2. Afbakening en
samenhang.
demarcation and structure
Hoofdstuk
2 is nogal technisch. Wellicht is het beter deze tekst te
raadplegen wanneer de structuur in hoofdstuk 3 verheldering
vraagt. De conclusie vat een en ander beknopt
samen.
2.1
Afbakening
- demarcation
Could John 7,1 be a good starter
for the reading of a story? We see elements of place (Gallilee, Jerusalem)
and time (“the feast of Tabernacles”, the middle of the feast, the last,
the great day).
Or would 6,60 create a better ouverture for the reading of John 7?
Johannes 7 lezen betekent dat er direct al een probleem
is. Want waar begint Johannes 7? Er is de bekende traditionele indeling,
maar op geen enkele wijze staat vast dat de gebruikelijke indeling in
hoofdstukken de beste is. Is er een reden om in 7,1 een verhaal te laten
beginnen? Wat maakt het aannemelijk dat de plaats in de tekst die nu
bekend staat onder de naam Johannes 7,1 de plaats is, waar zoiets als
“een nieuw hoofdstuk” begint?
Het begin van de pericoop hoeft geen groot probleem
zijn. Johannes 7,1 dient zich expressis verbis
als een nieuw begin aan. De tekst neemt woordelijk afstand van het voorafgaande
(na dit alles) om een nieuw begin mogelijk te maken.
En na dit (alles) wandelde Jezus in Galilea rond.
Deze regel kan inderdaad een nieuw begin zijn. Galilea,
in 7,1 genoemd, keert vervolgens in de tekst terug in 7,52. Een hele
pericoop zou daarmee afgerond kunnen zijn, een inclusio.
Galilea keert in de tekst ook terug in 7,9.
Het fragment Johannes 7,1-9 kan een eenheid vormen
die op
haar beurt samenspant met of tegen 7,52. Toch bevredigt deze suggestie
niet. Hij is niet gangbaar. En er is meer.
Johannes 7,1-9, zo suggereert de tekst, onmiskenbaar
in Galilea. Daartegenover
speelt 7,52 zich af in Jerusalem. In 7,52 zijn sprekers aan het
woord. Zij willen iets beweren en wijzen daarom naar Galilea. Galilea,
blijken zij te zeggen, “biedt profetisch gesproken geen perspectief”.
En er is nog een moeilijkheid.
Bij een duidelijke afbakening van 7,1-9 in verband
met 7,52 is het de vraag, welke samenhang er in 7,10-52 aan te wijzen
is. Tekstmateriaal en thematische motieven bieden geen handreikingen
om 7,10-52 als een eenheid zien. Er is geen aanleiding in het benoemen
van de plaats of de tijd, de lezing in 7,52 te beëindigen. Er zijn geen
duidelijk als signaal fungerende weerkerende woorden. Waarom valt Johannes
8 dan buiten het bestek van een geheel, zou het geen samenvattend verhaal
kunnen zijn ter afronding van hetgeen Johannes
7 biedt?
Het gangbare einde van Johannes 7 wekt onmiskenbaar
de indruk iets af willen te sluiten. Binnen
de tekst is een probleem gerezen. Dat probleem wordt tot helderheid
geforceerd. Volkomen onverwacht dient zich daarop een in het Johannes-evangelie
bekende gestalte aan. Zijn “verleden in het Evangelie” wordt erbij gehaald.
De tekst nodigt de lezer uit zich te herinneren.
Sprak Nicodemus tot hen, de komende tot hem eerder (7,50).
De tekst had zonder meer direct kunnen aangeven, wat
Nicodemus te melden heeft. Dat gebeurt niet. Nicodemus krijgt in de
tekst vooreerst recht van spreken.
Johannes (7,50) noemt Nicodemus als Zijnde
één uit. Deze toevoeging in 7,50
is niet noodzakelijk. Reeds in 3,1 is Nicodemus espliciet als Farizeeër,
beschreven. De overbodige
toevoeging zijnde één uit hen
wint daardoor aan positie. Een en ander krijgt een eigen licht wanneer
de lezer(es) zich realiseert, dat 6,71 op dezelfde wijze over Juda(s) geschreven heeft, zijnde
één uit de twaalf. Ook dit kan een inclusio aannemelijker
maken.
De formule zijnde een uit treft men verder niet aan bij Johannes.
Begin en einde van de pericoop
beginnen aan waarschijnlijkheid te winnen. De vraag blijft: hoe dit
begin en einde van Johannes 7 tegelijk princiep van afbakening en samenhang
van de tekst zijn?
Het einde van Johannes 7 biedt nog een principieel,
materieel en thematisch element. Nicodemus verzet zich tegen
de in de tekst geforceerde duidelijkheid van de Farizeeën. Zij
beroepen zich op onze Tora. Zij verschaffen zich duidelijkheid
ten koste van het volk. Zij vervloeken het volk.
Het zou de Tora niet kennen. Daarna is het de beurt aan Nicodemus.
Ook hij legt onze Tora op
tafel.
Onze Tora oordeelt de mens niet
... (7,51)
Precies het woord oordelen
speelt in 7,24 een hoofdrol.
Oordeelt niet op zicht maar oordeelt het rechtvaardige
oordeel. (7,24)
In 7,24 is Jezus aan het woord. Hij houdt een pleidooi
van één regel. Aan de orde is het rechtvaardige oordeel. Voor het algemene
verstaan lijkt het niet bezwaarlijk dat een oordeel rechtvaardig moet
zijn. De betekenis daarvan lijkt logisch. Maar welke een lezer die niet
enigermate vertrouwd is met de joodse traditie ook gebruikt, wij komen
niet op de eigen bijbelse betekenis van het
woord rechtvaardig.
Is er bijbels gesproken een
norm voor “een oordeel”?
Rechtvaardig is het oordeel wanneer het is overeenkomstig
de Tora.
Drie keer weet 7,24 te spreken over oordelen/oordeel.
Van 7,24 tot 7, 51/52 probeert een argumentatie in de tekst tot een
waardering, een oordeel te komen. Tekstmateriaal en thematiek kunnen
van 7,24 tot 51/52 een eenheid zichtbaar maken.
De openingsregels van Johannes 7 laten dezelfde drievoudige
herhaling zien. Judea/Judeeërs
staan in de tekst dicht bij elkaar. Vanaf 7,3 ziet men drie
keer Zijn broers in de tekst
verschijnen. Drie keer noemt de tekst ook het feest. Deze herhaling in drievoud mag eventueel een toeval genoemd
worden. Zij is ook een feit.
Woorden keren weer. Ze worden vaak twee keer genoemd.
Maar vanaf 7,1 keren woorden ook opvallend vaak drie keer terug. Is
hier een systeem aan het werk zijn?
Das Evangelium
des Johannes van R. Bultmann is zeer bepalend geweest voor de geschiedenis
van de exegese van het Johannes-evangelie na 1941. Bultmann brengt,
zoals bekend, nogal wat veranderingen aan in de tekst.
Johannes 7,1 handhaaft Bultmann als een begin in de
tekst. Vanwege de door hem voorgestane verandering van de volgorde van
Johannes 5 en 6 wordt 7,1 meer als begin benadrukt.
Johannes 7,1 is evenals Johannes 6 gesitueerd in Galilea.
Studies over Johannes 6-7 ontbreken niet. In de bestaande literatuur
is geen tendens te vinden, het einde van Johannes 6 bij Johannes7 te
trekken, of de eerste regels van Johannes 7 bij het voorafgaande hoofdstuk.
D.M. Smith noteert, dat 6,59 het
voorafgaande afsluit. Hij is evenwel van mening dat 6,62 en 65 zeer
wel verwijzen naar 6,27-51. Smith wil niet beweren
alle problemen van Johannes 6 opgelost te hebben. Hij is evenwel van
mening dat Bultmanns herschikking van de tekst minstens even grote (zo
niet grotere) problemen schept dan oplost. Smith wil de tekst handhaven
zoals die er ligt.
Bultmann heeft Johannes 7 ook grondig herschikt. Smith
vraagt daarbij evenwel, of voldoende bewezen is, dat de tegenwoordige
volgorde
onmogelijk is. Smith acht de gewone volgorde van de tekst quite intelligible. Naar zijn mening is Bultmanns reconstructie niet
nodig.
Ook C.K. Barrett is niet voor een herschikking van de tekst. Such a rearrangement seems justifiable only if the material is unintelligible
as it stands.
Volgens meerdere auteurs is het niet onverantwoord,
uit te gaan van de traditionele volgorde. Johannes 7 volgt op Johannes
6 zoals de tekst gangbaar gelezen wordt. Dit betekent wel, dat de positie
van Johannes 7, 1 als begin van iets nieuws opnieuw bespreekbaar is.
Waar kan een coherent verhaal over Johannes 7 beginnen? Is 7,1 het beste begin?
Het naar elkaar optrekken van de verzen 7,1 en 9 is
in het bovenstaande reeds aangegeven. Daaropvolgend zou Johannes 7,10
een begin kunnen zijn. De tekst biedt onmiskenbaar een voortzetting
aan van de problematiek die het voorafgaande in beweging houdt. De wegen
gaan hier, ondanks het verbergen van het tegendeel, uiteen.
Het uiteengaan, eerder aangegeven
in het voorafgaande, wordt manifest.
Geografisch lijkt het er op, dat Jezus en Zijn
broers dezelfde weg gaan. De broers gaan op naar het feest. Ook hij gaat op. De tekst herhaalt de beweging evenwel niet in de eerder aangegeven woorden.
De eindterm wordt niet meer genoemd. Jezus gaat niet ... maar ... De eindterm bij het
opgaan (naar het feest), expliciet aangegeven bij de broers, wordt
niet genoemd bij het opgaan van Jezus.
In Johannes 7,14 wordt weer geschreven dat Jezus opgaat.
Nu wordt wel de eindterm van zijn opgaan genoemd. Het doel van Zijn
opgaan is: het Heiligdom.
