4. Eerste situering van Johannes 7: de choreografie van het Evangelie4.0.
Inleiding (Johannes 1,1‑18) Naar welke plaatsen neemt het Johannes‑evangelie de lezer(es) mee? Wat situeert het verhaal waar? Waarheen wil de tekst langs zijn weg de lezer(es) brengen? Wat geeft de tekst daar ter plaatse te lezen? Dit zijn de leidende vragen in de choreografie van Johannes, de beschrijving van de plaatsen en verplaatsingen. Zij bepalen de tekst in deel 4. De tekst zal zich beperken tot het Evangelie van Johannes. Gesprek met fragmenten uit de literatuur over de genoemde plaatsen in het Evangelie wordt in de aantekeningen gevoerd. Aldus wordt de hoofdlijn zuiver gehouden: welke weg kiest Johannes, de te lezen tekst? Aldus wordt aangegeven wat ruimtelijk gesproken het draagvlak is van Johannes 7, wat het "voorafgaande en volgende" is met betrekking tot Johannes 7, de tekst die in dit onderzoek aan de orde is. Het evangelie naar Johannes opent
met het bekende begin als hoofd[1] van de tekst. Het reikt
bij wijze van schrijven en lezen steeds zijn eigen princiep[2] aan, zijn eigen opschrift
en inschrift, dat wat deze tekst beheerst[3] en als hetwelk het van
kracht is ‑ met alles wat in het milieu van de bijbelse literatuur dan te vermoeden is: het begin van Johannes,
déze tekst, klinkt als de inzet van de Tora[4]. Door het verband met
Gen 1,1 worden in de aanhef van het Johannes‑evangelie ook "hemel
en aarde" gehoord. Zo worden God en het Woord de eerste gaven[5] van de tekst[6]. God spreekt. De tekst gewaagt van God
en Zijn Woord in den beginne (vgl Wijsheid 8,22) als begin. Aan de orde is een
beslissende (alles door Hem ... en zonder Hem niet één) geschiedenis. De tekst
presenteert deze geschiedenis als leven[7], licht[8] voor de mensen. De plaats
van dit "licht" is welbepaald: "in de duisternis”[9]. Wil de duisternis dit
licht? Wil het er van weten? De tekst luidt:"niet aannemen, niet aannemen"[10]. 10 Het "duister"
wil van opheldering niet weten. Onder deze voor‑waarden begint
"de geschiedenis van een mens". Als eerste naam wordt "Johannes" geroepen[11], eerste oogst[12]
in deze tekst, eerste vrucht van het woord. Daarna geeft de
tekst toespitsend: deze Johannes is niet het licht(1,8; het leven,
het woord ‑ 1,4). Johannes komt getuigenis geven omtrent het licht. Drie maal reikt de tekst aan het hoofd
dit woord aan: getuigenis (7.8.12)[13]. Een toorts[14] geeft licht. De geschiedenis[15] is van het licht in
het donker wordt uiteengezet en samengevat: over niet aannemen en aannemen. Daartussen
staan "degenen die uit God geboren zijn". Op een cryptisch aandoende
wijze[16] leest men: Johannes
geeft een getuigenis over Wie na hem kwam. Diens geschiedenis gaat hem vooraf
(1,13). Wie? Over Wie wil verteld worden? Welk onderwerp is nog zoek? Het is het
onderwerp van het hele Evangelie! En dit is de
getuigenis van Johannes (1,19). Opnieuw zet het verhaal in. Wie leest heeft reeds vernomen waar het genoemde Johannes om
te doen is: de geschiedenis van het Woord als vlees. Het wordt niet
aangenomen. Johannes zal er zijn naam bij zetten, geeft zijn getuigenis.
"Ik stond erbij en ik keek ernaar." Een woord van iemand die gezien
heeft[17]. 4,1.
Van Jerusalem naar Galilea (Johannes 1,19‑51)
Wie leest kan weten en vermoeden dat het over "Johannes
de Doper"[18]
18 gaat. Het Johannes‑evangelie geeft de naam echter niet. De naam Johannes
krijgt in dit evangelie niet het predicaat "De Doper". De tekst geeft
niet meer informatie dan wat er staat. Johannes geeft zijn eerder (1,8) aangegeven
getuigenis: En dit is de getuigenis van Johannes. Deze
getuigenis klinkt niet toevallig. Hij is gedateerd, krijgt stem en inhoud "toen
de Joden uit Jerusalem tot hem priesters en levieten gezonden hadden"(1,19).
Het is alsof men vanuit Jerusalem[19] in het Johannes‑evangelie
direct Johannes ziet staan. Ze willen van hem horen. Ze zenden daartoe priesters
en levieten[20].
Alleen hier noemt de tekst hen. Handelt het soms om een dienst in het Heiligdom?[21]
Ligt het Heiligdom dan zo dicht bij de plaats waar de tekst Johannes heeft neergezet?
Moet er zo aanstonds uit de Tora gelezen worden en is
er daarom sprake van priesters en levieten? Het antwoord op die vraag blijft open.
De naam Johannes klinkt blijkbaar vanzelfsprekend bij "Jerusalem". De gezondenen hebben een welomschreven
vraag meegekregen. Zij zullen gaan vragen: Jij, wie ben je? De lezer(es)
is aldus onder ogen gebracht, welke vraag volgens de tekst bij de getuigenis van Johannes hoort, welke vraag hem in staat
stelt, getuige van de getuigenis te zijn én te beschrijven wat "getuigenis
geven" inhoudt. Tegelijkertijd legt de tekst dezelfde vraag op de lippen
van wie leest: Jij, wie ben je?[22]
Aldus is alle aandacht gebundeld en gericht. Ook van de lezers. De lezers zijn
zolang de lezing duurt, door de tekst tot priesters en levieten gemaakt,
gezonden door de Joden uit Jerusalem. Alleen dit blijkt nog ter zake: Jij,
wie ben je? Deze vraag geldt als een wachtwoord. Johannes geeft zijn getuigenis.
Hij beleed het en hij ontkende het
niet en hij beleed"(1,20).[23] Het kan niemand ontgaan, het mag en zal niet. De tekst maakt
er geen geheim van. Johannes is begonnen. Hij heeft het woord genomen, laat zijn
getuigenis klinken, ruimte makend, meer ruimte dan door de vraag uit Jerusalem
leek aangedragen[24]
of deze expliciterend. "Ik ben het niet!" Maar dát staat er niet. Johannes
belijdt: Ik ben niet de Christus(1,20)[25]. Daarmee is het hoge
woord eruit. Na hem komend, voor hem, hem vóór."Ik ben de Christus niet"
klinkt als de getuigenis in het Johannes‑evangelie
op naam van Johannes, wanneer het verhaal de naam van de (minstens in de tekst)
eerste plaats op aarde genoemd heeft: Jerusalem(1,20). Jerusalem blijkt
de eerste instantie welke dit getuigenis aangaat. Jerusalem: opdat vanuit Tsioon
zijn redding[26]
zichtbaar wordt in Israel[27]. Johannes kan en bestaat
in het evangelie niet zonder Jerusalem. Vandaar komt de vraag, de "voorzet". Daarop geeft
Johannes zijn "inzet": Ik ben niet de Christus, niet de Messias.
Vanuit Jerusalem bereiken de lezers
in de getuigenis van Johannes de overzijde van de Jordaan.
Veel zal er evenwel nog gehoord moeten worden voordat Johannes deze naam noemt.
Pas na de getuigenis, na de nodige vragen en antwoorden,
krijgt dit verhaal een veelbetekenende plaats toegewezen. Dit alles geschiedde
in Bethanië[28] over de Jordaan[29].
Op deze wijze is een oversteekplaats gemarkeerd: over de Jordaan[30] Zo aanstonds zal Jezus gaan gelden als ware Hij een plaats[31]. Naar zijn plaats, waar
Hij verblijft (38v) zullen twee die als leerlingen van Johannes worden opgevoerd,
vragen[32]. Een richting wordt uitgezet. Jezus, liet onderwerp van 1,43, wil uitgaan naar Galilea. Vanuit Bethsaïda komt Philippus
(44), aangesproken en tot volgen uitgenodigd door Jezus. Heel verborgen dient
de tekst de volgende plaats aan, de plaats van het hoofd van de tekenen.
De naam Nathanael wordt in 21,2 verbonden met Kana. Nathanael blijkt oren te hebben
voor Mozes en de Profeten 45). Hij vraagt naar de/het goede (1,46
vgl 7,12). Kana is de plaats van de bruiloft[33]. Wanneer beneden[34]
in Kapernaüm een zoon op het punt van sterven is, vindt in Kana de ontmoeting
met iemand koninklijk(4,46) plaats. De vader zal afdalen[35], van Kana naar Kapernaüm.
Onderweg wordt de genezing gemeld. Dat heeft gevolgen voor zijn hui (4,
53) ‑ een huis waar iemand koninklijk weer Vader van een Zoon kan
zijn dank zij de Zoon (zie 2,16 vgl Genesis22, Joannes 8,56). Vanuit Jerusalem, vanaf de Jordaan,
bereikt de tekst Kana[36] in Galilea. Aan de "hand"
van Johannes daalt wie leest mee af, van Kana naar Kapernaüm (2,12). Men verblijft
er niet vele dagen[37], één vers lang. Voordat
de lezer zich heeft kunnen nestelen heeft de tekst hem naar Jerusalem gebracht[38]. 38 Dan is het Pasen.
De tekst wil dan naar Jerusalem. In kata/omlaag en ana/omhoog
is de beweging van de engelen (1, 52) aangegeven, wordt de voortdurend verhaalde
beweging tussen Egypte en Israel bespeurd, wordt de geografie van de Paasnacht verteld, de grondslag van heel het verhaal, van
alle verhalen aangaande het fundament[39] 39 van het Woord. Daarmee
is de tendens van Johannes' aardrijkskunde aangegeven. Vanuit Jerusalem heeft
de tekst de overzijde van de Jordaan (Bethanië) met Galilea (Kana/Kapernaüm) verbonden.
Daarna is het Pasen, in Jerusalem (2,13). 4.2.
Van Galilea naar Jerusalem (Johannes 2,1-3,21) De eerste plaats in Galilea die het Johannes‑evangelie
noemt is Kana! Daarbij is Kana zeer tijdgebonden: op de derde dag[40].
De tekst beschrijft er Jezus en Zijn leerlingen. De afstand van over de Jordaan
naar Galilea biedt de ruimte waar de leerlingen geroepen worden, gevonden.
Zijn moeder is er als het ware vanzelf op de bruiloft. Jezus verschijnt
er als een geroepene. Waarom? Waartoe? Wie gaan er aan het begin van het
vierde Evangelie huwen en waarom dient wie leest dit te weten? De luister van
welke bruiloft brengt het verhaal van Jezus en Zijn leerlingen in de juiste stemming?
Welk huwelijk staat vrijwel aan de poort van het Evangelie volgens Johannes? Deze bruiloft is opening en uitleg.
Geen namen worden genoemd, geen andere dan die van Maria en Jezus. Maria is
er, Jezus is erbij geroepen. Maar Johannes, déze tekst, heeft het aldus
niet beschreven. Johannes noemt de naam Maria niet[41]. De tekst noemt haar:
Zijn moeder. De naam van Jezus klinkt als enige tijdens deze bruiloft.
Hij is toch niet de bruidegom? Verderop zal de tekst zich daarover uitspreken(3,29).
En wie is dan de bruid?[42] 42 Deze vraag maakt
het mogelijk, Jerusalem nu reeds binnen te halen in dit verhaal[43], vooraan. Van Kana weg gaat
men in het vierde evangelie via Kapernaüm. Waarom? Waarom deze verder nog niet
, in ieder geval “nauwelijks” ingevulde plaats? Waarom hecht de tekst eraan,
dit verblijf van niet vele dagen ten gehore te brengen?[44] Het antwoord kan niet moeilijk zijn.
Door over Kapernaüm te schrijven kan de tekst het werkwoord blijven laten zien.
Dit woord draagt herinnering aan: vanuit Jerusalem, over de Jordaan, maar bovenal
ook in het licht van de Geest op Hem blijvend (1,32.39) en waar Hij
verblijft(1,38). Tenslotte wijst het werkwoord blijven
ook reeds naar het verhaal dat uitloopt tot in de Samaritanen‑stad (4,48).
De mensen horen en zien daar, dat Déze is in waarheid redder van en voor de wereld
(4,42). Door dit verblijf van niet vele dagen
is tegelijk mét Kana ook Kapernaüm genoemd. De tekst vraagt nu reeds aandacht
voor het samengaan van deze beide plaatsen. Bij Kana hoort Kapernaüm, plaats voor
nog een verhaal. Jezus daalt af van Kana naar Kapernaüm.
