4.Ten slotte

terug naar basisplan 1, basisplan 2 of basisplan 3

leren en kennen
buiten en binnen
plaatsen en present
lichaam en taal
grenzen
verhalen

printversie

Bovenstaande geeft een schets, een weg. Daarin schuilt een optiek. Op deze wijze raak je enigermate thuis in de oorsprong van onze traditie met haar cultuur, ook het vertrouwen dat wij doorgaans geloven noemen, en leer je wat jou als onderwijsgevende mogelijkheden biedt. Een leerproces met de naam katechese moet ook met enkele lijnen omschreven kunnen worden. Wat is de samenhang van het geheel? Enkele kenmerkende woorden zullen uit het geheel gelicht worden. Zij maken een weg zichtbaar, een traject, een procedure

Leren en kennen

Leren, studeren, wat is dat eigenlijk? Wat is denken of weten? Wat is kennis? Wat gebeurt er wanneer je iets weet? Wat is dat iets dat je weet? Wat doe ik, actief, wanneer ik denk en wat is actief? Heeft actief ook te maken met receptie en receptiviteit? Heeft het ook kenmerken van iets dat ín mij, zelfs ondanks mij en tegen mijn zin/wil in, aan het werk[1] is?

Ik ken iets, ik heb mij iets eigen gemaakt. Maar wat is eigen en wat is kennis? Is het eigene dat wat niet meer vreemd is? Dan is het eigene het vertrouwde, het bekende. Is het eigene dan het andere dat ik nu bezit. Is het eigene het oorspronkelijk niet-eigene? Maar wat is eigen dan? En kennis: is kennis zoiets als een archief, en massief, complex, onoverzichtelijk organisme voor de buitenstaander, maar volstrekt logisch, bekende grond en heldere structuur voor wie daar thuis is. Is kennis een bekende setting voor wie zich dagelijks aan de hand van een vertrouwde choreografie over het podium beweegt?

 

   Wat je kent of weet, zijn dat ken- of weet-dingen, gestalten of schijngestalten, zoiets als spoken in je hoofd, voorstellingen, maar dan zogenoemd werkelijk, als weergave van de echte werkelijkheid, buiten mij? Tekstballonnetjes in een strip, luchtbellen, lichte formaties[2] of heldere plekken in je hoofd, waar je de weg[3] wel weet. Hoe kun je kennis opslaan, bewaren, activeren. Hoe bewerk of verwerk, verwerf ik kennis? Vastleggen, annoteren, oproepen, hoe doe je dat? Hoe maakt je aantekeningenof verwijzingen bij wat je kent? Hoe kun je kennis delen en/of reproduceren? Nogmaals: wat is kennis? Is het vertrouwd zijn met? Maar wat is dat en wat heeft trouw hier met betekenis te maken – uit te staan?

Buiten en binnen

Oorspronkelijk ben je wellicht geneigd, antwoorden op al die vragen rond leren en kennen te zoeken in de richting van automatiseren[4] of memoriseren[5]. Zo heb je de eerste dingen geleerd. Je moet dan vaak herhalen[6] of jezelf inprenten, van buiten leren. Blijkbaar zijn er dingen buiten je, of heb je die niet ín je. Wat buiten is moet je naar binnen zien te krijgen en binnen zien te houden. In deze wijze van spreken ziet het ik zichzelf als een binnen[7], of als een iets dat binnen is, zich binnen[8] afspeelt. Het ik is dan iets ín het lichaam als de astronaut in een capsule of ruimtepak. Iemand zegt: Diep in mij(n binnenste), voel ik… Niemand vraagt zich af waar de spreker van dergelijke woorden het over heeft of hoe diep dat binnenste dan wel is. Hoe bijvoorbeeld is de ruimte verdeeld? Heb je nog plaats voor … ?

 

Plaatsen en present

Begrijpen heeft te maken met in de buurt komen van of herkennen en kunnen volgen. Ik begrijp, ik vat, ik kan nadoen, ik kan herhalen, ik heb. Het is nu bij mij. Ik heb het present, kan het aanwijzen. Het andere, dat wat ik ken, is mij niet vreemd, ik herken het, weet het. Daarmee komen woorden als present en derhalve ook presenteren dichterbij, maar ook een onderschat woord als plaats[9] bijvoorbeeld.

   Ik begrijp of herken iets: ik kan het plaatsen. In iets dat iemand mij vertelt kan ik mij verplaatsen. Ik kan er ín komen. Voor iets dat ik begrijp, dat ik ken, dat mij lief is bijvoorbeeld of vertrouwd, eigen, heb ik een plek, eventueel zelfs een zwak. Iets dat van mij is hoort bij mij. Bij mij is het op zijn plek. Ik ben de plaats van die verscheidenheid. Ik ben present, aanwezig. Ik als het middelpunt[10], nominatief.