Een nieuwe markering van de tijd en daarmee een nieuwe
episode begint ook in 7,14. Johannes 7,2 spreekt over de nabijheid
van het Loofhuttenfeest. In 7,14 klinkt het
midden van het feest. In 7,37 breekt de laatste ... dag van het feest aan. Het
begin van het feest is niet duidelijk aangegeven, wel de nabijheid en
het feit van het feest. Omwille van dit feit veronderstelt de literatuur
rond het begin van Johannes 7 een nieuw begin.
De genoemde elementen uit de duur van het feest zou
Johannes 7 in drie delen kunnen verdelen. Die drie delen zijn: het feest (2-13), het midden van het feest (14-36)
en de laatste dag (37-52). Twee vragen blijven daardoor over.
Is Johannes 7,2 een goed begin? Is 7,52 de afsluiting van de pericoop?
Johannes 7,2 kan niet het rechte begin van een tekst
zijn. De tekst is hier uitgeschreven in een (minstens voorzichtige)
oppositie. Maar nabij is… De aangereikte woorden reageren
op of staan tegenover. Er is een afstand tot 7,1,
een insparing.
In 7,1
wandelt Jezus in Galilea
rond, want Hij wil niet in Judea rondwandelen. De mensen van
Judea zoeken Hem te doden - maar nabij is het feest ...
Het nabij zijnde feest is het Loofhuttenfeest. Dit feest begint
in de tekst met een terstond alle aandacht vragend
gesprek tussen Jezus en Zijn broers. Het initiatief tot dit gesprek ligt
bij de genoemde broers in 7,3. Hun opmerkingen
sluiten direct aan op de vermelding van het feest. Hun opvattingen en
de gelegenheid die het feest biedt, sluiten volgens “zijn broers” nauw
op elkaar aan. Optrekkend naar het feest verdwijnen de broers uit de tekst.
Het relatiewoord broers zal
Johannes pas weer vermelden in 20 ,17 .
Wil Johannes met het woord broers iets vermelden over de genealogie
waarin Jezus blijkbaar thuis hoort en een complicatie die dit met zich
meebrengt, of is er een andere toedracht mogelijk? Bijvoorbeeld: roept
het Loofhuttenfeest als vanzelf de broederschap, de nabijheid van broers
te voorschijn.
De grens tussen wat men aanduidt als Johannes 6,71
en 7,1 is blijkbaar niet absoluut. Op zoek naar een begin voor het verhaal
mag men ook over 7,1 heen naar het voorafgaande kijken. Minstens twee
zaken vragen dan aandacht.
Na dit (alles)/ ταυτα blijkt te kunnen refereren
naar dit (alles) in de synagoge
van Kapernaum in 6,59. De naam broers
kan daardoor een plaats krijgen in een reeks. We lezen dan opeenvolgend
over de leerlingen (v. 60), de twaalf (v.67) en zijn broers (7,1).
Na Jezus leren in de synagoge van Kapernaum geeft de tekst drie stemmen het
woord. De eerste stem is voor zijn leerlingen (6,60.61.66).
Zij komen met een bijna impulsieve reactie. Daarop stemmen de twaalf
(6,67.70.71) af. Zij suggereren solidariteit maar de door Petrus betuigde
aanhankelijkheid kent een merkwaardig voorbehoud. Hij geeft als toevoeging:
”naar wie?” Zijn
broers (7,3.5.10) komen dan met een opmerkelijke solidariteit. Met het
oog op de nabijheid van het feest komen zij met hun optie voor Jerusalem.
Zij hebben daar een hun moverende reden voor.
De naam van het feest geeft in 7,2 een verandering
van tijd. Maar de plaats blijft Galilea. De namen van de afzonderlijke
groepen (leerlingen, twaalf, broers) noemt de tekst drie keer. De
drievoudige herhaling speelt ook na 7,24 een rol: vanwaar (27 bis.28), deze/hij
(26 ter), Hij is/Ik ben (28
bis. 29), grijpen (30.32.44). Deze telkens drie keer terug kerende
woorden krijgen in deze studie de naam keerwoorden.
De tekst van Johannes 7 heeft door de zich telkens
drie keer presenterende keerwoorden, woorden die telkens drie
keer terug weerkeren, een eigen geleding. Deze structurering van de
tekst in gedeelten door middel van drie maal terugkerende keerwoorden
verdeelt de tekst in delen van ongelijke lengte. Dat kan een bezwaar
zijn, onregelmatig blijken. De kwantificeerbaarheid van de woorden zou
dan als een redelijk criterium gehanteerd worden. Een andere vraag zou
zijn: is de door middel van de zogenoemde keerwoorden gevonden geleding
een literaire structuur en vindt deze structuur thematisch ondersteuning
in hetgeen de tekst ter lezing aanbiedt.
De structurering van Johannes 7 aan
de hand van de keerwoorden zal alle aandacht vestigen op de bondige
precisie en daarmee samenhangende exactheid en kracht waarin het spreken
van Johannes 7,24 – een binnen de traditie van het lezen van Johannes
nauwelijks opgemerkte zin – tot uitdrukking komt.
Oordeelt
niet op zicht maar oordeelt het rechtvaardige oordeel (7,24)
Johannes 7,24 zondert zich af, is een regel apart,
maakt zich door de eenvoud van zijn beperking tot een kleinood binnen
de tekst. Johannes 7,24 onderstreept op voorhand het belang van Nicodemus
in 7,51 aan het einde van het verhaal in te brengen heeft. Nicodemus
is niet slechts een toevallige voorbijganger die pleit voor een zorgvuldige
juridische procedure in de kwestie Jezus. Nicodemus blijkt naadloos
aan te sluiten bij wat Jezus in 7,24, tijden
het midden van het feest zegt als afsluiting van de tekst van 7,16b-24.
Nicodemus onderstreept door zijn oordeel de kwestie van wat rechtvaardig
is.
Johannes 7,24 is niet enkel een slotzin in een betoog is maar onderstreept
nogmaals het belang aan van de Tora voor wat Jezus volgens Johannes
doet. C.K. Barrett onderkent niet het belang
van 7,24 voor 7,51. Hij noteert zelfs, dat Nicodemus geen van de door
Jezus op zijn eigen wijze ontwikkelde themata opneemt. M. de Jonge noemt Johannes
7,24 alleen in de aangave van een serie discussies tussen Jezus en de
Joden in Jerusalem (:7, 16‑24, 28‑30, 33‑36) ingeleid
door debatten in de menigte zelf. Ook J. Schneider besteedt
in zijn tekst over de kompositie van Johannes 7 geen aandacht aan 7,24.
Voor hem is het enkel het einde van hetgeen
hij noemt der erste Teil des zweiten
Abschlusses
van het 7e hoofdstuk.
Om te komen tot een afbakening van het zevende hoofdstuk
lijkt het wellicht de veiligste weg, de tekst niet los te laten. De
tekst moet bekeken worden tot in zijn meest materiele elementen.
Er zijn literaire elementen welke het geheel van Johannes
7 laten zien als een compositie van delen. De keerwoorden houden kleinere
gedeelten van de tekst bijeen in zinvolle gehelen. Dat zal voldoende
moeten zijn. Verderop moge dit blijken.
De afbakening van Johannes 7 blijft extern wanneer
zij niet verbonden blijkt met de samenhang. Johannes 7 zoekt in acceptatie
en afwijzing een weg naar hetgeen een oordeel
blijkt. De tekst noteert daarbij de opmerking van Jezus en vraagt of
het aldus geformuleerde oordeel een rechtvaardig oordeel is. Daarmee
treden in eerste instantie 7,24 en 51/52 gelijkelijk
naar voren.
Heel de procedure wordt aangezet op titel van het Loofhuttenfeest.
De naam van dit feest wordt genoemd. Als vanzelf is
er dan de kwestie tussen Hem en Zijn broers. Dit feest
en de betreffende kwestie bereiken de lezer onder het teken van de twaalf. De broers en de twaalf noemt de tekst drie keer, zoals dit ook het geval is met zijn
leerlingen.
Het begin van Johannes 7 is niet vast te leggen. Het
kan 7,1/2 zijn, of 7,10 of 6,60.
Johannes 7,1 als begin van een nieuw verhaal blijkt
niet ongelukkig of willekeurig. De afwijzing, de onzekerheid, de beaming
en de distantie in het spoor van Pasen en Jezus’leren in de synagoge
te Kapernaum worden hernomen tijdens het feest van de laatste oogst.
Uiteindelijk vindt dat in het Heiligdom plaats, het Huis van de Vader
(2,16) te Jerusalem. Dit
(alles)/tauta (6,59)
en reactie daarop van zijn leerlingen en de twaalf levert op dat Jezus
rondwandelt in Galilea na dit
(alles)/meta tauta (7,1).
2.2
De consistentie van Johannes 6,60-71
The consistency of John 6,60-71
De tekst is beschreven tussen tauta en metha tauta.
Hij is (om technische redenen grafisch onvolkomen – de lezer raadplege
haar/zijn eigen tekst – ) als volgt weergeven:

6,59 [tauta eipon en sunagoogei
didaskoon en kapharnaoum]
60 polloi oun akousantes
ek toon mathètoon autou eipan
sklèros estin ho
logos houtos
tis dunatai auton akouein
61 eidos de ho jèsous
en heautooi
hoti goggudzousin peri toutou
hoi mathètai autou
eipev autois
touto humas skandalidzei
62 ean oun theoorète
ton uion tou anthropou anabaineonta opou èn to proteron
63 to pneuma estin to dzooiopoioun
hè sarks ouk oophelei ouden
ta rhèmata ha egoo
lelalèka humin pneuma estin kai dzooè estin
64 all'eisin eks humoon
tines hoi ou pisteuousin
eidei gar eks archès
ho jèsous
tines eisin hoi mè
pisteuontes
kai tis estin ho paradoosoon
auton
65 kai elegen
dia touto eirèka
humin
hoti oudeis dunatai elthein
pros me
ean mè eidedomenon
autooi ek tou patros
66 ek toutou oun polloi
ek toon mathetoon autou apèlton eis ta opisoo
kai ouketi met'autou periepatoun
Keerwoord: hoi mathèthai autou / zijn leerlingen.