Voor zijn moeder is die afdaling voldoende. Na 2,12 verschijnt zij pas weer in
de tekst van 19,25, aan de voet van het kruis[45]. Zijn broers zullen
reeds in het 7e hoofdstuk aan het woord komen met een typische opzet. Pas in 20,17
krijgt dit lezer daarna dit woord weer onder ogen. De
leerlingen zullen zo aanstonds mee gaan naar Jerusalem.
Daar zullen zij als onderwerp van een werkwoord. zijn. In het Evangelie naar Johannes mag duidelijk zijn dat na het
hoofd van de tekenen Kana[46] en Kapernaüm in verband
met elkaar te lezen zijn. Zij horen bij elkaar als "boven" en "beneden"
(2,12; 4,46). Ze roepen elkaar op. Na het hoofd van de tekenen in Kana zal in
Kapernaüm het teken wederom (4,54) plaats vinden. Johannes kent maar één
teken. Het staat aan het hoofd en wederom. Buiten deze twee zal de tekst geen
tekenen meer tellen. Dit éne in tweeën moet volstaan[47]. Kana en Kapernaüm horen bij elkaar.
Het huwelijk(‑sverbond) zal ondanks de ontbrekende wijn doorgang vinden.
De Zoon van het Koningschap (vgl 19,19) zal leven. De dienaren doen alles overeenkomstig het woord van de moeder van Jezus. Dan wordt
de mooie wijn geproefd. Na aldus de ogen van de lezers geopend te hebben neemt
de tekst de lezers mee naar Jerusalem. Het is een reis van enkele woorden. "Pasen"
blijkt een startsein. Pasen is dichtbij (2,13). Na de geschiedenis van de bruiloft
die in Kana toch doorgegaan is en de reserve voor Kapernaüm (met wat daar geschieden
zal), kan nu Pasen gevierd worden in Jerusalem. En dichtbij was het Pasen der Joden;
en op naar Jerusalem ging Jezus; en Hij vond in het Heiligdom[48];
en gemaakt hebbend ... wierp Hij uit; en Hij goot uit; en Hij keerde om; en Hij
zei (2,13‑16). In zeven werkwoorden gebeurt het. Jezus
spreekt[49] in het Heiligdom[50]
Sinds de getuigenis van Johannes (1,19) is op deze komende gewacht door
Jerusalem. Hij is gekomen. Het eerste wat Jezus bij Johannes in Jerusalem zegt:
Neemt dit
(alles[51])
van hier en maakt niet het huis van Mijn Vader tot een huis van verkoop.(2,16) De lezers ‑ afgezien van het verhaalde kan het in een tekst
alleen om hen gaan ‑ hebben gehoord/gelezen wat er gebeurd en gezegd is.
De tekst "zoomt in" als een kamera. De leerlingen komen in beeld, blijven
voor een ogenblik alleen over. De lezer moet hen wel opmerken. Om hen is het begonnen.
Johannes heeft dit reeds eerder laten blijken (1,35).De leerlingen zijn gespitst
op waar Hij verblijf (1,38). Voor lezers mag hun reactie belangrijk zijn.
Johannes neemt er de ruimte voor. Wat doen de leerlingen wanneer dit
(alles) plaats vindt in het Heiligdom? Hebben zij vragen? Gaan ze ermee akkoord?
De tekst geeft dit niet. Hij reikt een andere richting aan: De leerlingen herinnerden zich dat
geschreven is (2,17) Wanneer Jezus opgegaan is naar Jerusalem en daar doet, herinneren
de leerlingen zich dat er geschreven staat. De herinnering opent in het Heiligdom
de Schriften. Wat herinneren zij zich? Welke zinsnede uit de Schrift mag de lezer
van het Evangelie volgens de tekst bij wijze van herinnering niet vergeten? De
ijver voor Je Huis verteert mij. De herinnering legt in het Heiligdom van
het Evangelie het Boek der Psalmen open bij Psalm. In 2,17 wordt Psalm 69,10 gelezen.
Daarmee is de context aangegeven bij de "tempelreiniging volgens Johannes".
De herinnering van de leerlingen geeft
de situatie en de gebeurtenis van het verhaal een eigen licht. 'Red mij God"
(Psalm 69). De stamletters van het hebreeuwse werkwoord
zijn ook herkenbaar in de naam Jezus. Want de wateren
komen tot mijn ziel. Een lied in uiterste nood. Van David. Wanneer Jezus aangekomen is in het
Heiligdom maakt de herinnering van de leerlingen David[52] tot medespeler en woordvoerder.
David als context kan veel oproepen: zijn huis voor de Heer, van/door de
Heer. De herinnering van de leerlingen heeft de naam van David onzichtbaar neergeschreven
in het Heiligdom. Hij krijgt een zoon, een lichaam[53].
Aldus heeft de tekst in het 2e hoofdstuk alles bijeengebracht en gezegd, tot en
met dood en opstanding toe (2,19‑22). In 2,22 staat: Toen Hij dus opgewekt
geworden was uit de doden. Het Evangelie wekt de indruk voltooid te zijn.
De rest is predicaat. Van hieruit gezien is het gesprek met Nicodemus meer dan
a general remark about the situation prevailing in Jerusalem after Jesus' first
public appearence there![54]
Een vraag klinkt uit de Joden[55]:
welk teken?[56]
(2,18). Het antwoord spreekt over de afbraak van het Heiligdom, het Heiligdom
van Zijn Lichaam. Daarop volgt de herinnering van de leerlingen, zorgvuldig
gedateerd. Toen Hij dus opgewekt geworden was uit de doden, herinnerden Zijn
leerlingen zich dat Hij dit gezegd had. Ook deze 2e herinnering is welgeordend:
en zij vertrouwden de Schrift en het woord hetwelk Jezus gezegd had. Hierbij
aansluitend laat de tekst horen, hoe velen gaan vertrouwen
op het gezag van Zijn Naam toen Hij was in Jerusalem, in Pasen[57], in het feest. Maar
Jezus blijft op afstand. Hij heeft geen getuigenis omtrent de mens nodig. Gedurende de nacht[58] is toen gekomen een
mens[59], Nicodemus, overste
van de farizeeën. Tijd en plaats zijn niet veranderd. De tekst beschrijft de situatie
van Nicodemus zoals de lezer van het 4e evangelie deze aantreft: een mens in
de paasnacht in Jerusalem, een leider van de Joden. Jezus
zal hem later toespreken als leraar van Israel. Hij zal er aan toevoegen:
En jij weet dit alles niet! Pas in 7,51 zal Nicodemus weer spreken. Eén
zin slechts. Wij weten! Zie
verder 5. 2. 1. Over de rol van Nicodemus in Jo 7 is geschreven in de bovenstaande
delen 2 en 3 (23v.26.37.42v.102vv). 4.3.
In het land Judea (Johannes 3,22-4,3) Uit Jerusalem gaat Jezus naar het land Judea[60]. Hij verblijft er met
zijn leerlingen en doopt er, zoals Johannes dopend is[61]. Bij Ainoon en Salim[62].
De tekst voegt er aan toe: Want nog niet was hij geworpen in de gevangenis[63]
(3,24). Nog niet. Nog is er de tijd van het uitstel, is er een reserve.
Intussen is niet verteld dat Johannes
zou rondtrekken. Hij is niet weggegaan bij de Jordaan. Uit het verhaal weten lezers niets over zijn weggaan naar een andere
plaats. Het oord van getuigenis en doop is niet veranderd, geeft zelfs
ruimte voor een nieuw verhaal. Ainoon en Salim kunnen genoemd
worden want nog niet. Voordat op Johannes de deur dichtvalt zal hij spreken nu het nog kan. Aan de orde is het
vele water[64]
voor onderdompeling en elke dorst. Er is een uiteenzetting over de reiniging[65]. Straks zal dreiging
groeien bij het water in Jerusalem[66], naar aanleiding van
een verlamde (5,5). Door dát verhaal gaan de Joden Jezus zoeken te doden,
want niet alleen had Hij losgemaakt de Sjabbath, maar ook had Hij God Zijn
eigen Vader genoemd, zich gelijk makend aan God (5,18). (Ook het 6e hoofdstuk
kent het water. Het heeft er de dodelijke ‑ vgl Apocalyps 21,1 – trekken
van de zee waar men in blijft, tenzij! Over[67] de zee (alleen in Jo
6 en 21). Na die tocht zal Jezus spreken in de taal van de zegening. Gods naam
brengt Hij dichterbij. Dan is er brood.) Ainoon en Salim vindt men
alleen in Jo 3,23. Een geografische of archeologische kaart voegt daar niets aan
toe[68]. Ainoon geeft alleen de Septuaginta
in de Codex Vaticanus (4e eeuw) bij Jozua 15,61. In de regel geeft de Septuaginta
hier "Madoon" of "Maddein", weergave van het hebreeuwse
Middin. De naam Middin kan men vertalen. Vanwaar Recht. De
hebreeuwse naam van die stad kan verwijzen naar de plaats waar het recht hooggehouden
wordt. Jerusalem (Jozua 15,63) mag dan achter de horizon van het vermoeden (Jozua
15,61) liggen. Salim (Johannes 3,22) versterkt deze indruk. Sinds Genesis 14,19
is Gerechtigheid daar Koning (Melkisedek), uit de hemel zo maar op aarde. Geen
vader of moeder is van hem bekend. Ainoon/Ayn betekent oog en bron.
Geen wonder dat daar sjalom aan water is. De plaatsen Ainoon en Salim[69] 69 zijn evenals Jerusalem,
de Jordaan, Bethanië, Kana en Kapernaum, momenten in het verhaal van Johannes,
zijn geheim, déze tekst. De tekst levert het materiaal voor de verhalen die aan
de orde zijn. Als Schrift zijn zij niet afhankelijk van de archeologie, ook niet
primair gebonden aan wat daar toentertijd gebeurd is. Men kan de tekst niet ontdoen
van zijn elementen als taal om daarna een "waarheid" of een "eigenlijke
bedoeling" over te houden[70]. Als tekst legt de Schrift zichzelf
uit. Hij is geschreven en aldus bepaald. Wie leest kan niet buiten de tekst om
of er zich van ontdoen. Er is maar één plaats waar Jezus doopt (3,22 zie 4,2;
vgl Rom 6,3). Dat is Ainoon bij Salim in het land van Judea (vgl 4,3). Daarom
spreekt Johannes bij Ainoon en Salim wellicht over de bruidegom (3,29)
en kan Jerusalem de bruid (Zecharjah 9,9 zie Johannes 12,15) zijn.
4.4.1.
Van Judea naar Galilea: Samaria (Johannes 4,3-43)
In
4,3 verlaat Jezus Judea. Hij gaat naar Galilea, steekt over door Samaria. Daar
is Sychar - ook een plaats die alleen in dit verhaal bestaat. Sychar wordt gedefiniëerd
als het land dat Jacob aan Jozef gaf[71]. Ten overstaan van Nathanael noemde Philippus Degene
over Wie Mozes geschreven heeft in de Tora en de Nebiïem: Jezus de zoon
van Jozef uit Nazareth (1,45). In Johannes 4 blijkt de naam Jozef onder
het patronaat van Jacob te staan. Hij is degene die land aan Jozef geeft. In 6,42
zullen de horende Joden[72] deze naam en rol (Jozef,
zoon) aanvoeren om Jezus terug te wijzen[73]. Op
beide plaatsen heet het Jezus,de zoon van Jozef. Nergens wordt Jozef de
"vader van Jezus" genoemd. Want dát vaderschap wordt in het evangelie
naar Johannes toegeschreven aan Die Mij gezonden heeft[74]. Jacob geeft Jozef (4,5) een stuk land. Jozef
neemt (19,38)[75] met
Nicodemus[76] het lichaam. Onmiskenbaar is dit
niet dezelfde Jozef. Maar wie zo peinst over Jozef mag niet proberen te ontkomen
aan hetgeen en hoe geschreven staat. De namen brengen de verhalen met elkaar in
verband. In Sychar is de bron van Jacob[77]. Wat mag een lezer, gezien
Genesis 29 verwachten wanneer Jacob een bron vindt?[78] Welke
verwachting? Welk huwelijk? Bij de bron van Jacob ontwikkelt de tekst n.a.v. een
uitdrukkelijk initiatief van Jezus een zonderling gesprek. Johannes is de enige die Jacob naar voren haalt met
zijn zoon Jozef. "Vader en Zoon" kan de samenhang van het Evangelie
vertolken. Jacob zendt Jozef naar diens broers (Genesis 37,13). Geeft de vader
een bron? Met die vraag kan Johannes 7,37 en 4,10 dichterbij komen.
