3.7 Mozes en de mens op Sjabbath (7,19-23)As time passes by, authority and the question
of the authority is becoming increasingly important. The urging on
questions of authority underlines the growing unsolvability of the
problem that authoriity can be. Jezus says: questions on auttority
can only be solved by doing what you have to do: the Tora, Mozes.
Circumcision is permitted on Sjabbath. So the healing of a man should
be permitted on sjabbath. It is according
to Mozes. Aan
de orde: het doen van dat wat Degene die zendt wel behaagt, Gods welbehagen.
Zal de tekst dan niet de naam Mozes moeten noemen? Al
vrij snel na het begin brengt het Johannes-evangelie de Schrift
ter sprake. Dat gebeurt expliciet voor het eerst in 2,22. Daar gaat
het over het Lichaam (Heiligdom) na de opwekking uit
de doden. De leerlingen herinneren zich. Zij vertrouwen de Schrift
en het Woord dat Jezus zegt[116].
De tekst geeft het woord voor het laatst in 20,9: Want nog niet kennen zij de Schrift, dat hij moet opstaan uit de doden
… Drie
keer noemt de tekst in dit gedeelte de naam van Mozes. Johannes
maakt deze naam voor het eerst zichtbaar in 1,17,
samen met de naam van Jezus. Veel commentaren blijken 1,17
als een tegenstelling te lezen. Want
de Tora is door Mozes gegeven, de genegenheid en de waarheid is door
Jezus geschied. Toch is het niet noodzakelijk deze tegenstelling
hier te lezen[120].
De regel staat en steunt op de traditie. Kan het in de Schrift anders?
Mozes
en Jezus naast elkaar[123].
Tussen hen is geen schisma, geen scheiding. Wel een onderscheid,
een volgorde, een continuïteit, een weg. Zie Philippus en Nathanael
(1,45vv). Mozes schrijft over Jezus (5,46). Voor Johannes staat dit
vast. Daarom is Mozes ook de aanklager (5,45). Maar: om het scherp
te formuleren: Mozes is niet Mozes vanwege Mozes in een korte weg
van identiteit of identificatie met zichzelf. Daar hoort een omweg
bij.
De vraag “Waarom zoeken jullie Mij te doden” weerklinkt, wordt gesteld en is te stellen, zolang Johannes blijft (vgl 21,22v). Wat er aanvankelijk ook functioneert als achtergrond voor het Loofhuttenfeest, de tekst smeedt het in Jezus’ spreken om tot een onontkoombare, blijvende vraag: Waarom zoeken jullie Mij te doden?
In 7,18v geeft de tekst een drieluik op zoeken. A.
De uit zichzelf sprekende zoekt zijn eigen gewicht. B.
De zoekende het gewicht van Degene die hem zendt is betrouwbaar en
onrecht is niet in hem. C.
Wat zoeken jullie Mij te doden? In
de zijpanelen A en C vindt men hetgeen tegenover
B staat, het onderwerp van het Evangelie. Links en rechts ziet men
het zoeken te doden (C) en het zoeken van het eigen gewicht
(A). In het midden (B) staat Degene Die niet Zijn eigen gewicht
zoekt en Die niet zoekt te doden (vgl 8,37). In het midden
staat Jezus, de betrouwbare, in Wie geen onrecht is. Alleen
hier (7,18) zet Johannes dit woord in. De drie regels maken duidelijk,
wat het zoeken van het eigen gewicht, de eigen eer, betekent. Drie
regels lijken ook duidelijk te maken wat de prijs daarvan is. Daarop
geeft de tekst de menigte weer het woord. Eerder droeg de menigte
twee meningen aan. Goed stond tegenover of naast misleiden.
Daar komt de tekst niet op terug. Nu Jezus alle aandacht richt op
de Vader, op Diens gewicht en op de betrouwbaarheid van degene die
"doet zoals de Vader hem zendt", nu worden Mozes en de
Tora geplaatst naast of tegenover Waarom zoeken jullie mij
te doden? Nu pas zegt de menigte ondubbelzinnig:
Jij hebt een demon[126].
beschrijving/description
Jullie zijn op mij kwaad omdat ik heel een mens gezond
maak (23). Eén
werk maak ik. Ik maak heel de mens gezond. Het gaat over het éne werk:
heel de mens gezond[127].
Johannes 5 vertelt dat verhaal. Het zal uitlopen in de typische verhouding
tussen de Vader en de Zoon. Daar tekent het begin van de catastrofe
zich af. Zij zoeken hem daar om hem te doden. Maar de Zoon
kan niet anders dan wat hij de Vader ziet doen (5,19.30). Hij zoekt
niet zijn eigen welbehagen, maar het welbehagen van Degene die hem
zendt (5,30). Daar is de getuigenis van de
Vader, daar zoekt Jezus de doksa, het gewicht van de Vader.
De
mens en de Sjabbath
fungeren in 7,22-23 als keerwoorden. Twee keer is in het voorafgaande
nomos/tora/wet gevallen. Nogmaals zal de Tora genoemd worden,
in het kader van de besnijdenis van een mens op Sjabbath.
Tijdens de herhaling van het werkwoord maken[131] gaan de mensen
die in Judea thuis zijn van verwondering over tot woede. Mozes heeft jullie de besnijdenis gegeven. Niet dat deze
uit Mozes is, maar uit de Vaderen. En op Sjabbath
besnijden jullie een mens. Als een mens besnijdenis neemt op Sjabbath opdat niet geschonden wordt de Tora van Mozes, op
Mij worden jullie kwaad omdat ik een heel mens gezond maak op Sjabbath(21-23). De
tekst vertoont een structuur, karakter, compositie. In drieën. Het
eerste wat daarin naar voren komt is Mozes, zijn belang, zijn
gave. Mozes staat absoluut. Aan zijn betekenis en rol kan men niet
tornen. Volgens meerdere commentaren moeten de Joden zich nu gewonnen geven. Jezus gaat immers van de kleine zaak over naar de grote[133]. Toch is het de vraag, of het oordeel dat daaruit spreekt, de toets van de kritiek kan doorstaan. Dit oordeel zou een oordeel op zicht kunnen zijn, een oordeel dat op zien is gebaseerd. Maar geldt er voor een oordeel geen ander criterium dan wat de ogen (willen of kunnen) zien. Jezus volgens Johannes zal daarover iets zeggen, uiterst geserreerd[134].
3.8 Oordeelt het rechtvaardige oordeel (7,24-27)From hidden to openly. Who is He? Is he good?
Is he a fraud? How does He know the Tora? Where is He from? No opinion,
only the law, the Tora offers the justification of a judgement. Binnen de geleding van de tekst door middel van de kort na elkaar drie keer terug kerende woorden springt 7,24 er uit: Oordeelt
niet op zicht maar oordeelt het rechtvaardige oordeel. Deze
zin is kernachtig en explosief, spitst de problematiek toe, brengt
hem to the point. Alle
pogingen om Jezus onder de macht van een woord te krijgen tot nu toe
vat de tekst samen onder de noemer een
oordeel, zelfs een oordeel op
zicht, volgens het gelaat[135]. Het alternatief,
het rechtvaardige oordeel, reikt Johannes aan in een chiasme. Een
vertaling in de griekse volgorde der woorden
laat dat zien: Oordeelt – niet op zicht – maar het rechtvaardige
oordeel – oordeelt. Jezus pleit voor een oordeel dat de Tora bewaart. Daarom heeft
hij een heel mens gezond gemaakt op Sjabbath.
Niet tegenover Mozes, maar volgens Mozes[138],
volgens Degene die hem gezonden heeft, Diens gewicht en eer zoekend
door Zijn welbehagen te doen. Tot deze conclusie leidt de tekst midden
op het feest, wanneer Jezus opgegaan is naar het Heiligdom. Het
lijkt er op dat een rechtvaardig oordeel als eerste verwacht mag worden
van Jerusalem. Daar staan de zetels van het gericht (Ps 122,5).
Zo komen de bewoners van Jerusalem als volgende groep in de
tekst. Het keerwoord in 25-27 is hij. Zij staan als het ware om hem heen/ hij staat centraal.
Hij is de enige met wie zij zich bezig houden.
beschrijving/description
Zeiden dus sommigen uit de bewoners van Jerusalem: is
niet Deze Wien zij zoeken te doden! En zie: hij spreekt openlijk en
niets zeggen ze Hem! Toch niet in waarheid kennen de oversten dat
deze is de messias!" Volgens sommigen van de mensen van Jerusalem kan Jezus alleen maar openlijk spreken wanneer erkend is, dat hij de Christus is[139]. Degenen die zo spreken zijn het met elkaar eens. De tekst gaat dit akkoord gebruiken als beginsituatie. Het wordt het uitgangspunt voor een dissonant. Maar van Deze weten wij, vanwaar hij is! Maar van de Christus, wanneer hij komt, niemand weet vanwaar hij is. Daarop vervolgt de tekst: Riep dus in het Heiligdom lerend Jezus en zeggend ... (7,28v) . Dan geeft de tekst drie keer pothen/vanwaar. Dat komt overeen met het drievoudige Déze. In: Is niet deze ... en zie ... toch niet ... scharen zij drievoudig het gelijk aan hun zijde. Een oordeel wordt uitgesproken. Een oordeel op zicht (24). Jerusalem
is de plaats bij uitstek die weet van Mozes en de Profeten. Vanaf
het begin van het Johannes-evangelie treedt Jerusalem Jezus tegemoet
met vragen waaruit een vermoeden spreekt. Achtendertig
jaar is, behalve mogelijk resultaat van een optelling, ook bekend
als een getal uit de Tora[142]. Het kan de herinnering
terugroepen naar de tijd in de woestijn[143]
en het getuigenis over het land (Jozua, Kalev). De gespannen sfeer in het Jerusalem van het vierde evangelie wordt niet veroorzaakt door kissebissen om trivialiteiten. Alles is ingezet. Het komt er op aan. Loofhuttenfeest heet in het grieks skenopègia, het opzetten van de Tent. De tegenstand die mensen in de Schrift vermogen op te brengen, is niet gedateerd. Die tegenstand is niet te beperken tot wat 'toentertijd ongelukkigerwijze toevallig in Jerusalem door de verblinding van leidslieden die de touwtjes van het gezag niet wilden prijsgeven' is gebeurd. De
literatuur over het Johannes-evangelie veronderstelt in
het algemeen, dat dit evangelie als laatste ontstaan is. Daardoor
zou het ook 'meer grieks en gnostisch' zijn.
