|
de Tempel en de Messias vanuit het evangelie: mag je ook zeggen: De Tempel en Jezus Christus ©Amsterdam 1997. Dr. Jan C.M.Engelen (concept sept. 1990) Eventueel studeerhulp: Eventueel ter verwerking voor studenten van de Hogeschool IPABO: Uit de informatie van dit studiemateriaal neem je een deel (binnen het kader van titel). Daarover maak je een serie van ongeveer vijf lessen met gevarieerde werkvormen voor een bepaalde groep op de basisschool. Zorg dat de nadruk ligt op wat kinderen kunnen doen. Creativiteit stimulerend stimuleer je ook creatief verstaan. De tempel |
Bevrijding, vrijheid: kunnen leven als 'mens op aarde onder de hemel[2]'.
De Tempel als zodanig, gebouwd op de berg in Jerusalem, is een verhaal uit de Profeten. Daar is het een idee van David. 2Samuël 7 vertelt het verhaal. David is gaan wonen in zijn huis. Na 2Samuël 7 is de Tempel die in Jerusalem komen gaat verbonden met de Ark[3] (1 Samuël 1-6) en met David (2 Samuël 6).
Na Tora en Profeten dient men bij een eerste ronde over de Tempel ook te rade te gaan bij de Geschriften.
Uit de Geschriften: het boek van de Psalmen worden ook wel genoemd: het Liedboek van de Tempel. Daarom spelen de Psalmen ook een centrale rol in de liturgie[4], de eredienst[5]
In het nadenken en spreken over de Tempel wordt Jerusalem altijd mede verondersteld, tenminste wanneer men zich met het Jerusalem van Tempel en Schrift bezig houdt. Dát Jerusalem van de Bijbel blijkt regelmatig het intrigerende, het steeds opnieuw weer inspirerende. De geschiedenis van zo velen maakt Jerusalem tot Jerusalem. Naar dat Jerusalem kun je steeds weer opnieuw gaan zoeken. Je kunt er naar toe en er te rade gaan.
|
Als je om te beginnen aan de hand van Joodse tradities, eerste woorden bijeenbrengt rond Jerusalem, wat wordt dan verteld? * Wat kun je zelf al eerste gegevens aanreiken? |
![]() |
Het volgende verdient aandacht.
Nergens in de Tora wordt Jerusalem genoemd. Is dat niet teleurstellend? Nee, het is een kwestie van pedagogiek, didactiek. Hoezo? Wat je niet vinden kunt moet je zoeken. Met het boek op tafel moet je nu zelf op zoek naar Jerusalem.
Wie ook maar een beetje ingevoerd is in de traditie - een kind[6] kan de was doen - kan op zoveel plaatsen in de Tora zijn oog laten vallen en begrijpen of vermoeden dat ‘ het hier wel over Jerusalem moet gaan’. De lezer/toehoorder van het verhaal, - daarop gespitst, gemotiveerd door het eigen vragen, vindt dit. Het is je eigen vondst. De lezer of leerling wordt aldus zelf verantwoordelijk. (In mindere mate is de leraar verantwoordelijk. Hij of zij heeft hoogstens dit vermoeden geoefend, deze sensitiviteit aan het licht gebracht of geholpen deze te ontwikkelen. In mindere mate -, de goede leerling weet uiteindelijk het antwoord zelf, is zelf verantwoordelijk is.
|
Het zelf gaan aanvoelen, - niet enkel intuïtief maar kritisch[7] en derhalve steeds in staat[8] om te verwoorden of te verantwoorden -, is uiteindelijk een moment van identificatie. Als het dan over Jerusalem gaat, gaat het ook over de stad die jij gevonden hebt, die je - zoals achteraf blijkt - misschien wel gezocht hebt en die daarom voor jou belangrijk is[9] * Hoe wordt hier de verhouding tussen leerling en leraar beschreven? * Is dat vanuit je eigen kennis van pedagogiek praktisch? |
![]() |
Het gaat nergens in de Tora expliciet over Jerusalem. Er zijn evenwel talloze plaatsen waar het volgens de traditie heel herkenbaar over Jerusalem gaat. Bijv Deuteronomium 12,5 e.e.a.a.:’De plaats die de Heer zich zal uitkiezen om daar Zijn Naam te laten wonen’.