De
Samaritaanse heeft geen man[79]. Zij
heeft profetisch gesproken, de eigenaardige trek welke Jerusalem soms gelijk maakt
aan de volkeren. Zij brengt Jerusalem binnen in het gesprek. Eredienst, ware eredienst[80] in
geest en waarheid. De Geest wijst vanaf het begin naar de verzoening tussen hemel
en aarde, naar "Gods gelaat naar de aarde gekeerd en wat dan geschiedt"
(vgl Ps 51,13[81]). De
bruidegom, de man voor Israel en de volkeren. Kana wordt herschreven. De tekst
zoekt naar de opstanding, speurt daarnaar door de duur van de tijd in de woestijn
(vgl 5,5), zoekt het manna (6,32) van de vaderen. Samaria ligt tussen Jerusalem
en Galilea. De dorst is het motief voor het verhaal over de vrouw en haar man
(4,17), over de redding vanuit de Joden (4,22)[82]. Na het intermezzo in Samaria komt dan toch eindelijk
de reis naar Galilea op gang. De tekst laat Jezus het motief voor Zijn reis erbij
geven. Want Jezus had zelf getuigd dat een profeet in zijn eigen vaderstad
niet geëerd is. (4,44) Deze relatie is typisch voor Johannes. Lukas beschrijft
een afwijzing van Jezus in Nazareth (Lukas 4,24). Bij Johannes is daar geen sprake
van[83]. De
Galileërs ontvangen Jezus. Ze hebben gezien wat Jezus in Jerusalem tijdens het
feest gedaan heeft. In het Johannes-evangelie is Jezus een Jood, een man uit Judea.
Redding is uit de Joden (4,22).
4.4.2.
Galilea (Johannes 4,43-54)
Als
vanzelf komt Jezus uitgaande (4,43) naar Galilea, naar Kana van Galilea waar
Hij water wijn had gemaakt, het begin en hoofd van de tekenen (2, 11).
Straks zal de tekst noteren: Het tweede teken of teken wederom![84] Kana en Kapernaum. Nu mag duidelijk worden hoe deze
twee aan elkaar gewaagd zijn. De tekst geeft aan waarom de lezer bij ana d.m.v.
niet vele dagen (2,12) aan Kapernaüm moet denken. Zoals daar terstond
daarna, Jerusalem bereikt werd, zo zal dit ook gebeuren in 5,1. Nu brengt het
verhaal naar Kana omhoog wat er in Kapernaüm gaande is. Het enige wat Johannes
in Kana over Kapernaüm vertelt is: iemand koninklijk van wie de zoon ziek is!'(4,46)[85] Wederom is het tijdstip aangegeven Na twee dagen
(4,43). Deze duur is in het direkt voorafgaande (4,40) ook genoemd. Dezelfde
tijd treft de lezer ook aan in het verhaal in Bethanië (11,6). Dezelfde afstand
kan men ook lezen tussen daar het voorbereidingsdag was en de eerste
dag van de week (19,31-20,1).De terughoudendheid en schroom van na twee
dagen is alleen verbroken in 2,1 en 2,19v., op de derde dag[86]. In Sychar (4,5) kwam de geest ter sprake (4,24v).
De Geest wordt gegeven bij het is volbracht (19,30). Daar is (vgl
1,32) verwachting geïnvesteerd. De verwachting neemt de lezers opnieuw mee naar
Kana. In Kana vraagt iemand die in Kapernaum thuis is: Daal af! Die iemand
wordt genoemd: Iemand koninklijk[87]. Hij is er reeds. Hij
vraagt Jezus af te dalen (4,47.49) en gaat zelf die weg (4,51). Dienaren komen
hem tegemoet, zeggend dat zijn zoon leeft. Men kan lezen: het zevende uur[88]. (4,52)
Vanuit Kana heeft het zijn beslag gekregen, gekomen uit Judea door Samaria naar
Galilea. Galilea is het land van het hoofd van de tekenen en het teken wederom[89]. Twee steden ogen hier: Kana en
Kapernaum. Zo is Hij gekomen[90]. De
zoon leeft. Hij blijft in het huis van de vader (vgl 2,16;8,35;14,2). Dit is minstens
leesbaar wanneer de Samaritanen belijden: Deze is de redder van de wereld (4,42).
Iemand koninklijk blijkt in de zoon vader te zijn.
Hij heeft een heel huis(4,53).
4.5.1.
Naar het Heiligdom (Johannes 5)
Zeker
sinds Bultmann is het in kommentaren een tijdlang gebruik geweest, Johannes 6
voor Johannes 5 te lezen. Minstens drie feiten in de tekst kunnen duidelijk maken
dat de traditionele volgorde de voorkeur geniet. 1,
Na gaan (4,54) en afdalen (4,47.48.51) geeft de tekst nu opgaan
naar. Literair gezien is dit een goede volgorde (vgl 2,12v). Opgaan naar
sluit beter aan dan weggaan. 2.
Na iemand koninklijk (4,46) geeft de tekst nu iemand mens (5,5).
Aldus rijmen de verhalen op elkaar. 3
Kana, Kapernaüm, Jerusalem is voor Johannes een goede. Zie Johannes 2.
Wil
de tekst de lezer(es) informeren aangaande de reizen of de historische en geografische
bijzonderheden van "toentertijd", met onze vermeende historische oriëntatie?
Dat lijkt onwaarschijnlijk. Aan de orde is: wat er aan de hand is, de geschiedenis
van het woord (1,14) in de getuigenis van Johannes (vgl 20,31), een
tekst. Na het voorafgaande, meer precies na Kana-Kapernaum
(2,12; 4, 46-54) vraagt de tekst weer aandacht voor Jerusalem (2,13; 5,1). Na
dit (alles) (5,1) blijkt de stad meer te bevatten dan priesters en levieten
die farizeeën zijn (1,19.24), méér ook dan een Heiligdom, door Iemand
het Huis van de Vader genoemd – getuige een commentaar in de tekst, zichtbaar
verteerd en afgebroken, maar ook overeenkomstig de Schriften en het Woord
van Jezus opgewekt uit de doden(2,17.19.22). Jerusalem heeft bij Johannes
ook plaats voor een vijver en iemand mens. In Jerusalem blijkt meer te zijn. Een surplus, een
incident voegt zich in. Een erbijkomende zaak gaat hoofdzaak worden. Of gaat het
om de ‘hoofdzaak’? Naar aanleiding van het komende verhaal zal het besluit vallen,
Hem te doden. Jezus gaat op naar Jerusalem voor een feest der Joden[91]. Het feest en deze
plaats horen bijeen, blijkbaar. Jerusalem in het Vierde Evangelie is niet het Jerusalem dat
archeologen aan het stof der eeuwen weten te ontfutselen. Johannes schrijft zijn
Jerusalem zelf uit. Jezus komt er in 5,1 voor de tweede keer. De stad geeft ook
plaats aan een vijver met de naam[92] Bethchesed,
Huize Genegenheid. Vijf zuilen bloeien er. De plaats is gevuld met kommer en kwel.
Wie er ligt kan niet staan, gaan of zien. De mensen liggen er, bij de vijver
verdroogd, los van de wijnstok[93]. Het beeld komt dichterbij. Lezers zien minder hoeveelheid.
Men ziet "iemand mens!' Zijn kwaal duurt gezien Deuteronomium 2,14 zolang
de tocht door de woestijn duurt[94]. In
5,6 ziet Jezus hem ook. Jezus weet[95] van
de lange tijd. De man kan niet bij het water van dit Evangelie komen. Hij heeft
het probleem van God: anderen zijn hem steeds voor. Zelf kan hij geen been op
de grond krijgen. Hij heeft niet een mens[96]. Hoe
wordt hij dan toch gevonden? Door
een toezegging, een woord(5,6). De tijd wordt aangegeven. Even nog hoort men een echo
van dát uur, het zevende uur (4,52).
Nu is het de zevende dag, de dag van Gods Koningschap[97]. Weet
Jezus dan niet dat men op deze dag bepaalde dingen niet doet? Wie zal het zeggen?
Klaarblijkelijk weet Hij wel, dat men op die dag iets
doen moet. Deze mens heeft niet een mens. Het klinkt als een
oud verhaal. Het is niet goed voor de mens alleen te zijn! De Sjabbath richt alle
aandacht op de Tora, adel die verplicht. De Joden zullen straks zeggen: Het is Sjabbath
en het is je niet toegestaan je bed te dragen (5,10). Wie is de mens ...
? Hij weet het niet. De stilte vertolkt hoe deze mens verlamd is en niemand
heeft, naamloos is. Hij zal opnieuw gevonden worden. Hij zal opnieuw moeten
horen, welke naam zijn geschiedenis zo ver gebracht heeft, dat dreigende wolken
samentrekken rond zijn hoofd, dat hém vragen worden gesteld waar hij nog niet[98] opgekomen is. Wie is die mens?(vgl
19,5. Zie ook 1,52 na 1,50). Jezus vindt hem niet "zo maar ergens". De
plaats is bepaald, is eerder reeds verhaalsgewijze aangereikt: In het Heiligdom.
Nu blijkt dat Jezus de mens gezond gemaakt heeft – om hem de weg naar het Heiligdom
vrij te maken. Nu weet[99] de
mens dat Jezus hem gezond heeft gemaakt. Hij bericht het de Joden[100]. De lezer weet nu, welke naam de geschiedenis
van de mens draagt. Het gezond maken van de mens op Sjabbat[101], het op deze wijze hoog houden van Gods koningschap
wordt de mens in het verhaal niet in dank afgenomen. Omwille van dit achtervolgen
Hem de Joden, de Zijnen. Deze daad heeft de tekst als woord verstaan.
Jezus geeft een antwoord. Mijn Vader werkt tot nu toe. Ook Ik werk. (5,17)
Het zoeken te doden is snel geformuleerd. Geen
onderzoek. Geen enkele behoefte om te kennen of te zien blijkt. Nicodemus zal
daar in 7,51 op terug komen. Achtervolgen wordt zoeken te doden. Niet alleen omdat Hij
de Sjabbath had losgemaakt, maar ook omdat Hij God Zijn eigen Vader noemde, zichzelf
gelijk makend aan God (5,18), door werk te doen als God[102]. De
dreiging van de dood reikt een verhaal aan over de Vader en de Zoon, het geheim
van het Evangelie. En nu is het dat de doden de stem van de Zoon horen en de
horenden zullen leveri (5,25) De Schrift is er getuige[103] van;
Jezus is de exegeet (1,18).
4.5.2.
Galilea (Johannes 6,1-7,9)
Als
jullie de Schriften van hem (Mozes) niet vertrouwt, hoe zullen jullie mijn woorden
vertrouwen geven. Na deze uitspraak verandert het decor. Het geruis blijft in het Heiligdom
hangen, zal daar nog van zich doen spreken. Als ware er alleen maar de afstand
van het weggaan (6,1) zo is Jezus naar de overzijde van de zee van Galilea
bij Tiberias gegaan. Deze plaats staat tegenover Jerusalem áls de overzijde
van de Jordaan(1,29). Weer is het Pasen. Jezus toetst Philippus, brengt hem
tot klinken. Hoort Philippus dat zijn eigen woorden aan de orde
zijn? In 1,45 heeft hij Nathanael gevonden met de woorden: Over wie Mozes geschreven
heeft in de Torah en de Nebiïm".Want dft lijkt de sleutel voor de overgang
van Johannes 5 naar Johannes 6. Wat laat de volgeling van 1,43 horen nu Jezus
hem toetst? Wat doet (6,6) Philippus? Hij draagt bezorgdheid aan om een bete broods.
Eén van de leerlingen, Andreas de broer van Petrus (zie 6,68 en Jo 13), met funktie
en verband bekleed, brengt een kind[104]. Vijf
gerstebroden[105] en
twee vissen[106]. Philippus en Andreas zijn voldoende voor het woord
van Jezus: Doet de mensen zitten. Jezus dankt en geeft geheel en al[107]. De
overgebleven stukken worden naar Zijn woord bijeengebracht. Het volk maakt Hem
tot profeet, tot "broodkoning"[108] die
hen goed past om hun spel met Hem te spelen. Jezus ontwijkt dit aanbod, wil geen
"gouden kalf" worden. Hij zal uitwijken, alleen, de berg op[109]. Het wordt reeds laat (vgl 20,19). Kapernaüm heet de
plaats[110] 110 van de zee in Johannes 6.
Reeds is het donker – de plaats van het licht (1,5). Een grote wind, geest[111] en wekt de zee geheel
en al op. Zal hij zijn prooi prijs geven? Is er partnerschap tussen hemel en aarde?
Gaat het beginnen? Zal God Zijn Woord geven?(vgl Gen 1,1-3) De menigte konstateert een gemis, verhuist scheepsgewijs
naar de overzijde van de zee. Ze komen naar Kapernaüm van de zieke (zoon) ten
dode toe (4,46-54). Ze zoeken in Kapernaüm (vgl 7,11) naar Jezus en vinden
Hem over de zee. Jezus relativeert
hun teken (6,26), het eten van de broden en het verzadigd zijn. Zoekt het
voedsel dat blijft tot eeuwig leven en dat de Zoon van de Mens jullie geeft (6,27).