Daardoor heeft het dan ook meer belangstelling voor Galilea. Daardoor
weet het ook van 'Samaritanen en hun tradities'. Zodoende is het meer
'regionaal palestijns' en 'minder orthodoks rabbijns', enz. Jezus blijkt in Jerusalem vrijuit te spreken. De tekst stelt
dit vast. Sommigen van de bewoners van Jerusalem plaatsen daar een
kanttekening bij. Toch niet in waarheid! Het bijvoeglijk naamwoord
dat Jezus eerder toekende aan degene die het gewicht zoekt van
Degene die hem zendt keert hier als bijwoord weer. In 7,18 wordt
er iets ten overvloede aan toegevoegd wat nu een kleinnood
blijkt: En onrecht is niet in hem. De antithese alla/maar
maakt kat'opsin/op zicht, tot het tegenovergestelde
van dikaios/rechtvaardig/bewarend.
De waarheid die Jezus verbindt met het doen van Gods welbehagen
(het doen van Zijn Wil), brengen de bewoners van Jerusalem
tot een uitspraak over het kennen van de leidenden.
Toch niet. Zo voorzichtig als de insinuatie is (26) – voor
hen kan dit inzicht geen verleiding (12 en 47) zijn. Tenzij. Maar! Sommigen
uit de bewoners van Jerusalem zijn woordelijk tegenover hem gaan staan.
Zij vertolken de tegenpartij. Zo wordt Hij (Jezus) in dit gedeelte
van de tekst centraal gesteld. Volgens sommigen van degenen die in Jerusalem thuis zijn kan Jezus
de Gezalfde niet zijn in de ogen van de leidenden.
Maar van Deze weten wij vanwaar hij is; de Gezalfde echter,
wanneer hij komt, niemand weet vanwaar. Zij kunnen dit evenwel niet weten vanuit het evangelie. Zij maken hun eigen weten tot norm voor de leidenden. Jezus zal daarop gaan schreeuwen. De
tekst is aangekomen op de plaats waar eerder Jezus naar opgegaan
was, in het Heiligdom (7,14.28). Intussen is de beweging gemaakt
van in het verborgene (10) naar openlijk (26) - als
ware zijn tijd vervuld. Daar is in het verborgene (14) de heimelijke
vraag Hoe kent deze de Schriften? als
waren zij de leerlingen van 2,17.22, met de Schrift in de hand. 3.9 Hij is heeft Mij gezonden (7,28-31)John 7 never says: Jezus went to or came in Jerusalem.
John sees the relation between Jesus and Jerusalem as a mission Voorbehoud
wordt gemaakt: toch niet … want … vanwaar. Daarop schreeuwt
dus in het Heiligdom lerend Jezus en zeggend: En Mij kennen jullie
en jullie weten vanwaar Ik ben ... (28) Jezus schreeuwt
niet verontwaardigd of afwijzend. Hij schreeuwt lerend en zeggend.
De woorden van sommige mensen uit Jerusalem neemt hij over
om vervolgens hun woorden te oriënteren naar de Enige die in de wereld
van de Schrift beslissend is: Hij die is. De tekst van Jezus' woorden
is geschreven in een hechte en heldere structuur, een argument in
drieën. A. En mij kennen jullie en jullie weten vanwaar ik ben en vanuit mijzelf ben ik niet gekomen. B. Maar het is de Waarachtige de Mij gezonden hebbende Wien jullie niet
kennen. C. Ik ken hem ‑ omdat van de kant van hem Ik ben en hij Mij heeft hij gezonden. Jezus zegt: En Mij kennen jullie en jullie kennen vanwaar. Twee keer het woord kennen. De derde keer geeft de tekst evenwel: niet kennen: Wien jullie niet kennen. De Waarachtige Die mij zendt, Hem kennen zij niet. Tegenover dit niet kennen van hun staat Zijn Ik ken Hem. De notitie heeft niet veel ruimte nodig. Drie woorden: Ik ken hem. Vanwaar herhaalt hun dubbele vanwaar. Aan Jezus' vanwaar echter ligt geen vanuit mijzelf ten grondslag. Vanuit zichzelf is Jezus geen spreker (18). Vanaf 7,4 is de tekst aan het werk om dit te verduidelijken. Jezus is niet als iemand die zijn eigen gewicht zoekt. Hij zoekt het gewicht van Degene die hem zendt (18). Als hij 'vanuit zichzelf' zou komen, dan zou hij komen overeenkomstig de visie van de broers. Maar zo komt Jezus niet. In Johannes 7 is Jezus geen onderwerp van komen. Wanneer Jezus in Johannes 7 toch in Jerusalem blijkt te zijn, dan beschrijft de tekst dit niet in termen van komen. Met betrekking tot Jezus en Jerusalem spreekt Johannes in termen van zenden, gezonden worden. En dáár is het probleem. Zij kennen Degene die zendt niet ‑ volgens de tekst. In
deel A en C van de boven aangegeven driedeling gaat het in de tekst
over degene die zichzelf Ik noemt. Voordat
de tekst dit egoo/ik, openlijk neerschrijft
heeft de lezer de betreffende eerste persoon
enkelvoud van het persoonlijk voornaamwoord 2 keer in de 4e naamval
gelezen, de accusativus[147].
Daarna gaat Ik als 'subject' op in
de vorm van het werkwoord, en wel in het negatief: ik ben niet
gekomen. Op deze manier maakt de tekst plaats vrij voor een Ander,
voor Iemand Die in deze geschiedenis niet buiten spel mag blijven,
mag, kan en zal blijven. Het is de Waarachtige Die Mij zendt.
Voor de derde keer me, mij, 'lijdend voorwerp'. Pas dan staat
er voluit en zonder reserve egoo/ik. Ik … ben en
hij zendt Mij. Woorden hebben steeds ook iets als een verleden. Zij kunnen een erfenis meebrengen. Zij bergen in ieder geval in zich het vermogen van associatie of herinnering. Zij kunnen zelfs herinnering ophalen aan de eigenlijke oorsprong van alle (bijbelse) verhalen: Ik ben de zijnde ... de zijnde zendt Mij naar jullie zo zou men Exodus 3,14 in de versie van de Septuaginta woordelijk kunnen weergeven. Nu, bij Johannes, staat er Ik ben. Tussen Ik en ben staat het geheim van de tekst: (Ik) ken Hem , dat ik van de
kant van Hem (ben), en Hij heeft mij gezonden. (v.29) De Waarachtige die mij zendt (vgl Jes 6,9). Tot
een misverstand leidt deze zin niet. Er komt nu duidelijk oppositie.
Duidelijk blijkt, dat de woorden van Jezus hun betoog niet kunnen
interrumperen. Wanneer Jezus zijn woorden van 3 keer 3 zinsdelen beëindigt
met En Hij zendt Mij, dan willen hun handen uitschieten. Hun
tijd is alle tijd. Ook dat is de tijding van dit verhaal. Maar of
Zijn tijd gekomen is? 3.10 Dienaren gezonden (7,32)
Zal de Christus wanneer hij komt, soms meer tekenen doen
dan hij doet! Kan het woord Christus de identiteit van Jezus vaststellen zonder zijn naam te noemen? In 7,31 blijkt dat nog beeld nog steeds te hangen. Het is het nog niet geklaard. In tegenstelling tot de broers hebben nu velen uit de menigte vertrouwen in Hem. Velen uit de menigte sluiten zich aan bij de uitspraak hij is goed. Tijdens het midden van het feest vertolken sommigen uit de menigte die opinie (12). Daar wordt dan misleiden tegenover gezet. Hoe zal nu de reactie zijn? De tekst zet nu de Farizeeën in als onderwerp. Zij horen. Ze horen het spreken vol vertrouwen van de menigte over Jezus. Het vertrouwen van velen uit de menige noemen zij morren. Met dit woord op de lippen komen zij Johannes 7 binnen. Het zal de vraag blijken, of zij al horende, verstaan of niet verstaan[148].
De
menigte is bezig met morren. Johannes heeft hen opvallend in
de tekst gezet. Eerst (v.12) speelt dit morren zich als het
ware in het verborgene af. Meningen worden tegenover elkaar gezet:
sommigen ... anderen. Twee groepen. Zij etaleren het wikken
en wegen van twee open handen. Hij is goed tegenover hij
misleidt de menigte. Dát dilemma is er nu niet meer. Na
sommigen/anderen (12) zijn er nu velen uit de menigte
(31). Men kan de mensen vragenderwijs aanwijzen: "Hij ook? Zij
ook? Jij ook?" Voorlopig is/wordt er niemand uitgesloten. Geen
andere mening vindt vertolking. Velen is voldoende. In alle
terughoudendheid (Wanneer ... zal soms) is een zeker vertrouwen
ontstaan. In de tekst kan men nauwelijks dichter bij Jezus komen.