Ik kan beschikken over, plaatsen, overzien, verschuiven, ordenen, uitstellen, laten liggen. Ik heb plaats en alles – nou ja, alles! – vindt bij mij plaats. Zo ontstaat de ruimte, multidimensionaal, rondom het ik – een kleuter in zijn of haar speelhoek.

Lichaam en taal

Naast mijn lichaam is ook de taal voor mij een plaats. Die taal is geen instrument, ding, voorwerp of apparaat. Mijn spreken, nog nauwelijks kunnende spreken, is volop in beweging, groeit en ontwikkelt zich. De taal laat mij het andere zien, doet mij, nu ik er woorden voor heb, het nog niet opgemerkte opmerken. Het tot nu toe voor mij (nog) niet zijnde blijkt er te zijn. De gevoeligheid van het spreken vergroot en verfijnt mijn eigenheid, leert mij beter kijken. Door mijn spreken vindt een soort onteigening, uittocht plaats: ik verlaat mijnoude posities en deel (me) mee. Ik zie dat het andere nog meer het andere[11] is.

   Natuurlijk is het ik de eerste persoon. Ik tref aan, zie alles óm mij heen, de wereld van de dingen en de mensen. Ik tref aan. Maar zo tref ik ook mezelf aan, kom ik mezelf tegen. Er zal enige tijd verstrijken voordat een kind[12] in staat is zichzelf op te merken als afgescheiden[13] van het andere, uitzondering, eerste persoon. Wanneer ik mezelf signaleer, zeg ik: Hier ben ik[14]. Waarschijnlijk is dat het ik van: Zie je mij dan niet?. Dat ik is grammaticaal accusatief, vierde naamval, lijdend voorwerp. Ik heb dan niet meer het eerste woord. Mijn woord blijkt antwoord. De ander[15] is de eerste, laat mij niet met rust[16].  Ook inspiratie is de stem van de ander. Spiritus, geest. De geest kent vele gestalten tussen drift en respect. Zichzelf (kunnen) zijn[17] is een groot item. Blijkbaar komt daar veel los en wil ik er een beetje zijn, present zijn.

   De taal is niet een magazijn fonemen, morfemen en lexemen, beschikbaar voor wie zoekt, ze leert hanteren en er gebruik van maakt. Taal, het kunnen spreken, is niet iets buiten mij. De taal raakt mijn binnenste, maakt er de kern van uit. Want ik ben – al lang en vaak besproken - geboren in een wereld van taal. De taal vertaalt mijn verhouding met de anderen te midden van wie ik er (eigenlijk opeens) blijk te zijn. Anderen maken nolens volens plaats[18] voor mij. De dingen krijgen betekenis en waarde. Ze hebben een plaats om mij heen, in mij. Die wereld om mij heen en in mij, wordt groter. Naast mensen en dingen zijn er ook niet-zichtbare, niet-materiële dingen. Het geheugen[19]: vermoedens, ideeën, beelden, suggesties, verwachting, herinneringen, gevoeligheden, stemming en overtuigd zijn van of gevoel krijgen voor. Het zijn (eventueel sluimerende) taalachtige gegevens, strukturen, samenhangen, al dan niet uitgesproken, invoelbaar. Zodra je over deze dingen te spreken komt, sluit je aan bij het potentieel van degene met wie je spreekt, deze concrete ander, reken je op haar of zijn verstaan[20] en boor je eigen mogelijkheden aan. Een oogopslag is dan een heel verhaal – ook wanneer het snel verteld kan zijn. Gebaar en taal blijken een soort PTT[21], een systeem van zenden, doorgeven, ontvangen en (de)coderen. Gevoeligheid is het hebben van een antenne voor, of het ontwikkelen daarvan. Het gaat over connecties die je met de de meest onwaarschijnlijke en ondenkbare[22] wijzen verbinden met een andere tijd en ruimte. Taal brengt mensen over alle grenzen heen samen of jaagt hen uiteen.

Grenzen

De mogelijkheden van het lichaam zijn in eerste instantie beperkt. Het zou beter anders, en anders beter kunnen. Zo wordt de stok gevonden om de hond te slaan en kan degene die de schoen past hem aantrekken. Instrumenten vergroten de mogelijkheden van het lichaam. Ook de taal is vooralsnog beperkt. Zij blijkt veelvormig. De taal thuis houdt op bij de deur, ontmoet de taal op straat, op school. Andere talen blijken open te kunnen gaan, toegankelijk te zijn, gemeenschappen, technieken en werelden toegankelijk te maken. De taal waarin anderen hun ervaring vertalen blijkt ook het nog naamloze in mij te kunnen benoemen. Het delen is begonnen, collegialiteit of samenleving. Mijn wereld wordt groter, mijn vaardigheden meer aangepast en aan te passen, flexibel. Ervaring is een heel eigen verhaal[23]. Zo ook bekwaamheid, inzicht.