De Plaats is in het hebreeuws: ha-makom (De naam Mokum is daarvan afgeleid). Die plaats is door het bepaalde lidwoord de aldus bepaalde plaats geworden. In de joodse traditie is de plaats een van de namen voor God. Daar hoort de volgende gedachte-gang bij: het is niet de vraag waar is (de plaats van) God, maar of de wereld bij God, op haar/zijn/Zijn plaats is.
Het gaat over een plaats die weten moet, dat zij uitgekozen[10] is. Het is niet zomaar een plaats, ergens binnen de coördinaten van de geografie. Gekozen is, passief. Wie is hier actief? Daarmee is de vraag naar het Onderwerp gesteld.
* Welke niet genoemde is hier onderwerp?
* Waarom wordt dit onderwerp niet genoemd?
* Wat zou een plaats kunnen zijn ‘buiten de coördinaten
van de geografie’? Geef twee voorbeelden uit de spreektaal die getuigen
kunnen zijn voor het bestaan van dergelijke ‘plaatsen’.
In de Tempel woont niet God maar Zijn Naam. Wie is De Naam? De Naam is heel die geschiedenis, al dat ‘wel en wee’ waar de Schriften en onze verhalen vol van zijn.
* Door te spreken over God als de naam
sluit je aan bij welke bekende tekst?
* Hoe kun je in gangbaar nederlands uitleggen wat
Naam te maken heeft met een geschiedenis.
* Hoe vind je dit terug in Genesis
11,4 en Genesis 12,2? Welk verschil zie je in beide situaties? Hoe leg
je dit aan een kind van 10 uit?
De geschiedenis van de Naam van God begint bij Mozes in Exodus 3. Het is nog voor de uittocht; we zitten nog in de uitzichtloze slavernij. Tegenover Mozes overhandigt de stem in het brandende braambos Zijn visitekaartje. Hij spreekt over bevrijding, betrokkenheid verbond en zending. Zie ik zend jou. Van nu af aan is Mozes in dienst genomen, een mens met een missie.
Zie bijvoorbeeld ook het verhaal over het offer van Abraham dat niet doorgaat, Genesis 22 (volgens 2Kronieken 3,1: is Moria de Tempelberg!). De Tempelberg in Jerusalem. Zie bijvoorbeeld ook het verhaal over Melkitsedek, de koning van Salem. (Genesis 14,18, vgl Hebreeën 7,1-3[11]). Volgens de rabbijnen is Salem Jerusalem.
Zoekend naar de Tempel en Jerusalem kun je nog verder terug naar het begin van de Schrift. Wanneer de leraren van Israël peinzen over stof uit de aarde (adamah - Gen 2,7), dan zeggen ‘R.Berechja en R.Chelbo in de naam van Samuël de oudere: hij werd geschapen vanuit de plaats van de verzoening, want je kunt lezen: Een altaar van aarde (adamah) zul je voor mij maken (Ex 20,21). De Heilige Hij zij gezegend zei: Zie, ik zal hem scheppen vanuit de plaats van zijn verzoening. (Gen.R.14,8). Volgens deze traditie is de mens derhalve a.h.w. gemaakt uit verzoening[12], alsof ‘verzoening’ de ‘grond-stof van het bestaan’ is.
Een andere traditie (zie Leg.Ginzb. I,54) vertelt dat de mens geschapen werd uit het stof van de vier hoeken van de aarde. Dit is om aan te geven dat de aarde nooit mag zeggen:’Je hoort hier niet thuis’ - in eerste instantie en op het eerste gehoor nogal negatief uitgedrukt: nergens zal de aarde het onmogelijk maken, een dode te begraven.