Zie 60, 61 en 66


67
Eipen oun ho jèsous tois doodeka,
Mè kai humeis
thelete hupagein?
apekritè autooi Simoon Petros,
Kurie, pros tina apeleusometha?
rhèmata dzooès aiooniou echeis,
69 kai humeis pepisteukamen
kai egnookamen
hoti su ei ho hagios
tou theou.
70 apekrithè
autois ho jèsous,
Ouk egoo humas tous
doodedka ekseleksamèn,
kai eks humoon eis diabolos estin?
71 elegen de ton Ioudan
Simoonos Iskariootou
houtos gar emellen paradidonai auton,
eis [oon] ek toon doodeka.
7,1 Kai metha tauta ...
Keerwoord: hoi doodeka / de twaalf. Zie
67, 70, 71.
Tauta /Dit (alles 6,59) vat het voorafgaande samen. In twee gedeelten volgt
hierop een reactie. In 6,60‑66 voeren Zijn leerlingen het woord. Zij noemen tauta /dit (alles)
een hard woord. Wie kan dit horen? In 66 gaan zij weg. Zij wandelen
niet meer met Jezus rond. Tussen hun spreken en doen staat een tevergeefse
interventie van Jezus.
In 6,67-71 heeft Jezus het
initiatief. Simon Petrus gaat daarop in. Zo manifest als het weggaan van de leerlingen, zo manifest is het blijven van de doodeka/twaalf
niet. Ondanks het wij vertrouwen
(69 vgl 64 bis) wordt in de kring van de
twaalf het overleveren
aangewezen. Juda van Simon ...
één zijnde uit de twaalf (6,71).
Herhalingen en substituties van woorden en zinswendingen
maken de tekst zich tot een geheel. De reactie van de leerlingen krijgt
de naam morren. Jezus geeft
andere namen. Hij noemt dit zó spreken zich
ergeren (61), niet vertrouwen
(64). De verteller van het verhaal neemt die uitspraak over: Niet
vertrouwen (64 vgl 2,24). Het verschil tussen vertrouwen en niet vertrouwen
ligt niet in de handen van mensen. Vertrouwen
ontstaat wanneer het gegeven wordt
vanuit de vader (65). Bij de leerlingen van 60 en 66 is daar blijkbaar
geen sprake van. Zij gaan weg.
Woorden uit deel 1 (de leerlingen) komen in
deel 2 (de twaalf) weer hun opwachting maken. Het zijn: woorden (63.68),
Ieven (63.68), vertrouwen (64 bis. 69), "weggaan (66.68) en overleveren (64.71).
Jezus' spreken in 67 maakt de toegesprokenen tot de
twaalf. Zoals Hij de leerlingen tot jullie
(61) maakt, zo doet Hij dit nu ook met de twaalf: Toch niet ook jullie willen weggaan? (67). Antwoord vindt die vraag
in de woorden van Simon Petrus. Hij zegt Wij
en Jij.
Jezus spreekt weer. Hij antwoordt en noemt de
twaalf. Niet Ik heb jullie als de twaalf uitgekozen
(70). Het gegeven zijn vanuit
de Vader (65) keert hierbij terug. Bij dit uitgekozen zijn van de
twaalf hoort één uit jullie (70) die de naam van diabolos krijgt. De tekst geeft aan: het
gaat over overleveren (71).
Ditzelfde overleveren
wordt ook in 64 genoemd, in het verlengde van niet vertrouwen (64).
Petrus spreekt zijn vertrouwen uit. Het door Petrus
uitgesproken vertrouwen lijkt minder dan het klinkt. Petrus begint
zijn belijdenis eigenaardig. Naar
wie zouden wij gaan? (68) Zijn vertrouwen, het vertrouwen van de
twaalf zou wel eens een gebrek aan alternatief kunnen zijn.
De twaalf vol vertrouwen krijgen
naast zich als een uit hun midden Juda(s). Alleen in Johannes 6,71 heet Juda(s) Juda(s) van Simon. Grammaticaal is iskariotou een toevoeging bij Simon. Johannes
6,71 bindt de naam Juda(s) aan de naam Simon. Tenslotte Bij deze korte
beschrijving van de samenhang in 6,60‑71 verdient 6,61v meer aandacht.
Men lette op de volgorde. Drie onderwerpen reikt de tekst aan. Als dit
woord je ergert, 1) wat wanneer je de Zoon van de mens ziet opstijgende.
De zoon van de mens tussen aarde en hemel, waar Hij eerder is. Tussen hemel en aarde
doet de tekst als vanzelf spreken over 2) de Geest en 3) de woorden.
Heilige (69) hoort in het
4e evangelie steeds bij Geest.
Door voor een ogenblik af te zien van de mogelijke
inhouden of betekenissen van de zinnen, door enkel acht te slaan op
wat er staat, zoals het er staat, tekent zich een patroon af. Het meest
oppervlakkige, de aangetroffen woorden, tekenen zich in het tekstbestand
als zekere ordening af.
De regels die onmiddellijk aan 7,1 voorafgaan, laten
een schema zien. Na 6,59 presenteert de tekst op het eerste gezicht
twee fragmenten die het voorafgaande verwerken. Het zijn twee brokjes
tekst. Binnen die twee fragmenten keren woorden weer. Zij houden de
fragmenten als in zich afgeronde gehele bijeen. Wie leest merkt, hoe
de aandacht zich concentreert op enkele woorden. Zo deelt de tekst mee
als hoe hij geschreven is en wat aldus geschreven is. Binnen die structuur
deelt de tekst zich mede. De inhoud van de tekst is niet iets buiten
de tekst om.
Tenslotte.
Exegese zou wel eens niet uitleg van de tekst, maar inleiding tot de tekst kunnen zijn, voorwerk die het lezen mogelijk
wil maken, leeshulp. De tekst levert zelf de middelen welke leiden tot
het lezen van de tekst ‑ er is niets anders: woorden genoteerd in
hun eigen verband, deze tekst, voor wie wil om
te lezen. Alleen door bij de woorden te blijven leest men hetgeen er staat.e vragen over Johannes 6,60‑71. Met
name de samenhang met het voorafgaande dient bekeken te worden.
Dit overschrijdt evenwel de doelstelling van de studie over Johannes
7. De relatie van 6,60‑71 met het volgende zal verderop aan de orde
komen. De kennismaking met 6,60‑71 levert als vooronderstelling
een methode op om dichter bij de tekst te komen.
2.3 Een samenhang in Johannes 7 op het spoor
tracing
a consistency in John 7
Wie een tekst leest doet dat in de regel op de gangbare,
vrij snelle manier. Ogen nemen welhaast als vanzelf waar wat er staat. Zoals wanneer je een wegwijzer volgt: Amsterdam 27 km. Maar het kan zijn dan
hetgeen je leest meer is dan enkel een banale inhoud. Het geschrevene
kan meer bevatten dan enkel de oppervlakkige inhoud. De eerste regel van J.M.Coetzee, Waiting for the barbarians, (1980) luidt:
I have never seen anything like
it: two little discs of glass suspended in front of his eyes in loops
of wire. Een zonnebril! Maar een zonnebril verbergt ogen.
In dat zich verbergen kan een boek schuil gaan.
Zeker voor iemand die de stilte voor het lezen verbreekt met: “Ik heb
nooit zoiets gezien …” Nog geen vijf pagina's
verder ziet de lezer zich geconfronteerd met iemand die kleurlingen
(barbarians) martelt om hen
tot een confession te brengen.
De eerste regel overschreidt blijkbaar het niveau van de mededeling
zeer. Al lezend moet je de woorden en beelden bewaren. Langzaam maar
zeker opent de tekst hen.
Om Johannes 7 te lezen moet je eerst afzien van een
(te snel begrepen) bedoeling of betekenis van de tekst. Je moet ook
afzien van welke historische connotaties dan ook. Wanneer en hoe de
tekst ontstaan is? Waarom? Wat is uit te graven als historisch begin
en verdere ontwikkeling? Vooreerst zijn deze zaken niet aan de orde.
Datzelfde is van toepassing op de functies waaraan de tekst zijn ontstaan
ontleent. De geschiedenis welke mogelijkerwijze deze tekst tot gevolg
heeft gehad is irrelevant gegeven hetgeen nu aangetroffen wordt door
degene die de tekst nu leest. Het feit van de tekst, de tekst als tekst
is nauwelijks omstreden.
Boven, in 2.1 is aangegeven, waarom Johannes 7 een
eenheid kan zijn. Het woord Galilea ligt als een lijst rond 7.
Galilea: 7,9.41.52 bis). Ook zijnde één uit vat 6,71
en 7,50 als de grijpers van een tang bijeen. Het woord oordelen vormt 7,24-51 tot een inclusie.
Ook de maatstaf voor een rechtvaardig oordeel beheerst de regels
die aan 7,24 voorafgaan. Leer/leren (7,14. 16 bis); Mozes (7,19.22 bis), en de Tora (19 bis.23).
Mede vanuit de leeservaring van 6,60‑71 kan een
spelregel geformuleerd worden. Zij stellen de lezer in staat, de tekst
in kleinere eenheden te verdelen en de samenhang tussen deze gedeelten
te bewaren.
De drievoudige herhaling van een woord in het 7e
hoofdstuk van Johannes vestigt de aandacht op de mogelijkheid van een
voorzichtige indeling en samenhang van de tekst. In hoeverre deze methodische,
schriftuurlijke veronderstelling andere delen
van het evangelie open legt gaat de grenzen van dit onderzoek te buiten.
Wel is deze verdeel-regel toe te passen op het gedeelte vlak voor het
Johannes 7 en op ongeveer heel Johannes 7.
Welk effect de drievoudige herhaling binnen de tekst
heeft is daarmee nog niet aangegeven. (Zie de wijze waarop leerlingen in 6,60-66 het geheel tot een drieluik maakt. De twaalf leidt in 6,67‑71 niet tot
die fraaie afwerking. De struktuur toont zich hier minder samengebald.
De tekst eindigt dan ook in een open kwestie.)
Het dicht bijeen drie keer voorkomende woord krijgt
binnen deze studie over Johannes 7 de naam keerwoord. De drievoudige
herhaling van een woord is goed herkenbaar in Johannes 7. Judea/Judeeërs (7, bis. 2); zijn broers (3.5. 10); opgaan (10. 11. 14) feest (10.11.14); zij zeiden (11.12 bis), leren/leer,
(14.16.17); (hij) is (17.