Zij vragen: Wat moeten we doen opdat wij werken de werken Gods? En Jezus:
Dit is het werk Gods, dat jullie horen naar Hem die Hij gezonden heeft (6,29).
Weer vraagt men een teken. Jezus wijst naar het manna van de vaderen[112]. Niet
Mozes, maar Mijn Vader geeft het hemelse brood. Want Brood van de Heer is neerdalende
uit de hemelen, leven gevend aan de wereld. Het brood van eeuwig leven. Wie dit
brood eet zal leven naar de eeuw. Jezus zegt dit alles, lerend in de synagoge van Kapernaum
(6, 59). Dat huis gaat gevuld worden met bitterheid, ruzie (6,52) en gemor (6,41.61).
Even vindt men – veelbetekenend – niet dat zo vaak misbruikte woord van Johannes,
de Joden. Zij maken plaats voor de leerlingen en de twaalf.
Klaarblijkelijk waren er geen anderen. Deel 2 geeft een beschrijving van de betrefferide
pericoop. Hoe verschillend in reacties ook, Jerusalem en Galilea
stemmen met elkaar overeen: Jezus vindt in J Johannes 5 en 6 nauwelijks of geen
gehoor. De mens wordt in 5,9 gezond. Hij neemt zijn bed en wandelt rond.
In antwoord daarop gaat men Jezus zoeken. Hij heeft een mens gezond gemaakt. In
6,12 worden zij verzadigd. Daarna zullen ze komen en Hem trachten te grijpen of
Hem tot hun koning te maken. In Galilea is Zijn Woord hard genoemd (6.60).
In Jerusalem is het een grote vraag of Mozes er vertrouwen vindt. Als jullie
de Schriften van hem niet vertrouwt, hoe zullen jullie mijn woorden vertrouwen!(5,47)
Alles
wat tot nu toe verteld is heeft de hoogte van Jerusalem na Kana nog niet bereikt.
Buiten de kring van de leerlingen is de ijver[113] welke zij (zich de Schriften herinnerend) zagen
niet meer herkend. Jerusalem en Galilea zullen de graankorrel niet beletten in
zijn val. De Schrift en het woord van Jezus zijn nog niet als herinnering van
de leerlingen bijeen gebracht, vinden nog geen vertrouwen. Zo begint Johannes
7, nog steeds in Galilea. Judea is een dreigend gebied. De ene te midden
van de broers (Genesis 37; Johannes 7,3) is geen pastorale voor wie van verhalen
weet. Zij gaan op naar het feest. Hij gaat op – blijken zal – naar het Heiligdom,
naar het Huis van de Vader (2,16), met de innigheid en
toewijding welke wie de tekst volgt kan vermoeden. Want Jezus is geheel en al
verhouding tot de Vader, gezonden door de Vader, bedacht op wat Hij doet. In 7,3-8
leidt dit tot een beeslissend verschil. Zichtbaar zal worden waar de schoen wringt[114]. Wiens oren niet staan in de
richting van de Schrift, naar de pagina vanwaar het woord weerklinkt en weerklank
vindt, zo iemand kan geen oren en ogen hebben voor de bruidegom[115]. Zie boven.
4.5.3.
Het Heiligdom (Johannes 7,10-10,39)
De
beslissing gaat vallen. Uitspraken en vragen op de vloer van het Heiligdom zijn
niet niets. Jerusalem, meer toegespitst het Heiligdom,
is de achtergrond voor de verhalen van Johannes 7-10. Alleen de tijd verandert:
van Loofhuttenfeest tot het Vernieuwingsfeest[116].
In deel 5 komen de feesten aan de orde. Nu is het voldoende te noteren dat
zij Hem zoeken. Maar Hij ging weg uit hun hand (10,39 vgl Gen 39).
4.5.4.
Bethanië, Judea (Efraïm), Jerusalem (Johannes 10,40-12,11)
Na
het verhaal op de hoogte van het Heiligdom komt de Jordaan terug, de plaats
waar Jerusalem met vragen komt (1,19). Het enige teken van Johannes is dit: alles
wat hij omtrent Deze (10,41) gezegd heeft
is betrouwbaar gebleken. Daar, bij de Jordaan is gehoor voor hem[117]. Bethanië komt terug
in de tekst[118]. Wie in 10,41 en 11,1
leest over de Jordaan en Bethanië, waant zich terug in 1,28. Het
zal nu gaan over Lazarus/Eleazar, God is kracht. Is Jerusalem niet degene wiens
kracht God is? De naam Lazarus/Eleazar is door Jozua 24, 32v gebonden aan Jezus/Jozua.
Iemand
is ziek, Lazarus uit Bethanië, het dorp van Martha en Maria haar zus. In 12,1
noemt de tekst de namen Bethanië en Lazarus nog eens. Martha dient. Maria zalft
Jezus’voeten. Het huis raakt vervuld met de geur. Juda(s) rekent (12,4). Als verhaal bij het graf van Lazarus is klinkt niet:
"Lazarus leeft," maar: Hij heeft Lazarus opgewekt uit de doden.
Overpriesters besluiten ook Lazarus te doden. Door Lazarus immers horen velen
op naar Jezus (12,56). Veel volk is er de volgende dag: naar het feest. Jezus
gaat naar Jerusalem. Zij gaan uit naar een ontmoeting met Hem. In hun mond vindt Psalm 118,25 een weg. Jezus roept
met de woorden van Zecharjah 9,9. De meisjesnaam Sion kan Jerusalem
doen denken aan o.a. Sara's onvruchtbaarheid. De dag van Abraham (vgl 8,56) gaat
komen. Hij heeft die dag gezien en zich verheugd. Hij ziet zijn voor-waarde. Hellenen
die opgaan naar het Heiligdom roepen de parabel over de vallende graankorrel in
de tekst te voorschijn. In de dreiging zal er vrucht zijn. Bethanië van 11,1 en 12,1 wordt in de tekst bereikt
vanuit Jerusalem (Jo 7-10). De weg naar Bethanië voert naar Judea. Laten we
naar Judea gaan(11,1); Lazarus is gestorven (11,14); Laten wij naar
hem gaan. Thomas, wiens naam tweelingschap[119] spelt,
broederschap oproept, zegt tot de andere leerlingen: Laten ook wij gaan om
te sterven met Hem (11,16). Wolken trekken samen, maar de tekst geeft: opwekken,
opwekken (11,23.24). Horen naar Mij, dit geloven! De tekst noemt Martha's naam niet maar wel laat hij
ons lezen wat zij hoort en gelooft: Dat Jij bent de Christus, de Zoon van God,
de naar de wereld komende (11,27). Wat dit alles betekent, welke uitwerking
nu mogelijk geworden is, het zal moeten blijken. Het zal van zich doen spreken,
tekst worden.
Ruimte
is vrij gemaakt voor de plaats waar Martha Jezus tegen kwam. De Joden
die bij haar zijn gaan met Maria mee. Zij verkeren uitdrukkelijk in de mening
dat zij naar het graf gaat om daar te huilen. Maria gaat echter naar Jezus. Haar
klagen en het klagen van degenen die met haar zijn, ontsteekt Jezus
in woede. Hij is zeer dooreengeschud. Die woede brengt Hem bij het graf (11,33.38).
Voor het eerst brengt het Johannes-evangelie zijn
lezers voor een graf bijeen. Op een wonderlijke wijze gaat de tekst met dit graf
om! Met grote stem (11,43) schreeuwt[120] Jezus Lazarus eruit.
(Aan de stem zouden de schapen de herder kennen -
8,3-5.16.27. Zo horen de doden de stem van de Zoon van God - 5,25.28.) Wat bij
het graf van Lazarus gebeurt noemt de tekst niet een “teker". Het is een
daad. De daad overtuigt blijkbaar. Velen krijgen nu vertrouwen in
Jezus (11,45). Dit graf wordt een geboorteplaats van vertrouwen![121]. Sommigen
gaan naar de Farizeeën (11,46). Het gevaar van Rome zou loeren. Beter één dan
het hele volk (11,50). Kajafas spreekt als profeet. Aan zijn woorden voegt de
tekst toe: Niet alleen voor de volkeren, maar ook voor de verstrooide kinderen
Gods (10,12), omwille van hen die als schapen zonder herder zijn, om hen
samen te voeren tot één[122].
Tot
nu toe is in het vierde evangelie alleen in citaten en verwijzingen de woestijn
aanwezig gebracht[123]. In
11,54 is Jezus expressis verbis zo ver. De woestijn wordt de plaats van
Zijn verstek. Pasen is dichtbij - voor de derde keer. Velen gaan naar Jerusalem.
Het Heiligdom is de plaats waar men Hem zoekt. Wat dunkt jullie, zou Hij niet
naar het feest komen? Jezus is intussen dicht bij de woestijn gekomen, naar
een stad die Ephraïm genoemd wordt[124]. De
boog wordt gespannen (vgl Zecharjah 9,13). Een afstand zal overbrugd worden. Ephraïm geeft de tekst wanneer besloten is Hem te
doden (11, 53). Vlucht Jezus dan naar een plaats dicht bij de woestijn? De tekst
suggereert dit op geen enkele wijze. Afgezien van wat n.a.v. Ephraïm literarisch
... verständlich geweest zou zijn, afgezien ook van de “verplichting"
welke de evangelist "zou voelen" t.a.v. de historische Gegebenheiten[125],
het kan zinvol zijn, te lezen wat de tekst te lezen geeft. Jezus verbleef er te
midden van de leerlingen (11,54). Er staat niet:Zijn leerlingen"
maar de leerlingen – een binnen Johannes uitzonderlijke formule[126]. Op
dezelfde wijze staat het ook geschreven na het gesprek met de Samaritaanse vrouw
(4,31) en in 11,7.8.12.54. Wanneer de vrouw weggegaan is zeggen de leerlingen:
Rabbi, eet. Na de geschiedenis bij de bron van vader Jacob noemen zij Hem
rabb". Dan is er blijkbaar het vreemde. De leerlingen zeggen tegen
elkaar: Toch niet heeft iemand Hem te eten gebracht! (4,33). De vraag is
de vrucht van Jezus' spreken. Wat heeft Hij gezegd? Ik heb een spijs te eten
welke jullie niet kennen(4,32). Zij begrijpen er niets van. Zij zijn leerlingen
als waren zij niet van Hem.. Dezelfde "afwezigheid" is ook te lezen
in: "Maar er was iemand ziek"(11,1). De leerlingen willen er Jezus weerhouden,
naar Judea te gaan[127]. De
naam Judea komt niet over hun lippen. Wanneer Jezus dan toch gaat omdat Lazarus
slaapt, geven de leerlingen als wijsheid prijs: Als hij slaapt dan zal
hij ook gered worden. Dat zal hij ook, maar anders. De leerlingen staan buiten
hetgeen gaande is. Wanneer dan blijkt dat Lazarus gestorven is wil Thomas[128] meegaan om met Hem te sterven[129]. Hij
te midden van de leerlingen – zoals de
Getuigenis-tent t.m.v. het volk in de woestijn.
De
naam Ephraïm is volop uitgezaaid in de kontekst waar Mozes en de Profeten bekend
voorondersteld worden. Jozef brengt de naam Ephraïm als eerste in, want God
heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ellende. (Johannes kan die
plaats bij de woestijn niet Manasse noemen: God heeft mij doen vergeten al
mijn moeite en het huis van mijn vader – Genesis 41,51v.) De zegen van vader
Jacob maakt Ephraïm, al is hij de jongste en al gaat Jozefs voorkeur naar de oudste
uit, tot de eerste (Gen 48,14). Hosjea de zoon van Nun, is uit de stam van Ephraïm
(Numeri 13,8)[130]. Dan
is het Pasen. Zie verder deel 5.2.3.
4.5.5.
Jerusalem ín (Johannes 10,12vv)
Maria
geeft aan Bethanië de allure welke Bethlehem heeft bij Matteüs en Lucas. Sinds
de dagen van David bestaat olie voor de zalving. Jezus gaat niet met zoveel woorden uit Ephraïm weg.
Het beeld Hij te midden van de leerlingen wordt niet afgebroken, blijft
hangen[131]. De geschiedenis van het heiligdom
gaat beschreven worden (vgl Johannes 2,13-3,36; vgl Exodus 19-40). In 12,1 gaat
Jezus naar Bethanië – een plaats om te beginnen, vgl 11,1; 1,28). Vanuit Bethanië
voor de weg omhoog, naar Jerusalem[132]. De graankorrel valt in het land (12,24 vgl Genesis
9,20;26,12). De slang in de woestijn gaat verhoogd worden (12,32.34; 3,14). We
gaan naar de stad waar Nicodemus thuis is. Over duisternis en licht (12,35-36).
Jesaja wordt sprekend opgevoerd en te verstaan gegeven (6,10 vgl Jesaja 53,1).