   Beperkingen en grenzen zijn evenzeer verbindingen. Zelfs tegengestelde zaken sluiten op elkaar aan, blijken verwant, elkaars buren[24]. Tegenstelling, parallellisme, overeenkomsten, variatie, omkering, vergroting, verkleining, associatie – alle audiovisuele technieken maken een aanpak en ordening mogelijkheid en zichtbaar die kenmerkend is voor een wereld van verhalen en beelden. Verhalen en beelden zijn dan geen lappendeken of pakketten die je of wel of niet neemt. Ze zijn materiaal, ze roepen op, wijzen door en aan. Verhalen en beelden kunnen bekeken worden, besproken, vertaald, gespeeld, geprobeerd. Zo kan het vlees van ons lichaam ook woord worden, gebaar en taal. Vindt herkenning plaats, dan is er iets nieuws geboren of gebeurd, iets wat er voordien niet was. Een stap verder is misschien gezet – of een stap terug is beter.

Verhalen

Geloven is een wereld van verhalen en taal, van toezegging en vermoeden[25], van verantwoordelijkheid en leren kiezen. In vrijheid en blijheid is geloven[26] gericht op het mondig worden van de mens bij de keuzen die zij of hij moet maken. De kerkelijke liturgie weet zich na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-65) verplicht de Bijbelse literatuur meer systematisch[27] aan de orde te stellen. Zij, de kerk – ook als school kun je kerk[28] zijn, -  leeft van die verhalen. Het breken van het brood[29] is het openen van de ogen. Pas dan worden verhalen leesbaar, versta je in de dingen die gezegd worden degene die spreekt.

   Zeker bij een groot verhaal gaat het er om te beginnen om, dat je hoofdplaatsen[30] leert kennen. Tussen de hoofdplaatsen lopen vaak verbindingslijnen, hoofdwegen, vaak tussen wijken in. Zo wordt een stad toegankelijk als een plattegrond. Een oude stad met zijn bizarre kronkelingen[31] en zijstraatjes, blijkt dan vaak meer eigen en heeft meer blanco’s, biedt meer mogelijkheden, verblijf- en schuilplaatsen dan de anonieme, neutrale, rationele indeling van de tot voor kort moderne stad of wijk. 

           

Katechese, op verhalen komen en met verhalen meegaan, je mee laten nemen, leren kijken en vragen stellen, leren lezen, leren spreken en meespreken. Je weg laten roepen uit de status quo en op weg gaan, het onbekende, het nog niet gekende, de absolute toekomst (uiteindelijk volstrekt onvoorbereid) tegemoet gaan. Ophouden de tijd stil te leggen met bezwerende rituelen als: het is altijd zo geweest, het zal altijd zo blijven, er is niets nieuws onder de zon. Die strategie is gebaseerd op de ontkenning van het leven zelf, van wat ons bestaan als tijd eigen is. Het ik op zoek naar zijn welbehagen[32] hoeft niet het deprimerende van een slavendrijvende pharao te zijn, enkel groot door zeer ondergeschikte onderdanen, alsmaar zichzelf reproducerende tautologie (met alsmaar meer van hetzelfde). Lezen, horen, je laten roepen, je plaats verlaten voor wat over de horizon van het vermoeden gaandeweg dichterbij komt. Veelbelovend land, veelbelovend leven. Het andere is echt mogelijk. Je kunt gehoor geven aan de stem, je weg laten roepen, weggaan[33], opnieuw beginnen en nu echt.

   Maar wie wijst bij al die mogelijkheden de weg? Je zou kunnen zeggen: de tekst is de leraar. Het zou ook het samen lezen kunnen zijn. Samen lezen om op te sporen welk manco of welk perspectief in dit wat te lezen/horen aangeboden wordt, wat de mogelijkheid biedt, heden[34] te zijn, te worden. Door de woorden, beelden, verhalen kun je leren vergelijken. Niet alles is hetzelfde. Je merkt op, gaat beter kijken, luisteren, spreken, over en tot wat of wie zich aandient. De plak van het verleden eraf (laten) halen[35], weer je tanden als nieuw proeven en opnieuw proeven, verkennen of tot je nemen. Vanaf nu is alles anders wanneer je de zaken een beetje bij houdt.