18 bis); Mozes (19.22 bis); de mens op Sjabbath (22.23 bis); oordelen/ oordeel (24 ter); deze
(25.26.27); vanwaar (27 bis.28);
Hij is (28 bis. 29); grijpen (30.32.44); de Farizeeën (45.47.48). De tekst groepeert rond enkele woorden. Daarin
speelt zich een heIe discussie af.
Binnen de gedeelten welke de tekst door middel van
de keerwoorden aanreikt worden woorden herhaald, toespitsend of tegenstellend.
In het voorafgaande zijn enkele voorbeelden aan te
wijzen: horen (60 bis), kennen
(61.64), geest (63 bis), leven (63 bis), vertrouwen
(64 bis). Soms ontstaan zo kleine triptieken. Binnen de herhaling
ligt dan de kern. Bijvoorbeeld het kennen
van Jezus te midden van het niet
vertrouwen (64). Vlees tegenover de woorden die
Ik gesproken heb kan een voorbeeld van tegenstelling zijn.
De herhaling werkt niet alleen binnen de gedeelten.
Zij kan ook een wisselwerking tot stand brengen tussen de gedeelten
en hetgeen daar te lezen is. De herhaling maakt
van de gedeelten een gestructureerd en zich structurerend geheel. Als
voorbeelden: in 6,60‑71 vertrouwen (64.69 zie verderop 7,5); weggaan (66.68); overleveren (64.71); dit (alles)
(6,59; 7,1 zie ook 7,4).
Toepassing van de hierboven aangegeven constanten in
combinatie met oog hebben voor de woordherhalingen binnen en tussen
de delen dwingt de lezer tot een directe confrontatie met de tekst als
geheel en in delen. De literaire compositie bestaat uit een verzameling
details. Zij vormen de hoofdzaak en willen nauwkeurig gevolgd worden.
Het massieve geheel van Johannes 7 kan nu op basis
van grafische elementen in kleinere eenheden verdeeld worden. Een verdeling
van de arbeid maakt het mogelijk, in kleinere
delen beter te lezen.
Wie Johannes 7 in het spoor van de zich aanbiedende
woorden neemt, onttrekt Johannes 7 aan het meer logocentrische of egologische
dictaat van de lezer. De woorden creëren een eigen ruimte, die van een
ander, deze tekst met zijn eigen verhaal. Wie de woorden neemt komt
de thematiek en problematiek van de tekst op de wijze van de tekst op
het spoor. Alleen dat rechtvaardigt deze, aanvankelijk betekenis- en
belangeloze benadering van de tekst. De tekst mag zijn geheim, zijn
identiteit, zijn eenheid en veelheid in verschil laten zien. Als de veronderstelde
leesregel juist is zal de problematiek van het begin aan het einde van
Johannes 7 verder gebracht zijn. Verder betekent hier als steeds: meer
opgelost maar ook meer raadselachtig geworden.
Hieronder, in 2.4, wordt de tekst uitgeschreven
op het raam, aangereikt door de hierboven geformuleerde regel over de
keerwoorden. Eerst komt de tekst. De keerwoorden worden daarin onderstreept.
Vervolgens wordt gewezen op de zich in de tekst voordoende herhalingen.
Tenslotte zijn er steeds de herhalingen binnen
Johannes 7. In Hoofdstuk drie zullen de aangegeven elementen als storf
ter lezing gewogen worden.
2.4
De samenhang van Johannes 7 rond de keerwoorden
The coherence of John 7 around three times returning words
2.4.1. Johannes 7,1-2
1. kai metha tauta periepatei ho ièsous en
tei Galilaiai
ou gar èthelen en thei ioudaiaia peripatein oti ezètoun
auton oi ioudaioi apokteinai
2. èn de eggus hè heortè toon ioudaioown
hè skènopègia
Keerwoord: Ioudaia-iudaioi / Judea- de mensen van
Judea.
Binnen het fragment van dit keerwoord keert het woord rondwandelen terug. Zoeken te doden is in Johannes 7 zoiets als
een refrein: 1.19.20.25. Als tegen Jezus gekeerde actie vindt zoeken te doden het verderop in de tekst
plaatsvervangend woorden; grijpen
(30.32.44) en wellicht ook voeren
(45). Het woord willen
geeft Johannes in zijn 7 e hoofdstuk ook drie keer: 7,1.17.
44. Er is sprake van zoeken te doden (1.19.20.25) en zoeken te grijpen (30).
Volgens de broers kan men ook zoeken
in het openbaar te zijn (4).
De menigte zoekt Jezus op het feest
(11).
En Jezus zegt Nog korte tijd, dan zult jullie Mij zoeken en Mij
niet vinden (34.36).
Het enige dat Jezus in Johannes 7 zoekt is niet het eigen gewicht
(zijn eigen heerlijkheid). Zijn zoeken valt samen met het zoeken van het
gewicht, de heerlijkheid van degene die Hem zendt (18).
Tijdens het feest van de bewoners van Judea (2) zoeken Hem de
bewoners van Judea op het feest (11). Zij doen dit niet openlijk.
Zij verbergen hun zoeken uit vrees voor de bewoners van Judea. In 7,15
spreken zij een welomschreven verwondering uit. In 7,35 zeggen ze tegen
elkaar: Waar wil Hij heengaan dat
wij Hem niet zullen vinden? Judea is in 7,1 gebied waar dreiging van
uit gaat. De broers willen dat hij daarheen gaat (3). Het feest kom verderop
aan de orde.
2.4.2. Johannes 7,3-10


3. eipon oun pros auton hoi adelphoi autou metabèthi
enteuthen kai hupage eis tèn ioudaian hina kai hoi mathètai
sou yheoorèsousin sou ta erga ha poieis.
4. oudeis gar ti en kruptooi poiei kai dzètei autos en parrèsiaia
einai.
ei tauta poieis
fanerooson seauton tooi kosmooi.
5. oude gar hoi adelphoi autou episteuon eis auton.
6. legei oun autois ho ièsous
ho kairos ho emos oupoo parestin
ho de kairos ho humeteros pantote estin hetoimos.
7. ou dunatai ho kosmos misein humas
eme de misei
hoti egoo marturoo peri autou
hoti ta erga autou ponèra estin.
8. humais anabèti eis tèn heortèn
egoo oupoo anabainoo eis tèn heortèn tautèn
hoti ho emos kairos oupoo peplèrootai.
9. tauta de eipoon autois emeinen en tei galilaiai
10. Hoos de anebèsan hoi adelphoi autou eis tèn
heortèn
Keerwoord: hoi adelphoi autou / zijn broers.
Men kan natuurlijk 7,1‑3 als een inclusie zien op basis van Judea.
Toch lijkt dit niet gelukkig. Judea
staat in 7,1 nogal scherp tegenover Galilea.
Na 7,3 zal Judea gesubstitueerd worden door de
wereld (4.7).
Johannes 7,3-5 is gemakkelijk als een eenheid te onderkennen. Een verschil
wordt zichtbaar tussen Jezus en Zijn broers. Er is een verschil van opvatting.
Dat verschil wordt concreet in een verschillende opgaan.
De uitdrukking Zijn broers functioneert als keerwoord. Zie
7,3.5 en 10. Na Jezus' betoog (6‑8) met conclusie (9) geeft de tekst
de uitdrukking Zijn broers een
finale plaats in v.10. Zij zijn dan onderwerp bij het werkwoord opgaan.
Het opgaan van de broers maakt
het gedeelte 7, 3‑10 tot een organisch onderdeel van Johannes 7.
De tekst noemt Zijn broers direct bij de naam van het feest. Blijkbaar
moeten zij nadrukkelijk naar voren gehaald worden.
Het Loofhuttenfeest lijkt vooreerst een kwestie tussen broeders te zijn.
Maar op het spel blijkt te staan dat de
broers geen vertrouwen hebben op Hem (’toe’) (5). Daarmee legt de
tekst een verbinding met de ontwikkeling die in 6,60‑71 zichtbaar
gemaakt wordt. Is er een relatie tussen Zijn broers en de twaalf. Op die vraag is volgens Johannes een antwoord mogelijk.
De tekst geeft in 20,17 minstens de mogelijkheid, de vraag naar een samenhang
tussen zijn broers en de twaalf positief te beantwoorden.
Door Zijn broers als keerwoord aan te wijzen ondersteunt men hetgeen
de tekst sinds 6,64.69 bezig houdt, wat in 7,3‑5 aan de orde is
gezien 7,5, en ook hetgeen in 7,31.38.39 en 48 van belang blijkt. Ook
woord en wederwoord in 7,3‑10 vormen een geheel. Zijn broers mag
men aanwijzen als keerwoord.
Twee keer nemen de broers het woord. Beide keren presenteren
ze zelf een eigen inbreng. Ze spreken in tegenstellingen. Ze zeggen:
Vertrek... ga naar (3) en in het verborgene ... in het openbaar
(4). Jezus neemt dit spreken in alternatieven over. Hij zet tegenover
elkaar: mijn tijd en jullie tijd (6), niet haten en haten (6.7), jullie, gaat op en Ik
ga niet op (8). Intussen heeft de tekst ook twee keer over werken
gesproken. Tegenover elkaar zijn geplaatst: de werken welke Jij doet
(3) en de werken van hem
die slecht zijn.
Het woord doen/maken
komt binnen dit tekstfragment drie keer (3.4 bis) voor. Het vormt
een kleine inclusie (7, 3-4). Daarin gaat het over in het verborgene
doen en zoeken in het openbaar te zijn. Deze twee vormen
van presentie zouden tegenover elkaar staan. Volgens de broers moet
Jezus zichzelf zichtbaar maken aan de wereld. De verteller/tekst interpreteert
dit als niet vertrouwen (4.5). Jezus maakt daar een aantekening
bij. Het gaat over synchronie of ‘a-chronie’, het al dan niet geschikt
zijn van de tijd. Dit al dan niet synchroon zijn hangt samen met respectievelijk
niet haten en haten – aldus de verklaring van Jezus (7,7
zie 2,25).
