©Jan Engelen,
1999 Herten
BASISPLAN
2000
door Dr.
Jan C.M. Engelen
docent katechese/katechetiek
(Oorspronkelijke titel:
Krenten in de pap)
Basisplan voor katechese en katechetiek
een oriëntatie binnen het kader van het raamplan "godsdienst/levensbeschouwing"
(r.k.)
Binnen het vakgebied
katechese en katechetiek op een pabo spelen inzichten uit vakgebieden
als pedagogiek, didactiek, psychologie en sociologie uiteraard een rol
van betekenis. Daarnaast verdient de inbreng van filosofie, hermeneutiek,
theologie, judaica en exegese evenwel ook aandacht. Het heeft er de schijn
van dat in het landelijk overleg de inbreng uit die laatste vakgebieden
onvoldoende gehonoreerd is. Dat klemt te meer, omdat daarin het eigene
van het vak aan de orde komt. Verderop zal dit toegelicht worden.
Betrokkenen en belangstellenden
binnen en buiten de hogeschool ipabo vinden in BASISPLAN 2000 een verantwoording.
Aan de orde is de vraag: "Welke motieven hebben geleid tot deze opzet
voor katechese op de hogeschool IPABO?"
Katechese (inclusief
katechetiek, de meer didactische benadering van zoiets als katechese)
is één van de vakgebieden aan de hogeschool ipabo in amsterdam
en alkmaar. Het is het basisvak voor het gedeelte van de opleiding dat
leidt tot het diploma godsdienst/levensbeschouwing (r.k.).
De hoofdtekst geeft
de geschiedenis en de beslissende overwegingen. De discussie of toelichting
vindt meestal plaats in de voetnoten. De noten zijn pas bij tweede of
derde lezing relevant.
sjavuot / wekenfeest
: het feest mattan tora, van het geven van de tora
pinksteren, het voltooien
van de eerste oogst, de geboorte van de kerk
© 2000, Jan C.M
Engelen, Herten
Ipabo Amsterdam/Alkmaar
----------
Situatie
Een geschiedenis
De tijd gaat op de loop met vormen en waarden. Christenen verstaan en
beleven hun geloven anders[1] dan kerken en musea laten zien. Natuurlijk
was alles vroeger[2] anders, maar wat is alles en wat betekent anders[3]?
Traditioneel houdt
katechese zich bezig met wat katholieken of christenen behoren te weten.
Bijna nooit wordt gesproken over (verschil tussen) hoofd- of bijzaken,
over inhouden, pedagogische concepten of didactische mogelijkheden. Katechese
gaat over het geloof over wat er in het kerkgebouw gebeurt en daaromheen[4].
Over de grote feesten, de kerkelijke gebruiken, regels en normen.
Halverwege de afgelopen
eeuw gebeurt er iets[5]. Geloven wordt een kwestie van verwoording en
verantwoording, van zin. De gelovige gaat op zoek naar het zinvolle, het
functionele. Welke zin dat bewustwordingsproces heeft blijft in de regel
buiten beschouwing[6].
Katechese en pastoraal
worden vaak met elkaar verward ten gunste van pastoraal - zonder die naam
te gebruiken. Menig katecheet op pedagogische academies is halverwege
de vorige eeuw op weg gegaan om te zoeken naar een katechese die voor
zoveel mogelijk aanstaande onderwijsgevenden aanvaardbaar kan zijn. Onderling
overleg leidt onder druk van de tijd uiteindelijk tot de nieuwe naam[7]
godsdienst/levensbeschouwing. Het raamplan 95 legt de veranderingen
vast, motiveert, beschrijft en legt uit. Kiezen en delen[8] probeert lijnen
aan te geven.
De term godsdienst/levensbeschouwing
zou een betere omschrijving bieden voor wat het vakgebied katechese wil.
Motief voor die verandering van naam (ingevoerd tussen 1995 en 99)
zou zijn: een betere aansluiting bij en vertolking van onze tijd en samenleving.
Velen tot wie de katechese op een katholieke, interconfessionele of oecumenische
school zich richt, zouden sinds de jaren zeventig strikt[9] genomen geen
gelovigen[10] meer zijn. Katechese is reflectie op het eigen[11] geloven[12].
Wanneer mensen eigenlijk[13] niet geloven[14], kun je hen geen katechese
geven. Bij gebrek aan inhoud is de overweging helder. Daarom heeft de
hoofdstroom van katechese op de Nederlandse Pabos zich nu vast laten
leggen op godsdienst/levensbeschouwing. Dat zou een meer algemene bedding[15]
zijn. De achter liggende gedachte is helder: iedereen heeft toch een opvatting
over leven. Leven is leven en geloven is geloven. Over die zaken is een
gesprek mogelijk. Daar kun je mee omgaan in leerprocessen. Dat noemen
we godsdienst/levensbeschouwing.
De gang van zaken
van katechese/katechetiek naar godsdienst/levensbeschouwing levert wel
een probleem op. Wanneer de kern niet vast staat, wanneer het vanaf het
begin over alles moet gaan is dat een vervaging. Vervaging komt duidelijkheid
niet ten goede. Is er sprake van vervaging? Die vraag is niet moeilijk
wanneer men de term godsdienst/levensbeschouwing met realiteitszin bekijkt
of werkelijkheidswaarde geeft. Levensbeschouwing garandeert een breed
spectrum. Het voorvoegsel godsdienst legt de relatie met het kerkelijk
verleden. Heel het panorama van de levensbeschouwingen inclusief de behoefte
aan expressie en het pulseren van de eigenheid wordt minstens virtueel
inhoud van het vakgebied. Alles wat in dit opzicht denkbaar[16] is kan
er voortaan bij horen, kan hoofdzaak zijn. Dat lijkt niet leerzaam, alles.
Alles is misschien
een beetje veel voor van huis uit katechese. Wellicht moet de beschrijving
van het vakgebied[17] bescheiden een beperkte keuze maken en die keuze
verantwoorden. Misschien moet je eerst maar eens iets om te beginnen noemen.
Waar zou je mee kunnen beginnen? Kun je aangeven waarom je daar[18] bijvoorbeeld
begint? Misschien kom je zo de verantwoording van je binding[19] op het
spoor.
Verandering van naam
betekent ook een verandering van inhoud. Daar hoort onderzoek bij. Wat
goed, belangrijk, praktisch en fundamenteel is moet vaak[20] eerst ontdekt
worden, opnieuw en nu pas echt. Het waardevolle doet zich vaak pas achteraf
gevoelen. Wat moet je doen om een blinde vlek te zien? Wat organisch is
valt niet op. Het hoeft zich niet te presenteren of poneren. Het goede
is niet natuurlijk vanzelfsprekend. Het goede[21] is geen deel van het
hier en nu. Het komt niet van mij. Ik ben alleen adres. Ik kan ontvankelijk
zijn[22]. Het goede komt van verder dan van nature[23]. Om te kunnen beginnen
zul je het moeten zoeken.
Geloven
Wanneer het over katechese gaat mag op een ook confessioneel georiënteerd
instituut als de Interconfessionele Hogeschool IPABO de vraag zijn: geloven,wat
is dat? Deze vraag kan op voorhand als het ware los van iedere
context - gesteld[24] worden. De beantwoording kan niet zonder context.
In feite bestaat de vraag (Wat men geloven noemt, wat is dat?) niet buiten
de taal. Ook niet buiten de tijd. Wil geloven betrouwbaar aan de orde
komen dan hoort de vraag (wat is geloven? bijvoorbeeld) in een wereld
van verhalen thuis. Die wereld zullen we enigermate tot zijn recht moeten
laten komen. Wij nodigen je daartoe uit. Wij vragen geen stelligheid.
Wij vragen een open, positieve houding en een actieve studie-inzet. De
hogeschool heeft die openheid hoog in het vaandel. Wanneer het over confessie[25]
gaat is ieder op zijn/haar wijze betrokkene.
De vraag Wat is geloven?
stelt steeds minstens een dubbele vraag. Ze vraagt naar een inhoud en
ze vraagt naar volgens jou. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat jij zegt:
Geloven is
, maar dat anderen zich niet herkennen[26]
in wat jij geloven noemt, of dat jij je niet herkent, - nog niet, in ieder
geval nu niet niet herkent in wat je denkt dat zij geloven noemen.
Een zekere onzekerheid[27] is hier kenmerk van het ware.
Wat is geloven[28]?
Wat is een constante in de geschiedenis van al die mensen die zichzelf
gelovig noemen of die door anderen zo begrepen zijn?
Geloven is om te beginnen
zoiets als vertrouwen. Daarom is er met geloven is iets bijzonders aan
de hand. Hoewel ik verantwoordelijk blijf voor het eigen doen en laten,
de oorsprong van mijn geloven ligt uiteindelijk niet in mij[29] maar in
de ander. Geloven hangt ten nauwste samen met de mogelijkheid om de ander
als ander, als niet ik, zelfs als mij wezenlijk vreemd[30], niet van mij,
toe te laten. Het anders zijn van de ander gaat mij vooraf, doet de ruimte
ontstaan en maakt mij tot degene die ik[31] ben.
De ander is zodanig
dat ik tegenover hem of haar geen andere woorden heb dan deze. Voor ik
het weet hoor ik mijzelf erkenning uitspreken, zoiets als ik geloof in
jou zeggen. Of ik zou het willen zeggen: Ja tegen jou. Ik fluister. Ik
vertrouw je. Alles in mij wil jou dat toevertrouwen. Ja[32]. Door jou
wordt de wereld mijn wereld, door jouw daar is dit hier mijn plaats, kan
ik er zijn.
Iedere dag in de
praktijk maak je kinderen mee die dit soort woorden tegen jou, volwassene
in hun wereld, op een of andere manier, al dan niet uitgesproken, zeggen.
Ze zeggen het of zouden het willen zeggen wanneer ze zouden weten hoe
dat gaat, of dat zoiets als ik geloof in jou bestaat, een en al taal,
en dat je dat, bijvoorbeeld door op te kijken of te glimlachen[33] kunt
zeggen nog voordat je spreekt.
Wat dat ja-zeggen
betekent, wat ja zeggen is, of jou zeggen, wat het betekent, aangesproken
te worden en antwoord te willen geven, - dat hoort allemaal bij geloven,
je laten afstemmen. (Zie eventueel Abraham bijvoorbeeld. Genesis 12,1.4.)
Katechese
De term katechese betekent eigenlijk zoiets als echo. Is echo niet het
verkennen[34] van diepten en ruimten en gaat dit niet steeds samen met
het nog bijna kinderlijke uitproberen van de mogelijkheden van de eigen
stem om haar weer te laten klinken, tijd te worden, diepte? Het zal dus
in de katechese niet en nooit gaan over beheersbare processen. Het gaat
er niet om, verhalen in te snoeren of te beperken tot een thema of een
bedoeling. Het zal er om gaan de traditie van die verhalen mogelijk te
maken. We proberen de verhalen het woord te geven, aan het woord te laten
komen. Gij komt van al zo hoge
Gij, de verhalen en
alles wat daarin ter sprake komt, tot en met de toehoorders. Tijd en ruimte[35]
van de verhalen zullen een uitnodiging aan de toehoorder zijn. De student(e)
in een dergelijk leerproces is nooit object van beoordeling. Katechese
is uiteindelijk de open put die om een echo vraagt, een uitnodiging tot
antwoord, tot verantwoording, rond het vuur van klinkende verhalen.
Echo, weerklank, vertolking,
antwoord op een eigen inzet. Wat klinkt dan mee![36] Meetrillen[37], meeklinken
en aanreiken, - al die woorden bieden een handzame, open benadering van
de geheimen[38] die in het vakgebied katechese aan de orde zullen komen.
Wat die geheimen zijn, welke woorden daarvoor bestaan, hoe gehoorzaam,
luisterbereid, niet hooghartig maar zachtmoedig[39], flexibel, bijna verkwistend
en toegankelijk ze zijn, we zullen dat nog zien[40]. Nu al wordt gesteld:
er staat geen uitkomst vast. Met name wat er voor jou uit komt, dat is
aan jou. Jij aan het woord[41], staat niet vast, staat nooit vast. Jij[42]
aan het woord laat mij steeds opnieuw zien, antwoord zoeken spreken[43],
zoiets als een antwoord proberen- wie die eerste persoon enkelvoud ook
is.
Op de Hogeschool
IPABO Amsterdam/Alkmaar handhaven we omwille van al die beloften
je weet het nooit, het zou best wel eens kunnen[44], - en omwille van
de continuïteit met het verleden, de vertrouwde naam van het vakgebied
katechese en in het spoor daarvan katechetiek, de pedagogiek en didactiek
rond katechese.
[1] De
wereld is veranderd, niet alleen de ingerichte, door de mens georganiseerde
wereld, maar ook de wereld als veld van waarneming of geheel van betekenissen.
Wanneer de betekenissen
eigenlijk niets meer betekenen heeft de mens niet meer te zeggen wat hij
te zeggen heeft. Misschien moeten wij, mensen, vrouwen en mannen, nu de
wereld (werkelijkheid) anders in elkaar zit, leren, anders te spreken,
dus anders te kijken, ons anders te oriënteren.
De werkelijkheid blijkt
steeds anders te zijn, anders te nuanceren, te benaderen, te benoemen
of te hanteren. Misschien is niet enkel onze plaats veranderd. Misschien
is ook het plaatsen, het al dan niet min of meer kunnen plaatsen, veranderd.
Misschien betekent kunnen plaatsen ook iets anders.
[2] Vroeger
was alles anders. In de voorafgaande zin is vroeger relatief jong. Voor
oude mensen is vroeger 60 tot 80 jaar geleden. Ook aan de eerste helft
van de 20ste eeuw gaat veel vroeger vooraf. Veranderen is het werkwoord
van de tijd.
[3] Betekent
anders geworden niet ook op een of andere manier hetzelfde gebleven? De
eenheid die de term identiteit suggereert, is niet de ieder anders-zijn
uitsluitende, massiviteit van een totalitair systeem. Werkelijke eenheid
is beleefde eenheid. Zij weet van verschillen, draagt en erkent ze. Eenheid
bewaart verschillen, weet die te overbruggen, productief, vruchtbaar te
maken. Naar mate de overeenkomsten groter en de verschillen kleiner zijn,
worden de verschillen belangrijker en groter.
Voor verschil, anders
zijn, het voorlopige uitstel van de identiteit, wordt in deze tekst beroep
gedaan op de term différence en différance (het verschil/uitstel
en het doen verschillen of uitstellen als proces, onderweg zijn) zoals
dit in het reflexieve spreken is ingebracht door de Franse filosoof Jacques
Derrida.
[4] Niet
toevallig staat in iedere iets oudere gemeenschap de kerk in het midden.
[5] In
de gangbare en gebruikelijke literatuur wordt dit iets beschreven als:
secularisering, het mondig of autonoom worden van de mens, de democratische
tendensen, de verwereldlijking van de wereld, het anti-transcendentie-effect
of de afnemende religieuze gevoeligheid. Deze kwalificaties beschikken
sinds 1960 over citationele kwaliteiten. Toch mag men niet uitsluiten
dat andere duidingen wellicht een meer adequate beschrijving van de huidige
situatie bieden. Daarbij zou men bijvoorbeeld kunnen denken aan het anonieme
universalisme van de stad, de cultuur, het werk en de wetenschap. Misschien
is het niet gemakkelijk om anders te zijn, afstand te nemen van het gangbare
en dat te verwoorden. Misschien is er geen taal om de eigen cultuur, gevoeligheid
of inzichten te uiten. Zie eventueel MICHEL DE CERTEAU, La culture
au pluriel, (1974) nouv. Éd., Seuil, Point, 1993, p. 78 en
63.
[6] n
de katholieke gemeenschap zo lijkt het, hebben waarheid en normen altijd
hoger gescoord dan kennis. Kennen: geleerd hebben te verwoorden, leren
mee te praten wanneer het over deze dingen gaat. Jezelf en het andere
ter sprake kunnen brengen. Situeren, inschatten, kiezen uit alternatieven,
attent bij de tijd zijn. Wanneer het vermogen om te spreken over je geloven
niet ontwikkeld, wanneer er geen ruimte is voor je eigen vragen, dan is
geloven altijd moeilijk, een kwestie van het goed bedoelen.
Goede bedoelingen
zijn in de regel onttrokken aan de communicatie. Zij vertolken de eenzaamheid
en het ontbreken van gemeenschap tussen mensen. Die gemeenschap tussen
mensen die christen of katholiek zijn, heet kerk. Bijbels-theologisch
heet dat volk Gods zijn.
[7] Betekent
een andere naam ook een andere opdracht aan de begeleidende vakdocent?
[8] Kiezen
en delen aanzet tot longitudinale planning en onderlinge afstemming van
godsdienst/levensbeschouwing in het katholiek onderwijs. Advies in opdracht
van het College van Bisschoppelijke Gedelegeerden voor het katholiek onderwijs.
's-Hertogenbosch, 1997.
[9] Bij
een dergelijk oordeel is steeds het volgende van belang: wie bepaalt de
grens? Waarom wordt deze grens hier en nu getrokken? De uitspraak (geen
gelovigen) geeft een voorzet. Wat is haar opzet? Waar is zij op uit? Welk
doel staat haar voor ogen? Waarom? Wanneer je thematieken uit de gangbare
retoriek isoleert, blijkt het probleem niet of anders te zijn.
[10] De
inhoud van de term geloven blijft buiten beschouwing. Wordt haar betekenis
bekend verondersteld? Dat is toch naïef.
Wat voor soort denken
is geloven? Bijna niemand heeft de scholing gehad om het woord geloven
op reflexief niveau te kunnen plaatsen en bespreken. Tot halverwege de
20ste eeuw heeft bijna niemand in de katholieke wereld tijd voor deze
vraag. Alleen priesters hebben tot dan toe enige theologische scholing
gehad. Piëtistisch ingekleurde vroomheid leek belangrijker dan kennis
of kunnen meepraten. (Voorjaar 1962. Het aanstaande concilie (Vaticanum
II) is net afgekondigd door de nu zalige paus Johannes XXIII. Een vrome
pater met veel gezag zegt oprecht, met volle overtuiging: "Het concilie
is eigenlijk overbodig. Alles is geopenbaard. We weten alles al."
We (mijn studiegenoten en ik) vergaten te vragen:"Wie is we?"
Het kerkelijk feodalisme vierde toen nog hoogtij alsof dat zo hoorde.
Toen? Wie dacht dat een vader zijn kinderen geen stenen voor brood gaf?
Aan andere kwestie
is: Wat is geloven eigenlijk? Het nederlandse woord geloven is afgeleid
van het gotische galaubjan (ook herkenbaar in het engelse to believe,
to love): zich hechten aan, in zee gaan met, toestemmen, houden van. Geloven
heeft te maken met instemmen, herkennen, met ja zeggen voor je het weet.
Geloven gaat vooraf aan mijn ik-zeggen, - zoals de taal waarin je geboren
wordt. Daarom is het woord levensbeschouwing een verkeerd woord. Het probeert
mijn passiviteit te verbinden met een daad van beschouwen.
De kwaliteit van
de verantwoording, het kunnen verantwoorden, - dus de kwaliteit van het
onderricht (EMMANUEL LEVINAS, Transcendance et intelligibilité,
Geneve 1996, p. 11) blijft, mede onder invloed van de verlichting en haar
eenzijdig beroep op de ratio, onderontwikkeld. Het meeste van geloven
is krediet, reserve, te goed. Dat dient eerst betwijfeld, grondig betwijfeld,
om daarna vermoed of gevonden te kunnen worden.
Waarom die grondige
twijfel? Nadat het ik als het ware heel de werkelijkheid om zich heen
geordend heeft, moet weer opnieuw, en nu eigenlijk voor het eerst, ontdekt
worden dat het ik de wereld niet maakt. Van speler wordt het ik medespeler.
Ik ontdek de ander de ander die niet is afgeleid van mij, niet
degene die ik benoem. Ik ben niet de oorsprong van de ander, kan de ander
niet plaatsen (niet tot onderdeel van mijn wereld maken). De ander blijft
een geheim, eindeloze voorsprong.
[11] Het
woordje eigen bepaalt blijkbaar een limiet. Er is een grens tussen wat
eigen en wat niet eigen is. In een leerproces duidt iedere grens een virtuele
ruimte aan. Zij kan verkend en geopend worden, toegang bieden, verder
leiden. Leren voert leraren en leerlingen steeds verder dan tot waar zij
gekomen zijn. Nieuwe informatie, ook in díe zin nieuw dat de geadresseerde
serieus te nemen is, nuanceert wat definitief leek, laat een pad zien.
Het is ermee als met de zee in Exodus 14.
[12] Tegenover
de behoefte van sommigen om hun geloven als stelligheid aan te prijzen
hebben velen de neiging, hun onzekerheid, hun onbeslistheid als niet geloven
te interpreteren. Is deze stelligheid terecht? Als je zegt ik geloof wil
dat niet zeggen dat God bestaat. Als je zegt Ik geloof niet wil dat niet
zeggen dat God niet bestaat. Wat is God in deze uitspraken? Wat het bestaan
van God? Als liefde bewezen kan worden is het geen liefde meer. Aangesproken
worden onttrekt zich aan een beslissing als Ik laat mij aanspreken. Ik
stel mij open voor, maar wil er sprake zijn van openheid waarin het andere
anders kan zijn, dan zal het andere mij overrompelen, dan ben ik eigenlijk
nergens meer.