Men zou hem Zijn woord willen gunnen. Leerlingen zijn op komst. Hoorders?[149] In
7,37 zal de lezer(es) een nieuwe markering aantreffen van de tijd.
Door dit alles mag men verwachten in de buurt van een zeker
einde, een nieuwe afsluiting te komen. Woorden komen terug. Het
derde woord dat in 7,30-32 terug komt is apostelloo/wegzenden.
De herinnering die dit woord meebrengt is kort maar beslissend. Ze
zal namelijk doorslaggevend worden in heel het evangelie. Zoals
de Vader Mij gezonden heeft ... (20,21). Het woord apostelloo/wegzenden, wijst op een proces van vertegenwoordiging. Gezondenen tegenover de Gezondene[153]. De tekst bemiddelt tussen Jerusalem en Degene die bij de Jordaan zichtbaar wordt. Johannes merkt hem op. De tekst bemiddelt ook tussen de lezers van het verhaal van Johannes en dat wat Johannes, dit evangelie, te vertellen heeft.
Dienaren worden gezonden. Hun missie heeft, gezien degenen die zenden, een kanonieke schijn gekregen. Dienaren zijn gezonden, op weg gezet. 3.11 Ik ben - nog korte tijd (7,33-36)
De farizeeën en de overpriesters zenden dienaren. Zegt dus Jezus (33). Er staat niet: zegt dus Jezus tot hen. Johannes laat Jezus wachten totdat de dienaren gezonden zijn. Zij hebben de opdracht hem te grijpen. Pas wanner zij daartoe uitgestuurd zijn begint Jezus (ουn/dus) te spreken. Wat heeft Johannes tot nu toe blijkbaar gereserveerd? Wat heeft het komende fragment te melden? Wat zal Jezus zeggen, nu handen onderweg zijn, gestuurd om hem te grijpen? Zojuist
is in 7,32 voor het eerst het woord akouoo/horen,
gevallen. Het is de directe aanleiding om tot zenden over te gaan.
Wat wordt nu te horen gegeven? Hoe
zal Jezus dit (alles) invullen, nu wij de adem inhouden gegeven
wat komen gaat? Weet Hij dat er dienaren gezonden zijn om hem te grijpen?
Zal hij Zijn woorden wegen en wagen? Straks zullen deze gezondenen
om te grijpen terug komen. Ze zullen niet terugkomen met Hem,
niet met wat ze gehoord hebben of Wie ze gehoord hebben. Ze zullen
terugkomen met hoe ze gehoord hebben. Nog korte tijd ben Ik te midden van jullie en Ik ga heen
naar de Mij gezonden hebbende. Jullie zullen Mij zoeken en jullie
zullen Mij niet vinden, en waar ik ben kunnen jullie niet komen (7,33-34). Zeer nadrukkelijk zet het grieks ik en jullie tegenover elkaar.
Waarheen
leidt het zoeken van v. 34? Wie de hier aangeboden wijze van lezen
volgt zal opmerken, dat zoeken (nadat de dienaren gezonden
zijn) op een wonderlijke wijze alleen staat. De beide sporen blijven
bestaan Zij komen samen in het object van zoeken, namelijk in Mij.
Het
moet de lezer opvallen, dat 'de plaats' bij het begin
van het Johannes-evangelie op een geheel andere wijze aan de orde
gesteld is. De twee leerlingen van Johannes gaan daar in op de vraag
van Jezus: Wat zoeken jullie? Zij zeggen: Rabbi, waar verblijf
je? Ze gaan dan mee en zien waar hij verblijft (1,38v).
Een plaats wordt daar geviseerd.
De
plaats is van eminent belang. Dat is ook
eerder gebleken in het Johannes-evangelie[156].
In 7,33-34 is daarom[157]
Ik ben zorgvuldig in de tekst neergezet. En hetgeen
geschreven staat in 34, waar Ik ben is verrassend. Het staat
er niet als een futurum, iets formulerend wat ooit eens zal zijn.
Niet: "waar Ik zal zijn". De plaats waar Ik ben is
niet een nu nog te bereiken plaats[158].
Wat dat betreft heeft de tekst hier dezelfde zeggingskracht als in
Debarim/Deuteronomium 5,3: Niet met onze Vaderen heeft
de Heer dit verbond gesloten, maar met ons, wij die hier heden
allen leven. "Waar ik ben kunnen jullie niet komen"
is een uitzonderlijke plaats[159].
Het is bekend, dat Mozes als uitzondering daar wel kan komen. Voor
hem is die plaats in Sjemoth/Exodus 3,5.
Waar ik ben is ook de plaats waar het Evangelie zijn lezers mee confronteert. Ook al lijken 7,34 en 35 op elkaar en vormen zij een parallel op "niet
vinden", zij zijn verschillend. De reagerende Joden
blijken geen boodschap te hebben aan nog,
korte tijd. De spanne tijds die men
in het Evangelie heeft, de weg en het einddoel, slaan zij over. Wat
zij hadden kunnen horen vertalen zij naar hetgeen
zij gehoord hebben. Zij (wij) zien niet, horen niet, hoe hij in hun
midden aanwezig is en uit hun midden verdwijnt. Zij brengen de diaspora
der Hellenen in. Onbegrip, dat lijkt zeker, maar waarom heeft Johannes
dit zo precies beschreven? SCHLATTER peinst naar aanleiding van 7,33-36
over de gang van zaken, zoals deze zich later ontwikkelt: Den Spott,
Jesus werde sich wohl an die Griechen halten, erwähnt Johannes schwerlich,
ohne an den späteren Gang der Kirche zu denken: in der Tat wurde die
Botschaft Jesu draussen den Griechen verkündigt und Jesus von ihnen
gefunden, während Israel den Weg zu ihm nicht fand. Damals ahnte es
freilich nicht, welche ernste Wahrheit in seinem Spott lag.[164]
3.12 Om van te drinken (7,37-39)De tekst neemt de draad van het feest weer op. Na dichtbij was (7,2) en midden op het feest (7,14) nu: Op de laatste
dag, de grote van het feest
(7,37). Het
verdient de voorkeur bij uitgaven van de tekst, in 7,37 niet met een
nieuwe alinea te beginnen. De tekst vervolgt het
direct voorafgaande, geeft er de opeenvolging van aan: opgaan
(10.14), leren (1.4) en
staan (37). Op de laatste dag, de grote van het feest, stond Jezus
en hij schreeuwde
zeggend: wanneer iemand dorst heeft ... (v. 37) Op
een opvallende en omstandige wijze is deze dag aangegeven. Twee bijvoeglijke
naamwoorden figureren er. Daarna horen de lezers waarom. Na
omstandig aangegeven te hebben, om welke dag het hier gaat (de laatste,
de grote dag van het feest), blijkt Jezus uitgerekend op die dag te
staan. Men mag niet verheimelijken, dat het tot 20,14 zal duren, voordat
Jezus weer staat. En ook daar gaat het om informatie aan de lezers:
... draaide zij zich om naar achteren, en zij zag Jezus staande,
en zij wist niet dat het Jezus was. De lezer daar ter plaatse
in de tekst weet reeds, wat zij ziet en niet kan zien of weten. Wie
leest heeft reeds gehoord, heeft steeds een bevoorrechte positie.
Zij of hij kan elk moment meer weten dan degene over wie men leest.
En daarna, na 20,14 gaat Jezus in het midden staan en hoort men het
dubbel geladen vrede op jullie, een opdracht die een wens,
een wens die een opdracht inhoudt. In 7,28 schreeuwt Jezus in het Heiligdom lerend. De opgeroepen spanning vindt als eindpunt in 28: Degene Die Mij gezonden heeft. In 12,44 zal Jezus schreeuwen, dat wie hem hoort, niet hem hoort, maar Degene die hem gezonden heeft. Deze verwijzing naar Degene Die hem gezonden heeft is er nu niet. De tekst zal aanreiken: Wanneer iemand
dorst heeft, hij kome naar Mij en drinke ...(7,38). Jezus' schreeuwen in 12,44 vindt plaats voor Pesach. Tijdens het feest van het Oprichten van de Tent schreeuwt Jezus twee keer[171]. Nog steeds bevinden de lezers zich met deze tekst in het Heiligdom. Daarheen is Jezus in 7,10.14 opgegaan. In 7,14 leert hij; in 7,28 schreeuwt hij lerend. Alle aandacht is dan ook gericht op Degene Die gezonden heeft. De laatste dag sluit aan bij hetgeen in Johannes 6 aan de orde is geweest. Het is de dag van Gods welbehagen (6,38.39.40),
de dag van opwekking (6,39.40.44.54).
De Vader brengt de mensen naar
de Zoon (6,44). Alleen de
Vaderen, in 7,22 genoemd, kunnen de gedachten doen gaan naar de Vader. De Vader of Zijn Naam is volstrekt
afwezig op dit Loofhuttenfeest, tenzij via de naam van de Zoon. Deze
laatste dag is ook de grote dag. Vijf zinnen, vijf verhalen kan
het woord groot meenemen.