Naast doen (3.4 bis) geeft Johannes 7 het doen van de wil
(van God) (17) het (niet) doen van de Tora (19), het doen/maken
van het éne werk (21), heel de mens gezond
(23) en een uitspraak over het doen van Jezus uit de mond
van velen uit de menigte (31).
Kennen wat iemand doet is volgens Nicodemus beslissend
(51). Hij heeft daar een norm voor.
Na de inclusie in 3-4 en de verwerking daarvan
in 4-5 spreekt ook Jezus in een inclusie op het woord de tijd
(6bis en 8). Het fragment presenteert een duidelijke synchronie
van allen. Eén is uitgezonderd. Over deze éne gaat het in Johannes 7,
deze éne naast alle anderen. Die uitzondering wordt uiteindelijk zichtbaar
gemaakt in het gescheiden opgaan, of beter in hun opgaan naar
het feest en Zijn opgaan. Hun gebiedende wijs (3 bis) kan geen
motief voor Jezus' anabasis zijn. Jezus’ tijd is nog niet gevuld
geworden. Hij weet zich afhankelijk van het al dan niet gevuld zijn
van de tijd. Voor Hem is er een andere norm. Dat zal blijken in 16vv.
De lezer kan het trouwens reeds weten vanaf 1,1 pros ton Theon/naar
God toe. De tijd, het verschil in tijd (2x 6) en de uitleg ervan
als haten (2x 7) vormt een tijding, een getuigenis. Voorlopig
is daarmee over deze zaak het laatste gezegd. Het harde woord
(6,60) dat ergernis geeft (6,61), dat niet vertrouwen
(64) en vertrouwen (69) en overleveren (64.71) tot gevolg
heeft, is getuigen omtrent de wereld dat
zijn werken slecht zijn (7,7).
Tegenover Zijn werken (3) staan de zijn werken (van de wereld).
Een wereld van verschil wordt overbrugd door het woord getuigenis
geven (7). Straks zal Jezus Zijn werken (door hen in het meervoud
genoemd) aangeven met één werk (21).
Dit (alles) doen (4) is intussen dit (alles)
zeggen (9) geworden. Aldus verblijft Jezus in Galilea. Tegenover
Zijn blijven staat hun opgaan. Voor opgaan naar het
feest, zie het volgende fragment. Het volgt direct hieronder.
2.4.3. Johannes 7,10-14

10.
Hoos de anebèsan hoi adelphoi autou eis tèn
heortèn
tote kai autos anebè
ou phaneroos all'en kruptooi.
11. Hoi oun Ioudaioi edzètoun auton en tei heortei
kai elegon
pou estin ekeinos?
12. Kai gogusmos peri autou èn [polus] en tooi ochkooi.
hoi men elegon
hoti agathos estin
alloi de elegon
ou, alla planai ton ochlon.
oudeis mentoi parrèsiaia
elalei peri autou da phobon toon Ioudaioon.
14. èdè de tès heortès mesousès
anebè Ièsous eis tèn hieron kai edidasken.
Keerwoorden:
opgaan, naar het feest, zeggen / anabainoo, eis tèn
heortèn, legoo.
De verzen 7,10-14 zijn aaneen geknoopt
met behulp van 3 keerwoorden; opgaan (10 bis.14), het feest (10.11.14) en zeggen
(11.12 bis). Opgaan naar het feest had het keerwoord kunnen
zijn, maar daar is iets tussen gekomen: niet openlijk maar in het verborgene.
De bewoners van Judea zochten Hem dus. Dit ertussen gekomene heeft
de tekst gemotiveerd in 6-7. De bewoners van Judea vullen de manifeste
afwezigheid of niet aanwezigheid van Jezus met spreken. Daarbij
treedt een verschuiving op.
Niet openlijk is eerst de kwaliteit van Jezus’ opgaan (10).
Nu krijgt hun praten (13) dezelfde kwalificatie. De bewoners van
Judea blijken Jezus (11) eigenlijk vanzelfsprekend te zoeken. Wat willen
ze? Willen ze Hem doden? (7,1)? Dat geeft de tekst niet!
Achten de bewoners van Judea Zijn aanwezigheid op het feest even vanzelfsprekend
als de broers. Brengen
zij die aanwezigheid in verband met in het openbaar willen zijn?
Daarmee zouden de broers, althans de woorden die zij zeggen, minder
definitief verdwenen zijn dan het vanaf 7,10 het geval lijkt. De tekst
geeft deze verhoudingen niet expliciet.
Wel geeft de tekst weer tegenstellingen.
Op basis van het parallellisme (opgaan, 10 bis) komen tegenover
elkaar: het feest en niet openlijk maar in het verborgen
(10). Goed staat blijkbaar tegenover het volk misleiden
(12). Zo staan sommigen tegenover anderen (12). Beiden komen
overeen door niet openlijk te praten (13). Zo is er veel
gemor (l2) en niet openlijk praten over Hem (12.13).
Intussen zoeken zij waar? Hij is. In 14 zal de tekst die vraag
beantwoorden. Daar wordt ook het ontbrekende bij Jezus' opgaan in 10 ingevuld.
De tekst geeft er te lezen naar het Heiligdom.
Het feest is sinds 7,2 een belangrijk woord. Het
feest en de naam ervan blijken in Johannes 7 inleiding tot het spreken
van broers. Het feest (8 bis) kan geen aanleiding zijn tot een
gezamenlijk opgaan. De broers gaan in 10 op naar het feest. Bij
Jezus’ opgaan mist men de invulling van de eindterm van het opgaan. En
wanneer de tekst dan weer feest laat horen blijkt men in de tekst
druk bezig Hem te zoeken (11). Zo komt het midden van het feest (door
over Hem is Jezus reeds enigermate tot middelpunt – van morren
(12) en niet openlijk praten (13).
Dan laat de tekst Jezus opgaan zonder er een geheim te maken van
de eindterm van Zijn opgaan naar het Heiligdom (14) is, om meteen
over te gaan in het woord leren.
Morren figureert al eerder. Het woord is (na 6,41.43) gevonden
in 6,61. Daar morren de leerlingen over het harde woord.
Die uitdrukking,
het harde woord, is een omschrijving van Zijn leren in de
synagoge te Kapernaum.
In 7,12 wordt de lezer(es) deelgenoot gemaakt van het gemor op
het feest. In 7,32 zal de menigte morren. De Farizeeën horen
het, nemen naar aanleiding daarvan een initiatief.
De broers gaan op naar het feest. Jezus gaat op naar het Heiligdom in
Jerusalem. Worden zij daarmee niet in feite elkaars plaats- en tijdgenoten?
Het feest en het Heiligdom hoeven elkaar toch niet uit te sluiten? Dat
hoeft niet. Zij worden (zij het met andere namen genoemd wat betreft de
broers in hun positie tegenover of naast Jezus) elkaars
tijd- en
plaatsgenoten. Maar dat is slechts voor korte tijd (33). Zij vragen
dan waarheen(35) en brengen daarmee de laatste dag, van het feest
dichterbij, de laatste en grote dag (37).
2.4.4. Johannes
7,14b-18

hieron kai edidasken.
15. ethaumadzoun oun hoi Ioudaoi legontes,
Poos houtos gframmata oiden mè memathèkoos?
16. apekrithè oun autois [ho] Ièsous
Hè emè didachè ouk estin emè alla tou
pempsantos me
17. ean tis thelai to thelèma autou poiein,
gnoosetai peri tès didachès
poteron ek tou theou estin
è egoo ap'emautou laloo.
18. ho aph'heautou laloon tèn doksan tèn
idian dzètei.
ho de dzètoon tèn doksan tou pempsantos auton
houtos alèthès estin
kai adikia en autooi ouk estin.
Keerwoord: didaskoo, didachè / leren, leer en estin / (hij)
is.
In de versen 11 en 12 fungeerde legoo, zeggen als
werkwoord. Dit wordt herhaald in de variant laloo/zeggen. Het onderwerp
blijft in de zinsfragmenten de 'bewoners van Judea". Daarna krijgen
we Jezus als onderwerp. Zijn naam wordt genoemd bij anabainoo/ opstijgen,
optrekken. Wanneer Hij gaat spreken omschrijft de tekst die daad als
didaskoo / leren. Leren/leer is een keerwoord (14.16.17).
Daarna dient hij is zich als keerwoord aan (17 en 18 bis).
Leren vormt met leer een inclusio. Jezus' leren roept
verwondering op. Deze verwondering berust op een veronderstelde verhouding
tussen Schriften en onderricht zijn. Ten antwoord wijst Jezus
op het typische van Mijn leer. Zij is niet van Mij maar van
degene die Mij gezonden heeft. Twee keer geeft de tekst een bezittelijk
en één keer het persoonlijk voornaamwoord
(16). Staat dit eigendom van de leer dan vast? Is dat een van tevoren
ingenomen standpunt van de tekst? Er blijkt een verificatiemodel te zijn.
De tekst reikt een mogelijkheid aan om te komen tot kennen omtrent
de leer. Wanneer iemand de wil wil doen (17). Zo iemand zal kennen
omtrent de leer.
Met betrekking tot de afkomst van de leer geeft de tekst twee mogelijkheden.
Zij is uit God of uit Mijzelf (17). Die twee mogelijkheden
staan tegenover elkaar. Het meest eenvoudige en ultieme kenmerk om te komen
tot een situering van de leer is te vinden in het antwoord op de vraag Wiens
gewicht zoekt je? Zoek je je eigen gewicht of het gewicht van degene
die je gezonden heeft? Het keerwoord hij is geeft een reeks substituties: Uit God
(17), waar (18) en onrecht is niet in hem (18).
Het zoeken Hem te doden vindt hier een verklaring. Aan de
orde is daarbij het zoeken van zijn eigen gewicht (7,1.18).
Spreken: de dienaren zullen straks iets zeggen omtrent
Jezus' spreken (46). Nu niemand openlijk over Hem spreekt (13) constateren
de bewoners van Jerusalem in 26, dat Jezus openlijk spreekt.