[13] Wie
bepaalt de grens bij het woord eigenlijk? Bij geloven hoort: ik heb niet
meer alle troeven in eigen hand. Ik ben in mijn geloof het totale overzicht
kwijt. Er is geen totaliteit (waar ik boven sta en die ik kan overzien)
meer. Aangesproken ben ik geen spreker. Het is als het verschil tussen
medewerkend voorwerp en onderwerp, grammaticaal gezien. Welke betekenis
biedt het woord eigenlijk aan? Wat wordt bij die beperking als niet ter
zake (bijkomstig) gediskwalificeerd, wat als belangrijk, wezenlijk?
[14] Deze
interpretatie gaat uit van de vooronderstelling, dat wij eerst Mijn vader
die in de hemel is bidden en dan pas overgaan tot Onze vader die in de
hemel zijt. Deze veronderstelling is strijdig met het spreken van degene
die deze woorden voor ons, ons voor, heeft uitgesproken.
[15] Het
raamplan motiveert die verandering. Het doet een beroep op de rechtsbescherming
die het vak in onze onderwijswetgeving door die naam geniet. Het is de
vraag of dit argument de verandering goed maakt. Zijn inhouden, argumenten
en strategieën van de (geloofs)taal voldoende gewogen om de keuze
godsdienst/levensbeschouwing af te dwingen of te legitimeren? Niets verzet
zich er tegen om katechese te interpreteren als godsdienstonderwijs door
de wet benoemd. Die wet garandeert het recht, niet de inhoud.
Kwaliteit is een
kwestie van afwegen en inschatten. Dat vergt minstens tijd en weging van
argumenten. Uiteindelijk heeft die weging nooit plaats gevonden. Het belang
en de (mogelijke) betekenis van de bijbelse informatie is nooit een punt
van overleg geweest. Tijdsdruk heeft toevallig bestaande teksten
in ontstaan binnengehaald als officiële teksten. k
Stond erbij en keek ernaar, zingt het bekende kinderlied.
De schrijver van dit BASISPLAN 2000 is vanaf het begin bij dit overleg
betrokken geweest. Toen de ontwikkeling koers zette naar godsdienst/levensbeschouwing
heeft hij zich vanaf het begin tegen deze ontwikkeling verzet. Zij is
nooit verantwoord. Zij blijft dus onverantwoord.
[16] Professionele
katecheten noemen het leven in de naam van het vakgebied. Hun leerplan
zal zich nu zeker gaan uitstrekken tot grote delen van het leergebied
van psychologie, sociologie, cultuur- en kunstgeschiedenis, filosofie.
De opleiding godsdienst/levensbeschouwing op de katholieke pabos
wordt een zipfile, een copy van de gangbare vorming van de clerus tot
minstens 1970, met iets meer nadruk op de wereld. Wanneer een vakgebied
niet gelimiteerd is, dan is het geen gebied meer. De claim is dan totalitair,
namelijk niet gelimiteerd door het eigene.
[17] Een
onschuldige vraag. Is katechese op de basisschool een wetenschap of is
zij een vak, een taak, een ambt? Moet een opleiding voor onderwijsgevenden
zich bezig houden met een kader waar iedere noemer, iedere vorm van bepaling
ontbreekt? Of moet men een student(e) de mogelijkheid bieden, inzicht
te krijgen op mogelijkheden voor katechese met kinderen van een katholieke
basisschool? Let wel: niemand kan beweren dat het openbaar onderwijs niet
bezig is met godsdiensten en levensbeschouwing, wanneer het tenminste
echt openbaar is. Bovendien: wanneer het diploma godsdienst/levensbeschouwing
en kerkelijk diploma is, wie kent de kerk deskundigheid toe op het gebied
van levensbeschouwing?
[18] Katechese
heeft dus om te beginnen iets van een bepaling van plaats. De stroom van
de tijd, van alles wat op ons af komt wordt even onderbroken. Als je begint
zet je even alles tussen haakjes. Alles wat zou moeten zet je even stil.
Zoals wanneer je een opname maakt of een test gaat doen geluid,
of beeld, of beiden. Even moet je alles los laten, los maken (abstraheren
van het concrete) om concreet te worden. Iets concreets: Je maakt om te
beginnen een begin. Of dat begin een goed begin is zal later blijken.
Ervaring kan je doen vermoeden dat je intuïtie goed is. Ervaring
is hier: geleerd hebben en over het geleerde kunnen beschikken.
[19] Latijn:
religio. In de Joodse traditie heet Genesis 22 de opheffing en
binding van Isaak. Opheffen is offeren, maar ook offreren, aanbieden,
afstand doen van, los laten. Binding, kunnen sterven, overlevende zijn,
leven, hoort bij de zoon (Isaak), het kind, de toekomst. Het kind is nu
niet meer enkel naïef. De vader, de vorige generatie, heeft intussen
geleerd wat het betekent, los te laten. Leven is niet meer het voortzetten
van het voorafgaande maar een nieuw begin.
[20] Het
verschijnsel is bekend: pas wanneer je last van je voeten hebt merk je
dat je voeten hebt.
[21] Doen
is vertrekken zonder terug te komen. Maar dit doen zonder terug te komen
bij zichzelf verliest zijn absolute goedheid wanneer mijn werk compensatie
vindt in zijn succes. Wanneer begin en einde hier op elkaar te betrekken
zijn is het werk niets anders dan een berekening van kosten en baten,
enkel een kwestie van rekenen. Mijn werk doet afstand van mijn daad ten
gunste van de ander. Daarom hoeft de ander ook niet dankbaar te zijn.
Graag gedaan. Werken betekent ervan afzien, tijdgenoot te
worden van het te bereiken doel. Handelen zonder binnen te gaan in het
beloofde land. Daarom is het goede meer dan een droom zonder transcendentie.
Zie EMMANUEL LEVINAS, La trace de lautre, in: En découvrant
lexistence avec Husserl et Heidegger, Parijs: Vrin, 1967, p.191.
Evenals de Oneindige
heeft het Goede geen ander. Niet omdat het Goede alles zou zijn, maar
omdat het Goed is en niets aan zijn goedheid ontkomt. E.LEVINAS,
Autrement qu'être ou au-delà de l'essence, Den Haag
1974, p. 13, n.7. Het goede is anders dan het zijn het houdt
geen boeken bij. Het is niet als de negativiteit die dat wat zij ontkent
in haar geschiedenis bewaart
Het goede is uitzonderlijk, buitengewoon
transcendent precies vanwege die breuk met het zijn en haar
geschiedenis. Autrement
,p. 22.
[22] Hier
ben ik. Dit simpel getuigen van eigen aanwezigheid, betrokkenheid, is
kenmerkend voor Abraham, Mozes en Samuel. Het is ook te horen bij de struik
die in de woestijn van Exodus 3 brandt en spreekt. Het is ook herkenbaar
in woorden als onze vader, - woorden die gezegd kunnen worden, geleerd,
geproefd, beproefd.
[23] Zie
naar de gelijkenis over de zaaier, Markus 4. In het verhaal blijkt een
geheim (v.11). Dat geheim is op een of andere manier zo wordt het
althans door het onderwerp van het evangelie uitgelegd, v. 13 - alle gelijkenissen.
De gelijkenis eindigt met als perspectief: vogels die door plaats te nemen
op een tak het land en de hemel met elkaar verbinden.
[24] Met
op voorhand stellen probeert de tekst aan te geven, dat ik
wel een vraag kan stellen als mijn oorspronkelijke, eigen, in die zin
absolute vraag, maar in feite leeft de mens voorwaardelijk.
Steeds bepalen condities de concrete situatie, ook mijn vragen. Ook mijn
eigen vraag komt uit een context. Die context ben ik zelf, ik met mijn
verleden, mijn verwachting, mijn staan in mijn eigen geschiedenis. De
horizon of implicaties daarvan onttrekken zich zo goed als geheel aan
mijn zogenoemde bewustzijn. Wat voor mij vandaag volstrekt zeker is
er hoeft niet veel te gebeuren of morgen begrijp ik er niets meer van
en sta ik er geheel buiten. Gegevens die er echt toe doen wanneer het
gaat over mij en mijn opvattingen heb ik ten dele in eigen handen, maar
ten dele onttrekken ze zich ook aan mijn greep en begrijp ik ze niet.
Ik begrijp alleen wat ik aan kan, wat in zekere zin op mijn maat is toegesneden
en wat ik meten kan, inschatten en overzien, bij benadering. Zie Mozes
en de struik in Exodus 3.
[25] De
I van Ipabo staat voor interconfessioneel. In dit woord wordt om te beginnen
de verscheidenheid van verschillende christelijke confessies gerespecteerd
en bijeen gebracht en bewaard. Confessie is historisch gezien (geloofs-)belijdenis.
In onze tijd kan het woord interconfessioneel suggereren, boven de partijen
te staan. Precies dat is niet de bedoeling. Probeer confessioneel, afgezien
van elke historische of sociale benadering, te verstaan als smaak van
leven. Het gaat dan over de manier waarop je je, al dan niet met woorden,
zou uitspreken over
of welk gevoel je hebt bij.
[26] Alle
(nog niet geformaliseerd, zogenoemd wetenschappelijk) spreken is iets
totaal anders dan het uitwisselen van codificaties en abstracties, waarheden
of feiten genaamd. Communicatie is niet het uitwisselen van informatie.
Spreken is, zolang het spreken duurt, tot het laatste woord derhalve,
onbeslist. Tot dit definitieve einde staan betekenissen, en bedoelingen
(waar ik op uit ben) niet vast.
Als de betekenissen
niet vast staan, staat ook de betekenaar of het subject niet vast. Het
subject (sub is latijn, het betekent onder; jacere betekent werpen) onder-werpt
zich letterlijk, maakt zich ondergeschikt, verantwoordelijk meer
verantwoordelijk dan het ik ooit verantwoorden kan. Begrijpen of verstaan,
de onzekerheid te boven komen, is niets anders dan aangesproken worden,
- tweede persoon van het persoonlijk voornaamwoord worden om daarna
ik te kunnen zijn, te kunnen spreken.
In de kantlijnen
van een niet langer te ontcijferen historische werkelijkheid ontstond
een utopische ruimte die zorgde voor een niet-plaats. De rede kreeg de
mogelijkheid, van de wereld teksten te maken en deze teksten weer nieuwe
werelden voort te laten brengen. In die tijd ontstond aan de zijlijnen
van de verschillende wetenschappen een mystieke ruimte. Dat was ook een
niet-plaats. Zij werd binnen de taal gecreëerd door het voortdurend
verlangen naar de ander. Het gevolg was een omkering. Uitspraken werden
ontdaan van hun inhoud ten faveure van de daaraan voorafgaande vraag om
te mogen spreken. MICHEL DE CERTEAU, The Mystic Fable, Chicago:
The University of Chicago Press, 1992 (Parijs 1982), p. 161.
[27] Door
de spanningsverhouding met het niet-weten blijft een subject een echt
kwetsbaar subject. De erkenning van het niet-weten en van het verlies
aan meesterschap plaatst een subject in de positie van een niet op te
heffen afhankelijkheid. Maar deze niet ongedaan te maken afhankelijkheid
gaat samen met een op zichzelf teruggeworpen worden. Het subject is alleen
omdat het zich verhoudt tot een oordeel, tot een betekenis die hem ontsnapt.
Paul Moyaert, Ethiek en sublimatie, Over De ethiek van de psychoanalyse
van Jacques Lacan, Nijmegen: Sun 1994, p.185.
[28]
het geloof
dit dialectisch bijeen horen van particulariteit en
dat wat haar overschrijdt en verder gaat
MICHEL DE CERTEAU,
La faiblesse de croire, texte établi et présenté
par Luce Giard. Parijs: Éd du Seuil, 1987, p. 185.
[29] In
parafrase: In vrijheid en met gezag, met alle recht van spreken rondkijkend
mag ik constateren dat ik jou zodanig vind dat ik moet zeggen: ik geloof
in jou.
[30] Niet-eigen.
[31] Het
Ik spreekt alleen wanneer het verwacht wordt (of bemind). Dat is het meest
riskante dat er ter wereld bestaat
Het Ik is niet van zichzelf.
Zijn mogelijkheid om te kunnen spreken hangt, zoals bij kinderen, af van
een gesproken woord dat er aan vooraf gaat en de verwachting die dit met
zich meebrengt. De strategie van de tekst die een volgorde aanbrengt en
sprekers aanwijst (
) komt uiteindelijk aan bij het verdwijnpunt,
het Ik. Aangekomen bij het Ik ontstaat spreken alleen in de naam van de
ander. MICHEL DE CERTEAU, The Mystic Fable, Chicago.The University
of Chicago Press, 1992 (Parijs 1982), p. 187.
[32] Bijvoorbeeld:
ik wil juf of meester, worden ook al blijkt dat dan onderwijsgevende
te zijn, leerkracht, bijvoorbeeld op een basisschool. Door naar de Hogeschool
Ipabo te komen zeg je ja tegen dit instituut. Wanneer je bij nadere kennismaking
en met het verlopen van de tijd blijft, dan leg je je eerste ja uit. Je
bevestigt je eerdere ja, je eerdere keuze. Het is goed. En je blijft die
bevestiging vernieuwen zolang je opleiding, ja, zolang je uitoefening
van je vak blijft duren.
Als ik ja
zeg, dan zeg ik onmiddellijk ja, ja. Ik wijd mezelf toe om
mijn voorafgaande toewijding de volgende seconde te bevestigen, en dan
morgen, en overmorgen
Ik beloof de herinnering te bewaren van mijn
eerste ja. JACQUES DERRIDA, Deconstruction in a nutshell,
a conversation with Jacques Derrida / edited with a commentary by
John D.Caputo, New York 1997, p.27.
[33] Dit
opzien of glimlachen is een spreken dat vooraf gaat aan ieder spreken.
Dit spreken gaat vooraf aan alles wat gesproken wordt. Het is het gebaar
dat wees welkom, gastvrijheid, vrede vertolkt. In dit spreken voor het
gesprokene, is het ik weerloos, oprecht, enkel uit op wat rechtvaardig
is.
[34] Door
het klinken van mijn stem gaat de ruimte klinken. Zo brengt mijn stem
de ruimte, mijn taal, mijn kunnen spreken, tot klinken. Mijn stem is als
de kringen op het water. Zonder water zouden er nooit kringen zijn. Zonder
de kringen zou ik wellicht van het water nauwelijks weten, noch van wat
mij bezig houdt. De taal, de Tora, is als water. Zoals een hert
Psalm 42. Luister ook naar het (staande) getuigenis van het onderwerp
van het evangelie in Johannes 7,38 (in de regel verkeerd vertaald): Wie
in vertrouwen volgens de wijze van de Schrift naar mij toe komt, rivieren
zullen stromen uit zijn binnenste als water dat leeft. (Verkeerd? In de
regel wordt dit vertaald met
geloven zoals de schrift zegt. Zoals
ziet men dan als inleiding tot een schriftcitaat. Het dient evenwel het
voorafgaande werkwoord geloven een modificatie mee te geven: geloven zoals
de Schrift zegt, geloven volgens de Schriften.
[35] Tijd
en ruimte mogen die twee woorden een omschrijving van de
wereld zijn?
[36] In
het vakgebied drama of beeldende vorming komen deze zaken (leven, mens-zijn,
ingaan op de uitnodiging, werken met anderen, met jezelf, met de materie)
aan de orde: doen, leren, proberen, waarderen. Hoe vertel je? Hoe probeer
je je stem. Hoe wegen de ogen van kinderen die naar je kijken de stilte
die jij in je verhaal laat gebeuren?
[37] De
schering en inslag van de verhalen als een trampoline of als een cymbaal,
de klankkast, de omsloten ruimte van bijvoorbeeld een cello of een gitaar.
[38] De
invisibilia (
in alles wat zichtbaar en onzichtbaar
is. Geloofsbelijdenis van Nicea) zijn niet de dingen die onzichtbaar
zijn, maar de dingen die nog niet zichtbaar zijn.
[39] Het
woord zachtmoedig functioneert in de vertalingen van Num 12,3. Het is
daar dé eigenschap van Mozes. Er is niet veel kennis nodig om Mozes
te mogen typeren als de leraar. Zachtmoedig is de vertolking van de kwaliteit
die de bijbelse literatuur aan een leraar, aan een meester toekent, zelfs
aan een koninklijke meester of een meesterlijke koning vgl Mattheüs
21,5. Zachtmoedigheid maakt leren mogelijk. Mattheüs 11,29. Daarom
zullen zachtmoedigen de aarde beërven, de toekomst breken en delen
als brood. Het beërven van de aarde heeft met de toekomst te maken.
Iedere dienst in de synagoge legt uit dat de toekomst van kinderen afhangt.
[40] Op
de hogeschool Ipabo liggen daartoe twee readers ter bestudering gereed.
Deze readers bevatten werkteksten, ontstaan in een praktijk van 30 jaar
onderwijs op katholieke en interconfessionele pabos in Amsterdam.
Niet alle teksten zijn afgerond. Verschillende teksten blijken goed te
kunnen dienen voor zelfstudie. De readers heten: Aleph en Beth. Regelmatig
verschijnen herziene uitgaven.
[41] De
Joodse traditie is van mening dat de Tora zeventig gezichten heeft en
dat een van die gezichten zou ontbreken wanneer een enkele lezer verstek
laat gaan. Dat wil ook zeggen, dat de joodse traditie niet pleit voor
de éénduidigheid van de tekst, of, nauwkeuriger gezegd,
dat zij weet, dat een enkel vers een veelvoud van betekenissen te
voorschijn roept
Het gaat er juist om deze betekenissen door
interpretatie te ontvouwen. Iedereen is geroepen tot deze taak. Ieder
heeft de opdracht gekregen te studeren totdat men zelf een Sefer-Torah
(Boekrol) geworden is, totdat men zelf de betekenis kan doorgeven die
men wellicht als enige heeft kunnen lezen, in de wetenschap dat ieder
verantwoordelijk is voor de uiteindelijke betekenis van de tekst en dat
deze geen andere is dan haar oorspronkelijke betekenis. CATHARINE
CHALIER, De Aartsmoeders, Sara, Rebekka, Rachel en Lea, Hilversum: Gooi
& Sticht 1987, p. 10v.
[42]
het oor van de ander betekent. Het oor van de ander zegt mij tegen mij
en legt de autor van mijn autobiografie vast. Wanneer de ander, veel later,
met een wakker genoeg oor door heeft wat ik hem of haar geadresseerd heb,
toegezonden, dan heb ik mijn handtekening gezet. JACQUES DERRIDA,
Otobiographies, The teaching of Nietzsche and the Politics of the Proper
Name, in The ear of the Other, Lincoln: University of Nebraska Press,
1988, p. 51.
[43] Daarin
bestaat de macht van het woord: het kan het onveranderlijke wijzigen en
de machinerie van de dode letter onderbreken. Het woord kan de pure tautologie
de letter is de letter doorbreken en terugdringen. Het woord
buigt de betrekking tot de absolute Ander (de sfinx) om tot een persoonsgebonden
relatie. Spreken is de dode letter zelf het zwijgen opleggen. Paul
Moyaert, Ethiek en sublimatie, Over De ethiek van de psychoanalyse
van Jacques Lacan, Nijmegen: Sun 1994, p. 121.
[44] Velen
in en buiten de regio werkzaam die op de hogeschool Ipabo of haar voorgangers
gestudeerd hebben, sloten in die zin hun opleiding en studeren voor dit
vakgebied af. Daarmee zijn het geen mensen geworden die zodanig geprogrammeerd
zijn dat zij hetzelfde zeggen. Ook vinden zij katechese niet gemakkelijk.
Creatief zijn, nieuwe hier en nu passende dingen bedenken,
vinden, vraagt aandacht en concentratie. Echt nadenken en iets goeds voor
een ander zeggen, doen, is een veeleisend proces. Jouw studeren, ook binnen
dit vakgebied, kan een wereld voor je open maken. Een wereld van verhalen,
gevoelens, ideeën, beelden, mogelijk-heden. En niemand kan jouw situaties,
jouw groep bijvoorbeeld, zo bekijken, zien en inschatten als jij. Niemand
kan zo voor en met deze kinderen werken als jij. Zo gezien ben jij ook
een uitzondering.
Katechese op de basisschool
doet steeds een beroep op degene die op dit gebied verantwoordelijkheid
voor anderen, voor kinderen bijvoorbeeld, kan dragen. In de taal van het
vakgebied katechese kun je zeggen: de onderwijsgevende voor haar/zijn
groep is zoiets als God in het verhaal van de Zeven Dagen. Jij moet voor
deze (jonge) mensen en met hen, doen wat nog nooit gedaan is. Jouw doen
hier en nu is nog nooit vertoond, volstrekt nieuw, ongehoord. Dat heet
in het verhaal van die zeven dagen: scheppen. Scheppen heeft niet met
zijn te maken. Het zevendagen-verhaal reikt zelf: maken/doen aan (Genesis
2,1v.).
2. Katechese
en verhalen
Katechese op de Hogeschool IPABO wil een studerende gelegenheid bieden
zich toe te rusten voor de taken van een onderwijsgevende op een katholieke,
interconfessionele dan wel oecumenische basisschool. Hoe draag je verantwoordelijkheid
voor de katechese of godsdienst met een concrete groep op de basisschool?
Je zult met ouders of verzorgers moeten kunnen praten wanneer het over
katechese dan wel katechetische vorming of opvoeding gaat. Je zult met
het team overleg moeten kunnen voeren over de aanpak en opzet van de katechese
als onderdeel van het schoolwerkplan. En je zult ook moeten kunnen aangeven
wat het voor een basisschool betekent om katholiek[1], interconfessioneel
of oecumenisch te zijn. Welke moeilijkheden[2] brengt het komen uit die
traditie (dat katholieke verleden) met zich mee, welke mogelijkheden[3]?