Ofschoon velen uit de leidenden oren hebben naar Jezus,
zij bereiken niet de hoogte van Johannes. De geschiedenis van de kerk in kort
bestek. Zij/wij belijden niet maar ontkennen (12,42 tegenover 1,20).
Ze/we willen niet uit de samenleving buitengesloten worden (vgl 9,22). De tekst
legt uit: Want zij hielden meer van het gewicht[133] van de kant van de mensen
dan van het gewicht van de kant van God(12,43). Aldus is 5,41-44 gehoord en evenzo 7,18. Ingaande
in Jerusalem mag de toehoorder van dit verhaal geen woord missen en niets vergeten.
Wanneer de dienst van de tafel gaat beginnen ligt Johannes 1-12 open. Jezus wordt
de exegeet Gods (1,18). Alles wordt tot voltooiïng gebracht op de plaats
die als midden gemarkeerd wordt (19,18; 20,20.26 Johannes heeft dit vanaf
het begin uit gezet, sinds 1,26) en waar het Woord geschiedt als Vlees
en Hij de Geest geeft (19,30; 20,22 vgl 6,63). Jezus gaat Jerusalem binnen,
is in het Zijne gekomen. De Zijnen ontvangen Hem niet, geven niet thuis.
In het Evangelie van Johannes kan men lezen waar Hij
(ver-)blijft (1,38). Het is de getuigenis, gedragen door de vragen
die alleen vanuit Jerusalem in het verhaal gesteld kunnen worden. Wie de
tekst leest of hoort, weet wat hij of zij te vragen heeft, wordt aldus tot bewoner
van Jerusalem gemaakt, raakt betrokken bij hetgeen daar geschiedt getuige dit
verhaal. Het evangelie is de plaats. De tekst is de leerling
die als getuigenis blijft[134]. Nathanael
in 21,2 roept Kana, roept Galilea terug. Vanaf Johannes 2 is Jezus daar als geroepene
gekomen. Daar is de bruiloft, het hoofd van de tekenen. Dank Zijn
interventie kan het feest beginnen (1,1; 2,11).[135]
De
plaatsnamen in het Johannes-evangelie zijn de kortst mogelijke samenvatting voor
de verhalen die er gesitueerd zijn. Die verhalen vormende contextvoor Johannes
7. Het kost tijd er een beetje rond te kijken. Zoals bij iedere plaats die de
moeite van een bezoek loont. Je moeter vaker komen. Niet een landkaart of een
succesvolle archeologische expeditie geeft de feiten, maar de tekst. De tekst
geeft de informatie en de leesaanwijzingen die men nodig heeft. Hij voert het
woord en is een toegang voor wie naar binnen wil. De tekst is geen middel maar
doel. Als zodanig is de tekst aan onze greep onttrokken, heilig.
[1] A. CHOURAQUI, Evangiles, 435. "Entête est la parole ... elle
est entête avec Elohim." Vgl. H. THYEN, Das Heil,
170." ... die vorliegende Gestalt von Joh 1,1-18 ... Als Prolog eines Buches
gibt er ebenso die entscheidenden Anweisungen für dessen Lektüre wie sie umgekehrt
seine Signale erst von dieser Lektüre her in ihren vollen Bedeutung
erschliessen." [2] VULGATA:"In principio ...” [3] SEPTUAGINTA Genesis 1,1; Jo 1,1. [4] Zie bijv.GEN.R.1,1-13. [5] Vgl het verhaal over R.Susja
in M. BUBER, Werke 111, 356. [6] J. DERRIDA, La double séance in La Dissémination, 199-318,
253:"La question du texte est - peur qui Ie lit. " [7] Vgl Matteüs 8,22: 'Volg mij"
tegenover "Laat de doden hun doden begraven". [8] In het kommentaar van ALBERTUS
MAGNUS vindt men “illuminator - illuminatio" als itteratief. Vgl I.ELBOGEN,
Der jüdische Gottesdienst,16 over “joothser oor". Zie ook M.KADUSHIN,
Worship and Ethics, 78vv. [9] Johannes 1,5 vgl 2 Koningen
6,1. [10] Niet aannemen: 1,5.11;
aannemen: 1,12.16. [11] F.H. BREUKELMAN, Bijbelse
Theologie, 37. [12] o.c., 36. [13] Johannes 1,7.8. Vgl PH. BIRNBAUM,
Jewish concepts, 629, op de relatie tussen het Sjema en het woord getuigenis.
Zie Exodus 38,21:"De Tabernakel der Getuigenis." [14] Brandende toorts,
5,35. [15] H. THYEN, o.c., 170
geeft ook het bekende onderscheid tussen "erzählte Zeit des Erdlebens Jesu"
en "Erzählzeit des Autors". Zo zou men ook kunnen spreken over het "verhaal
van de plaats" en de "plaats van het verhaal". Ter verduidelijking:
naar aanleiding van Johannes 2,1-12 moet men niet zoeken naar "waar Kana
gelegen heeft", maar naar de betekenis van "Kana" in het Johannes-evangelie.
[16] Zie hoe de tekst Abraham
beschrijft in 8,56. [17] Th. PREISS, De rechtsgedachte
in het Evangelie van Johannes,13:"Er is evenwel een aspect in de gedachtengang
bij Johannes, dat, zonder te kunnen worden afgescheiden van het geheel, mij toeschijnt
een meer systematische samenhang op te leveren. En ongetwijfeld houdt dit verband
met het heel wat minder 'mystieke' karakter. Overigens is dit aspect merkwaardigerwijze
verenachzaamd door de exegeten ... het juridische aspect. Dit is een elementair
evident feit ... gezondene, getuigenis geven, getuigenis, oordelen, oordeel, aanklagen,
overtuigen, Paracleet ... “ [18] B. HEMELSOET, Dit is de
getuigenis, 66v:11 ... er zullen er ... meer zijn die nuchter en ontnuchterend
zullen constateren dat het hier in Joh.1,19 over Johannes de Doper gaat, en niet
over Johannes de evangelist. Maar zelfs met deze nuchtere opmerking in onze oren
moet worden opgemerkt dat Johannes nergens in 'zijn' evangelie met name Johannes
wordt genoemd, en dat tevens Johannes de Doper eveneens nergens in het vierde
evangelie 'de Doper' wordt genoemd. Zeker, er wordt gezegd dat Johannes doopt,
maar het predikaat Doper wordt hem niet toegekend." Kommentaren spreken overigens
in alle talen over "Johannes de Doper" wanneer het gaat over dit evangelie.
[19] Voor R. SCHNACKENBURG betekent dit:" ... d.h. von der jüdische Zentralbehörde,
den Synhedrion." Getuige een voetnoot 275n11 heeft J. JEREMIAS dit
uitgelegd in Jerusalem zur Zeit Jesu. Zie "Jerusalem" in Johannes
7,25. [20] Van deze gezondenen zegt
1,24 dat zij uit de farizeeën zijn. Samen met Johannes zijn zij de enigen die
genoemd zijn 1,19-28. Hiertegenover zegt J.JEREMIAS, Neutestamentliche
Theologie 1, 52: "Joh.1,26.31 schildert uns Jesus als den Unbekannten
in der Menge der grosse Gefolgschaft des Täufers." Ook in 1,29-32 noemt de
tekst duidelijk geen anderen. Johannes schrijft ook niet zoals J. JEREMIAS noteert:
"Als einer der sich nicht von den Mittäuflingen unterscheidet (Joh 1,26.31)
steht Jesus mitten unter dem Volk, das sich auf ein Zeichen oder einen Zuruf des
Täufers im Jordan untertaucht", o.c., 58. SANDERS en MASTIN, 88, zien in "priesters en levieten” en "farizeeen"
een blijk van "accurate memory". Zij merken 92v op: " ... but there is no mention of any audience."
[21] M.-J.LAGRANGE, 35:"Jo ... il a simplement associé les Levites aux Prêtres
pour complimenter organisme sacré du culte." [22] Aan deze vraag mag men niet
voorbijgaan. Vgl. R. SCHNACKENBURG I,274v. Voor het belang van deze vraag zie Ex 3,13. [23] R. SCHNACKENBURG zegt onder
verwijzing naar Luk 3,15: het volk discussieert erover, of Johannes de Messias
is. "So hat die Befragung des Täufers auch historisch
eïnen guten Sinn"(276). De vraag aan Johannes verraadt door zijn "umständliche
und Nachdrückliche Redeweize" toch "ein besonderes, über das Damals
hinausgehendes Interesse." BARRETT,142 ziet een "rewriting of the synoptic material ... to counteract
an excessive veneration of the Baptist." Hij voegt er aan toe:" ...
a weighter motive for his action, however, is to be found in the desire to concentrate
attention upon the Person to whom the Baptist bore witness, and to bring out certain
fundamental definitions of his work." [24] M.-J.LAGRANGE:"Mais egoo qui ne reparalt pas dans les deux autres
réponses a sa valeur; simple insinuation très légère: si ce n’est pas moi, c’est
donc un autre. " (35) R. SCHNACKENBURG,
277:"Hinter dem betonte egoo steht der Gedanke: Ich bin nicht
der Messias, aber ein anderer ist es, der schon in euren Mitte steht." C.K. BARRETT:" ... a negative confession of
Christ."(144) [25] SANDERS en MASTIN, 88:"I am not the Christ" implies that some
believed him to be one of the Messianic figures of popular expectation. " Toch is dat een vraag.
Door op de wijze van een negatie over zichzelf te spreken geeft Johannes zijn
getuigenis voor die naam. Zie B. HEMELSOET, ", 66v. SANDERS en MASTIN gaan
ook voorbij aan de zin: Hij beleed. [26] Jesjoeath: Hosjea - redding. Psalm
14,7 vgl Jes 2,3. [27] Met blijdschap voor Jacob
en vreugde voor Israel. Psalm 14,7. [28] R. SCHNACKENBURG I 283: Beth
Ainoon bij Wadi Al-Charrar, waar ook de Elias-heuvel is, of moet men meer noordelijk
zoeken? Evenwel 11,394 bij 10,40:"Den nach 1,28 bekannten
Namen (Bethsaïda) erwähnt der Evangelist nicht, weil er für diese Darstellung
unwichtig ist." In 12,1 ontbreekt uit "historisch-archeologische komplikaties"(?)
een verwijzing naar 1,28. R. SUMMERS, Behold the Lamb, 32, noteert "Bethany
beyond the Jordan, not the Bethany at Jerusalem. " Hij maakt een onderscheid dat de tekst niet
geeft. [29] R. SCHMACKENBURG, 283:"Die
Ortsangabe ... zur Joh.Sonderüberlieferung ... verdient Vertrauwen. " Hij
verwijst niet naar de rol van de Jordaan in Numeri, Deuteronomium en Jozua, waar
men lezen kan "over de Jordaan". Hij betreurt het, dat de archeologen
nog niet tot overeenstemming gekomen zijn over de plaats. Bij 11,40 (11,393) evenwel: "Die geografische
Angaben haben auch einen theologischen Sinn. " Theologie blijkt daar niet
verbonden met "hetgeen geschreven staat". E. HAENCHEN 160: "Bethanien
jenseits des Jordans soll offensichtlich diesen Ort von einem Namensgleichen bei
den Christen bekannten (also wohl 'Bethanien bei Jerusalem') unterscheiden."
[30] SANDERS en MASTIN spreken
ook over in vorige aantekening genoemd "onderscheid". "But it seems difficult to see, why John mentioned it if it did not
stand in his source. It can have no allegorical or symbolic significance. John
seems to have had a fairly detailed knowledge of the topography of Southern Palestine.
"(92) Klaarblijkelijk kent deze tekst geen andere mogelijkheden als geografisch
of allegorisch/symbolisch. Namen kunnen ook "plaatsen voor oren" zijn,
herinnering oproepen en vasthouden. [31] "Op wie de Geest neerdaalt
en blijft. " (1,32v).
"Naar Jezus"(1,42 zie 44). [32] Jezus heeft niet "seine erste Jünger von Johannes übernommen. "J. JEREMIAS, o.c., 55. [33] S. PANCARO, The Law in the Fourth Gospel, 303v schrijft ook over
"symbolisme". Hij voegt er bij:"But it is difficult to say where
exegesis ends and eisegesis begins. " In plaats van "symboliek" met de
daarmee samenhangende "symbolische interpretatie" kan men ook spreken
over "bijbelse theologie", grammatologie of schriftuur. De wetenschapper
hanteert dan iets anders dan de gesuggereerde prudentie die onderscheid weet te
maken tussen exegese en eisegese. Genoemd onderscheid kan men alleen
forceren, vooronderstellend dat er een grens, overgang of horizon zou zijn. Maar
deze grens wordt oerse altijd bepaald door het oordelend subjekt, ook in hetgeen
men postuleert als "objektiviteit" van de wetenschap. Zie hiertoe:
J. DERRIDA, La science et Ie nom de l’homme, in De la Grammatologie,
121-131. Voor "schriftuur" zie M. DE GROOT, Twintig stellingen,
in AMSTERDAMSE CAHIERS 1, 116-121, m.n. VI en VII. Zie ook S.M. SCHNIEDERS, History and symbolisme in the Fourth Gospel.
