3.13 De menigte (7,40‑44)Wie naar Jezus hoort op de wijze van de Schrift krijgt gegeven het woord schoot “moederlijke allure”. Uit hem komt water dat leeft te voorschijn. Zo wordt gesproken over de Geest. Nog is het niet zover, want nog is Jezus niet verheerlijkt geworden, nog niet heeft de Heer hem Zijn gewicht gegeven. Het fragment is gelezen. Heeft zijn spel met de lezers gespeeld? Heeft het daarmee zijn werk gedaan? Is de lezer nu voldoende geïnformeerd over een "eigenaardig trekje" van Johannes, dat hij zo graag in zijn tekst wilde hebben? (Johannes wekt de indruk, behoorlijk "rabbijns"/schriftuurlijk te zijn! Hij laat woorden bijeenkomen uit de Schrift alsof de tekst zelf actief is, alsof de woorden iets te zeggen hebben over de maat van "onze" vertrouwdheid met de woorden en de teksten heen. Zo zou men kunnen peinzen wellicht, maar dan, zeker op deze plaats, tussen haakjes.) Heeft de auteur van de tekst genoeg ruimte gehad voor zichzelf en hetgeen hem dierbaar is, om nu weer over te gaan tot het "eigenlijke werk", het evangelie volgens Johannes ‑ opdat de lezers gaan vertrouwen "dat Jezus de gezalfde is, de Zoon van God" en dat de lezers in dat vertrouwen "leven mogen in Zijn Naam"(vgl 20,3l)? Kunnen wij nu doorgaan, over gaan naar de volgende regel, alsof de voorafgaande er niet geweest zijn? De lezer mag en zal dit niet verwachten. De tekst heeft in het voorafgaande alle en bijzondere aandacht gevraagd. Het verhaal munt niet uit door een veelvoud aan feiten, geeft niet incident na incident. Wie het Evangelie leest heeft geen vorm van rapportage in handen, geen journaal. De tekst wil ergens heen, meer "de diepte in", bezinken, tot rust komen in de lezer, "zaadgoed" (vgl 12,24) worden en zijn, of ruimte, Heiligdom voor wie ter aanbidding opgaat, spijs onderweg, een plaats voor wie dorst heeft. Johannes kan deze dag van het woord (de laatste, de grote dag van het feest) niet zo evocatief onder de aandacht brengen, Jezus een opmerkelijke uitspraak in de mond leggen en het daarbij laten. Er lijkt meer aan de hand. Allereerst is Jezus op die dag als een drinkplaats voor rivieren aangewezen, een bron die levend water mogelijk maakt ‑ een omschrijving voor de Geest. Wanneer "alles is volbracht", wat blijft er dan nog over? hij buigt het hoofd en geeft de Geest (19,30). Dan wordt Zijn zijde met een lans doorboord (19,34). Bloed en water komen er te voorschijn voor wie het leest en er aandacht aan schenkt. Die het gezien heeft legt er getuigenis van af[209]. In die zijde wil en kan Thomas ‑ die niet met hen was toen Jezus gekomen was ‑ zijn hand leggen (20,25.27). Op de laatste en grote dag van het Loofhuttenfeest speelt 7,37vv zich af. Lezers mogen en moeten weten van die dag. Zij kunnen voortaan het verhaal van de wijnstok en zijn grondslag (15,1vv ‑ het Loofhuttenfeest is ook het oogstfeest voor de wijn!) verstaan. Water en wijn zijn met elkaar verbonden op de hoogte[210] van het verhaal van Kana. Wat is het effect van de wijze waarop Jezus de laatste en grote dag van het feest opent? Een menigte blijkt erbij betrokken, en wel in die zin, dat zij tot een uitspraak komt. De menigte van 7,40 wordt gekenmerkt door het werkwoord zeggen. Alvorens evenwel dit woord te noteren geeft de tekst eerst het woord horen. Daarbij is zorgvuldig aangegeven, dat de menigte niet massief, niet ongedifferentieerd reageert. Wat nu komen gaat is niet een ongenuanceerd ze zeggen. Johannes wil het anders gehoord hebben, ziet het – als deze tekst, getuige deze tekst – anders vóór zich: Uit de menigte dus. Op deze welbepaalde dag is er uit de menigte dus gereageerd. Er zal best wel veel gezegd zijn door allerlei mensen op die dag en er kan ook veel gezegd zijn. Maar de tekst betrekt de lezer enkel bij hetgeen geschreven is, maakt hem of haar tot deelgenoot, tot getuige van deze tekst. De lezer krijgt niet zo maar iets te horen. Hij of zij krijgt eerst één mening uit de menigte te horen. Voor wie Johannes 7 tot nu toe gelezen heeft is de menigte geen onbekende. Toen ze hem zochten te grijpen (v. 39) zijn er velen uit de menigte gaan vertrouwen in de richting van Hem, "naar" Jezus zonder Zijn Naam te noemen. Toen zijn farizeeën opgevoerd die de menigte omtrent hem dit alles mompelend hoorden. Ze hebben daarop dienaren gezonden om hem te grijpen. Toen heeft ze zochten een uitdrukkelijk onderwerp meegekregen: de dienaren. Hun opdracht is niet meer zoeken te, maar grijpen. Wie er nu ook grijpen gaat, in ieder geval niet degenen die, uit de menigte gehoord hebben deze woorden. Voordat het woord grijpen voor de derde keer terug komt in deze tekst (v. 44), geeft de tekst eerst uit de menigte n.a.v. de woorden van Jezus, eerst een bevestiging en nog een bevestiging. Daarna komt er een tegenstelling, zelfs een scheiding. Daarna pas komen tenslotte degenen die gezonden zijn om te grijpen terug. Ook dan zal blijken dat niemand op hem de handen legt. Intussen is hand(v. 30) handen (v. 44) geworden. Wat die meervoudig geworden handen ook kunnen of willen, dat komt er niet van. Klaarblijkelijk is er een reserve. Zijn dat de dienaren die uitgezonden zijn om te grijpen? Dat zal nog moeten blijken. De lezer moet. Hij of zij kan niet anders, heeft te wachten tot de dienaren terug komen (v. 45). Intussen mag niet vergeten zijn, dat volgens de tekst al dat grijpen op gang gebracht is naar aanleiding van het door Johannes uiterst genuanceerde en behoedzaam neergeschreven Ik ben van Jezus (v. 29). Want ingetogen, welomschreven, heeft Johannes daar zijn lezers onder ogen gebracht: Ik ken hem want van de kant van hem ik ben. Toen waren er geen woorden meer. Toen was er geen spoor van discussie en waren er geen vragen. Enkel: Zoeken te grijpen. Die situering van Jezus door zichzelf rondom de waarachtige, die Mij gezonden heeft, Wien jullie niet kennen zal straks in de Stoa van Salomo nog steeds aan de orde blijken. Zeg ons openlijk of Jij de Gezalfde bent(10,24). Johannes zal Jezus dan uiteindelijk Psalm 82 laten zeggen: God in de synagoge (LXX) der Goden. Voor de derde keer zal nu het woord grijpen terugkeren. Tegelijk zal in 7,40‑49 de tekst drie keer uitdrukkelijk het woord menigte noemen. De passage begint onmiddellijk na de woorden van Jezus met het aansluitende commentaar van de tekst over de Geest op de laatste en grote dag van het feest. In 7,40vv reageert de menigte eerst, nogal uitgebreid. Daarna volgt binnen hetzelfde fragment een kleine eenheid waarbinnen de farizeeën (45. 