   Vaak in de verhalen onderweg zal het gaan over details. Bijzaken worden even hoofdzaken, ook om de vaart van het automatisch over alles heen lezen tot stoppen te dwingen, tot opnieuw je beraden op. In het oponthoud ontstaat de vraag, in de stilte valt een woord, een antwoord. Soms zit het in het overdrevene, het onwaarschijnlijke, het herhaalde. Alleen in wat eigenlijk niet kan zijn, woorden vinden voor wat eigenlijk niet zou kunnen. Steeds ook blijken de woorden niet uitgeput[36]. Oude woorden blijken zo goed als nieuw wanneer je het proces[37] herkent, meemaakt, leert kennen. In de leegte, op weg naar wat nog niet is, gaan woorden[38] en verhalen spreken, wordt het bestaan(de) leesbaar, de mens opnieuw, als nieuw, geschapen. Steeds verdubbelt het heden zich. Aangesproken kijk ik op. Ik? – een vraagteken. Daarover gaat het in alle verhalen die je behandelen als tweede persoon van het persoonlijk voornaamwoord en je verantwoordelijkheid laten beginnen.

 

Vanaf het begin is het duidelijk: de mens is geschapen naar Gods beeld, op hem gelijkend. Maar wat is dat? Alle verhalen[39] proberen dat[40] ter sprake te brengen. De eerste die dit voor kinderen op de basisschool vertolkt is de onderwijsgevende. Z/hij is de eerste stem, de eerste oogopslag, de eerste bemoediging ook – wellicht gehoorzaam aan het appel dat van de kinderen uitgaat, wellicht gehoorzaam ook aan de weg die de onderwijsgevende zelf gevonden heeft aan de hand van de verhalen die vertellen wat van al zo hoge hier op deze aarde geschiedt. De onderwijsgevende brengt in de katechese de wereld van de kinderen en van deze verhalen ter sprake. De bedoeling is het, samen met de kinderen zaken te leren als: het is goed, als mens leven op aarde onder de hemel van deze verhalen en onderweg elkaar te vinden.

 

terug naar titelpagina BASISPLAN 2000
titelblad webside

  

foto's jen


[1]

Zoals een liedje in mijn hoofd: het blijft maar zingen. Ergens is het blijven haken en nu bepaalt het als voortdurende ruis mijn doen en laten.

[2]

Jacques Derrida(, La pharmacie de Platon, in La dissémination, Parijs 1972, p 69-197) wijst bij de beschrijving van teksten van Plato op de zich substituerende reeksen (logos-vader; logos-zoon; de vader, het goede, het hoofd (chef), het bezit; de vader, de zon, het bezit; de koning, de vader, de zon, het woord, a.w., p.91. 93. 102,193. In Spectres de Marx, (Parijs 1993) vindt men: fantoom, spook-beeld, dat wat steeds terugkeert (p.146), phantasma, de geest van … (199). Met There is something rotten in Danmark van Hamlet zet Shakespeare zijn gelijknamig drama in werking. Hamlet wordt gedreven door de geest van zijn vader.  Zie Michel de Certeau, Lacan: an act of speech, in Heterologies, Discourses on the Other, Mineapolis, University of Minnosota Press, 19975, p. 57.

[3]

In het Duits kun je dan zeggen: Ich kenne mich aus. 

[4]

Je weet vanzelf, dat 7 keer 7 49 is. Een chauffeur weet vanzelf hoe dat werkt met koppeling indrukken of loslaten, remmen en/of gas geven. Bij je eerste rijlessen moet je overal aan denken.

[5]

Wat je nog moet leren (het andere), moet nog; wat je geleerd hebt weet je, is gewoon (het eigene) geworden.

[6]

Denk bijvoorbeeld aan hoe kinderen leren te rekenen of schrijven.

[7]

Immanent (tegenover transcendent), interieur (tegenover exterieur). Intimiteit schijnt geen tegenover te hebben. Persoonlijk wel, privé ook.

[8]

Hier komt waarschijnlijk ook de voorstelling vandaan, dat het lichaam een soort huis is. Zie Job 4,19:…degenen die in lemen hutten wonen. Zie de context. Het gaat hier niet over: sommigen wonen in stenen huizen, anderen in huizen van hout en weer anderen in huizen van klei. Met lemen hut wordt bedoeld: het lichaam, vroeger ook bijvoorbeeld het stoffelijke omhulsel genoemd. Bij grote rampen met veel dodelijke slachtoffers blijkt de journalistiek (dus ook wij) niet goed te weten, hoe men de lichamen van gestorven mensen moet noemen. Het typische van het lichaam blijkt, dat het leeft. Een dood lichaam blijkt een contradictio in terminis.

