5. Tweede situering van Johannes 7: de chronografie van het evangelie
5.0 Inleiding (Johannes 1,1-2, 12)
Welke
elementen van tijd kenmerken het Evangelie volgens Johannes. Johannes blijkt direct
al nauwkeurig te kunnen zijn met tijden en dagen: De volgende dag (1,29.
35. 43)…, op de derde dag (2,1), niet vele dagen 2,12). De tekst
laat een zorgvuldige notatie van feesten zien. Het hele verhaal, het Evangelie
volgens Johannes, bestaat niet uit een relatief grote collectie verzamelde kleine
gebeurtenissen of talloze incidenten. Het geheel bij Johannes is beperkt. Door
middel van de feesten brengt de tekst een geheel eigen orde aan, een concentratie.
Is het een leergang? Wil Johannes daar iets mee? Dat zouden vragen kunnen zijn. [1]
Met het oog op het geheel waarbinnen, tussen het voorafgaande
en het volgende, Johannes 7 geschreven is, inventariseert deel 5 de feesten. Het
kan summier zijn. Veel is reeds ter sprake gebracht in deel 4. De feesten zijn
immers gebonden aan plaatsen. Toch lijkt het goed, gezien de wijze waarop het
evangelie zichzelf presenteert, aan de hand van de feesten de verhalen bijeen
te zetten.
Opnieuw
gaat het Evangelie naar Johannes open. Het begint met niets anders "aan het
hoofd" dan het begin van alle tijd en tijding: het Woord (1,1). Het Woord
is gespannen naar God toe [2]
. Het hoort Hem toe. Hij is het zelf. AIles is door Hem
geworden. Hij is. Licht en leven voor de mensen. Is dat zo? Hebben de mens en
het vermogen dit Woord aan te nemen? God zal zich als Vader tonen. Er is een gezondene, een getuige (1,17.19). Johannes zet er
zijn naam voor in. Vragen klinken. Gezien het citaat uit Jesaja zijn zij als "antwoord"
gegeven: in de woestijn" [3] Johannes doet wat gezondenen
uit Jerusalem "dopen" noemen (1,25). Zo wordt geklopt op de deur
van Bethanië [4]
, over de Jordaan (1,28). Vanuit Jerusalem (1,19)
is over de Jordaan de plaats van een "te goed". Tot daar gaat
Mozes voor. Over de Jordaan geschiedt in het boek Jozua [5] . Daar is het een verhaal
geworden (Jozua 4), herinnering en verwachting voor wie in Jerusalem thuis is
(vgl Ex 13,8.14; Deut 6,20). Vragen uit Jerusalem maken Johannes' getuigenis,
brengen hem tot zijn belijdenis. Drie keer wordt de volgende dag [6]
(1,29.35.43) geteld. Kana bereikt de lezer( es) op de
derde [7]
. Dan zal een bruiloft geschiedenis gaan maken [8] Moet men de bruiloft
van Kana onder de feesten rekenen? Het verhaal zorgt daar zelf voor. De enige
naam welke in Kana genoemd wordt is die van Jezus. Is Hij de (bloedeigen - vgl
Ex 4,26) bruidegom? Johannes ijkt zijn vocabulaire geregeld aan het exodus-verhaal [9] . Zal het daar over gaan?
Na de afdaling van Kana naar Kapernaüm en Jezus' verblijf aldaar, komt Pasen dichtbij. [10] Jezus gaat op naar
Jerusalem. Betekent voor Johannes en voor Jezus volgens Johannes Pasen direct
voor: Jerusalem? Pasen is nabij. Johannes introduceert het eerste joodse feest
wanneer men de bruiloft niet als zodanig beschouwt. Aan die bruiloft kan men niet
en nooit voorbij. Te uitdrukkelijk staat er iets dat men kan vertalen als hoofd
van de tekenen [11] .
Daar is beslissende, doorslag gevende betekenis van Jezus, Zijn heerlijkheid
vertaalt men traditioneel, zichtbaar gemaakt. De leerlingen zijn er bij genoemd.
In Jerusalem zal blijken, dat zij hun gehoor op Hem en hun herinnering op Schriften
af gaan stemmen. Met Pasen kan de synagoge het Hooglied dierbaar zijn [12] . In Kana komt het er
voor de "proever" op aan, te weten vanwaar [13] de mooie wijn [14]
Het is het verhaal op de derde dag [15]
de bruiloft in Kana hooggelegen [16] .
5.1.0 Pasen Ingeleid (Johannes 2,12) Na
de "bruiloft te Kana" is er de afdaling van Kana naar Kapernaüm. Tussen
beide plaatsen is een verschil in hoogte [17] aangegeven. Wat van
Jezus in Kana niet stond geschreven staat bij Kapernaüm: Hij verbleef er.
De duur niet aangegeven. Aldus heeft Johannes het werkwoord blijven kunnen
schrijven (zie boven) bij Kapernaüm. Een regel is voldoende voor een verblijf in Kapernaüm. Dan
is het Paasfeest van
de Joden dichtbij. Betekent die nabijheid iets? En op ging Jezus naar Jerusalem.
Van beneden naar boven. Bijbels gesproken is dit een vertrouwde beweging. De eindterm
van het opgaan is: het goede en ruime land berg, Jerusalem, het Heiligdom op
de berg, de hemelen. Het doel van de gang heeft steeds een kenmerkende, hoge
kwaliteit. De naam van Jezus is voor het laatst genoemd bij het hoofd
de tekenen (2,11). Nu staat Zijn naam weer bij de opgang. In het Heiligdom
verdwijnt Zijn naam in de vorm van het werkwoord (kai
heuren en tooi hierooi,
en hij vond in het heiligdom)). Hij zal tegenover wat hij er vindt Zijn motief
ontsluiten: Maak niet het Huis van Mijn Vader (tot) een Huis van verkoop.
Na de moeder van Hem in Kana hoort men nu van de Vader. Wat dit
vaderschap betekent zal Hij al doende zichtbaar maken.
Voor de leerlingen wekt dit een herinnering op (de ijver [18]
voor jou huis …) . Welk teken? Vragen de mensen
die in Judea thuis zijn. Welk teken laat je ons zien dat je dit alles doet?
Daarop geeft Jezus met name genoemd (Jezus antwoordde…)
Zijn korte verhaal over het heiligdom (2,19).
5.1.1.
Pasen in Johannes 2 en 3
Het
eerste feest dat uitdrukkelijk feest van de Joden heet is Pasen.
Drie keer reserveert het Johannes-evangelie ruimte voor dit feest. Wat Jezus in het Heiligdom doet zal leiden tot een vraag. Hij
buit het feest uit om aan te geven, hoe het Heiligdom het Huis van de Vader is.
De leerlingen gaan zich herinneren. Hun zich herinneren omringt de woorden
over het afbreken en opbouwen van het Huis van de Heer (2,19-22). De herinnering
van de leerlingen gaat niet terug naar een incident of een eerder verhaal van
Johannes. De leerlingen gaan zich herinneren wat geschreven staat. “Zijn leerling”
(de leerlingen van hem) zijn betekent hier, dat de boeken voor je open
gaan Wat is de herinnering? Wat zal de lezer(es) van deze tekst niet ontgaan,
maar opstaan als een herinnering? De ijver voor jouw huis verteert mij (2,17, zie Psalm
69,10). Bij
dit Psalmwoord gaat voor de lezer van het verhaal (als ware hij of zij een van
die leerlingen) in het Heiligdom in Jerusalem de Schrift open. David wordt stem
gegeven (Psalm 69,10 vgl 119,139), vindt instemming. Zijn stem klinkt mee, wil
en gehoord worden. David laat "zijn papieren"
zien, vult het heiligdom met hosjiëni, wees
Mij Hosjea/bevrijding, redding, verlos mij " ( Ps 69,1. 2). Men zegt
zelfs dat het een lied is uit de mond van Jeremia, uit de ontheemding van de ballingschap. [19]
In
het Heiligdom [20]
lezen we niet alleen de herinnering van de leerlingen. Er klinkt
ook een vraag. De Joden, mensen van Judea. reeds bekend
in het Evangelie sinds 1,19 met hun vragen, zijn in het Heiligdom in Jerusalem.
Er staat niet “sommigen van hen". Er staat, zo massief als de tekst geschreven
is: de Joden (zie boven). Als hadden
zij kennis gemaakt met het woord, zo vragen zij: Welk teken? Johannes noemt
dit vragen antwoorden. De Joden hebben de plaats
gekregen in de tekst waar zij volgens de tekst thuis horen: in Jerusalem, in het
Heiligdom. Wat
Jezus doet roept een antwoord op, blijkt een vraag (2,18) Welk teken laat Je
ons zien, dat je dit (alles) doet? Zijn naam komt in hun vraag niet voor.
Is nu dan reeds alles zodanig bekend, dat naar Zijn naam niet gevraagd
hoeft te worden? Verloopt zo een eerste ontmoeting? Legt Jezus zo ook zijn visitekaartje
op tafel? Hij zal nu Zijn verhaal bij zijn daad voegen. Het hele Evangelie zal
Hij als antwoord geven (2, 19) Maak dit Huis los en in drie de zal Ik het doen opstaan. Binnen diezelfde termijn is
de gene op Wie Johannes gewezen heeft en over Wie hij
gesproken heeft tot onderwerp gemaakt. Op de middelste van de volgende dagen
(1,35) was er een verblijf voor de leerlingen gevonden met alle woorden en uitspraken
welke de tekst voor hen heeft (1,35-2,1). De derde dag tenslotte
geeft de bruiloft, het hoofd van de tekenen. Toen was het Paasfeest nabij en ging Jezus op naar Jerusalem. In het
Heiligdom maakte Hij de Vader tot norm. Welk teken? Het Huis afgebroken
en in drie dagen opgewekt. Veel had Johannes tot hen kunnen laten zeggen. Dit
krijgen zij te horen, is teken.
Tijdens
Pasen in Jerusalem in het Heiligdom blijkt het verhaal het Huis van de Vader volop
in het licht te stellen.
Naïef zou men kunnen vragen: "Het Huis van de vader, is dat het huis van
Abraham? (8,39.53.56), of het "Huis van Jacob"(4,12)? Johannes zal de
namen op zijn tijd en plaats ten gehore brengen en uitschrijven tot een tekst,
in een tekst, als zijn tekst leesbaar [21] maken. Jezus
woorden en daden en hun antwoord brengen hun Rol
(maakt los) en Zijn rol (Ik zal opwekken) ter sprake. Men kan daar
al dan niet accoord mee gaan, het al dan niet ter kennisneming als teken
accepteren, de kwestie is: ''Hoe reageren degenen die de tekst “de Joden” noemt in de tekst op deze woorden?" De mensen van het antwoorden (2,28) gaan nu spreken.
Ze komen met getallen. Klaarblijkelijk biedt dat een alternatief, een (voorlopige)
schuilplaats. Het getal is 46 jaar. Een wonderlijk getal om aan herinnerd
te worden. Kan men zich bij dit getal iets voorstellen, iets vaststellen? [22]
De enige vraag zou kunnen zijn: zegt de Schrift iets over het
bouwen van het Heiligdom. Hoe lang heeft dat geduurd? Alleen bij de Tempel van Salomo wordt geschreven over de duur
van het bouwen. Het heeft 7 jaar en 6 maanden geduurd. [23] Daarmee zijn getallen gegeven die herinneren
kunnen aan het verhaal uit het begin: het zogenoemde scheppingsverhaal in zijn
geheel [24] en datzelfde verhaal
weer opnieuw, nu tot aan de zesde dag, de schepping van de mens op de vooravond
van sjabbath. In Johannes 2,20 vinden we het getal
7 niet. Wel het getal 40. Wordt door het getal 40 ruimte geschapen voor veertig
jaar woestijn? [25] Naast
de getallen 40 en 6 [26]
geeft het verhaal in 2,20 voor de 3e keer het getal
3 [27] . Jij in drie dagen!
Voor de leerlingen wordt het een complete herinnering toen Hij opgewekt was
uit de doden (2,22). Intussen is voor Jezus het "Huis van de Vader"
identiek gebleken met "het Heiligdom van Zijn Lichaam”.
Met
deze identificatie is het eerste paasfeest in Jerusalem nog niet afgelopen.
In de eerstvolgende regels duidt de tekst geen verandering van tijd
aan. In Jerusalem, in Pasen, in het feest (2,23).
Wel wordt het nacht (3,2). Waarom komt Nicodemus in de nacht?
Is Nicodemus bang voor de dag, lichtschuw? Wat zou er toch aan de
hand zijn met Pasen, in de nacht, in Jerusalem?
Het is verbijsterend te zien hoe Nicodemus opgesloten is in een dwarse
lus die het traditionele lezen gevormd heeft van 3,2 (uiteraard zonder
2,23) en 19,38, vrijwel zonder aandacht
voor de Nicodemus van 7,51! [28] De tekst van het vierde
evangelie is zeer vertrouwd met de formule uit vrees voor de Joden?
Maar daarvan is in 3,2 geen spoor te ontdekken. Evenmin in 19,39!
Uitgaande van ruimte en tijd in de tekst komt Nicodemus uitgerekend
in de Paasnacht te Jerusalem bij Jezus. Is dat iets
dat aandacht verdient. Is er iets met Pasen In Jerusalem, in de nacht? In de Paasnacht in Jerusalem kan
het alleen gaan over: "Waarom is deze nacht anders als de andere nachten?"
Het verhaal over de bevrijding uit de slavernij komt uit en te na ter
tafel. Nicodemus hoort deze nacht over de wonderlijke geboorte "van
omhoog" [29] , wanneer God het in
het verhaal opneemt voor de vernederden, de slaven van
Egypte. Van omhoog moet je geboren worden om Gods koningschap te zien (3,3).