Het gewicht (18bis) keert in de lijdende vorm van het werkwoord
terug in 7,39. De onrechtvaardigheden die niet in Hem zijn
komen overeen met de norm welke geldt voor het oordeel "(24).
Het waar
zijn van Deze komt terug in de waarachtige die Mij gezonden heeft
(28). Opmerkelijk is het naast elkaar zetten van degene die Mij gezonden
heeft (16) en Degene Die Hem gezonden heeft (18). Gezonden hebbend
keert terug in 28 en 33. Degene die gezonden heeft is oorsprong en einddoel
van Jezus' gaan.
2.4.5. Johannes 7,19-22c

19. Ou moousès dedoodken humin ton nomon
Kai oudeis eks humoon poiei ton nomon.
Ti me dzèteite apokteinai ?
20. apekrithè ho ochlos
Daimonion echeis.
Tis se dzètei apokteinai ?
21. Apekrithè Ièsous kai eipen autois,
Hen ergon epoièsa kai pantes thaumadzete.
22. dia touto Moousès dedooken humin tèn peritomèn
- ouch hoti ek tou Moouseoos estin all'ek toon pateroon -
Keerwoord: Mozes / Moousès.
De naam van Mozes fungeert als keerwoord (19.22 bis). Nadat de
tekst gesproken heeft over Degene die gezonden heeft, naar de ware in wie
geen onrecht is, gaat het als vanzelf over de gezondene van de Tora, over
Mozes en Zijn Tora (19bis). In 23 zal, geschreven worden over de
Tora van Mozes. Toch is er een zekere relativering. Mozes geeft jullie
de besnijdenis. Niet dat zij uit Mozes is maar uit de Vaderen.
Alleen hier in Johannes 7 wordt deze naam genoemd, Vaderen. In
6,65 spreekt Jezus over de Vader. Het zevende hoofdstuk noemt wel de broers.
De Vader wordt niet genoemd.
Zoeken te doden (van wat naar wie - 19.20). De menigte
zegt enkel: Jij hebt een demon (20). Tegenover het antwoorden
van de menigte (20) antwoordt Jezus. Tegenover Jij
hebt een demon plaatst Hij het éne werk (21).
Om dit éne werk zijn zij verwonderd (21). Zij zijn ook verwonderd
na Zijn leren in het Heiligdom (15).
Mozes geeft de Tora (19). In 22 zegt de tekst via een parallellisme: Mozes
geeft de besnijdenis"(22). Geven zal in Johannes 7 terugkomen,
als werkwoord (22) en als zelfstandig naamwoord (23). Zie
hieronder. Intussen is het geven van de Tora negatief geformuleerd. Geven (19)
gaat in 19 niet naar niemand.
2.4.6 Johannes 7,22d-23

kai en sabbatooi peritemnete
anthroopon.
23. ei peritomèn lambanei anthroopos en sabbatooi
hina mè luthei ho nomos moouseoos,
emoi cholate
hoti holon anthroopon hugiè epoièsa en sabbatooi?
Keerwoord: sabbastos / sabbath en anthroopos
/ mens.
Het voorafgaand fragment eindigt in: van
Tora (19 bis) naar besnijdenis (via Mozes geeft
‑22). Deze transformatie wordt operationeel binnen het kader van
de twee keerwoorden in het hierboven aangegeven fragment. Deze keerwoorden
zijn mens en op Sjabbath (22 en 23 bis). De woorden
staan eerst ineen chiasme. De mens staat daar in het midden. Hij neemt
de besnijdenis. Daar is een reden voor. De Tora van Mozes zal niet losgemaakt
worden.
De tweede persoon meervoud figureert in: Jullie besnijden en jullie
zijn kwaad op Mij. Om de Tora niet te ontbinden besnijden jullie
de mens op Sjabbath. Waarom maakt Hij een heel mens gezond op Sjabbath?
Heeft het gezond maken van een mens op Sjabbath te maken met het niet
losmaken van de Tora? Dat zal in deel 3 aan de orde kunnen komen. Hier
gaat het alleen om een beschrijving van de elementen van de tekst, als
geleding, als eenheid.
2.4.7 Johannes 7,24
24. mè krinete
kat'opsin,
alla tèn dikaian krisin krinete.
Keerwoord: krinoo/krisis / oordelen/oordeel.
De grote kracht van het keerwoord legt grootse nadruk op Johannes
7,24. De woorden dringen zich op als een sleutel in het zevende hoofdstuk.
Nergens in Johannes 7 noemt de tekst zo dicht bijeen dezelfde woordstam.
Als een iteratief aanhoudend vraagt het oordeel aandacht. Dat is opmerkelijk.
Dat is des te meer opmerkelijk, omdat deze volzin in de literatuur rond
Johannes nauwelijks carrière heeft gemaakt.
Een woord dat de tekst bijna insisterend geeft, persisterend, heeft nooit
de aandacht gekregen die het verdient. Heeft de gangbare onderschatting
te maken met het niet onderkende belang van Johannes, deze tekst, voor
Tora en Joodse traditie, en, omgekeerd, van het belang van de Tora en
de Joodse traditie voor Johannes?
De tekst geeft slechts één regel. Het keerwoord is oordelen/ oordeel.
Er zijn maar twee mogelijkheden. Tertium quid non datur. Ofwel:
je oordeelt volgens het zicht, ofwel: men oordeelt een rechtvaardig
oordeel.
Het gewicht van het zwaartepunt is hier niet te miskennen. Dit is
een hecht fundament. Van hieruit moet wel verstaan worden, dat Nicodemus
in v.51 meer is dan een toevallig juridisch ingestelde uitzondering in
het gezelschap van blijkbaar juridisch minder onderlegde Farizeeën. Zelfs
wanneer men aan Nicodemus geen persoonlijke stellingname zou willen toekennen,
zijn korte pleidooi verloopt volgens de simpele regel die Jezus in 7,24
als absoluut aanwijst. Nicodemus sluit zich aan bij de uitspraak van Jezus,
onderstreept deze.
Het rechtvaardige oordeel is niet op de eerste plaats een oordeel met
goede bedoelingen. Het gewicht ligt elders: Ik kan uit mijzelf niets
doen. Zoals Ik hoor, zo oordeel Ik. En mijn oordeel is rechtvaardig omdat
Ik niet mijn wil zoek, maar de wil van Degene die Mij zendt. (5,30
vgl 7,16v). Het rechtvaardige oordeel waar Jezus voor pleit, dat
Hij alle nadruk geeft, zal de bewoners van Jerusalem brengen tot
Hij spreekt openlijk!
Johannes 7,24 is toetssteen, erkenningsmoment en kiemcel voor de afbakening
en eenheid van Johannes 7. Hiertoe leze men naast 7,1 het vers
8,40. Welke norm is normatief wanneer het gaat over de beoordeling van
werken (7,7). Wat is beslissend ter zake van goed of Hij
misleidt het volk (7,12)? Jezus’ leren wekt verwondering bij de mensen
van Judea. Zij herkennen de Schriften. Het gaat dus over Zijn leren
en leer. Wat is Gods welbehagen (wil)? Wiens gewicht is van doorslaggevend
belang? Openlijk spreekt de tekst over Mozes en de Tora! Tot 7,51/52 zal het gaan over de
Tora.
Voor de afbakening en eenheid van Johannes 7 (vanaf 6,60) is de volzin
7,24 van fundamenteel belang.
2.4.8
Johannes 7,25-29

25. Elegon oun tines ek toon
Ierosolumitoon,
Ouch houtos estin hon dzètousin apokteinai ?
26. kai ide
parrèsiai lalei
kai ouden autooi legousin.
Mèpote alèthoos egnoosan hoi archontes
Hoti houtos estin ho Christos ?
27. alle touton oidamen pothen estin.
Ho de Chistos hotan erchètai oudeis ginooskei pothen estin
28. ekraksen oun en tooi hierooi didaskoon ho Ièsous kai legoon,
Kame oidate
Kai oidate pothen eimi.
Kai ap'emautou ouk elèlutha,
All'estin alètinos ho pempsas me,
Hon humeis ouk oidate.
29. egoo oida auton,
hoti par'autou eimi
kakeinos me apesteilen.
Keerwoord: houtos, pothen,
estin / hij/hem, vanwaar hij is.
Na het rechtvaardige oordeel melden zich in de tekst de bewoners van Jerusalem.
Het zal gaan over Hem. Hij is het keerwoord (25.26.27).
De bewoners van Jerusalem houden zich niet aan de methode
die Nicodemus verderop zal onderstrepen. Zij zeggen: Wij weten niet
van Hem vanwaar. Vanwaar is ook een keerwoord (27bis en 28).
Het derde keerwoord buit de tekst op een boeiende wijze uit.
De bewoners van Jerusalem willen weten, weten niet vanwaar Hij is.
Aldus noteert v.27 twee keer. De thematiek vanwaar is daarmee aangereikt.
Jezus zal twee keer spreken, over vanwaar en Ik ben (28.29).
Tussen beide, in het midden, staat geschreven: De Waarachtige, Hij is.
Hij is is ook een keerwoord.
De herhaling van het woord kennen geeft een schijn‑oppositie.
Toch niet in waarheid zijn gaan kennen naast De Christus ... niemand
kent vanwaar (26.27). Wij weten heeft in dit fragment een spilfunctie.
Wij weten vanwaar (27). Daarop schreeuwt Jezus twee keer lerend
in het Heiligdom zeggend: Jullie weten ... jullie weten (28). Tegenover
dit dubbele jullie weten stelt Hij Wien jullie niet weten
(28) Ik weet Hem. Wie is degene die wij niet kennen en die Hij kent?
De tekst geeft drie keer aan wie het is die Hij zo kent. Hij doet dat door
het persoonlijk. voornaamwoord te herhalen en met
inzet van het aanwijzend voornaamwoord (29).
De mensen van Jerusalem herhalen het uitgangspunt van Johannes 7 dat Jezus
in v.19 naar voren brengt en dat in v.20 afgewezen wordt. In 25 komt dezelfde
beschuldiging naar boven: zoeken te doden. Het woord openbaar
(7,4. 13) komt in 26 terug. Het woord
leren(28) herneemt de vv.14‑17. Ook uit mijzelf
en Degene die mij gezonden heeft herinnert aan dezelfde passage en
de directe voortzetting daarvan (18). Tenslotte
geeft 28 voor de derde keer een vorm van een woord op de stam die waar
aangeeft.