Het verhaal over de schepping van de mens brengt derhalve bijeen de plaats waar het altaar gebouwd is en heel de aarde. De plaats dáár is op een of andere wijze ook hier. Zo mag je ook zeggen: Jerusalem dáár (hoezeer ook daar - vgl de oude joodse wens aan het einde van ieder paasmaal: Lesjana habaä beroesjalaiem/volgend jaar in Jerusalem - voorwerp en plaats van verlangen is) op een of andere manier ook Jerusalem híer is, hoe merkwaardig dat ook klinkt.
Kijken naar Jerusalem, dáár, is peinzen over hoe het híer zou kunnen/mogen/moeten zijn.
Dit overziende mag men concluderen: Jerusalem en ‘de plaats waar ik ben’ - tussen die twee is altijd een verhouding. Die verhouding ben ik, bezig zijnde met die traditie, zelf, ‘ik’. Zo is/wordt Jerusalem moeder- en vaderstad, thuis, plaats van geborgenheid (vgl Johannes 14,1vv) én opdracht, nl. plaats van waaruit de geboden[13] klinken, waar niets ‘natuurlijk’ is. Anders gezegd: de liefde voor en van Jerusalem kan nooit ‘hebberig’, bezittend, ‘zich toe-eigenend’ zijn. Zonder gast-vrijheid kan het Bijbelse Jerusalem niet zijn.
* Hoe zou je als leraar van hieruit over ‘wat er in een klas gebeurt’ kunnen peinzen?
Het zal dan nu ook niet meer enkel bevreemding wekken, wanneer je hoort dat Paulus (1Korintiërs 3,16-17) zegt: Weet je dan niet, dat je de Tempel van God bent en dat Gods Geest in je woont[14] Gods Geest, zijn sjechina, dat is het wonen van Zijn Naam (denk ook aan: Uw Naam worde geheiligd) in de tempel. Zo kan de Geest sinds Genesis 1,2 de garantie zijn dat hemel en aarde toch één zijn.
Alles lijkt eraan gelegen, het bij uitstek heilige te zien als het beeld van het gewone, alledaagse en omgekeerd. Ook dat is bekend vanuit de Schrift. Daar wordt immers beweerd, dat de mens - als iets gewoon is, dan is dat de mens - de grote uitzondering, heilig is. Alles is gemaakt naar zijn soort. Alleen de mens is geschapen naar Gods beeld op Hem gelijkend. Van daaruit is beter te verstaan: Hij is het beeld van de Onzichtbare God (Kol 1,15 - zo zwaar als de tekst klinkt, hij verdient aandacht en is herkenbaar[15]
Na het voorafgaande hoeft niet meer uitgelegd te worden, dat er derhalve blijkbaar een duidelijke relatie is tussen het voltooien van de schepping (met de mogelijkheid minstens dat de mens dat hoogtepunt is, die voltooiing zou kunnen zijn[16]) en het voltooien van de Verbondstent/Tent van de Getuigenis/Tempel in Jerusalem. Voor de goede verstaander: de Tempel is de Schepping, de Schepping is de Tempel - tenminste in Gods hand. Hier is weer het programma aan het werk dat we kennen uit Uw Naam worde geheiligd: heiligen[17] Ook elke zorg voor goed onderwijs - een kwestie van identiteit en kwaliteit - is een opdracht vanuit dit programma.
* Welke betekenis heeft het woord ‘programma’? Welke betekenis heeft het hier?
Verder gaande met de TeNaCh keren we terug naar David en zijn droom uit het eerste hoofdstukje. Daartoe moeten we immers naar de Profeten, de uitleg van de Tora. In 2Samuël 7 woont David in zijn huis in Jerusalem, de Stad van David. Van alle zijden is er rust van de vijanden. David laat zijn huisprofeet Nathan komen en deelt hem mede, hoe hij ‘erover’ denkt.
