zijn distantie
tot de ‘Joodse traditie’ proberen te rechtvaardigen. Nabij
is volgens Johannes niet het Loofhuttenfeest,
maar Skènopègia. M. Zerwick[34]
legt uit: skènè
en pègnumi,
tent oprichten, tent bouwen[35].
Pègnumi
speelt in het Johannes-evangelie geen rol. Skènè is alleen aan te treffen in
eskènoosen:
En het woord geschiedt vlees
en het slaat zijn Tent in ons op (1,14)[36]. Vanuit
de tekst van het Johannes-evangelie – en iets anders heeft wie leest
niet gekregen – kan men nu ook volgen, waarom de problematiek van
Johannes 7-10 zich afspeelt tijdens het Loofhuttenfeest[42].
Zoals
gezegd: Soekkoth
heeft voor mensen uit de Joodse Traditie een eigen betekenis. Wie
geen native speaker is wanneer het over “Joodse Zaken”
gaat zal de implicaties van de feesten voor Joodse mensen nauwelijks
kunnen meevoelen of reconstrueren. Christenen kennen de implicaties
van een Joods feest in de regel niet. Maar hoe onbekend men ook is
met de mogelijkheden van lijsten en kleuren, een
schilderij is niet de ontkenning van de expressiviteit van kleuren
in het wisselende spel van het licht, noch van de ruimtelijke mogelijkheden
die het verschijnsel lijst biedt. Tijdens
het Loofhuttenfeest, wanneer het werk op het land gedaan en de oogst
binnen is, gaat de Joodse liturgie terug naar de tijd in de woestijn[46].
Het is de tijd van de bescherming die hij, G-d,
aan zijn mensen geeft, geven zal. Ook het verhaal van Johannes 7vv
zal dit vertellen. Maar in de tekst van Johannes 7 is niet de joodse
liturgie aan de orde. Johannes, de tekst, presenteert een ander onderwerp,
een eigen tekst. Aan de orde is niet dát Jezus, maar hoe Jezus, op
welke wijze hij in de tekst als tekst present is, hij en de anderen,
zij en wij. Het
gaat derhalve in de tekst die de lezer nu leest over het verhaal
dat wij Johannes 7 noemen. Het gaat niet over de uitleg van Johannes
7 of over de uitleg van deze literatuur, meer in het bijzonder, van
deze bijbelse literatuur. Het gaat niet over
uitleg ook al klinkt het woord exegese naar uitleg[47]. Exegese
is geen uitleg van de tekst. Uitleg komt niet verder dan het eigen
voorverstaan. Dat betekent steeds een reductie. Exegese hoort dienst aan de tekst te zijn. Bijvoorbeeld inleiding tot de tekst,
tot de uniciteit en creativiteit ervan. Een inleiding probeert niet
uit de tekst te komen, maar ín de tekst, in de grote lijnen en kleine
details. Johannes 7 brengt zijn lezers naar Galilea. Voor een ogenblik zullen zij daar Jezus moeten volgen. Judea zou vanzelfsprekend de plaats zijn, maar daar zoekt men hem te doden. Zo is Galilea de plaats geworden. Het direct voorafgaande (6,60‑71) heeft dat dubbelzinnig gemaakt. Galilea is de plaats, zij het met een duidelijk maar. Wat dit voorbehoud is zal nog blijken. Van 7,1-9 is Jezus in Galilea. Daar zijn ook degenen die broers worden genoemd. 3.3 Zijn
broers (7,3)
Whatever explanation is given concerning the brothers
of Jesus, it are those who as his mother, are closest to him. Understanding
him as they do, they do not understand Jesus doksa.
His Jerusalem, his father is not their Jerusalem and what they see
as their father. De naam van de tijd licht op: (loof)huttenzetting (S.V.). Terstond komen zijn broers in de tekst te voorschijn. Zijn broers vormen van 7,3‑10 het keerwoord (3.5.10). Zij zijn er alsof het feest erom vraagt dat zij er zijn. Het feest draagt hun aanwezigheid. De
lezer van Johannes kan beter weten. Zij, zijn broers, komen onverwacht.
Hun aandeel in de rest van de voorafgaande en volgende pericopen is
te verwaarlozen, betekenisloos. Anders gezegd: hun rol in het evangelie
is té onbeduidend om hun present zijn nú maar voor lief te nemen. Geen
van de commentaren merkt op, dat de broers in 7,4 zeggen: faneroosen seauton tooi kosmooi
/ maak jezelf zichtbaar aan de ordening/wereld. De broers maken na het verhaal van Kana reeds Kapernaüm (beneden) in a nuthshell mee. Dan is Pesach (2,13) nabij. De broers zijn als het ware reeds ingevoegd in het verhaal van na Samaria. Kana is dan de plaatst voor een nieuw verhaal. Iemand koninklijk komt daar als een bede naar boven. Hij vraagt: Daal af. Waarom? Waarom wordt die afdaling
geboden? Vanwege een zoon die op het punt van sterven staat begint
nu iemand of Iemand uit Kana aan de afdaling (4,47.51) naar beneden.
Van al zo hoge. In
Johannes 7 richten de broers
de aandacht van Jezus (en de lezers) naar Judea met het oog op de
leerlingen. Zij moeten de werken
die jij doet zien. De leerlingen komen in Johannes 7 niet meer voor, tenzij wanneer zij
schuil gaan onder andere namen (broers, Joden, enz.). De broers zeggen: Ga weg van hier en trek op naar Judea, opdat ook Je leerlingen de werken
die Jij doet zullen zien. Aldus beschrijft de tekst hetgeen verderop heet: geen
vertrouwen hebben dat naar hem uitgaat (7,5). Het Loofhuttenfeest van Johannes 7 begint met een gaandeweg toenemende verwidering tussen personen die op elkaar betrokkenen zijn. Het is een twist tussen broers. In de verwijdering die groeit, zal met geen woord over de vader gesproken worden. De broers nemen het initiatief. Verderop zullen dat de Joden, de schare, sommigen uit Jerusalem en de Farizeeën doen. Dan is het de laatste dag van het feest, de grote (37)!
Het
werkwoord weggaan/hupagein staat in 7,3
in zekere zin ten overvloede. 'Ga' naar Judea of Jerusalem zou voldoende
zijn geweest. Op andere plaatsen in het evangelie fungeert het woord
weggaan in de samenhang van weggaan uit de dood naar het leven (5,25),
uit de kosmos, ordening/wereld/samenleving naar de Vader (13,1). In
weggaan speelt blijkbaar het definitieve
einde, het sterven en opgewekt worden van Jezus mee. Enteuthen/Van hier
ondersteunt de suggestie welke weggaan
in het direct voorafgaande gekregen heeft. Het woord van hier begint, stevig verankerd, in het Huis van de Vader (2,16). Het vindt in de tekst zijn definitieve en
laatste plaats in 19,18. Daar markeert het de plaats van de kruisiging.