In het Heiligdom is Jezus gaan leren. De mensen
van Judea verwonderen zich. Daarop geeft Jezus een uiteenzetting over
Mijn leer, niet van Mij maar van Degene Die Mij zendt. De norm
ter beoordeling van de leer is de Tora. Oordeelt het rechtvaardige
oordeel.
De bewoners van Jerusalem zetten nu in. Zij zetten in waar
de tekst in 7,1 begint. Het zou kunnen zijn dat Deze de Christus is,
- veronderstellen ze. Want Hij spreekt openlijk - maar dat hij
de Christus is, geldt volgens hen als uitgesloten. Het verweer luidt:
Van Deze weten wij vanwaar Hij is. Terstond geeft Jezus daarop aan, hoe Hij in de tekst staat:
Het is de waarachtige Die Mij zendt heef. Jullie kennen Hem niet. Ik
ken Hem. Want Ik ben van Hem en Hij zendt Mij.
De tekst heeft nu blijkbaar
geen enkele uitleg meer nodig. Terstond gaat
het grijpen beginnen. Nu volgt het langste geheel binnen Johannes
7. Het vormt ook een inclusie.
2.4.9 Johannes 7,30-44

30.
Edzètoun oun auton piasai,
kai oudeis epebalen ep'auton tèn cheira,
hoti oupoo elèluthei hè hoora autou.
31. Ek tou ochlou de polloi episteusan eis auton,
kai elegon,
Ho Christos
Hotan elthei
mè pleiona sèmeia poièsei
hoon outos epoièsen?
32. èkousan hoi Pharisaioi tou ochlou goggudzontos peri autou
tauta
kai apesteilan hoi archiereis kai hoi Pharisaioi hupèretas
hina piasoosin auton.
33. eipen oun ho ièsous,
Eti chronon mikron meth'humoon eimi
Kai hupagooo pros ton pemsanta me.
34. dzètèsete me
kai ouch heurèsete [me],
kai hopou eimi egoo
humeis ou dunasthe elthein.
35. eipon oun hoi Ioudaioi pros heautous,
Pou houtos mellei poreuesthai
Hoti hèmeis ouch heurèsomen auton?
Mè eis tèn diasporan toon Hellènoon mellei poreuesthai
Kai didaskein tous Hllènas?
36. tis estin ho logos houtos hon eipen,
Dzètèsete me kai ouch heurèsete [me],
kai hopoueimi egoo humeis ou dunasthe elthein?
37. En de tei eschatei hèmerai tei megalei tès heortès
heistèkei ho Ièsous
kai ekraksen legoon,
Ean tis dipsai
Erchesthoo pros me
Kai pinetoo.
38. ho pisteuoon eis eme kathoos eipen hè graphè,
potamoi ek tès koilias autou rheusousin hudatos dzoontos.
39. touto de eipen peri tou pneumatos
ho emellon lambanein hoi pisteusantes eis auton.
Oupoo gar èn pneuma,
Hoti Ièsous oudepoo edoksasthè.
40. Ek tou ochlou oun akousantes
toon logoon toutoon elegon
Houtos estin alèthoos ho prophètes.
41. alloi elegon,
houtos estin ho Christos.
Hoi de elegon,
Mè garek tès Galilaias ho Christos erchetai ?
42. ouch hè graphè eipen
hotiek tou spermatos Dauid, ho Christos erchetai ?
43. schisma oun egeneto en tooi ochlooi di'auton.
44. tines de èthelon eks autoon piasai auton,
all'oudeis epebalen ep'auton tas cheiras.
Inclusio: grijpen
Keerwoorden: pisteuoo, ho Christos, ouch heuriskoo, legoo, autos, / vertrouwen,
de Christus, niet vinden, zeggen, hem.
Vanaf 7,30 is het niet meer mogelijk, de tekst op basis van vrij kort na
elkaar terugkerende woorden in kleine fragmenten te verdelen. De struktuur
van de keerwoorden is nog wel aan het werk, maar dan zal men een groter
tekstfragment dienen te nemen.
Boven, binnen het kader van de afbakening van de tekst, is gesteld, dat
7,24‑51/52 een grote inclusio vormt. Het eerste “keerwoord”
vanaf 30, grijpen vormt ook een inclusie. Het begin van die
inclusie is 30-32. De afsluiting vindt plaats in 44. Andere keerwoorden binnen dit grote fragment zijn: vertrouwen
(31.38.39), de Christus (41bis.42), niet vinden (34.35.36),
zeggen (40 . 41bis), Hem (43. 44bis),
Jezus (33.37.39).
Alvorens nu, zoals dit in deel 2.4 ”De samenhang van Johannes 7 rond de keerwoorden” gebruikelijk
is, over te gaan tot het aanwijzen van de in dit fragment herhaalde woorden
of woorden welke in het geheel van Johannes 7 voorkomen en in dit fragment,
eerst iets anders.
Het gedeelte 7,30‑44 blijkt geschreven in een goed te herkennen
schema.
7,31-32 Uit
de menigte. Farizeeën. Dienaren.
7,35-36
De mensen van Judea
7,37-39
Jezus
7,40-44
Uit de menigte. Dienaren. Farizeeën.
Vanaf regel 40 zal Jezus niet meer optreden in de tekst. De regels 45‑52
zijn te zien als een uitwerking van 40‑44, in twee gedeelten: 45‑48
over de dienaren en de Farizeeën, en 49‑52, over één van hen. Het
schema geeft een vijfluik. Opmerkelijk daarin is, dat niet 37‑39,
maar 35‑36 in het midden staat. De regels 35‑36 hebben de
mensen van Judea als onderwerp. Zij spreken met elkaar, zijn een en
al vraag naar aanleiding van het door Jezus eerder ingebrachte (33‑34).
Wellicht is het belangrijk, 33‑39 samen te lezen. De volgende
woorden komen in 30‑44 terug. De handen leggen op (30 enkelvoud,
44 meervoud). In 30 lukt het nog niet de hand op hem te leggen, omdat
Zijn uur nog niet gekomen is". In 44 krijgt de lezer geen verklaring.
Dan komen degenen die gezonden zijn om te grijpen terug (45).
Het vertrouwen van velen uit de menigte wordt door de Farizeeën als gemor
geïnterpreteerd. De menigte heeft een plats in 31 en32. Evenzo
verderop, in 40.44. Vers 34 wordt in 36 herhaald. Vers 35 geeft twee keer
optrekken. Zo ook waarheen? Toch niet naar de diaspora
der Grieken?
De tekst over dorst en drinken wordt uitgelegd. Dit zegt Hij over
de Geest. De Geest (39 bis) omgeeft welke zij die
op Hem hun vertrouwen gaan vertrouwen zullen aannemen. De verzen 40‑43
beschrijven het proces dat in de menigte tot een scheiding leidt.
Daarin wordt naar de Schrift (42) verwezen. Jezus noemt in 38
de Schrift. Twee keer geeft de tekst de naam David. Voor zoeken,
zie direct hieronder. Maken (31 bis). Deze (40.41).
Tussen 7,30 en 44 keren een aantal woorden terug die
eerder in Johannes 7 een rol spelen. Als eerste ontmoet de lezer(es)
het woord zoeken. In plaats van zoeken te doden geeft
de tekst nu zoeken te grijpen (1.19.20.25 naast 30). Moet men
uur (30) lezen naast tijd (6bis)? Zoeken
wordt straks in de toekomstige tijd gebruikt. Zullen zoeken en niet
vinden (34.36).
De menigte in 31 telt velen bij wie vertrouwen aanwezig is. Straks zal hen het verwijt van
de Farizeeën treffen (49). De Farizeeën zenden dienaren (32).
Jezus heeft zichzelf in 29 beschreven als iemand die gezonden
wordt. Wordt het zending tegenover zending,
of komt er een onverwacht parallellisme?
Opnieuw geeft de tekst ook heengaan (33). In 7,3 geldt bij de
broers Judea als eindterm. Jezus noemt Degene
die mij zendt (zie ook 18 en 28 over Degene die zendt).
Zoals Jezus zegt (33) zo zeggen zij (35). Menig lezer
zal hetgeen de tekst hier schrijft niet opvatten
als een geheim. Wie de Zender is wordt in de regel bekend verondersteld.
Deze kennis kan niet overbodig maken hetgeen de tekst te lezen geeft.
Wie is Degene die zendt en hoe geeft men Hem gewicht (vgl
18)?
Wat is dit woord (36). Na Jezus’ leren in de synagoge te Kapernaum
spraken de leerlingen over "dit harde woord"(6,60).
Tijdens het midden is het feest (14) genoemd.
Nu is het in 37 de laatste en grote dag van het feest. Jezus
staat en schreeuwt (28.37).
Degenen die vertrouwen, nemen Geest
(39). In 23 neemt de mens de besnijdenis. Wie in vertrouwen naar
hem toe komt zal Geest nemen, maar nog niet. Nog niet is Geest
omdat Jezus, of, zoals men gewoonlijk vertaalt Hij nog niet verheerlijkt
is.
Nu kunnen de mensen alleen horen. Uit de menigte gaan de gehoord
hebbenden (40;zie 32) spreken. In waarheid
(40). Bevestigen zij daarmee
de betrouwbaarheid van de waarachtige die zendt (28)? Het in
waarheid van 40 wil de andere kant op als het in waarheid
van 26, schaart zich vanuit de tekst gezien meer naast waarachtig
(18).
Galilea (41) roept het begin van Johannes 7
(1.9) terug, grijpt ook vooruit naar het einde van de tekst (52bis).
Galilea zou niet kunnen vanwege hetgeen de Schrift zegt (42). Is dit zoals de Schrift zegt
(38)? Het is zeker niet de herkenning van de Schriften. In 15 is
de Schrift aanleiding tot verwondering naar aanleiding van het leren
van Jezus. Hoe kent deze de Schriften.