Meer specifiek zul je zicht moeten hebben op de mogelijkheden en moeilijkheden
van katechese voor de kinderen[4] van een basisschool aan het begin van
het derde millennium. Al deze vragen klinken mee wanneer het gaat over
zoiets als katechese op de basisschool.
In een werkomschrijving
zou je kunnen stellen: voor de kinderen op de basisschool betekent katechese:
a) Individuele vorming; b) Sociale vorming; c) Kennis maken met de verhalen
van katholieken of christenen. A & B zijn niet exclusief voor katechese
op de basisschool. Ze komen in het basisonderwijs voortdurend aan de orde.
Wie verdacht is op de ontwikkeling van deze vaardigheden ziet ze ook voortdurend
aan de orde in de katechese. Op een of andere wijze brengen de verhalen
ons meer uitdrukkelijk[5] op een spoor van de katechese.
De
verhalen
In de praktijk blijkt vaak iets van paniek wanneer je beweert: Een bijbelverhaal
is niet een verhaaltje met een moraaltje. Wat is het dan? Precies dat
is de vraag. Wat is een bijbelverhaal? Waar is het op uit? Wat is de betekenis[6]?
Wanneer het over verhalen gaat kan men drie richtingen aanwijzen: a) wat
het verhaal te vertellen heeft: het verhaal; b) de toehoorder; c) de verteller.
Bij a) wat
het verhaal te vertellen heeft: het verhaal.
Wanneer ik ongeoefend ben in het luisteren naar verhalen, bijvoorbeeld
alleen vertrouwd met de short stories van de strip of de videoclip, dan
zal ik alleen met moeite in een verhaal van wat langere adem komen. Concentratie
is buiten eten en drinken om wanneer men honger of dorst heeft, niet natuurlijk,
niet eenvoudig. Vertrouwen in de mogelijkheden van het vertellen of van
het verhaal evenmin.
Verhalen[7] hebben
het vermogen heel verschillende mensen bijeen te kunnen brengen. Wie niet
van verhalen houdt blijft gevangen in het eigen verhaal. Er is niets anders.
Zonder verhalen[8] heb je geen boodschap aan het stof van onze dromen,
aan de mogelijkheden van mensen, de kwetsbaarheid en gevoeligheid, aan
het onvermoede perspectief ook. Verhalen verdubbelen mij op een merkwaardige
wijze. Nooit val ik met mijzelf samen. In een verhaal heeft steeds een
ander het woord. Lukt een verhaal, dan kom ik op verhaal. Het maakt mij
tot getuige[9] van waar het vol van is. Het haalt mij erbij, maakt mij
tot betrokkene. Het verhaal doet dat met volzinnen en woorden. Het heeft
en is niets anders. De woorden zullen gewikt en gewogen moeten worden,
tot in hun uithoeken en stille vermoeden. Wat brengen zij mee? Waar staan
ze voor? En bovenal: hoe kunnen zij klinken? Oefen[10] de klank, de intonatie,
de kleuren van je stem. Hoe passen de zinnen het best op je lippen wanneer
jij het verhaal vertelt? Hoe komt de tekst voor dit gehoor tot zijn recht?
Bij b) de
toehoorder.
De verteller maakt de toehoorder tot tijdgenoot van het verhaal. De luisteraar
wordt meegenomen het verhaal in, krijgt de rollen van deze geschiedenis
te spelen. Sympathie en antipathie, maar ook nieuwsgierigheid of het gevoel
dit is iets heel anders bepaalt hoe je instapt. In het verhaal
kom je hetzelfde anders tegen. Onverwachte accenten, woorden, blijken
mogelijkheden of vergrotingen. Zo verken je mogelijkheden voor het eigen,
achteraf gezien steeds nauwelijks nog gekende, ik. Anderen vergaat het
ook zo. Voor de toehoorder is het verhaal een uitstapje, een rondreis
door of langs[11] waar je (nog) geen verhaal voor hebt, waar je geen deel
van uitmaakt, waar woorden nog voor jou aan het licht moeten komen, waar
je eerst proeven of proberen moet.
Buiten het verhaal
om kun je niet vertellen wat het verhaal te vertellen heeft. Buiten het
verhaal om heeft het verhaal geen tekst, geen verhaal[12]. Verhaal en
verteller brengen de toehoorders bijeen, maken er zoiets als een volk[13]
van. Iedereen maakt min of meer hetzelfde mee, ieder op zijn/haar eigen
wijze, met haar/zijn eigen mogelijkheden en kwaliteiten. Verhalen kunnen
mij woorden geven waar ik eerder sprakeloos[14] was.
Bij c) de
verteller.
De verteller gaat voor de toehoorders uit zoals het verhaal voor de verteller.
Z/Hij moet heel de ruimte van de tekst verkennen, proeven[15]. Alles moet
gedaan worden om de toehoorders in het verhaal binnen te laten komen en
rond te laten kijken. Is Z/Hij geen geboren verteller, er kan op dit gebied
veel geleerd worden. Behalve verteller kun je ook een geïnspireerde
gids zijn. Je bent dan al eens binnen geweest, hebt ervaring met deze
ruimte. Binnen de katechese mag de betekenis van die vertrouwdheid niet
onderschat worden.
De verteller draagt
om te beginnen het gewicht van heel het verhaal. Wil of moet hij vertellen
tussen beiden kan best wel eens geen verschil zijn, zoals bijvoorbeeld
bij de profeten[16] dan is het verhaal zijn/haar opdracht. De verteller
moet zichzelf tot een zo goed mogelijk instrument maken Hij/zij moet alle
akkoorden van het verhaal tot zijn/haar inzet maken. Alle geuren en kleuren
van het verhaal moeten hun gang kunnen gaan, hun werk (als verhaal) doen
in zijn/haar werk (vertellen). De verteller wordt zo lang het verhaal
duurt, zijn of haar verhaal.
Een verteller kan
over deze kwaliteiten beschikken door zijn vertel- en verhaalervaring.
Je moet eigenlijk zo vertrouwd zijn met het verhaal en met je toehoorders
(een[17] van hen) dat je het publiek als een instrument kunt bespelen.
Het luisteren (horen) van de toehoorders maakt de geoefende verteller
tot verteller[18]. De akoestische ruimte opent, bepaalt de dimensies van
het verhaal.
Binnen de werkomschrijving
voor katechese bepalen de verhalen de eigen optiek. Typerend voor de katechese
zijn de verhalen. Welke verhalen?
Met de verhalen wordt
bedoeld: de verhalen[19] waarmee katholieken of christenen zich in de
loop van de geschiedenis bezig houden. Christenen zijn mensen die met
verhalen leven, verhalen over en verhalen van. Welke verhalen dragen dit?
Welke verhalen illustratief zijn gebleken voor christenen[20] kun je lezen
in teksten en afbeeldingen[21], horen in het theater, op de podia en op
menig wit doek of grijs scherm. Zinsneden daaruit kom je tegen in het
Nederlands en in heel de westerse literatuur. De bron van die verhalen
wordt wekelijks en dagelijks vertolkt in en rond synagogen en kerken.
Het is de bijbelse literatuur[22].
Interpreteren
Tussen de regels door traceren verhalen uit de bijbelse literatuur voor
ieder die aan een half woord voldoende heeft, hoe wij[23] met elkaar,
met onze wereld en met onszelf omgaan. Verhalen zetten sporen uit
latente elementen. Als poëzie, verbeelding of vermoeden spreken zij
het onbewaakte van het aanvoelen aan. Het spoor is een bijproduct, een
toegift, zo maar, herkenbaar in mensen en verhalen. Mensen en verhalen
bewaren[24] de tijd, levend en duurzaam.
Bijbelse literatuur
brengt de verhalen terug tot elementaire vormen. Zij doet dit vanuit haar
eigen kwaliteit. Zij kan dat ook, omdat elk verhaal alle verhalen veronderstelt.
Een bijbelverhaal komt nooit alleen. Het brengt altijd andere verhalen
met[25] zich mee, voorafgaande en volgende, of waar het aan doet denken.
Nooit is er niets meer te vertellen. Altijd: De volgende keer meer.
Daarom verliest een bijbelverhaal zich niet in psychologische of sociologische
contexten. Het is gemakkelijk herhaalbaar, als een ritueel. Het reikt
een basis aan, herkenbaarheid.
Het verhaal deconstrueert
de complexe structuren van menselijke verhoudingen en geeft er een zekere
eenvoud aan. Leerprocessen gericht op herkenning, maken het geheel van
de bijbelse literatuur in delen[26] toegankelijk. Zo wordt door het werk
van de verteller herkenning en vereenzelviging[27], identificatie mogelijk.
Identificatie brengt mij bij de tijd van het verhaal om mij daarna (als
nieuw) terug te laten komen bij mij zelf.
Bijbelse literatuur
kan als iedere literatuur, vindplaats van mensen worden. Mensen en menselijkheid,
herkenbaarheid, mededeelbaar maar ook kunnen zwijgen of besluiten niets
te zeggen. Verantwoordelijkheid of verantwoordelijkheid mogelijk makend
respect. Het is nogal wat, mens zijn op een aarde[28] van zoveel verhalen,
onder de hemel[29] van al die verhalen[30].
Voor-waarden
Basisplan 2000, het leerplan katechese en katechetiek op de Ipabo, veronderstelt
dat je wilt leren werken met verhalen. Steeds weer als voor het eerst
moet je leren kijken naar de wereld om je heen, naar de kinderen voor
je. Je moet zelf kunnen luisteren naar wat je verhaal te vertellen heeft.
Dat is een creatief proces. Het kost energie en tijd. Het verhaal moet
voor jou een echt verhaal worden. Je moet in staat zijn met je toehoorders
mee te luisteren naar jouw verhaal. Het basisplan gaat ervan uit, dat
je dat al een beetje kunt en dat je dat ook aan het leren bent. Dat je
de mogelijkheden van je stem verkent, de diepte en de hoogte, de volheid
en het fluisteren. Ook de methodiek van een vakgebied als drama op de
Hogeschool Ipabo zal je zeker helpen, de verteller in je aan te spreken.
Het zou wel eens kunnen dat vertellen de grondvorm van de samenleving
is, de basis en de inhoud derhalve ook van het onderwijzen. Is vertellen
of luisteren niet een praktische en pragmatische invulling van gastvrijheid[31]!
Het basisplan krenten
in de pap gaat er ook van uit dat je ervaring hebt met kinderen tussen
vier en twaalf jaar op de basisschool en dat je je verder ontwikkelt in
het als leerkracht van een basisschool omgaan met kinderen van die leeftijd.
In het begin speel je dat. De kinderen zeggen ook juf of meester
tegen je. Daarna probeer je het, verken je je mogelijkheden en doe je
het, je kwaliteiten en repertoire uitbreidend. En van proberen ga je naar
plannen, anticiperen op, kiezen uit mogelijkheden, reflecteren op je ervaring,
evalueren en leren van je ervaring en van de vraag en het aanbod dat kinderen
zijn.
Het basisplan gaat
er van uit, dat jíj bezig bent met wat jíj nodig hebt voor
je ontwikkeling als onderwijsgevende op een basisschool. Alles wat daarbij
komt kijken en wat jij nodig hebt. Je moet verder ontwikkelen waar je
goed in bent. Ook moet je actief gaan ontwikkelen waar je moeite mee hebt.
Je moet leren je eigen creativiteit in te zetten in je als onderwijsgevende
omgaan met kinderen. Dat alles veronderstelt dit basisplan.
Aan alle ontwikkelde
en te ontwikkelen kwaliteiten voegt dit leerplan toe. Er komt een boek
bij, een oud, heilig, eindeloos gespeld en nog steeds niet of nauwelijks
gelezen boek. Daarbij moet je heilig verstaan naar de betekenis die dit
woord binnen de cultuur van het boek heeft. Het is afgeleid van het werkwoord
heiligen. Heiligen is een werkwoord. Het betekent: apart stellen, onderscheiden,
onderkennen, laten wegen, tot zijn recht te laten komen. Je begrijpt:
in het bijbels hebreeuws is eigenlijk ieder mens heilig. Daarom moet je
er alles aan doen om een goed onderwijsgevende te worden.
Er komt een Boek
bij. Dat zal moeten open gaan. Het zal laten zien wat het inzake humaniteit,
het missen en het verlangen te vertellen heeft.
[1] Een
basisschool binnen een kleine gemeenschap op het platteland zal de kenmerken
van die gemeenschap ook als school laten zien. Toch zal ook die school
terdege beseffen dat de greep van de media de positie van die school binnen
de cultuur en daarmee de cultuur en het programma van de school verandert.
Ook deze school zal in de bepaling van haar onderwijs en opvoeding in
toenemende mate dienen om te kunnen gaan met verschillen. Op een stadsschool
of een school binnen een verstedelijkte kultuur zullen de kenmerken van
die pluriformiteit ook binnen de school en in de katechese zichtbaar zijn.
Wanneer vandaag een
school zich open wil stellen voor kinderen en ouders uit andere, minder
vertrouwde culturen, dan mogen bestuur en team zich realiseren, dat het
verhaal van Abraham bijvoorbeeld, niet toevallig te kenmerken is als een
verhaal waarin gastvrijheid in alle opzichten een rol van doorslaggevende
betekenis speelt. Daarmee hoeft de identiteit van die school niet ontkend
of gerelativeerd te worden. Misschien zal zij zich anders presenteren.
De aanwezigheid van
anderen maakt de vraag naar het eigene urgent. Waaruit blijkt dat? Wat
kan en wil de school als katholieke, interconfessionele of oecumenische
school voor kinderen en hun ouders betekenen?
[2] Denk
aan het steeds te verwerken verleden. Denk ook aan vermeende autoriteiten
die zich met vermeend gezag op vermeende waarheid beriepen om hun vermeende
onderdanen te verplichten zij, de autoriteiten, meenden daartoe
het recht, ja, omwille van het belang van de hen toevertrouwden zelfs
de plicht te hebben hun volk te verplichten tot hun
vermeende, vaak in ieder geval religieus begrepen waarheid. Had het gezag
niet het alleen-vertonings-recht wanneer het over de belangrijke dingen
des levens ging? Denk buiten de psychologische contexten ook aan de gang
van de geschiedenis van Europa (in en buiten Europees grondgebied). Rond
het jaar 2000 realiseert de kerk zich dat haar geschiedenis niet enkel
zegen is. De vraag na al die jaren is: hebben wij als kerk van dat verleden
geleerd? Wat doen we met wat onze geschiedenis ons leert?
[3] Hoe
te duiden dat de Messias een heel ander verhaal is? Hoe laat je zien dat
het, wanneer God koning is niet gaat over het obligate miskennen en klein
houden van mensen? Hoe kun je uitleggen waar vrede voor staat? Wat betekent
het dat de mens geschapen is, of geroepen? Hoe kun je zorgen delen, samen
verantwoordelijkheid dragen en vieren over de grenzen van het vergeten
of uit je dak gaan heen?
[4] Dit
onderwerp (wanneer het over de Messias gaat, waarover gaat het dan?) klemt.
Velen kunnen niet meer horen, welke roep er van het evangelie uit gaat.
Waarom kunnen zij dat niet horen? De kwaliteit van de kerkelijke verhoudingen
- het kerkelijke verleden speelt daarin een dramatische rol - is in deze
bepalend. Het komt buiten de sfeer thuis en op school maar zelden voor,
dat kinderen een milieu kunnen vinden waarin zij iets kunnen horen over
waar de verhalen vol van zijn. Ouders willen best hun kinderen iets over
deze dingen laten leren, maar zij weten niet wat. Dat is hun ook nooit
geleerd.
De rol van de katholieke
school aan het begin van het derde millennium is voor de kerk (volgens
Vaticanum II Gods volk onderweg) belangrijker dan bijvoorbeeld
een halve eeuw geleden. Of een nieuw kerugma, nieuw naar vorm, maar wellicht
ook nieuw naar inhoud, een kans van slagen biedt of mogelijk is? Dat zal
bepaald worden door de vraag, of de kerk meer te bieden heeft dan zijn
problematische zelf. Kan het bijvoorbeeld zichtbaar worden, dat mensen
er niet enkel toe dienen dan om toegesproken te worden?
Met kerugma
wordt verkondiging bedoeld. Kerugma is het antwoord op de vraag:
waar gaat het eigenlijk over? Wat wil er verteld worden? Waar is het verhaal
van al zo hoge van al zo veer op uit? Kerugma leidt tot koinonia,
gemeenschap, en nodigt uit tot diakonia, dienst. Deze drie kerntaken
worden weergegeven met een grieks woord. Grieks is de taal van het zogenoemde
Nieuwe Testament het getuigenis opnieuw van het aloude verbond.
Kerugma, koinonia
en diakonia zijn de drie traditionele taken van de kerk. Deze oude
woorden zeggen: wanneer mensen er zijn voor elkaar, wanneer zij een beetje
het gevoel hebben, bij elkaar thuis te zijn, dan ontstaat verbondenheid
in de praktijk. Een woord als dienst gaat over zoiets eenvoudigs
als tot je dienst. Gemeenschap (koinonia) en dienst (diakonia)
zoals dat zichtbaar wordt in een school kan men verstaan als het uitproberen
van wat het betekent om een katholieke, christelijke school te zijn. Nergens
buiten de Europese cultuur wordt de uitoefening van je werk etymologisch
in verband gebracht met het werkwoord roepen, alsof je beroep een
roeping is.
[5] De
term meer uitdrukkelijk is hier weloverwogen gekozen. Individuele en sociale
vorming in de katechese zijn niet secundair of bijkomstig. Goede woorden
woorden/verhalen die ruimte bieden, die een begin mogelijk maken
boeken resultaat voor mensen en kinderen, individueel en als gemeenschap.
Individuele en sociale vorming kan men, in het spoor van de verhalen,
impliciete katechese noemen. De ander respecteren kan men kwalificeren
als een humane en als een religieuze kwaliteit. Het menselijke en het
religieuze leggen elkaar uit, leunen tegen elkaar aan, ondersteunen elkaar.
Misschien proberen
de verhalen een gehoor te creëren waarin mensen er mogen zijn, mensen,
in alle personen van het persoonlijk voornaamwoord. Door het woord horen
kom je bijbels gesproken in literair en cultuurhistorisch opmerkelijk
gezelschap. Zie Deut 6,4.
[6] Betekenis
van een verhaal, betekenis van woorden. Wat is de betekenis van
een woord? Een woord is inderdaad een teken. Maar waarvan? Van een concept
(begrip), een voorstelling in ons brein, volgens De Sausure.
Maar dat verplaatst eenvoudig het probleem. Is dat woord/concept talig
of is het buitentalig.
De enige uitweg is de verwerping
van het begrip betekenis in de zin die de theorie daaraan
gaf
Wanneer een taal een systeem is, dan hoeven we het systeem
niet te verlaten; wij kunnen dat trouwens niet eens. Het is voldoende
de plaats van ieder element te bepalen ten opzichte van de andere elementen.
Waar het om gaat zijn zaken als opposities, identificaties, verbindingen,
associaties binnen een taal en in het bijzonder binnen een tekst.
Hoe functioneert een woord/begrip te midden van andere woorden/begrippen.
Hoe verbindt de taal het met andere woorden/begrippen. ROCHUS ZUURMOND,
De vertaler als theoloog en hermeneut, in Interpretatie, 7, maart(1999)pp.
14v.
[7] Denk hierbij niet
alleen aan het verhaal als vertelling, maar ook aan bijv. film.
[8]
vertelling
een kunst van het spreken
MICHEL DE CERTEAU, Linvention
du quotidien I, Arts de faire, Nouv. Éd., Gallimard 1990, folio
essais 146, p. 124.
[9] In
feite is dit de struktuur van bijvoorbeeld de eucharistieviering. Het
basisverhaal is steeds: Jezus, die avond voor zijn lijden en dood. Hij
neemt het brood en de beker en reikt dat zijn leerlingen aan. Hij zegt
hen iets. In het verlengde van dat verhaal is de liturgie een heilig rollenspel.
De aanwezigen gaan mee het verhaal in, worden (de) leerlingen. Studenten
op de Ipabo speelden het in een open opdracht met de volgende woorden.
Wanneer je een beetje begrepen hebt waar het mij om begonnen is, neem
dan dit brood, deel het met mij en met elkaar en doe ook zo. Dit is mijn
bestaan. Hier ben ik. Neem en eet
en drink.
[10] Beperk
je in het begin vooral tot de eerste regels. Lees die bijvoorbeeld met
accenten op steeds weer een ander woord. Zo maak je het verhaal los van
je eerste indruk. Kijk eens onder het woord verhaal of vertellen in het
register van Het geschenk van de woestijn. R.DEEN, FR. HOUTZAGER,
Een geschenk van de woestijn, Amsterdam: Echelon 1995.
[11] Wanneer
kinderen voor het eerst van hun leven in Parijs zijn geweest ... Nog lange
tijd, en eigenlijk van nu af aan voor altijd, is Parijs Parijs! geworden.
Alsof die stad iets eigens kan zijn, iets vertrouwds.
[12] Buiten
het schilderij heeft de schilder niets om te laten zien, niets gemaakt.
Buiten de muziek is er van dit te vertolken opus geen noot te horen. Iemand
vroeg Beethoven wat een sonate betekende. Beethoven ging zitten en begon
opnieuw te spelen.