Vertalingen kunnen dit niet laten zien. Het Nederlands spreekt zo
niet. Vertalingen geven bijvoorbeeld: aan
weerszijden één (NBG); aan
elke kant een (WB); aan
elke zijde een(SV); un de chaque coté (Bibl.Jer.);
on either side one (King Jam.). Johannes
geeft enteuthen
ook in 14,31: ... opdat de ordening/wereld moge weten, dat Ik van de Vader houd ...
wek op, laten we weggaan van hier. Tenslotte
is er 18,31: Mijn koningschap
is niet van hier[58] Het
Johannes-evangelie heeft een bijzondere voorkeur voor het woord hupagein/gaan naar. Een blik in de concordantie
laat dit terstond zien. Het woord is 16 van
de 31 keer uit de Vader
(7,33; 8,14 bis 21.21; 13,3.33.36 bis; 14,4. 5.28; 16,5 bis. 10. 17).
Een zekere finaliteit, een duidelijke oriëntatie is daarmee aangegeven.
Judea is in 7,3 de horizon voor het heengaan.
Wat dit betekent, welk effect Judea in de tekst als tekst bewerkstelligt
zal nog moeten blijken. De
broers van Jezus willen hem naar Judea
hebben. Wat hen voor ogen staat geeft de tekst aan: Opdat Je leerlingen zullen zien.
Zijn die leerlingen dan in Judea? Wáár zijn de leerlingen eigenlijk? 3.4 Synchronie en anachronisme (7,4‑10)Skenopègia should be the starter. Jezus could
or should start his carreer. They, his brothers, see it this way:
Go up to the feast and make a display of it: show yourselves
for the people. This peptalk marks the distance. An unmeaserable difference
is drawn in their ears only: they cannot understand. They just have
their time, everytime, always. For them there is no difference. They
cannot handle otherwise. The text follows Jesus – Him! – up to the
temple. Dichtbij
is skènopègia, Loofhuttenfeest.
In het bovenstaande is een mogelijke samenhang gesignaleerd met en
hij slaat zijn tent op in ons midden(Johannes 1,14). Daar, in
Johannes 1, treffen we in de direct daaraan voorafgaande regels de
tekst aan over aannemen
en niet aannemen. Dat mag
een waarschuwing zijn. Wat nu gebeuren gaat kan wie mee wil lezen
minstens aanvankelijk plaatsen. Want niemand doet iets in het verborgene en
zelf zoekt hij in het openbaar te zijn. Als je dit allemaal doet,
maak jezelf zichtbaar aan de wereld (4). Want de broers hebben geen
vertrouwen (dat uitgaat) naar hem (5). Aldus onderbouwt Johannes
hun uitspraak. Jezus'
spreken in het openbaar zou volgens de mensen van Jerusalem betekenen,
dat de leiders zijn gaan kennen,
dat deze de messias is! Volgens sommigen van de bewoners van Jerusalem
is dit uitgesloten. Toch niet!
Een zeer problematisch vanwaar?
moet ieder vermoeden hier uitsluiten. Jezus zal niet ingaan op het aandringen van de broers. Hij
zal zich niet aan de (geordende) wereld[68] van Jerusalem
laten zien vanwege het verschil in tijd[69].
Hun tijd is naar
de woorden van Johannes: niet
vertrouwen. Voordat Jezus op de gebiedende wijs van de broers
reageert met: Ik ga niet op naar dit feest (7,8), geeft hij volgens de tekst eerst
een toelichting. Hetoimos/Gereed
of geschikt komt slechts één keer voor in het Johannesevangelie.
Aanwezig zijn (Parestin)
geeft de tekst nog alleen in 11,28 (De
Meester is aanwezig en roept je). In het altijd
geschikte moment van jullie zal Mijn ogenblik er zijn, maar nog niet. Er is nog een reserve, een surplus, een te goed dat uitstaat. Dat krediet is deze tekst, dit intermezzo.
Niet kan de ordening/wereld
jullie haten, maar mij haat hij, omdat ik getuig omtrent hem, dat zijn werken slechts zijn[74]. Vanwege Jezus'
getuigenis haat de wereld hem altijd. Daarom ook hebben de broers
alle tijd. Hun tijd is altijd geschikt. Zij zijn synchroon
met de wereld. Hun tijd
is immers niet gebaseerd op de archè
waar Johannes mee aanheft(1,1). Jezus
gaat niet in op de dwingende eis van Zijn broers. Hij gaat niet op
naar dit feest (7,8). Zijn tijd is nog niet vervuld. Wat is
die tijd dan? Hoe wordt die tijd door de tekst gevuld, ingevuld? De
lezer krijgt op dergelijke vragen geen ander antwoord dan: Nog
niet. Er wordt een uitstel gegeven. Klaarblijkelijk slaat
de tekst de mogelijkheid, het feit en de noodzaak van de verwachting
hoog aan. Nog niet! [80] Dit alles krijgt de lezer aan het begin van Johannes 7 niet meer te horen. Het mag opgenomen zijn in na dit alles (7,1), in de naam Galilea met de volgens Johannes daarbij horende, aantrekkende spanning en verwachting die fluistert van naar Jerusalem. Jezus gaat nu niet meer op naar een plaats, zelfs niet naar
de plaats Jerusalem al zegt Johannes ook dat niet met zoveel woorden.
Zodra de naam van Jerusalem ingevuld kan worden (opgaan
naar ...) tekent de grote
lacune zich af en wordt het gemis manifest(7,10). Jerusalem wordt
niet meer genoemd. Jezus ook niet. Pesach
- het feest van de eersteling van de oogst - heeft als effect het
zaad. De Loofhut leest[83] en geeft de goede vrucht
ten laatste. Er is een voortdurend onderscheid,
een (v)oorsprong, een afstand. Hij is anders. Hij valt buiten de grijpgrage
macht van de handen. Jerusalem is de eersteling. De Vader heeft om
haar hand geworven en blijft dat doen. Hij kan het niet laten. Hij
is het verplicht aan Zijn trouw als partner. Nu
dringen de broers er op aan, de tijd – hun tijd, alle tijd - uit te
buiten. Ga op naar dit feest. Hun gebiedende wijs geeft de gelegenheid,
wie lezen wil duidelijk te maken, dat er een andere tijd mogelijk
is. Mijn tijd is nog niet gevuld geworden. Het passivum theologicum geeft aan wat G-d doet. Die andere tijd is de tijd van een Ander. Zo staat
Jezus' spreken in 7,8 tegenover wat de broers zeggen in 7,3. En nog
is er een verschil. Jezus blijft bij wijze van spreken in Galilea (9). De tekst
is daarmee terug bij zijn uitgangspunt (1). Galilea is twee maal onderstreept.
