God is om te beginnen niet een woord dat wij uitvinden.
God is een woord dat ons is aangewaaid.
Zoals bij elke woord: we kunnen zoeken naar waar het
woord over spreekt, waar het vandaan komt en wat het wil. Achter het woord
stoel en tafel zit een geschiedenis en een gebruik. Het is iets dat we kunnen
zien of herkennen.
Maar bij het woord "God" is hier een probleem.
Meer dan bij ons (in onze gechiedenis of in mijn bewustzijn,
mijn denken) is het woord God is in verhalen
thuis. Of God - dit woord of Degene die dit woord bedoelt - in mijn verhaal
thuis is, kan ik ten dele weten en zal ten dele blijken. (Want nooit kan ik
weten hoe ik op onvoorziene situaties reageer! Die zijn immers onvoorzien.)
In ieder geval de populaire opvatting (het kan geen redenering zijn!) "God is degene die alles kan - welnu: er gebeurt zoveel ellende in deze wereld: als God zou bestaan dan zou er niet zoveel ellende in de wereld zijn. Dan zou Hij ingrijpen. Welnu: Hij grijpt niet in dus: God bestaat niet.
"Ik geloof in God de almachtige Vader" is niet zo'n Bijbelse uitdrukking. Daar zou het meer "Ik geloof in God de barmhartige Vader" moeten zijn. In de wereld van de Goden en Godinnen is deze God de enige die er niet tegen kan dat zijn mensen , en dat zijn in feite uiteindelijk alle mensen, als slaven worden klein gemaakt en klein gehouden. Daarover gaat het bijbelse kernverhaal: Exodus. Het 'Lijdensverhaal' gaat erover, wat er uiteindelijk gebeurt als mensen - om welke reden of on-zin dan ook - elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Dat inzicht wordt trouwens al snel vertolkt in het verhaal waarin het bloed van Abel de aarde kleurt.
Wanneer het over God gaat dan ben "ik", de mens die hoort, ziet, antwoord geeft en spreekt, steeds de tweede persoon. Meer dan een woord is mijn spreken altijd een reactie, een antwoord.
God is niet los verkrijgbaar
en Hij staat niet vrij ter beschikking ook al hebben 'de machtigen der aarde'
dat in het verleden vaak gedaan 'met het gelijk aan hun zijde'. Dat is een
ziekte die ook nu nog mondiaal niet over blijkt.
God is geen paraplu die ik al dan niet meeneem voor eventuele regen,
geen zakdoek wanneer ik doe alsof mijn neus bloedt of voor de sier.
(Wanneer ik mij 'verantwoord' heb ik niet het laatste woord. Ik geef antwoord.
De ander heeft het laatste woord!)
Gaat het over het geloven van Christenen (wat die woorden
ook mogen betekenen), dan zal het ook over haar wezenlijke inspiratie of oorsprong
moeten gaan, over de Bijbelse literatuur. Gaat het over de God van
Christenen, dan gaat het bijvoorbeeld - en dit is meer dan een voorbeeld -
een 'uitkomst' of een geschink - over degene die Jezus Onze Vader noemt.
Om te weten wat dat 'vader' betekent kun je bij je eigen ervaring terecht,
maar je zult toch ook naar Bijbelse Literatuur moeten. Want ook vader heeft
een Vader. Dat blijft voor ons de oorsprong.
Bijbelse literatuur doet als iedere literatuur. Zij kan onze aandacht vragen zolang het lezen of voorlezen en vertellen duurt. Zij richt zich tot ons, tot mij. Zij dateert van (ver) vòòr mijn spreken, maakt mijn spreken in feite tot antwoorden of vragen. Zij licht mijn spreken voor. Om te beginnen zal het in deze inleiding derhalve over Bijbel moeten gaan.
© 2001, Jan Engelen, Herten/Roermond, Badhoevedorp 2024