Tot ver in de twintigste eeuw nog is het lichaam wat je kunt zien. De ziel is het onzichtbare, het eigenlijke van de mens. Zo ontstaat het dualisme: de mens is twee-eenheid. In het verleden gaat het lichaam ook het liefst zijn eigen gang. Ik moet mijn lichaam onder controle zien te krijgen. De zindelijkheidstraining is een beetje het model voor ieder vorm van cultuur – redelijk natuurbedwang. De rede, de ratio, bedwingt de natuur met zijn neigingen (die kruipen willen waar men niet kan gaan). Het eigenlijke leven is het geestelijk leven, het leven van de ziel, het onzichtbare ik. Maar je mag vragen, wat in dergelijke taal ter sprake komt. Wat is die ziel, wat is dat eigenlijk onzichtbare ik? 

[9]

Descartes (1596-1650) is de filosoof van de methodische twijfel. Regelmatig blijkt dat ik mij vergis. Kan ik wel ergens zeker van zijn. Of ik mij vergis of niet vergis, in ieder geval: ik denk. Dus: ik ben. Daarmee eindigen de middeleeuwen en begint de moderne tijd. Het ‘moderne ik’ is geboren. Ik ben omdat ik denk, zolang ik denk. Wanneer ik ophoud met denken ben ik ook niet meer. Ook wanneer ik geen lichaam zou hebben, wanneer ik zou denken zou ik bestaan. Ik ben dus eigenlijk een denkend wezen. Dat denkende wezen is mijn geest of ziel: res cogitans. Het denken is de grondeigenschap van de geest. De uitgebreidheid of ruimtelijkheid (res extensa) is eigenschap van de materie, de stof of het lichaam. Ruimte of plaats kan dan geen begrip meer zijn voor de eigenlijke mens.

(De mens is dan de wonderlijke onmogelijkheid. De eenheid van lichaam en geest is enkel uiterlijk. Hun combinatie is alleen bij de mens noodzakelijk. Het wezen van de mens is de ziel. Volgens Descartes is de ziel geplaatst in de pijnappelklier, onder de kleine hersenen. Je merkt: zo gezien is het lichaam op zijn best broeder ezel of schone schijn.)

[10]

...het bijzonder unieke, autochtone ik. Emmanuel Levinas, Totalité et Infini, Den Haag: Nijhoff, 1968, (p. 9).. Niets wordt ik genoemd; ik wordt gezegd door degene die spreekt. Emmanuel Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence, Den Haag, 1974, p.72. Het ik is afgescheiden van het andere. Dit afgescheiden zijn ervaart het niet als kwaad. Het afgescheiden zijn is het geluk. Egoïsme is je gelukkig voelen. In dat genieten identificeert het ik zich door alle verschillen heen met zichzelf. … Zijn is genieten. Gerard Bailhache, Le Sujet chez Emmanuel Levinas, Parijs: PUF 1994, p.75.

[11]

Het andere is niet het niet-ik. In het andere als niet-ik ben ik nog steeds de maat van het andere. Het andere is evenwel steeds exterieur, diachroon, valt buiten mijn hier en nu, buiten mijn archè (het ik als beginsel, principe van zijn/haar wereld). De ander is steeds transcendent. Tussen de ander en mij is er steeds de onoverbrugbare afstand. Die overbrugging is de taal, het kunnen spreken. Ook verhalen zijn bij wijze van spreken. Alleen in zoiets als taal vindt ik plaats. Volgens Levinas is mijn plaats altijd vóór de ander, voor wiens aangezicht ik sta. Die ander kun jij zijn, kan ieder zijn die aangesproken wordt, maar ook voor wiens aangezicht ik sta. Zie Elia in 1Koningen 17,1. 

[12]

Van ik heeft dorst naar ik heb dorst speelt zich niet enkel een grammaticaal ontwaken af.

[13]

Ik zijn, van God los, bij zichzelf, afgescheiden, gelukkig, geschapen – dat zijn synoniemen. Levinas, TI, p.121.

[14]

In het Frans: Me voici. Zo presenteert ook Abraham zich wanneer de tijd van zijn toetsing gekomen is (Genesis 22). Ook Mozes. Hij krijgt dan de opdracht de stappen te zetten die de pharao zullen gaan dwingen het volk te laten beginnen met het lange werk van de bevrijding (Exodus 3).  

[15]

Dit kan ieder ander zijn: mijn vader of mijn moeder, broer, zus, vriendin, vriend, collega of jaargenoot. Ook mijn praktijkklas, de stem van de ander die mijn inspiratie is, zelfs mijn verleden. Zie eventueel Genesis 32,22-32: het gevecht in de nacht, wanneer Jacob het lied probeert: Schipper mag ik overvaren, en hij de schipper of schepper tegenkomt en zijn geschipper definitief is afgelopen en hij – gegeven de zon – voor de dag komt, hinkend, een verhaal rijker en in staat tot broederschap. (Genesis 32-33))

[16]

Rust is niet een toestand die wij op de eerste plaats aan mensen die gestorven zijn als zinvol dienen toe te wensen. Wellicht hoort een beetje rust allereerst bij levenden thuis. Vgl. Ruth 1,9 Jozua 1,13.15, Psalm 23,2.