Daartoe dienen: niet Judea (1)
en Jezus blijft (9). Zijn verblijft vult Galilea.
Het zal preliminair blijken. Een regel lang[85]. 3.5 Twee meningen
(7,10‑14)
So there are two parties in the city that is not
yet called Jerusalem. Both parties are hidden. The brothers are going
to be the Jews of John's Jerusalem. As the middle of the Feast their
two possibilities are interpreting the secretly sung duet of Johns
Tabernacles. Who will solve the mystery their opinion presents? Het woord heortè/feest
staat centraal in 7,10-14. Voor de broers is er geen intermezzo.
Hun reactie op hetgeen Jezus in 7,6-8 zegt
is niet veranderd. Zij gaan op naar het feest. Zijn spreken heeft
voor hen geen consequentie, is niet richtinggevend en zonder enig
gevolg. Voor hen is er niets gezegd of gedaan. Zij brengen dan ook
niets in tegenover hetgeen Jezus zegt. Commentaren hechten er niet aan, dit op
te merken. Twee
keer noemt de tekst anabainoo, opgaan. Johannes brengt
een nuances in tweeën aan: Niet openlijk maar in het verborgene. De tekst wijkt af van de wijze
waarop eerder geschreven is Steeds luidde het: opgaan naar het feest (8, 10). Nu staat er alleen: opgaan. Straks zal men horen dat Jezus
opgaat naar het Heiligdom (naar
waar hij eerder is - vgl 6,63). Dat
zal ergernis geven. Het vlees helpt immers niet (vgl
6,63) en de geest is er nog niet (vgl 7,39).
Het volk zal gaan morren (vgl Exodus 15-17)[87]. Tijdens
dit Loofhuttenfeest delen de lezers de vraag van de daar aanwezige
Joodse mensen. De vraag luidt: Waar
is hij? De Joden van
7,11 – en met hen degenen die lezen – nemen het initiatief van de
broers over. Gemompel ontstaat. Het gerucht vult de eerste wandelgangen
van dit feest. En een gemompel omtrent hem is er veel in de
menigten. Niemand
spreekt openlijk over Hem. Naar verluid vrezen zij. Die vrees is welbepaald.
Het is vrees voor de Joden.
De Joden van Johannes vrezen de Joden van Johannes. Mensen kunnen
bang zijn voor zichzelf. Blijkbaar is er niet veel nodig om bang te
zijn voor zichzelf. Maar er is meer. De
mensen van Judea op het feest in Jerusalem zoeken hem die in het verborgene opgegaan is. Haenchen’s opmerking is niet ter zake. Hij schrijft: Dem Evangelisten liegt der Gedanke ganz fern, dass Jesus schon in Jerusalem
geweilt hat; er lässt vielmehr Jesus sofort zum Tempel hinaufsteigen
und lehren ...[92]
Alsof Johannes de mensen van het Joodse land niet het woord
geeft terwijl Jezus in het verborgene opgaat. Een exegeet zou iemand
kunnen zijn die niet de tekst aanvult of herschrijft. Men mag de tekst
minstens zijn eigen speelruimte gunnen. De opmerkingen uit hun mond
van de mensen van Judea die Johannes opschrijft zijn volgens de tekst
voor de lezers relevant. Zij vertolken wat lezers volgens hem, deze
tekst, zullen en dienen te weten. Het
eerste wat de Joden -derhalve de lezers van
deze tekst met hen mee - tijdens dit Loofhuttenfeest over Jezus zeggen,
bant elke twijfel uit. Zij/wij zeggen: hij is
goed! Zij/wij blijken naar hem te
zien met het woord dat in het scheppingsverhaal steeds (lijkt het
wel) terugkeert. Zij zien hem met de woorden waarin Exodus 2,2 over
Mozes laat horen. Hij, Jezus, hoort bij het goede dat de Heer aan
Israël gedaan heeft (Exodus 18,9). Jozua en Kaleb
beschrijven in datzelfde woord het land (Numeri 14,8). Want goed is geen toevallig, slordig of opportunistisch woord. Goed taalt naar niet alleen (Genesis
2,18), naar volgens Mozes en
de Profeten (1,46 zie 1,45). Het woord goed rept van het verbond
en van alle verwachting die daar toch steeds opnieuw weer, blijkt,
‑ elke morgen nieuw ‑ de ogen opheft naar het licht, in
het licht (Genesis 1,4).
De
reikwijdte van het woord misleiden[93]
is bij Johannes strikt beperkt tot Johannes 7. Het wordt ingezet tegenover
goed. In 7,47 krijgen de dienaren te horen,
dat zij misleid geworden zijn. Dat wordt
hen toegevoegd wanneer zij over Jezus zeggen: Nog
nooit heeft zo een mens gesproken! 3.6 De leer en Gods welbehagen (7,14-18)Is His teaching coming from Him or does it come
from God? In the middle of the feast Jezus lais down the criterion:
do the will of Him who gives you your mission. Met
het Loofhuttenfeest op handen wordt Judea voor Jezus en Zijn leerlingen
relevant. De broers wekken de indruk daar van uit te gaan. Je leerlingen
moeten de werken zien die Jij
doet. Weer
horen die twee bijeen: Jezus en het Heiligdom in Jerusalem. Sinds
Johannes 2 – en eigenlijk al sinds 1,19 (priesters
en levieten) – is die band bekend. In Johannes 5 heeft de tekst
het gevolg daarvan zichtbaar gemaakt voor een mens. Wat is hier nu
nog aan toe te voegen? Mag
het bevreemding wekken, dat pas in Johannes 6,59 het woord
leren in het Evangelie van Sint Jan verschijnt?