Je kunt in dat koningschap binnen gaan als je geboren wordt uit water en geest
(3,5). Na de bruiloft te Kana en de identiteit van het Huis van de Vader met het
Lichaam van de opgewekte, spreekt de tekst nu over het woord koningschap [30]
. Met Pasen gedenken de mensen die van "slavernij in Egypte"
weten precies de bevrijding uit die slavernij. Met Pasen kan men Gods koningschap
zien, er in binnen komen, van omhoog opgehaald worden en naar boven worden
gebracht om het licht te kunnen zien, geboren uit water en geest. Van omhoog
stelt de tekst gelijk met uit water en uit geest". Voor de tekst is
dit voldoende om te herinneren aan het eerder vertelde (1,26.31.32-34). Wie uit
water en geest geboren is heeft onderweg Johannes en Jezus gezien. Met Nicodemus
brengt de tekst zijn lezer(es) in de Paasnacht naar Jezus. Het doel van de geboorte van omhoog,
uit water en uit geest, is het koningschap Gods. Jezus
zal spreken over mijn koningschap wanneer Hij voor Pilatus staat (18, 36).
Pilatus zal zeer hechten aan wat hij geschreven heeft (19,19-22). Gods koningschap kan men zien en ingaan. Daartoe moet men de
stem horen (vgl 3,8). Johannes heeft gezien (1,34), hij laat het horen. En hij
laat het opnieuw horen, maakt het leesbaar waar lezers het hoofd buigen wanneer
het uur gekomen is. De tekst (12,28-32) lijkt geschreven naast het 3e hoofdstuk.
Zo moet de Zoon van de mens verhoogd worden (3,14 zie 12, 32.34). De tekst brengt degenen die de woorden volgen
tot de plaats van de geliefde leerling [31] , onder het kruis. Gedurende de Paasnacht, wanneer Nicodemus
"naar Hem" toe gekomen is, schrijft Johannes voor de derde keer de naam
van Mozes neer (na 1,17.45, nu 3,14). Zoals Mozes de slang verhoogd heeft
in de woestijn, zo moet ook de Zoon van de mens verhoogd worden, opdat ieder die
vertrouwen heeft in Hem, eeuwig leven heeft. Daartoe heeft God de eengeboren
Zoon gegeven (1,18; 3,16). Dat is de krisis,
het oordeel (3, 19): het Woord, het Licht in de duisternis,
het Leven (in de dood) . De krisis komt alleen in Jerusalem ter sprake
(5,22-30; 7,24; 8,16; 12, 31; 16,8.11) als ware die Stad de Wereld zoals de wereld
die stad is. Na dit (alles) in het meervoud begint de weg naar Galilea. Zie boven 4.3
- 4.5.1.
5.1.2.
Pasen in Johannes 6,4
Het
Evangelie volgens Johannes noemt Pasen voor de tweede keer in 6,4. Nu is Pasen
geen motief voor een opgaan naar Jerusalem (vgl 2,13). Na Pasen in Jerusalem
in het voorafgaande wordt nu Galilea gevonden. Daar is een grote menigte (6,2).
Jezus gaat de berg op. Hij gaat zitten te midden van zijn leerlingen. De plaats
van degene die leest is daarmee duidelijk (nl. te midden van de leerlingen aangegeven – maar blijkbaar
is er nog iets.
Maar dichtbij was het Pasen, het feest van de Joden (6,4) [32]
Hun
feest, ons feest? Blijkbaar heeft de tekst degenen die hem lezen reeds ingewijd
m.b.t. Pasen (boven, 5.1.1). Klaarblijkelijk kan men nog kiezen, kan men ook lezen
buiten Jerusalem/Judea, en in Galilea Pasen vieren. Galilea lijkt voor de leerlingen in het Evangelie van Johannes
een bevoorrechte plaats te zijn. De bewoners van Galilea hebben Jezus in 4,45
van harte welkom geheten. Zij hebben immers gezien tijdens het feest. Direct daarna
bleek Jerusalem zeer bedreigend. Wie het leest lette er op. In het evangelie volgens Johannes wordt Galilea steeds bereikt
vanuit Jerusalem [33] . In Galilea branden
twee lichten. Twee verhalen zijn verteld om de naam van Galilea in het Evangelie
van Johannes hoog te houden: Kana en Kapernaüm. In Jerusalem is toen het conflict
begonnen. Een naam is gezocht (5,12), vermoed, gekend. Daarop is het werkwoord
zoeken neergeschreven met doden als nadere invulling (5,18). Waarom doet Jezus
als Hij doet? Wat wil aldus verhaald worden? De tekst geeft te lezen: "De
werken die Mijn Vader gegeven heeft aan Mij, opdat ik die zal voltooien."(5,36)
Jezus is weggegaan, over de zee [34] . Het verhaal betreedt
een gebied dat even ver verwijderd is als de overzijde van de Jordaan [35] .
Of moet de lezer gebracht worden naar het "slavenhuis" om daar de
te verwachten bevrijding (8,32v) te kunnen vermoeden? Een grote menigte volgt, heeft de tekenen gezien aan de zieken.
Een bekend gebied wordt beschreven: op de berg. Omhoog. Gaan zitten. Het wekt
de indruk dat een leraar gaat spreken. Dan is het Pasen nabij (6,4). Vóór de menigte
stelt Jezus de vraag naar de broden om te eten [36] Tijdens dit Paasfeest
komt het voedsel [37] aan de orde (6,27).
Uitdrukkelijk voegt Johannes er aan toe: om Philippus te toetsen. Philippus is door Jezus gevonden [38] Hij identificeert Jezus
als degene over wie door Mozes in de Thora geschreven is en de profeten"
(1,45). Philippus zal verderop vragen de Vader te mogen zien(14,8). Op
zijn eigen wijze heeft hij de trekken van de mens uit geboorte blind. Nog
steeds is er geen sprake van zien. Hij kent niet. Jezus vraagt hem. Philippus ziet te weinig (6,7) bij een kind met vijf
broden en twee vissen. Jezus spreekt de zegenbede uit. Hij geeft. Het is voldoende
(voor de 12 stammen om het heiligdom heen - 2,19 vgl Num 2, zie Jo 11,54). Twaalf
korven brood blijven. Jezus spreekt over het voedsel
dat tot eeuwig leven blijft. De Zoon van de mens geeft het "jullie"
(6,27). Tijdens het tweede Paasfeest is er
brood te over (6,7) en vis voor ieder. Jezus wandelt in het duister op de zee
(6,17.19). De Vader geeft manna (6,32). Het daalt neer uit de hemel en geeft leven
aan de wereld. En opnieuw: de zijnen ontvangen Hem niet. Galilea blijkt niet beter
dan Judea [39] . Opnieuw klinkt in de tekst de stem van Jezus. Wie niet van
Hem wil eten en drinken heeft geen leven in zich (6,53-57). Van Hem! Deze vraag
en alle afwijzing blijkt nu de wanden van de synagoge
te Kapernaüm (6,59) – de plaats waar de zoon van iemand koninklijk op het
punt van sterven is - te bekleden. Een schandaal is het (vgl 6,61). De leerlingen
gaan weg, gaan terug. Alleen de twaalf hebben naar de woorden van Petrus
geen ander (6,68). Aldus arriveert de tekst bij het Loofhuttenfeest van hoofdstuk
7. Het Loofhuttenfeest maakt het leven in de woestijn tot liturgie. In 5.2 zal
de betekenis van het Loofhuttenfeest kort aangegeven worden. De tekst
6, 60vv is in deel 2 beschreven . Het paasfeest van Jo 6 loopt, als werd het
niet door enige spanne tijds gehinderd, direct over
in het Loofhuttenfeest.
5.1.3.
Pasen in Johannes 11,55
Het
derde en laatste Paasfeest in het Johannes-evangelie
gaat genoemd worden in 11,55. Het woord valt vóór en na de beslissende verplaatsing
in het Evangelie. Jezus is te midden van de leerlingen
bij Efraïm (zie boven p133). Alle concentratie en spanning van Jo 7-10 en rond
de opwekking van Lazarus vindt een soort rust in dat bijeen zijn (11,54). Dan
is Pasen nabij - onder het teken van de profetie van Kajafas. In het slot van
het boek Jozua is Efraïm een begraafplaats. Komt er nu zoiets als een begrafenis?
De tekst wil aandacht schenken aan de "velen" die
naar Jerusalem opgaan uit het land om zich voor Pas en te reinigen. Het
griekse woord hagnisoosin
(11,55), valt alleen hier in het Evangelie. Het Iijkt
niet verstandig woord te interpreteren naar iets buiten de tekst om. Wat in de
tekst gaat gebeuren – zo mag men het minstens proberen – krijgt deze naam: reinigen,
heiligen (Exodus 19,10 S.V.). Hoe doen ze dat? Ze zoeken Jezus. Als stonden
ze op hun beurt te wachten, zo zeggen ze staande in het Heiligdom. Wat
zij zeggen is tekst geworden, genoteerd. De lezers horen het, worden mede tot
partij gemaakt bij de uitspraak: Wat dunkt jullie, zou Hij niet komen naar
het feest?" Met die vraag gaat het laatste Paasfeest
in het Johannes-evangelie beginnen. Jezus gaat eerst naar Bethanië. Daar vindt de zalving plaats.
Het huis (van dit verhaal) wordt gevuld met de geur die hoort bij het begraven
van doden. Begraven staat alleen in Jo 19,40. Het volk uit Judea kent dat Jezus daar is, in Bethanië
(12,9). Ze brengen Jezus en Lazarus met elkaar in verband. De overpriesters
willen Lazarus ook doden. Dan geeft de tekst voor het laatst (in 12,1 1,29.35.43
en 6,22) de volgende dag. Johannes noteert deze aanduiding van tijd altijd
bij “oversteek-plaatsen". Nu komt Jezus naar Jerusalem.
Velen gaan uit, Hem tegemoet. Ze roepen: "Wees nu eindelijk Hosjea"
(Redding, Bevrijding). Een lied voor de koning van Israel (12,13). De dochter
van Sic hoeft niet te vrezen (12,15). Jezus vertelt wat er gebeurt wanneer je
in het duister loopt. Als je in het duister loopt, weet je niet waarheen je loopt.
In het duister ben je je oriëntatie kwijt. Johannes
noteert Jezus' woorden wel op een nauwkeurige wijze: duisternis wordt omkaderd
door het licht [40] : Hoewel Hij echter
al deze tekenen gedaan had voor hun aangezicht, zij
hadden geen vertrouwen op Hem toe." (12,37). Johannes zegt, dat aldus
het woord van Jesaja (53,1) is vervuld geworden. Johannes
reikt hier ook de woorden aan waarmee Jesaja gezonden wordt - 12,40 vgl Jes 6,1-10
(; voor genezen zie Exodus 15,26 – Wie naar Mij toekomt in vertrouwen,
hij komt in zijn vertrouwen niet naar Mij toe, maar naar Degene die Mij gezonden
heeft. Maar de mij gezonden hebbende/Vader/Deze heeft MD een gebod [41]
gegeven; en
Ik weet Zijn gebod eeuwig leven is. God als geneesheer (Ex 15,26). Voor het feest is er de dienst van de tafel (13,4-12). Juda
neemt het stukje brood terstond en gaat weg. Dan is
het nacht (13,30). Uren gaan geteld worden. Niemand geeft
Hem zijn gewicht dan alleen de Vader. Hij geeft niemand gewicht dan de Vader (13,31).
Het gebod opnieuw klinkt (v.34). Het verhaal blijft bij het derde Paasfeest.
De tijd zal niet meer veranderen; alleen de tijd wordt nog nader gepreciseerd.
De nacht (13,30) komt nog tot vroeg in de ochtend (18,30). De Voorbereidingsdag
(19,14.31.42). Wat wordt die dag voorbereid? Het zesde uur (19,14). Na de Voorbereidingsdag
komt de eerste dag van de week opnieuw, vroeg in de morgen. Johannes
20,1-18 vult die dag tot aan de avond toe. Het lijkt de niet met
name genoemde 1e dag [42] waarmee het Evangelie
opent – wanneer Johannes’ getuigenis ruimte vraagt voor de Messias. Jezus blaast zijn geest over de leerlingen [43] zodat zij ten leven
opgewekt op kunnen staan [44] . Ook Thomas op de 8e
dag [45] (20,26). Thomas identificeert
het lichaam op de 8e dag [46] . Johannes, het verhaal,
vertelt hoe Thomas naar het midden gaat”Mijn Heer
en mijn God. (20,29) Nog eenmaal hoort men het geheim van
die nacht (21,3 vgl 13,30) en die ochtend (21,4 zie 18,28 en 20,1).
5.1.4.
Pasen - een samenvatting
Drie
keer geeft Johannes een tekst welke hij dateert met het Paasfeest.
Pasen is het verhaal van de eerste der Tien Woorden: Ik ben de Heer uw God,
die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid
heb (Ex 20,2 S.V.).In spel en diepe ernst wordt gevierd "de verlossing
van het volk Israel uit Egypte, een verlossing die tegelijk de geboorte van Israel
als volk was [47] ; de geboorte van
omhaag (3,3.7). Wil men de betekenis van het joodse Paasfeest
gaan vermoeden, dan kan men alleen bij de uittocht uit Egypte terecht. "En
die Uittocht uit Egypte is de alef
en de taw – eerste en laatste letter – van de joodse
geschiedenis ... Er is ... bijkans niets te bedenken, dat niet met de Uittocht
uit Egypte wordt in verband gebracht [48] ." Zo groot is
de betekenis van die uittocht, dat de synagoge van nu elke morgen het "lied
van Mozes" (Ex 14,30-15,18) bidt. Wanneer in het 4e evangelie Johannes
aan de overzijde van de Jordaan(1,28) staat, dan zou men moeten vermoeden,
ergens achter in de Tora (Num 36,13; Deut 1,1) te zijn – ook wanneer dit voor
vele christelijk gevormde lezers een niet gewone wijze van "horen naar de
verhalen" is. Zeker wanneer men hoort over de Geest (het geheim van het begin,
"hemel en aarde" dankzij Gods scheppen in een adem genoemd), dan mag
men beseffen, dat het evangelie van Johannes niet in eerste instantie geschreven
is voor "vreemdelingen in Jerusalem". Johannes, de tekst, weet zich in Jerusalem
thuis, noemt deze plaats als eerste wanneer op aarde een plaats met name genoemd wordt (1,19). Het Johannes-evangelie hoort
ook bij de teksten die nergens anders verhaal op hebben dan op: "Wij waren
slaven in Egypte ,maar Hij heeft ons er uit gehaald."