[17]

Is identificatie herkenning of miskenning? Terugbrengen naar het reeds gekende is misschien een manier om het onbekende te vermijden. Gerard Bailhache, Le Sujet chez Emmanuel Levinas, Parijs: PUF 1994, p. 53.

[18]

Zo maak ook ik plaats voor de ander, of ik dat wil of niet. Ongewild getuig ik van mijn smaak van leven, voor mijzelf en dus ook voor de ander.

  Die plaats kan ook – denk aan de uitgesproken wensen bij sommige krachttermen- de niet plaats zijn. Onderwijs zou wel eens kunnen zijn: plaats bieden aan. Gastvrijheid zou een term in de pedagogiek en didactiek als systematische reflectie op een praktijk dienen te zijn

[19]

Zie mémoire in Michel de Certeau, L’invention du quotidien I, Arts de faire, hoofdstuk vi, Le temps des histoires. 

[20]

Wanneer een ontmoeting het karakter krijgt van zoiets als een tentamen, dan kan er van ontmoeting geen sprake zijn.

[21]

In het begin, in principe, was de post, en ik zal mij daar nooit mee troosten. Maar uiteindelijk weet ik, heb ik er kennis van genomen als van een noodstop: het was geredigeerd, overeenkomstig alle codes, alle genres, alle mogelijke talen, als een liefdesverklaring. In het begin was er de post, zal John zeggen, of Shuan, of Tristan, en dat begint als een verklaring zonder adres – uiteindelijk is de richting daarvan niet te bepalen. Je weet niet waar het aankomt, mijn lieve bestemming …Jacques Derrida, LA CARTE POSTALE, de Socrate à Freud et au-delà, Parijs 1980, p 34.

[22]

Het voorvoegsel on- in de tekst dien je te lezen als nog niet. Mogelijkheid spreekt zich uit over het mogelijke wanneer ik recht van meten heb. Vgl de mens als maat van de dingen.

[23]

Let op de impact van woord, beeld en geluid in de media. Uitgebreid en voortdurend spelen het suggestieve en de notie van authenticiteit, vormen van narrativiteit, een overheersende of beslissende rol. De narrativiteit is een onderschatte tactiek van de rationaliteit. Zij relativeert de pretenties van de kennis en de ratio, het beheersen, ten gunste van de creativiteit, de vaardigheid die blijkt in het omgaan met het andere als het andere. Zij is prudent, sociaal vaardig. Gastvrijheid blijkt hier een authentieke wijze van bestaan. Zie het geciteerde hoofdstuk in noot 152, met name p. 134.

Kennis is plaats gebonden: het in kaart kunnen brengen, het beheersen, het thuis zijn. Creativiteit, narrativiteit hoort bij de beleving van de tijd. Uitkomsten staan hier nooit vast. Het ogenblik is aan het werk in tijd en duur, voorlopig absoluut.

[24]

Men kent de oude – maar wat heet hier oud? – christelijke ideeën over hemel en hel. De afstand van leven naar dood is dan overbrugd, een afscheid van het leven dat bitter definitief blijkt, een verandering van plaats en wisseling van decor die blijkbaar niet ongedaan gemaakt kunnen worden. Tegen die achtergrond klinkt de vertrouwde nabijheid van hemel en aarde dank zij Gods scheppend begin onwaarschijnlijk. Waar wij afstand kennen (hemel en aarde) reikt Ps 115,16 nabijheid aan: De hemel is de hemel van God, de aarde heeft hij aan de kinderen van de mensen gegeven. Ze zijn elkaar even nabij als op een schaakbord wit en zwart.

[25]

Waarom gesluierde woorden als toezegging en vermoeden? Waarom niet feiten? Waarom niet waarheden? Tegen waarheid zou, mits goed verstaan, geen bezwaar zijn. Goed verstaan, bijbels verstaan, betekent waarheid een daad van genegenheid. Waarheid maakt in de Schrift de genegenheid – vrij algemeen gesubstantialiseerd door het woord genade als vertaling – concreet, geeft haar handen en voeten, tastbaarheid en toegankelijkheid.

  Geloven gaat niet over feiten. Buiten interpretaties om zijn feiten (dogmatiek, moraal) dode letters, zonder betekenis, als uitslagen van een medisch laboratorium terwijl ik geen notie heb van de betekenis van de afkortingen of de aangegeven waarden in cijfers. Daarom hoort katechese essentieel bij geloven, vieren en gemeenschap. Elke uitspraak in de wereld en taal van bijbels geloven dient uitgelegd, of beter, toegankelijk gemaakt te worden. Inleiden in de wereld van deze verhalen en in alles wat daarin ter sprake komt. Uitleg is uitleg, zodra de ander minstens enigermate verstaat wat er gezegd wordt zodat het boek een beetje verder open gaat en zelf het woord kan nemen.