47.48) functioneren in de tekst. Dan blijken de dienaren te komen. Zij krijgen nauwelijks het woord, maar iets korts zeggen ze toch. Verderop zal die tekst gelezen worden. Uit de menigte dus zeiden degene die deze woorden gehoord
hadden … (v.40) Degenen die gehoord hebben reageren. Deze is waarlijk een profeet. (v. 40) Daarmee blijkt de menigte nog niet zover te zijn als sommigen uit de bewoners van Jerusalem vreesden getuige hun toevoeging: Toch niet! Toch niet in waarheid kennen de leidenden,
dat deze is de Gezalfde. (v. 40) Nu voor het eerst in Johannes 7 uitdrukkelijk aangegeven is, dat Jezus' woorden gehoord zijn, komt er een reactie: Profeet! luidt het, zelfs: de profeet. Het is alsof we woorden uit Jerusalem horen. In het Evangelie van Johannes klinken zij bij de Jordaan, aan de overzijde van de Jordaan(1,12.28), vrijwel onmiddellijk na het begin van het verhaal, voor het eerst. De woorden klinken daar in een volgorde. Niet de gezalfde. Elia? De profeet? (met het oog op Jesaja ‑ 1,23). Nu, in Johannes 7, speelt de term Gezalfde veelvuldig. In 7,40 is het meteen: Waarlijk de Profeet. En direct daarop zal men horen: De Gezalfde. Daarbij is geen spoor van tegenstelling te horen. Niet alloi de, anderen echter. Enkel alloi, anderen. Déze, niet met name genoemde, is de Profeet, de Christus! Profeet is geen onbelangrijk woord in het Evangelie, zeker niet, wanneer er het lidwoord (de) voor staat. Men treft de uitdrukking aan in 4,19 (bij de Samaritaanse vrouw), in 6,14 (bij brood voor de menigte) en in 7,40, waar de tekst nu ter bespreking ligt. Het woord kan gebruikt worden om Jezus te fixeren, hem scherp te krijgen. In 6,14 blijkt het ook een poging te kunnen zijn, zich van hem meester te maken. Want eenmaal een naam gegeven is het geen kwestie meer, "houd je hem van je lijf". In 9.17 (bij de mens blind uit geboorte), geeft de tekst het woord profeet zonder lidwoord. Het blijkt daar een mogelijkheid, een leerweg te zijn. In het Evangelie naar Johannes is de Profeet Jesaja een rede te meer, een toegevoegde mogelijkheid, een uitdrukkelijk erbij gehaalde garantie van betrouwbaarheid. De tekst van Jesaja geciteerd geeft de mogelijkheid van identificatie. Wie de tekst leest komt Jesaja tegen aan de overzijde van de Jordaan. Johannes geeft hem daar stem, laat horen uit de 3e regel van het Troostboek[211]. In de synagoge van vandaag[212] geldt Jesaja 40,1‑27 als haphtarah (toegevoegde lezing uit de Profeten) bij Deut 3,23‑7,11. De tekst uit Deuteronomium begint midden in het "gebed van Mozes". Hij zou zo graag het goede land in willen. Maar Jozua zal voor het aangezicht van het volk uit gaan. Jozua zal het land "dat jij ziet" in bezit doen nemen. Opnieuw wordt het verhaal verteld, vanaf het begin in Egypte. "Heeft ooit een volk Gods stem gehoord?" Wie de hele tekst leest in Debarim,Deuteronomium, hoort de Tien Woorden en het Sjema (Deut 6,4). Wie de tekst in het hebreeuws leest, hoort direct als eerste woord de naam van Johannes in het hebreeuws: "Jochannan". De tekst begint namelijk met We‑eth‑channan. 0ok daar leest de lezer een tekst "voor de Jordaan11. De toegevoegde lezing uit de profeten[213] begint met parakaleite, troost U (Jes 40,1) wanneer men zich door de Septuaginta raden laat. Aan dit woord is paraklètos/parakleet ontleend, in de regel vertaald als "geest". Zorgvuldig is die naam neergezet in Johannes 14,16 en 16,7.13, zodat een lezer opnieuw, nu onderricht door Johannes' verhaal, kan lezen wat er aan de hand is in het spreken van Johannes, wanneer deze getuigt:Ik heb gezien de Geest, neerdalen ...(1,32). In het Evangelie naar Johannes wordt de lezer aan het begin geconfronteerd met Jesaja[214]. Jesaja maakt het hele verhaal mee, tot in Jerusalem. Want daar roept Johannes, de tekst, hem erbij (12,38.40). De lezer hoort van Jesaja over de stem van de Heer (12,29v)[215] en de arm van de Heer (12,38)[216]. In Jerusalem verlaat Jesaja de lezer van Johannes. Hij laat hem of haar daar alleen met een nogal vrij geciteerd vers. Daarvoor en daarna noemt de tekst uitdrukkelijk de naam van Jesaja: Omwille van
dit konden zij niet vertrouwen dat wederom gezegd
had Jesaja: hij verblindde
van hen de ogen en hij verhardde
van hen de harten, zodat zij niet zouden
zien met de ogen en zouden denken
met het hart en zich omkeren
en Ik hen genezen zal. Dit alles heeft
gezegd Jesaja toen hij Zijn gewicht zag en sprak omtrent
Hem[217]. (12,39‑41 vgl Ex 7,3; 15,26). In Johannes 12,38‑41 klinkt drie keer de naam Jesaja. Voor de laatste keer binnenkomend in Jerusalem brengt de naam van Jesaja de boekrol die zijn naam draagt binnen in de Stad. Het hierboven geciteerde brengt de lezer terug naar het zogenoemde roepingsvisioen. De lezer wordt herinnerd aan het sterfjaar van koning Uzziah. In het jaar
dat stierf de koning Uzzijjahoe zag ik de Heer
zitten op Zijn hoge en verheven troon en Zijn zomen
vulden het Heiligdom (Jes 6,1)[218].