"Spreken over de uittocht is niet praten over het verleden, maar ten diepste
bezig zijn met het heden en de toekomst. Seider vieren betekent voor de Jood: gedenken. En wat gedenken is,
wordt in de loop van de Seider heel duidelijk onder woorden gebracht: "In
ieder geslacht moet een mens zichzelf beschouwen alsof hij persoonlijk uit Egypte
is getrokken ... " Gedenken is dus zoveel als gelijktijdig worden met … of
ook: Gods verlossend handelen present stellen als een actueel gebeuren hier en
nu." [49]
De seider is de viering van de paasmaal
tijd thuis, want joodse mensen vieren Pasen op de eerste plaats thuis, in de kring
van familie en vrienden. De hypothesen rond het Evangelie volgens Johannes mag men niet verwarren met de tekst. Exegese is niet het uitwerken, toepassen en verder nuanceren van vooronderstellingen, “à assurer l’autorité et la force d’un certain discours historique” [50] . Exegese is dienst aan de tekst, kan en mag nooit buiten de tekst om of ten koste van de tekst.
In
3 verhalen stelt Johannes aan de orde wat hij binnen het kader van Pasen wil vertellen.
Het eerste en laatste verhaal beschrijft hij in Jerusalem. Tussen beide speelt
een geschiedenis zich af in Galilea. In Jerusalem herinneren de leerlingen zich. De Schrift gaat
er open. De Schrift en het woord van Jezus blijken betrouwbaar. Men leest er over
het Huis van de Vader. Aangekondigd wordt een verhaal na drie dagen. Het
spreekt van opgewekt worden (2,20). Belangrijke woorden vallen: van omhoog
…, 'in de nacht …, opdat wij mogen opzien naar de Zoon van de mens (3,14)
wanneer deze als de slang in de woestijn opgeheven wordt, opdat! Opdat
ieder die in vertrouwen naar Hem toe gaat eeuwig leven heeft (3,15). In het 2e verhaal is er het brood in Galilea. Een lijdensverhaal
blijkt te gaan beginnen. Ze willen Hem tot koning maken, willen Hem grijpen. In
de synagoge van Kapernaüm wordt er schande van gesproken. Zijn woord is hard.
De leerlingen willen niet meer achter Hem aan gaan. Het brood is een steen geworden
waar men over valt. Ook Galilea is niet de bevoorrechte plaats die het eerder
leek. De twaalf blijken er bij monde van Petrus
niemand anders te hebben. Is het verhaal veel verder gekomen? Heeft heel
die geschiedenis ergens toe geleid? Verwachting is gewekt. Iemand is geïntroduceerd.
Ogen leren weer omhoog te zien, de verhalen niet te
vergeten. Maar het lijkt niet te mogen. Dreiging groeit. Zo begint een nieuwe
tijd, het Loofhuttenfeest. Zo aanstonds zal het aan
de orde komen. Zo ook het Vernieuwingsfeest, kort en definitief. De rest is nog
een kwestie slechts van tijd. Het derde Paasverhaal. Opnieuw Pasen in Jerusalem. AIle aandacht is er voor het spreken van Jezus tijdens het
laatste samen zijn, de maal tijd. Woorden "beklijven," zijn woorden
van een "slachtoffer" – naar het woord van
Johannes het Lam Gods(1,29). Echter, het gebeuren van die dag krijgt zijn
beslag op "Voorbereidingsdag" (19,42). Een nieuwe week breekt aan, een
eerste dag. De dag van het licht. Verwarring en herkenning blijven niet uit. Jezus
doorbreekt het slot van de "gesloten deuren" door "in het midden"
(20,19 vgl 1,26) te gaan staan. Zij zien Hem. Daartoe stond Johannes te
dopen, om Wien jullie niet kennen…, Die na mij komt zichtbaar te maken.
Het Paasfeest waar het Johannes-evangelie
over spreekt, is niet het Paasfeest dat christenen kennen. Het is het joodse Paasfeest.
Het gedenkt de uittocht uit de slavernij. Johannes geeft dit verhaal als leesaanwijzing,
tot drie maal toe in de geschiedenis welke de tekst die zijn naam draagt te lezen
geeft, zijn getuigenis (1,19; 21,24).
5.2.
Het Loofhuttenfeest (Johannes 7) Voor
veel christenen is de naam van dit feest een vreemde zaak. Met
name voor katholieke mensen is het veelal onbekend. Het Loofhuttenfeest is
een joods feest. De joodse naam voor het feest luidt
"Sukkoth". Wie aan de hand van de tekst kennis neemt van het Paasfeest in de Tora, vindt het begin van het verhaal over
de uittocht in Exodus 12. In vers 37 worden namen genoemd die de reis aangeven.
Van Ramses (de slavenstad – Exodus 1,6) naar Sukkoth.
Deze naam, Sukkoth, wordt in Leviticus 23,33-44 toegekend aan een feest. Vertalingen
in het nederlands geven in de regel: het Loofhuttenfeest.
Daarmee is de inhoud van dit feest niet veel duidelijker geworden. Immers, wat
moet een mens zich voorstellen bij deze naam voor dit feest? Hutten van Loof?
Veel verder kan het voorstellingsvermogen niet komen. In het hier volgende zal
eerste informatie gegeven worden. "Wat is de les van Soekkot? Niet alleen de woestijnreis
wordt ermee in herinnering gebracht, maar daarmee en daardoor ook het feit dat
er een God is die zijn volk op zijn reis door de geschiedenis leidt en beschermt.
Zoals Israel tijdens de woestijnreis in broze hutten leefde en afhankelijk was
van Gods hulp, zo moet nog altijd het joodse volk en iedere Jood zichzelf voorhouden,
dat rijkdom en voorspoed en succes slechts zolang iemands deel zijn als God die
schenkt. Wat is bescherming? Daarover kan men slechts spreken als men die aan
den lijve ervaren heeft op moment en dat de situatie hopeloos leek, en dat men
tegen alle waarschijnlijkheid in gered wordt. ‘Bescherming’ is geen theologisch
woord, maar aanduiding van een oeroude ervaringswerkelijkheid, die op zo’n
moment geverifieerd wordt: d.w.z. de soekka verwijst
naar de ervaringen van het joodse volk door de loop van de eeuwen heen, momenten
van redding en bescherming. Maar die ervaringen staan niet op zichzelf, maar kunnen
nog elke dag werkelijkheid worden in het leven van elke mens.” [51] In dit ruime citaat
moge de betekenis van het Loofhuttenfeest in eerste instantie aangegeven zijn.
Gedurende het Loofhuttenfeest woont en woonde de joodse familie niet in maar buitenshuis.
In de tuin of op het balkon wordt van hout en takken een hut gebouwd. De familie
gebruikt er minstens de maal tijden. Het dak moet open kunnen. Je moet "de
open hemel en de sterren” [52] kunnen zien. In de
synagoge van vandaag wordt het boek Prediker [53] gelezen. Zeven dagen
duurt het feest. In Johannes 7 wordt de nabijheid van het feest, het midden, en
de laatste, de grote dag expliciet genoemd. Het Loofhuttenfeest was misschien wel het belangrijkste feest [54] . In 1 Koningen 8,2vv
wordt ernaar verwezen als naar het feest. Op die dag werden er in het Heiligdom
in Jerusalem ook "offers" gebracht namens de volkeren. Keerden met Pasen
de pelgrims in Jerusalem terug naar huis om (na het begin van de oogst) te gaan
oogsten [55] , tijdens het Loofhuttenfeest vierde men
de voltooiing. Het was de tijd laatste oogst in het najaar. De mensen hadden alle
tijd. Het Loofhuttenfeest geldt als feest voor de volkeren (vgl Zecharjah 14,16) – het is in de TeNaCH
het enige de feest voor de volkeren. Twee ceremoniën uit het Loofhuttenfeest zijn bekend [56] . Uit de Siloamvijver
werd water geput. In een feestelijke processie werd het naar het Heiligdom gebracht
en daar uitgegoten. Johannes 7,37 en 9,7 zouden daarmee te maken kunnen hebben.
Ook werden er lichten ontstoken op de "voorhof
der vrouwen", een centraal gelegen plaats in het heiligdom. Johannes
8,12 en 9,5 zijn daarmee in verband gebracht.
De christelijke liturgie kent het Loofhuttenfeest niet. "De
kerk heeft blijkbaar geen heil gezien in het bouwen van vergankelijke hutten.
Meer in het oprichten van indrukwekkende monumenten, kathedralen, domkerken. En
daarnaast valt een loofhut in het niet ... ,, [57] Incidenteel vindt men
in de literatuur opmerkingen die een verband zoeken tussen het Loofhuttenfeest
en Kerstmis [58] .57Verder dan pogingen
is dit niet gekomen. Het Johannes-evangelie noemt het Loofhuttenfeest in 7,2. In
10,22 verandert de tijd: Enkainia,
Vernieuwingsfeest. In de delen 2 en 3 (hierboven) wordt een onderzoek geboden
naar het eerste gedeelte van de tekst die onder de naam van dit feest geschreven
is.
5.3.
Vernieuwingsfeest (10,22v)
Vóór
het laatste Paasfeest (11,55) vertelt Johannes de geschiedenis
van Lazarus. De dubbele markering van de plaats in 1,28 blijkt kiemcel van het
verhaal over Lazarus, de vriend van Jezus. Die geschiedenis eindigt met het gebod
van de farizeeën. Wanneer iemand weet waar Jezus is moet men het melden, opdat
zij Hem zouden kunnen grijpen (11,57). Aldus is het grijpen (7,30.
32.44) en wederom grijpen (10,39) in een gebod vertaald. Met zoeken
wederom te grijpen" (10,39) eindigt het Vernieuwingsfeest. Het Vernieuwingsfeest vormt de afsluiting van Jo 7-10. Het
begint in 10,23. Jezus wandelt rond in het Heiligdom
alsof er geen dreiging is (vgl 7,1). Het verhaal gaat nauwelijks vooruit. Wat
dat betreft lijkt het op de voorafgaande hoofdstukken. Er komt niet zozeer "iets
nieuws" bij. Er blijkt "steeds meer" aan de hand. Johannes blijkt
niet genoeg belang te kunnen hechten aan "Jezus in het Heiligdom". De synagoge viert tijdens het Vernieuwingsfeest de vernieuwing
van het Heiligdom [59] In 165 voor gangbare
teling der jaren verjoegen de Makkabeeën de Syriërs. Die meenden de Helleense
beschaving in Jerusalem te kunnen brengen door hun godenbeelden in het Heiligdom
neer te zetten. Na de overwinning op de Syriërs wordt het Heiligdom opnieuw in
gebruik genomen. De Talmud vertelt, dat in het heiligdom maar een kruikje olie
was met het zegel van de hogepriester, "reine olie", geschikt voor de
eredienst. De olie van het kruikje zou slechts voor een dag voldoende zijn: 8
dagen bleef het branden. Chanoekah wordt ook wel het Lichtenfeest genoemd. Gedurende
8 dagen [60] worden de lichten ontstoken,
dag na dag, licht na licht. Een herinnering aan het ene, nog verzegelde en derhalve
niet misbruikte kruikje olijfolie. [61] Vernieuwingsfeest in Jerusalem. Het is winter. Plaats en tijd
worden bij dit feest aangeduid. Johannes neemt de lezers van zijn verhaal weer
mee naar het Heiligdom – vanaf 2,16 het Huis van de Vader genoemd. Daar
is toen (2,17 zie Psalm 69,10) onzichtbaar de naam David neergeschreven. In Jo
10,23 staat volop de naam van diens zoon, van Salomo. Tijdens het "gebed
van Salomo" betrekt [62] de Heer Zijn Huis.
De samenhang wordt vertolkt. Alles hoort bijeen, van Egypte tot David (1 Koningen
8,15-26). Daar is dank zij God de zoon uit zijn lendenen (1 Koningen 8,19),
de man die nimmer zal ontbreken (1 Koningen 8,25). Tijdens het Vernieuwingsfeest gedurende de winter in het Heiligdom
in de Zuilengang van Salomo moet men de herinneringen aan Salomo ophalen. Johannes
geeft de leerlingen van Jezus plaats in het Heiligdom in Jerusalem. Daar herinneren
zij zich (in 2,17.22,zie ook 12,16) de Schriften. In 10,34 klinkt manifest Psalm 82,6. De Psalm zelf kan men
bij wijze van herinnering of associatie reeds aantreffen in de tekst van het Evangelie.
God in de vergadering der Goden [63] . Hij houdt gericht
te midden van de Goden. In 10,24 omcirkelen de Joden Hem en zeggen: tot
wanneer. Tot wanneer zul t gij richten vals, het
aangezicht der afbrekers opheffend (Psalm 82,2) [64] . Johannes geeft: Tot
wanneer hef je onze ziel op? Ben Jij de Messias? Zeg het ons openlijk?(10,24) Het lijkt een goede vraag.
Kunnen Christenen die vraag overslaan? kunnen zij ten
overstaan van deze vraag zich opstellen alsof het probleem is opgelost wanneer
men doet alsof het een "weet" is? Aldus maken zij/wij Jezus tot ondubbelzinnig
middelpunt in de Stoa van Salomo. Maar door deze vraag maken zij/wij onszelf tot
het eigenlijke en feitelijke middelpunt. De vraag wil alles samentrekken, spannen. Zeg ons openlijk!
Zij/wij slaan dezelfde toon aan als de broers van 7,4. De tekst verklaart
daar: geen vertrouwen, ongeloof. Het voorafgaande blijkt nog steeds aan de orde
- blijft aan de orde zolang de (lezing van de ) tekst duurt. Over de schapen [65]
die de stem van de ware herder kennen. Over degene die in duisternis
rondwandelen, die niets weten en niets begrijpen (Psalm 82,5 vgl Johannes 9,41; 12,40;
Jesaja 6,10). In plaats van brood (6,35) rapen zij stenen .(10,31).