[13] Binnen
dit spoor kan men vele richtingen uitgaan. Enkele daarvan worden hier
aangereikt.
a. Het Joodse volk
met zijn feesten en verhalen. Wij waren slaven in Egypte en Hij
heeft ons bevrijd wordt elk jaar met de viering van Pesach, het
paasfeest, zo actueel als deze dag. De slavernij is een verzamelnaam voor
het lot, mensen aangedaan die nog steeds nauwelijks, bijna niet, zelf
kunnen leven omdat anderen vinden dat ze moeten bukken, krom staan, lasten
dragen. Het exodusverhaal en het ongedesemde brood (matses) maakt de deelnemers
aan de seideravond (de avond van het paasverhaal) tot mensen die bevrijd,
verlost worden. Wat dat ook moge betekenen, steeds is het hoe dan ook
een beetje concreet, zeker die avond. Al was het maar door een beetje
oog voor elkaar te hebben en de ander er te laten zijn. Als je een ander
een beetje de ruimte geeft, doe je als God in het verhaal van bevrijding
en schepping. In het gedrag van mensen van vandaag blijkt dat oude verhaal
springlevend, zo goed als nieuw, meer dan een flard herinnering.
b. Binnen het ritueel,
de cultuur, is elk gebaar vaak een verhaal, een knooppunt en verzameling
betekenissen. Het zijn steeds weer mogelijkheden om te vragen of om uitleg
te geven als daar vraag naar is. Heel die struktuur van verhalen is onbewust
of sluimerend. Steeds kan zij herkend worden, actueel blijken, nog meer
betekenis blijken te hebben dan je eerst dacht, nog weer meer genuanceerd
te zijn, nog rijker, voller, veelbelovender.
Zo gezien geeft het
verleden het apparaat om het heden en dat wat komend is te kunnen verstaan
en blijken de eerdere ervaringen nog fundamenteler en veelzeggender. Ook:
hoe goed goed eigenlijk is moet je vandaag ontdekken. De ervaring
van gisteren was gisteren, dat is voorbij. Het is niet meer. Vandaag is
alles nieuw als ik er bij ben in ieder geval voor mij.
c. Ook de beeldtaal
(denk aan reclame) is de taal van een kort, duidelijk en compleet verhaal.
Onopgemerkt, verborgen, doet zij in stilte haar werk. Zij spreekt alsof
ze je eigen taal is, je eigen stem, je eigen, moeilijke, verlangen. Suggestief,
liefst voorkritisch, geeft zij zich. Je hebt wat aangeprezen wordt nodig.
Je hebt er toch ook recht op.
d. Liturgie: laos/volk,
[:toergein:]/onderhouden. Het volk oefenen in volk-zijn.
e. Volk: hierbij moet
je denken aan steeds concrete groepen. Dat kan een klas zijn, een dorp,
een kerk, een gemeente, een fanclub, een politieke beweging. Duidelijk
is, dat hier ook de minderheids- en meerderheidscultuur bij hoort. Ook
bewegingen als:Weg met
of Du bist nichts, dein
Volk ist alles nazitaal. Binnen die groepen kan de kritische
instantie belangrijk zijn. Daarom is het permanente leren zo belangrijk.
f. Denk aan de mogelijkheid
van een verhaal als motivatie. Een verhaal kan kinderen de last van de
dag gemakkelijk laten opnemen, motiveren voor het schoolse werk.
[14] Bijvoorbeeld
in de katechese, over de God van die verhalen en over zijn mensen.
[15] Let
op. Het verhaal is ook: het verhaal als ruimte, het verhaal als tijd.
Het verhaal geeft mij een ruimte die ik buiten het verhaal om niet zou
kennen. Zo ook de tijd. Wellicht is op deze manier ha olaam habah (de
komende wereld, de wereld van de messias, van de vrede) soms ook nu al
deel van deze wereld. Daarover gaat het sjebeth achiem gam jachad van
Psalm 133, als broers en zussen ook één te zijn bij
wijze van spreken steeds.
[16] Uitleg
van de Tora.
[17] Met
Kerstmis bijvoorbeeld wordt het verhaal van die ene het verhaal van allen.
Is het vrijblijvend, de vrede enkele uren te laten duren? Is het vrijblijvend,
of een wonder?
[18] Ook
een goed les in de praktijk is het gevolg van
de samenwerking van student en groep. Wanneer je als praktijkbegeleider
zegt, dat het een goede les was, dan zegt menig student onmiddellijk:
De kinderen deden ook zo goed mee!
[19] Verhalen
zijn vertellingen. Ook de geschreven teksten (bijbel, rol, later boek)
zijn alleen geschreven met het oog op de vertolking, het voorlezen, reciteren.
Maar zo je wilt: ook gewoonten, gebaren, gebruiken, rituelen en afbeeldingen,
zelfs woorden zijn vertellingen. Je kunt vragen naar de bedoeling ervan,
de betekenis, oorsprong of zin. Een heel verhaal zal je tot antwoord (verantwoording)
dienen.
Een kleuterboek dat
de waarde van verhalen goed illustreert is het boekje van Leo Leonni,
Het muisje Frederik.
[20] Het woord christen
wordt hier bedoeld in de zin van leerlingen van de Messias. Messias
is de Griekse verbastering (opgenomen in het Nederlands taalgebruik) van
het Hebreeuwse Msjiach. Het is een technische term. Hij betekent:
Gezalfde. Daarmee wordt de koning bedoeld. Het hebreeuwse Msjiach
wordt in het Grieks vertaald met Chrèstos. In het Latijn
is dat Christus geworden.
[21] In
beelden en beeldjes, in frescos, schilderingen, glas-in-lood ramen,
in gebouwen, mozaïeken, tapijten en in lichaamstaal.
[22] Wanneer
je voor je gevoel te weinig van bijbelverhalen weet: het is niet moeilijk
dit tekort in eerste instantie bij te werken. Neem Woord voor
Woord (K.Eijkman) of Dromen van vrede (Bouwhuis,
Evenhuis). Wie wil kan zich daarna verder oriënteren. Nog zijn
er (mensen? boeken?) die de wereld van deze cultuur kunnen openen.
[23] Dit
is een democratisch meervoud. Wie zich betrokken voelt mag meedoen. Open.
[24] Zij
bewaren wat gebeurd is en gebeurt. Verhalen sterven niet zolang iemand
zich herinnert. Zij maken het verleden en de verwachting, tot bestand
van het heden. Het duidelijkst zie je dat bij feesten. Met Kerstmis wordt
Jezus geboren. Vanuit dit korte verhaal kun je reflecteren over zoiets
als een begin. Wat is het dragende beginsel van dit begin? Waar komt de
aanspraak vandaan? Wat is de oorsprong van de betekenis? Waar is zij op
uit? Waar wil zij ons hebben?
[25] Bijvoorbeeld:
Jezus gaat naar Jerusalem. Bij zon verhaal willen steeds andere
verhalen over Jezus en over Jerusalem mee verteld worden. Wie is dat,
die Jezus? Wat is dat, Jerusalem? Hoe en waarom zou je naar Jerusalem
gaan? Jerusalem staat bekend als de plaats waar iemand vraagt: Vriend,
waartoe ben je gekomen? Het is ook de plaats waar stenen (tafelen) kunnen
spreken. Zoveel verhalen. Bijvoorbeeld over David die naar Jerusalem gaat.
Of over Abraham die volgens de traditie naar de berg Moria, dat is Jerusalem
gaat (zie 2 Kronieken 3,1). Het verhaal Jezus gaat naar Jerusalem draagt
dus ook verhalen aan over de Tempel in Jerusalem. Dus ook over Salomo,
de zoon van David. Dat om te beginnen klinkt allemaal mee wanneer Matheus
schrijft: Boek over de genesis van Jezus Messias, zoon van David,
zoon van Abraham (Mattheüs 1,1).
Moet dat allemaal
aan kinderen verteld worden? Waarom moeten? Wat moet doe je vanzelf zolang
het duurt. Maar deze verhalen mogen verteld worden zolang er vertellers
en hoorders zijn. Verhalen brengen je op het spoor van mensen en wat hen
tot leven strekt. Alles wat nog verborgen is komt in verhalen aan het
licht. In talen en tasten, proberen, verstaan en delen. De verteller moeten
kunnen vertellen. Daarom moet z/hij ook een vermoeden hebben van de competentie
van de verhalen en van een zekere volgorde. Je kunt niet alle verhalen
tegelijk vertellen. Het aanreiken gebeurt op basis van een te verantwoorden
selectie. Zo zijn kinder- of anderszins sterk vereenvoudigde bijbels ontstaan.
De verhalen beogen
mensen en kinderen, Ze maken ons verleden groter dan alleen de eigen herinneringen.
Zo lang het goede verhaal duurt, zo lang kunnen wij, vertellers en toehoorders
in dit goede verhaal geloven.
[26] Het
geheel van de Bijbelse Literatuur bestaat waarschijnlijk niet. Nooit is
het geheel present, representeer- of totaliseerbaar. Daarom wordt het
steeds in delen aangeboden. Deconstructie is ook constructie. Al die verhalen
horen bij elkaar, met hun verbindingen. De procedure lijkt gecompliceerd
maar is het niet. Denk bijvoorbeeld aan: hoe leer je een stad kennen?
Amsterdam bijvoorbeeld. Dat zal toch ook gaan via Monopolie (Kalverstraat,
Leidse straat), Schoppenaas (de Beurs van Berlage of Haarlemmer Poort),
de televisie op 4 Mei en menig bericht in de media. Ook de duiven op de
Dam en Rembrandt onverstoorbaar op zijn plein, met of zonder mensen op
de terrassen: dat alle hoort daar bij. En dan hebben we het nog niet eens
gehad over het Leidse Plein, de Oude Kerk of Anne Frank voor de Wester,
of de Jan Tooropstraat.
Binnen het steeds
amorfe geheel (Amsterdam bijvoorbeeld) worden namen genoemd, plaatsen
aangewezen, verhalen verkend en herinneringen opgehaald. Het geheel wordt
steeds concreter, groter. En alles wat wie dan ook herkent, beschrijft
die stad, dat boek, en geeft impliciet ook autobiografische connotaties
aan van de toegesprokene of de verteller. Dat autobiografische is ook
relevant voor anderen, want het speelt zich af voor het aangezicht van
de anderen. Iedere betrokkene is steeds concreet betrokken. Al die verhalen
kunnen verteld worden. Kunnen. Het moet niet. Amsterdam is steeds groter
dan alle verhalen.
[27] Denk aan identificatie
en imitatie. Deze struktuur gaat terug tot bijv. Gen 1: beeld en gelijkenis.
Dat wil zeggen om te doen als. Het is de struktuur die eigen is aan ieder
goed verhaal. De presentatie neemt je mee, maakt je tot deelgenoot. Bij
de joodse paasviering bijvoorbeeld vertelt degene die de maaltijd leidt
over slavernij en bevrijding. Hij moet echt vertellen. Dat wil zeggen:
hij moet er iets uit zijn eigen ervaring bij doen, dat voor hem slavernij
en bevrijding concreet, persoonlijk beleefd maakt. De gasten aan de paastafel
eten van de maror (het bittere kruid) en de charoseth (het zoete bijgerecht
van appel, rozijnen, honing en kaneel dat door zijn kleur doet denken
aan de klei waar de slaven tichelstenen van moesten maken) en luisteren
naar het aloude exodus-verhaal. Ze komen met vragen, suggesties, associaties
of matigen de ernst van het gesprek met een geintje. Ontspanning maakt
spanning mogelijk.
Allen aan tafel kunnen
zich verplaatsen in de ervaring van de verteller. Door zich te identificeren
met de verteller, identificeer je je met zijn verhaal.Zo wordt het verhaal
over bevrijding jouw verhaal. Na de paasmaaltijd weet je uit eigen ervaring:
wij waren slaven in Egypte en hij heeft ons bevrijd.
(Iedere generatie
moet zichzelf beschouwen als bevrijd uit de slavernij opnieuw,
nu van omhoog, uit verhalen geboren. Vgl bijv. Jo 3. Nicodemus begrijpt
niet hoe dat kan, opnieuw geboren worden. Hij moet leren dat je van omhoog,
uit de verhalen geboren kunt worden.)
[28] De
aarde is de plaats van de mens, de plaats waar de mens mens
kan, moet en zal zijn, hopelijk ook is. Dit gaat zo ver, dat soms de aarde
ook synoniem is voor de mens.
[29] De
hemel is minder betwist. De hemel steeds in verhalen - is de
plaats van God. Je begrijpt: waar God de dienst uit maakt is alles
goed geregeld. Zo is de hemel blauwdruk, plan voor de aarde. Let wel!
Voor ons gevoel liggen hemel en aarde zeer ver uit elkaar.
Voor de bijbelse vertellers zijn zij elkaars buren, horen zij vanaf Genesis
1, het zeven dagen verhaal, dank zij Gods scheppen bijeen als het eerste
paar, de eerste vertolking van het geheim dat het verbond is.
[30] Het
hoeft geen betoog dat ook daarmee een bijbelverhaal begonnen is. Genesis
1 bijvoorbeeld, de aanhef over het verbond tussen hemel en aarde, vertolkt
in woorden die men weer kan geven met parafrasen als: wanneer God
begint met zijn scheppen
Maar voordat je je de vrijheid van
die omschrijving aandurft zul je iets moeten weten van de hoed en de rand,
zul je je een beetje thuis moeten weten in de marge van bijbelse literatuur.
Behalve de streepjes die jij daar gezet hebt is die altijd wit.
[31] Bij
gastvrijheid zijn de rollen en afspraken duidelijk. De onderwijsgevende
is de gastheer of gastvrouw. Let wel: ook een groet is een verhaal, lijst
het gebeuren hier en nu in, vertolkt het, legt het uit, doet het plaats
vinden. Over verhalen gesproken: Abraham is echt Abraham in het verhaal
over de gastvrijheid. Abraham wordt genoemd: de vader van de gelovigen.
3. Het plan
Om te beginnen
Je bent naar de Hogeschool IPABO gekomen. Je bent gekomen en je bent blijven
komen. Blijkbaar past de hogeschool bij de voorstelling die jij je maakt
wanneer je peinst over: Hoe wordt ik een goed onderwijsgevende? Tijd,
energie en geld maak je vruchtbaar in moeite en zoeken, in beschikbaarheid,
loyaliteit en inzet. Dat doe je voor jezelf. Je bent het ook verplicht
tegenover degenen die samen met jou studeren of degenen die jóu,
samen met anderen, op weg helpen, adviseren, uitdagen. Je bent het ook
verplicht aan kinderen van de basisschool die jouw kinderen zullen zijn,
- ook al blijkt dat achteraf steeds maar tijdelijk [1] .
De wijze waarop jij
je verantwoordelijkheid interpreteert blijkt uit je zoeken naar wat goed
is of het beste. Dat maakt je bespreekbaar in verslagen en werkstukken.
In die teksten maak je je bedoelingen en keuzen toegankelijk, probeer
je varianten, zoek je alternatieven, ga je na wat er gebeurd is en overpeins
je hoe het de volgende keer eventueel beter of anders kan. In de beschrijvingen
zal blijken dat jij en wij in toenemende mate meer van je vragen. Je inzichten,
vaardigheden en dus ook je verwachtingen, criteria groeien. Bij die vragen
moet je denken aan vragen als: waarom gaat het bij mij (in de praktijkschool)
zoals het gaat? Zijn er motieven, kapstokken, zaken die terugkeren, vaste
punten, vragen? Bijvoorbeeld: ik merk dat ik best moeite heb met vertellen.
Hoe kan ik daaraan werken en beter gaan vertellen?
Jij bent in je leerproces
om te beginnen waarschijnlijk een beetje lijdend voorwerp. De dingen overkomen
je. Maar dat verandert. Steeds meer ga je initiatief nemen, wordt je mee-werkend
of onderwerp, actief en betrokken. In alle personen van het werkwoord
neem je deel aan je onderwijs en vorming.
Steeds meer ga je
zelf een actieve tot zeer actieve rol spelen in je eigen leerprocessen.
Zelf ga je ontdekken, wat het voor jou betekent, een goed onderwijsgevende
te zijn. Uiteraard leer je samen met anderen (medestudenten, mentoren,
docenten, Ipabo en praktijkscholen). In individueel en sociaal gedrag
kom je jezelf als aanstaande onderwijsgevende op het spoor.
Waarom legt dit basisplan
zoveel nadruk op jou, de student? Het lijkt wel alsof je bijzonder bent.
Dat is ook zo. Jij zult nu en later kwaliteiten hebben, dingen kunnen,
of om kunnen gaan met kinderen op een manier die alleen jij kunt. Jij
bent bijzonder - bijzonder staat tegenover algemeen. Algemeen wil zeggen:
één uit velen of waar er zoveel van zijn. Een mens is ondanks
alle meten met gemene maten toch een uitzondering. Iedere mens is een
schepsel Gods, een schepping apart. Apart, uniek, uitzonderlijk. De nadruk
op tal van hedendaagse verschijnselen [2] in cultuur en onderwijs wordt
zeker mede gedragen door de katholieke, christelijke of bijbelse traditie
[3] . En er is meer.
Alleen door meer
ik te worden kunnen wij meer wij worden, wij samen, als studiegroep, als
klas, als school, tot en met als samenleving. In de dagen van het grote
verdriet over zoveel mateloos en onzinnig geweld zou dat betekenis kunnen
krijgen.
Op de hogeschool Ipabo
ga jij de modules voor katechese/katechetiek volgen. Daartoe zijn enkele
uitgangspunten geformuleerd. Zij willen je aanreiken, effectief te studeren.
Uitgangspunten
1. Je hebt om te beginnen globaal een idee van je eigen inzicht in wat
het vakgebied katechese van je gaat vragen. Dit idee zal gedurende je
opleiding meer concreet worden. Je zult je oorspronkelijke ideeën
bijstellen, verder toespitsen, beter kunnen verwoorden en verantwoorden.
Je zult ook steeds gemakkelijker kunnen zeggen waar het over gaat, waar
we mee bezig zijn en waarom we dit zo doen. Het is best belangrijk dat
je kunt verwoorden wat katechese op de basisschool is.
2. Je hebt voor zover
dat in jouw vermogen ligt, een open houding. Dit blijkt uit de wijze waarop
je tijd en zorg besteed aan je studie, je verslaggeving en aan de ontwikkeling
van je vermogen om vragen te stellen (horen, reflecteren, ijken, ordenen
en toetsen van eigen inzichten).
3. Wanneer je het
gevoel hebt dat je als student(e) niet voldoende veilig kunt
zijn wie je bent, bespreek het met studiegenoten of neem contact op met
de docent. Je studie is te kostbaar om met minder dan goed tevreden te
zijn. Het gaat over jou, als student(e) en als aanstaand onderwijsgevende,
voortdurend verantwoordelijk voor kinderen.
Regelmaat
1. Je bent bij individueel en groepsgebonden leren (studeren, verwerken,
plannen, uitvoeren, toetsen en evalueren) van de diverse onderdelen van
het leergebied bereid aan te geven hoe je werkt en waarom zo. Steeds opnieuw
weer ben je bereid je in te zetten. Waarom? Simpel: zonder jou gaat het
niet. De diverse aspecten van je studie katechese kun je voorlopig en
steeds beter benoemen. Hierbij kun je denken aan kennis (bijbelse literatuur,
centrale verhalen, namen en woorden, je kijk op en begrip voor zich ontwikkelende
kinderen, hoofdstromingen in de cultuur, ook de cultuur van het onderwijs)
en vaardigheden (ordenen, omgaan met taal en creativiteit, reflecteren
op je eigen leerervaringen en die van anderen). Steeds wil je als het
ware opnieuw beginnen, bij de tijd tegenwoordig en dus creatief zijn,
ontdekken wat je inspireert en wat je inspiratie tot inspiratie [4] maakt.
2. In regel is er
tijdens het college altijd een onderbreking. Je kunt altijd een korte
feedback geven of een afspraak maken.
3. Minstens een keer
per 14 dagen reflecteer je op een persoonlijke wijze (in journaalvorm)
op de eigen concepten, vaardigheden, attituden. Je streeft daarbij minder
naar afgerondheid en totaliteit dan naar intensiteit en betrokkenheid.
Anders gezegd: je geeft geen uitgewerkte, afgeronde beschrijvingen maar
meer aanzetten, korte overwegingen, constateringen, aandachtspunten [5]
. Je sluit deze fragmenten reflectie steeds af met één of
twee opmerkingen die in de richting van eigen leervragen gaan. Deze teksten
hebben een min of meer persoonlijk karakter en zullen als zodanig gerespecteerd
worden. Het katechetisch journaal is een middel om je bij de les, of de
vinger bij de pols te houden. Je begeleidt daarmee je eigen je eigen studie
en ontwikkeling voor dit vakgebied. Wanneer in je schrijven eenzelfde
probleem min of meer regelmatig terug komt, dan moet je het bespreken.
Je kunt het rechtstreeks of zijlings voorleggen aan een ander, of aan
de docent.
4. Gedurende je studie
op de hogeschool Ipabo staat centraal dat jij wil leren. Dit leren maak
je toetsbaar in de individuele en gezamenlijk gemaakte teksten.
Alle teksten bewaar
je in een map. Na verloop van tijd breng je hier een zekere ordening in.
Deze map heb je bij iedere tussentijdse evaluatie bij je, ter inzage.
Op aan te geven tijden sluit je een gedeelte van je opleiding af met een
schriftelijke evaluatie.
5. Op de af te spreken
datum lever je een en ander tegelijk met je katechetisch journaal in.