* Over wat?
* Nathan zegt: …
* Dan komt ...
* De mededeling luidt: ...
* Geef uitleg.
Zo heb je gezien wat het betekent: niet jij zult voor mij, maar ik zal voor jou een huis bouwen. Dat wordt het ‘Huis van David’.
Een volgende, reeds in de richting van een afronding komende opmerking aangaande de Tempel werkt Th.Naastepad uit in Salomo (Kampen 1975). Daarbij mag gedacht worden aan een in de liturgie bekend geworden tekst van H.Oosterhuis: Huis dat een levend lichaam wordt, uit Zomaar een dak boven wat hoofden, deur die naar vrede open staat. Naastepad geeft commentaar bij 1Koningen 6,7-14[18] (a.w. p.42vv).
Wie de hoofdstukken over het bouwen van de Tempel is het hebreeuws kan lezen ziet terstond, dat het nooit over de of een Tempel gaat. Voortdurend spreekt de tekst over het huis. Het gaat er huiselijk aan toe. Het gaat over het wonen naar de maat van mensen. Wordt er dan in het hebreeuws toch drie keer over zoiets als de Tempel gesproken, dan moet je niet denken aan een religieus huis, maar aan een herenhuis, een groot huis of paleis.
Bijbels gesproken kan het nooit zo zijn, dat er iets uit de wereld van het leven van alle dag wordt afgezonderd om religieus te zijn. Er wordt niets gesacraliseerd. Zaken sacraliseren betekent, dat de rest niet-sacrale, profane is.
Wat betekent sacraal? Wat is profaan[19] Sinds de zestiger jaren spreekt men graag over de desacralisering of secularisatie. Secularisatie is afgeleid van het latijnse seculum. Het betekent eeuw of wereld. Secularisatie zou dan zijn: het meer wereld worden van de wereld[20]. Dat is een vage aanduiding voor het gegeven, dat het religieuze in toenemende mate voor grote groepen minder (b)lijkt te gaan betekenen. Vanuit bovenstaande alinea blijkt, dat de term ‘desacralisering’ of ‘secularisatie’ berust op een misverstand. Dat misverstand is de optie dat het gewone een religieus sausje moet krijgen om enigermate levensbeschouwelijk relevant of religieus te worden. Bijbels gesproken is de wereld: ruimte en tijd voor de mens, om mens te zijn, op aarde onder de hemel. Die plaats en tijd krijgt hij met alle verhalen (taal) volgens het verhaal van God. Als er nu iets moet gebeuren, dan moet het hier gebeuren, of daar, in ieder geval nu.
Voor God wordt een huis[21] gebouwd, dat wil zeggen voor Hem wordt een plaats gemaakt in de wereld van elke dag. God wordt een bij-woner, een mede-bewoner. In het Grieks heet dat par-oikiaan. De katholieke woorden parochiaan en parochie zijn daarvan afgeleid.
Als je de tekst leest over de bouw van het huis van God, dan moet het je opvallen, dat er uitdrukkelijk zonder geweld, in vrede wordt gebouwd (1Kon 6,7).
Na de opmerking over het in vrede bouwen, preekt de tekst over het bouwwerk, om te beginnen met de deur tot de benedenste verdieping. Het hebreeuws gebruikt daarvoor tsela. Hetzelfde woord vind je in Gen 2,21. Daar wordt dit hebreeuwse woord vertaald met rib. Daarna gaat het over geteef:schouder (rechtervleugel); gebiem van geeb/ rug (gewelf, vakken); seder/schedel (ceder). Blijkbaar is het huis een huis als een lichaam[22]. Het gaat bij dit huis over Zijn omgaan met de mensen.
*Zie Efesiërs 2,21. Wat vindt je daar?