Geloven is transcendent. Het gaat over de grenzen van mijn mogelijkheden heen. Wanneer ik geloof gebeuren er van mij uit onmogelijke dingen. Mijn vermogen, wat ik vermag, waartoe ik in staat ben, wordt overschreden. Feiten, en in die (oude) zin ook waarheden kan ik verifiëren. Ik kan ervoor instaan en zeggen: het is waar. Zo kan ik ook geloven. Ik kan zeggen: ik houd van jou. Maar de tijd zal leren wat dat voor mij betekent en hoe waar het is.

  Wanneer geloofsleer een geheime leer is, alleen voor ingewijden, dan zijn er geheime bedoelingen aan het werk en wordt een ander doel gediend dan dienst aan de openbaring. Dan wordt er onderscheid gemaakt tussen mensen die er wel en niet bij horen. Waarom? Dan wordt er afhankelijkheid geschapen – terwijl schepping, getuige het verhaal van de zeven dagen uit is op vrijheid, op laten zijn. Bij geloven hoort steeds een ruis, op een of andere manier klinkt mijn verstaan, min of meer op de achtergrond mee, mijn getuigenis, mijn weergave van wat ik hoor (vgl de hoofdtekst binnen de joodse traditie: Hoor Jisraeel, Adonaj is onze God, Adonaj is één – Deut 6,4. Het horen maakt de hoorder tot Jisraeel, Israël. Geloven, houden van, is altijd een vorm van interpreteren.

  Geloven als kennen, weten van feiten, waarheden, - ik weet het niet zeker, maar ik geloof - legt de nadruk op het ik. Je ziet dat aan de hoeveelheid woorden in de voorafgaande, korte tussenzin. Ik geloof, ik ken, ik weet. In de geschiedenis van het geloven is het evenwel nu precies het merkwaardige, dat ik voorkom in het verhaal van anderen, van God bijvoorbeeld, of van mensen die ook in die verhalen thuis blijken, een plaats vinden, zich herkennen. Ik geloof gaat niet over de kwaliteit van mijn kennen, maar over mijn gekend zijn, gekozen, - overleven in het verband van het verbond en daarmee een plaats, een verantwoordelijkheid meer hebben. 

[26]

In de film Shadowlands wordt opgemerkt, dat het niet de bedoeling van bidden is, God te veranderen. Bidden, zegt iemand (D.C.Lewis), heeft als bedoeling om de mens te veranderen.

Verdere toelichting: Wie het Onze Vader bidt, zegt de woorden van Jezus na, geeft zijn/haar stem aan zijn woorden. Bidden leert je dus bijvoorbeeld om te doen als hij.

[27]

Het kerkelijke jaar duurt van de eerste zondag van de Advent (4 weken voor Kerstmis) tot de zondag voor de eerste zondag van het volgende kerkelijke jaar.In 2002 begint eind november een A-jaar. Ieder kerkelijk jaar volgt de kerk de lezingen die aangegeven worden door het lezingenrooster. Het leesrooster (1ste en in de regel 2e lezing tijdens de zondagse eucharistie-viering) duurt in totaal 3 jaar. Daarom heeft elk jaar als toevoeging, dat het een a, b of c jaar is. Tijdens een a-jaar is de evangelie-lezing uit Mattheüs, tijdens het b-jaar Markus en in een c-jaar Lukas. Grof gezegd van Pasen tot Pinksteren wordt gelezen uit het evangelie van Johannes.

  De evangelie-lezing is in de regel de tweede lezing. Hierbij een een passend gedeelte gezocht uit het zogenoemde oude of eerste testament. Je zult hier dus vaak thematisch of andere verwantschap vinden. (Vaak worden bij deze thematiek ook liederen gezocht en (voor-)gebeden geformuleerd. Er zijn ook standaard-teksten beschikbaar.)

  De lezingen uit het evangelie lopen min of meer door. (Officieel heeft iedere zondag 3 lezingen. Tussen de eerste en de evangelie-lezing is dan een tweede, in de regel uit de brieven van Paulus. Deze lezing staat los van de eerste en die uit het evangelie. Het is een lectio continua.)

  (Vroeger, voor 1960/70 werden er elke zondag dezelfde teksten voorgelezen. Dezelfde in die zin, dat iedere 3e zondag na Pinksteren dezelfde tekst gelezen werd. Zodoende vindt je in de iconografie vaak dezelfde verhalen terug: de barmhartige Samaritaan, de verloren zoon, enz.)