In het jaar van de dood van de koning ziet Jesaja de koning en Zijn gewicht/heerlijkheid. Jesaja presenteert zich in die tekst. Hinneni sjelacheeni, Hier ben ik, zend mij; wajomer lech, en hij zei: ga! Zie mij/Hier ben ik, ga! De woorden zijn kort, zo kort als zij klinken karakteristiek voor Abraham in het beroemde verhaal van Gen 22: de Zoon, de Ene, zal opgeheven worden. Johannes heeft dit verhaal uitdrukkelijk meegegeven en vastgelegd in Johannes 12,32‑34[219]. Daarmee brengt Jesaja in het Evangelie volgens Johannes de lezers van over de Jordaan tot in Jerusalem. "Toevallig" mag men dit niet noemen. Want bij de Jordaan bleken vragen vanuit Jerusalem (1,19). En tussen Jerusalem in 10,22 en (niet 11,55, niet 12,1, maar pas in) 12,12 vindt men de Jordaan weer, waar Johannes doopte. Johannes schrijft de naam van Jesaja voor het laatst in 12,41. Het einde van het citaat staat er opmerkelijk: En ik zal hen genezen.[220] Van de profeet naar de gezalfde is inderdaad een leerweg, een methode, een weg(hodos) die men samen (metha) kan gaan. Het is de weg van de getuigenis. Deze is mogelijk, omdat Johannes aan de overzijde van de Jordaan stem geeft aan de roepende in de woestijn ... de weg van de Heer. Hij is in waarheid een profeet ... Hij is de gezalfde(7,40) reikt deze samenhang aan, althans de mogelijkheid daartoe. Deze reactie van degenen uit de menigte die hoorden over de door Jezus geboden mogelijkheid om tot hem te komen en te drinken, biedt een samenvatting van het Evangelie van Johannes tot het onderwerp van het Evangelie . Daarmee is van de kant van de menigte ook een antwoord gegeven op de "tweesprong" welke in de tekst bij de menigte ontstaan is, toen hij was opgegaan, niet openlijk maar in het verborgene. De menigte mompelde toen omtrent Hem: Hij is goed" hij misleidt het
volk (7,10)[221]. Degenen uit de menigte die deze woorden gehoord hebben, zeiden: hij is een Profeet. Zonder enige tegenstelling hebben anderen toen gezegd: hij is de Gezalfde. Pas dan komt in de tekst een tegenstelling: Anderen echter. De NBG‑vertaling geeft in 7,40‑41: "Sommigen dan uit de schare ... anderen ... weer anderen." Daarmee is de "spraakmakende gemeente" verdeeld in drie gelijkwaardige groepen. Op deze wijze gescheiden zet Johannes hen echter níet neer. Boven is daar al op gewezen. "Sommigen en anderen" in de NBG‑vertaling vormen bij Johannes geen tegenstelling. De "oppositie" bewaart Johannes voor de woordvoerders die zich in de 3e uitspraak melden: Maar sommigen[222]. Maar sommigen zeiden: want toch niet uit Galilea komt de Gezalfde. Zegt niet de Schrift dat uit het zaad van David en uit Bethlehem, het dorp waar David was, de gezalfde komt!(7,41). Drie keer geeft de tekst elegon, zij zeiden[223] een imperfectum: herhaaldelijk zeggen, druk bezig zijn met zeggen. De uitspraak over de Profeet ... de Gezalfde, ziet zich geconfronteerd met een opmerking welke de woordvoerders in de tekst ontlenen aan de Schrift: Zaad van David en uit het dorp waar David was, Bethlehem. David en Bethlechem komen te staan tegenover Galilea. Moet men hier een polemiek vermoeden tussen het “Davidische messias‑koning‑idee" en de "lijdende messias uit het huis van Jozef waarvan Jona een afbeelding is?[224] Dan wordt de tekst wel "nogal van buiten" aangesproken. VAN DEN BUSSCHE meent dat Johannes hier ironisch bezig is. Volgens hem weet Johannes best wel van Jezus en Bethlehem. Maar daarmee blijkt de auteur is bezig een ander Evangelie te schrijven dan hetgeen hier en nu door de tekst ter lezing aangeboden wordt. Johannes geeft een groep sprekers een argument. Hij doet daar verder niets aan af, geeft geen knipoog van verstandhouding naar de lezer. Volgens sommigen echter zou Jezus als Messias gebonden zijn aan een obligaat verleden (David) en aan de autoriteit van de plaats Bethlehem (dank zij dezelfde David). Ook de kommentaar van BARRETT gaat in de richting van ironie[225]. Hij wijst echter ook op de kwestie ek toon anoo/van omhoog, of, ek toon katoo/van beneden (8,23). Ten slotte wijst BARRETT ook op de voor de hand liggende regel, waar Jezus in het Heiligdom lerend riep: En Mij kennen jullie en jullie weten vanwaar ik ben, en uit mijzelf ben Ik niet gekomen(7,23). Johannes voert door middel van woordvoerders in zijn tekst, na de leerweg van Profeet naar Christus/Messias een oppositie op. Die tegenspraak moet verhinderen dat de lezer blijft “hangen” bij David en Bethlehem. Langs die weg wil Johannes blijkbaar duidelijk niet aan de orde stellen wat hij naar voren brengt als onderwerp van het Evangelie. Niet bij het zaad van David of bij Bethlehem het dorp waar David was, kan de lezer het heil zoeken. Gebeurt dit wel, dan ontstaat er volgens de Schrift een schisma, scheiding, dan zal men willen gaan grijpen. Precies op die plek neemt Johannes weer de dienaren in dienst. Nu komen ze (terug). Zij waren immers uitgezonden om hem te grijpen. Ze zullen met een paar woorden terug komen. In 7,45 komen de dienaren. Niet: “ze komen terug”. Zij zullen Iets nieuws naar voren brengen, een nieuwe opmerking met een originele wending, geheel passend binnen Johannes 7. Daarom zijn ze niet terug gekomen met een "voltooid deelwoord" aangaande de opdracht waarmee ze weggestuurd zijn. David
en Bethlehem worden alleen hier expressis
verbis in het Evangelie opgenomen, opgenomen en afgeschreven. De tekst wil
de lezers klaarblijkelijk niet hechten aan die naam en dat dorp. Waar Lukas en meer nog Mattheus (met zijn beroep op de profeet) Bethlehem
opvoert, zelfs uitspeelt tegen (‑over) Jerusalem (Mt 2,1), gaat Johannes
er ostentatief aan voorbij, door niet de naam te vergeten. Twee keer zelfs
noemt hij de naam van David. Die naam zal en mag klinken, gekend worden, maar
de tekst wil er niet op in gaan[226].
Wanneer er in het Evangelie enige pretentie is, dan is deze niet ontleend aan
deze beide namen. Zij geven geen investituur.
"L'essence de la raison ne consiste pas á assurer à l’homme un fondament et des pouvoirs, mais à le mettre en question et
à l’inviter à la justice." (Levinas)[227]
David en Bethlehem zijn niet de bronnen die een dorstige kunnen laven. Zij wekken niet op tot een wel van leven schenkende rivieren. Want niet David ‑ hoe hoog verheven en dierbaar ook ‑ niet David is als maat bepalend voor de Mesjiach, maar omgekeerd. De Mesjiach is de norm en maatstaf waaraan David gemeten moet, maar ook mag en kan worden. Zo immers wordt ook Abraham gewogen en ‘zwaar genoeg’ bevonden – in het perspectief van de dag van zijn zoon geportretteerd (8,56). Naar David wordt gewezen. Zijn naam en die van het dorp waar hij was, Bethlehem, wordt afgewezen. Zij mogen niet principieel enig gewicht in de schaal leggen nu hij, het onderwerp van het Evangelie, gewogen wordt. Goed of hij misleidt het volk. In dit dilemma geven deze twee namen geen gezag. Zij mogen zelfs geen gezag geven en zeker niet de doorslag. Daartoe dient een Ander als instantie. In
de Paasnacht zal Nicodemus, de leraar (3,1.2.10) daarover vernomen
hebben. In 7,51 zal hij het noemen: de Tora! “Mettre
en question ... inviter á
la justice”[228]. Een schisma/scheiding
dus ontstond tussen hen vanwege hem (7,43)[229].