Tijdens een korte nabespreking worden je vorderingen vertaald in studiepunten,
voorzien van een waardering
Tijd en taak
Alles wat we minimaal moeten doen is zodanig verdeeld dat een leerplan
mogelijk wordt. Voortdurend moet je met alles bezig zijn, maar dat werkt
niet. Daarom is de leerstof thematisch exact aangegeven, gegroepeerd rond
enkele woorden of verhalen. Op die manier groeit voldoende zicht op het
geheel van de bijbelse literatuur zonder deze uitgebreid of oppervlakkig
te presenteren. Ook het eigen kunnen en groeien komt hanteerbaar binnen
perspectief. Daartoe zijn steeds accenten gelegd. Binnen 2 tot 4 modulen
moet je in staat zijn eenvoudig katechetische materiaal (lessen of series)
te ontwerpen. Vanuit die kennis en ervaring kun je waarschijnlijk ook
verantwoord gebruik maken van bestaand katechetisch materiaal.
Bij elke beschrijving
zijn nogal wat vragen geformuleerd. Ze geven mogelijke accenten aan. Het
is niet de bedoeling dat je die vragen beantwoord. Zie ze maar als de
joker in het kaartspel. Op zich betekenen de vragen niets, maar tijdens
je werk kunnen ze vele betekenissen krijgen en overal voor staan. Tua
res agitur: het gaat om jou. Kies niet steeds dezelfde vragen. Wissel
van vraagstelling. Probeer verder te komen dan enkel een herhaling van
zetten.
Propedeuse
Tijdens de propedeuse zal de verantwoordelijkheid voor je leren zich meer
richten op je eigen plaats, je studeren en leren op de hogeschool en in
de praktijk. Dat betekent: verkenning, situering, kennis maken met, eerste
informatie en eerste uitproberen van recent verworven kennis en vaardigheden
in de praktijk.
Gedurende deze periode
(P-Ka-1a) oriënteren de colleges katechese zich op: werkomschrijving
van het vakgebied, inleiding bijbelse literatuur, verkenning Genesis,
Exodus, Passie en Pasen, eerste verkenning van het praktisch bezig zijn
op de basisschool. Deze eerste oriëntatie is algemeen, meer gericht
op de moeilijkheden en mogelijkheden van het werken met een groep kinderen.
Je probeert iets uit, heel klein nog, een deel van een les of het werken
met een kleine groep. De colleges katechese beginnen tweede helft van
het eerste jaar. Je hebt je eerste stageperiode al achter je.
Het leren reflecteren
op het eigen onderwijsgedrag en het verhelderen van het subjectief concept
[6] maak je bespreekbaar door middel van een tekst. Je schrijf een kort
essay over kinderen, de werkelijkheid en de verhalen. Maak daarbij onderscheid
tussen het jonge kind en het oudere kind. Je bron is je eerste stageperiode
(herinnering) en de stage die je nu doet. Praat met enkele kinderen over
verhalen en wat daar aan of mee is. Gebruik woorden van kinderen om je
verhaal te concretiseren. Eventueel: wat betekenen vragen van kinderen
en hoe gaan volwassenen daarmee om [7] .
Streef in de teksten
die je schrijft regelmatig opnieuw naar het concrete van de directe observatie
en interpreteer de weg die je gaat. Het is jouw persoonlijk leerproces.
Let wel: aan het begin van je opleiding kunnen ook de antwoorden op die
vragen niet verder gaan dan het begin.
Als hulpvragen kun
je peinzen over de volgende kwesties. Maak je eigen bloemlezing. Wat zijn
de ervaringen waar je van leert? Heb je het gevoel dat je een beetje zicht
begint te krijgen op jouw leervragen? Beginnen zich ook eerste antwoorden
af te tekenen? Bijvoorbeeld: als kinderen zo spreken, zien, blijken te
denken, wat doen verhalen dan voor kinderen? Hoe moet ik gaan leren vertellen?
Zijn er themata die wat meer toegankelijk beginnen te worden? Welke woorden
denk je zijn binnen dit vakgebied functioneel, inspirerend, bieden ruimte?
Met name aan het
begin van je opleiding lijkt het belangrijk dat je zicht krijgt op je
eigen veranderen. Wat is nieuw voor je? Wat begin je te begrijpen, te
kennen, in te zien? Waarom is dat belangrijk? Wat je weet, kent en kunt
is voor jezelf vanzelfsprekend en natuurlijk [8] . Je hebt van dag tot
dag de indruk dat je nauwelijks verandert. Vanuit het beheersen van de
situatie ontstaat de neiging om altijd vanuit veiligheid, vertrouwd terrein
te gaan werken. Wat je kent brengt zoveel onrust of onzekerheid mee. Met
welke studieuze zaken ben je nu als vanzelf bezig terwijl je daar eerder
nooit aan gedacht hebt?
Katechese [9] blijkt
steeds meer een nog te ontginnen gebied. Waarheid in de zin van feiten
zijn hier niet uit voorraad leverbaar. Altijd ben je bij een begin. Zet
je het katechetisch vuur wat lager, dan wordt het wat gemakkelijker. Maar
een vuur dat nauwelijks brandt is nauwelijks vuur, het verwarmt niet.
Voor een studerende
kan het belangrijk zijn, vertrouwd te zijn met leven in onzekerheid, leven
in groei. Je moet ervaring opdoen met het overtrekken van grenzen, het
op zoek gaan naar het nog niet gekende. Als het over onderwijs en opvoeding
gaat, en kinderen, leren wat boeit je dan? Wat zou je verder willen
uitzoeken? Wat zou je beter willen kennen of kunnen? Waar zou je meer
feeling voor willen krijgen? Waar trek je de grens van niet naar wel over?
Welke vragen bijvoorbeeld kon je eerst niet en nu wel beantwoorden? Vanuit
het gevoel van leren blijf je ook dicht bij de kinderen. Het leren betekent
ook voor hen confrontatie met het nog niet gekende. Ook daarin gaat de
onderwijsgevende hen voor.
Zeker aan het begin
moet je zorgvuldig je eigen leren volgen. Waar groeit je repertoire? Wat
zou je verder moeten weten/kunnen/kennen? Het gevoel van onveiligheid
zou uit het onderwijs moeten verdwijnen. Stel je voor dat ik het niet
weet. De wereld is veel groter dan mijn begrip. Het is trouwens belangrijk
dat je je realiseert dat je niet alles kunt, en zeker niet hoeft te weten
en te begrijpen. Alles bestaat niet. En als het wel zou bestaan, dan zal
vrij snel blijken dat alles meer omvat. Katechese studeren op de hogeschool
Ipabo betekent een gesprek beginnen en leren mee te praten, met/over de
leerstof, met en over, ten dienste van kinderen op de basisschool, de
basisschool zelf, je medestudenten, je studiegroep, tal van situaties
met zoveel docenten van de opleiding, en zeker ook met je docent katechese/katechetiek.
Dat gesprek zal over tal van kwesties gaan. Rode draad daarbij blijkt
binnen het vakgebied katechese/katechetiek steeds weer het geheel van
de verhalen [10] waar christenen mee leven en die zij proberen op het
spoor te komen.
In de tweede helft
van de eerste module (P-Ka-1b) ga je meer zelfstandig met de aangeboden
literatuur aan het werk. Het wordt een opdracht in groepswerk die zich
concentreert op Abraham, Isaäk en Jacob. Waar staan die namen voor?
Op het spoor van welke thematieken willen die verhalen je hebben. Welke
themata helpen op het spoor van die verhalen te komen [11] ?
Let op. Je levert
niet een verhaal in, bijvoorbeeld over Abraham. Geen uitreksel. Dat is
er al. Zie kinderbijbels. Voor het maken van de opdracht, het gaat over
zelfstandige en groepsgebonden werk, bestudeer je steeds 2 à 3
paginas literatuur uit de Reader Alef. Je mag het bestuderen zoals
je wil, maar je moet iedere keer 3 of 4 woorden over houden. Woorden die
blijkbaar belangrijk zijn, of zinvol. Vergelijk jouw lijstje met dat van
anderen binnen je groep. Maak een gezamenlijk (groeps-) lijstje [12] .
Daarna de volgende 2 tot 3 paginas. Als alles klaar is maak je een
of twee suggesties voor lessen. Daarin komt aan de orde het (gedeelte
uit het) verhaal, het (hefboom-) woord en de kinderen. Suggesties. Geen
uitgewerkte lessen.
Methodische
aanwijzing - werken met bijbelverhalen
Je moet je geen samenvattingen maken. Je mag ze natuurlijk voor jezelf
samenvatten, als een geheugensteun. Maar die samenvatting hoef je, bij
wijze van spreken, niet in te leveren. Wanneer je perse iets van het verhaal
wil opschrijven, neem dan bijvoorbeeld de eerste regels. Wanneer je het
begin min of meer kalligrafisch overschrijft, - zo dicht mogelijk bij
de tekst blijvend maar eventueel wel met eigen woorden, - schrijf je als
het ware voor jezelf het verhaal open. De ruimte van de tekst gaat leven,
wordt meer (de aanhef van) een verhaal, jouw aanhef voor jouw verhaal.
Samenvattingen vatten
niets en zeker niet samen. Het zijn hoogstens geheugensteuntjes. Houdt
die dus kort. Wanneer je met een verhaal wil gaan werken mag je je om
te beginnen best laten leiden door een kinderbijbel. Daarna ga je studerend
lezen: de tekst uit de grote mensen-bijbel. Vervolgens loop je met behulp
van de informatie in reader Aleph de tekst opnieuw door. Je noteert enkel
woorden uit de tekst die er toe doen of waarden, aandachtpunten waar de
uitleg of inleiding [13] (reader) je op wijst of aan doet denken. Vertaal
ze in woorden die vandaag typerend of passend zouden zijn. Noteer daarbij
je aanvullingen: begrippen, ideeën, beelden, suggesties, associaties,
referenties. Zo ontstaat een werkblad [14] als brainstorming. Het wordt
bijbels studiemateriaal dat jij verderop in je opleiding kunt verwerken
tot katechetisch materiaal. Het kunnen voor jou bouwstenen [15] worden.
Welke verhalen of
fragmenten te midden van anderen vind jij belangrijk, welke woorden te
midden van andere woorden? Weet je waarom? Wat jij zinvol of belangrijk
vindt, vinden anderen dat ook? Het zal je niet verbazen dat jij toch je
eigen voorkeuren hebt. Kun je er achter komen waarom jou intrigeert wat
jouw aandacht heeft? Kun je bescheiden onderwijs-opzetjes bedenken waarin
je met deze gegevens uit de voeten kunt? Hoe vertaal je zon woord
in kindertaal? Hoe zou het voor kinderen (welke) betekenis kunnen krijgen
[16] ?
Gedurende je propedeuse
werk je één keer per veertien dagen, (drie keer per blok,
de derde keer ook evaluerend) aan je katechetisch journaal. Je doet dit
in een apart, regulier schoolschrift [17] . Het hoeft niet zo leesbaar
te zijn. Niet te veel peinzen. Denk even na en schrijf dan ongeveer 20
minuten. Een opname van het moment. Eventueel concretiseren, of een paar
strepen ergens onder zetten. Probeer op het spoor te komen van iets dat
voor jou als a.s. onderwijsgevende van vitaal belang kan zijn.
Na het laatste college
van ieder blok colleges werk je aan reflecteren in aanzet, een persoonlijke
[18] oefening in het formuleren van je eigen kennen en kunnen en het oppakken
van jouw persoonlijke leervragen met voorbeelden [19] . Dit journaal lever
je op de eerste werkdag na het laatste college van de module in
wanneer tijdens het laatste college geen andere afspraak wordt gemaakt.
De kwaliteit van
je werk kan er aanleiding toe geven dat de docent je oproept voor een
gesprek. Wanneer je eigen evalueren daar aanleiding toe geeft mag je ook
zelf een gesprek aanvragen. Maar eerst schrijven, dan praten, tenzij wanneer
het niet anders kan.
Hoofdfase
Gedurende de hoofdfase zal je opleiding in toenemende mate meer een eigen
leerweg worden. De aandacht voor het bijbelse materiaal (nu in de richting
van exodus, evangelie en profetische literatuur) zal meer betrekking krijgen
op pedagogische en didactische mogelijkheden van dit materiaal en de toegankelijkheid
daarvan voor kinderen op een basisschool.
Gedurende de propedeuse
ligt het accent op kennismaken met. De opdracht rond Abraham, Isaak en
Jacob richtte zich op het verzamelen van woorden, ideeën, beelden
die de verhalen (meer objectief) meebrachten (ook voor jou, meer subjectief).
Deze manier van werken ontwikkel je verder, maar er komt iets bij. Per
vier woorden maak je van twee woorden een kwestie. Wat doen de teksten
met die woorden? Wat roepen ze op? Waarom zijn ze belangrijk voor mij
(a.s. onderwijsgevende) of voor kinderen? Wat uit de kinderliteratuur
(ook film, video, liederen) sluit hierbij aan? Bij module H-ka-1 ligt
het accent nog niet op het maken van eindproducten, lessen die klaar zijn.
Nog is het verkennend. Bij die verkenning situeer je de bijbelse literatuur
in onze (ook onderwijs-) cultuur. H-ka-1a over exodus. H-ka-1b over Mattheüs
1-2 en Lukas 1-2 (kerstmis) en bevat een klein zelfstudie-programma over
het bijbelse koning-zijn.
H-ka-2 gaat over
Markus. Gedurende de eerste colleges van H-ka-3 zal ruimte vrijgemaakt
worden om kennis te maken met de opzet van katechese op de basisschool
vanuit de begeleiding door de districtskatecheten. Er wordt naar gestreefd,
deze informatie door de begeleidende katecheten zelf te laten geven. Daarnaast
zullen enkele colleges besteed worden aan capita Nieuwe Testament. Tegelijk
begin je aan concepten voor afstudeerprojecten. Informatie over deze opdracht
vind je in de laatste alinea van deze tekst over de hoofdfase.
Je werkt meer individueel
of als individu binnen of voor een groep. Je hebt duidelijk een eigen
inbreng in de activiteiten van je werk- of studiegroep. Werken in werkgroepen
wordt in toenemende mate belangrijk. Het werken in het basisonderwijs
zal blijven vragen naar kwaliteit, betrokkenheid, flexibiliteit en kunnen
samenwerken.
Gedurende de hoofdfase
dient de intertekstualiteit [20] van de bijbelse literatuur meer toegankelijk
te worden voor onderwijs-leersituaties. Je krijgt meer kijk op de plaats
van deze literatuur in onze [21] kultuur. Je moet leren en geleerd hebben,
verhalen, thematieken, beelden en woorden te vertalen in andere verhalen
en situaties [22] . De opmerkzaamheid en het lerend vermogen van kinderen
moet jij een plaats kunnen geven binnen het rijke klimaat van talen en
verhalen, van woorden en beelden, gevoelens en begrip. Taalontwikkeling,
ontwikkeling van creativiteit en kinderen leren vragen [23] te stellen
gaan in deze fase van je studie steeds meer punt van voortdurende aandacht
worden. Nabij en op respectvolle afstand, word je getuige, (betrokkene,
zij het meer professioneel en geschoold) partijgenoot in het groeiproces
van het zich ontwikkelende kind [24] .
De lessen zijn vraag-
antwoordcollege. Je bestudeert vooraf de opgegeven stof uit de reader,
formuleert enkele vragen. Gedurende het college worden de vragen ter sprake
gebracht en worden antwoorden gezocht door de groepsgenoten. De docent
is gespreksleider, probeert vragen en antwoorden te verhelderen indien
dit nodig of nuttig mocht zijn. Eerst zelf proberen.
Gezien de werkwijze
wordt het een normale zaak dat studenten materieel met hetzelfde bezig
zijn terwijl de inzet, de werking en de (steeds voorlopige) uitkomsten
van het leren verschillend is. Omdat het groepswerk voortdurende
ontmoeting met anderen beslist inspirerend is, moet je het werken
van de groep regelmatig evalueren. Omdat ieder mens je op een andere wijze
inspireert, ziet de docent het liefst, dat je ieder blok (5, 6 en 7) in
een anders samengestelde groep werkt. Bevordert dat niet ook de zakelijke
kant van het werken?
Naast een zekere
constante tekenen zich in de verslaggeving, planning en verkenning een
zich ontwikkelende flexibiliteit en creativiteit af. Identiteit is een
kwestie van veel variatie. Dat moge duidelijk zijn. De praktijk vraagt
dat.
Werken aan de ontwikkeling
van reflexief vermogen dient zich te oriënteren aan een zich ontwikkelende
gevoeligheid voor en toegankelijkheid van situaties in de praktijk. Jouw
vraag als onderwijsgevende kan zoiets worden als: hoe kan ik in de katechese
deze (steeds concrete) kinderen veiligheid bieden? Hoe kan ik met het
geduld van de wijsheid, hun groeien stimuleren? Hoe kan ik hen in alle
bescheidenheid maar met de kennis en vaardigheid van een professioneel
geschoolde, helpen een plek te vinden, de draad van hun leven (een beetje,
weer, toch kortom met alle denkbare en mogelijke modaliteiten)
op te pakken? Tegelijk dient het bezig zijn met de vragen van mensen en
kinderen van vandaag, zich te spitsen aan en in het herkennen van verhalen,
woorden, beelden en concepten uit de bijbelse cultuur. In de ontmoeting
met het andere ontstaat het eigene. Op de boven aangegeven wijze bestudeer
je delen uit de readers Alef en Beth. Delen van je werk komen terecht
in studiemateriaal (bouwstenen en beddingen) dat je voor de modules maakt,
of het worden aantekeningen in je katechetisch journaal.
Gedurende de hoofdfase
sluit je elke praktijkperiode in je katechetisch journaal af met een korte
schets van de situatie van de katechese (godsdienst, levensbeschouwelijke
vorming) in de betreffende bouw van de basisschool. Het zal daarbij niet
zozeer gaan over de beschrijving van de concrete situatie in de praktijk.
Dat is onderdeel van je reguliere verslaggeving [25] en hoort bij je praktijk.
Meer aandacht moet je geven aan wat volgens jou als aanstaande onderwijsgevende
relevant is voor kinderen in deze fase van hun leven. Je zou kunnen denken
aan bijvoorbeeld de volgende vragen. Hoe zou jij [26] , wanneer je onderwijsgevende
was voor een dergelijke groep kinderen, willen werken? Hoe kom je zo ver?
Hoe bouw je dat op? Welke problemen zie je, ideeën heb je? Uiteindelijk:
hoe verantwoord je de door jou voorgestane aanpak pedagogisch en didactisch?
Welke verhalen [27] , denk je, bieden kinderen van deze leeftijd en ontwikkeling,
een beetje plaats en ruimte? Bespeur je bij jezelf een zeker groeiend
vakvrouw/manschap? Zie je een ontwikkeling? Welke plaats geef je je opmerkingen
en ervaringen op de praktijkschool in je opleiding? Geef een en ander
weer in korte notities in je journaal.
Bovenstaande vragen
verwerk je in een korte beschouwing van ongeveer een pagina waarmee je,
na blok 6, 8 en 10 je katechetisch journaal afsluit. Voordat je je werk
inlevert heb je delen [28] daarvan besproken met klasgenoten [29] . Geef
aan welke delen. Heeft het gesprek iets opgeleverd? Is er iets blijven
liggen? Wat doe je daarmee?
Centraal in de hoofdfase
staat het volgende: hoe maak je jouw ervaring, kennis en inzicht functioneel
in onderwijs-leersituaties voor kinderen in het primaire onderwijs? Geleidelijk
aan ga je je nu ook meer specialiseren: jonge dan wel oudere kind.
Ervaring speelt een
rol in de praktijk, de colleges, en het individueel en samen leren. Kennis
en inzicht groeien niet toevallig. Het zijn structuren die ontstaan op
basis van de leervragen die zich, wanneer het goed is, beginnen af te
tekenen tijdens de colleges en/of de praktijk op de basis- en de opleidingsschool.
Adequaat handelen blijkt uit de reflectie en de componenten die jij een
rol laat spelen bij de planning van praktijk en studie. Denk daarbij aan
bijvoorbeeld de volgende vragen. Welke problemen kom ik tegen? Welke oplossingen
zijn er? Welke alternatieven? Welke oplossingen kies ik? Waar binnen je
eigen studeren merk je veranderingen op in je kennis, inzicht en handelen?
Hoe waardeer je die veranderingen? Waaraan merk je dat je repertoire zich
uitbreidt en hoe kun je dat inzetten in je studie en praktijk? Deze bundel
vragen ga je te lijf in het voorbeeld exodus. In zelfstudie en groepswerk
ga je vervolgens door met Kerstmis en koningen.
Methodische
toelichting
Katechese op de basisschool is in het recente verleden te veel gepresenteerd
als een praatje bij een verhaaltje en nog wat weinig tijd rovende voorbereiding
of continuïteit. Wil de kwaliteit van het vakgebied beter aan de
orde komen, dan verdient het verhaal een plaats in de cultuur van mensen
in de meest brede zin. Er zullen met name werkvormen aan de orde dienen
te komen waarin kinderen dichter bij de verhalen kunnen komen en de verhalen
een bergplaats zijn van zoveel. Hoe spreek je kinderen aan op hun creatieve
mogelijkheden en de ontwikkeling daarvan? Hoe kunnen woorden, beelden,
verhalen je mee nemen? Hoe kun je je gevoel herkennen, benoemen? Wat betekent
het, een plek te hebben?