Het gebeurt vlak voordat de leerlingen beginnen te spreken over dit harde woord. Pas bij vlees en
bloed (6,55) gaat bij Johannes het leren
van Jezus een kwestie worden. Het heeft er alles van dan pas nu het woord en Zijn spreken de naam leren
krijgen. Vlees en bloed blijken nu iets heel iets anders
dan uit de bloeden
of uit de wil van het vlees
(of uit de wil van een mens). Blijkbaar is
aan de orde wat het betekent: uit
God geboren te worden (1,13). In het Johannes-evangelie liggen
tijd en plaats daarvoor vast. In
de Paasnacht, in Jerusalem, in het feest
(2,23) legt Jezus het uit ten aanhore
van Nicodemus – voor wie horen wil en kan: Geboren
worden van omhoog – hoe raadselachtig dit ook klinken moge. Leren wordt in Johannes 7 een belangrijk
woord. Midden op het feest schildert de tekst Jezus met niets anders
dan Zijn leren. Ook op de laatste dag, de grote zal men aantreffen:
leren en zeggen (28). Wanneer
Jezus daar gaat spreken over de onbereikbare plaats waar hij heengaat,
laat de tekst bezorgdheid klinken van de toehoorders: hij gaat toch niet naar de diaspora der Hellenen om hen te leren! (35).
Ook in het vervolg van het verhaal zal dit woord belangrijk blijken[96]. Twee
meningen omtrent hem beheersen het feest.
Meer is er volgens de tekst niet. Alleen dit nog: niemand spreekt
openlijk over Hem. Pas daarna komt er een spoor van tegenstelling:
Midden op het feest echter.
Het is de inleiding tot een initiatief van Jezus. Hoe
komt Jezus in het Heiligdom in Jerusalem? De tekst geeft dit heel
precies aan. Jezus is geen onderwerp bij werkwoorden als: komen, gaan, weggaan,
binnengaan, of rondwandelen. Hij komt er ook niet als een geroepene
(vgl 2,2). Zoals Jezus in 2,13 opgegaan is naar Jerusalem (2,13),
zo gaat hij tijdens het midden van het feest op naar het Heiligdom. Nog
steeds aan het begin van Johannes 7 komt men niet om Johannes 1-6
heen. Midden op het feest gaat Jezus op naar het Heiligdom en hij leert. Het gaan naar
het Heiligdom culmineert in het leren.
Loofhuttenfeest (Tent), Heiligdom, leren - hoe moet het nu verder
na al die concentratie? Het
verhaal is op zichzelf heel kort. Vers 16 geeft drie keer de eerste
persoon (ik, mij, mijn) om enkel ruimte te maken voor Degene
Die gezonden heeft. Het antwoord op de vraag hoe?
is alleen verkrijgbaar indien die vraag gedragen
wordt door daden. Als je de wil doet van degene die hem gezonden
heeft dan zul je weten, of Zijn leer van God komt. Jezus volgens Johannes zegt dat zijn leer niet van hem is maar van Degene die hem zendt[107]. Wanneer iemand dit zou willen onderkennen, dan is het nodig te doen wat Degene die zendt wel behaagt. Als hoe – niet geleerd hebbend? een vraag is, dán dient men voor een antwoord op die vraag over te stappen naar het niveau van het doen. Dat is de voorwaarde[108]. Wie het welbehagen doet van Degene die zendt zegt Jezus, die zal kennen. Twee uitkomsten zijn dan mogelijk. De leer is uit God, of Ik spreek uit Mezelf. Dit is geheel onvoorwaardelijk. De kwestie Goed/hij misleidt spitst Jezus toe tot: Spreken uit God/spreken uit zichzelf. Het criterium – en hoe kan het anders wanneer het gaat over het woord – is het spreken en het zoeken dat daarin aan het woord is. Wie het gewicht zoekt van die hem zendt, deze is waarachtig[109] en onrecht is in hem niet (18). Spreken
heeft volgens de woorden van Jezus bij Johannes alles van zoeken.
Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zichzelf. Wie uit God spreekt zoekt
Hem. Zo eenvoudig zou het kunnen zijn. Het ligt derhalve
volstrekt niet buiten de orde van de tekst, wanneer 7,24 het Woord
Gods onderstreept door het centraal te stellen en daarbij te verplichten
tot rechtvaardigheid. Jezus zoekt de eer van Degene die hem gezonden heeft. Van den Bussche noteert
hierbij: Jezus wenst geen succes door iets van eigen vinding mede
te delen. Jezus zoekt slechts de eer van zijn Vader en voert zijn wil
uit. Daarom spreekt hij de waarheid, is hij waarachtig. Hij doet er
niets bij of af, wat van de Schriftgeleerden niet met zekerheid gezegd
kan worden. In hem kan er dan ook geen oneerlijkheid, geen leugen
schuilen. Door onvermengd de waarheid te spreken die hij hoort, brengt
hij de volle definitieve waarheid (162). Jezus
zou slechts de eer van de Vader zoeken. Daarin zou hij tegenover
de schriftgeleerden staan. Die lieden doen bij en af. Zover
als het verhaal over het oprichten van de Tent nu gevorderd
is, zijn er diverse inzetten geweest, posities gegeven. De broers
wilden werk in het openbaar. De tekst laat Jezus daar niet
op in gaan. Jezus gaat niet naar het feest. Hij heeft iets anders
voor ogen. Hij gaat naar het Heiligdom. Daar wordt het beslissend
thema geboden. Het zal dienen te gaan over het gewicht, of
zo men wil de heerlijkheid van de Vader. Over hoe God de doorslag
geeft, uiteindelijk.
[1] Johannes 4, 44v maakt in tegenstelling tot
bijv. Lukas 4,24 duidelijk, dat de
eigen vaderstad in het evangelie volgens Johannes niet in Galilea,
maar in Judea gezocht moet worden. De zijnen
die hem in Johannes 1,11 niet ontvangen lijkt men bij Johannes
te moeten zoeken in Jerusalem. [2] Ondanks alles wat wij van hem menen te weten, in het Johannes-evangelie is het onderwerp van het verhaal de grote onbekende. Vanaf ongeveer het begin presenteert de tekst dit uitdrukkelijk: midden onder u staat hij die jullie niet kennen (1,26). Wanneer je als lezer hoort bij de tweede persoon meervoud (jullie) dan kun je mede aangesprokenen zijn. Alleen wie niet leest kan deze vraag niet opmerken. [3] Wanneer het in het Johannes-evangelie over
Galilea gaat, dan gaat het niet over Galilea uit de geografie, hoezeer
ook uit of bij de tijd. In het Johannesevangelie
gaat het zoals in elke tekst, over Galilea als verzamelnaam van
alles wat onder die naam beschreven en bewaard wordt. Zie K. DEURLOO
en B. HEMELSOET, Op bergen en dalen, bijbelse
geografie: de plaats waar geschreven staat. [4] Binnen het Nederlands
taalgebied noemt men het heiligdom
van Jerusalem in de regel de tempel.