In 10, 19 is er een schisma wederom. Dit is dan omwille van deze woorden. De naam Jezus wordt in de wederopname van het woord gesubstitueerd door deze woorden. Zo komen lezers bij hem op verhaal, is hij boodschap en getuigenis voor wie zich binden wil, gebonden weet aan dit verhaal. Zo slaat hij Zijn Tent op in ons midden (1,14). Nog een opmerking. Het is mogelijk, zoals de hedendaagse praktijk dat wil, om met het vertederende van David en Bethlehem aan te komen in het Evangelie van Johannes. Daar kan een norm van gemaakt worden en een goed gevoel. Maar wie dat doet is blijkbaar ontgaan dat Johannes Jezus niet dáárvandaan laat komen. Wanneer Jezus bij Johannes toch ergens vandaan moet komen, dan is het van de plaats waar de messiaanse verwachting bij uitstek wordt hooggehouden, de overzijde van de Jordaan. Achtendertig jaar in de woestijn staan op het punt over te gaan in de nieuwe periode van het veelbelovende, alles belovende land. Daar, bij de Jordaan van 1,28v zie hij (Johannes) Jezus naar zich toe komen. Daar vindt hij plaats, daar is er ook de tijd voor, de volgende dag (1,29)[230]. Het schisma kan men niet beslechten door Jezus te grijpen. Niemand legde op hem de handen. De laatste dag, de grote van het feest, is daarmee niet voorbij. Hij is nog maar pas begonnen. De periode van de tekst waarin het woord grijpen keerwoord was, is daarmee gelezen. 3.14 De dienaren en de Farizeeën (7,45‑49)Het heeft er de schijn van, dat de tekst zijn lezers heeft laten wachten tot het uitbreken van de scheiding (v.43). Nu er verdeeldheid in de tekst verschenen is komen de dienaren. Zij komen volgens de tekst niet terug. Ze komen, en wel min of meer reagerend (oun/dus) op het voorafgaande. De dienaren komen naar degenen die hen tot zendelingen gemaakt hebben: naar de overpriesters en farizeeën. Daarheen, waarvandaan. Maar intussen is er iets anders dan waar iets anders gebeurd. De dienaren zullen gaan spreken vanuit iets anders dan waartoe zij uitgestuurd zijn. Vooralsnog echter wordt hun het woord niet gegund. Een waarom komt hen tegemoet: Waarom voeren jullie hem niet! (7,45) Dat is derhalve wat er aan de hand is. Daar ligt een probleem, het probleem. Zij die gestuurd zijn om hem te grijpen (v. 32), voeren hem niet, brengen hem niet mee. Waarom niet? hem niet? Aan het woord zijn de farizeeën. Farizeeën kan men zien als een keerwoord in 7,45‑48. De periode die in 7,32 begonnen is nadert zijn afsluiting. Op het morren van de menigte waren de dienaren uitgestuurd om hem te grijpen. In de afsluiting van het vorige tekstgedeelte is het woord grijpen voor de derde keer gevallen. Het onderwerp daarbij was niet: de dienaren. Verdeeldheid is gegroeid onder degenen in de menigte die Jezus' woorden van de laatste en grote dag van het feest gehoord hebben: Profeet ... Christus ... maar David!Bethlehem! Toen was er een schisma, een "scheiding". Ze wilden grijpen, sommigen echter uit hen wilden hem grijpen. Maar
niemand legde op hem de handen. (v. 44) Dan komen de dienaren. Wie komt zoals de dienaren, voert hem niet. Dat blijkt uit de waarom‑vraag van degenen die volgens de tekst zichzelf terstond als enig en "eigenlijk onderwerp" opwerpen. De tekst heeft de personen op een boeiende wijze neergezet in het verhaal. In 7,45 kan de lezer of lezeres drie verwijzingen vinden naar de dienaren. Twee keer worden de overpriesters en farizeeën genoemd. Een keer gaat de aandacht naar Jezus. Hij is op de laatste en grote dag van het feest gaan staan (37) en daar staat hij bij wijze van spreken nog steeds ‑ ook onder het teken van woorden als: Ik zl heengaan en jullie …; wie dorst heeft …In de discussie die nu gevoerd gaat worden krijgt men de indruk dat Jezus de grote afwezige is. Agenten voeren het woord. Alsof hij niet komen kan waar zij zijn. Of betreft het een poging tot veroordeling "bij verstek"? Nicodemus zal daar moeite mee hebben. Die moeite is gegrond. Waarover later. Waarom voeren jullie hem niet? (v. 45) Zoals zij Hém niet voeren, zo zal het fragment 7,53‑8,11 aanslibben rond een zekere haar die zij voeren. Zij wordt op de plaats neergezet welke Johannes voor het overige exclusief reserveert voor Jezus: in het midden[231]. Petrus is indertijd met het woord voeren naar Jezus gebracht (1,42). De mens uit geboorte blind zal op dezelfde wijze straks naar de Farizeeën gevoerd worden (9,13). Voeren, zoals de overpriesters en Farizeeën dat van zins zijn, komt pas volop aan de orde in het verhaal dat over het lijden spreekt (18,13.28; 19,4.13) – wanneer men dat tenminste pas in 18, 1 beginnen laat. Hetzelfde werkwoord geeft Jezus’ opdracht aan, wanneer het gaat over andere schapen die Jezus' stem zullen vernemen (10,16). Hetzelfde werkwoord zou ook de afstand kunnen overbruggen tussen Jezus en de zieke Lazarus (11,7.15.16) en de ruimte tussen de tafelrede en wat daarna komt (14,31). Op
de laatste en grote dag van het feest nemen de farizeeën een woord in hun mond
dat grote delen van het Evangelie kan samenvatten ‑ zij het in het negatief:
Waarom voeren Jullie hem niet? Waarom? is een vrij zeldzaam woord in het Evangelie. Het is hier de enige pendant tegenover het tweevoudige waarom van Jezus. Waarom verstaan jullie Mijn taal niet? ... Waarom hebben