Het verhaal van de grote storm (6,18), de grote schreeuw: Lazarus eruit! (11,43), het verhaal van de grote
Sjabbath (19,31) en het verhaal van de grote vissen op het
eind (21,11). Het nu volgende verhaal, aangekondigd onder het
opschrift de laatste dag van het feest,de grote, staat daarmee onder de belichting van Jezus’
dood en verrijzenis. In dat licht mag het niet toevallig heten, dat
Jezus staat[173]. Commentaren
discussiëren over de vraag, of dit de 7e of 8e dag van het feest was[174].
Hoe interessant een discussie daarover ook zou kunnen zijn, de tekst
laat er zich op geen enkele wijze over uit. Elke opmerking van daaromtrent
is derhalve buiten de orde. Buiten de aanwijzingen in de laatste
en grote kan de tekst niet gelezen worden – heeft hij geen plaats
en/of tijd, ook wanneer daardoor, een naïef-realistische
lezing bemoeilijkt wordt. Wat Jezus zeggend schreeuwt heeft aanleiding gegeven tot een overstelpend grote hoeveelheid literatuur. Wanneer iemand
dorst heeft, laat hij komen naar Mij en drinken. De vertrouwende op
Mij toe zoals de Schrift zegt, rivieren uit zijn buik zullen stromen
van levend water (7,37-38).
De
interpunctie evenals de lezing van deze regels zijn steeds weer aanleiding
gebleken tot veel problemen[175]. Kortom:
de tekst blijkt geen eenvoudige zaak. Vast staat, dat Jezus zichzelf
tot een drinkplaats maakt van water dat leeft, waar men van leven
kan. Men kan tot hem komen en drinken. Dan volgt een verklaring of
gevolg. Wie dorst heeft kan naar hem toekomen. Laat
hij komen en drinken. Wat zou er verkeerd zijn wanneer men er het
Johannes-evangelie als context uitdrukkelijk bij haalt? Jezus antwoordde en zei haar: ieder die drinkt van dit water
zal weer dorst krijgen. Maar wanneer iemand drinkt uit het water dat
Ik hem geven zal, geschieden zal in hem een bron van water, opspringend
ten leven ... Heer, geef mij dit water, opdat ik niet meer dorst zal
krijgen ... (4,13-14). Want
nooit meer krijgt de "op mij toe vertrouwende”(6,35) dorst. Nieuw
is het thema van dorst hebben in het Evangelie volgens Johannes
niet. Vanaf de bruiloft te Kana is er reeds het gebrek, gaat de dorst
verder dan het drinken kan, tenzij Zijn interventie, zijn "peetschap"
over deze tot mislukking gedoemde bruiloft. De dorst zal leiden tot
de voltooiing van 19,28-30, op de "grote dag". Wie op de
aangegeven plaats leest, hoort van Zijn dorst daar. In
7,37 neemt Jezus zelf het initiatief. Zijn spreken en de aankondiging
ervan is zonder oun,"dus". We woren
niet verplicht het te lezen het primair aanknopend aan het voorafgaande
– voor het eerst in Johannes 7. Hij staat en schreeuwt!
Zijn daar oren voor? Zijn opzet, wat hij wil – binnen de tekst wekt
het niet de indruk duidelijk te zijn. Wie dorst heeft, hij kome
en drinke. De Schrift wordt hier uitdrukkelijk bij gehaald. Nu, in 7,37 wordt het enkelvoud, de Schrift genoemd. De Schrif" blijkt in het Evangelie volgens Johannes steeds te functioneren bij het lichaam van Jezus[187]. Daarmee begint de tekst in Jerusalem, bij het Heiligdom van het Lichaam, dat het lichaam is. Daar herinneren de leerlingen zich. De Schrift en het Woord van Jezus (2,22) worden object van vertrouwen. De Schrift wordt voor het laatst genoemd in 20,9: "Want zij kenden nog niet de Schrift, dat hij uit de doden zou opstaan." Het lichaam, het Heiligdom, de Opstanding. Aldus zet "Schrift" het Woord in het Vlees, maakt het Woord geschiedenis (1,14). De vertrouwende op Mij toe zoals de Schrift zegt, rivieren
uit zijn buik zullen stromen van levend water. Boven is reeds gewezen op het probleem rond de vertrouwende naar Mij. Sommige commentaren trekken het bij het voorafgaande. De zin wordt dan zoiets als: "Wanneer iemand dorst heeft, hij kome naar Mij de vertrouwende op Mij toe." Anderen willen het bij het volgende trekken. Dat levert op: "De vertrouwende op Mij toe ... rivieren uit zijn buik zullen stromen." De functie van zoals de Schrift zegt speelt in deze problematiek volop. Men stelt veilig of weert af: "de vertrouwende op Mij toe ‑ zoals de Schrift zegt: rivieren van ... " Ook SCHLATTER gaat voorbij aan het feit, dat in de tekst kathoos/zoals, staat[188]. Hij wijst enkel naar de soms nogal vrije wijze waarop de Joodse traditie bijvoorbeeld in Tanchuma en Pesikta, de Schrift citeert. Waarom zou kathoos/zoals, perse het volgende moeten aankondigen en moeten functioneren in de spanning van hetgeen komen gaat? Waarom zou degene die deze tekst leest zijn stem niet kunnen geven aan: De op Mij toe vertrouwende zoals de Schrift zegt? Wie naar Mij toekomt in het vertrouwen van de Schrift, op de wijze waarop de Schrift dit vertrouwen beschrijft. Vanuit de plaatsen waar kathoos/zoals, in het Evangelie van Johannes voorkomt[189] kan men goed proberen, zoals terug te laten slaan op het voorafgaande werkwoord[190]. De tekst wint daardoor aan eenvoud, is minder gecompliceerd geworden[191]. De naar Mij
toe vertrouwende op de wijze waarop de Schrift dit zegt. Tot nu is pisteuoo/vertrouwen, in het 7e hoofdstuk alleen toegeschreven aan de velen uit de menigte (7,31). Het initiatief of de poging daartoe van de broers uit het begin van Johannes 7 was het gevolg van hun niet vertrouwen. Wie volgens de Schriften naar Jezus luistert in vertrouwen[192], wie met “schriftuurlijke fiducie” naar hem toe gaat, uit zijn buik zullen stromen van levend water vloeien. Op de wijze van de Schrift naar hem toegaan komt in de buurt van de norm welke de tekst stelt aan het oordeel (v. 24). Nicodemus zal dit onderstrepen (v. 51). Rivieren zullen vloeien uit zijn buik van levend
water. Er staat koilia/buik, niet
kolpos/schoot. Het is niet de schoot als
die van Jezus waar de leerling van wie hij houdt tegen rust (13,23).
Niet de schoot ook van de Vader (1,18), naar Wiens Schoot de eengeboren
Zoon is in een eeuwig durend tegenwoordig deelwoord. Maar koilia/buik, - bijna meer vrouwelijk, meer moederlijk (3,4: Nicodemus!)
gemaakt voor iemand die als leerling is onder het kruis (19,27). Rivieren zullen
uit zijn buik vloeien van water dat leeft. Maar dit zei hij met betrekking
tot de Geest welke zouden ontvangen de vertrouwenden
op hem toe, want nog niet was Geest, omdat Jezus Zijn gewicht nog
niet gekregen had. (7,38v)
De
lezer kan de indruk krijgen, dat de hier voorgestelde lezing toch
moeilijk is. Vloeien uit en ontvangen rijmen immers niet op elkaar, reiken een verschillende richting
aan. Maar toch! Wie op schriftuurlijke
wijze naar Jezus hoort krijgt moederlijke allure, brengt levend water
voort. De tekst deelt het geheim van het begin (Gen 1,1v) mede[200].
Het Evangelie zal nog spreken over het geven
van de Geest. Daartoe dient men te lezen in 19,30 en 20,22. And the spirit of God hovered, this alludes to the spirit
of the Messiah, as you read, And the spirit of the Lord shall
rest upon him (Jesaja 11,2).
In the merit of what will (this spirit) eventually come? (For the
sake of that which) hovered over the face of the waters, i.e. in the
merit of repentance which is likened to water, as is written, pour
out thy heart like water (Lam 2,19)[202].
Wie Jesaja 11,2 er bij neemt, ziet hoe het vers de naam Noach dichterbij brengt We-nachah[203]. Genesis 5,29 brengt deze naam - etymologisch gezien afkomstig van Nun-Waw-CHet, rusten - in verband met troosten[204]. En rusten zal
op hem de geest van de Heer. Een geest van wijsheid en begrip, een
geest van raad en van sterkte, een geest van kennis en vrees voor
de Heer (Godsvrucht)[205] (Jesaja 11,5) Dit
alles wordt evenwel aangereikt onder uitdrukkelijk voorbehoud: nog
niet. In een chiasme: Want
nog niet was Geest, omdat Jezus zijn gewicht nog niet gekregen had
(39). In vergelijking met de synoptici blijkt Johannes nog
niet op een uitzonderlijke wijze te hanteren (3,29 vgl 2,9). De
tekst hanteert de mogelijkheid van het uitstel, geeft een voorschot,
neemt en getuigt van een voorsprong, roept de verwachting op. ‘Er
komt nog meer’. ‘Nog niet’. Welke duisternis, welk verdriet reikt
Johannes aan, dat hij zijn lezers laat weten: Nog
niet? Aldus reserveert de tekst uitdrukkelijk ruimte voor zichzelf.