Zij laten evenwel hun beweging interrumperen door Jezus' antwoord: Veel goede
werken heb ik jullie laten zien vanuit de Vader. Om welk van deze werken stenig
je Mij? In de tekst luidt het antwoord: Niet omwille van een goed
werk. maar omwille van een blasfemie. Jij, een mens
zijnde, Jij maakt Jezelf tot God (10,33). Dan valt het
citaat, openlijk en voluit neergeschreven: Ik heb gezegd: jullie zijn Goden
(Psalm 82,6; Johannes 10,34). En netzomin als men sinds Johannes 2,19
het Huis van de Vader voor altijd los kan maken, zo zal men ook de Schrift niet
kunnen losmaken (10,35). Niemand kan Jezus roven [66] uit de hand van de
Vader. Daarna brengt de tekst zijn lezers terug naar de overzijde van de Jordaan
(10,40; 1,28), waar Jozua/Jezus, die dienaar van Mozes [67] de knecht van de
Heer [68]
, zelf "knecht des Heren" gaat worden [69] . Aan de overzijde van de Jordaan klinkt sinds 1,19 de getuigenis van Johannes. Daar is de plaats voor de volgende
dag. Daar horen allen die lezen het woord van Johannes betreffende het Lam
van God. Na de tekst over het Vernieuwingsfeest kan men verder lezen in het
11e het 12e hoofdstuk [70] . Zo kan men kennis
nemen van de woorden en zinnen waarin Johannes, deze tekst, Hem aan ons “voorlegt”.
5.4. Samenvatting
Jean Giblet constateert
in Développements dans la théologie johannique: "Quel que soit son
souci de rencontrer les conceptions religieuses du milieu hellénistique ambiant,
Jean d'enracine dans la tradition chrétienne et il est l'évangéliste de l'évènement
de salut qui s'opère et qui se donne en Jésus de Nazareth." [71]
Giblet noteert deze conclusie [72] na enige opmerkingen
m.b.t. de "fièvre gnostique” [73] veroorzaakt door de
"recente ontdekkingen". Hij geeft aan, waar de wortels te vinden zijn:
de christelijke traditie. Aldus gaat men echter wel gemakkelijk voorbij aan de
wijze waarop de joodse traditie leeft met de verhalen en de woorden. Te gemakkelijk
werkt de exegese van (delen uit) het z.g. Nieuwe Testament, wanneer men doet alsof deze teksten
"relatief autonoom" [74] zijn. Alsof iedere
invloed en elke betekenis gevende context waarschijnlijker is en meer resultaat
oplevert, dan de wijze waarop de "synagoge" de woorden wikt en weegt. [75] Alsof kritiek van christenen
op christenen en de wijze waarop de "christelijke gemeenschap" zich
manifesteert, betekent, dat degene die zo spreekt zich buiten de gemeenschap wenst
op te stellen of ipso facto buitenstaander
geworden is. Men mag zich niet tevreden stellen met hypothesen welke een
beschrijving proberen te geven van de "particular
circumstances in response to
which this Fourth Gospel was written" [76] . Want woorden en verhalen
functioneren reeds in een samenhang, nog voordat een schrijver geschreven heeft,
een spreker gesproken of een "historische setting" bepaald heeft. Diverse
wetenschappen bekommeren zich om die "samenhang", dit "onbewaakte
moment" [77] . Het Johannes-evangelie
blijkt vertrouwd te zijn met woorden, namen, feesten en verhalen welke in het
geheel van de Schrift aan het werk zijn, situeert zich in de Schrift. De tekst
bereikt een zekere rust wanneer de leerlingen zich herinneren. Andere voor-waarden
blijken te werken dan die welke de lezer van vandaag als waarden heeft leren kennen.
(Welke christen denkt aan Abrahem, wanneer hij of zij
"Onze Vader" zegt?) Een tekst uit het begin van de christelijke jaartelling impliceert
andere vooronderstellingen, kent andere relaties en associaties. Wat in die context
op begrip en herkenning mag rekenen zal velen van vandaag vreemd of eigenaardig
voorkomen. Het is niet eenvoudig die context aan te geven. Deze is geen collectie
"weetjes" maar hoort bij de discipline van heel een leven, komt uit
een "andere wereld". Vandaag kunnen de meeste lezers hooguit proberen,
daar als gast te vertoeven – om in bescheidenheid kennis
te nemen van "hoe een slachtoffer" en in Zijn spoor "veel slachtoffers"
(Joden, "anders-denkenken" en "anders-levenden")
getuigen zijn van de verhalen waar zij mee leefden, waar zij zich op beroepen
hebben, waar zij zich nu op beroepen. Een gesprek blijkt alsnog mogelijk te zijn.
Na
aIle exegese met een vooral historisch-kritisch karakter
loont het de moeite,Johannes te lezen in samenhang met
het geheel van het Evangelie, met de TheNaCH. AIleen omwille van de nadruk op de late datering [78] – Johannes zou pas
laat geschreven hebben, ontstaan zijn – en de vermeende distantie (wellicht reëel
maar toch ook zeer weinig begrepen) tot de synagoge, is dit te weinig gedaan [79] . Gnostiek, mandaïsme,
Samaritaanse liturgie, enz. heeft men behulpzamer geacht dan de nauwelijks verkende
ruimte van joodse tradities. Wie de tekst van het vierde evangelie als tekst beschouwd
vindt de eenvoudige mogelijkheid, de tekst meer op zichzelf te lezen, meer naar
zichzelf verwijzend dan naar buiten-tekstuele elementen
(feiten, gebeurtenissen, waarheden). De tekst is gegeven: hij zou voldoende kunnen
zijn. Het verhaal kan open gaan.
Aan
de hand van de choreografie en chronografie is het voorafgaande en volgende van
Johannes 7 - nog zonder de grenzen precies vast te stellen (zie deel 4)
- geïnventariseerd. Namen van plaatsen
en tijden (feesten) zijn in het Johannes-evangelie gevuld met de verhalen van
deze tekst, dit Evangelie. ln die verhalen hebben woorden
en thematieken een "meerwaarde", zij zijn meer signifiant dan signifié
gebleken, voortdurend verwijzend, binnen de tekst en over de materialiteit van de tekst binnen het geheel van de Schrift.
Judea en Jerusalem mogen dan plaatsen op een landkaart zijn,
zij horen op de eerste plaats in verhalen thuis, sluiten aan bij "schriftuurlijke tradities"
en geven daar tegelijk een eigen wending aan, een nieuwe context, het "Evangelie
volgens Johannes". Zo steunen de Paasverhalen
op alles wat te maken heeft met die nog nader en steeds weer opnieuw uit te leggenzin:
Wij waren slaven in Egypte, maar Hij heeftons bevrijd".
Tegelijk wordt dit vertrouwde opgenomen in een nieuwe,
namelijk deze geschiedenis, het Evangelie volgens Johannes zodra men lezen gaat.
Nog zonder de grenzen vast te stellen, wanneer men Johannes
7 gaat lezen, dan worden Johannes 1-6 verondersteld. Tegelijk staat vast dat Johannes
8 en volgende komen gaan. Plaatsen en tijden zijn en worden genoemd, hebben en zullen
een rol krijgen, tekst blijken. Wanneer een gevallen steen
kringen op het water trekt, dan zijn het water en de steen er reeds, dan is er
zelfs iemand geweest die de steen geworpen heeft of is er een andere aanleiding
tot het losraken van de steen uit zijn eerdere verband. Judea in Johannes 7 is gevuld en zal worden gevuld, is derhalve te vullen vanuit Johannes 1-6 en 8 en volgende hoofdstukken.
Tenslotte speelt ook Judea een rol, vertolkt die naam
een serie verhalen voor ieder die zich enigermate thuis weet in de stad van Judea,
Jerusalem. Een groot deel van Johannes 7 zal er zich situeren. In deel 2 is Johannes 7 afgebakend met behulp van feiten binnen
de tekst. Daarna is de tekst onderzocht op mogelijkheden die structurerend zouden
kunnen zijn en een samenhang van de tekst zouden kunnen bieden. Deel 3 heeft binnen die afbakening en samenhang een lezing
van Johannes 7
gepresenteerd. Deel 6 tenslotte zal een terugblik
en weging gegeven worden.
6.
Terugblik en weging
6.1.
Situering
Wie
een pagina uit een boek leest dient zich wel te realiseren, dat hij of zij een
pagina uit een boek leest. De pagina komt niet alleen. Er hoort een boek, een
context, een "hele wereld" bij. De eerste vraag bij een pagina zou kunnen zijn: "Kan men
deze tekst min of meer lezen?" Meer uitdrukkelijk geformuleerd: "Vormen
deze woorden in zekere zin een min of meer afgesloten
geheel?" Kan men dit lezen zonder een directe band met het voorafgaande en
volgende? Vormen de woorden daarbinnen toch "een zekere eenheid"? Welke
is die eenheid? Hoe kan men haar omschrijven? Welke samenhang treft men aan binnen
dit "enigermate afgerond" deel of geheel? Johannes 7 lezen betekent een bekende weg gaan. Dit tekstfragment
wordt in deze studie niet voor de eerste keer beschreven. Anderen hebben dit eerder
gedaan, binnen een studie over het geheel van het Johannes-evangelie of binnen
een meer beperkte beschrijving van het tekstgedeelte dat tegenwoordig bekend staat
onder de naam "Johannes 7". Daar komt nog bij. Johannes 7 hoort bij het geheel van "de Schrift",
"de Bijbel", zoals deze een naam heeft in de wereld van de christenen.
Het lezen van een bijbeltekst
hoort gedisciplineerd te geschieden. Bepaalde, welomschreven manieren zijn gangbaar
geraakt, gegroeid, begonnen, geprobeerd, ontwikkeld, verbeterd, getoetst of opnieuw
aangezet. De bestudering van Johannes 7 zou kunnen geschieden als een geschiedenis
van de interpretatie van de tekst. Dit is evenwel niet de opzet van deze studie
geweest. In de inleiding (deel 1) is geprobeerd de recente geschiedenis van de
"exegese" of de hoedanigheid van "exegetische literatuur"
evocatief te suggereren, met als bedoeling': ruimte maken voor zoiets naïefs als
het lezen van Johannes 7. "Zoiets naïefs." Niet is beoogd een theorie
te ontwikkelen over wat men zou kunnen noemen: de act van het lezen. Dat zou immers
een specialisatie zijn, gericht op een vraag als: "Wat is lezen?" -
meer in het bijzonder: "het lezen van een tekst?",
met de daarbij zich aandienende vragen als: wat is een tekst? Onder welke voorwaarden
zou men over een tekst als tekst kunnen spreken, hoe verloopt het leesproces (van
aanvankelijk tot begrijpend lezen)? Hoewel zij er niet buiten kan blijven, deze studie kiest deze
richting niet. Immers, heel de waarheid van de waarneming,
de waarneming als feit, suggestie of werkelijkheid, en de feitelijkheid van het
zich aandienende zou dan uiteindelijk object van studie gaan worden, tot en met
een erkende discipline als epistemologie of noviteiten als structuralisme of semiologie.
Gegeven deze wetenschappen kiest deze studie voor zoiets naïefs [80] als "een lezing
van Johannes 7".
De
vraag op voorhand, bij het begin van deze studie, luidt: “Kan men Johannes 7 zien
als een eenheid?" Kan men de tekst beschrijven als een geheel? In deel 2
wordt een argumentatie gegeven, Johannes als een eenheid met een aanwijsbare samenhang
te zien. Er zijn redenen, materieel en thematisch, die het aannemelijk maken,
de tekst die naar algemeen gebruik bekend staat als Johannes 7 te zien als een
geheel dat niet alleen door een al dan niet noodlottig toeval bijeengeraapt is.
Er blijkt een stijl, een systeem aan het werk, een structuur is te herkennen,
aan te wijzen en tot op grote hoogte te verifiëren. Het raadselachtige van deze
tekst wordt daarin bewaard, geleid en pregnant gemaakt, voegt zich tot een geheel
(deze tekst) aaneen. Daarmee wil deze studie niet het laatste woord geven over
de betreffende tekst. Wellicht mag hetgeen de tekst
aldus als ordening herkend, te lezen geeft een uitnodiging zijn, Johannes 7 –
deze in de literatuur nogal verwaarloosde en onbekende tekst – opnieuw, dat wil
zeggen met nieuwe ogen te gaan lezen.
Deel 3 beschrijft een leesproces. De aangeboden lezing probeert
steeds terug te grijpen op het gelezene. Hetgeen de tekst te lezen geeft wordt voortdurend gespiegeld
aan de "zekere eenheid" welke Johannes 7 is, voortdurend ook bewaard
binnen hetgeen "tot nu toe" in de betreffende afdeling van de tekst
gelezen is. De hier aangeboden lezing probeert niet naar feiten, (re-)constructies
of vooronderstellingen "buiten de tekst” [81] te komen. De lezing
beperkt zich tot hetgeen de tekst te lezen geeft: is
Johannes 7 leesbaar? Vormt de tekst "een geheel" met een zekere "samenhang"?
Lezen is een gesprek met met de
tekst. Een gesprek is niet het uitwisselen van "zekerheden" [82] . Tussen lezer en tekst
blijft een verschil. Tussen de lezer en de tekst blijft een verschil [83]
.Op straffe van willekeur blijft dit verschil te
respecteren [84]
. De tekst heeft het woord, richt mijn vragen, richt zich naar
mijn vragen en leert mij, opnieuw en meer tot de tekst gericht te vragen. De tekst biedt zijn eigen wending aan, zijn eigen zin. Precies
daarom is het van extreem belang voor alles veilig te stellen, dat de tekst het
onderzoek leidt. Ook wanneer het lezen een zekere synchronie tot stand
brengt tussen de tekst en de lezer, tegelijkertijd blijft er de diachronie.