Als betreft het een keerwoord keert het woord Christus terug
in 41bis 42. In 31 Valt dit woord ook. Het vertolkt hetgeen
de bewoners van Jerusalem vrezen (26).
Overgebleven zijn de Farizeeën. Twee keer noemt de tekst hen in 32.
41. Zij zenden dienaren (32). In het nu volgende fragment komt het effect
van deze zending naar voren. Over de Farizeeën (45.47.48) en
de dienaren (45.46).
2.4.10 Johannes
7,45-52

45. Èlthon oun hoi
huperetai pros tous archiereis kai Farisaious,
kai eipon autois ekeinoi,
Dia ti ouk ègagete auton ?
46. apekrithèsan hoi hupèretai,
Oudepote elalèsen houtoos anthroopos.
47. apekrithèsan oun autois hoi Pharisaioi,
Mè kai humeis peplanèsthe ?
48. mè tis ek toon archontoon episteusen eis auton
è ek toon Pharisaioon ?
49. alla ho ochlos houtos ho mè ginooskoon ton nomon
eparatoi eisin.
50. legei Nikodèmos pros autous,
ho elthoon pros auton to proteron,
heis oon eks autoon,
51. Mè Hosea nomos hèmoon krinei ton anthroopon
ean mè akousei prooton par'autou
kai gnooi
ti poiei ;
52. apekrithèsan kai eipan autooi,
Mè kai su ek tès Galilaias ei ?
Eraunèson
Kai ide
Hoti profètès ek tès Galilaias ouk egeiretai.
Keerwoord: farisaioi,
autoi, auton, apokrinoo / farizeeën, hen, hem (Jezus) antwoorden.
Van 45‑48 is Farizeeën
het keerwoord (45.47.48). In dit gedeelte treft men enkele woorden aan,
welke in het onmiddellijk volgende ook terugkomen. Daartoe zijn er meer
keerwoorden aan te wijzen. Hen (Farizeeën)(45.50bis),
Hem (Jezus)(45.48.50) en antwoorden (46.47.52). Eén
keer mogen de dienaren antwoorden. Twee keer laat de tekst de
Farizeeën onderwerp bij dit werkwoord zijn. (Hij in 51 is niet
Hij in 45.48 en 50.)
Opmerkelijk is de notitie van C.K. Barrett. Hij schrijft dat de verzen
32‑36 een aparte paragraaf vormen. Zij sluiten niet direct aan bij
de voorafgaande verzen. De tekst sluit aan bij 10‑13 en wordt weder
opgenomen in 45. Het ertussen liggende gedeelte 37‑44 is zonder
twijfel bedoeld om een gat in de tijd te overbruggen.
Maar waarom dit alles? Wat wint de tekst ermee? Een betere datering in
de tekst . Barrett schrijft dat
Johannes veel meer betrokken is bij de gedachtegang dan bij het verhaal .
Maar wat is het een anders dan het andere? Zoals de tekst er ligt is het
een goed verhaal.
De bewoners van Jerusalem reageren op 7,24. Wanneer Jezus spreekt over
de noodzaak van een rechtvaardig oordeel begint het grijpen. Dienaren
worden uitgezonden. Zie het schema over het vijfluik, hierboven. Na 7,44
zijn er nog enkele kwesties uit het voorafgaande blijven liggen. Dat betreft
de Farizeeën en de dienaren. De hele aangelegenheid van het oordelen,
drie keer opgezet in 24 en terug opgenomen in 51 wordt 44 tot 50 uitgewerkt.
Binnen het fragment keren allereerst de dienaren terug (45.46 zie
32). Zij spreken over een mens (46). Nicodemus geeft aan, hoe de
Tora de mens oordeelt (51). De mens noemt Johannes 7 in 22 en 23 bis.
Ook de Tora wordt in de afsluiting genoemd, in 49 en 51. Eerder is het
woord te vinden in 19 bis en 23.
Volgend de woordvoerders zijn de dienaren gezien hun uitspraak misleid
(47). In 7,12 is dezelfde uitspraak ook al over Jezus gedaan. De oversten
(49) worden ook in 26 genoemd, bij het toch niet van de bewoners
van Jerusalem. Kennen (49 en 51). Zie ook 17.26 en 27. Horen
is na 32 en 40 nu in 51 te vinden. Oordelen (51) komt buiten
dit fragment in 7,24 voor.
Over de menigte wordt als laatste woord in Johannes
7 een veroordeling (49) uitgesproken. Gezien de plaats in de tekst
speelt de menigte in Johannes 7 een niet geringe rol. Zij fungeren
in de inleiding en afsluiting
(12bis.20.31.32.40.43.49).
De uitspraak van Nicodemus wordt in de tekst negatief ontvangen. Galilea
dient daartoe( 52bis). Vanaf het begin van Johannes 7 is deze
streek in de tekst aanwezig (1.9.41).
Het fragment opent in 45 met het komen van de dienaren. Van Nicodemus
wordt in een toevoeging in de tekst gezegd, dat hij eerder naar Jezus
kwam (50). Hetzelfde komen speelt
in 37. Daarnaast komt het woord in Johannes 7 vaker voor. Wanneer
de Christus komt (27.31),
toch niet uit Galilea (41) maar uit Bethlehem
(42), waar Ik ben kunnen jullie niet komen(34.36) en Ik
ben niet uit mezelf gekomen (28). Nog niet zijn uur gekomen (30).
De dienaren komen en zeggen (45). De Farizeeën antwoorden
en zeggen hem (Nicodemus, v.52). Hetzelfde woord geeft de
tekst in: 3.9.16.21. 33.35.36.38.39.42. (eipon eipen
eipoon eipan). Het woord dat het spreken van Nicodemus inleidt
(legei) vindt men in de verschillende vormen
van het werkwoord in 6.11. 12. 15. 25. 26. 28. 31. 37. 40. 41. Het derde
woord voor spreken in de tekst is lalein:
46. Het manuscript P 66 27 noteert het woord
twee keer. Nog nooit heeft een mens gesproken zoals deze mens gesproken
heeft. In Johannes 7 staat het verder in 13.17. 18. 26.
Het laatste woord na 45 dat Johannes 7 eerder gegeven heeft is Zie.
Men vindt het in 52 en 26, beide keren met
een afwijzende tendens.
2.5 Afsluiting van de introductie
Conclusion of the introduction
De afbakening van Johannes 7 is een hachelijke onderneming.
Het is de kunst vooralsnog af te zien van de betekenissen. Pas wanneer
men de tekst gaat zeven aan de hand van de woorden die er staan en ziet
hoe zij binnen de beperkte ruimte van de tekst geplaatst zijn, pas dan
tekent zich een (literaire) samenhang af.
De volgorde van de woorden is niet alleen toevallig. Zij is feitelijk.
In de feitelijke tekst tekent zich een samenhang af, gebaseerd op de
woorden. Pas daarna kan men proberen de gegevens te oogsten, de tekst
te lezen.
De nu geschapen afstand en nabijheid waarin de tekst als een ander mag zijn kan zoiets
als een eerste overzicht tot stand brengen. De samenhang van het geheel
en het bij elkaar horen van de delen gaat zich als een werkhypothese
aftekenen. De hypothese is houdbaar wanneer de tekst meer leesbaar wordt.
De woorden in een zekere samenhang van zinnen en delen maken zichtbaar
waarvan de tekst taal en teken is. Het meest uitwendige van de tekst,
de woorden die geschreven staan met de spaties ertussen en het wit eromheen,
is ook het inwendige van de tekst, zijn zin en samenhang. Deze is te
lezen, of niet.
Bij het lezen en herlezen en steeds maar weer opnieuw
lezen, door de tekst al schrijvend steeds opnieuw weer de ruimte te
geven gaat zich langzaam een patroon aftekenen. Het bekende patroon
van de herhaling tekent zich af, brengt groepen woorden bijeen tot grotere
en kleinere gehelen. Opeens wordt duidelijk, dat er een serie woorden
zijn welke, zeker van 7,1-24, in een drievoudige herhaling elkaar opvolgen,
bijna heel de tekst meenemend. Deze regelmaat die men kan weten, deze
wetmatigheid blijkt vanaf 6,59 aan het werk. Ook na 7,24 is dit
het geval, al is de fijne struktuur van enkele regels dan grover geworden.
Aldus geeft de tekst zijn eigen samenhang en afbakening aan. De verzen
6,60-71 (voorafgaand aan Johannes 7,1) kan men zien als reactie op het
voorafgaande. Tegelijk zijn zij voorwoord voor het proces dat in Johannes
7 het geheel van de tekst bepaalt, de dreigende en feitelijke veroordeling
van Jezus. Zichzelf verdedigt Hij niet. Het
gaat om Degene die Mij zendt, het zoeken van Diens gewicht
en wat daar het gevolg van is (18). Daarbij wordt duidelijk, dat dit
geen exclusief gebeuren is. Zie daartoe: wie het gewicht zoekt van
degene die hem zendt 7,7 en16. De lezing in deze tekst opteert voor
7,1 als verantwoord begin voor het lezen van de tekst.
In het midden van Johannes 7 vindt men de spil van de tekst. Oordeelt
niet op zicht, maar oordeelt het rechtvaardige oordeel (24). Een
oordeel dat vooraf reeds lijkt vast te staan, hoe kan dat rechtvaardig
zijn. Niets van de dreiging die vanaf het begin Johannes 7 beheerst
wordt na 24 teruggenomen. Nicodemus blijken
er de uitzondering. Hij geeft aan, hoe men volgens de Tora dient te
oordelen.
Na de openingszin als schildering van de situatie presenteert de tekst
Zijn broers. Zij dringen er bij Hem op aan, naar Jerusalem te
gaan. Dan kunnen Zijn leerlingen de werken zien welke Hij doet. De broers
hebben geen vertrouwen. Oordeelt niet op zicht, maar oordeelt het
rechtvaardige oordeel. Nicodemus (51)
zegt Horen van de kant van Hem en kennen wat hij doet. Aldus
is Johannes 7 als een verhaal te lezen. Een volgende pagina zal Johannes
7 proberen in de hierboven beschreven samenhangende struktuur te lezen.
Hoofdstuk 3
|