De bijbel spreekt over het ‘bouwen van de tempel’ met het vocabulaire dat afkomstig is van ‘ de schepping van de mens’. Zo bouwt God zich bij wijze van het spreken van de Schrift een Huis. Daarbij denk je natuurlijk ook aan ‘het huis van Abraham,’ het ‘huis van David’ of ‘het huis van Israël’.
Wanneer het dan later toch zal gaan over de verwoesting van de Tempel door Babylon, dan wordt dat tot les gemaakt: Het huis werd afgebroken door de buitenwacht, omdat de binnenwacht de samenleving met de Heer verbroken had. Het menselijk leven werd een chaos. Die mooie tempel was een aanfluiting, een karikatuur. Toen werd het in de echte zin een 'tempel', een sacraal bolwerk om de leugen vol te houden. Het ding moest weg. Want het was geen huis meer, geen zinnebeeld van Gods omgang met de mensen (Naastepad, a.w., p.46).
* Wat wordt in dit citaat aangegeven met ‘buiten-’ en ‘binnenwacht’? Wat geeft het citaat dan te kennen?
God in de Schrift, over wie gaat het dan? Steeds opnieuw dient men die vraag te stellen om zich opnieuw de les te binnen te brengen van Ex.3. Daar wordt uitgelegd wie God is. Dat heeft direct betekenis voor de mens die je zelf bent. Welke betekenis heeft de Naam?
De mensen van Jerusalem gaan met elkaar om als ware er geen Tora. Door de Tora te ontkennen ondergraaf je de bestaansvoorwaarde van alles wat Israël heilig is. Als je de Tora ontkent [in woorden of daden] breek je de Tempel & Jerusalem. Niet de bekende zij, maar wij. Die overtuiging is de vrucht van de profetische lezing van de eigen geschiedenis, tijdens de Babylonische Ballingschap gegroeid. Het hoort ook bij de verbinding die het Nieuwe Testament maakt tussen Jezus en Jerusalem aan het eind van de evangeliën. Je vindt het al in Genesis 2,18: Je kunt niet doen alsof je alleen bent! Daar komen ongelukken van.
De Tempel, het Heiligdom in Jerusalem, vraagt en concentreert de aandacht voor wie ervan weten wil. Alle aandacht wordt gericht op het Huis van de Heer om van daaruit terstond te wijzen op de bedoeling van dat huis, op waar dat huis voor staat! Vgl: ‘... Niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen[23]’.
Voor een eerste samenvatting kan men zich uitstekend laten leiden door het voortreffelijke boek van Han Renckens, De bijbel meemaken, Kampen 1988, pp.34-53.
Renckens begint bij het gebed van Salomo tijdens de inwijding van de Tempel in 1Koningen 8,27:
Zou God dan werkelijk op aarde wonen?
Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen kan U niet bevatten.
Hoe dan dit Huis van God dat ik gebouwd heb!
* Wat vind je daarover in de preek van Jeremia 7,1-15?
Het Huis van God is voorwaardelijk. Het heeft alleen maar bestaansrecht en kan het gewicht[24] van de Naam van God alleen maar dragen, zolang de tempel, het Huis van de Heer, bijdraagt aan rechtvaardig wandelen en handelen met elkaar. Alleen wie zich inzet voor Recht en Gerechtigheid mag ‘kind van God’ (vgl Johannes 1,12!) heten, beantwoordt aan zijn bestemming (zie eerste verhaal van Genesis).
Zo zegt de Hoge en de Verhevene
wiens woning eeuwigheid en wiens Naam heilig is:
Het hoge en heilige bewoon ik,
maar ook de vernederde en de verbrijzelde van geest.
Om te doen herleven de geest van de vernederde
en te doen herleven het hart van de verbrijzelden.(Jesaja 57,15)
* Waar ‘woont’ God volgens deze tekst?
* Stel je voor, je probeert kinderen hierover iets te vertellen. Wat is de vraag van waaruit je vertrekt? Hoe vindt je dit terug bij ‘Mozes in het biezen mandje? bij David achter de schapen van zijn vader? bij Saul op zoek naar de ezelinnen van zijn vader? bij Israël in de ‘duisternis van de Egyptische slavernij’?