De tekst de ligt voor en heeft voorrang, beslist
door zijn productiviteit welke vragen goede vragen, d.w.z. aan de tekst ontsproten
vragen zijn, of de vragen meer gewicht in de schaal leggen dan de vondsten welke
de lezingen tot nu toe hebben opgeleverd. Lezen heeft alles van het scheppingsproces. De tekst creëert
wat niet eerder is geweest, wat zelfs "niet níet"
is geweest. Niet een negatief (niet lezen) is overgegaan in een positief (lezen).
Tijdens de lezing geschiedt wat vanuit de lezer gezien, niet eerder mogelijk was:
de lezing van deze tekst. Het subject van lezen, de lezer, zal men beschrijven
zoals E. Levinas het subject beschreven [85] heeft, van absoluut
machtige buiten alle kritiek tot gijzelaar, geobsedeerde. De fascinatie evenwel welke het in deze studie beschrevene
leidt, dient echter voortdurend ontbonden of geïnterrumpeerd te worden. Dit is
de functie van "de woorden in hun samenhang" welke de tekst vormen.
Steeds is er de (met betrekking tot de lezer “vooringenomenheid” van) de tekst,
de eenvoud van woorden en zinswendingen waarin deze komen. Steeds opnieuw verwijdert
de tekst zich van het "verstaan" of de "nabijheid", de "betrokkenheid"
van wie leest. Het begrip, het "kunnen volgen", de draad van het betoog,
de coherentie van het leesverslag, lijkt of blijkt meermalen onderbroken. Deze
"verlorenheid", het "op afstand staan", maakt de gang naar
en de nabijheid mogelijk. Opnieuw kan ik gaan in de richting van de tekst. Opnieuw kan
ik "naderen om te horen" [86] 7. Is de nabijheid
mogelijk? Bestaat er zoiets als een zeker verstaan? Kan er al lezend iets anders
zijn dan "een onbegrijpelijke tekst"? Lezen is een verhaal zonder begin en einde. Het is begonnen
voordat ik – wie dat ook wezen moge - besloten heb te gaan beginnen. Het is nog
bezig, werkt nog, wanneer ik het boek dichtgeslagen of mij afgewend heb. En ook
het voortgaande proces dat lezen heet, gaat, dank zij de tekst met zijn eigen
materiaal en thematiek, dank zij ook de niet-identiteit van het zich met zichzelf
identificerende subject, op een andere wijze voort dan
ik als lezer of lezeres projecteer, mij voorneem of opzet en uitvoer. Het enige
dat de lezer hier zelf kan doen (actief) is: garanties inbouwen, dat niet de eigen
willekeur of persoonlijke geschiedenis van wie leest de boventoon voert, de lezing
leidt. Veilig gesteld dient te worden, dat de tekst zich in al zijn
vormen ontplooien kan, aIle aandacht krijgt. Daartoe
dient het klemmende belang van de structuur en opbouw van de tekst: de samenhang.
Voor de lezer is de ordening die daardoor ontstaat een aan de eigen greep onttrokken
presentatie van de te lezen tekst. In deel 2 is deze samenhang onderzocht. Echter: hetgeen daar geschreven is kan, evenals het leesverslag in
deel 3, in het gunstige geval alleen een bijdrage zijn, een opening met respect
voor de tekst blijken, een uitnodiging tot een nieuw gesprek over de tekst of:
"Nog eens: over deze tekst". Een oud gesprek wordt opgenomen, een nieuwe kennismaking kan
plaats vinden. De eindterm is niet te voorzien, onttrekt zich aan het overzicht.
"Dans l'écrit certes Ie dire se fait pur dit, simultanéité
du dire et de ces conditions. Le discours interrompu rattrapant ses propres ruptures,
c'est Ie livre. Mais les livres ont leur destin, ils appartiennent a un monde
qu'ils n'englobent pas, mais qu'ils reconnaissent en s'écrivant et en s'imprimant
et en se faisant pre-facer et en se faisant précéder
d'avant propos. lIs s'interrompent et en appellent a d'autres livres et s'interprètent
en fin de compte dans un dire distinct du dit" [87] Met betrekking tot Johannes 7 blijft er tegelijkertijd een
meer specifiek gegeven. Johannes 7, alhoewel in zich
een zekere eenheid, bestaat niet zonder de rest van het evangelie. De delen 4
en 5 zetten de verhalen van het Evangelie als choreografie en chronografie bijeen.
Zou men zo mogen lezen? [88]
6.2.
Terugblik en weging
Elke
tekst is het resultaat van een geschiedenis. Ook het lezen van een tekst hoort
in een geschiedenis thuis. In de recente geschiedenis van de exegese is de historisch
kritische methode veelvuldig en genuanceerd in praktijk
gebracht. Mogelijkheden zijn beproefd om de tekst te reconstrueren aan voorafgaande
of bestaande bronnen of historische verwikkelingen [89] . Een min of meer constante
factor in alle diversiteit lijkt, dat men toch weinig feeling heeft gehad voor de onmiskenbaar "joodse
setting" van het Johannes-evangelie, in alle geval voor Johannes 7. De "joodse
setting" van de tekst is veelal buiten beschouwing gelaten of heeft slechts
minimale,vaak negatief gekwalificeerde aandacht gevonden.
Met name is dit gebleken uit de geringe aandacht voor
de woorden en de wijze waarop deze in de tekst zijn vastgelegd. Afgezien van de geschiedenis welke (mede) bepalend is geweest
voor de tekst – de tekst is zelf ook iets. De tekst zou opgave kunnen zijn voor
wie lezen wil of leert, de gang van de woorden als verhaal te volgen. Niet alle
mogelijke veronderstellingen zijn voorwaarden om te komen tot een redelijke lezing
van de tekst, maar de tekst zelf. De tekst presenteert zich, geeft te lezen. De
lezer zal in eerste instantie desnoods geheel afzien van de ontwikkelde methoden
om te lezen en resultaten van eerdere lezingen. Wie leest zal trachten zich steeds
maar weer opnieuw te onderwerpen aan het dictaat van de tekst – alsof deze de
beste souffleur is voor hetgeen de pagina die tijdens
de lezing heilig [90]
is te lezen geeft. Vooringenomenheid, routine en veronderstelde
leeservaring zal plaats moeten maken voor het eigene van de tekst: deze zinnen,
zinsdelen, woorden. Welk effect kunnen zij in de tekst als tekst hebben? Hoe staat
de woorden genoteerd in hun eigen verband? Wat gaat er mee gebeuren? Men kan en
zal zich laten raden door het verslag van wie eerder gelezen heeft. Maar er is
een volgorde. De tekst [91] gaat voor, is object
van studie. Wat wendt hij voor? Welke relaties heeft hij met zichzelf, maken een
relatie met de lezer mogelijk? Hoe doet hij dit? Is er naast de expliciete kenmerken
van plaats en tijd een verdeling aan te wijzen welke functioneert in de delen
van de tekst, zodat er klaarblijkelijk zoiets als een "geheel" ontstaat.
In het bovenstaande deel 2 is de tekst op zijn samenhang een
eenheid aangesproken, gewikt en gewogen. De drievoudige herhaling van en woord
in kleinere gedeelten van de tekst brengt een zekere ordening aan, kan richting
geven aan de lezing volgens een verdeling welke de tekst zelf aanreikt, richt
tenslotte alle aandacht op 7,24-51.
Na
Johannes 1-6 vermoedt men in Johannes 7,1 na al het voorafgaande een nieuw begin,
zij het mét alle spanning van dit voorafgaande. Jezus rondwandelen in Galilea is negatief bepaald: niet Judea (vgl Johannes
5). Evenwel: niet de dreiging is bepalend voor zijn niet opgaan, ook niet hetgeen Zijn broers zeggen, maar het nog niet gevuld
(geworden) zijn van Mijn tijd. De tijd (Mijn tijd is niet alle tijd) is aangegeven.
Statistisch gezien is deze in Johannes 7 uitzonderlijk. Alleen hier in hetgeen men meent aan te kunnen geven met de naam "het
Nieuwe Testament", vindt men het Loofhuttenfeest – het feest van de laatste
oogst, wanneer Israel zichzelf beleeft "in de woestijn onder de hemel in
Gods hand". Ook Jezus' opgaan tijdens dit feest is uitzonderlijk geformuleerd.
In Johannes 7,1-10 klinkt steeds: Opgaan naar het feest. Tijdens Jezus'
opgaan klinkt deze eindterm niet. Wanneer 7,14 bij opgaan een naar
aangeeft, dan klinkt: naar het heiligdom. Zijn naam en opgaan verdwijnt er in een grieks woord: edidasken,
Hij leerde. De tekst noteert dit alles nadat gezegd is wat op het spel
staat. Daarbij zijn twee meningen zijn aangegeven. Zij sluiten elkaar uit. Hij is goed, dat betekent: Van de kant van God; Volgens
Mozes en de Profeten (9,16.33; 1, 45v). Hiertegenover klinkt: Hij
misleidt het volk. Hij brengt het bestaan van het volk in gevaar, verbreekt
de Eenheid van God en het Volk, eigent zich de plaats toe welke God toekomt. Deze
oppositie van twee waarderingen vormt uitgangspunt voor een proces-achtig geheel, een proces verbaal. Opnieuw wordt Jezus
tot een verhaal gemaakt, beschreven, ingevuld en uitgelegd door de tekst. Jezus
is opgegaan naar het Heiligdom en leert er. Daarop zaait de tekst zich uit of mag hij als oogst gelezen worden.
Jezus 'leren levert herkenning op. Tora blijkt gehoord. Hoe
kent deze de Tora, vanuit welke vertrouwdheid en Eenheid leert Hij, niet
geleerd hebbend! Jezus oriënteert zich in deze tekst rechtstreeks. Hij bekent
zich tot het welbehagen doen van Degene Die Hem gezonden heeft (7,16618),
Diens gewicht. Het éne werk, het verwondering
wekkende (van de leer) is de gezondheid van de mens (7,23 vgl Ex 15,26). Dit
heeft Jezus zichtbaar gemaakt in Jerusalem op Sjabbath,
als voltooiing van het werk van de Vader (4,34) door te doen als God (5,18). Dat
heeft de Evangelist - deze tekst - tot verhaal over Jezus van Jezus gemaakt (vgl
8,32; 10,3). Wanneer men erover wil spreken, dan zal het hierover moeten gaan:"Maakt
Jezus de mens gezond?" Brengt Hij hem binnen in het verbond? Geleidt Hij
als Tora (Ex 15,25) het volk onderweg door de woestijn en maakt Hij die tot de
plaats van taal en teken in de hand van Mozes? Is Zijn leven te zien in het licht als licht (1,4) van de Tora, als
Tora (1,1 vgl 1,17), hooggehouden door Mozes (3,14)? Is Hij Huis van de Vader (vgl 2,17-22)? Is hij zoiets als “een
plaats”? Kan men bij Hem terecht (vgl 7,37)? En wat betekent dit? Dergelijke vragen
willen een antwoord. Kunnen zij beantwoord worden? Zijn
het goede vragen? Zijn het de vragen waar de tekst zich over uit laat? De tekst zelf heeft dergelijke, op vele wijzen te hernemen
vragen voorzien. Hij geeft een criterium. Er zijn tweemogelijkheden. Eén wordt
afgewezen, één wordt aangenomen, aangewezen. Johannes ‘tekst biedt het in een
kostbaar fragment aan, als woorden uit de mond van Jezus. De geschiedenis van
de exegese heeft deze korte volzin nooit als kernzin of fundamenteel element gezien
in Johannes 7. Wie door de tekst geattendeerd op de drievuldige
herhaling van een woord binnen een beperkt gedeelte van de tekst, wordt vanzelf
naar 7,24 gebracht, ziet tevens hoe 7,51 vanaf 7,24 in reserve wordt gehouden
en aan het werk is sinds 7,19. 15. 12. 1 – vgl 8,40 – ja zelfs sinds 6,59. 60.
Jezus
vraagt in 7,24 om een rechtvaardig oordeel. De plaats van het rechtvaardige oordeel
zou Jerusalem moeten zijn. Daar staan de zetels van het gericht (Ps 122,5).
Sommigen van de bewoners van Jerusalem (7,25) wijzen Jezus af. Zij menen te weten
vanwaar Hij gekomen is (7,27). Zij veronderstellen een
bekend verleden – alsof ze nooit het paasfeest vieren, nooit in Egypte zijn geweest
(vgl 8,33; 3,3.7), alsof de stem (3,8; 10,4.16; 4,29; 11,43; 18,37) hen
niet uitgeleid heeft (vgl 10,3). Sommigen van de bewoners van Jerusalem
menen te weten vanwaar. Het Johannes-evangelie spreekt daar niet over.
"Vanwaar zijt Gij gekomen?" mag en zal bij Johannes een vraag blijven.
Een antwoord op deze vraag spreekt enkel over Degene die gezonden heeft.
Johannes laat Jezus zichtbaar worden in de tekst onder de aanwijzing: "lam
van God" (1,29.36). Vanaf 2,13-22 (2,23 met 3,2 maar dan ook 2,1;1,45; 1,29.36
en zelfs 1,1-5) is het duidelijk, dat Pasen het feest is in het Evangelie volgens
Johannes. De bevrijding uit de slavernij die Egypte kenmerkt, de tocht door de
woestijn, de Tora wordt in het Johannes-evangelie voortdurend tot klinken gebracht
als lijst om en inhoud van het Evangelie. Precies daarom is in 7,2 het Loofhuttenfeest
zo opvallend, het feest van het oprichten van de Tent (zie boven pp50-52) het
feest van de laatste oogst. De Joodse traditie kent het Loofhuttenfeest als "partner"
van Pasen in het najaar. Het is het enige feest in de joodse traditie voor Israel
en de volkeren. In de katholieke liturgie is dit feest onbekend. [Toch gaf het
Missale Romanum enkele toevalligheden.