Met name het Loofhuttenfeest zit vol reserves (7,6.8.30.39bis;
8,20.57). Het verhaal toomt zich steeds
weer in, neemt geen deel aan de uitbundigheid van de laatste oogst.
De lezer wordt opgeroepen tot ingetogenheid en geduld, want nog niet[206].
[112] AUGUSTINUS, o.c., 30,1. Dominum
loquentem audiebant
et discipuli et Iudaei; veritatem loquentem audiebant, et veraces en mendaces; caritatem loquentem audiebant et amici et inimici; bonum loquentem audiebant et boni et mali. Een mooie parallel van AUGUSTINUS, evenwel
ten onrechte. De leerlingen worden in 7,19-24 niet genoemd. De lezer
krijgt een te eenvoudige en derhalve onrechtvaardige
mogelijkheid zich te identificeren, en daardoor positie te kiezen
tégen de genoemde Joden. Men dient, naar bekend begint te
worden, wel meer van Augustinus met gevoel voor onderscheid en oordeel
te lezen. Even verderop, o.c., 30,6 bijv.:
Quid est Vetus
Testamentum? Quasi hereditas
pertinens ad hominem veterem. [113] S. PANCARO, The
Law, 130, noemt 7,15-24 een unit die zichzelf in kleinere
units verdeelt. De verzen 14-18 vormen zijns inziens aldus
een eenheid. Boven is uitgegaan van
een andere verdeling, gebaseerd op de woorden. Voor PANCARO wordt
7,19 een bridge naar de volgende unit. De verdeling
lijkt te grof, gebaseerd op iets anders dan de woorden welke de
tekst vormen en de zich daarin voordoende regelmaat. [114] Zonder bezittelijk voornaamwoord, maar wel
met het bepaald lidwoord: het welbehagen
Gods is de Leer. [115] PANCARO, o.c.,
133v: De formule de wil van God doen is klaarblijkelijk niet
zonder reden. It would seem to indicate that, if the characteristic of the Children
of God in the OT was their readiness to accept and follow the Law,
what now characterizes
the children of God is their readiness to accept the didachè of
Jesus as alètheia ..." De
zin is duidelijk. De auteur heeft now
gecursiveerd. Daardoor is in de tekst een tegenstelling benadrukt.
Jo 7 wijst deze tegenstelling evenwel af. Zie 7,24 en 49‑52.
PANCARO maakt van het horen volgens Jezus een kwestie van
jurisdictie. Hij mist de relatie met het Sjema (Deut 6,4)
of met doen en horen (zie boven
n.104). Hij merkt ook de samenhang niet op met het probleem van
Nathanael. [116] Naar aanleiding van het Johannes-evangelie
is geschreven: Binnen het kader derhalve
van joodse hoogfeesten,waarin de religieuze identiteit van Israël
als Gods uitverkorene duidelijk naar voren komt, zegt Jezus dat
hij boven de sabbat staat (5,1-47), dat hij het ware manna uit de
hemel is (6, 1-71), dat hij de tora of
leer en wil van God bekend maakt, levend water - schenker van de
heilige geest - is, licht van de wereld, zodat het tentenfeest,
feest van tora, water en licht, achterhaald
is (7,1-8.59). E.SCHILLEBEECKX, Gerechtigheid
en liefde, 358. Dergelijke ongenuanceerde uitspraken en simpele
identificaties geeft het evangelie volgens
Johannes als tekst niet. Men kán met Johannes in de hand niet zeggen,
dat Jezus boven de Sjabbath staat. Maar
de tekst geeft het niet. Evenmin is het waar, dat het Loothuttenfeest
achterhaald is, want het tegendeel is het geval. Het Loofhuttenfeest
is een platform, een hoofdkleur op het palet, een geschikte - voor
Johannes zeven zelfs de enige mogelijkheid, om Jezus zo te beschrijven,
in de geuren en kleuren van het feest van de laatste oogst. Jezus
legt het feest uit in themata, elementen en grondslag; minstens
evenzeer kan alleen dit feest hem zo uitleggen. Hij en dit feest
sluiten elkaar niet uit,heffen elkaar niet op. Zij veronderstellen elkaar, verwijzen
naar elkaar ‑ op de wijze van de tekst. SCHILLEBEECKX,
o.c., 278, schrijft, dat het hem in zijn studie van het johannisme
te doen is om zijn theologie en niet direct om een literaire tekstontleding
(die wel voorondersteld moet worden). Het woord 'theologie'
is geen alibi om te lezen wat er niet staat en vervolgens allerlei
oneigenlijke zaken te stellen alsof men ze gelezen heeft. Vermoedelijk
kan SCHILLEBEECKX zich zijn 'ongelimiteerd-heid'
(nl. zijn zich niet beperken tot de grenzen
van de te lezen tekst) permitteren, omdat hij weet wie de dragers
van de johanneïsche traditie zijn: oorspronkelijk palestijns‑joodse christenen ... niet uit de orthodoxe,
officieel‑joodse milieus maar uit
wat men nu noemt heterodoxe randgemeenten van de joodse spiritualiteit
binnen het joodse syncretisme van de eerste eeuw na Christus.
Dat lijkt dan wel duidelijk.Toch is het de vraag of deze genuanceerdheid het joodse leven met de
Tora van dag tot dag, van week tot week, van nieuwe maan tot nieuwe
maan, van jaar tot jaar ook maar enigermate tot zijn recht laat
komen. 'Theologie' op zijn best is vaak een bewijs dat
men in de Schrift vaak confirmaties zoekt van eigen verlangens,
gedachten en voorbeslissingen? De cursieven in deze noot die langer zijn dan een woord vindt
men in Gerechtigheid en liefde,
278. [117] De Vader die Mij gezonden heeft getuigt
omtrent Mij. En je hebt Zijn stem niet gehoord,
Zijn gestalte niet gezien en Zijn woord is niet blijvend in jullie.
Jullie onderzoeken de Schriften omdat jullie menen, daarin
eeuwig leven te vinden en zij zijn het die van Mij getuigen.
De Vader en de Schriften getuigen.(5,39) [118] I. DE LA POTTERIE ziet de uitdrukking votre Loi, leur Loi als une certaine distance. Vérité, 157. Wellicht betreft die distantie niet de
Tora, maar de wijze waarop zij deze (niet) doen. Zie ook
E, SCHILLEBEECKX, o.c., 567. [119] AUGUSTTNUS, o.c.,
30,2. Quasi non peius fuerit dicere: Demonium habes quam eum occidere. [120] KL. HAACKER,
Die Stiftung des Heils, Untersuchungen zur Struktur der Johanneischen
Theologie, 27. Der Horizont weitet sich durch die Bezugsnahme
auf frühere Offenbahrung Gottes, die Formulierung im Parallelismus
Membrorum gibt den Satz eine einprägsame Abründung. Diese Formmerkmale
von V.17 könnte als Spuren einer katechetischen Abzweckung (oder
Vorgeschichte) dieser Gegenüberstellung von Mose und Christus erklärt
werden ... aber auch ... rethorischen Zusammenfassung und Zuspitzung.
Men leze hiernaast o.c., 35: ... was der Evangelist denkt,
wenn er Mose sagt. Als Generalnenner hat sich uns dabei der Begriff
des Stifters aufgedrängt, wobei ... die religionswissenschaftliche
Terminologie übernommen ist... Der Wortlaut van 1,17 führte zu der
Formel von inhaltlichen Gegensatz bei formaler Analogie d.h. das
Werk Moses ... steht im Gegensatz zum Werke Jesu, aber die Funktion
Moses und die Funktion Jesu sind vergleichbar. ... Jesus ist ein
Stifter (wie Mose), aber er bringt die neue Stiftung. Er
is evenwel één probleem: het woord stichter, stichting komt geheel
niet voor in het evangelie volgens Johannes. De verhouding tussen
Mozes en Jezus terugvoeren op deze noemer is een voorbeeld van petitio
principii. Zie hiertegenover T. SAITO in n. 209
beneden. H. THYEN, Das Heil, 113: Bei Joh 1,17 handelt
es sich nicht um einen antithetischen, sondern um einen synthetischen
Parallelismus. [121] Tegen HAACKER,
o.c., 28 n. 99: Ich verstehe charin anti charitos
von ek tou pneumatos her als Ausdruck der Fülle: immer neue
Gnade." [122] Zie P-R. TRAGAN,
La parabole du 'Pasteur' et ces explications; T.F. GLASSON,
Mozes in the Fourth Gospel; T.SAITO, Die Mosevorstellungen
im Neuen Testament. [123] HAACKER o.
c., 39 vertolkt het christelijke geboorte trauma wanneer hij
bij Jo 2,6 noteert: Die jüdische Religion des Gesetzes und der
Furcht (met in de voetnoot: Die Reinigungsriten haben dämonische
Hintergrunde ... ) wird abgelöst und überboten durch das
Leben in Freude, Freiheit und Fülle, das Jesus bringt. Het
is de vraag, hoeveel christenen zich zullen herkennen in de trits:
Freude, Freiheit
und Fülle. Het is ook de vraag, hoeveel joodse mensen zich
zullen herkennen in Religion
des Gesetzes und der Furcht. [124] Men kan het evangelie volgens Johannes proberen
te beschrijven als volgt (Ab esse ad
posse valet illatio):
... een getuigenis over de zelfopenbaring van Jezus, het vleesgeworden
Woord, dat een crisis te weeg brengt tussen gelovigen en ongelovigen.