Die traditie is moeilijk te veranderen. Men dient evenwel te bedenken
dat de tempel in Jerusalem de enige tempel is die geen tempel is:
er staat geen beeld van een Godheid. [5] R. BULTMANN,
Das Evangelium, 218. [6] B.F. WESTCOTT,
The Gospel, 26. [7] JOHANNES
CHRYSOSTOMOS, In loan.Homi.XLVIII,
1. [8] SANDERS en MASTIN,
131. [9] C.K. BARRETT, 162. [10] O.c., 255. [11] VAN DEN BUSSCHE,
154v. [12] Na 1,18 verschijnt de naam van de Vader voor het eerst in de naam: Huis van de Vader. [13] 3,22; 1,28. [14] Het woordje peran, overzijde, is verdwenen.
[15] Bijv. Sjabbath. [16] Sjabbath in Johannes
5 en 9. [17] Tot
de twee leerlingen. Zij zijn althans degenen die reageren. Aldus
maken zij een proces van voortgaand getuigenis mogelijk, want het
getuigenis van twee is betrouwbaar.De tekst noemt de naam van de tweede leerling
niet, ruimte makend voor de lezer of toehoorder. [18] Tegenover het ene, genoemde gebod van Jezus
(13,34) overeenkomstig het gebod van de
Vader. [19] Voor uitstel/verschil,
zie J. DERRIDA, Positions, 17‑19.
[20] K. BARTH, Erklärung, 332: ...
im 8.Kapitel redet in der Hauptsache Jesus; im 7.Kapitel reden in
der Hauptsache allerlei andere Leute. [21] 4,27: Maar
niemand zei:’ Wat zoek Je’, of, ’ Wat spreek Je met haar?’ [22] Vgl Genesis 4,8:
Maar Kaïn sprak tot zijn broer Abel. Toen zij in het veld … [23] Hij is de mensendoder vanaf het begin. 8,44. [24] De eerste volzin van
Genesis is, gezien het einde, uit op synchronie: hemel en aarde. Dank zij het scheppen van God
is er deze synchronie. Het gelijk opgaan van hemel en aarde garandeert
en expliciteert het scheppen als het werkwoord waar God in opgaat.
[25] Vgl 8,38‑44:
... Jullie zijn uit de vader de duivel. [26] Alleen in 18,31 en 5,10 vindt men: ouk eksestin. [27] R. VAN DEUTZ,
Lesungen über Johannes, 414: Er fürchtete sich nicht vor
dem Tode, sondern, wie der Psalmist sagt - 'kannte die Sonne ihren
Untergang' (Ps 103,19), hatte aber einen anderen Zeitpunkt für seinen
Tod festgesetzt und wollte deshalb nicht nach Judäa gehen. [28] 2,13; 6,4; 11,55. [29] BARRETT, 256 [30] HAENCHEN, 198. [31] LAGRANGE, 20. [32] O.c., 21. [33] MICHAELIS, TWNT
111, 394 [34] ZERWICK, Analysis, 224 [35] Vgl Hebr 8,2. [36] Zijn glorie gezien als eniggeboren zoon
vol genegenheid en waarheid. Vgl 8,9v. [37] ...
aber vor allem wird man hier beim Lesen in Sinn des Evangelisten
sein Augenmerk auf das Ganze zu richten haben, und im Sinn des Ganzen
ist die Darstellung der grossen Störung, die Jesus nach Jerusalem
bringt ... K.BARTH, 335. [38] J. WILLEMSE,
Het vierde evangelie, 150, 216v; F. ROSENZWEIG, Der Stern
der Erlösung, 335v. [39] Dan nog wel verstoord door de zogenoemde inlas . E. SCHILLEBEECKX,
Gerechtigheid en liefde, 326v.
[40] Deze opvatting heeft een plaats binnen de
functie welke J. WILLEMSE toekent aan Johannes 1,1‑18. Het
vierde .... 222‑232. [41] Deze opvatting sluit uitdrukkelijk aan bij
de rol welke het voorwoord
heeft in J. DERRIDA, Hors Livre,
in La Dissémination, 9‑67. [42] J. WILLEMSE, 0.c., 310v.: Joh.vii-x schildert geen vormen van geloof, zoals
Joh.iii-iv, maar vormen van ongeloof.Het is geen gesprek met de gelovigen, zoals Joh xiii-xvii, maar het gesprek, het twistgesprek met de ongelovigen,
met de ongelovige Joden, met de ongelovige wereld. Wanneer er al
sprake is van geloof, zoals in viii,31,
dan wordt dit terstond weer over stemt
… Toch lijkt dit een te algemene opmerking. Het is = zelfs afgezien
van Johannes 9 de vraag, of tijdens het Loofhuttenfeest het ongeloof
van de ‘ongelovigen’ duidelijk wordt. Men zou minstens niet ook moeten
spreken over het ongeloof van de ‘gelovigen’. [43] Meermalen is er in het evangelie sprake van
vrees voor de Joden. Deze zinsneden schittert
in 7,1 door afwezigheid. [44] I. DE LA POTTERIE,
Vérité, 972: ... la
section des Tabernacles: c’ est la section de l'évangile qui raite
plus longement des espérances messianiques du peuple juif . [45] De componist of muzikant kunnen met muziek iets weergeven dat zij buiten de muziek om niet kunnen. Daarom musiceren zij. Mutatis mutandis geldt dit bij voorbeeld, ook voor de schilder en zijn schilderij. [46] Zie bijvoorbeeld W. KITOV,
The Book of our
Heritage I, 138-142. [47] K. RAHNER en
H. VORGRIMLER, Kleines Theologisches Wörterbuch, 107. [48] C.J. DEN HEYER, Exegetische methoden in discussie, 11v . [49] F. BREUKELMAN, Bijbelse
Theologie I,l.