jullie geen vertrouwen in Mij? (8,43.46)[232]. De dienaren antwoorden. Aan degenen die de vraag gesteld hebben? Dat zal zeker wel, maar er is meer. Hun antwoord reikt verder dan de kring van degenen die de vraag gesteld hebben – zoals ook de kring van de vraagstellers door het hardop lezen groter is dan alleen degenen die de tekst aangeeft. Het antwoord van de dienaren in het tekstgedeelte waarin de farizeeën centraal staan, is zeer kort en buitengewoon functioneel, wezenlijk: Nog nooit heeft zo een mens gesproken! (v. 46) Het antwoord van de dienaren is ongelimiteerd. Toegesprokenen worden niet genoemd. Ook alle grenzen van de tijd worden gepasseerd: Nog nooit. Alleen hier zet Johannes deze kwaliteit in. Jezus' spreken wordt tot een alles en allen omvattende uitzondering gemaakt. Het adres van de woorden van de dienaren is onbekend. De farizeeën zullen zich direct over deze uitspraak ontfermen met de zorgzaamheid en behoedzaamheid welke de tekst aangeeft – bijvoorbeeld in hun reactie op hetgeen de dienaren zeggen. Zij brengen in: Toch niet ook jullie dwalen (v. 47). Nicodemus zal zich die uitspraak aantrekken, zijnde één uit hen(7,50). Twee keer hebben de dienaren Jezus horen spreken. Met nog nooit tillen zij zijn woorden uit het Evangelie. Zij presenteren Jezus' spreken opnieuw. Zij kunnen de lezer tot de vraag. Brengen als: "Wat heeft Jezus ook weer gezegd?" Aldus maken zij de lezers tot figuren als de leerlingen in het verhaal over het Huis van de Vader die zich herinneren (2,17.22). De herinnering opent de Schriften, doet het woord van Jezus horen ‑ maakt beiden synchroon. De dienaren hebben gehoord over de korte tijd en wie dorst heeft. liet antwoord oD de waarom‑vraag van de farizeeën brengt Jezus als spreker naar voren. Volgens hen is hij een uniek spreker. Waar taalt hij naar? Uit de reactie, het weerwoord van de farizeeën, zal blijken, dat daarmee meer gezegd is dan alleen:"hij is een welbespraakt en begaafd spreker." De uitspraak van de dienaren profileert Jezus blijkbaar als spreker in verband met de Schriften, alsof hij iemand is die de Schriften draagt, bij wie men de Schrift ter sprake, aan het woord hoort komen (vgl 7,15). Daarom zullen de farizeeën zo zwaar inzetten. Zij zullen proberen, hetgeen de tekst vanaf 7,12 wikt en weegt (goed/misleiden) definitief te gaan bepalen. Hoe doen zij dat? Op het nog nooit van de dienaren antwoorden (oun,dus) de farizeeën: Toch niet ook jullie zijn misleid! Daarmee is een beroep geformuleerd op de Tora. Terstond zal ook blijken, dat, hoe zij deze gébruiken. Meer dan zij zich laten leiden door de Tora, maken zij Deze tot een dienend element, een functie in hun eigen gelijk. In de tekst perverteren het Onderricht. Zij beroepen zich op de Tora door deze in te zetten om het volk negatief te kunnen kwalificeren. Het volk kent naar hun zeggen de Tora niet, is dom, ja vervloekt. Alsof de Schrift zich zó laat kennen als zij doen blijken. Alsof de Schrift geen handreiking voor de praktijk is. Nicodemus zijnde één uit hen ‑ derhalve óók sprekend namens hen! – zal de Schrift heel anders schatten. Hij zal aangeven, hoe een oordeel rechtvaardig is. Eén mens wordt door de dienaren uitgetild boven de anderen (vgl 11,50). Door Zijn spreken zou alles aan het licht komen, alles helderheid vinden. Hij spreekt uitzonderlijk. In het verder gaande gedeelte van de tekst, vanaf 8,12, zal Jezus aldus gaan spreken. Johannes heeft het reeds aangegeven in zijn "woord‑voorafll: het licht van en voor de mensen(1,4). In de duisternis schijnt het. Gezien de tekst is de situatie niet anders. De dienaren wekken de indruk een heldere uitspraak te doen over deze mens. Aldus zonderen zij hem af, proberen zij hem – op hun, door de tekst bepaalde wijze – tot Zijn recht te laten komen. Hebben zij dorst gehad? Zijn zij Zijn woorden gaan drinken? Zijn zij naar hem gaan vertrouwen op schriftuurlijk bepaalde wijze (vgl 7,38) en heeft de lezer hier met een rivier van levend water te maken? De farizeeën in het verhaal hebben daar "geen oren naar". Zij vragen ook geen opheldering, geen "Hoezo?" of:"Wat, hoe heeft hij gesproken?" Integendeel. Zij blijken het allang gezien te hebben, beschouwen het althans zo. Het van de dienaren af- of opgeëiste woord nemen zij niet in dank aan. Daarmee wordt hun geen dienst bewezen – terwijl de dienaren toch werkelijk niet uit zijn op hun eigen gewicht (vgl 7,18). De dienaren blijken meer gezegd te hebben dan enkel een antwoord op een gestelde vraag. De Farizeeën wilden geen getuigenis (vgl 1,19) . Zij wilden Hem. De dienaren zijn met een kort woord terug gekomen. Zij hebben gewezen naar Jezus als bron van Zijn Eigen woorden[233]. Johannes heeft het niet nodig geoordeeld, de dienaren de ruimte te geven voor een toelichting of een verweer. De rol van de dienaren is uitgespeeld wanneer zij Zijn spreken door hun getuigenis onderstreept of naar voren gebracht hebben (vgl 7,15). In het verwijt van de Farizeeën blijken de dienaren een plaats te krijgen bij het volk dat de Tora niet kent. Zij zouden zich moeten spiegelen, heet het, aan de leiders en farizeeën. Die zouden als model moeten dienen voor de dienaren, een garantie voor niet dwalen kunnen zijn. Zijn de leiders en de farizeeën dan het criterium? De Farizeeën spreken over de leidenden en hun monoloog met de farizeeën, alsof hun leiderschap de maat is waarin de mens geschapen is. Aldus vallen zij onder het oordeel dat ze snel over het volk uitspreken. Johannes voert hier – het is belangrijk dit wel te bedenken – vreemde oversten en farizeeën op. Zij stellen zich door hun vervloekt[234] op tegenover het volk. Zoals de Tora God laat spreken tegenover de slang, tegenover de aarde na het optreden van de mens, tegenover Kaïn. De Farizeeën leiden de blinden op de verkeerde weg[235]. Kunnen of willen zij (wij?) niet anders? 3.15 Nicodemus: oordelen volgens de Tora (7,50‑52)Johannes 7 presenteert zijn lezer een zekere structuur. Vanaf het begin weet de tekst de aandacht van de lezer te concentreren door het woord drie keer te herhalen binnen een beperkt gedeelte van de tekst. Uiteindelijk is daardoor een tot door nu toe in de literatuur over Johannes 7 nog onopgemerkte zin centraal gesteld:"Oordeelt niet op zicht, maar oordeelt het rechtvaardige oordeel"(7,24). Daarmee onderstreept de tekst zijn eigen opgaande beweging, vooreerst culminerend in het dilemma: Goed ‑ misleiden(7,12), toegespitst op de leer en het leren, het zoeken van het gewicht van Degene die gezonden heeft, Diens welbehagen doen. In hetgeen daarna gebeurt in de tekst blijkt niet, dat men zwaar tilt aan hetgeen Jezus heeft gezegd over het oordeel. Maar in de menigte blijkt toch een alternatieve opvatting naar boven te komen, eindigend in