Ten tijde van de oogst in het najaar, op de 17e zondag "na Pinksteren"
zong de latijnse liturgie Ps 119,137.124: "Rechtvaardig zijt
Gij, Heer, en recht is Uw oordeel. Doe met Uw dienaar overeenkomstig
Uw medelijden" (Vulg). Het Offertorium zong de
woorden van Daniel ("God is mijn rechter"):
"Ik heb gebeden tot mijn God, ik Daniel, zeggend: Verhoor Heer de gebeden
van Uw knecht. Doe lichten Uw gelaat over Uw Heiligdom en zie genadig naar Uw
volk waarover Uw Naam is uitgeroepen, God."(Dan 9,17-19). Het Evangelie las
Mt 22,34-46 over het "grote gebod" met de
opmerking: "De Gezalfde, wiens Zoon is Hij? De Zoon van David? Als David
Hem 'Heer' noemt, hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn!"
Woensdag daaropvolgend was het Quatertemperdag. De liturgie
gaf een extra lezing (Nehemia vel 2 Esdras 8,1-10) over het voorlezen van de Tora op de Heilige
Dag van de Heer. Zaterdag daaropvolgend werd gelezen uit Lev 23,26-32 over "Grote
Verzoendag" en Lev 23,39-43, over het "Loofhuttenfeest". Het
Epistel van die dag vertelde over de "Tabernakel" (Hebr 9,2-12).]
Het Missale Romanum
noemde t.t.v. het "Loofhuttenfeest" in de
synagoge minstens nog het Loofhuttenfeest. Nu is het Loofhuttenfeest in de christelijke
traditie een onbekende voor de meeste christenen. Jo 7 spreekt over Jezus uitdrukkelijk
op titel van het Loofhuttenfeest. Wat kan men weten over Jezus, peinzend over
het Loofhuttenfeest, de laatste oogst, het laatste woord, het onderricht tenslotte?
Jezus wijst op de Tora, op Hem Die gezonden
heeft. Zij proberen aan te tonen waar Hij vandaan komt. Als je kunt aangeven waar
Hij vandaan komt, dan heb je greep op Hem. (Vgl "Waar ik ben kunnen jullie
niet komen" - 7,34.36). En wanneer men zou kunnen zeggen: "Hij kent
de Tora niet" (vgl 7,15.46 n. b. 7,47 en 7,12!), dan zou de lezer niet eens
hoeven te verwijlen bij de vraag: “Wie is Hij?” Jezus leert tijdens het Loofhuttenfeest in het Heiligdom. Zijn
leren vindt herkenning. Hij biedt zich aan. Van Hem kan men drinken. "Voor
wie uit de volkeren niet opgaat naar het Huis van de Heer zal er geen regen zijn,
voor Egypte geen overstroming" - vgl Zecharjah
14, 17v. “En hij sloeg daar zijn tent op" (Genesis 26,25). Wie,
wie “hij”? Gen 26,25 spreekt zo over Isaak: "En daar groeven de dienaren
van Isaak een bron". Het duurt dan nog lang voordat er vrede zal zijn (vgl
Genesis 26,29; Numeri 6,26 en Jo 20,19.21.26). In Johannes
8 zal het uitdrukkelijk gaan over de Vader
en de Zoon, zal de naam van Abraham klinken. Uitgerekend het feest waar het volgens Johannes 7 over zou
moeten gaan betekent voor de meeste christenen niets. Het is onbekend. Men weet
zelfs niet dat men er niets van weet, of dat er iets van te leren zou kunnen zijn.
Het is niet alleen jammer, wanneer de "leerlingen van Jezus" de oogstfeesten
niet (meer) kennen. Want hoe kan men weten van de verwachting wanneer de oogst
buiten perspectief blijft - niet (meer) inspirerend kan zijn, niet meer tot de
or de roept, een vergeten
tijd en plaats geworden is? Hoe kan men dan weten van Jezus? het Woord herkennen dat geschiedt?
Literatuurlijst
AC Amsterdamse Cahiers, Kampen,
vanaf 1980 CBQ
Catholic Biblical Quaterly L’Évangile Zie onder M.de JONGE JBL
Journal of Biblical
Literature StJ Studies
in John, Festschrift f. J.N.Sevenster, Leiden 1970 RB Revue Biblique Aangehaalde werken
Bijbel Algemeen
F.BLASS, A.DEBRUNNER, Fr. REHKOPF, Grammatik des neutestamentlichen
Griechisch, Gottingen 1976
5 BIBLIA SACRA IUXTA VULGATAM CLEMENTINAM, ed.A.COLUNGA, L.TURRADO,
Madrid 1977 (5e dr) M. BLACK, An Aramaic Approach to the Gospel
and Acts, Oxford 1967 M.BUBER, Die Schriftwerke, Heidelberg 1976 A.CHOURAQUI, Evangiles, Parijs 1982 13 A.COHEN, The Soncino Books of the Bible,
Londen-Jerusalem-New York 1976 COMPENDIUM RERUM IUDAICARUM AD NOVUM TESTAMENTUM,
Vol 1,1 en 1,2, The Jewish People in the First Century, ed.S.SAFRAI en
M.STERN e.a. Assen 1974-76 GROOT
NIEUWS VOOR U TOEGELICHT, Amsterdam-Boxtel 1977 E.HATCH en H.REDPATH, A Concordance to the Septuaginta,(Oxford 1897) Graz 1975 L.KOEHLER en W.BAUMGARTNER, Lexicon
in Veteris Testamenti Libros,
Leiden 1958 B.M.METZGER, The Text of the New Testament,
Oxford 1968 4 W.F.MOULTON and A.S.GEDEN, A Concordance to
the Greek Testament, Edinburg 1967 NIEUWE
VERTALING VAN HET NEDERLANDS BIJBELGENOOTSCHAP, 1952 26 NOVUM
TESTAMENTUM GRAECE, ed.E.NESTLE
en K.ALAND, Stuttgart 1979 SEPTUAGINTA, ed.A.RAHLFS, Stuttgart 1935 THE SONCINO BOOKS OF THE BIBLE, zie A.COHEN BIJBEL, dat is de ganse HEILIGE SCHRIFT, (Statenvertaling),
's Gravenhage THEOLOGISCHES WORTERBUCH ZUM ALTEN TESTAMENT, ed.G.J.BOTTERWECK,
H.RINGGREN, H.J.FABRY, Stuttgart 1979 vv THEOLOGISCHES WORTERBUCH ZUM NEUEN TESTAMENT, ed.G.KITTEL,
G.FRIEDRICH, Stuttgart 1933vv. WILLIBRORD-VERTALING, Boxtel 1975 5 M.ZERWICK, Graecitas
Biblica novi testamenti
illustratur Rome 1966 (5) Analysis
philologica novi testamenti graeci. Rome
1966 Evangelie volgens Johannes ALBERTUS MAGNUS, Enarrationes in Joannem,
Opera omnia 24, Parijs 1890 AURELIUS AUGUSTINUS, In Johannis Evangelium
Tractatus CXXXVI, Corpus Christianorum series Latina XXXVI, Turnhout
1954 T.BAROSSE, The seven days of the new creation
in St.John's Gospel in CBQ 21(1952)507-516 J.M.BASSLER, The Galileans: a neglected factor
in johannine community research in CBQ 43(1981)243-257 J.BECKER, Das Evangelium des Johannes, Kapitel
1-10, Gütersloh-Würzburg 1979 C.K.BARRETT, The Gospel according to St.John,
Londen 1975 K.BARTH, Erklarung des Johannes-Evang§liums in GESAMTAUSGABE
II, AKADEMISCHE WERKE 1925/26, ZUrich 1964 2 Die Kirchliche Dogmatik IV
2, Zürich 1964 M.-É. Boismard, Du Baptème à Cana, Lectio Divina 18, Parijs 1956. Saint Luc et la
rédaction du quatrième évangile (In IV,46-54) in RB
79(1962)185-211 Aenon, pres
de Salim in RB 24(1973)218-229 P.BORGEN, Bread from Heaven, NovTSup 10,
Leiden 1965 Some Jewish
Exegetical Traditions as Background for Son of Man Sayings in John's Gospel in
L'Evangile 243-258 F. M. BRAUN , Jean le theologien,
II; Parijs 1964 R. E. BROWN, The Gospel according to John I-II,
The Anchor Bible, New York 1966-70 R.BULTMANN, Das Evangelium des Joannes, Götingen
196819 H.VAN DEN BUSSCHE, Het boek der werken, Verklaring
van Johannes 5-12, Tielt-Den Haag 1962 D.A.Carson, Current source criticism of the
Fourth Gospel in JBL 97(1978) 411-429 JOHANNES CHRYSOSTOMOS, In Ioannem Homiliae,
Migne, PG 59, 1959 A.DAUER, Die Passionsgeschichte im Johannesevangelium,
München 1972 J.DELOBEL, The Bodmer Papyri of John in
, 317-324 R.VON DEUTZ, Lesungen über Johannes, Trier 1977 3
C.H.DODD, Historical Tradition in the Fourt Gospel,
Cambridge 1976 P.A.ELDERENBOSCH, Het onderricht van de Messias, 's-Gravenhage
1976 D.ERASMUS, Paraphrases in Novum Testamentum II, Berlijn 1778 J.GIBLET, Développements dans la théologie johannique
in L'Evangile, 45-72 L'EVANGILE DE JEAN, sources, redaction,
theologie, ed.M.DE JONGE,
Gembloux-Leuven 1977 T.F.GLASSON, Moses
in the Fourth Gospel,
Londen 1963 A.GUILDING, The Fourth Gospel and Jewish Worship, Oxford 1960
Kl.HAACKER, Die Stiftung des Heils, Stuttgart 1972
E.HAENCHEN, Das Johannes-evangelium, Tübingen 1980
F.HAHN, Worte vom lebendigen Wasser im Johannesevangelium
in God's Christ and His People, Studies in Honour of Nils Alstrup Dahl,
Oslo 1977, 51-70 K.HANHART, The Structure of John I 35 - IV 54,
in StJ 22-46 'About the tenth hour' ... on Nisan 15
(In 1,35-40) in L 'Evangile, 335-346 J.HEISE, Bleiben, Menein in den Johanneischen Schriften,
Hermeneutische Untersuchungen zur Theologie 8, Tübingen 1967 B.P.M.HEMELSOET, L'Ensevelissement selon Saint Jean
in StJ 47-65 De goede wijn ten laatste, in AC 2(1981)86-93 Dit is de
getuigenis van Johannes in Streven 33(1979)664-670 C.J.A.HICKLING, Attitudes to Judaisme in the
Fourth Gospel in L'Evangile, 347-354 E.HOSKYNS, The Fourth Gospel, Londen 1961
(2 rep) J.JEREMIAS, Der Prolog des Johannesevangeliums, Stuttgart
1967 - Neutestamentliche Theologie I, Gütersloh 1973 M.de JONGE, Nicodemus and Jesus: some observations
on misunderstanding and understanding in the Fourth Gospel in: Bulletin
of the John Rylands Library 53(1971) 337-359 L'Évangile de Jean, zie L'Evangile T.KORTEWEG, 'You will seek me and you will not
find me'(Jn 7,34), An Apocalyptic Pattern in Johannine Theology in L'Apocalyps
johannnique et l'Apocalyptique dans Ie Nouveau Testament, ed. J.LAMBRECHT,
Gembloux-Leuven 1980, 349-357 M.-J.LAGRANGE, L'Evangile
selon Saint Jean, Parijs 1925 I.de LA POTTERIE,
La vérité dans Saint Jean,I-II, Analecta Biblica 73-74 B.LINDARS, Traditions behind the Gospel, in L'Evangile
107-124 A.LINDEMANN, Gemeinde und Welt in Johannesevangelium,
in KIRCHE, Festschrift f.G.Bornkamm, ed.D.LUHRMANN, G.STRECKER, TUbingen
1980, 133-161 T.LORENZEN, Der Lieblingsjünger im Johannesevangelium,
Stuttgart 1971 J.MOLONEY, From Cana to Cana (John 2,1 - 4j51)
and the Fourth Evangelist's Concept of Correct (ana Incorrect Falth, ln STUDIA
BIBLICA1978 II, Papers on the Gospels, Sheffield 1980, 185-213 J. MARSH, Saint John, (Pinguin) Londen, 1977 (6)
J.L. MARTYN, Glimpses into the history of the
Johannine Community, in L'Evangile 149-176 History and
Theology in the Fourth Gospel, Nashville 1979 W.A.MEEKS, 'Am I a Jew', Johannine Christianity
and Judaisme in Christianity, Judaisme and other Greco-Roman Cults I: New
Testament, Studies f. M.Smith, Leiden 1975, 163-185 J.R.MICHAELS, The Temple Discourse in Joh. (7,14-52)
in New Dimensions in NT Studie, ed.R.N.LONGENECKER, Gran Rapids 1974, 200-212
M.B.MORETON, The Beloved Disciple again
in STUDIA (zie MOLONY) 215-218 J.H.NEYREY, Jacob Traditions and the Interpretation
of John 4,10-26 in CBQ 41(1979)419-437 B.OLSSON, Structure and meaning of the Fourth