Menig tekst gaat meer doen, als wanneer je erin hoort dat deze armoede, dit zich niets hebben om zich op te kunnen beroepen de mens in staat stelt, Gods woord te bewaren door het te doen[25].
Zo zegt de Heer:
De hemel is mijn troon en de aarde mijn voetbank.
Wat voor huis zoudt gij bouwen voor mij
en waar zou de plek zijn van mijn rust?
Naar dezulken gaat mijn aandacht uit:
naar de arme en naar de verbrijzelde van geest
die zich bekommeren om mijn woord. (Jesaja 66,1-2)
Deze tekst kan men - als elke tekst - ook lezen als context. Wanneer men vanuit deze en dergelijke teksten vertrekt, mag men ook vermoeden, wat voor iemand degene is die opgaat naar de tempel als er uitdrukkelijk staat geschreven, dat Jezus ‘opgaat[26] naar de tempel en leert’[27]
Ik heb de glorie van de Heer gezien - hoe zij jullie tempel verliet -
en zich oostwaarts begaf naar de ballingen
- om van hen een miniatuurheiligdom te maken.’
Renckens tekent daarbij aan: ’Dit is de oercel van elke synagoge. Mensen zijn daarvan de levende stenen, terwijl de verwachte Messias het fundament en de hoeksteen is.
* Wat kun je terzake vinden in 1Petrus 2,4-6?
Van de joodse traditie zouden we opnieuw kunnen leren dat de 'messias' heel wat meer is dan een figuur uit het verleden. Hij is een bijbelse figuur[28]. Voor mensen uit de joodse traditie is hij herkenbaar en daarom een programma, - zoals voor Christenen het verhaal over Jezus ook programmatisch is. Het vertrouwde, bekende, wijst naar een oorspronkelijke opzet of inspiratie. Als zodanig reikt het alternatieven, modellen, mogelijkheden aan. [29]
Het hierboven aangereikte geeft ook aan, op welke wijze de Schrift be-tekent, betekenis geeft. In de Bijbel gaat het niet zozeer om de acta (dingen die gebeurd zijn, die God gedaan heeft). Het acta-verhaal zelf mikt op de agenda (dingen die nog moeten gebeuren omdat wíj die moeten doen).
Het voorbeeld daarvan is de bevrijding uit Egypte. Wat daaraan in het verleden heeft beantwoordt is volstrekt niet te achterhalen en eigelijk onbelangrijk. Het verhaal voert God op als bevrijder en dat is ongehoord, uniek - steeds zo goed als nieuw. Daarmee beschrijft de Schrift expliciet wat de kern is van de menselijke opdracht[30].
Renckens omschrijft de profetische boodschap als volgt:
De zuiverste glorie van jullie bescheiden heiligdom bestaat hierin, dat het vol is van mijn glorie, doordat wij het samen maken tot een Plaats van vrede waar mensen elkanders lasten dragen en het beste van zichzelf aan elkaar durven te geven. Zo ontstaat de sjaloom, die harmonie, die samenklank van heel verschillende tonen, omdat ieder op zijn eigen manier zichzelf mag zijn en zo het zijne bijdraagt tot het geheel. Kleinschalig, in eigen huis en naast je eigen deur, van dag tot dag, aan de basis, op het grondvlak, bij het gewone veldwerk. Dat is het verborgen fundament waarop het huis van God kan staan en overeind blijft. Een huis vol mensen tussen wie Hij wonen kan omdat zij het voor elkaar bewoonbaar houden (a.w. p.51vv).
Met deze samenvatting (herhaling van het voorafgaande) zijn we in feite vooruitgelopen op het tweede lid van de titel. Dit komt verderop aan de orde.
* Wie heeft het plan opgevat, de Tempel in Jerusalem te bouwen?
* Hoe is dat plan ontvangen?