een dilemma. De dienaren hebben desgevraagd zeer kort gesproken, de Farizeeën hebben een veroordeling gesuggereerd. De pericoop, duidelijk begonnen in 7,24 nadert zijn afronding. De tekst geeft hier geen "keerwoord" meer. Het was eenvoudig geweest, het woord "Tora" drie keer in de tekst te vermelden. Johannes heeft het niet gedaan. Waarom? Maar Nicodemus zal onuitgesproken dit woord centraal stellen in zijn woorden over "oordelen". De dienaren waren uitgezonden om Jezus te grijpen. Het gemompel van de menigte heeft de farizeeën en overpriesters tot deze poging tot ingreep gebracht. De dienaren zijn evenwel niet op de vantevoren berekende wijze teruggekomen (7,45). Zij kwamen en brachten enkele woorden mee, zijn dragers van een uitspraak geworden. Maar dat was de bedoeling niet! De farizeeën hebben de uitspraak en de sprekers aangevochten, veroordeeld. Ze hebben zichzelf tot criterium gemaakt. Het volk wordt veroordeeld. Dat kent de Tora niet, zeggen ze. Toch niet een uit de leidenden ..., blijkt hun maatstaf. Nicodemus, zijnde één uit hen, zal de Tora laten klinken. Zo neemt hij het op voor het volk, voor de Tora en voor Jezus. Zoals de Farizeeën in het verhaal de Tora menen voor te schrijven, dat is Tora‑loosheid[236]. Wanneer een oordeel niet gebaseerd is op de Tora, dan is er sprake van onrecht, van het zoeken van eigen eer en gewicht. Psalm 36 geeft de mogelijkheid van een hoger beroep[237]. De farizeeën vervloeken het volk. Die vloek zou zich tegen hen kunnen keren. Ps 119,21 spreekt in dier voege. Hun vloek presenteren ze als pastoraal bewogen zorg. Toch niet ook jullie zijn misleid! Pastoraal van een antipastor, van "huurlingschap" (l0,12v). Tegenover de "ware herder" blijkt wie de "ware blinde" is (Johannes 9). De farizeeën in het verhaal hebben zich op de plaats van Mozes neergezet, alsof zij Mozes naar hun hand kunnen zetten, overbodig maken. Een echte Mozes wordt gekend aan zijn stem (10,3.4.16). Zo hebben de dienaren deze mens herkend. Nog nooit heeft zo een mens gesproken! De dienaren zullen erbij staan als Jezus Zijn getuigenis is en geeft (18,37) omtrent Gods daden van genegenheid, zijn waarheid[238]. Pilatus staat daar geheel en al buiten. Nicodemus heeft in de Paasnacht in Jerusalem geleerd (3,11‑14). Hij blijkt in 7,51[239] leerling geworden van de Tora. Hij wijst naar de Tora en daarom naar Jezus. Hij legt uit hoe men overeenkomstig de Tora mag en moet oordelen[240]. Het Evangelie heeft daar in het voorafgaande eerder over gesproken. En niemand van jullie doet de Tora! Waarom zoeken jullie
mij te doden?(7,19) In de afsluiting van Johannes 7 staat de Tora centraal. Men vindt het woord in 7,49 en 51 uitdrukkelijk genoemd. Veelbetekenend is het weggelaten in 52. De tekst heeft daar laten zien hoe dat gaat, oordelen op zicht (vgl 7,24)[241]. Over al dan niet "kennen" gesproken (49.51)! Nicodemus hoort bij de Farizeeën, is één uit hen. Hij ontkent hun argument. Nadrukkelijk herinnert de tekst aan die nacht (Johannes 3). Nicodemus heette daar: één van de leidenden (3,1). De Farizeeën hebben Nicodemus zoals de twaalf Juda hebben (6,71). Door de toevoeging zijnde één uit hen omlijsten Juda en Nicodemus Johannes 7. De dienaren zouden misleid zijn. Daarmee wordt impliciet gezegd wat niet gezegd wil worden. De dienaren blijken meer gezegd te hebben dan hun woorden in eerste instantie doen vermoeden. Want tijdens het Loofhuttenfeest staat misleiden tegenover:hij is goed (7,12). Volgens het verhaal over Nathanael heeft goed alles te maken met "over Wie Mozes geschreven heeft in de Tora en de Profeten. 1,45) De farizeeën zijn ervan overtuigt dat zij Jezus begrijpen. Zij gebruiken over hem het woord misleiden. Daarmee bereikt het Loofhuttenfeest dat Johannes beschrijft wat eerder uitgeschreven is in het "woord vooraf": hij was in de wereld ... en de wereld kende hem niet ...
Hij kwam tot de zijnen en de zijnen ontvingen hem niet."(1,10v) Judea en Jerusalem proberen buiten het verhaal te gaan staan. En als zij hem dan toch ontvangen, dan zal dat zijn, nadat Pilatus hem overgeleverd heeft om gekruisigd te worden(19,16). Wie niet misleid is zou doen als de farizeeën. Daarmee heeft de tekst hen in hun eigen ogen tot norm gemaakt. Zij zouden als schild dienen, geheel anders dan Abraham, voor wie God een schild wilde zijn[242]. Nicodemus verschijnt in de tekst, tegenover de farizeeën en overpriesters, tegenover Jerusalem en wie daar thuis zijn (vgl 7,25). Tegenover hún veroordeling van het volk zal Nicodemus, overeenkomstig de betekenis van zijn naam, het volk naar de overwinning geleiden. Nicodemus spreekt alsof hij reeds mirre en aloë bij zich heeft voor onder het kruis (19,39). Nicodemus staat in het spoor van de woorden: Wat wij weten, spreken wij en wat wij gezien hebben,
getuigen wij en Mijn getuigenis nemen jullie niet aan.(3,11). Johannes heeft Nicodemus bij het kruis neergezet. Hij heeft hem tot getuige gemaakt van de verhoogde Jezus (vgl 3,14). Met Jozef zal Nicodemus Jezus "kleden" in mirre en aloë, als ware hij een koning die de gerechtigheid liefheeft en afbrekerij haat[243]. Zo worden lezers ingewijd in de gewoonte waarmee de bewoners van Judea begraven in het Evangelie naar Johannes, ingewijd ook in het geheim van die plaats: een nieuw graf nabij, tot deze Voorbereidingsdag leeg gehouden, waar zij Jezus een plaats geven (19,39‑42). Zo ver komt Nicodemus, leraar van Israel (3,10). In 7,51 vernemen lezers langs welke weg men kan gaan kennen. Nicodemus vertelt wat "wij (zouden kunnen en moeten) weten" (3,11 vgl 9,31)[244]. Bij Jozef van Arimatea vermeldt de tekst dat hij leerling van Jezus geworden is in het verborgene uit vrees voor de Joden (19,38). Bij Nicodemus staat dit uitdrukkelijk niet. Nicodemus is in de Paasnacht van Johannes 3 van het duister naar het licht gekomen (3,21). Hij neemt het in 7,52 openlijk voor Jezus op[245]. Er is nog sprake van gemeenschap, van onze in Onze Tora. De tekst laat de oversten en farizeeën niet ingaan op het argument van Nicodemus. Zij wijzen zijn opstelling, oriëntatie en aanwijzing af. Zij doen wat volgens Johannes niet kan, niet mag. Zij fixeren Nicodemus op zijn plaats van afkomst. Zij zeggen: Niet ook jij uit Galilea (7,52)! Ook dit is een oordeel op zicht, op zoek naar zijn eigen belang. De lezers van Johannes zijn vertrouwd met wat Nicodemus doet (vgl 7,51) uit de Paasnacht van Johannes 3, uit 19,39‑42 en uit 7,50v. Nicodemus wordt min of meer aan op dezelfde wijze aan de kant gezet als het volk. De Tora volgens hen kent hij immers niet – daar is hij niet één mee. Hij spiegelt zich niet aan hen en het voorbeeld dat zij geven, hun woord. Hij heeft een ander woord, Onze Tora. Zij distantiëren zich van zijn spreken, menen daartoe een argument te hebben: Onderzoek en zie, dat een Profeet uit Galilea niet wordt