Met name in de tweede
helft van de hoofdfase zul je meer aandacht moeten krijgen voor de vraag:
welke rol spelen woorden als tevredenheid, onvrede en pedagogisch-didactische
nieuwsgierigheid in je pedagogisch en studieus handelen. Reikt jouw betrokkenheid
verder dan het lukt me wel of als ik het maar red!.
Wat vind je spannend aan kinderen die groeien, leren, bezig zijn? Wat
ontroert je, zou je willen? Vanaf eind blok 6 rond je iedere een module
af met een antwoord op de vraag:Wat ik nu gedaan heb, maakt me dat
tot een betere onderwijsgevende? Wat betekent het antwoord op die
vraag voor de komende periode? De tekst leg je vast in je katechetisch
journaal.
Regelmatig (bijvoorbeeld
één keer per drie weken) werk je grammatologisch [30] (dat
wil zoiets zeggen als met de logica van een woordspin), evaluerend en
verkennend met de volgende vraag: welke verhalen, beelden, ideeën,
samenhangen beginnen voor mij, ook als mogelijkheden voor katechese, betekenis
te krijgen? Werk dit uit in een regelmatige rubriek. Het wordt een onderdeel
van de schriftelijke begeleiding van je studie [31] .
Voor het begin van
de volgende module maakt je tenslotte een persoonlijk trefwoordenregister
bij krenten in de pap, het basisplan voor katechese/katechetiek waarin
je nu leest.
Vanaf halverwege je
opleiding [32] gaan de opdrachten meer in de richting van de afstudeeropdracht.
Gedurende de colleges worden de te ondernemen activiteiten in het kader
van de afsluiting hoofdfase en de afsluitfase besproken. Je maakt drie
[33] werkstukken: series lessen voor kinderen in een concrete groep van
de basisschool. Elke serie duurt ongeveer twee maanden. Aan het einde
van H-ka-3 is het plan klaar: de lijn, enkele woorden, eerste ideeën
[34] .
Houdt een tijdschema
bij. Je neemt je materiaal mee voor het eindgesprek hoofdfase. Uiterlijk
twee dagen voor het gesprek (officieel mondeling tentamen genoemd) lever
je je materiaal in. Voeg behalve de evaluatie (zie vorige alinea) ook
enkele voortgangsvragen aan het geheel toe.
Afstudeerfase
Heel de ontwikkeling van iemand die in het basisonderwijs wil gaan werken
tot een professioneel geschoold en initieel bekwaam te achten onderwijsgevende
begint in de propedeuse, gaat scherpere contouren en een meer persoonlijk
profiel krijgen in de hoofdfase en wordt afgerond is de afstudeerfase.
Gedurende de afrondingsfase gaan we niet zozeer iets nieuws beginnen.
Aanzetten uit de voorafgaande perioden worden verder verdiept, hanteerbaar
gemaakt en toetsbaar. Een en ander groeit in contact en regelmatig overleg
met de docent. Regelmatig: gedurende een blok twee keer.
De colleges zijn ondersteunend.
Je begint aan het uitwerken van je werkstukken. Ieder college is gedeeltelijk
voor eigen werk. De docent is beschikbaar voor advies of begeleiding op
aanvraag.
De afsluitfase is
mede gelet op differentiatie, specialisatie en de lio-stage, een echte
afsluitfase geworden: verwerking, verdieping en toepassing.
Het afstudeerproject
bestaat uit een trilogie. Met drie werkstukken [35] (steeds voor ongeveer
2 maanden werken in het basisonderwijs, inclusief schriftelijke presentatie
en verantwoording) rond je je opleiding af. De drie werkstukken zullen
per eenheid ongeveer 15 paginas tellen. Ieder deel bestaat voor
2/5 uit materiaal op het niveau van de onderwijsgevende (presentatie en
verantwoording) en voor 3/5 uit suggesties voor een praktijk.
Afrondend
Paus Johannes XXIII wil rond 1960 door het Tweede Vaticaans Concilie de
ramen van de Kerk openen. Hij wil de Kerk bij de tijd en de tijd bij de
Kerk brengen. Nu, veertig jaar later, lijkt de Kerk in Noord-West Europa
getalsmatig een afgesloten periode te zijn [36] . Wie die periode sluiten
wil of waarom? Deze kwestie blijft hier buiten beschouwing.
De eerste daad van
de bisschoppen van Vaticanum II betreft de liturgie, de kerkelijke eredienst.
Tot 1963 is de taal tijdens de eucharistievieringen in de katholieke kerken
exclusief het latijn. Vanaf december 1963 wordt het gebruik van de taal
[37] van het volk algemeen geaccepteerd. Bij diezelfde gelegenheid wordt
ook de lezing van de bijbel in een rooster van drie jaar ingevoerd. Het
kerkelijk leergezag is van mening dat mensen recht [38] hebben op meer
kennis van en vertrouwdheid met het Boek van God en zijn Mensen. Ook voor
het katholiek onderwijs in Nederland kan die doelstelling relevant zijn.
Een cultuurbreuk
markeert ook minstens de mogelijkheid van een overgang en verbinding.
Een gesloten boek is als ieder boek. Het hoeft alleen maar geopend te
worden [39] . In onze kultuur is het Boek altijd al open [40] . Bijbelse
namen zijn bekend, denk maar aan Adam of Abraham, aan Jerusalem of Babel.
Maar wat snijden die namen aan? Welk stof verbergen zij, welke verhalen,
herinneringen, dromen? Misschien hoef je alleen maar zo nieuwsgierig te
zijn als Mozes die een struik in brand ziet. Hij gaat kijken. Hij krijgt
te horen dat hij een werk te doen krijgt. Hij zal voor klein gekregen,
klein gemaakte mensen, bevrijding en vrijheid mogelijk moeten maken. Hij
breekt het brood van de slavernij om het zo Pesach te laten zijn, bevrijding,
vrijheid en verantwoordelijkheid.
Aan het einde van
de modules katechese en katechetiek op de Ipabo moeten we katechese op
de basisschool bescheiden typeren. Misschien mag men proberen: Wanneer
het over deze dingen gaat, kinderen leren mee te praten. Wat zijn
deze dingen? Voor wie dat werkelijk wil weten is er veel te
vertellen, te laten zien, te bedenken, te vinden. De modules katechese
snijden dit in eerste instantie aan. Je zult zelf verder moeten. Daarnaast
kan de veelheid aan vakgebieden van de pabo je helpen, op alle niveaus
een speelse en leerzame structuur voor katechese of godsdienst te ontwikkelen
zodat je als katholieke, oecumenische of interconfessionele basisschool
je verantwoordelijkheid kunt dragen.
Tenslotte wil je aan
het einde van je studie op de Hogeschool IPABO misschien constateren,
dat je als onderwijsgevende kinderen meer moet geven dan je geven kunt,
meer dan je hebt of kunt verantwoorden [41] . Als begeleider van pabo-studenten
in de praktijk maak je vaak mee, dat onderwijsgevenden hun werk niet opvatten
als het afwikkelen van een arbeidscontract.
Kinderen zijn in
het onderwijs meer dan een bron van werk of zorg. Hun kwetsbaarheid verplicht
je tot grotere verantwoordelijkeheid [42] . Hun vraag stimuleert de kwaliteit
van je werk. Daarom doe je meer dan het voorhandene, meer dan kennis en
vaardigheden reproduceren of het oude lesje afdraaien.
Katechese wil oprecht
bezig zijn met wat de cultuur van het boek te bieden heeft. Je leert in
ieder geval, samen te leren, samen zoiets als een gemeenschap te bouwen,
een groep, een klas. Het boek biedt wat ons draagt, verkent verhalen en
woorden van alzo hoge van alzo ver. Het vertelde of gespeelde verhaal
blijkt ruimte voor mensen, door de generaties heen. Verhaal of waarheid,
altijd zo goed als nieuw. Bij hooggeëerd publiek dien je steeds een
beetje te bukken. Dat doe je bij lezen altijd.
[1] Die tijdelijkheid is alleen van buiten, of achteraf terugblikkend
zichtbaar. Zolang je met anderen bezig bent is dat feitelijk. Iedere verhouding
met een ander is een verhouding zonder verhouding (Levinas), iets nieuws,
zonder precedent. In de loop van de komende jaren zul je wellicht veel
onderwijservaring opdoen. Maar ervaring verhindert niet, dat ieder kind
een creatio separata is, een schepping, een wereld apart, uiteindelijk
onvergelijkbaar uniek. Van het kind moet je leren, hoe dit kind kan leren.
Steeds begin je weer, opnieuw. Ook voor jou, kind, wil ik er proberen
te zijn hopelijk krijgen we die kans. Deze vertaling op onderwijslocatie
van Ex 3,14 normeert het pedagogisch en didactisch handelen van leraren
en hun gelijken. Dit er willen zijn maakt verzoening (het weer durven
en nu ook willen of weer willen en ook durven meedoen)mogelijk,
draagt de vrede. Levenslang leren getuigt van realiteitzin.
[2] Denk aan individualiseren,
in gedrag en expressie. Denk ook aan verschijnselen als leerhuis, adaptief
onderwijs of oog voor emotionele ontwikkeling.
[3] Ook wanneer Bijbel
lezen op verscheiden wijzen manier gebeurt, in alle verscheidenheid is
het de uitdrukking van wat ieder naar de Bijbel brengt. De lezing is subjectief,
maar dit is noodzakelijk wil het lezen profetisch wezen. Daartoe dient
men er zeker ook de noodzakelijke confrontatie en dialoog aan toe te voegen.
Zodoende ontstaat het probleem van het beroep op de traditie. De traditie
is geen gehoorzaamheid maar een hermeneutiek ( - een geschiedenis van
uitleg. Noot van JE). EMMANUEL LEVINAS, Éthique et Infini, Dialoges
avec Philippe Nemo, Paris, Librairie Arthème Fayard et Radio
France, 1982, p.124.
[4] Inspiratie: je
eigen stem als de stem van een ander. Van buiten af naar binnen (in-)geademd.
Souffleren (souffler: fluisteren, ademen). Spiritus: latijnse vertaling
van roeach: wind, adem, geest. Inspiratie, heteronomie, - het pneuma
van het psychisme. EMMANUEL LEVINAS, Autrement quêtre ou
au-delà de lessence, Den Haag 1974, p. 160. Inspiratie
zou je die intrige van het oneindige kunnen noemen waarin ik mij tot de
auteur maak van dat wat ik hoor. Zij brengt nog voorafgaand aan de eenheid
juist het psychisme tot stand. Inspiratie of profetisme. Ik ben de vertolker
van wat ik uitspreek. God heeft gesproken, wie zal niet profeteren,
zegt Amos (3,8) wanneer hij het profetisch reageren vergelijkt met de
passiviteit van de angst die degene voelt die de klacht van de armen hoort.
EMMANUEL LEVINAS, De Dieu qui vient à lidée,
Parijs: Vrin 1982, p.124.
[5] Het gaat hier
over een soort fotoalbum, kiekjes in zinnen en woorden, momentopnamen
in je studie. Het eerste jaar moet je je richten op jij en onderwijs.
Het tweede jaar ben je meer bezig met kinderen in groepen en kinderen
meer individueel. Vanaf het derde jaar gaat het steeds over jouw mogelijk
functioneren in de praktijk. Het perspectief is dan steeds pedagogiek,
didactiek en katechetiek. Daartoe ben je al die jaren ook bezig met het
uitbreiden van je repertoire, je kennis en inzicht.
[6] Het subjectief
concept is zoals jij tegen de dingen aankijkt, jouw instelling, inzicht,
optiek, jouw neiging om te kiezen en jouw wijze te participeren. Het gaat
er daarbij niet over, hoe jij op reflexief niveau met zaken om gaat (actief:
hoe doe je, meer bewust) maar meer over hoe jij, nu jij hiermee (in een
concrete situatie in de praktijk) geconfronteerd wordt, uiteindelijk blijkt
te denken, te reageren, aan te voelen (passief: hoe blijk je te doen,
meer onbewust). In het subjectief concept wordt het voorbewuste of nog
niet bewuste meer bewust, hanteerbaar. Hier begint je leren, het bijstellen
van je subjectief concept.
[7] Zorg voor een
goede lay-out. Wees niet zuinig met wit op je pagina's. Geef voorbeelden
uit de taal van kinderen die je verhaal illustreren. Maximaal 4 paginas
A4.
[8] Wie enkele jaren
auto rijdt en mensen na hun eerste rijlessen hoort praten over lessen
en opgaan begrijpt de problemen nauwelijks meer. Dan moet je wel ver terugdenken.
[9] Probeer eens de
werkomschrijving: vertrouwen in het leven.
[10] Het grootste
deel van die verhalen is niet van christenen. Ze horen bij de schriftelijke
joodse traditie. Door Jezus van Bethlehem en Nazareth tot Jerusalem zijn
niet joden mee aangeschoven bij verhalen en vertellingen die al lang begonnen
zijn. (Misschien is het een mooi begin van het derde millennium wanneer
christenen zich realiseren, dat zijn bij deze verhalen te gast zijn en
dat ze ook niet voortdurend voor hun beurt moeten praten. Eerst de vinger
opsteken en het woord vragen, hoor je wel eens op de basisschool.)
[11] Let op de procedure.
In de regel zet men bijbelverhalen in omwille van de themata. De strekking
daarvan is duidelijk: het gaat dan om de themata. Vanuit de verhalen is
die benadering abstract. Concreet zijn de verhalen. Hoe helpt zoiets als
een thematiek je, binnen te komen in de optiek van het verhaal? Je kunt
dus in de katechese heel goed enkele dagen of weken werken aan themata
om daarna (voor de kinderen onverwacht, maar voor jou volgens planning)
veel gemakkelijker toegelaten te worden tot het verhaal. Als er van katechese
iets overblijft is het (behalve de dingen waarvan je vergeet dat je ze
geleerd hebt) de wereld van verhalen.
[12] Lever de gezamenlijke
lijst in met daarop de woorden van ieder afzonderlijk en de woorden die
de groep heeft vastgesteld.
[13] Uitleg bij een
bijbelverhaal is een merkwaardige zaak. Het verhaal uitgelegd betekent
einde verhaal. Blijkbaar gaat het dan om de uitleg. Terwijl je precies
het verhaal toegankelijk wil maken. Uitleg van zou derhalve eigenlijk
inleiding tot de tekst moeten zijn, voorwoord. Het woord krijgen we van
het verhaal, tot in het evangelie van Johannes toe. (Zie daartoe Johannes
1,1.)
[14] Per woord of
verhaal geef je aan:
a. Wat draagt het verhaal aan? Hoezo? (herhaling, verandering van tijd)
b. Wat valt mij op? Weet je waarom?
c. Kunnen a en b voor het verhaal of voor kinderen betekenis krijgen?
Hoe kun je dit in kindertaal vertalen? Eventueel laat je je raden door:
hoe kinderbijbels doen dit? Waarom zou je kopiëren wat je zelf (voor
jouw kinderen) beter kunt?
[15] Bouwstenen
zijn fragmenten die zich tijdens een college of bij het bestuderen van
literatuur, losmaken van de achtergrond. Het zijn woorden, beelden, ideeën,
themata die voor jou betekenis hebben. Jij voelt daar iets bij. Het zijn
woorden die je min of meer een beetje jou laten zijn, die je plaats laten
vinden. Zo worden bouwstenen beddingen (en omgekeerd). Je herkent
je er in, voelt je er bij thuis. Bijvoorbeeld: veel verhalen over kinderen
zullen je belangstelling hebben. Anders zat je niet op een Pabo. Een bedding
(of setting) is zoiets als een ruimte, iets waar je in kunt komen. Een
bedding is je vertrouwd, niet vreemd. Een melodie die je herkent, een
plek die je kent. Bij beddingen en bouwstenen is het sleutelwoord gastvrijheid.
In het mijne (van de tekst, de taal of het verhaal tekst, taal,
verhaal zijn hier onderwerp, eerste persoon) ben je welkom. Zo leer je
meer, ook over jezelf en de ander (tweede en derde persoon), van en aan
elkaar (getuigenis). Ieder het zijne. De maaltijd (niet voor de eetmuur
van de automatiek, maar rond de tafel) is hiervan het model: allen samen
en ieder voor zich. Zie ook noot 6.
[16] Leren semantiseren.
Ook drama als werkvorm kan je helpen om meer effectief te analyseren en
te concretiseren. Woorden en alternatieven liggen dan meer voor de hand.
Dat komt door het impliciete dialogische moment dat eigen is aan het met
andere woorden zeggen, het nog eens proberen of de presentatie.
[17] Gedurende je
hele opleidingstijd doe je hierin verslag van je vorderingen, je ontwikkeling,
je vragen en je groeiende kijk op wat voor jou hoofdstukken en details
van jouw opleiding binnen dit vakgebied zijn.
[18] De ervaring is
een reis die ons over onszelf heen brengt. Zij doet ons het vertrouwde
verlaten voor het vreemde, is misschien meer transcendent dan exterieur....
Het ideaal is haar horizon en bepaalt haar domein, het goddelijke is voor
haar de laatste plaats van vragen. De ervaring is een volledig weggaan
van zichzelf en filosofie is echt metafysiek. GERARD BAILHACHE, Le
sujet chez Emmanuel Levinas, fragilité et subjectivité,
Parijs: PUF 1994.
[19] Bij het formuleren
van je eigen kennen en kunnen gaat het niet om een totale reflectie. Je
moet je beperken tot de elementen die binnen het kader van je opleiding
nu aan de orde (zouden moeten) zijn. Liefst enkele punten waar een beetje
meer aandacht verbetering kan brengen. Jouw studie moet steeds meer concreet
worden. Op die manier werk je aan de collectie die straks jouw bagage
zal zijn wanneer het gaat over katechese op de basisschool. Methodisch
begin je misschien het best ongereflecteerd. Beperk je, maak enkele punten
concreet. Hanteer als vorm een variant op het dagboek. Zo begint het schematiseren.
Werk een of twee punten uit en werk daar enige tijd aan en laat het daarna
weer even rusten. Veel vaardigheden en elementen van kennis groeien. Daar
zit een eigen dynamiek achter. (Blijf niet altijd werken aan
wat je erg moeilijk vindt. Wat je moeilijk vindt kost tijd. Werk ook aan
wat je goed doet. Perfectioneer dat. ) Totale duur: maximaal 20 tot 30
minuten.
[20] Het verweven
zijn van teksten met andere teksten. Teksten uit de bijbelse literatuur
delen deze kwaliteit met andere teksten. Beelden, fragmenten, herinneringen,
uitdrukkingen, associaties, enz., zijn ook teksten: middelen die een indruk
tot uitdrukking brengen of vastleggen, opschrijven, eventueel alleen in
je geheugen om plotseling vitaal aanwezig te zijn wanneer de gelegenheid
zich voordoet, onverwacht. Iets tot uitdrukking brengen op schrift, of
als spreker ter sprake brengen, zelfs onbewust, ongeweten. Een citaat,
of een toespeling is een voorbeeld van intertextualiteit. Maar het geduld,
of het vermogen van een onderwijsgevende om iets effectief te presenteren
herken je ook buiten het onderwijs. Die samenhang is ook intertextualiteit.
De frase Jezus en zijn leerlingen geeft mensen in het onderwijs, zelf
leraren en leerlingen, altijd een extra aanknopingspunt. Zo ook: Mozes
is dé leraar, of de Tora is de leerstof. Betekenis, mogelijkheid,
reikwijdte, implicatie en strekking van het citaat als hermeneutische
werkvorm is nog nauwelijks verkend. Hermeneutiek is 'uitleg-kunde'.
[21] Wij en onze in
teksten voor katechese op de Hogeschool Ipabo hebben steeds betrekking
op de onderwijsgevende en de kinderen van een concrete groep op de basisschool.
[22] Trefwoord: bouwstenen
en beddingen.
[23] Welke vragen
van kinderen vind jij moeilijk? Weet je waarom je ze moeilijk vindt? Kun
je er andere woorden voor geven? Hoe ga je met dat materiaal om?
[24] Vgl Exodus 12,26v.;
Jozua 4,21v.; Markus 10,13-16 en par.
[25] Verwerking, evaluatie
en zelfsturing.
[26] Een goede stage-ervaring
is stimulerend. Daar krijg je ideeën van. Hoe zou jij nu ...
[27] Het gaat hierbij
niet over verhalen in de zin van bijbelverhalen. Bij verhalen gaat het
hier over verwikkelingen waaraan kinderen hun hart kunnen ophalen. Over
kinderen op de basisschool waar jij verantwoordelijkheid voor draagt zal
men nooit zeggen: er was geen plaats voor hen in de herberg.
[28] Nog een keer:
niet alles. Je hoeft niet alles te bespreken. Kies een voor jou relevant
punt en brengt dat in als onderwerp. Let wel: werken aan een deel is werken
aan het geheel. Het is zelfs de enige manier om aan gehelen te werken.
Vermoedelijk is dit een element van deconstructie, het doen oplichten
van het onbewaakte, niet gereflecteerde, verbindende.
[29] De bedoeling
van dit gedeelte van de opdracht is: formaliseren wat gedurende de opleiding
informeel voortdurend aan de hand is. Voortdurend overleg je met elkaar,
geef je feedback, evalueer je. Deze werkvorm is gastvrijheid in de praktijk.
De ander mag zijn wie z/hij is. Daarom mag groepswerk, samen werken, essentieel
genoemd worden binnen het geheel van de opleiding. Het maakt het ook mogelijk,
gezamenlijk verantwoordelijk te zijn voor de kwaliteit van inrichting
en uitvoering van dit deel van het onderwijs op de Ipabo.
[30] De term is van
JACQUES DERRIDA, De la grammatologie, Parijs 1967. Hij wijst erop
dat het schriftuurlijke voorafgaat aan het letterlijke of woordelijke.