Zie eventueel heel de uiteenzetting onder de titel De omschrijving van het begrip Bijbelse Theologie, o.c., 9‑35. [50] bnh; ben/bth. TWAT 1, 690. [51] Zo bijv SCHLATTER
en BULTMANN. [52] BARRETT, 162. [53] VAN DEN BUSSCHE,
156. [54] Breukelman, o.c.,
113‑116. [55] Steeds van de kant van de Vader. [56] I. DE LA POTTERIE,
o.c., 765v.: Jésus ne parle jamais de ses oeuvres: les oeuvres qulil
fait sont les oeuvres de Dieu (9 3), les oeuvres de sen Père (10,37),
les oeuvres de celui qui Ila envoyé 9,4); Ie Père les lui a donné
pourquIil les mène á bonne fin: ces oeuvres que Jésus fait
lui rendent témoignage que Ie Père l'a envoyé (5,36); lloeuvre
que Jésus mène a bonne fin est de glorifier son Père sur la terre
(17,5), de Ie faire connaltre, lui, Ie
vraie Dieu, et son envoyé, Jésus Christ (17,4). Beaucoup plus que
les 'signes', les 'oeuvres' ont peur but la révélation personelle
de Jésus, et de sa relation au Père. [57] Bloedverwant
en stamgenoot (vgl
J.P. FOKKELMAN,
Oog in oog met Jakob, 50) doet de tekst die spreekt over
broer te kort. [58] Enteuthen substitueert in 18,31 ek tou kosmou toutou. [59] Maria herhaalt in 11,32 de zin die Marta in
11,21 heeft laten horen. In het verhaal maken de lezers mee wat
zij horen en zien. [60] Vrucht die de zaaier en
de maaier verblijdt(4,36), vrucht van de graankorrel in het land
(12,24) en van de wijnstok (15,2). [61] Zie de uitgewerkte concordantie in J. HEISE, Bleiben, menein in den Johannäischen Schriften. [62] AUGUSTINUS, In Joh.Ev. 28,4. Loquebatur care carni;
sed caro sine Deo, carne cum Deo. Loquebatur enim prudentia carnis Verbo quod caro factum est et habitavit in nobis. [63] 2,23; 4,19; 6,2.19.40.62; 7,3; 8,51; 9,8;
10,12; 12,19.45.45; 14,17.19; 16,10.16.17.19; 17,24; 20,6.12.14. [64] De Joden,
de 12 (n.a.v. 6,60.67; 7,3). BULTMANN 218: "De broers vertegenwoordigen
de wereld." Zie 7,6. [65] In het
verborgene bij Johannes is niet hetzelfde als in het verborgene van Mattheüs. Daar valt het verborgene onder het
bereik en de reikwijdte van de Vader en dat zal openbaar worden. [66] ALBERTUS MAGNUS,
Enarrationes in Joannem
..., 298: Ratio est quam inducit
Evangelista, ut sciatur
quod bona intentione
hoc cognoti Domini
dicebant: quia neque fratres eius
credebant in eum.
Joan.I,l1: In
propria venit, etc. [67] M. DE JONGE, Nicodemus and Jesus, 344. ... Nicodemus. He takes
part in an inner-Jewish discussion and does not take up ene of the
themes which were developed by Jesus in his own way in the course
of this chapter ... Moreover, Nicodemus's remark does not deal with
Jesus’teaching and acts as such; he only emphasizes the legal requirement
... Aangetekend zij, dat Nicodemus exact spreekt
overeenkomstig hetgeen Jezus heeft gezegd
in 7,24. [68] Kosmos,
7.4.7‑9 [69] Zie 7,6. [70] F.F. SEGOVIA,
The love and hatred of Jesus and Johannine secterianisme,
267. Against the background of Chap.5, the hatred of the world
for him can only mean the refusal of the Jews to accept his claims,
i.e. unbelief, as well as the corresponding desire to kill him. [71] BULTMANN, 220n2
maakt er een theologisch begrip van in de wereld van Grieken en
Rabbijnen. BARRETT,
257: It is not distinguisable from the more common hoora.
VAN DEN BUSSCHE,
157 wijst op een door God in zijn heilsplan bepaalde tijdsgewricht,
een mijlpaal en een keerpunt in de heilsgeschiedenis (Markus 1,15;
13,33; Mattheüs 26,18). Hierbij zij evenwel aangetekend, dat niet
Mattheüs of Markus aan de orde is, maar Johannes. [72] Volgens de tekstkritiek is deze regel zonder
twijfel een latere toevoeging. Voor de mens die 38 jaar ziek is
aan de rand van de vijver hoeft er geen engel te zijn. De lezer
heeft het Evangelie, het Evangelie de lezer. [73] In 7,10‑14 staat niet zoals E.SCHILLEBEECKX, Gerechtigheid, 354 schrijft: Jezus,
die buiten weten van de broeders in het geheim naar Jerusalem gaat,
wordt lerarend in de tempel aangetroffen. (7,14). 'Buiten weten
van', 'in het geheim' en 'wordt aangetroffen' geeft Johannes niet.
[74] I. DE LA POTTERIE,
o.c., 852: Dans Ie vocabulaire de Jean, les oeuvres du diable (1 Jn 3,8), les oeuvres du monde (Jn
7,7) ou les oeuvres mauvaises (Jn 3,19;
7,7; 1Jn 3,12; 2Jn 11; cf 3Jn10) ne se
situent pas simplement au niveau des actions morales; elles consistent,
plus fondamentellement, dans Ie rejet
de la révélation du Christ. In de tekst wordt gesproken over de wereld en zijn werken. Men kan
de wereld in het evangelie niet vrouwelijk maken. Ho
kosmos is mannelijk. [75] I. DE LA POTTERIE,
o.c., 512: ... L'attitude du
monde comme tel, qui hait Ie Christ et se ferme à la Iumière... [76] H. THYEN, Das
Heil, 180. In de zin: ...
ebenso ... wie Jesus die Aufforderung seiner Brüder sich dem 'Kosmos'
zu zeigen (7,4), dadurch einlöst, dass er mitten im Tempel unter
den Juden lehrt (7,14) ..." is de omschrijving: 'die Aufforderung
einlösen niet korrekt. Jezus gaat immers uitdrukkelijk niet in op
de eis van de broers. [77] K. BARTH, Erklärung,
337. [78] WILLEBRORDVERTALING
XII. [79] O.c.,in het
gedeelte van het N.T.,
134. [80] K.H. MISKOTTE, Als de goden zwijgen, 95v.: De tijd der
verwachting behoort bij de Openbaring. Want daarmee kunnen niet
eenvoudig bedoeld zijn de eeuwen voor Christus als neutraal geheel,
als leeg verloop, als gestrekte tendens; het is de tijd-der-verwachting
in de zin van: de ruimte waarin de wachtenden
staan en bezig zijn te wachten. Wel te verstaan: ze wachten niet
op Iets, niet op een mogelijkheid, maar op een bepáálde, hun aan
het hart gelegde komende stand-van-zaken, waarin God voor hen zal zijn, wat hij gezind
is van eeuwigheid voor hen te zijn, gelijk
het in hun heden zich vervuld heeft, krachtens Zijn aard. Er is dus te bedenken dat 'verwachting', in onderscheiding van 'verlangen',
een bepaalde en gevulde relatie onderhoudt; zij onderstelt niet
alleen de mogelijkheid maar ook de werkelijkheid der Openbaring;
echte verwachting is niet uitgeput met de grens-notie
‘nog niet', gelijk echte herinnering niet uitgeput is met de grens-notie ’niet meer'. [81] B. WEISS, Das
Johannes‑Evangelium, 207; BULTMANN, 221,6 (216,5); BARRETT,
258. J. MAUSBACH en G. ERMEKE, Katholische Moraltheologie 3,
598 citeert Jo 7,8 in een paragraaf getiteld: Die
Verheimlichung von Wahrheiten. Die restrictio mentalis.