opgewekt11(7,52). Nicodemus' beroep op de Tora brengt de oversten en Farizeeën niet verder dan 7,40. Het woord waar zij zich tegen afzetten, het begrip waartoe de Tora in de mond van Nicodemus hen brengt, luidt: Profeet, alsof er daarna niets meer gezegd is. Niet te missen is een zekere parallellisme in de tekst. In 7,41: Niet uit Galilea. In 7,52: Uit Galilea niet. Eerst : komen; nu:opgewekt worden. Profeet is in 7,40 het woord waarin de gehoord hebbenden uit de menigte na Jezus' woorden over dorst hebben en komen naar Mij Jezus menen te herkennen. Anderen hebben toen Gezalfde daaraan toegevoegd. In hun afwijzing staan de Farizeeën en oversten alleen: tegenover de menigte, tegenover de dienaren, tegenover Nicodemus. Voor hen is het verhaal in die zin afgelopen, dat het oordeel, het zogenoemde oordeel – alsof dat zonder de Tora kan (vgl 7,24) – vast staat. Dat de mens valt onder de macht van de dienaren die zeggen: Nog nooit heeft zo een mens gesproken! kan er bij hun niet in. Daar komen zij niet op. Zij missen het gehoor zo te kunnen luisteren. Zo kan een oude traditie de tekst verder laten gaan met: En zij trokken op, ieder naar zijn eigen huis. De Olijfberg (8,1) werpt immers zijn schaduw reeds vooruit. In het Heiligdom zal de tekst door middel van een latere toevoeging wellicht, maar uiterst zinvol gesitueerd, ruimte vrij maken voor de vrouw in het midden tegenover Mozes volgens hen. Optrekkend (7,53; 8,11) blijkt Jezus niet te veroordelen. Hij hoeft niet te horen en niet te weten wat zij doet om volgens de Tora te oordelen, want hij oordeelt niet. Hij is geen getuige tégen de vrouw. Hij reikt enkel een nieuw begin aan: Van nu af aan (8,11) en maakt haar tot onderwerp. Men kan de tekst evenwel ook lezen zonder de toevoeging en op"voering" in het midden. Men kan ook zien, hoe de duisternis die heel Johannes 7 doortrekt, nu opnieuw geconfronteerd wordt met het licht (8,12). Hoe schijnt het licht in duisternis (1,4v). Wie zo leest zet het scheppingsverhaal opnieuw in, bij Gen 1,3 ‑ het “lied voor de eerste dag". Uitgaande van 1,29 (de volgende dag) betreedt men dan het gebied van Johannes 1,19‑28. Gezien "de volgende dag" is daar plaats voor de voorafgaande. Lezers krijgen dan opnieuw de getuigenis van Johannes te horen. Niet uit Galilea komt een profeet. Wie zo spreekt in Jerusalem is Jona vergeten. Volgens T.J.Sukkah 5,1 geschiedt het woord van de Heer tot Jona ben Amithai wanneer hij het uitgieten van het water in het Heiligdom in Jerusalem meemaakt tijdens Soekkoth, het Loofhuttenfeest. Gezien 2 Kon 14,25 mag men zeggen, dat Jona afkomstig is uit Gat‑Hachefer. Volgens Pirke de R.Eliezer XXXIII is hij het kind van de weduwe uit Sarephath. Volgens T.J. Sanhedrin 11,8 is Jona de zoon van Amithai een emmese nabi, een ware, betrouwbare Profeet. M. ZLOTOWITZ wijst in een toelichting op Jona 1,1[246] op een midrasj waarin Jona wordt genoemd: Ben Amithai, zoon van de waarheid. Wie Johannes 7 leest kan zelf zien en ervaren, hoe beslissend het woord waarheid in Johannes 7 is (18.26.28.40). [209] T.
SAITO, Die Mosevorstellungen,160: Der Evangelist Jh und der Verfasser
der Offb stimmen darin überein, dass Christus nicht auf eine Heilsgestalt (Mose),
sondern auf ein Heilsmittel im Exodus (Passalam) bezogen ist, durch das Gott den
Vätern Israels das Heil gebracht hat. Beide halten Jesus nicht für den neuen Mose
und meinen, dass das Heil in Christus himmlisch ist ... [210] Hoogte, want: Zij daalden af van Kana naar
Kapernaüm (2,12). [211] T.B.BABA
BATHRA 14b (Ed.Soncino 70). The order of the Prophets ... Jeremiah, Ezechiel,
Isaiah ... Let us see again. Isaiah was prior to Jeremia and Ezechiel. Then why
should not Isaiah be placed first? Because the Book of Kings ends with a record
of destruction and Jeremiah speaks throughout of destruction and Ezechiel commences
with destruction and ends with consolation and Isaiah is full of consolation.
[212] Zie bijv THE
SONCINO CHUMASH, vi‑vii. [213] Boeiend is Jes 40,5: Wejar'oe
kol basjar jachdav. S.V.:
En alle vleesch tegelijk zal zien. NBG: En al het levende tesamen
zal dit zien. Willibrord‑vertaling: En
alle mensen zullen haar eenparig zien. LXX: Kai opsetai
pasa sarks to sootèrion tou
theou. En alle vlees zal zien de redding van
God. De LXX leest jachdav als Zijn éne
en substitueert interpreterend: Zijn redding (Hosjea is een deel van de
naam Jehosjea/Jezus). [214] Zoals de tekst geciteerd wordt lijkt hij het
meest op Jes 6,10. Er zijn enkele typische verschillen. In de hebreeuwse tekst luidt het vertaald: En sluit hun ogen
opdat ze niet zien met hun ogen. De LXX weergegeven zegt: En hun ogen
hebben ze zeer vermoeid, zodat ze niet zien. Jo 12, 40: hij heeft van hen
de ogen gesloten ... opdat ze niet zien met de ogen. Typisch in het citaat
is het weglaten van de oren. Voor de lezer (die naar goed gebruik hardop leest,
zijn stem geeft aan de tekst en derhalve het verhaal
behoort te horen, vgl Lk 4,21!) lijkt de toegang open gehouden. [215] Jes 1 is in de synagoge van vandaag haphtarah bij Deut 1‑3,22. [216] Deut 3,12.33.36; 4,23.25.26. Stem van een
die roept. En Wie is Degene Die roept? [217] Bijv Deut 3,34.