Een korte toelichting volgt hier.
Aan mijn spreken
waarin ik mezelf als origineel en aanwezig, als eerste persoon, beleef
gaat steeds een voorgegeven samenhang vooraf. Zo gezien is het
wit van de blanco pagina een illusie. Er zijn altijd lijnen, verbindingen,
verbanden, samenhangen. Denk bijvoorbeeld aan het gegeven, dat ik kan
spreken dank zij het verschijnsel taal, zelfs moedertaal. Voorgegeven
samenhang in die zin, dat deze samenhang aan mijn spreken voorafgaat.
Mijn spreken, ik als woord, logos, mijn logica, logologie of egologie,
want steeds het ik tegenover het andere, (xenofobie: het andere haalt
mij weg bij mijzelf, is angstaanjagend) ik als norm. Gramma is Grieks
voor schrift, gravure, kras, inscriptie.
Kort samengevat: bij grammatologie gaat het over het onttronen van de
grammatologie.
[31] Bijvoorbeeld
door in je katechetisch journaal of in je aantekeningenmap van achteren
naar voren te werken aan een ideeënbak. Daarin catalogiseer je alles
wat voor jou inspiratie kan bieden, materiaal kan zijn. Leg daar ook verwijzingen
in vast naar tekstfragmenten in de readers die jou helderheid gegeven
hebben.
[32] Bij 6 modules
betekent dit na H-Ka-2; bij vier modules na de tweede.
[33] Een over verhalen
uit het aloude testament, David bijvoorbeeld. Een over iets
uit het evangelie, bijvoorbeeld de reis van Jezus naar Jerusalem. Een
naar keuze, bijvoorbeeld over een thema. De drie werkstukken zullen alle
drie werken met kernwoorden die in het eerste deel van je studie naar
voren gekomen zijn. Ze zullen verwijzen naar de readers en naar andere
literatuur (ongeveer 150 pp). Het geheel van de drie werkstukken bestaat
voor 2/5 uit materiaal voor onderwijsgevenden; 3/5 bestaat uit materiaal
voor onderwijs, toegankelijk geordend. (Verdeel elke periode en twee keer
3 stappen, kernen die je gedurende de periode aan de orde laat komen.
Elke drie stappen voor ongeveer 4 weken.) Geef voorbeelden van een mini-programma
en van mogelijke uitwerkingen. Je maakt geen mini-methoden. Je materiaal
is meer een handreiking. Een onderwijsgevende kan het niet gebruiken zonder
er zelf aandacht aan te besteden. Jij schrijft materiaal en exempels,
exemplarisch.
[34] Deeltijd en versnelde
deeltijd zijn zover aan het einde van de voorlaatste module. Gezien de
beschikbare collegetijd is hun planning en afstudeerproject aangepast.
[35] Gezien de praktijk
van een schooljaar kun je denken aan voor, tussen en na de grote feesten.
Voor twee van de drie zullen brede, oriënterende titels aangegeven
worden. Bijvoorbeeld: David, De verhalen over Jezus. Het derde onderwerp
is naar eigen keuze. Je kunt je ook beperken tot twee projecten en die
meer uitbreiden.
[36] Het leeg raken
van de kerken hoeft geen teken te zijn van het naderende einde. D.Hellenius
schrijft in het gedicht kerk: Als
paddestoelen verbonden - door een lichaam van onzichtbare draden.D.HELLENIUS,
Verzamelde gedichten, Amsterdam: G.A.v.Oorschot, 1991, p.218.
[37] December 1964.
[38] Een nieuwe filosofie
(manier van denken, spreken, noot van JE) is voor alles het woord teruggegeven
aan degenen die het zijn kwijt geraakt in de retoriek die het grootse
dat de mens onderneemt verdonkeremaant. EMMANUEL LEVINAS, Un langage
qui nous est familier, in Les Cahiers de la nuit surveillée,
Lagrasse: Verdier 1984, p. 325.
[39] Denk aan de regels
van het kinderlied: Is er dan geen smid in het land, die de sleutels
maken kan? Wanneer je weet dat een sleutel gebroken is, is er misschien
ook iets aan te doen. Zo ook met een gesloten boek. Nog zijn er mensen
die de resultaten welke wij cultuur noemen antwoord op het zoeken
van de generaties voor ons open kunnen maken. Dat geldt voor onze
geschiedenis, voor de natuur met haar monumenten, voor het geheel van
de kunsten, voor het boek van alle verhalen.
[40] Mede omwille
van de algemene bekendheid is het noodzakelijk in te gaan op de vaak sluimerende,
in ieder geval ongeweten, onbewuste kennis, vaak bijvoorbeeld door vorige
generaties tot element van de cultuur gemaakt. Zonder bewust aangebrachte
nieuwe kennis blijven de oude vooroordelen. Wie niet kiest voor en werkt
aan verbeterde, nieuwe kennis van bijvoorbeeld de bijbelse traditie, heeft
daarmee gekozen voor de oude vullingen en de daaraan opgehangen structuren
van bijvoorbeeld macht en (on-)mondigheid. Medeplichtigheid mag geen optie
in het onderwijs zijn.
[41] Het gaat er niet
om, het ik en de anderen samen te denken. Het gaat over het voor het aangezicht
staan. Vgl. EMMANUEL LEVINAS, Éthique et Infini, Dialoges avec
Philippe Nemo, Paris, librairie Arthème Fayard et Radio France,
1982, p. 82
[42] Illustratief
is hier de rol van Juda in Genesis 44,32-34. Hij stelt zich verantwoordelijk,
borg voor zijn broer. Als dat gebeurt valt Jozef uit zijn pose. Hij huilt.
Waarom?
4.Ten slotte
Bovenstaande geeft een schets, een weg. Daarin schuilt een optiek. Op
deze wijze raak je enigermate thuis in de oorsprong van onze traditie
met haar cultuur, ook het vertrouwen dat wij doorgaans geloven noemen,
en leer je wat jou als onderwijsgevende mogelijkheden biedt. Een leerproces
met de naam katechese moet ook met enkele lijnen omschreven kunnen worden.
Wat is de samenhang van het geheel? Enkele kenmerkende woorden zullen
uit het geheel gelicht worden. Zij maken een weg zichtbaar, een traject,
een procedure
Leren en
kennen
Leren, studeren,
wat is dat eigenlijk? Wat is denken of weten? Wat is kennis? Wat gebeurt
er wanneer je iets weet? Wat is dat iets dat je weet? Wat doe ik, actief,
wanneer ik denk en wat is actief? Heeft actief ook te maken met receptie
en receptiviteit? Heeft het ook kenmerken van iets dat ín mij,
zelfs ondanks mij en tegen mijn zin/wil in, aan het werk[1] is?
Ik ken iets, ik heb
mij iets eigen gemaakt. Maar wat is eigen en wat is kennis? Is het eigene
dat wat niet meer vreemd is? Dan is het eigene het vertrouwde, het bekende.
Is het eigene dan het andere dat ik nu bezit. Is het eigene het oorspronkelijk
niet-eigene? Maar wat is eigen dan? En kennis: is kennis zoiets als een
archief, en massief, complex, onoverzichtelijk organisme voor de buitenstaander,
maar volstrekt logisch, bekende grond en heldere structuur voor wie daar
thuis is. Is kennis een bekende setting voor wie zich dagelijks aan de
hand van een vertrouwde choreografie over het podium beweegt?
Wat je kent of weet,
zijn dat ken- of weet-dingen, gestalten of schijngestalten, zoiets als
spoken in je hoofd, voorstellingen, maar dan zogenoemd werkelijk, als
weergave van de echte werkelijkheid, buiten mij? Tekstballonnetjes in
een strip, luchtbellen, lichte formaties[2] of heldere plekken in je hoofd,
waar je de weg[3] wel weet. Hoe kun je kennis opslaan, bewaren, activeren.
Hoe bewerk of verwerk, verwerf ik kennis? Vastleggen, annoteren, oproepen,
hoe doe je dat? Hoe maakt je aantekeningenof verwijzingen bij wat je kent?
Hoe kun je kennis delen en/of reproduceren? Nogmaals: wat is kennis? Is
het vertrouwd zijn met? Maar wat is dat en wat heeft trouw hier met betekenis
te maken uit te staan?
Buiten en
binnen
Oorspronkelijk ben je wellicht geneigd, antwoorden op al die vragen rond
leren en kennen te zoeken in de richting van automatiseren[4] of memoriseren[5].
Zo heb je de eerste dingen geleerd. Je moet dan vaak herhalen[6] of jezelf
inprenten, van buiten leren. Blijkbaar zijn er dingen buiten je, of heb
je die niet ín je. Wat buiten is moet je naar binnen zien te krijgen
en binnen zien te houden. In deze wijze van spreken ziet het ik zichzelf
als een binnen[7], of als een iets dat binnen is, zich binnen[8] afspeelt.
Het ik is dan iets ín het lichaam als de astronaut in een capsule
of ruimtepak. Iemand zegt: Diep in mij(n binnenste), voel ik
Niemand
vraagt zich af waar de spreker van dergelijke woorden het over heeft of
hoe diep dat binnenste dan wel is. Hoe bijvoorbeeld is de ruimte verdeeld?
Heb je nog plaats voor
?
Plaatsen en present
Begrijpen heeft te maken met in de buurt komen van of herkennen en kunnen
volgen. Ik begrijp, ik vat, ik kan nadoen, ik kan herhalen, ik heb. Het
is nu bij mij. Ik heb het present, kan het aanwijzen. Het andere, dat
wat ik ken, is mij niet vreemd, ik herken het, weet het. Daarmee komen
woorden als present en derhalve ook presenteren dichterbij, maar ook een
onderschat woord als plaats[9] bijvoorbeeld.
Ik begrijp of herken
iets: ik kan het plaatsen. In iets dat iemand mij vertelt kan ik mij verplaatsen.
Ik kan er ín komen. Voor iets dat ik begrijp, dat ik ken, dat mij
lief is bijvoorbeeld of vertrouwd, eigen, heb ik een plek, eventueel zelfs
een zwak. Iets dat van mij is hoort bij mij. Bij mij is het op zijn plek.
Ik ben de plaats van die verscheidenheid. Ik ben present, aanwezig. Ik
als het middelpunt[10], nominatief.
Ik kan beschikken
over, plaatsen, overzien, verschuiven, ordenen, uitstellen, laten liggen.
Ik heb plaats en alles nou ja, alles! vindt bij mij plaats.
Zo ontstaat de ruimte, multidimensionaal, rondom het ik een kleuter
in zijn of haar speelhoek.
Lichaam en
taal
Naast mijn lichaam is ook de taal voor mij een plaats. Die taal is geen
instrument, ding, voorwerp of apparaat. Mijn spreken, nog nauwelijks kunnende
spreken, is volop in beweging, groeit en ontwikkelt zich. De taal laat
mij het andere zien, doet mij, nu ik er woorden voor heb, het nog niet
opgemerkte opmerken. Het tot nu toe voor mij (nog) niet zijnde blijkt
er te zijn. De gevoeligheid van het spreken vergroot en verfijnt mijn
eigenheid, leert mij beter kijken. Door mijn spreken vindt een soort onteigening,
uittocht plaats: ik verlaat mijnoude posities en deel (me) mee. Ik zie
dat het andere nog meer het andere[11] is.
Natuurlijk is het
ik de eerste persoon. Ik tref aan, zie alles óm mij heen, de wereld
van de dingen en de mensen. Ik tref aan. Maar zo tref ik ook mezelf aan,
kom ik mezelf tegen. Er zal enige tijd verstrijken voordat een kind[12]
in staat is zichzelf op te merken als afgescheiden[13] van het andere,
uitzondering, eerste persoon. Wanneer ik mezelf signaleer, zeg ik: Hier
ben ik[14]. Waarschijnlijk is dat het ik van: Zie je mij dan niet?. Dat
ik is grammaticaal accusatief, vierde naamval, lijdend voorwerp. Ik heb
dan niet meer het eerste woord. Mijn woord blijkt antwoord. De ander[15]
is de eerste, laat mij niet met rust[16]. Ook inspiratie is de stem van
de ander. Spiritus, geest. De geest kent vele gestalten tussen drift en
respect. Zichzelf (kunnen) zijn[17] is een groot item. Blijkbaar komt
daar veel los en wil ik er een beetje zijn, present zijn.
De taal is niet een
magazijn fonemen, morfemen en lexemen, beschikbaar voor wie zoekt, ze
leert hanteren en er gebruik van maakt. Taal, het kunnen spreken, is niet
iets buiten mij. De taal raakt mijn binnenste, maakt er de kern van uit.
Want ik ben al lang en vaak besproken - geboren in een wereld van
taal. De taal vertaalt mijn verhouding met de anderen te midden van wie
ik er (eigenlijk opeens) blijk te zijn. Anderen maken nolens volens plaats[18]
voor mij. De dingen krijgen betekenis en waarde. Ze hebben een plaats
om mij heen, in mij. Die wereld om mij heen en in mij, wordt groter. Naast
mensen en dingen zijn er ook niet-zichtbare, niet-materiële dingen.
Het geheugen[19]: vermoedens, ideeën, beelden, suggesties, verwachting,
herinneringen, gevoeligheden, stemming en overtuigd zijn van of gevoel
krijgen voor. Het zijn (eventueel sluimerende) taalachtige gegevens, strukturen,
samenhangen, al dan niet uitgesproken, invoelbaar. Zodra je over deze
dingen te spreken komt, sluit je aan bij het potentieel van degene met
wie je spreekt, deze concrete ander, reken je op haar of zijn verstaan[20]
en boor je eigen mogelijkheden aan. Een oogopslag is dan een heel verhaal
ook wanneer het snel verteld kan zijn. Gebaar en taal blijken een
soort PTT[21], een systeem van zenden, doorgeven, ontvangen en (de)coderen.
Gevoeligheid is het hebben van een antenne voor, of het ontwikkelen daarvan.
Het gaat over connecties die je met de de meest onwaarschijnlijke en ondenkbare[22]
wijzen verbinden met een andere tijd en ruimte. Taal brengt mensen over
alle grenzen heen samen of jaagt hen uiteen.
Grenzen
De mogelijkheden van het lichaam zijn in eerste instantie beperkt. Het
zou beter anders, en anders beter kunnen. Zo wordt de stok gevonden om
de hond te slaan en kan degene die de schoen past hem aantrekken. Instrumenten
vergroten de mogelijkheden van het lichaam. Ook de taal is vooralsnog
beperkt. Zij blijkt veelvormig. De taal thuis houdt op bij de deur, ontmoet
de taal op straat, op school. Andere talen blijken open te kunnen gaan,
toegankelijk te zijn, gemeenschappen, technieken en werelden toegankelijk
te maken. De taal waarin anderen hun ervaring vertalen blijkt ook het
nog naamloze in mij te kunnen benoemen. Het delen is begonnen, collegialiteit
of samenleving. Mijn wereld wordt groter, mijn vaardigheden meer aangepast
en aan te passen, flexibel. Ervaring is een heel eigen verhaal[23]. Zo
ook bekwaamheid, inzicht.
Beperkingen en grenzen
zijn evenzeer verbindingen. Zelfs tegengestelde zaken sluiten op elkaar
aan, blijken verwant, elkaars buren[24]. Tegenstelling, parallellisme,
overeenkomsten, variatie, omkering, vergroting, verkleining, associatie
alle audiovisuele technieken maken een aanpak en ordening mogelijkheid
en zichtbaar die kenmerkend is voor een wereld van verhalen en beelden.
Verhalen en beelden zijn dan geen lappendeken of pakketten die je of wel
of niet neemt. Ze zijn materiaal, ze roepen op, wijzen door en aan. Verhalen
en beelden kunnen bekeken worden, besproken, vertaald, gespeeld, geprobeerd.
Zo kan het vlees van ons lichaam ook woord worden, gebaar en taal. Vindt
herkenning plaats, dan is er iets nieuws geboren of gebeurd, iets wat
er voordien niet was. Een stap verder is misschien gezet of een
stap terug is beter.
Verhalen
Geloven is een wereld van verhalen en taal, van toezegging en vermoeden[25],
van verantwoordelijkheid en leren kiezen. In vrijheid en blijheid is geloven[26]
gericht op het mondig worden van de mens bij de keuzen die zij of hij
moet maken. De kerkelijke liturgie weet zich na het Tweede Vaticaans Concilie
(1962-65) verplicht de Bijbelse literatuur meer systematisch[27] aan de
orde te stellen. Zij, de kerk ook als school kun je kerk[28] zijn,
- leeft van die verhalen. Het breken van het brood[29] is het openen van
de ogen. Pas dan worden verhalen leesbaar, versta je in de dingen die
gezegd worden degene die spreekt.
Zeker bij een groot
verhaal gaat het er om te beginnen om, dat je hoofdplaatsen[30] leert
kennen. Tussen de hoofdplaatsen lopen vaak verbindingslijnen, hoofdwegen,
vaak tussen wijken in. Zo wordt een stad toegankelijk als een plattegrond.
Een oude stad met zijn bizarre kronkelingen[31] en zijstraatjes, blijkt
dan vaak meer eigen en heeft meer blancos, biedt meer mogelijkheden,
verblijf- en schuilplaatsen dan de anonieme, neutrale, rationele indeling
van de tot voor kort moderne stad of wijk.
Katechese, op verhalen
komen en met verhalen meegaan, je mee laten nemen, leren kijken en vragen
stellen, leren lezen, leren spreken en meespreken. Je weg laten roepen
uit de status quo en op weg gaan, het onbekende, het nog niet gekende,
de absolute toekomst (uiteindelijk volstrekt onvoorbereid) tegemoet gaan.
Ophouden de tijd stil te leggen met bezwerende rituelen als: het is altijd
zo geweest, het zal altijd zo blijven, er is niets nieuws onder de zon.
Die strategie is gebaseerd op de ontkenning van het leven zelf, van wat
ons bestaan als tijd eigen is. Het ik op zoek naar zijn welbehagen[32]
hoeft niet het deprimerende van een slavendrijvende pharao te zijn, enkel
groot door zeer ondergeschikte onderdanen, alsmaar zichzelf reproducerende
tautologie (met alsmaar meer van hetzelfde). Lezen, horen, je laten roepen,
je plaats verlaten voor wat over de horizon van het vermoeden gaandeweg
dichterbij komt. Veelbelovend land, veelbelovend leven. Het andere is
echt mogelijk. Je kunt gehoor geven aan de stem, je weg laten roepen,
weggaan[33], opnieuw beginnen en nu echt.
Maar wie wijst bij
al die mogelijkheden de weg? Je zou kunnen zeggen: de tekst is de leraar.
Het zou ook het samen lezen kunnen zijn. Samen lezen om op te sporen welk
manco of welk perspectief in dit wat te lezen/horen aangeboden wordt,
wat de mogelijkheid biedt, heden[34] te zijn, te worden. Door de woorden,
beelden, verhalen kun je leren vergelijken. Niet alles is hetzelfde. Je
merkt op, gaat beter kijken, luisteren, spreken, over en tot wat of wie
zich aandient. De plak van het verleden eraf (laten) halen[35], weer je
tanden als nieuw proeven en opnieuw proeven, verkennen of tot je nemen.
Vanaf nu is alles anders wanneer je de zaken een beetje bij houdt.
Vaak in de verhalen
onderweg zal het gaan over details. Bijzaken worden even hoofdzaken, ook
om de vaart van het automatisch over alles heen lezen tot stoppen te dwingen,
tot opnieuw je beraden op. In het oponthoud ontstaat de vraag, in de stilte
valt een woord, een antwoord. Soms zit het in het overdrevene, het onwaarschijnlijke,
het herhaalde. Alleen in wat eigenlijk niet kan zijn, woorden vinden voor
wat eigenlijk niet zou kunnen. Steeds ook blijken de woorden niet uitgeput[36].
Oude woorden blijken zo goed als nieuw wanneer je het proces[37] herkent,
meemaakt, leert kennen. In de leegte, op weg naar wat nog niet is, gaan
woorden[38] en verhalen spreken, wordt het bestaan(de) leesbaar, de mens
opnieuw, als nieuw, geschapen. Steeds verdubbelt het heden zich. Aangesproken
kijk ik op. Ik? een vraagteken. Daarover gaat het in alle verhalen
die je behandelen als tweede persoon van het persoonlijk voornaamwoord
en je verantwoordelijkheid laten beginnen.
Vanaf het begin is het duidelijk: de mens is geschapen naar Gods beeld,
op hem gelijkend. Maar wat is dat? Alle verhalen[39] proberen dat[40]
ter sprake te brengen. De eerste die dit voor kinderen op de basisschool
vertolkt is de onderwijsgevende. Z/hij is de eerste stem, de eerste oogopslag,
de eerste bemoediging ook wellicht gehoorzaam aan het appel dat
van de kinderen uitgaat, wellicht gehoorzaam ook aan de weg die de onderwijsgevende
zelf gevonden heeft aan de hand van de verhalen die vertellen wat van
al zo hoge hier op deze aarde geschiedt. De onderwijsgevende brengt in
de katechese de wereld van de kinderen en van deze verhalen ter sprake.
De bedoeling is het, samen met de kinderen zaken te leren als: het is
goed, als mens leven op aarde onder de hemel van deze verhalen en onderweg
elkaar te vinden.
[1] Zoals
een liedje in mijn hoofd: het blijft maar zingen. Ergens is het blijven
haken en nu bepaalt het als voortdurende ruis mijn doen en laten.