[34] Zie 2,12, afdalen.
[35] 2,12; 4,47.48.51. [36] DE Ijver voor het
huis van de Heer mag meespelen in de uitleg van de naam Kana. Zie de opmerking van B. OLSSON, Structure
and meaning in the Forth Gospel, 29: “ Cana in Galilea is in some sense an
opposite of Jerusalem”. [37] Niet vele dagen in Galilea.
E. HAENCHEN, 191: " ... ein Ubergansvers". Kommentaren besteden zo goed als geen aandacht
aan het trio plaatsnamen. Zie WESTCOTT, 87. R. SCHNACKENBURG
1,358 merkt op: "Wenn Jesus im JohEv an bestimmte Orte verweilt oder sie
verlässt und meidet, bedeutet dies stets mehr als nur eine historische Notiz;
darin bekündigt sich eine bestimmte Absicht Jesu, die vom Wille des Vaters dirigiert
wird ... 2,12 ... Jesus bindet sich nicht an Heimat, Familie und Schülerkreis,
sondern sucht die Selbstoffenbarung in der Gottesstadt. " "Mehr als eine
Reisenotiz" kan een lezer meer doen vermoeden dan wat de tekst geeft. R. SCHWANK, Ephraïm in Joh 11,54, 381, noemt het vers "... literarisch
geradezu störend. Er ist hier sicher weder 'dramatisches Stillmittel' noch 'schematischer
Rahmen' ... " Volgens de auteur wordt Kapernaum enkel
genoemd, omdat er een duidelijke overlevering is. "Der
Vierte Evangelist fühlt sich dieser Gegebenheit verpflichtet. Wie unangenehm es
ihm ist, Kapernaum überhaupt erwähnen zu müssen, zeigt die minimalistische Angabe
"nicht viele Tage". Volgens R.SCHWANK is dit dan de ruimte voor wat de
synoptici laten gebeuren. De auteur denkt er zelfs niet aan, getuige zijn tekst,
"Kapernaum" in het Johannes-evangelie door de tekst te laten invullen.
J. MOLONEY. From Cana tot Cana, 191, zet
Jo 2,1-11 en 4,46-54 naast elkaar: "The two passages have been constructed
with great care, to form an obvious inclusion ... the mother of Jesus and the
official are used as exemples of correct Johannine faith." Is het woord "teken"
correct? Zie verderop. Is "official" de beste
vertaling voor tis basilikos? J. MOLONEY legt in zijn titel een relatie
tussen Kana en Kapernaum. Gezien 2,1-11 en 4,46-54 verdient het samengaan van
Kana en Kapernaum wellicht meer aandacht. [38] 2,12: Kana en Kapernaum; 2,13: Jerusalem. [39] Vgl E. LEVINAS, L' au delà, du verset,18:"Le traumatisme de l’esclavage
en pays dlEgypte' dont sont marquées la Bible et la liturgie du judaisme appartiendrait
A l’humanité même du juif et du juif en tout homme qui, esclavage affranchi, serait
tout proche du prolétaire, de l'étranger et du persécuté ... ce fait fondateur
..." Zie
ook o.c., 172. [40] Johannes 2,1. WESTCOTT, 80: "... i.e. from the last day mentioned
in 1,43. The distance from the place where John was baptizing to Nazareth was
about sixty miles, three days journey." HAENCHEN,
187:"Am dritten Tage: von der Nathanael-Szene an gerechnet." SCHNACKENBURG
I, 330:"Die Zeitangabe hat schwerlich eine symbolische Bedeutung ... eine
Woche ... Schöpfungswoche ... 'Weltsabbat' oder 'Weltvollendung' ist zweifelhaft.
Stärkeres Gewicht hat die Auffassung, dass der 'dritte Tag' symbolisch auf der
Auferstehungsmorgen weisst ... Alle diese Deutungen sind tiefsinniger, als sich
aus der Darstellung entnehmen lässt ... wird eine runde Angabe sein ... die mit
den Vorangehenden verknüpft und doch etwas Neues anzeigt." K. HANHART, "About
the tenth hour", 336.338 identificeert de dag waarop Johannes zegt: "Zie
het Lam Gods" als de 14e Nisan. Aldus ontstaat een probleem. De bruiloft
op de derde dag zou immers verwijzen naar Pasen. Pasen hoort bij de 14e, 15e
Nisan. In een gedetailleerd verhaal wordt een oplossing voorgesteld. Maar het
probleem hoeft er niet te zijn. Het tellen kan eenvoudiger. In Exodus 12,3 wordt
het Paaslam aangewezen op de 10e dag van de Ie maand. Via Jo 1,35.43 en 2,1 blijkt
2,1 de 14/15e Nisan. Met Pasen leest de synagoge het Hooglied. Zie daartoe I.
ELBOGEN, Der jüdische Gottesdienst, 185 en 354; M.J.MULDER, De Targum
op het Hooglied, 13. Voor de thematische verhouding tussen Hooglied en het
exodus-verhaal zie M.J.MULDER, o.c., THE MIDRASJ RABBAH IV, Song of songs;
M.ZLOTOWITZ en N.SCHERMAN, Shir Hasjirim. [41] SANDERS en MASTIN, 104: " ... not given her own name, either here
or at 19,25, but the more honorable appellation of mother of her son." De tekst geeft die uitleg
niet. Voor een antwoord op de vraag:"Wie is de moeder van Jezus?" kan
men bij Johannes alleen verwijzen naar 2,1-12 en 19,25-27. (Zij wordt alleen genoemd
in 6,42). De moeder van Jezus is degene die in Jo 2 zegt:"Wat Hij jullie
ook zegt, doet!" Onder het kruis wordt zij tot moeder gemaakt van degene
die erbij staat, de leerling die tot getuige gemaakt is. [42] o.c., 134: "The specific mention of
the bride here (3,29) may be intended to recall the idea of the Church as the
bride of Christ ... 2 Corintiërs 9,2; Ephesiërs 5,22-32 ... Apocalyps 21,2.9; 22,17. "Wellicht
ligt een verwijzing naar Kana welgelegen in 2,1-11 meer voor de hand. [43] De enige dochter die Johannes
noemt is dochter Sion(12,15). [44] SANDERS en MASTIN 115 stellen voor: " ... the fact that Jesus'mother
and brothers were with him as well as his disciples may suggest, that the few
days at Capernaum were spend in making up a party for the journey to Jerusalem."
Zij verwijzen wel naar 7,3; niet naar 4,46v. [45] BARRETT, 162 wijst hier nadrukkelijk
op. [46] Johannes 2,11. OLSSON, 108v:"To emphasize the wine in an account
whose more profound significance was somehow comparable with the event at Sinai
must have appeared natural, and may perhaps have indicated or confirmed the deeper
meaning for those close to the author ... this provides the best explanation of
the way in which the present text was shaped and constructed." [47] Hiertegenover staat GROOT
NIEUWS VOOR U TOEGELICHT, 257:11 ... waarschijnlijk ... dat Johannes een verzameling
van zeven wonderverhalen ... [48] Let wel: opgaan naar Jerusalem
en in het heiligdom. [49] Het 7e werkwoord in de eerder
genoemde reeks. [50] HAENCHEN vertelt hier:" ... die Aktion Jesu hat einen anderen Sinn bekommen:
der jüdische Kultus muss der christliche Anbetung in Geist und Wahrheit (so 4,23)
weichen." In de tekst gaat het niet over de kultus. Het "Huis
van de Vader" is aan de orde. [51] Tauta/Dit : grammaticaal
meervoud. [52] Pas in 7,42 valt die naam
expliciet. [53] SANDERS en MASTIN houden zich hier
bezig met het valse getuigenis in Mk 14,58, Mt 24,61 en 27,40. "The most
probable explanation of the form of words in the FG is, Jesus challenged the Jews
to show their faith in him by destroying the Temple, and offered them in return
the sign of raising it again in three days." Hoe waarschijnlijk dit is blijft
een vraag. [54] BARRETT, 163.11 ... that his placing of the incident was dictated by reasons
theological rather than chronological ... more probable." 167:" ...
the human body of Jesus was the place where a unique manifestation of God took
place and consequently became the only true Temple ... "
De tekst geeft de hier geponeerde tegenstelling niet, identificeert. [56] Voltooiing in gemis. Zie
2,11. Voor "teken" zie B.HEMELSOET, De goede wijn ten laatste, 92:”...
een teken duidt meer op de geschiedenis die nog gerealiseerd moet worden, die
betrouwbaar blijken zal, dan op een wonder dat wonderbaarlijk, ontzettend, de
woorden vergezelt van iemand die spreekt. Bij het brandend braambos horen we immers
Mozes vragen: "Wat zal het teken zijn?" En Mozes krijgt als teken, gij
zult mij aanbidden op deze berg ... " Mozes vraagt geen teken. Hij stelt
als probleem:"Wie ben ik"(Ex 3,11). Dan klinkt, dat er een teken zal
zijn. [57] BARRETT, 168, merkt op: Jezus
verbleef als een goede jood in de stad om er Pasen te vieren. Bij het verhaal
in de nacht (Jo 3) verwijst de auteur niet naar de relatie met het Paasfeest.
Hij beschrijft die nacht in termen van "secrecy" onder verwijzing naar
19,38. Ook peinst hij over Nicodemus in een verhaal over: "van duister naar
licht". [58] WESTCOTT, 104: "On each occasion where Nicodemus is mentioned we
may see other traces of the timidity to which it was due." LAGRANGE, 73: " la nuit est le seul moment reserve à l'intimité."
SCHNACKENBURG 1,380:" erlaubt keinen sicheren Rückschluss
auf seinen Charakter ... seine ängstlichkeit ... sein kommen aus der Finsternis
zum Licht ... die Nacht auch zum Studium der Tora empfohlen ... " HAENCHEN wijst het
eerder gesuggereerd af. In zijn kommmentaar is "de nacht" verdwenen.
Wel (556) bij 19,39:"Auch er ist als heimmlicher Jünger gedacht." [59] M.DE JONGE, Nicodemus
and Jesus, 340, merkt terecht het woord anthrooopos/mens op in Johannes
2,25 en 3,1. [60] J.M.BASSLER, The Galileans,
a neglected factor,253, geeft een te eenvoudige taakverdeling tussen Judea
(rejection) en Galilea (reception). Een redenering moet duidelijk maken dat de
ongelovigen in Galilea ook Judeeeërs zijn. Hetzelfde is het geval met 8,31. [61] Bij de synoptici vindt men
dit niet. J. JEREMIAS, 53, wil het feit dat Jezus doopte serieux nemen. De "Anstossigkeit
der Vorstellung" pleit daarvoor. Jezus zou dopen naast Johannes, als een
rivaal. Zie 3,26. De "twist omtrent de reiniging" kan men ook anders
lezen. De tekst geeft niet wat JEREMIAS beschrijft als "ein Streit anHissig
der Tauftatigkeit Jesu." [62] BARRETT, 183, noteert, dat
Salim 2 keer in het z.g. Oude Testament voorkomt. Over
Ainoon schrijft hij iets dergelijks niet. M-E.BOISMARD, Aenon pres de Salim, 219: "Il existe
actuellement une village arabe du nom Salim ... a moins de 5 kilometres à l'est
des ruines de l'ancienne ville de Sichem ... " Zijn verhaal loopt
verder tot en met Genesis 33,18 in de Septuaginta, waar Jacob komt, "saint
et sauf (shalem) a la ville de Sichem". Er zijn er zelfs, die niet aarzelen
Melkisedek koning van dit Salem te laten zijn. Ainoon ligt wat moeilijker. De
auteur noemt de variant in de Codex Vaticanus niet. Gezien Jezus en de Samaritaanse
met vader Jacob en Sichem bij Salem volgens Genesis 33,18-19 is er voldoende om
als naam "les sources" te ontdekken. Johannes' dopen bij Ainoon is dan
verbonden met Jo 4. Jo 4 en Gen 24 verwijzen volgens de auteur naar elkaar. Een
'pointe' blijkt dan Johannes 4,16-18. De vijf mannen zijn de vijf afgoden uit
de vijf regionen waar de Samaritanen in 721 vandaan komen. Johannes bij Ainoon
en Salim is dan de "engel voor zijn aangezicht". "Tout ceci est parfaitement coherent mais ne
s'explique pas que si le lieu où Jean baptisait, Aenon ... était situé au coeur
de la Samarie, done aux sources du Wadi Far' ah." (229). Het verschijnen van
Johannnes aan het einde van het 3e hoofdstuk is dan te verstaan vanuit een heftige
onenigheid tussen de gemeente van Johannes en de gemeente rond de Doper. J.MOLONEY, o.c., 195 ziet de rol van Johannes
geheel anders, nl. in " ... a complete cycle of possible reactions to Jesus:
no faith (the "Jews"), partial faith (Nicodemus) and complete faith
(John the Baptist).” Maar Moloney schrijft niets over Ainoon bij Salim.