[82] . K.H. MISKOTTE, o.c., 160: Alle ontdekken dat het verhaal léér is, en dat de leer 'anothen', van boven komt uit de orde der goddelijke waarheid.
We worden gaandeweg bevrijd uit de 19e-eeuwse waan, dat: a) het
verhaal ‘maar' een verhaal zou zijn en dat b) de leer zich laat
samenvatten in enkele hoofdbegrippen. Men leze op de aangegeven
plaats verder aangaande de leer. [83] Lezen
niet in het minst in de betekenis van aren
lezen. Zie eventueel Ruth 2,2. [84] De broers van hem zeiden dus tot hem (7,3) - want niet hadden de broers van hem vertrouwen
naar hem toe (7,5). De broers fungeren als onderwerp steeds
met betrekking tot Hem.
Daar staat tegenover: Zei
dus tot hen Jezus. Bij dit
zeggen verblijft hij in Galilea lijken de broers reeds vertrokken.
Jezus zelf is dan ook niet meer te vinden
in de tekst. Zijn naam is opgegaan in blijven, - in het verborgene. De lezer blijft alleen achter met de tekst. [85] SANDERS
en MASTIN, 98 bij Jo. 1,38 (waar verblijft Gij): The disciple
... meeting Christ, he is invited to see for himself where Christ
is staying, and stays with him. John XV,4ff. will at last make clear
that the place where Jesus 'stays' (the verb menoo is used in both
passages) is in the christian community, and that where the christian
'stays' is in Christ. Men dient zich hier evenwel af te vragen, of
niet niet te
veel bij ons en te weinig bij hem is gelezen. Waarom
zou Galilea (7,9) niet eerder in aanmerking komen dan de christian
community. [86] Zie ook
J. MOLONEY, From Cana; B. OLSSON, Structure. [87] Zie ook het water in 7,37. [88] Drie keer de volgende dag (1,29.35.43); op
de derde dag (2,1). Zie ook de afstand tussen de voorbereidingsdag (19,31) en de eerste
dag van de week (20,1). [89] Denk aan het duitse Ehr-furcht. [90] Vgl. doksa, kabood. [91] Met hetzelfde vrezen voor de Joden dient zich ook Jozef van Arimatea
aan, leerling in het verborgene. Het blijkt mogelijk, in het verborgene leerling te zijn. Ook de
leerlingen zijn verderop aan te treffen achter gesloten deuren,
uit vrees voor de Joden. Jezus zal dit
slot verbreken en in het midden gaan staan. Hetzelfde vrezen
treft de lezer ook aan bij de ouders van de mens blind uit geboorte (9,22) en Pilatus (19,8). In beide gevallen
wordt het verhaal helemaal losgelaten, neemt het zijn eigen gang.
Tegenover deze vrees staat de vrees
voor Jezus. Bij zijn lopen over het water blijkt hij vrees-aanjagend voorwerp. Maar de dochter van Sion
hoeft niet te vrezen, evenmin als de bange menigte die hem in het
schip had willen nemen. (12,15; 6,29). [92] HAENCHEN, 352. [93] In het Evangelie volgens Johannes alleen in
7,12.47. Zie evenwel ook Mt 24,4v en Mk 13,5. Zie C.J.
DEN HEYER, Exegetische methoden ...,
173v en de daar aangegeven literatuur. [94] Jezus en het volk
verkeren in dezelfde omstandigheden. De tekst geeft dit aan in 7,45‑49.
In 7,53‑8,11 vindt men, naar de wil van een oude traditie,
de uitwerking ervan in een konfrontatie
die (mis‑)lukt. [95] ALBERTUS MAGNUS,
o.c., 30. lam autem
die festo mediante,
ascendit Jesus in templum. Et ideo verificatur quod dicit supra, v.8: Ego non ascendo ad diem festum istum. RUPERT VON DEUTZ,
o.c., 423. Seht: jener, der - wie eben gesagt wurde -
nicht nach Judäa gehen wollte,weil die Juden ihm nach dem Leben
trachtteten, der dann doch hinaufging, aber gleichsam im Verborgenen
und nicht öffentlich, geht hinauf, nicht wenigstens mit verschlossenem
Munde im Schweigen gehüllt, sondern allgemein kenntlich an der erhabenen
Autorität seiner Lehre. [96] In 8,20 zit Jezus te leren in de Schatkamer.
De Vader heeft hem geleerd (8, 28). De Farizeeën weigeren
zich te laten leren door iemand die naar hun zeggen geheel en al
in zonde geboren is (9,34). Het woord leren blijkt in het grotere tekstgeheel van Johannes 7-10 nogal
eens aan de orde. In leren
en leer wordt alles definitief. De Geest zal alles leren en in herinnering
brengen (14,26). Alle
tijd heb ik geleerd in de synagoge en in het Heiligdom (18,20).
Het woord leer vindt men in 7,16v en 18,19. [97] Met betrekking tot het midden in het Evangelie volgens Johannes is 8,3 de enige uitzondering.