[2] JACQUES
DERRIDA(, La pharmacie de Platon, in La dissémination,
Parijs 1972, p 69-197) wijst bij de beschrijving van teksten van Plato
op de zich substituerende reeksen (logos-vader; logos-zoon; de vader,
het goede, het hoofd (chef), het bezit; de vader, de zon, het bezit; de
koning, de vader, de zon, het woord, a.w., p.91. 93. 102,193. In Spectres
de Marx, (Parijs 1993) vindt men: fantoom, spook-beeld, dat wat steeds
terugkeert (p.146), phantasma, de geest van
(199). Met There is
something rotten in Danmark van Hamlet zet Shakespeare zijn gelijknamig
drama in werking. Hamlet wordt gedreven door de geest van zijn vader.
Zie MICHEL DE CERTEAU, Lacan: an act of speech, in Heterologies,
Discourses on the Other, Mineapolis, University of Minnosota Press,
19975, p. 57.
[3] In
het Duits kun je dan zeggen: Ich kenne mich aus.
[4] Je
weet vanzelf, dat 7 keer 7 49 is. Een chauffeur weet vanzelf hoe dat werkt
met koppeling indrukken of loslaten, remmen en/of gas geven. Bij je eerste
rijlessen moet je overal aan denken.
[5] Wat
je nog moet leren (het andere), moet nog; wat je geleerd hebt weet je,
is gewoon (het eigene) geworden.
[6] Denk
bijvoorbeeld aan hoe kinderen leren te rekenen of schrijven.
[7] Immanent
(tegenover transcendent), interieur (tegenover exterieur). Intimiteit
schijnt geen tegenover te hebben. Persoonlijk wel, privé ook.
[8] Hier
komt waarschijnlijk ook de voorstelling vandaan, dat het lichaam een soort
huis is. Zie Job 4,19:
degenen die in lemen hutten wonen. Zie de
context. Het gaat hier niet over: sommigen wonen in stenen huizen, anderen
in huizen van hout en weer anderen in huizen van klei. Met lemen hut wordt
bedoeld: het lichaam, vroeger ook bijvoorbeeld het stoffelijke omhulsel
genoemd. Bij grote rampen met veel dodelijke slachtoffers blijkt de journalistiek
(dus ook wij) niet goed te weten, hoe men de lichamen van gestorven mensen
moet noemen. Het typische van het lichaam blijkt, dat het leeft. Een dood
lichaam blijkt een contradictio in terminis.
Tot ver in de twintigste
eeuw nog is het lichaam wat je kunt zien. De ziel is het onzichtbare,
het eigenlijke van de mens. Zo ontstaat het dualisme: de mens is twee-eenheid.
In het verleden gaat het lichaam ook het liefst zijn eigen gang. Ik moet
mijn lichaam onder controle zien te krijgen. De zindelijkheidstraining
is een beetje het model voor ieder vorm van cultuur redelijk natuurbedwang.
De rede, de ratio, bedwingt de natuur met zijn neigingen (die kruipen
willen waar men niet kan gaan). Het eigenlijke leven is het geestelijk
leven, het leven van de ziel, het onzichtbare ik. Maar je mag vragen,
wat in dergelijke taal ter sprake komt. Wat is die ziel, wat is dat eigenlijk
onzichtbare ik?
[9] Descartes
(1596-1650) is de filosoof van de methodische twijfel. Regelmatig blijkt
dat ik mij vergis. Kan ik wel ergens zeker van zijn. Of ik mij vergis
of niet vergis, in ieder geval: ik denk. Dus: ik ben. Daarmee eindigen
de middeleeuwen en begint de moderne tijd. Het moderne ik
is geboren. Ik ben omdat ik denk, zolang ik denk. Wanneer ik ophoud met
denken ben ik ook niet meer. Ook wanneer ik geen lichaam zou hebben, wanneer
ik zou denken zou ik bestaan. Ik ben dus eigenlijk een denkend wezen.
Dat denkende wezen is mijn geest of ziel: res cogitans. Het denken is
de grondeigenschap van de geest. De uitgebreidheid of ruimtelijkheid (res
extensa) is eigenschap van de materie, de stof of het lichaam. Ruimte
of plaats kan dan geen begrip meer zijn voor de eigenlijke mens.
(De mens is dan de
wonderlijke onmogelijkheid. De eenheid van lichaam en geest is enkel uiterlijk.
Hun combinatie is alleen bij de mens noodzakelijk. Het wezen van de mens
is de ziel. Volgens Descartes is de ziel geplaatst in de pijnappelklier,
onder de kleine hersenen. Je merkt: zo gezien is het lichaam op zijn best
broeder ezel of schone schijn.)
[10] ...het
bijzonder unieke, autochtone ik. EMMANUEL LEVINAS, Totalité
et Infini, Den Haag: Nijhoff, 1968, (p. 9).. Niets wordt ik genoemd;
ik wordt gezegd door degene die spreekt. EMMANUEL LEVINAS, Autrement
quêtre ou au-delà de lessence, Den Haag,
1974, p.72. Het ik is afgescheiden van het andere. Dit afgescheiden zijn
ervaart het niet als kwaad. Het afgescheiden zijn is het geluk. Egoïsme
is je gelukkig voelen. In dat genieten identificeert het ik zich door
alle verschillen heen met zichzelf.
Zijn is genieten. GERARD BAILHACHE,
Le Sujet chez Emmanuel Levinas, Parijs: PUF 1994, p.75.
[11] Het
andere is niet het niet-ik. In het andere als niet-ik ben ik nog steeds
de maat van het andere. Het andere is evenwel steeds exterieur, diachroon,
valt buiten mijn hier en nu, buiten mijn archè (het ik als beginsel,
principe van zijn/haar wereld). De ander is steeds transcendent. Tussen
de ander en mij is er steeds de onoverbrugbare afstand. Die overbrugging
is de taal, het kunnen spreken. Ook verhalen zijn bij wijze van spreken.
Alleen in zoiets als taal vindt ik plaats. Volgens Levinas is mijn plaats
altijd vóór de ander, voor wiens aangezicht ik sta. Die
ander kun jij zijn, kan ieder zijn die aangesproken wordt, maar ook voor
wiens aangezicht ik sta. Zie Elia in 1Koningen 17,1.
[12] Van
ik heeft dorst naar ik heb dorst speelt zich niet enkel een grammaticaal
ontwaken af.
[13] Ik
zijn, van God los, bij zichzelf, afgescheiden, gelukkig, geschapen
dat zijn synoniemen. Levinas, TI, p.121.
[14] In
het Frans: Me voici. Zo presenteert ook Abraham zich wanneer de tijd van
zijn toetsing gekomen is (Genesis 22). Ook Mozes. Hij krijgt dan de opdracht
de stappen te zetten die de pharao zullen gaan dwingen het volk te laten
beginnen met het lange werk van de bevrijding (Exodus 3).
[15] Dit
kan ieder ander zijn: mijn vader of mijn moeder, broer, zus, vriendin,
vriend, collega of jaargenoot. Ook mijn praktijkklas, de stem van de ander
die mijn inspiratie is, zelfs mijn verleden. Zie eventueel Genesis 32,22-32:
het gevecht in de nacht, wanneer Jacob het lied probeert: Schipper mag
ik overvaren, en hij de schipper of schepper tegenkomt en zijn geschipper
definitief is afgelopen en hij gegeven de zon voor de dag
komt, hinkend, een verhaal rijker en in staat tot broederschap. (Genesis
32-33))
[16] Rust
is niet een toestand die wij op de eerste plaats aan mensen die gestorven
zijn als zinvol dienen toe te wensen. Wellicht hoort een beetje rust allereerst
bij levenden thuis. Vgl. Ruth 1,9 Jozua 1,13.15, Psalm 23,2.
[17] Is identificatie
herkenning of miskenning? Terugbrengen naar het reeds gekende is misschien
een manier om het onbekende te vermijden. GERARD BAILHACHE, Le Sujet
chez Emmanuel Levinas, Parijs: PUF 1994, p. 53.
[18] Zo
maak ook ik plaats voor de ander, of ik dat wil of niet. Ongewild getuig
ik van mijn smaak van leven, voor mijzelf en dus ook voor de ander.
Die plaats kan ook
denk aan de uitgesproken wensen bij sommige krachttermen- de niet
plaats zijn. Onderwijs zou wel eens kunnen zijn: plaats bieden aan. Gastvrijheid
zou een term in de pedagogiek en didactiek als systematische reflectie
op een praktijk dienen te zijn
[19] Zie
mémoire in MICHEL DE CERTEAU, Linvention du quotidien
I, Arts de faire, hoofdstuk vi, Le temps des histoires.
[20] Wanneer
een ontmoeting het karakter krijgt van zoiets als een tentamen, dan kan
er van ontmoeting geen sprake zijn.
[21] In
het begin, in principe, was de post, en ik zal mij daar nooit mee troosten.
Maar uiteindelijk weet ik, heb ik er kennis van genomen als van een noodstop:
het was geredigeerd, overeenkomstig alle codes, alle genres, alle mogelijke
talen, als een liefdesverklaring. In het begin was er de post, zal John
zeggen, of Shuan, of Tristan, en dat begint als een verklaring zonder
adres uiteindelijk is de richting daarvan niet te bepalen. Je weet
niet waar het aankomt, mijn lieve bestemming
JACQUES DERRIDA, LA
CARTE POSTALE, de Socrate à Freud et au-delà, Parijs
1980, p 34.
[22] Het
voorvoegsel on- in de tekst dien je te lezen als nog niet. Mogelijkheid
spreekt zich uit over het mogelijke wanneer ik recht van meten heb. Vgl
de mens als maat van de dingen.
[23] Let
op de impact van woord, beeld en geluid in de media. Uitgebreid en voortdurend
spelen het suggestieve en de notie van authenticiteit, vormen van narrativiteit,
een overheersende of beslissende rol. De narrativiteit is een onderschatte
tactiek van de rationaliteit. Zij relativeert de pretenties van de kennis
en de ratio, het beheersen, ten gunste van de creativiteit, de vaardigheid
die blijkt in het omgaan met het andere als het andere. Zij is prudent,
sociaal vaardig. Gastvrijheid blijkt hier een authentieke wijze van bestaan.
Zie het geciteerde hoofdstuk in noot 152, met name p. 134.
Kennis is plaats gebonden:
het in kaart kunnen brengen, het beheersen, het thuis zijn. Creativiteit,
narrativiteit hoort bij de beleving van de tijd. Uitkomsten staan hier
nooit vast. Het ogenblik is aan het werk in tijd en duur, voorlopig absoluut.
[24] Men
kent de oude maar wat heet hier oud? christelijke ideeën
over hemel en hel. De afstand van leven naar dood is dan overbrugd, een
afscheid van het leven dat bitter definitief blijkt, een verandering van
plaats en wisseling van decor die blijkbaar niet ongedaan gemaakt kunnen
worden. Tegen die achtergrond klinkt de vertrouwde nabijheid van hemel
en aarde dank zij Gods scheppend begin onwaarschijnlijk. Waar wij afstand
kennen (hemel en aarde) reikt Ps 115,16 nabijheid aan: De hemel is de
hemel van God, de aarde heeft hij aan de kinderen van de mensen gegeven.
Ze zijn elkaar even nabij als op een schaakbord wit en zwart.
[25] Waarom
gesluierde woorden als toezegging en vermoeden? Waarom niet feiten? Waarom
niet waarheden? Tegen waarheid zou, mits goed verstaan, geen bezwaar zijn.
Goed verstaan, bijbels verstaan, betekent waarheid een daad van genegenheid.
Waarheid maakt in de Schrift de genegenheid vrij algemeen gesubstantialiseerd
door het woord genade als vertaling concreet, geeft haar handen
en voeten, tastbaarheid en toegankelijkheid.
Geloven gaat niet
over feiten. Buiten interpretaties om zijn feiten (dogmatiek, moraal)
dode letters, zonder betekenis, als uitslagen van een medisch laboratorium
terwijl ik geen notie heb van de betekenis van de afkortingen of de aangegeven
waarden in cijfers. Daarom hoort katechese essentieel bij geloven, vieren
en gemeenschap. Elke uitspraak in de wereld en taal van bijbels geloven
dient uitgelegd, of beter, toegankelijk gemaakt te worden. Inleiden in
de wereld van deze verhalen en in alles wat daarin ter sprake komt. Uitleg
is uitleg, zodra de ander minstens enigermate verstaat wat er gezegd wordt
zodat het boek een beetje verder open gaat en zelf het woord kan nemen.
Geloven gaat over
de grenzen van mijn mogelijkheden heen. Wanneer ik geloof gebeuren er
van mij uit onmogelijke dingen. Mijn vermogen, wat ik vermag, waartoe
ik in staat ben, wordt overschreden. Feiten, en in die (oude) zin ook
waarheden kan ik verifiëren. Ik kan ervoor instaan en zeggen: het
is waar. Zo kan ik ook geloven. Ik kan zeggen: ik houd van jou. Maar de
tijd zal leren wat dat voor mij betekent en hoe waar het is.
Wanneer geloofsleer
een geheime leer is, alleen voor ingewijden, dan zijn er geheime bedoelingen
aan het werk en wordt een ander doel gediend dan dienst aan de openbaring.
Dan wordt er onderscheid gemaakt tussen mensen die er wel en niet bij
horen. Waarom? Dan wordt er afhankelijkheid geschapen terwijl schepping,
getuige het verhaal van de zeven dagen uit is op vrijheid, op laten zijn.
Bij geloven hoort steeds een ruis, op een of andere manier klinkt mijn
verstaan, min of meer op de achtergrond mee, mijn getuigenis, mijn weergave
van wat ik hoor (vgl de hoofdtekst binnen de joodse traditie: Hoor Jisraeel,
Adonaj is onze God, Adonaj is één Deut 6,4. Het horen
maakt de hoorder tot Jisraeel, Israël. Geloven, houden van, is altijd
een vorm van interpreteren.
Geloven als kennen,
weten van feiten, waarheden, - ik weet het niet zeker, maar ik geloof
- legt de nadruk op het ik. Je ziet dat aan de hoeveelheid woorden in
de voorafgaande, korte tussenzin. Ik geloof, ik ken, ik weet. In de geschiedenis
van het geloven is het evenwel nu precies het merkwaardige, dat ik voorkom
in het verhaal van anderen, van God bijvoorbeeld, of van mensen die ook
in die verhalen thuis blijken, een plaats vinden, zich herkennen. Ik geloof
gaat niet over de kwaliteit van mijn kennen, maar over mijn gekend zijn,
gekozen, - overleven in het verband van het verbond en daarmee een plaats,
een verantwoordelijkheid meer hebben.
[26] In de film Shadowlands
wordt opgemerkt, dat het niet de bedoeling van bidden is, God te veranderen.
Bidden, zegt iemand (D.C.Lewis), heeft als bedoeling om de mens te veranderen.
Verdere toelichting:
Wie het Onze Vader bidt, zegt de woorden van Jezus na, geeft zijn/haar
stem aan zijn woorden. Bidden leert je dus bijvoorbeeld om te doen als
hij.
[27] Het
kerkelijke jaar duurt van de eerste zondag van de Advent (4 weken voor
Kerstmis) tot de zondag voor de eerste zondag van het volgende kerkelijke
jaar. Ieder kerkelijk jaar volgt de kerk de lezingen die aangegeven worden
door het lezingenrooster. Het leesrooster (1ste en in de regel 2e lezing
tijdens de zondagse eucharistie-viering) duurt in totaal 3 jaar. Daarom
heeft elk jaar als toevoeging, dat het een a, b of c jaar is. Tijdens
een a-jaar is de evangelie-lezing uit Mattheüs, tijdens het b-jaar
Markus en in een c-jaar Lukas. Grof gezegd van Pasen tot Pinksteren wordt
gelezen uit het evangelie van Johannes.
De evangelie-lezing
is in de regel de tweede lezing. Hierbij een een passend gedeelte gezocht
uit het zogenoemde oude of eerste testament. Je zult hier dus vaak thematisch
of andere verwantschap vinden. (Vaak worden bij deze thematiek ook liederen
gezocht en (voor-)gebeden geformuleerd. Er zijn ook standaard-teksten
beschikbaar.)
De lezingen uit het
evangelie lopen min of meer door. (Officieel heeft iedere zondag 3 lezingen.
Tussen de eerste en de evangelie-lezing is dan een tweede, in de regel
uit de brieven van Paulus. Deze lezing staat los van de eerste en die
uit het evangelie. Het is een lectio continua.)
(Vroeger, voor 1960/70
werden er elke zondag dezelfde teksten voorgelezen. Dezelfde in die zin,
dat iedere 3e zondag na Pinksteren dezelfde tekst gelezen werd. Zodoende
vindt je in de iconografie vaak dezelfde verhalen terug: de barmhartige
Samaritaan, de verloren zoon, enz.)
[28] Kerk
afgeleid van kyriakè, d.w.z. van de Kyrios,
van de Heer. Oikia kyriakè, het huis van de heer. Voor kenmerken
en kernactiviteiten: zie voetnoot 64.
[29] Zie
Jezus bij de Emmaüsgangers, Luk 24,30v.
[30] Zoals
wanneer je met het openbaar vervoer in Amsterdam komt. Kom je met de trein
uit het zuiden, dan zul je aankomen via Duivendrecht en Metro, via Amstel,
C.S, of eventueel Sloterdijk. Je kunt ook via metrolijn 50 (Isolatorweg)
naar de RAI, Zuid en Sloterdijk. Je kunt ook via Amstel met de bus naar
RAI. Je kunt ook
De eerste keer is dat moeilijk, al die namen en
varianten. Je zoekt je weg in een vreemde stad. Maar herhaling van stappen
blijkt moeilijke situaties makkelijk te maken. Zo wordt het vreemde vertrouwd,
eigen.
[31] Bijvoorbeeld.
Je kunt wel zeggen: je mag niet liegen, je moet niet oneerlijk zijn
maar wat is liegen? Wat is oneerlijk zijn? Moet ik om als mens te kunnen
leven met heel mijn hebben en houden voor de dag komen zoals sommige publicisten
of juristen dat van mening zijn? Is leven het opgemaakte bed van de reclame:Komt
U maar? Is leven dat wat van de daken wordt geschreeuwd? Zijn mijn vragen
echo's van wat geruis? Gaat ik ergens over? Zeggen mijn woorden wat ik
wil zeggen? Kan het zijn, dat ik me nu pas realiseer wat ik gezegd heb?
Hoe kan het toch zijn dat ik eerder niet begrepen heb dat
!
[32] Denk aan de tekst
van de engel boven kerstmis over vrede.
[33] Gen 12,1-4.
[34] Heden, wanneer
je luistert naar zijn stem, Ps 95, 7. Niet met onze vaderen heeft de Heer
een verbond gesloten, maar met ons, zoals wij hier heden allen in leven
zijn. Deut 5,3. De tijd van het verhaal, het echte verhaal, is altijd
heden. Daar is enkel een stem voor nodig. Het geeft niet wie hieraan zijn
of haar stem geeft, instemt tot en met: zichzelf hoort spreken.
Bijbels lezen is altijd hardop lezen, je horen spreken. In teksten van
de franse filosoof Jacques Derrida is sentendre parler een vertaling
voor Selbstbewustsein.
[35] Zie Genesis 26,18vv.
Bronnen water gaan vooraf aan ieder leven en samenleven. Het leven dat
de vader (Abraham) mogelijk maakt, wordt ook gedragen door de zoon van
de vader Isaak). De bronnen van de traditie toegankelijk maken kan wellicht
ook de samenleving van vandaag (onze cultuur) over de vergankelijkheid
en de dood heen helpen. Met name vóór de nieuwe generaties
geplaatst (bijvoorbeeld als onderwijsgevende) zou je dan getuige kunnen
woorden van het nieuwe leven. Water brengt overigens het wonder van bloeien
en groeien niet in zijn massiviteit, als voorraad, maar in zijn vloeibaarheid,
waar het opgaat in de (ni niet meer verdrogende) aarde. Het aspect van
de tijd bepaalt hier de ruimte.
[36] Dit is bekend.
Vader bijvoorbeeld. Hij gaat van groot en sterk, via autoriteit en niet
en niets begrijpende tot een mogelijkheid van rust, een bron van vertrouwen,
een onopvallende aanwezigheid en een diep gemis. Steeds opnieuw blijken
sleetse woorden aan revisie toe, worden ze zo goed als nieuw. Dat gaat
niet over de woorden, dat gaat over mijn verstaan.
[37] Uiteindelijk
is dit proces een variant op het leerhuis-model. Mensen komen met een
zekere regelmaat bijeen om samen hun verhalen te lezen. Er is niemand
die het weet. Wel zijn er mensen die wat meer leeservaring hebben. Zij
zijn de leraren. De vragen maken degenen die een antwoord proberen tot
leraren.
[38] De woorden die
ik tot jullie spreek zijn geest en waarheid. Zie Johannes 6,63. De woorden
van het woord, dat moet het Onderricht zijn, de Thora. Daar, bij het begin
is de geest als het geheim van hemel en aarde: ze zijn toch één.
[39] Voegt een bijbelverhaal
toe aan het arsenaal dat samen de bijbel maakt? Of is ieder verhaal op
zich een tekst die het geheel op zijn eigen wijze samen vat, een poging
het geheel, dus steeds een deel, een facet, een detail in kaart te brengen
[40] Alle verhalen
zeggen wat zonder dat verhaal onzegbaar is heeft zoiets betekenis?
Je weet het nooit zolang wij elkaar aankijken, zolang het gezegde en het
nog niet gezegde ons aan elkaar bindt.
|