Gospel, Lund 1974 S.PANCARO, The Law in the Fourth Gospel,
NovTSup 42, Leiden 1975 T.E.POLLARD, The Father-Son and God-Believer
Relationships according to John: a brief study of John's uses of prepositions
in L'Evangile 363-9 P.PROULX, L.ALONSO SCHOKEL, Las Sandalias del
Mesias Esposo in Biblica 59 (1978) 1-37 Th.PREISS, De rechtsgedachte in het Evangelie
van Johannes, Nijkerk z.j. G.REIM, Studien zum alttestamentlichen Hintergrund des
Johannes-evangelium, Cambridge 1974 J.N.SANDER, B.A.MASTIN, A Commentary on the
Gospel acc.to St.John, Londen 1968 F.F.SEGOVIA, The love and hatred of
Jesus and Johannine Sectarianisme in CBQ 43(1981)258-272 4 A.SCHLATTER, Der Evangelist Johannes, Stuttgart 1975
R.SCHNACKERBURG, Das Johannesevangelium, 3 vols,
Herders theologischer Kommentar zum Neuen Testament, Freiburg 1965-75 /19-44 Entwicklung und
Stand der johanneischen Forschung in L'Evangile J.SCHNEIDER, Zur Composition von Joh 7, ZNW
45(1954)108-119 S.A.SCHNEIDERS, The Foot washing (John 13:1-20):
An Experiment in Hermeneutics, in CBQ 43(1981)76-92 S.M.SCHNIEDERS, History and Symbolisme in the
Fourth Gospel, in CBQ 43(1981)76-92 R.SCHWANK, EphraIm in Joh 11,54, in L'Evangile
377-383 2 D.M.Smith, The Composition and Order of the
Fourth Gospel, Londen 1965 R.SUMMERS, Behold the Lamb, Nashville 1979
H.THYEN, Das Heil kommt van den Juden, in
KIRCHE (zie A.LINDEMANN) 163-184 P.R.TRAGAN, La Parabole du 'Pasteur'
et ces explications: Jean 10,1-18, Studia Anselmiana 67, Rome 1980 L.P.TRUDINGER, The Seven Days of the New Creation
in St.John's Gospel: some Further Reflections, Evangelical Quaterly 44(1972)154-158
U.C.VON WAHLDE, The Terms for Religious Authorities
in the Fourth Gospel: a Key to Litarary Strata? in JBL 98(1979)231-253
The Witnesses
to Jesus in John 5,31-40 and Belief of the Fourth Gospel, CBQ
43(198l)ij85-404 B.WEISS, Das Johannes-Evangelium, Kritisch-exegetischer
Kommentar Uber das Neue Testament, ed.H.A.W.Meyer; Gottingen 1893 B.F.WESTCOTT, The Gospel according to St.John, Gran
Rapids-Michigan 1954 W.WIEFEL, Die Scheidung van Gemeinde und Welt im Johannes-evangelium
auf dem Hintergrund der Trennung van Kirche und Synagoge, in Theologische Zeitschrift 35(1979)213-227 J.WILLEMSE, Het vierde Evangelie; een onderzoek naar zijn structuur,
Hilversum 1965. J.WILSON, The Integrety of John
3,22-35, Journal for New Testament 10(1981)34-41 Judaica THE BABYLONIAN TALMUD (Soncino, ed.I.EPSTEIN),
Landen 1935-52. M.MIELZINER, Introduction to the Talmud,
New York 1968 LA BIBLE AU PRESENT, zie J.HALPERIN 2 Ph. BIRNBAUM , A Book of Jewish Concepts,
New York 1975 M.BUBER, Werke II , Schriften zur Bibel, MÜnchen-Heidelberg
1964 Werke III, Schriften
zum Chassidismus, München-Heidelberg 1963 I. ELBOGEN , Der jüdische Gottesdienst in seiner geschichtlichen
Entwicklung, (Frankfurt a.Main 1931 ) Hildesheim 1967 J. ELLUL, Le sens etlejeu
de la liberté dans la Bivle, in, J>HALPERIN,
G.LEVITTE, La Bible au présent, Parijs 1982,
89-104. A.Ch.FEUER, N.SCHERMANN, Tehillim/Psalms II,
III, New York 1978 D.FLUSSER, S.SAFRAI, The Essene Doctrine of
Hypostasis and Rabbi Meir, in Immanuel 14, 1982, 47-57 L.GINZBERG, The Legends of the Jews, Philadelphia (1911)
1968/5728 J.HALPERIN, G.LEVITTE, L'Autre dans la conscience juive,
Le Sacre et Ie couple, Données et débats Xlle en Xlle colloques d'Intellectuels
juifs de Langue française organises par la Section Française du Congres Juif Mondial,
Parijs 1973 La Bible au present, Actes du XXlle Colloque des intellectuels juifs
de langue fran9aise, Parijs 1982 J.H.HERZ, Daily Prayer Book, Londen 1976
A.J.HESCHEL, The Sabbath, New York 1951
B.JACOB, Das erste Buch der Tora, Genesis, Berlijn
(1934) New York rep. COMPENDIUM RERUM IUDAICARUM AD NOVEM
TESTAMENTUM, zie boven M.KADUSHIN, Worship and Ethics,
Evanston 1964 E.KITOV, The Book of Heritage, Jerusalem-New
York 1978/5738 N.LEIBOWITZ, Studies in Shemoth, Jerusalem
1976 MEKILTA DE-RABBI ISHMAEL, tr.J.Z.LAUTERBACH, Philadeplphia
(1933) 1976 H. MESCHONNIC, La Bible, langage sacre? in J.HAPERIN,
G.LEVITTE, L'Autre dans la conscience juive, Le Sacre et Ie couple, 103-115
Le langage dans la Bible, in La Bible au présent 121-139 THE MIDRASH RABBAH, (Soncino)
ed.H.FREEDMAN, M.SIMON, Londen 1977 A.E.MILLGRAM, Jewish Worship, Philadelphia
1971 A. NEHER , L'exil de la parole, Du silence biblique au
silence d'Auschwitz, Parijs 1970 Y.VAINSTEIN, The cycle of the Jewish Year,
Jerusalem 1953 S.P.DE VRIES, Joodse Riten en Symbolen (Zutphen
1927-32) Amsterdam 19684 M.ZLOTIWITZ, N. SCHERMAN , Bereshies/Genesis,
6 vols, New York 1977-81 Yonah,
New York 1978 ShirhaShirim/Song
of Songs, New York 19772_2 Koheles/Ecclesiastes,
New York (1976) 1978 W.ZUIDEMA, Gods Partner, ontmoeting met het jodendom,
Baarn 1977
Exegese, theologie en filosofie R.BARTHES, Fragments d'un discours amoureux, Parijs 1977 R.
BOON, "Laat ons de woorden wagen die voormaals
zijn geschied ...”, Medede- lingen Prof.Dr.G.van der Leeuw-stichting 52, Amsterdam 1978 N.
BOUHUIJS, K. DEURLOO, De stem in het gebeuren, Baarn
1974 F.H. BREUKELMAN, Bijbelse theologie 1,1, Kampen 1981
J . CALVIJN, Opera
quae supersunt omnia, vol 47, Braunschweig
1892 J. CAZEAUX, Critique du langage chez les prophètes d'Israel,
Parijs 1976 J
. DANIELOU, Bijbel en Iiturgie,
Brugge-Utrecht 1964 J. DERRIDA, De la Grammatologie, Parijs 1967 L’Écriture et
la difference, Parijs 1967 La Dissemination, Parijs
1972 Marges de la philosophie, Parijs 1972 Positions, Parijs
1972 Glas, Parijs 1974 J.P.FOKKELMAN, Oog in oog met Jacob, Assen 1981 M.DE GROOT, Twintig stellingen, in AC 1(1980), 116-121 B.
HEMELSOET, Marcus, Kampen 1977 Jesus
en Jerusalem, niet gescheiden, niet gedeeld, in AIC 3(1982)86-98 C.J. den Heyer, Exegetische methoden in discussie,
een analyse van Markus 10,46 - 13,37, Kampen 1979
NADEREN OM TE HOREN, bijbelkatechese, A.Th.KOOT,
F.H.P.M.SMULDERS, J.SMIT,
C.J.TROMP, Hilversum 1981 (2 vol) E.LEVINAS, La trace de l'autre, in EN dÉcouvrant
l'existence avec Husserl et Heidegger, Parijs 1967
, 187-202 Totalité
et Infini, essai sur l'exteriorité, Den Haag (1961)1968 (3) Het menselijk gelaat, Utrecht
1969 Autrement
qu'être ou au delà de l'essence, Den Haag 1974 L'au-delà du verset, Parijs 1982 Pour
une place dans la Bible, Leçon talmudique (Meg.
7a) in LA BIBLE AU PRESENT, 309-339 (zie: J.HALPERIN,
G.LEVITTE, o.c.) H.VAN LUUK, Op weg naar een tweede naiveteit,
in Bijdragen 25(1964)256-258 L.MARIN, Sémiotique de la passion;
topiques et figures,
Parijs 1971 10 J.MAUSBACH, G.ERMECKE, Katholische
Moraltheologie III,
Munster 1961 M. MERLEAu-PONTY, Le visible et l'invisible, ed. Cl.LEFORT, Parijs 1964 K.
H.MISKOTTE, Als de Goden zwijgen, Haarlem 1966 M.MULDER, De Targum op het Hooglied, Amsterdam 1975 Th.NAASTEPAD, Salomo, Kampen 1975 W.G.OVERBOSCH, De Messias en zijn stad, Kampen z.j. H.PARRET, Over de'notie' van schriftuur,
in Tijdschrift voor Filosofie 34(1972)525-549 Over de 'notie' van grens, in
o.c.35(1973)363-388 A.PAUL, Le fait biblique, Lectio
Divina 100, Parijs 1979
K.RAHNER, H.VORGRIMLER, Kleines theologisches Worterbuch,
Freiburg i.B 1961 P.RICOEUR, Le Conflit des Interpretations, Parijs 1970
Fr. ROSENZWEIG, Der Stern der Erlosung (1921), Der
Mennsch und sein Werk, Gesammelte Schriften II, Den Haag 1976 T.SAITO, Die Mosevorstellungen im Neuen Testament,
Bern-Frankfurt aM-Las Vegas 1977 E.
SCHILLEBEECKX, Jezus, het verhaal van een levende,
Bloemendaal 1974. Gerechtigheid en liefde, genade en bevrijding, Bloemendaal1977 A.VANHOYE, La structure littéraire de l'Épitre aux Hébreux, Parijs
1976 [1] Zo is de opzet herkenbaar van A.GUILDING,
The Fourth Gospel ..
[2] T.E.POLLARD,
The Father-Son and God-Believer Relationships [3] Aldus noemt de joodse traditie het boek NUMERI.
[4] Meerdere vertalingen van deze naam zijn mogelijk. J.WILLEMSE, o.c., wijst naar A.VAN
DEN BORN, in Bijbels Woordenboek, Roermond (1954-1957
2e dr.) kol 180. Bethanie, .. hebr. bet-enon, bronnenhuis
... of bet-anija, botenhuis." Als vertaling kan men ook proberen: "huis van de arme"
(ani, ajin/noen/jod) of "huis van de zachtmoedige"(anaw, ajin/noen/waw).(KOEHLER-BAUMGARTNER,
Lexicon in veteris testarnenti libros, 720 bij anaw: "In
K und Q gehen anaw und ani
durcheinander." [5] VgI Jozua 1,2.10; 3,14.16;
4,35. [6] 1,29.35.43. Voor een discussie over de dagen
in Jo 1 en 2: M.-E. BOISMARD, Du Bapteme a Cana; T. BAROSSE, The seven days …; L.P. TRUDINGER, The seven days ... [7] Daarmee is gezien Genesis 1 enige akoestische ruimte
ontstaan. De dag van Johannes' getuigenis kan de eerste dag zijn, de dag van het
licht, het eerste dag die "goed" genoemd wordt.
Dit wordt ook gezegd van Mozes. De Midrasj legt hier vele relaties, zie GEN.R.II,5 en 111,8; EX.R.I,20.
[8] De joodse man draagt op die dag zijn gebedsmantel,
het kleed waarin hij ook begraven zal worden. Op zijn trouwdag vertegenwoordigt
hij het volk. [9] Paaslam, Pasen, slang in de woestijn, water, manna,
opgaan. [10] Meta touto ... kai eggus èn
(na dit ... en dichtbij was) Jo 2,12.13. [11] 2,11. B. OLSSON,o.c..,p.
26: In the Jewish and Christian enviroments of the time the word wedding certainly
had theological associations. The Conveenant between the Lord and the maiden Israel
was depicted as a marriage. [12] I.ELBOGEN, Der jüdische
Gottesdienst ... ,185: Das die Vorlesung der Megillot verhältnismässig früh eingeführt
war, dafür spricht das Vorhandensein der ziemlich alten Midraschim zu ihnen. [13] "Vanwaar", 2,9. B. HEMELSOET, De goede
wijn ... 89 legt om redenen van de tekst terecht grote nadruk op "aldaar"(2,1.6). [14] M.-E. BOISMARD,
Du Baptême,138v citeert hierbij Gen 27,28; 49,11-12;
Richt 9,13; Ps 104,14; J.Sir.