Het is evenwel niet volgens Johannes wanneer men dan vervolgt: Vandaar
de twee blokken, enerzijds 'hoi loudaoi'
... anderzijds Jezus' leerlingen, die - in kiem 'de kerk' -van meet
af aan geloven in Jezus als de Christus, d.w.z. zij geloven (volgens
het johanneïsche geloofsbegrip) al christelijk (zij het nog niet
volgroeid en met veel onverstand) in de aardse Jezus áls de vanuit
de hemel door God gezonden heiland. E.
SCHILLEBEECKX, Gerechtigheid en liefde, 307. [125] Vgl 5,44: Hoe kunnen jullie vertrouwen,
gewicht van elkaar aannemend, en het gewicht van de kant van God
zoeken jullie niet. [126] Gedurende heel het feest van het oprichten
van de Tent zal dit als motief blijven meeklinken. [127] Tussen 5,4 en 15 geeft de tekst 6 keer hygiè. Daarnaast komt het woord alleen hier (7,23).
Het verhaal, met inbegrip van het vervolgen en trachten
te doden wordt hier definitief gemaakt, voltooid. [128] VAN DEN BUSSCHE,
52: In het dossier, dat eerst slechts zijn sabbatsovertreding
bevatte, schuift Jezus zelf het zwaarste stuk tegen hem in.
Het woord slechts staat hier wellicht ten onrechte. De argumentatie
van VAN DEN BUSSCHE rond de sjabbath
is te verwerpen. [129] A.J. HESCHEL,
The Sjabbath; A.E. MILLGRAM, Jewish Worship, 161‑198;
Fr. ROSENWEIG, Der Stern, 344vv; J.H. HERTZ, The Authorised
Daily Prayer Boek. [130] . Het Evangelie naar Johannes geeft 7 keer
het woordpaar zoeken (te) doden. De tekst weet van alternatieven
die men zoeken kan. Zoeken is spreken: Waar taalt
gij naar? Als de leerlingen Jezus met
de vrouw zien praten, dan blijven zij er buiten. Maar de lezers
krijgen wel hun vraag onder ogen: Wat zoek je, of, wat spreek
je met haar?(4,27). Zoeken gaat bij Johannes van wat
naar wie (1,39; 20,15). Vanaf 5,18 is doden in de
tekst aanwezig. Tijdens het oprichten van de Tent
keert het steeds weer: als motief in de aanhef (7,1); als verwijt
(want het is in strijd met Mozes volgens Jezus), maar de menigte
bestrijdt dit (Jij hebt een demon!). De bewoners van
Jerusalem evenwel hebben daarover een vraag naar bekend vooronderstelde
kennis: Is niet deze wien ze zoeken
te doden! MOULTON en GEDEN:
zoeken 32 keer; doden 12 keer; zoeken te doden
7 keer: 5,18; 7,1.19.20.25; 8,37.40. Naast deze plaatsen geeft de
tekst als volgt het woord doden: a) 2 keer besluit men hem
te doden (11,53; 12,10); b) in 18,31: het is niet geoorloofd,
iemand te doden; c) Ieder die jullie doodt meent God te eren
(l6,2). [131] Één werk heb ik
gemaakt (v. 21) en omdat ik de hele mens gezond maak
(v. 23). [132] M. BLACK,
An aramaic approach to the Gospels .... 107: "Anthroopos
simple = tis".
Dit mag dan wel zo zijn, deze toespitsing doet evenwel de 'pointe'
(besnijdenis tegenover de hele mens) verdwijnen. [133] Kal Vahomer.
M. MIELZINER, Introduction
.... 130vv. [134] Gezien 7,24 is de argumentatie van J. BECKER,
o.c., 259 niet te volgen. So sollen sie nicht nach dem Augenschein (vgl 8,15)
richten, also nicht formal den Sabbatbruch konstatieren, sondern
einsehen, dass auch sie formal den Sabbat brechen, ohne das als
Sünde zu verstehen. Sie sollen gerecht richten, indem sie Jesu
göttliche Legitimation zu seinem Handeln bedenken. De
argumentatie lijkt zich op iets anders te baseren dan op hetgeen
in 7,21‑24 te lezen staat. [135] Opsis. De tekst geeft het woord alleen hier en in 11,44 waar
het gelaat van Lazarus bedekt is met een zweetdoek. [136] M. BUBER, Werke
II, 109.982, bewährend. 136. o.c., 343: Gerechtigkeit
und Wahrhaftigkeit. [137] O.c., 343: Gerechtigkeit und Wahrhaftigkeit. [138] AUGUSTINUS, o.c.,
30,6: Nolite me honorato illum damnare, sed illi intellecto me
honorate. [139] I. DE LA POTTERIE,
o.c., 972 n191: Remarquons que
Jean 7 est le chapitre de l'Evangile ou parait le plus souvent
le mot christos (7,26.27. 31.41 (bis).42). [140] BARRETT, 264 [141] BARRETT, 265. [142] Achtendertig spaart twee uit op veertig, ruimte makend voor het getuigenis van Jozua en Kalev (Numeri 14,6vv). [143] Zie Deuteronomium
2,14. [144] M. BUBER, o.c.,
1056‑65: Imitatio Dei: Nachahmung Gottes. Zie ook R.BOON, Laat
ons de woorden waGenesis, Deel 1,
11‑70. [145] In 9,29‑31 zullen deze woorden beslissend
zijn. [146] BULTMANN, 223:
Die Unanschaulichkeit der Szene lehrt, dass im Grunde nicht eine
Diskussion in Jerusalem erzählt wird; die historische Szenerie ist
nur Verkleiding des wirklichen Geschehens, nämlich des Streites
zwischen der Welt und dem Offenbahrer ver Gottes Tribunal. Wat betekent in dit citaat 'wirklich'? [147] . E.LEVINAS,
Autrement qu' être, 143: L' unicité de soi, c' est le
fait même de porter la faute d'autrui. Dans la responsabilité pour
Autrui, la subjectivité n'est pas la suite d' une déclinaison qu'
il aurait subi a partir du nominatif. Accusation qui ne peut se
réduire á la passivité du Soi que comme persécution, mais aussi
persécution qui se retourne en expiation. Sans persécution, le
Moi relève la tête et couvre le Soi. Tout est au préalable á l'accusatif
- condition exceptionnelle ou in-condition du Soi, signification
du pronom Se de qui nos grammaires latines elles-mêmes
ignorent le nominatif. H. THYEN, Das Heil, 183:" ... der johanneischen
Jesus ... Der Glaube an ihn und das Bekenntnis zu seiner Präexistenz
nehmen dem Monotheismus weder etwas weg, noch fügen sie ihm etwas
hinzu. Wie die jüdische Lehre vond der Präexistenz von Weisheit
und Tora ... die johanneischen 'Ich-bin‑Worte' ... ihr absoluter
Anspruch darf weder mir nichts dir nichts von den Christen usurpiert,
noch einfach mit der 'christlichen Religion' identificiert werden.
Er muss ihr vielmehr als kritisches Gegenüber aüsserlich bleiben.
Schliesslich sollte nicht vergessen werden, dass wir im Johannes‑evangelium
allein die Sprache der Binnenkommunikation einer Gruppe hören, der
missionarische Sendung nicht in den Trachten bestehen darf, alle
Jesus zu Füssen zu legen, sondern allein darin, allen wie Jesus
die Füsse zu waschen (13,14ff), Juden wie Heiden ... inklusiv ...
De term 'absolut' zal men niet metafysiek, maar theologisch moeten
verstaan, nl. verwijzend naar Ex 3. Zo ook Präexistenz. [148] ...
mal qui, par excellence, ronge la parole: le mal-entendu. A. NEHER, L'exil de la Parole, 39. [149] . Telle une
mauvaise salle de concert, l'espace affectif comporte des recoins
morts où le son ne circule plus. L' interlocuteur parfait, l'ami,
n'est-il pas alors celui qui construit
autour de vous la plus grande résonance possible? L'amitié ne peut‑elle
se définir comme un espace d'une sonorité totale? R.BARTHES,
Fragments d'un discours amoureux, 199. [150] K. BARTH, K.D.IV,2,
206. [151] “Velen” is in de bijbelse literatuur vaak een vorm van democratisch allen. Denk aan “het bloed dat voor velen vergoten wordt” Matteüs 26,28. Denk ook aan Abram die in Genesis 17,5 Abraham wordt, vader van velen. De traditie zegt: de vader van de gelovigen – waarmee in de traditie iedereen aangegeven wordt die naast of voor je staat. [152] E. LEVINAS, Autrement, 148 n.19. [153] Vgl Jo 1,6 tegenover 1,19.24. In 5,33 herneemt
Jezus dit. [154] 7,30.32.44; 8,20; 10,39; 11,57 [155] Het verschil tussen niets en een
menigte vissen is in het Johannes 21 het woord van Jezus. Zelf
is hij als zodanig nog niet geïdentificeerd is in de tekst. Van
meewerkend voorwerp wordt hij onderwerp, subject van
woord, daad en gebeuren, samenvatting derhalve van heel het evangelie. Het verhaal voltrekt zich
tussen de nacht en de morgen, bij de zee. In Johannes 7 is van die
context geen sprake. Men probeert Jezus tot object van vangen/grijpen
te maken, tot vangst. Overpriesters en Farizeeën nemen het werkwoord
en de poging tot object van sommige bewoners van Jerusalem
over. [156] Zie: uit Jerusalem
(1,19); te midden van (1,26); waar en blijven
(1,38v.51). Zie ook: van omhoog (3,3.7.31). Evenzo 4,27.