David zal het huis van God niet bouwen[31]. God zal hem een huis bouwen. Salomo bouwt de Tempel. Wel heeft David alvast de grond gekocht. Het is het gebied direct ten Noorden van de ‘Stad van David’. Dat gebied heeft een naam: de dorsvloer van Arauna.
* Wat is een dorsvloer?
* Hoe kom je het oogsten tegen in Psalm 1 en Mattheüs 3,12?
De Tempel zelf bestaat eigenlijk uit twee delen: het hoofdgebouw en de gebouwen en ruimten daaromheen.
* Wat staat er in en voor de Tempel?
* Hoe kom je dat tegen in Lukas 1,4-23.?
Voor meer informatie over het gebouw: Bijbels Museum!
Veel info vind je ook in Will Barnard, De Tempel van Herodes, NBG (Amsterdam 1972).
Voor het in gebruik nemen van de Tempel: 1 Koningen 8. Goede leeshulp vind je in T.Naastepad, Salomo.
* Wat staat er in het midden?
Hier vind je min of meer het einde van wat begonnen is in Genesis 4,26. *Wat is daar begonnen?
De Tempel staat in het midden, in die zin, dat tallozen tijdens de feestdagen (Pasen, Wekenfeest, Loofhuttenfeest) elk jaar naar de Tempel komen (zie bijv. Lukas 2,41vv), ook van buiten Israël (zie Johannes 12,20; Handeelingen 20,16).
* Deze feesten hebben te maken met de oogst. Wat is de samenhang?
Alle synagogen (zoals ook alle oude kerken!) zijn gebouwd naar de richting van Jerusalem. Sinds de Tempel door de Romeinen verwoest is worden de gebeden en teksten over de ‘offers in de tempel’ gelezen in de synagoge. Zo worden de offers toch (als het ware op 'onbloedige' wijze) gebracht.
Iedereen die zelf niet naar Jerusalem kon gaan wist zich vertegenwoordigd in Jerusalem. Daartoe stelde iedere gemeenschap een ‘gezantschap’ aan. Zo is het ieder jaar met de feestdagen in Jerusalem een enorme drukte. Je komt er mensen tegen uit ‘alle volkeren van de aarde’. Jerusalem is dan een beetje ‘heel de wereld’. (Zie Handelingen 2,5!)
Ieder betaalde tempelbelasting. Omdat op de Romeinse munten het beeld van de keizer stond, betaalde men belasting in de vorm van een oude hebreeuwse munt, de sjekel. Daarom vind je rond de tempel de geldwisselaars. Zie Johannes 2, 15.
Mensen leefden in duidelijke verbondenheid met de Tempel in Jerusalem. Toch: het centrum van het liturgisch leven was voor iedereen de synagoge op de plaats waar men zelf woonde. Daar werd de Tora gelezen en bestudeerd en probeerde men aan de hand van de Tora te leven[32] van week tot week, van dag tot dag.
De meeste mensen kwamen in de Tempel niet verder dan de voorhof der volkeren. Alleen wie een offer moest brengen ging verder. Op die voorhof vond je de leraren. Daar waren tal van synagogen. Er werd geleerd. Ook Jezus deed dat (Mattheüs 21,33; 26,55; Markus 11,17; Lukas 2,46; 19,47, 20,1; 21,37; Johannes 7,14; 8,2.20; 18,20).