Zie drie noten verder. [63] BROWN gaat hieraan voorbij.
HAENCHEN 231 wijst een eventuele polemiek af. "
... der Erzahler will ... begründen, wie ein solches nebeneinander Jesus und des
Johannes moglich war." De auteur geeft de bron van zijn informatie niet aan.
SCHNACKENBURG I,451:"Die Zwischenbemerkung ... ist
für das Verrhaltnis zu den Syn. wichtig. Was hier erzahlt wird, geschah alles
vor dem öffentlichen Auftreten Jesus, wie es die Syn beschreiben (Makus 1,14f
par). Die Kenntnis vom Lebensausgang des Taufers setzt den 4. Evangelist
voraus. Er will nur bestimmte Dinge unter bestimmte Gesichtspunkte rücken ...
" Deze "Dinge" en "Gesichtspunkte" worden niet nader
aangewezen. [64] Het water stroomt in het
4e evangelie vanaf de Jordaan (1,26.31.33) tot aan de dienst van de tafel (13,5),
ja,zelfs tot direct nadat Jezus de Geest gegeven heeft, vanuit Zijn Lichaam (19,35
vgl 1,19.32.34). Lezers trefffen water aan in Kana (2,7.9) en in de Paasnacht
(3,5.8). Water heeft wellicht te maken met het dorst hebben van Jezus en Zijn
drinken. [65] B. OLSSON, 105v brengt de
reiniging in Kana en Ainoon uitdrukkelijk in verband met "the Jewish exposition
of the events at Sinai." Zie I.c. voor aIle verwijzingen. [66] Johannes 5,2vv. Zie ook hoe
Jezus afgezonderd wordt in 2,20:"En Jij!" Zie ook 2,10:"Maar jij!"
[67] Vgl over de Jordaan,
1,28. [68] Zie M.-E BOISMARD, zes noten
hoger. [69] J. WILSON, The integrity of John 3,22-35, 39v:" ... John
3 can be divided into two parallel sections: vss 1-21 en vss 24-36 with vss 22-24
serving as a literary bridge. Vss 24-36 are an integral whole for the purpose
of having the Baptist affirm all that Jesus has testified about himself in vss
1-21. The evidence for the integral unity of this passage is much stronger than
has been realised hitherto. John 3,22-36 is a part of the fourth Evangelist's
campaign to prove the claims of Jesus to all doubters. His arrguments are succesful,
because he assumes his opponent's position. Here that means, he reveres the Baptist,
as do the Baptist's followers, and suppports Christ's claims through the statements
of the Baptist. It is a subtle evangelistic
polemic." De redenering is helaas gebouwd op een konflikt waar de tekst zich
niet over uitlaat, nl tussen de leerlingen van Johannes en de leerlingen van Jezus.
[70] Men kan een tekst niet interpreteren
door het toepassen van verdeel- en heerstechnieken welke gebruik maken van woorden
als "model, taalfilters", waardoorheen "inhoud, werkelijkheid en
zin" worden medegedeeld. Zie bijv E. SCHILLEBEECKX, Jezus, het verhaal van
een levende, 319,321,352,377v,393,414, 421. Hetzelfde geldt voor "woordveld,
artikulatiemedium", 474v. Voor “verdeel- en heerstechnieken” zie: H. PARRET,
Over de 'notie' van grens. Vanuit J .Derrida geeft hij twee "stukturen van
toeeigening", nl.het dialektische wiel (365vv) en het hermeneutische wiel
(371vv). [71] BARRETT, 193 schenkt geen
aandacht aan Jozef. [72] Vgl Exodus 15,24 met de 12
bronnen (Exodus 15,27) en de 70 (Genesis 10) palmbomen (in Samaria) van de volkeren.
Zie ook Exodus 17,7 met Johannes 1,26; 19,18;20,19.26. [73] Zoals in 7,42 de namen van
David en Bethlehem. [74] Vgl BARRETT, 153 bij 1,45: "At 6,42 the disbelieving Jews speak of
Jesus as the son of Joseph, a relationship wich discredits his claims to have
come down from heaven ... in accord with his irronical use of traditional material
that he should allow Jesus to be ignorantly described as 'son of Joseph' while
himself believing that Jesus had no human father." H. THYEN, Das Heil, 179:"Gewiss, Galilea ist Jesu irdischer Heimat.
Hier ist das
Haus Josephs, seines menschlichen Vaters .. " Nergens in het Evangelie noemt
de tekst Jozef met het zelfstandige naamwoord "vader". [75] Het mag zo zijn, dat hier
vlg BARRETT 193 sjin/kof/mem (= portie, schouder) past met de toepassing ervan
op Genesis 48,22. Gen 48,22 is echter geen laatste referent. Dat is 4,5. [76] M.DE JONGE, Nicodemus
and Jesus, 342. "In a recent article B.Hemelsoet has tried
to argue that Joseph and Nicodemus who elabomen ... to sooma are
regarded as true believers. They accepted the Word (see elabon auton in
i,12) while accepting the body of Jesus as that of the new paschal lamb. Hemelsoet
sets great store by the fact that lambanein is used only in connection
with Joseph and Nicodemus, not with the Jews and the soldiers. He does not,however,
pay attention to the contrast between the eyewitness mentioned in verse 35 and
the two Jewish sympathizers later." Geciteerd wordt B.HEMELSOET,
L'ensevelissment. Het geciteerde van M.DE JONGE geeft terecht het woord
"later". De ooggetuige funktioneert in het kader van 19,31-37. Zie B.HEMELSOET,
o.c., 53. Dan is er "het lichaam". Jozef en Nicodemus worden
onderwerp. In deel 2 en 3 is het artikel van M. de Jong m.b.t. Nicodemus in Jo
7 beschreven. [77] De "bron van Jacob"
is nergens te vinden in de Tenach, evenmin in Talmud. In de MidraijRabbah vindt
men wel enige teksten, nl naar a, leiding van Genesis 29,2. Een van deze zou kunnen
meeklinken, mag zelfs bekend geweest zijn in de tijd van het evangelie, wanneer
het Loofhuttenfeest aan de orde is. "Another interpretation: And behold a well in the field symbolises
Zion; and the three flocks of sheep - the three Festivals; for out
of that well they watered the flocks - from there they imbibed the Divine
spirit; and the stone was great - this alludes to the rejoicing the place
of the waterdrawing. R.Hoshaya said: Why was it called the rejoicing of the place
of the drawing(of water)? Because from there they imbibed the Divine spirit. And
thither were all the flocks gathered – they all came, from the entrance
of Hamath unto the Brook of Egypt (1 Kon 8,66). And they rolled the stone
from the well's mouth, and watered the sheep; from
there they imbibed the Holy spirit; and put the stone upon the we: mouth in
its place: it was left lying for the next Festival". GEN.R. LXX,8. J.H.
NEYREY, Jacob traditions and the interpretations of John 4, verwijs' ook
naar GEN.R.LXV,23 en LVI,10. [78] HAENCHEN, 241: " ... Stammvater Jacob, der ihnen den gewaltigen Brunnen
mit seinen tiefen gemauerten Schacht gegeben hat ... " BROWN, 169 wijst op
pelgrimsberichten uit de 4e eeuw. Hij bevestigt ook de betrouwbaarheid van de
vindplaats aan de voet van de Gerizim. Waarom Johannes hierover spreekt is voor
hem geen vraag. Hij geeft er geen woord over. SCHNACKENBURG
I,460 geeft veel informatie over de bron," mit seiner Tiefe van 32 Meter
und seinem frischen quellenden Grundwasser ist eine hervorragende Anlage“ Johannes geeft dit alles niet. Heel anders werkt B. OLSSON, o.c. 162-172 "Excursus I: The
well in Jewish Tradition." [79] WESTCOTT, 153: "We cannot
recieve the highest blessing alone." HAENCHEN
241: " ... eine Uberrumpelung. Sinnvoll wird sie dadurch, dass die Fl eine
Antwort geben muss, die es Jesus erlaubt, zugleich sein Ubermenscl ches Wissen
zu zeigen." SCHNACKENBURG I, 467: "Hinter seine schlichten Al forderung
... steht sein Wissen ... gehort zum Bild des Offenbahrers .• Zie ook BARRETT, 197; BROWN, 171 ("It is useless to ask what would
havE happened if she had returned with her paramour!'!). Geheel anders werkt B.OLSSON,
185:"The dominant position of andra and andras unquestionabl: attracts attention
to the word 'man'. She has no man, but what is ment by 'man'. 186:" ... may
be used in Biblical material, especialy in Hosea, as a designation of God ...
" [80] Hier staat niet hetgeen J.JEREMIAS noteert, 238: "Die Vollendung is'
die Stunde, in der die Tore der irdischen Heiligtümer geschlossen sind ... " J.H. NEYREY, Jacob traditions, blijkt er, gezien zijn konklusies,
vooral op uit "to reinvestigate the worship of the Johannine community, especially
in its dialectical conflict with supplanted Jewish rites." Het
woord "supplant" treft men o. c., p. 437 zeven keer aan; "replace"
is op dezelf( pagina vijf keer te lezen. [81] Zie B. HEMELSOET, Marcus, 10. [82] Voor deze fameuze "glosse volgens Bultmann" zie men H.THYEN, Das
Heil; W.WIEFEL, Die Scheidung, 224:"Dieser nach allem Ausgeführten
überraschenden, vielleicht paradox erscheinende Satz ... bestatigt den Platz der
Juden in der Geschichte des Heils und sollte daher nicht mit E. Hirsch, W. Grundmann
und R. Bultmann als (judenchristliche) Glosse ausgeschieden Werden.“ [83] J.M.BASSLER, The Galileans, 249:"The logic of the passage ... seemij
demand that in its Johannine context, Jesus' patris, the locale of rejection,
is Judea, not Galilee." [84] K. HANHART, The structure of John I 35 - IV 54, 29:"The curious wore
orde palin deuteron implies that this second sign is a reiteration the first sign
or forms its logical complement." [85] SANDERS en MASTIN, 153: "That he only stayed two days may be mentioned
in order to suggest that their conversion was not permanent, as indeed it can
have been, the evidence of the rest of the New Testament is taken in account."
Zij verwijzen
naar Handelingen 8, 5vv; Matteüs 10,5; Lucas 9,52. Ze gaan voorbij aan Jo 4,39-43.
[86] Omwille van "twee of
drie" is het zeer te betreuren dat GROOT NIEUWS VOOR U in Jo 2,6 ‘vertaalt’:
met een inhoud van 80 tot 120 liter. [87] HAENCHEN, 258 meent de tekst te moeten preciseren:"Die Geschichte vom
glaubenden Centurio von Capernaum ... hat sich seht stark verandert.An die Stelle
des Centurio ist ein "konigischer" (Offizier oder Beamter) getreten,bei
dem es nicht sicher ist, ob er im Dienst des 'Konigs' Herodes Antipas steht."
Varianten hierop vindt men bij WESTCOTT 171v; BARRETT 206; LAGRANGE 125;
SCHNACKENBURG I, 479. M.-E.BOISMARD, Saint Luc et la redaction du quatreme evangile,
gaat niet in op het hoogteverschil tussen Kana en Kapernaum. Hij noemt "iemand
koninkklijk" een fonctionnaire. De notie "na twee dagen" speel
t geen rol. Evenmin "dat uur" of "de dienaren". Oorspronkelijk
zou het verhaal over Kapernaum gevolgd zijn op het verhaal van Kana. Waarom het
er dan nu anders staat wordt niet aangegeven. Het konstrueren van een wordingsgeschiedenis
kan niet belangrijker zijn dan "lezen wat er staat". [88] Het zevende uur (4,53) is
het "gevraagde uur"(4,52). Dat uur (4,53) is onderstreept. Datzelfde
uur vindt men ook in 19,27. Zoals bekend: het 7e uur kan het 6e volgen. [89] Kl. HAACKER, Die Stiftung,
38, leest "begin/hoofd" eenzijdig numeriek. Hij doorziet te weinig de
funktie van het tweede teken wederom en onderrkent het bijeenhoren van Kana en
Kapernaum niet. [90] Zie Johannes 4,45.45.46 tussen
4,43 en 47. Vgl J. WILLEMSE, Het vierde evangelie, 304-308. De auteur laat zich
op de aangegeven pagina's verleiden door de mooie volgorde: Jerusalem (ongeloof),
Nicodemus, Samaritanen en tennslotte 'heidenen'. "De reeks geloofskandidaten
zou kompleet zijn, wanneer de'hoveling' het heidendom zou vertegenwoordigen (Barrett,
Van den Bussche). Wanneer men hierbij opmerkt, dat het vierde evangelie de 'hoveling'
niet uittdrukkelijk als heiden tekent, dient men te beseffen, dat deze opmerking
eiigenlijk onjuist is." Waarom zou "iemand koninklijk" een "hoveling"
moeten zijn? Wie het opschrift boven het kruis kent (met alle nadruk die de tekst
van 19,19-22 daaraan geeft) hoeft bij een "koninklijk iemand" niet aan
een "hoveling" te denken. A. PAUL, Le fait biblique, 100:"Ecrire
ce qu'un auteur a écrit, c'est le seul moyen infaillible pour ne pas repeter ce
qu'il n'a pas ecrit." [91] BARRETT 208 noemt deze tijdsaanduiding
vaag. [92] L.MARIN, Semiotique de la passion, 14v: "La scene du recit, comme
reseau des lieux dans les noms qui les indiquent est ... simultanement le production
du récit et l'ensemble des marques textuelles de sa production: les traces du
travail sur cet autre-du-texte (ou son référent) en quoi consiste le récit ...