[157] J. DERRIDA, Glas,
123r. : Il faut toujours chercher la place de qui écrit, même
si elle n'est pas fixe, si elle ne se laisse pas plus prendre que
le remplacement. Jean ne se nomme pas mais n'hesite
pas á indiquer, sous sa propre plume, comme le disciple préféré
du Christ ... Zie ook: God heeft niet een plaats ... God
is een plaats, de plaats van de wereld. Elke morgen nieuw, 335. [158] T. KORTEWEG,
"You will seek me and you will not find me"(Jn 7,34),
352: Here salvation seems not to be related to anything like
a real future, but rather to a kind of eternal here and now.
De auteur opent zijn artikel met hetgeen hij noemt een van de karakteristieken van de wijsheidsliteratuur:
... the deep sense of lifels precariousness by which it is permeated
(349). Alleen de onwetende en de dwaas worden overvallen door het
oordeel. De rechtvaardigen hebben tijdig geluisterd naar Gods
boodschappers. KORTEWEG meent dit apocalyptic
pattern in 7,34 te herkennen. Het
artikel besteedt geen aandacht aan de details waaruit en te midden
waarvan 7,34 staat. [159] Johannes acht zich niet geschikt, de riemen
van de sandalen los te maken. Zie: P. PROULX en L. ALONSO SCHOKEL, Las sandalias
des Mesias Esposo. Het
artikel legt een relatie met Ruth 4,7. Aan de hand van menig citaat
wordt de lezer gebracht naar de oude zienswijze, volop zichtbaar
bij de Vaders (o.c., 13-15). [160] Ook daar gaat het over de heerlijkheid,
het gewicht. Ex 33,18.22 vgl Jo 7,18.39. [161] U.C. VON
WAHLDE, The terms for religious authorities in the Fourth Gospel,
a key to literary‑strata?, 246: ... three factors indicate
that material of separate origin has been joined here: (1) the awkward
transition from 7,32 tot 7,33 with unintention to circumstantial
details, (2) the shift in terms for authorities in the two passages
and (3) the secondary meaning given to 'seeking and finding' by
the context but not present in the dialogue itself. De auteur acht dit voldoende om te concluderen tot: separate literary
strata waarin verschillende termen
voor religieuze autoriteiten funktioneren.
Dit alles (van Farizeeën, overpriesters en leiders naar Joden)
zou geldig zijn in een nog uit te werken beschrijving van de veranderende
situatie van de johannine community.
Het lijkt beter, meer aandacht te schenken aan de tekst als tekst
en deze niet te manipuleren tot argument in een betoog dat tot iets
anders zou moeten leiden dan een lezing van de tekst. [162] Wie is deze zoon van de mens? Jezus dan zegt tot hen: Nog korte tijd is het licht in jullie."(12,35).
J. SCHNEIDER, Zur Komposition von Joh 7, vertrekt
vanuit de Mikron-Sprüche im Johannesevangelium ... um die Eigenart
des mikron-Sprüches in Kapitel 7 zu verstehen ... Alle mikron-Sprüche
haben das gleiche Motiv. Doch ist zu vermuten, dass sie ihren ursprünglichen
Ort in den Abschiedsreden, zum mindesten im Zusammenhang mit den
Abscheidsreden haben. De
auteur legt geen relatie tussen 7,33-36 en 7,37. O.c., 110.
Hij ziet 7,33-36 nur in loser Verbindung mit dem Ganzen staan. Men kan ook 7,32-45 als een geheel zien,
aanleiding voor de dienaren om te spreken zoals zij in 7,46
doen. [163] BULTMANN, 233;
BARRETT, 268 [164] SCHLATTER, 135.
[165] VAN DEN BUSSCHE,
168v. [166] Ten onrechte hebben MOULTON en GEDEN in hun
Concordance to
the Greek Testament, Jo 12,21 niet
opgenomen onder het trefwoord horaoo.
[167] 12,25 Herschrijft op eigen wijze 10,11. Wellicht
mag het ook te denken geven, dat de dood
van Mozes de Jozua‑verhalen tot
gevolg heeft. [168] ALBERTUS MAGNUS,
o.c., 314: In novissimo autem die magno ... Hic manifestat
se illuminator,
sicut sol dissipatis tenebris probans hoc de se quod dicitur,
Ioan.1,5: 'Lux in tenebras lucet
et tenebrae eam
non comprehenderunt.' ... in ultimo die ferventius
audiebant, quod doctrinam secum recedentes portarent. Et ideo illo
die Dominus quasi viaticum dabat in doctrina salutis (Jes 26,8;
Eccl.12,13.) O.c., 315: Stabat qui se exemplum
et mensuram rectitudinis
omnibus exhibebat. Ioan.1,26: Medius vester
stetit, etc. Stabat, qui semper ad coelum se totum protendebat.
Ps 5,5. Mane adstabo tibi, et videbo. Stabat, qui in rectitudinie
sua omnes resolutos inertia redarguebat. Ps.93,16: Quis consurget mihi adversus malignantes? aut quis stabat mecum adversus operantes iniquitatem? Stabat, qui
se in auxilium et obsequium
omnibus paratum exhibebat.
Act. 7,55: Ecce videbo coelos apertos, et filium hominis stantem etc.Stabat qui se excelsum in vita et verbo longe stantibus ostendat. Baruch 5,5: Exsurge Jerusalem,
et sta in excelso,
et vide collectos filios
tuos, etc. supple, in conversione te audientium. [169] Zie Hand 7,56; Mt 27,11. [170] Naast Jezus schreeuwt alleen Johannes
nog, in 1,15: En hij schreeuwde zeggend: deze was het van wie
ik zei: de na mij komende geschiedde vóór mij, want eerder dan mij
is hij . [171] RUPERT VON DEUTZ,
o.c., 441: Hier versinnbildet dieser Tag im Geheimnis
des Herrn, der da steht und ruft, das in demselben Jahre folgende
Osterfest, nämlich das letzte des Alten und das erste des Neuen
Bundes ... Denn an diesem letzten grossen Feste stand Jesus vor
dem Angesicht des Vaters und brachte Bitten und Flehrufe ... getroffen
von der Gewalt des Leidens, wie versinnbildet ist in jenem Felse,
an dem Moses mit seinem Stabe schlug (Ex 17,6; Num 20,11), für uns
sich vergoss, was wir trinken sollten, zuerst das Wasser, womit
er gereinigt, und sein Blut, mit dem wir getränkt werden sollten;
später hauchte er die Apostel an und gab ihnen den H.Geiste (20,22)
und nach den anderen Evangelisten öffnete er ihren Sinn, dass sie
die Schrift verstanden (Lk 24,27.32): das bedeutet in Wahrheit die
Wasser des Heiles trinken. [172] Met, gezien de historische ontwikkeling, de
mogelijkheid van Simchath Tora
aan het slot van het feest. [173] Zie boven n.161. [174] BARRETT, 269; SANDERS en MASTIN, 212; BULTMANN, 228; VAN
DEN BUSSCHE, l69v. [175] Voor een uitgebreid overzicht van de literatuur:
zie KL. HAACKER, Die Stiftung 50 n. 213. Zie ook F.HAHN,
Worte vom Lebendigen Wasser im Johannesevangelium. [176] BULTMANN, 228;
VAN DEN BUSSCHE, 169. [177] F. BLASS, A.
DEBRUNNER, FR. REHKOPF, Grammatik des Neutestamentischen Griechisch,
395 § 466,4. [178] VAN DEN BUSSCHE,171, cursivering van de auteur.
[179] BARRETT, 271. [180] SCHLATTER.135
[181] K. BARTH, Erklärung,347 [182] O.c., 348. [183] L.c. Het direct volgende citaat staat
op p.349. [184] Ex 17,1‑7.
Zie bijv. J.Z. LAUTERBACH, Mekilta
de‑rabbi Ishmael II,l35 bij Ex 17,8: The rest of the
verse reads: And fought Israel in Rephidim. The last word
in Hebrew - RPhIDIM -is interpreted allegorically to mean
RPhIWN IDIM, feebleness of hands in upholding the Torah...
Zie bij Ex 17,7
ook N. LEIBOWITZ, Studies in Shemoth, 1, 273vv. [185] Num 20,2‑13.
Zie hierbij NumR XIX,g (tr.H. Freedman en N. Simon),759: And streams
overwelmed (Ps 78,20). Yet, for all that, Mozes wrought
his miracle en none other than on the rock of the Holy One, blessed
be He, had told him. How can we infer that from the rock of which
Israel had spoken, and from each and every rock and pebble that
happened to be in that locality, there gushed forth water? Because
it says, He cleaved rocks in the wilderness (Ps 78,15). (Het loont de moeite door te lezen in NumR., in hetzelfde XIX,9. Why was
Aaron made responsible (Num 21,12). Er volgt een parabel welke besluit
met: For this reason Scripture praises Aaron, saying, And of
Levi he said: Thy Thummim and Thy Urim be with Thy holy one
(Een voetnoot legt uit dat hiermee de Hogepriester - Aäron bedoeld
wordt.) whom Thou didst prove at Massah, with whom Thou didst
strive at the waters of Meribah (Deut 33,8). In
NumR XIX,10 dat onmiddellijk volgt, gaat
het over: Because you
believed not in me (Num 20,12). Num 11,22
wordt dan geciteerd (over het slachten van schapen en runderen,
vgl de schapen in Johannes 10) om Num 20,22 te bereiken: om mij
te heiligen in de ogen van de kinderen Israel. Num R XIX,ll citeert Pred 8,14. De
rechtvaardige overkomt overeenkomstig
het werk van de slechten en omgekeerd.(Prediker hoort bij de liturgie
van het Loofhuttenfeest!) NumR.XIX,12
geeft een midrasj over 2 vrouwen die in het hof gegeseld gaan worden.