40,20. [15] J.WILLEMSE, o.c.,
276v: In 'zijn uur' vormen Jezus' kruisdood en verrijzenis
in hun onderscheidenheid tegelijk een eenheid ... Zo verwijst het wijnteken primair
en inhoudelijk, (als wijnteken) naar het kruisgebeuren, maar tevens, zij het secundair
en formeel, ook naar het verrijzenisgebeuren, nl. als
wijnteken en als openbaring van zijn heerlijkheid op de derde dag. Omgekeerd verwijst
... Jo ii,19 primair naar het uiteindelijke teken van Jezus' verrijzenis
... tegelijk … zij het secundair, een verwijzing naar Jezus' dood ... [16] Zie afdalen, 2,12. [17] Sinds 1,51 kan de lezer(es) acht slaan op de bewegingen omhoog
en omlaag: tot boven(2,10: wat komt er dan naar beneden?), afdalen(2,12);
opgaan (2,13); van omhoog (3,3.7). [18] Hebr.: Kanah, zie Johannes 2,1-11. [19] A.COHEN, The Psalms,
216:" t is noteworthy that the Midrash understood the psalm as relating
to the Babylonian Exile. According to many modern moderns the author is probably
the prophet Jeremia, and the parallels between the Psalm and his Book are undoubtly
frequent and striking. As one commentator has expressed it: This psalm should
be read throughout with Jeremia in mind; wether he wrote it or not, his history
gives the key to the meaning. [20] . "Heiligdom", want de Tempel in Jerusalem
is de enige Tempel die geen Tempel is: er staat geen beeld van een Godheid. [21] J. DERRIDA, Marges
de la Philosophie, p. 376: Pour qu'un écrit soit un écrit, il faut qu'il continue
à agir et être lisible même si ce qu'on appelle l'auteur de l'écrit ne répond
plus de ce qu'il a écrit, de ce qu'il semble semble
avoir signé ... [22] Zie bijvoorbeeld BULTMANN p. 90 n.2, BARRETT
167. [23] 1 Kon 6,38: 7 jaar. Van Ziw
(1 Kon 6,2.37) tot Bul (1 Kon 6,37), van maand 2 tot maand 8. Dat is 6
maanden. [24] N. LEIBOWITZ, Studies
in Shemoth 2, p. 658 en 698, legt een relatie tussen
het voltooien van de verbondstent (Ex 39,2) en het voltooien dat Gen 2
in de eerste regels aangeeft. [25] VgI Ex 16,35; Num 14,33v;
32,13; Deut 18,2.7. Zie ook Gen 7,4; 8,6. [26] Voor het getal 6 zie ook Jo 2,6 en 12,1 en hetgeen daar te gebeuren staat. Men kan ook denken aan de
"vijf mannen" die zij (uit Johannes 4) gehad heeft; die van nu is haar
man niet. Dit kan te denken geven over degene die nu
spreekt. Jo 4 is meer dan een merkwaardig gesprek rond het begin van de christelijke
jaartelling - merkwaardig gezien de verhouding tussen Samaritanen en Joden. [27] 2,6.19.20, op de "3e dag” (2,1). [28] Bijv. BARRETT, 170. BUL TMANN,
94 n. 4 rept van "ijver" en "geheimzinnigheid". Hij verwijst
er ook niet naar bij zijn bespreking van 7,51 en 19,38. S. PANCAARO, The Law ... schrijft meerdere keren over
Nicodemus, maar geen woord over de "nacht". J. MOLONEY, From
Cana … "', 194, slaat die “nacht" over. J.MARSH, Saint John,
185: " ... probably meant both in its 'earthly' and 'spiritual' meanings
– John's eye for a symbolic detail." [29] De bekende vertalingen geven graag "opnieuw"
(3,3.7). Zij maken dezelfde fout als Nicodemus in het verhaal. Zie 3,31. Zie SANDERS en MASTIN, 123: "The description of conversion
as a second birth ... is foreign to Judaisme, but familiar in the Hellenistic
mystery religions." 124: "What he probably said was, 'Unless a man is
born again, he cannot see the kingdom of God'. Then, John, finding this saying
in Greek, took it as 'born from above', quite conceivably under the influence
of Hellenistic ideas ... " Om dezelfde p124 te citeren: " ... the hypothesis
is superfluous." P. BORGEN, Some Jewish exegetical traditions ...
,257: "Drawing on tradition that Mozes and Israel experienced rebirth at
Mt.Sinai, Jesus states that rebirth from above is a condition ... [30] Wie "heel snel" wil zijn, staat bij di t
woord al "onder het kruis" en leest er het zozeer beklemtoonde opschrift
(19,19vv). [31] T.LORENZEN, Der Lieblingsjlinger, 87 vol staat met een historische reconstructie
en de daaraan ontleende "autoriteit van de verhoogde Heer." [32] SCHNACKENBURG II, 18v:"
... die Bemerkung über die Nahe des Paschafestes .... hat kein Chronologischen, sondern theologischen Sinn
... das Thema vom Manna ... "
[33] 2,12 en 13; 4,46. [34] 6,1. Straks uitgewerkt in 6,16-19. [35] Over de zee (6,1) zoals over de Jordaan (1,28;3,26).
[36] Ik heb een spijs te eten (4,32). [37] Waar is de drank? Zie 4,7; 19,28. Zie ook
7,37. [38] 1,43, zoals de eens
lamme (5,14) en de eens blinde (9,35). [39] J.M. BASSLER, The
Galileans,251:"The pattern of positive response in Galilee is thus broken
and hostile Joudaioi are found in the refuge of Galilee." B.LINDARS,The Gospel of John, 262 meent, dat de Joden in Jo 6 door een vergissing van Jo terecht gekomen
zijn. BASSLER meent, dat Johannes zich geen twee keer zou vergissen. De vermoedelijke
historische situatie zal de doorslag geven. VgI S.M. SCHNEIDERS, The Footh
washing .. ., 91 n. 41:"A fundaamental insight underlying the interdisciplinary
challenge to historicallcritical exegesis considered as an exhaustive methodology
is that method determines object. It not only determines which aspects of a reality
are to be considered and how they are to be treated but also declares irrelevant
any element which do not answer the questions which the method rises." [40] Twee keer licht, twee keer duister en drie keer licht.
12,35v. [41] 12,49v; 13,34. [42] VgI "de volgende dag",
1,29. [43] 20,22, Vgl 1,32:
Ik heb gezien. [44] Vgl Genesis 2,7; Ezechiël 37,9. [45] Zie "30 en 8" bij de vijver. Jo
5,5; 25 of 30 bij de zee, wanneer het schip aan land komt. [46] De dag van de besnijdenis (7,22). Het Loofhuttenfeest
duurt 7 dagen. Daags na die 7e dag viert de synagoge "het Feest van de 8e
dag",Num 29,35. Zie Y. VAINSTEIN, The cycle, 123. Het
feest heet nu: Simchath Thorah.
[47] W. ZUIDEMA, Gods partner, 113. Zie ook COMPENDIUM
RERUM JUDAICARUM 808v. Voor de vele details, zie: E.Kitov,
The book of our heritage I, 130-210. [48] W. Zuidema, o.c., 115. [49] S.Ph.
de Vries, Joodse riten, 117. [50] J. DERRIDA,
Marges ... , 374. [51] W.ZUIDEMA, o.c.,140;
S.PH. de VRIES, o.c.,
96-98. COMPENDIUM 812v,894. Voor de teksten die aan de orde kunnen komen, zie
bijv. A. GUILDING, o.c., 92vv. [52] N.BOUHUYS en K.DEURLOO, De stem in het gebeuren, 58-64. [53] I.ELBOGEN, Der jüdische Gottesdienst
... ,185:" ... wahrscheinlich ist es nicht, dass diese eine Rolle vom Vorlesen
ausgeschlossen war und dass das Hüttenfest ohne Rolle gelassen wurde." M.
ZLOTOWITZ, Koheles, 51. [54] A.COHEN, The twelve
Prophets, 330v, noot bij Zecharjah 14,16. [55] Y.VAINSTEIN, o.c., 119. [56] l.c. Daar aangegeven: Misj.Suk 5,1. Zie ook Misj.Suk.4,9;
5,2. [57] W.ZUIDEMA, o.c., 132. 4 [58] FR. ROSENZWEIG, Der
Stern der Erlosung, 1976 ,408. GREGORIUS
VAN NYSSA, Oratio in diem
natalem Christi, PG.
XLVI,1128-1149, zie J. DANIELOU, Bijbel en Liturgie,
486-491. [59] Y.VAINSTEIN, o.c.,129;
W.ZUIDEMA, o.c., 144v. [60] Naar het model van het Loofhuttenfeest, vlgs 1 Mak 10,6. [61] S.PH.DE VRIES, o.c.,105
[62] TH.NAASTEPAD, Salomo,
50. [63] Ps 82. Zie ook A.C.FEUER,
Tehillim III, 1035-1049.
[64] Vgl M.BUBER, Die Schriftwerke,
125. [65] 10,26. Zie ook A.C.FEUER,
Tehillim III, 1037.
[66] Om Hem koning te maken. Vgl 10,29 met 6,15. [67] Jozua 1,3 mesjareth. [68] Jozua 1,1
passiIm. [69] Jozua 5,14; 24,9; Richteren 2,8: ebed. [70] Zoals de synagoge na Deuteronomium door kan lezen in
Genesis en in Jozua. [71] J.GIBLET, Développements
dans la Théologie Johannique,72. [72] Bij het citaat kan men aantekenen: binnen het Johannes-evangelie
kan dit alleen
een citaat uit Jo 1,45.46 zijn. Men spreekt dan als Philippus tot Nathanael. Voor
Jezus de Nazoreeër zie Jo 18,5.7 en 19,19. Daar wordt het effect van die naamgeving
duidelijk. [73] J.GIBLET, o.c., 70.
[74] Wat zou deze uitdrukking moeten betekenen. Met dank
aan C.L.W.van Iersel. Hij wees
op dit merkwaardige, hedendaagse woordgebruik. Met
betrekking tot associaties en relaties, zie: J.DERRIDA,Marges ... , 381: "Tout signe,
linguistique ou non linguistique, parle ou écrit (au sens courant de cette opposition),
en petite ou en grand unité, peut être cité, mis entre guillemets; par
là il peut rompre avec tout contexte donné, engendrer a l'infini de nouveaux contextes,
de façon absolument non saturable. Cela ne suppose pas que la marque vaut hors
contexte, mais au contraire qu'il n'y a que des contextes sans aucun centre d'ancrage
absolu. Cette citationalité, cette duplication ou duplicité,
cette iterabilité de la marque n'est pas un accident
ou une anomalie, c'est ce (normal/anormal) sans quoi une marque ne pourrait même
plus avoir de fonctionnement dit 'normal'" [75] De laatste jaren doet de term "joods-christelijke
traditie" opgang in het spreken en schrijven van christenen. Wanneer de toevoeging
"joods" als correctie bij de "christelijke traditie" wordt
toegevoegd, verdient het de voorkeur, deze correctie niet op een dergelijk confisquerende
wijze uit te roepen. [76] J.L.Martyn, History
and Theology in the Fourth Gospel, 17. [77] Met name P. RICOEUR
heeft veel bijgedragen aan de bestudering van "het konflikt tussen de interpretaties",
zij het vanuit het opnieuw centraal poneren van het subjekt
tegenover de semiologie (psychanalyse en strukturalisme) Zie RICOEUR, Le
conflit des Interprétations; De
l’interprétations. Van RICOEUR is de beroemde zin:"Het
symbool geeft te denken". Een heel proces van naamgeving heeft zich dan reeds
afgespeeld, het subject centraal stellend. Alle nadruk behoort evenwel te liggen
aan de "overzijde", bij de/het andere als beslissende instantie binnen
het geheel der tekenen. E. LEVINAS en J. DERRIDA hebben ieder op eigen wijze,
deze "egologische, logocentrische coherentie" gekritiseerd, ruimte makend
voor het verschijnen van de ander en voor de tekst. [78] H.THYEN, Das
Heil ... , 164:"Das Evangelium wie wir es heute lesen, ist zweifellos aus
Quellen durch Redaktion zusammengestellt worden, und Quelllenanalyse und Redaktionsgeschichte
konnen mit Gewinn geübt werden. Ich behaupte nur, dass der Redaktor ein Theologe
und Kein Narr war." 180:"Bei dern Jo 9,22 genannten 'Beschluss der Juden'
... wird es sich urn die liturrgische Praxis der unter R.Garnaliel II neu formulierte
Birkat ha-Minim handeln, deren rasche Verbreitung unmittelbar in die Zeit der
Abfassung unseres Evangeliums fallen dürfte ... " [79] o.c., 174. Wat de auteur zegt m.b.t. de kruisiging van Jezus als koning der
Joden kan rn.i. gezegd worden van heel het evangelie: " .. derart voll von
Variationen von Motiven aus Targum und Midrasch, die nur für Insidern verstandlich
sind, dass mir als die Gruppe der Trager und frühe Rezipienten des Evangeliums
überhaupt nur christliche Juden vorstellbar sind." [80] H.VAN LUIJK, Op weg naar een tweede naiviteit, in Bijdrage
25(1964), pp.256-259. [81] J.DERRIDA, De la Grammatologie,
277: "Il n'y a pas de hors-texte ... " [82] “Exiger qu’une
communication ait la certitude d’être entendue, c’est confondre communication
et savoir, effacer la différence, méconnaître la signification de l’un
pour l’autre en moi – dans le moi … » » E. LEVINAS, Autrement
qu’être ou au-delà de l’essence, 212. [83] J. DERRIDA, Positions,
pp. 17-19. [84] " ... la transcendance
ne signifie pas appropriation de ce qui est, mais son respect. La vérité
comme respect de l'être - voila Ie sens de la vérité métaphysique." E.LEVINAS,
Totalité et Infini, 279. [85] Zie hoofdstuk
IV, La Substitution, in E.LEVINAS, Autrement, pp 125-166. [86] Voor wie Deuteronomium
6,4 gehoord heeft. Met respect voor de welgekozen titel en het goede werk van
A. KOOT, F. SMULDERS, J. SMIT, C. TROMP, Naderen om te Horen, Hilversum
1977. [87] E. LEVINAS, Autrement ... , 217. [88] E.LEVINAS, Pour une
place dans la Bible, in La Bible au présent, Ed. J. HALPERIN en G. LEVITTE, Parijs
1982, 313-339, p.319:" ... la traversée de la mer des versets n'est-elle
pas une aventure aussi périlleuse que la traversée de la Mer Rouge? Et la aussi
Dieu se reconnaît des sa première rencontre! Re-connaissance sans connaissance
préalable." [89] " ... on risque de
négliger une autre histoire, celIe, plus difficile a penser, du sens de l’œuvre
elle-même, celIe de son opération. Cette historicité de l’œuvre n'est pas seulement
Ie passe de l’œuvre, sa veille ou son sommeil, pas lesquels elle se présède elle-même dans l'intention de l'auteur, mais l'impossibilité
pour elle d'être jamais au présent, d'être résumée en quelque simultanéité ou
instantanéité absolues. C'est pourquoi ... il n'y a pas d'espace de l’œuvre si l'on entend par
là présence et synopsis." J. DERRIDA, Force et signification, in L'
Écriture et la difference, Parijs 1967, 9-49, p
26. [90] "… la dimension
de hauteur où se présente sa sainteté - c'est-à-dire sa séparation …", E.
LEVINAS, Totalité …, p. 74. [91] . " ... une question
de méthode qui est simple: si, au moment où nous commençons l'étude du texte,
nous savons déjà ce qu'on doit tirer de cette étude, a quoi va-t-elle servir,
cette étude?" J. ELLUL, Le sens et Ie jeu de la liberté dans la Bible,
in La Bible au présent, 89-119, 115. |
|---|