Jezus is daar gaan zitten. Hij leert. Dan
wordt de vrouw opgevoerd
en in het midden neergezet. [98] E. KITOV,
The Boek of our Heritage l, 155v.: In the Zohar it is written:' When the people of Israel leave their homes
and enter the sukah for the sake of God's Name, they achieve the
merit there of welcoming the Divine Presence and all the seven faithful
shepherds descend from Gan Eden, and come to the sukah as their
guests.' The seven guests are: Avraham, Itzchak, Ya'akov, Yosef,
Moshe, Aharon and David. These seven dwell with all Israel in their
sukot als seven days of the festival, except that each day, one
of them leads the others. Others place Moshe and Aharon before Yosef
and the order is as follows: The first day, Avraham Avinu enters
first, and all the others accompany him. The second day, Itzchak
Avinu enters first ... The third day, Ya'akov enters first ... The
fourth day, Moshe Rabenu ... The fifth day, Aharon Hacohen ... The
sixth day, Yosef Hatzadik ... The seventh day, Hoshana Raba, David
Hamelech enters first ... Gezien Johannes 7 geeft deze
tekst wellicht te denken: Ie dag Abraham (vgl
Jo 8), in het midden Mozes onze leraar (vgl
Johannes 7,14.19) en op de laatste dag David (vgl
Jo 7,42). [99] Vanuit 2,11 schrijft VAN DEN BUSSCHE, 160: De kritiek van Jezus geldt trouwens niet
enkel en in de eerste plaats de tempel, maar heel het Jodendom
met zijn privileges. Dat de tempel vijf maal op de 10 keer in Johannes
juist in de hoofdstukken 7‑10 vernoemd wordt, maakt de tempel
nog niet tot voorwerp van de rede.De tempel
is hoofdzakelijk de plaats waar de rede gehouden wordt. De auteur
wekt de indruk, voorbij te gaan aan Johannes 2,20. [100] Datzelfde initiatief legt de tekst in 5,14
ook bij Jezus neer. Hij vindt daar iemand over wie de lezer reeds
door de tekst is geïnformeerd. Jezus vindt hem werkelijk, na al
de 38 jaar. Ook (zie 7,21) dan is er verwondering. Dan, in 5,28, zoals nu (7,15). [101] BARRETT,
261 bij 7,14: In the temple
pre-eminently Jesus came to his own (1,11), and his own did not
recieve him. [102] Het gaat over de leer. Zij herkennen de Schriften.
Men mag dan bij 7,19 niet zeggen: ... a surprise. Moses appears
unexpectedly on the scene, zoals PANCARO, The Law and the Fourth Gospel,
131. [103] Het is niet eenvoudig, BULTMANN hier te volgen.
Zijn rekonstruktie van de tekst en het
daaraan gehechte belang, verplicht de lezers 7,14 aan te treffen
op p. 222, direct voorafgaande aan 7,25‑29 en 8,48‑50.54‑55
en 7, 30. De verwondering van de Joden geeft hij op
p.205. Die Juden weisen diese
Berufung auf
Mose als Anmassung zurück. BULTMANN meent de tekst zo gesplitst te kunnen
behandelen, omdat het gut griechisch
is. Niet geleerd hebbend geeft hij weer met: Er hat doch
niet studiert! Daarna worden de lezers verwezen naar 5,19.30.
BULTMANN heeft dit alles geordend onder het hoofdstuk: Openbaring
als krisis, binnen het grotere geheel: de rechter. Hij
presenteert zijn Jezus van 5,19.30 als Offenbahrer
der eschatologische Richter. Zie BARRETT, 261. [104] Tegen VAN DEN BUSSCHE,
160: … in de tempel ... Het motief van de verwondering ligt daar
voor de hand: hoe kan die man de Schriften kennen zonder gestudeerd
te hebben? Want persoonlijke studie volstaat niet, zij moet gewaarborgd
zijn door de leiding van de wetsleraars
(3,10). Jezus heeft evenmin als de apostelen
(4,13) technische schriftstudies gedaan. Niettemin kan hij reeds
de gediplomeerde wetsleraar Nicodemus
schaakmat zetten, omdat hij niet langs de Schrift om, maar door
rechtstreeks zien en horen van de vader vernam en zegde (3,12).
In antwoord op de Joden zal hij zijn onder richt, dat rechtstreeks
van God komt, stellen tegenover de Schrift. Het lijkt minstens
de vraag of de tegenstelling zo eenvoudig of waar is. Dit commentaar
gaat snel aan de tekst voorbij (vgl 7,24). [105] Wellicht staan zij hier op een andere wijze
dan Jezus ter sprake heeft gebracht in 6,45: Ieder die het van
de Vader gehoord heeft en leert, komt tot Mij. Zij komen in
7,14 tot Jezus, maar blijven op de afstand van het hoe? (7,15). [106] I. DE LA POTTERIE,
42: ... pour saint Jean, le
verbe lalein a une valeur spéciale ...
appliqué à la communication ou à la transmissi
on d'une parole révélée ...
Op dezelfde pagina noteert de auteur dat 7,13
op deze constante betekenis een uitzondering is (samen met 8,44.44;
9,21). Bij 7,13 tekent hij in het bijzonder
aan: C'
est la foule qui 'parle,' mais au sujet du Christ ... [107] AUGUSTINUS,
In Ioan. XXIX,3 ... mea
non mea ... In pricipio erat Verbum ... Quae est ergo doctrina Patris,
si Verbum Patris. Sed quia Verbum non potest esse nullius, sed alicuius,
et suam doctrinam dixit, seipsum, et non suam, quia Patris est Verbum. [108] Doen/Horen, vgl
Ex 24,7. W. ZUIDEMA, Gods Partner, 165: Ook in psalm 103,20 komt het doen eerst en dan het horen, maar hier wordt
het van de engelen gezegd. Vandaar dat Rabbi Ellazar
dit 'het geheim van de engelen' noemt. Ook hier zien we dus dat
er verbanden worden gelegd vanuit een bepaalde overtuiging. In dit
geval de overtuiging dat het in de dienst van God allereerst gaat
om het 'doen', zo zelfs dat in overdrijving gezegd kan worden 'eerst
doen en dan luisteren'. En inderdaad staat in Ex 24,7:,Naäsèh
we-Nisjma, wij zullen doen en luisteren. [109] I. DE LA POTTERIE,
988: ... bref, Jésus est véridique,
parce qu'il proclame la vérité, c'est-à-dire
sa révélation; il est véridique comme celui qui ne parle pas af'heautou (v.18), mais dont tout enseignement est 'ek tou theou' (v.17). [110] U.C. VON
WAHLDE, The Witnesses to Jesus in John 5,31‑40, 392
n26: Of crucial importance is the fact, that Jesus does not seek
his own glory. This is a corollary of his speaking the words of
the Father and of doing the works and wili of the Father. Because
of this, the words of Jesus are purely and simply the words of the
Father. [111] Eigen eer zoeken
‑ onrecht ‑ eventueel aanklager: Hoe kunnen jullie
vertrouwen, gewicht van elkaar nemend en het gewicht van de ene
God zoeken jullie niet. Meent niet, dat Ik jullie zal aanklagen
bij de vader. Er is iemand die jullie aanklaagt bij de Vader: Mozes.
Jo 5,44‑55. |