Le nom propre (de lieu) a ... cette valeur ambigue, ou cette force transgressive,
d'indiquer l'envers du texte comme transcendance, mais en tant qu'element textuel
et comme tel, capable d'entrer dans un reseau signifiant, celui des lieux ou se
produit le sens." [93] Vgl de "verdorde wijnrank",
15,6. [94] Voor deze duur, zie ook NUM.R.XIX,24:
“And pitched at the brood Zered (Numeri 21,12). This implies that though the brook was merely the size of a full span (Zereth),
they were unable to cross it for thirtyeight years; as is proved by the text,
Now rise up, and get you over the brook Zered (Deuteronomium 2,13), and
it is written, The days in wich we came from Kadesj-Barnea, until we were come
over the brook Zered, were thirty and eight years ….: [95] LAGRANGE, 136 spreekt over
"bovennatuurlijke kennis" maar verkiest hier, verwijzend naar 4,1, meer
een natuurlijk kennen. BROWN, 207 noemt Jezus' buitengewone kennen van de mens
een "Johannine theme". HAENCHEN, 268 noemt Jezus'kennen "dank seines
Uberirdisches Wissen". [96] Deze mens wordt niet op een
bed aangedragen, ook wanneer J.JEREMIAS 98, daar, verwijzend naar "Mk 2,11
par.; Joh 5,8", dit aangeeft. Beide teksten hoeft men niet te lezen als varianten
van hetzelfde. [97] SCHNACKENBURG
II,122:"gewollter Provokation". HAENCHEN, 270:" ... im Grunde nur
ein Uberleitungsmotiv zum Christologischen Thema, das der Evangelist bewusst ansteuert."
PANCARO, The Law, 14:"The
Sabbath healing not only affords In the opportunity of giving a deep theological
insight into the mystery of Jesus'person, it also raises the question (which goes
hand in hand with the mystery itself and which is also of great interest in In)
of his relationship to the Law. The incipient persecution of the Jews is dramatically
presented as a result of Christ's significance (i.e. to discover the mystery of
Christ's person and, thereby, his true relationnship to the Sabbath and the Law)
... " [98] HAENCHEN, 271:" ... die Spannung erhoht: Der Geheilte kann die Frage
der Juden beim besten Willen nicht beantworten. Denn inzwischen ist Jesus, der
sich nicht zu erkennen gegeben hatte (sollte er sich etwa dem Geheillten vorstellen?),
in der sich drangende Menge verschwunden." De tekst geeft niets over
"drangende Menge" of "verschwinden". De opmerking tussen haakjes
wijst op een eigen benadering van de tekst en het verhaalde. [99] Hij krijgt J ezus 'naam niet
te horen. De opmerking:" Zondig niet meer ... " blijkt voldoende om
te komen tot de naam van Jezus (vgl Matteüs 1,21). [100] Met het werkwoord waarmee
de Mesjiach volgens de vrouw ons alles zal berichten (4,25). In 16,13.14.15 zal
de Geest ons alles berichten hettgeen Hij van Mij vernomen heeft. SCHNACKENBURG II, 124 probeert hier een psychologische lezing:"Wie kann
er seinen Wohltater denunzieren?" Dat is nog niet aan de orde. Nog is 5,18 niet gelezen.
HAENCHEN ziet de man "fast wie eine Marionette
sofort mit der Matte auf und ab gehen ... " Marionet is een opmerkelijke naam voor iemand
die doet zoals Jezus gezegd heeft. [101] Volgens J. JEREMIAS o.c.,
265 n. 9 in Jo 5 een secundair motief, vlgs Jo 4,35 zou "het vol tooien van
het werk van de vader" aan de orde kunnen zjjn. [102] Vgl 5,17. SCHNACKENBURG II, 129:"Die Juden verstehen nicht, dass sich
Jesus gerade nicht eigenmachtig an die Stelle Gottes stellt, sondern sich durch
das Tun des Vaters zum eigenen Handeln angetrieben und verrpflichted weiss."
[103] 5,45. OLSSON, 112:" ... I would prefer to describe Jesus'mother as
representing that part of the people of God which was really faithfull to its
traditions and its faith, those who believe in Mozes and the Scripptures and are
thereby the link between old and new. By her side stands, according to John, Abraham
8,39ff., Mozes and the Scriptures 5,39.45ff., Isaiah 12,41 and John the Baptist
1,29ff; 3,27 ff. They all belong to the old Convenant, but by obeying the God
of this Convenant they are witnesses to and for his Son, Jesus Christ. For God
there is no separation between the old and the new.” [104] Woord van een "koninklijk
iemand", 4,49. [105] Als de zuilengangen (5,2),
een Thora vol. Vlgs o.a SCHNACKENBURG wijzen de gerstebroden op vertrouwdheid
met 1 Koningen 4,42-44. "Jesus uberrtrifft den alt.Gottesmann
bei weitem.“Vgl daartoe 7,17v. Voor de vissen: zie ook 21,13. [106] Conform het getal der getuigen
(vgl 20,4.12, wellicht ook 21,2, de getuigenis bewarend), de leerlingen van Johannes,
de dagen geteld in 4,40.43. Met deze maat worden in Kana de kruiken gemeten. [107] Door en door, geheel en
al geven, alleen hier bij Johannes Lukas
geeft in 11,22; 18,22 en Handelingen 4,35 een interessante funktie aan dit woord.
[108] P.BORGEN, Bread from heaven, 180: “The external event of the feeding
miracle (6,1-14) was meant to point beyond itself to the spiritual food which
endures to eternal life, but the people distorted it by thinking that the meal
of perishable food had its end and meaning in itself." [109] SCHNACKENBURG 11,27 ziet
in "Hij alleen" een relatie met Mozes, Exodus 24,15. [110] Vgl 13,30, nacht. Zie ook
8,12; 12,35.46. Evenzo 20,1. SCHNACKENBURG II, 35:“... die
Junger, sich selbst uberlassen, sind in der Finsternis (vgl zu 1,5), fern von
Jesus dem Ansturm widrigen Gewal ten ausgesetzt." [111] Het woord is herkenbaar in
Gen 1,2 (vgl J 0 4, 24v) . [112] P. BORGEN, o.c., 180 en passim.
"External aspect" en "spiritual aspect” lijken niet gelukkig gekozen.
Zie boven. [113] Dzèlos, hebr. kanithi
(Jo 2,17; Ps 69,10) herinnert aan Kana. [114] 1,27.
Zie P. PROULX en L. ALONSO SCHOKEL, Las sandalias del Mesias Esposo. [115] O.c., 13 citeert HIERONYMUS, PL 26,30, CCL 17,18:
"Hic (Mt 3,11) humilitas, ibi (Jo 1,27) mysterium demonstratur quod Christus
sponsus sit,et Johannes non mereatur sponsi corrigiam solvere, ne vocetur domus
eius juxta legem Moysi et exemplum Ruth domus discalciati." [116] EX.R XV,l:"And the Lord spoke unto Moses ... this month shall be
unto you te beginning of months (Ex 12,1). Thus is written: Hark! my beloved!
behold, he cometh Song of 82,8) ..• what art thou doing here in a place of unclean
people, whose flesh is as flesh of asses, and whose issue is like the issue of
horses (Ez 23,20). Rise up, my love, my fair one, and come away (Song of S 2,10).
He said to God: Lord of the Universe! Thou diclst tell us that four hundred years
we would be enslaved, and these have not expired yet. God replied: "They
have expired" for it says: For, 10, the winter is past (Song of S 2,11)."
Bij "winter" tekent
de vertaler aan: "The winter of your unhappiness" (Soncino, 160n3).
[117] 10,42. SCHNACKENBURG II, 395: "An jenem ... abgelegener Ort kommen viele
Menschen zum Glauben an Jesus." Tendentieus vervolgt de auteur zijn kommmentaar met
" ... das offizielle Judentum" dat "mit Parole und Terror gegen
Jesus Stimmung macht." Johannes spreekt er zo niet over. [118] Vgl J.WILLEMSE, 0.c.,309:
"Het einde van Joh.vii-x wordt bepaald door Joh.x,40-42, dat wederom terugvoert
naar de plaats, waar alles begonnnen is... ( x , 40; 1,28)." [119] Didymus: Johannes 11,16;
20,24. [120] Kraugadzoo 11,43;
kradzoo 7,37. [121] Vgl de vrouw (16,21). Zie
Jesaja 26,15-27,13. (Jesaja 27,1 Ephraïm: Johannes 11,54). [122] 10,16;17,21. Zie Deuteronomium
6,4; Zecharjah 14,9; Zie ook Johannes 1,4 (11,47?). [123] 1,23; 3,14; 16,31.49. Evenzo
5,5. [124] Zie boven n.121, beneden
n.129. [125] B.SCHWANK, Ephraïm
... , 382. Volgens de auteur is Ephraïm opgenomen in de tekst, omdat Johannes
zich verplicht voelde t.a.v."historische Gegebenheiten ... obwohl sie seine
Gedanken eher stören." Niet is duidelijk op welke gegevens deze extra informatie
berust. De auteur zegt niets over "en Hij verbleef er
te midden van de leerlingen". De auteur beroept zich op zijn "früheren
naturwissenschaflichen Studien" en wil vooral "die konkrete Wirklichkeit
... beobachten". De konkrete werkelijkheid in het geval van een tekst is
een tekst. [126] 4,1 Mag in deze bespreking
buiten beschouwing blijven. [127] Als Petrus wanneer Jezus
zijn belijdenis uitlegt (Matteüs 16,21vv). [128] 11,16. Juda(s) heeft in Genesis
44,31 begrepen, dat de dood in het spel zit en dat het de vader betreft. Hij wil
er bij zijn. Zo Thomas. [129] De naam Ephraïm geeft meer
te denken dan:"Waar heeft deze plaats gelegen? Is Jezus daar echt geweest?
Kon de evangelist, gezien zijn bronnen, er niet onderuit, deze plaats te noemen?"Ephraïm
betekent (SV Genesis 41,52:) "God heeft mij doen wassen in het land mijner
verdrukking." De naam Ephraïm is voorzien van verhalen. Men kan het zien
in Richteren 8,2; 1 Samuël 1,1; Psalm 60,9 en 108,9 (schutse van mijn hoofd).
Zie ook Hosea 5,11-6,6; 6 en 7 (Israël is Ephraïm); 13,14-15 (met oog en bron,
vgl Ainoon en Salim Johannes 3,23; 7,37vv). In Jerermia 31,6 roepen wachters
op het gebergte van Ephraïm: laat ons opgaan naar Sion, tot de Heer onze God.
Zie ook Ezechiël 37,16-19. [130] Zijn naam wordt geroepen
met het oog op het land. Als de 12 geroepen zijn, zet Mozes Hosjea apart, roept
hij hem Jozua, LXX:Jesous. [131] De vrouwen vindt men in Matteüs
27,61 zittend tegenover het graf. Van deze vrouwen vertelt Matteüs niet,
dat ze weggaan. In 28,1 komen zij, a. h. w. vanuit de “zit-houding” van
27,61 (tegenover) om het graf te bezien. Het zitten van de
vrouwen tegenover het graf gaat over de maat van de mededeeling heen. Hun
houding geeft tevens de lezer een plaats. Hij of zij kan door het nu volgende
verhaal mede tot getuige gemaakt worden, dramatis persona. [132] Zie staande in 11,56;
18,18. [133] Zie het artikel kabod
in TWAT IV, kol 23-40. Onder I,3 kol 25 geeft de tekst: "Die Wiedergabe
der LXX ist eindeutig ... doksa ... [134] 21,22-24. In het evangelie volgens
Johannes sterft Johannes niet. Hij blijft (21,23) getuigen (1,18;
21,24). [135] J. WILLEMSE, o.c., 195: "Er wordt
in het vierde evangelie tweemaal uitdrukkelijk een begin aangeduid (i,1 en xi,
11) ... " |
|---|