De een heeft zich immoreel gedragen, de ander heeft onrijpe vijgen
gegeten tijdens het sjabbathsjaar. Mozes onze leraar
wordt dan geciteerd. Vgl Jo 8,1-1l.) [186] Kiddoesj
Hasjem. Zie bijv A.MILLGRAM, Jewish Worship, 428. [187] Schrift functioneert in het evangelie
volgens Johannes steeds naast het lichaam van Jezus: 2,22 Tempel
van het lichaam; 5,39: stem, gestalte, woord; 7,39: buik;
7,42: zaad van David; 19,24: kleren; 28: dorst;
36: beenderen; 37: opzien naar; 20,9: uit de
doden opstaan. Zie ook 10,35 (34) Gij
Uzelf, een mens; 13,18: brood-hiel; 17,12: niemand verloren, tenzij de zoon
van het verlies. Al deze plaatsen tonen aan: bij het woord Schrift
wordt geoefend: En het woord geschiedde vlees (1,14). [188] SCHLATTER, 200.
[189] 1,23; 5,23; 13,34; 14,27; 15,10.12; 17,(2.) 11.14.16.22.23; 19,40. Op de andere
plaatsen vindt men: En zoals ..., zoals ... zo, zoals ...ook;
zoals ... ook ik. [190] ALBERTUS MAGNUS,
o.c., 316. Sicut dicit Scriptura.Chrysostomos tamen vult quod hoe referatur ad sequens: ut sit confirmatio Scripturae eius quod sequitur: Flumina de ventre eius etc. Et dicit
quod hoc scriptum est in Scriptura,
Proverb 5,16: Deriventur fontes tui foras,
et in plateis aquas
tuas divide. Ibi, ut
dicitur, translatio Septuaginta habet: Flumina de ventre tuo fluant aquae vivae. Sed melius est ... quod non dicit ad
confirmationem eius quod consequenter inducitur: sed dicat modum
credendi in Christum,
ut sit sensus: Qui credit in me,
sicut dicit Scriptura,
hoc est secundum quod docet
qualiter credendum
est in Christum. Ad Rom. 15,4: Quaecumque scripta sunt, ad nostram doctrinam
scripta sunt. Ps 86,6: Dominus narrabit in scripturis populorum et principium, horum qui fuerunt in ea. Na
het argument, gebaseerd op de functie van kathoos
in het evangelie volgens Johannes, is
dit een verrassend citaat. Dezelfde leesaanwijzing geeft ook ERASMUS,
Paraphrases in Novum Testamentum
II, 541, bij 7,37v: Bibit autem,
quisquis credit sermonibus
meis. Quisquis igitur crediderit mihi, avideque imbiberit sermones meos, quemadmodum iubet scriptura de me testificans, non arescet incredulitate, sed haustus divini spiritus pariet in
ipsius corde
fontem perennem et copiosum, sic ut e medio cordis ilius emanet
... Zie ook C.J.HICKLING, Attitudes to Judaism in the Fourth Gospel, 352 n.24: Reim lists,
in the chapters mentioned, 7,38; 7,42; 8,17 and 10,34 ... The first
of these is a notorious crux of which it can at least be said that
it is not in any obvious sense a citation at all. [191] Zie ook wat de Schriften vermogen in 2,22: eerst de Schriften, dan het woord van
Jezus. [192] Zij getuigen omtrent
Hem, evenals Johannes: 1,6; 21,24. [193] Binnen het kader van het Loofhuttenfeest kan
dit een zeer belangrijke tekst zijn. Aan de orde komen: Jacob, de
Vaderen, De Tora, kennen, de herders, het rechtsgeding, slaaf/onvrijen. [194] Richt 15,19 geeft de beide woorden wel, maar
plaats ze uiteen: hij had een grote dorst ... deze grote redding
(hosjea) ... en er kwam water daaruit en hij dronk en zijn
geest (roeach) werd levend. Vgl Jo 19,28.30.
[195] According to ancient Jewish religious thought, there is no substantial
difference if the source of knowledge comes from God or if He Himself
is the source of knowledge. In the Bible, the two views already
exist side by side. In Jer.2:13 God says about Israel, "They
have forsaken Me, the fountain of living waters". In Ps.36,10
the other aspect is expressed: "With You is the fountain of
life, by Your light do we see." ... in ancient Judaism Wisdom
is identical with Torah ... according to Rabbi Meir, the secrets
of the Torah are revealed to one who is intensively occupied with
the Torah". D. FLUSSER en S. SAFRAI,
The Essene Doctrine of Hypostasis and Rabbi Meir, 51. Het citaat over Rabbi Meir
is afkomstig uit Avoth 6:1. Jer
16,19 ‑ 17,4 is haphtarah
bij Bechukkothai, Lev 16,3 - 17,34.
Zie bijv de Soncino Chumash. [196] Vgl GenesisR
63,8 bij Genesis 25,25: "And the first came forth ruddy.
R.Haggai said in R.Isaac's name: As a reward for (obedience to
My command), And ye shall take you on the first day, etc. (Lev
23,40), I will reveal unto you the First, and avenge you on the
first, will rebuild the first, and bring you the first. I will reveal
unto you the First, as it says, I am the First, and I am the
Last (Jes 44,6); and avenge you on the first, viz. Esau, of whom
it is written, And the first came forth; and wilI rebuild
for you the first, viz. the Temple, of which it is written,
Thou throne of glory, on high from the first, thou place of our
sanctuary (Jer 17,12); and will bring you the first, viz. the
royal Messiah, of whom it is written, A harbiger (Lit. 'first')
unto Zion will I give: Behold, behold them, and unto Jerusalem,
etc (Jes 41,27). [197] Waar men aan kan denken bij het "begin"?
Zie bijv GenesisR
1,4. [198] De tekst trekt samen rond
andere teksten: Jer 17,8 vgl Ps 1,3; Jer 17, 13 vgl Jo 8,6; Jer
17,14 vgl Ex 15,26; Jer 17,21-27 vgl Genesis 2,1-4; Jer 17,25 vgl
Jo 7,15.25. [199] In de Midrasj Rabbah
wordt deze tekst verbonden met Joel 4, 18. Deze roept op zijn beurt
Ex 47,1vv op. [200] Vgl Mt 1,18. Men denke
ook aan Jo 3,5; 4,10.23 en 3,27 met het perspectief op de woestijn,
aan de voet van de berg. Mozes spreekt. Vgl 3,32v. [201] Geest, water, groei in overvloed. Vgl
Jes 44,1‑6. [202] GenesisR. 11,3.
Het berouw is één van de zes zaken die voorafgaan aan de schepping.
[203] M. ZLOTOWITZ
en N. SCHERMAN, Bereishis I,176v. [204] Jo 14,16; 16,7.12. Zie ook Jes 40,1. [205] Hoezeer dit ook werkzaam is in Jo 7 blijkt
mede uit: En niet zal hij oordelen uit het zien van de ogen ...
uit het horen van Zijn oren. Jes 11,3. Vgl 7,24.51. [206] Wie de plaatsen van nog niet in de Septuaginta naloopt, ziet
ook daar het samengaan van dreiging (Jes 7,17; Pred
4,3) en de beloften voor Abraham (Genesis 18, 12) en Jacob (Genesis
29,7) en de volkeren (Genesis 15,16). In Genesis 15,16 is
er nog hoop voor de volkeren: Want nog niet waren losgemaakt
de zonden van de Amorieten tot nu toe. (Hoe heeft de Joodse traditie gepeinsd
en alle leed gewogen in het verhaal over die zonderlinge nacht
dat Abraham 'tussen de stukken door gaat'.) Genesis 18,12 LXX:
Want nog niet heeft hij voor mij verwekt tot nu toe, maar mijn
heer is oud. Genesis 29,7: En Jacob zei: nog is er veel dag,
nog niet is het uur dat samengebracht wordt de kudde. Jes 7,17:
Daar de Heer heeft vastgemaakt (gr.epaksei
vgl skènopègia Jo 7,2) op jou en je
volk en op het huis van je vader dagen welke niet gekomen zijn sinds
de dagen waarop Ephralm zich losmaakte
van Juda - de koning van de Assyriërs. Pred
4,3: (lk prijs gelukkig de doden boven de levenden) en goed boven
deze twee die nog niet geschiedenis gemaakt heeft, die nog niet
gezien heeft het kwade werk dat gewerkt geworden
is onder de zon. [207] 5,41.44. Ik neem geen doksa van de kant
van de mensen, doksa van elkaar nemend en de doksa van de kant
van de ene God zoeken jullie niet. [208] Doksadzoo
17,1.1.4.5. Doksa 17,5. Tussen 17,1 en 4 vindt men de gegeven
volmacht over geheel het vlees opdat ieder die Gij hem gegeven hebt,
eeuwig leven heeft. En dit is eeuwig leven: dat zij U kennen, de
ene betrouwbare God en Wien Gij gezonden hebt, Jezus Christus.
(17,2‑3). |