[28]

Kerk – afgeleid van kyriakè, d.w.z. van de Kyrios, van de Heer. Oikia kyriakè, het huis van de heer. Voor kenmerken en kernactiviteiten: zie voetnoot 64.

[29]

Zie Jezus bij de Emmaüsgangers, Luk 24,30v.

[30]

Zoals wanneer je met het openbaar vervoer in Amsterdam komt. Kom je met de trein uit het zuiden, dan zul je aankomen via Duivendrecht en Metro, via Amstel, C.S, of eventueel Sloterdijk. Je kunt ook via metrolijn 50 (Isolatorweg) naar de RAI, Zuid en Sloterdijk. Je kunt ook via Amstel met de bus naar RAI. Je kunt ook …De eerste keer is dat moeilijk, al die namen en varianten. Je zoekt je weg in een vreemde stad. Maar herhaling van stappen blijkt moeilijke situaties makkelijk te maken. Zo wordt het vreemde vertrouwd, eigen.

[31]
Bijvoorbeeld. Je kunt wel zeggen: je mag niet liegen, je moet niet oneerlijk zijn – maar wat is liegen? Wat is oneerlijk zijn? Moet ik om als mens te kunnen leven met heel mijn hebben en houden voor de dag komen zoals sommige publicisten of juristen dat van mening zijn? Is leven het opgemaakte bed van de reclame:Komt U maar? Is leven dat wat van de daken wordt geschreeuwd? Zijn mijn vragen echo's van wat geruis? Gaat ik ergens over? Zeggen mijn woorden wat ik wil zeggen? Kan het zijn, dat ik me nu pas realiseer wat ik gezegd heb? Hoe kan het toch zijn dat ik eerder niet begrepen heb dat …!

[32]
Denk aan de tekst van de engel boven kerstmis over vrede.

[33] Gen 12,1-4.

[34]
Heden, wanneer je luistert naar zijn stem, Ps 95, 7. Niet met onze vaderen heeft de Heer een verbond gesloten, maar met ons, zoals wij hier heden allen in leven zijn. Deut 5,3. De tijd van het verhaal, het echte verhaal, is altijd heden. Daar is enkel een stem voor nodig. Het geeft niet wie hieraan zijn of haar stem geeft, instemt – tot en met: zichzelf hoort spreken. Bijbels lezen is altijd hardop lezen, je horen spreken. In teksten van de franse filosoof Jacques Derrida is s’entendre parler een vertaling voor Selbstbewustsein.

[35]
Zie Genesis 26,18vv. Bronnen water gaan vooraf aan ieder leven en samenleven. Het leven dat de vader (Abraham) mogelijk maakt, wordt ook gedragen door de zoon van de vader Isaak). De bronnen van de traditie toegankelijk maken kan wellicht ook de samenleving van vandaag (onze cultuur) over de vergankelijkheid en de dood  heen helpen. Met name vóór de nieuwe generaties geplaatst (bijvoorbeeld als onderwijsgevende) zou je dan getuige kunnen woorden van het nieuwe leven. Water brengt overigens het wonder van bloeien en groeien niet in zijn massiviteit, als voorraad, maar in zijn vloeibaarheid, waar het opgaat in de (ni niet meer verdrogende) aarde. Het aspect van de tijd bepaalt hier de ruimte.

[36]
Dit is bekend. Vader bijvoorbeeld. Hij gaat van groot en sterk, via autoriteit en niet en niets begrijpende tot een mogelijkheid van rust, een bron van vertrouwen, een onopvallende aanwezigheid en een diep gemis. Steeds opnieuw blijken sleetse woorden aan revisie toe, worden ze zo goed als nieuw. Dat gaat niet over de woorden, dat gaat over mijn verstaan.

[37]
Uiteindelijk is dit proces een variant op het leerhuis-model. Mensen komen met een zekere regelmaat bijeen om samen hun verhalen te lezen. Er is niemand die het weet. Wel zijn er mensen die wat meer leeservaring hebben. Zij zijn de leraren. De vragen maken degenen die een antwoord proberen tot leraren.

[38]
De woorden die ik tot jullie spreek zijn geest en waarheid. Zie Johannes 6,63. De woorden van het woord, dat moet het Onderricht zijn, de Thora. Daar, bij het begin is de geest als het geheim van hemel en aarde: ze zijn toch één.

[39]
Voegt een bijbelverhaal toe aan het arsenaal dat samen de bijbel maakt? Of is ieder verhaal op zich een tekst die het geheel op zijn eigen wijze samen vat, een poging het geheel, dus steeds een deel, een facet, een detail in kaart te brengen

[40]
Alle verhalen zeggen wat zonder dat verhaal onzegbaar is – heeft zoiets betekenis? Je weet het nooit zolang wij elkaar aankijken, zolang het gezegde en het nog niet gezegde ons aan elkaar bindt.