[218] Jes 6,11 vgl Jo 10,29. [219] Zie ook Jo 3,14. [220] Daarbij is er geen verschil tussen Jo 12,40
en de LXX. 'Ik zal hun genezen' in het grieks van de
LXX tegenover het hebreeuws: Opdat zij niet zien met hun ogen ... omkeren en
genezen worden. In de dagen van Uzzia
is het horen naar de stem verdwenen en staat Ani
Adonaj Rophecha (Ik ben de Heer je geneesheer ‑
Ex 15,26) nog steeds en weer opnieuw in het teken van het uitstel. [221] Goed (7,10) vgl 1,46 (vlgs Mozes en de Profeten.) [222] Het is niet eenvoudig, bij BULTMANN 7,41 te
vinden. In zijn kommentaar is 7,36‑45 overgeslagen
(elders ondergebracht). De door BULTMANN gepresenteerde ontstaansgeschiedenis
van de tekst verplicht de lezer, 7,41 te zien als een schisma binnen het kader
van die Kontingenz der Offenbahrung (W). Het schisma is het doel. Volgens BULTMANN
moet het daarnaartoe. Hoe eigenaardig dit schisma is
zal in het bovenstaande nog aan de orde worden gesteld bij 7,43. BULTMANN gaat
niet in op de formule hoi de. Zonder verdere toelichting omschrijft hij
eenvoudig: andere endlich (o.c., p. 230). Wellicht
heeft hij zich laten leiden door de Vulgata (alii), de Sinaiticus en de
Codex Bezae, welke i.p.v. hoi de:
alloi lezen. BARRETT wijst op deze
variant: to make it quite clear that another division of the multitude is meant.
(BARRETT,270). VAN DEN BUSSCHE
vertaalt: Maar weer anderen.(178) [223] VAN DEN BUSSCHE wijst hier op (178). Zie M.ZERWICK, Graecitas Biblica,
92 n.270. [224] P.A. ELDERENBOSCH, Het onderricht van de Messias, 48, meent hier de tegenstelling
te bespeuren van Jozef tegenover Juda, van het Noordrijk tegenover het Jerusalem van David, de lijdende Messias
uit het huis van Jozef tegenover de koning Messias uit het huis van David. [225] O.c., 78. De lijdende Messias uit het
huis van Jozef zou voorafgebeeld worden in Jona. [226] SANDERS
en MASTIN noteren m.i. ten onrechte (94): ... the Baptist ... he saw in Jesus,
who was of Davidic descent, the destined leader of God's people. [227] E.LEVINAS, Totalité
et Infini, 60. Zie ook de
voetnoot van A.PEPERZAK, in E.LEVINAS,
Het menselijk gelaat, 42 n.6. Hetzelfde statuut
dient men ook toe te kennen aan een tekst. [228] L.c. [229] Het schisma is in hen. Vgl 9,16. [230] Zie J. ENGELEN, De
choreografie van Johannes. [231] 8,3.9 tegenover 1,26; 7,14; 19,18 en 20,19.26.
[232] Waarom zou ook moeten aangeven, dat
de mirre niet zou mogen (12,5) en schetst de verbazing van Petrus die hoort, dat
Jezus naar een plaats gaat waar hij niet kan komen (13,7). [233] In wat zij Jezus hoorden zeggen heeft Deze
hen gewezen naar zijn plaats: De hem gezonden hebbende. Zij zullen hem zoeken
en niet vinden. Een verborgen bron. Johannes heeft daaraan toegevoegd: de geest.
Zie ook 9,21. [234] Niet eparatos
(hapax) maar epikataratos.Genesis 3,14.17; 4,11
LXX. Zo ook Kanaän, knecht der knechten (Genesis 9,25), ieder die Jacob
vervloekt, in de zegen die Izaak uitspreekt (27,29) en de toorn van Simon en Levi Zie ook de catalogus in Deuteronomium
27,15‑26 en Deuteronomium 26,16‑19. [235] Deuteronomium 27,18 (planaoo).
Zie Johannes 9. [236] Anomia, "Tora‑loosheid".
LXX Ps. 35,3.4.5.13. [237] In Ps 36,1 David. Joodse tradities wijzen
daarbij op David en Goliath, of Architofal met Absolon tegenover David. Zie A.Ch. FEUER,Tehillim
II,438v. Ps 35/36 zou hier mee kúnnen klinken. Daartoe kan men enkele aanwijzingen
geven. David (Jo 7,42/Ps 36,1); de Tora, bron van leven (Jo
7,37v/Ps 36,10); licht (Jo 8,12/Ps 36,10). Voor Jezus blijft in het Evangelie
alleen de schaduw (LXX skèpè vgl skènè/tent:)
van de vleugelen van de Heer. Verhalenderwijs is dat de Ark van het Verbond,
bedekt met het Verzoendeksel. Het is de plaats van de Getuigenis (Ex 25,16).
Zie 1Kon 8,6;Ex 25,16‑20;37,6‑9 en Deut 10,1‑11. [238] Vgl 14,6. Zie ook door Mij (10,9),
de deur. [239] S. PANCARO,
The Law,138. Most commentaries have precieus little or nothing at all
to say about v.51. Exceptionally, some point out that the Pharisees ... are themselves
showing ignorance of and disloyalty to the Law. Zie ook de aldaar
aangegeven literatuur. De auteur gaat in op de betekenis van de woorden, legt
echter geen verband met 7,24. [240] . S. PANCARO I.c. houdt het op another instance of Johannine irony. Dit lijkt een
te algemene opvatting voor deze tekst. [241] Philippus nodig Nathanael uit om te komen
zien (1,47). Dan hoort Nathanael Jezus met alle gevolgen vandien. [242] Genesis 15,1. J.CASEAUX, o.c.,218v.:
Le nom d'Abraham, authentiquement prononcé en Israel, y pose une limite à l'autonomie
humaine. Choisir Ie nom d'Abraham peur se recommander á Dieu, c'est accepter une
insécurité dans l'origine même ... Evoquer Abraham, pour Ie juif véritable, c'est
quitter la sécurité d'une généalogie, dont précisément les deux premiers maillons
ne tiennent point entre eux à la manière humaine; c'est s'exposer une action nouvelle
et déroutante. [243] Gij bemint gerechtigheid en haat afbrekerij. Daarom heeft God, jouw God, je gezalft met vreugdeolie boven je vrienden. Myrrhe, aloë en kassia zijn al je kleren, uit de ivorenpaleizen verheugt je het snarenspel (Ps 45,8-9). [244] Vgl het graf van Mozes in hun (farizeeën/"Joden")
mond: Wii zien ... wij weten (9,28v).
De mens antwoordt met hetzelfde: Wij weten (9,31). Een leraar (vgl 9,34:
En jij leert ons!) verdragen zij in de tekst niet meer. Zo wordt hij buitengeworpen.
Als Jezus (9,22.34). In 7,52 krijgt de lezer(es) de indruk, dat men zo ook van
Nicodemus af wil. [245] J. CASEAUX, o.c.
schrijft ook over Johannes. Hij zegt, dat het
Johannes meer gaat over de situations typique plutôt que de jugements portés
sur les personnes elles‑mêmes. (p12). In een voetnoot wijst hij op Nicodemus
in 19,39. Nicodemus van 7,52 noemt hij niet. [246] M. ZLOTOWITZ, Jonah.78. |