Daarom: hoezeer de verwoesting van de Tempel door de Romeinen een onvoorstelbare catastrofe is, het leven voor de mensen die het van de bijbelse traditie moeten hebben verandert er uiteindelijk niets. En als in een verhaal [33]een paar beroemde joodse leraren over de puinhopen van de Tempel wandelen en huilen, zegt Rabbi Jochannan ben Zakai:’Je hoeft niet zo bedroefd te zijn. Onze opdracht ligt ergens anders. Niet de eredienst maar de liefde voor de mensen om ons heen. Zoals geschreven staat:’Ik vraag betrokkenheid en geen offers’(Hos 6,6 zie Mt 9,13).
de tempel en de messias[1] Van de Baal Sjem Tov (de ‘Meester van de Goede Naam’, een geliefde leraar van het chassidisme, een grote joodse vroomheidsbeweging in Oost-Europa) is de beroemde uitspraak: ‘Vergeten is Ballingschap, gedenken is bevrijding’. Misschien mag je zeggen:’Wie zonder verleden leeft kan zijn heden niet waarderen en weet niets van verwachting’, en ‘Als jij uit eigen ervaring weet wat bevrijding is, zul je dan voor anderen geen bevrijder willen zijn?’ Mensen helpen verder te gaan. Onderwijs zou daarvan een voorbeeld kunnen zijn.
[2] De laatste woorden roepen het scheppingsverhaal op. Het scheppingsverhaal ziet de ander mens als schepsel Gods, als Gods beeld en gelijkenis. Je kunt dan niet meer met de ander doen wat je wilt.
[3] De Ark van het Verbond. Na het sluiten van het verbond aan de voet van de berg (Sinai) wordt daarin de Tora bewaart. Behalve de Tora bevindt zich in de Ark een kruik manna (God die brood geeft in de woestijn) en de bloeiende staf van Aäron, de broer van Mozes (Exodus 4,14vv en Numeri 17,5.8).
[4] Liturgie is kerkelijke eredienst. Het woord liturgie is grieks, afgeleid van: laos/volk, en turgien/onderhouden, in stand houden - denk bijv. aan een onderhoudsbeurt voor een auto. De liturgie heeft derhalve als functie: het volk volk te onderhouden, bijeen te houden. Het volk volk laten zijn. Hoe doet de liturgie dat? Dat gebeurt aan de hand van de geschiedenis van het volk. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. De geschiedenis, de ervaring is les, onderricht geworden. Zo is het woord Tora ontstaan: aanwijzing, ervarings-leer. Zie bijv. 2Kronieken 34,14vv., Nehemia 8. Jozua verzamelt het volk rond wat geschied is (Jozua 24). Zie zeker ook Jozua 8,31v. over het altaar als open boek. In de katholieke liturgie worden brood en wijn door het verhaal bepaalde elementen. Het verhaal maakt hen die het horen tot ‘leerlingen aan de tafel’. Alles wat gezegd en gedaan wordt is herinnering, Tora.
[5] In deze tekst wordt het woord eredienst graag gebruikt. Daarachter gaat de opmerking schuil: Het Exodus-verhaal gaat van herendienst naar eredienst - naar ‘tot je dienst!’.
* Wat is herendienst?
[6] Zie Deuteronomium 6,20 en Jozua 5.6! ¦ Welke rol hebben (waar?) kinderen?
[7] Kritisch is afgeleid van het Griekse krinein. Het betekent: onderscheiden, oordelen.
[8] Gezag berust op de overtuiging (gegroeid in de ervaring gedurende het leerproces) van de leerling dat de leraar in staat is, iets uit te leggen. Daarom hoeft de leraar niet voortdurend uit te leggen. Hij of zij ‘zou het kunnen’. Gezag is een eigenschap of vertolkt het niveau van de communicatie. Zie het voortreffelijke boek van I.ABRAM, De Joodse traditie als permanent leren. Gezag is derhalve welhaast letterlijk: iets te zeggen hebben.
[9] Het is daarmee als met de uitroep/vraag/opmerking of het vermoeden, dat Jezus de Messias is. In de literatuur van de apostelen en evangelisten hoor je Jezus dat nooit met zoveel woorden zeggen. De leerlingen of het volk spreken aldus hun vragen of vermoeden uit. Wie dit soort vragen stelt maakt zichzelf verantwoordelijk. Degene over Wie je dat zegt is daarmee - voor de goede verstaander - aan jou overgeleverd. Wie dat van mening is, de spreker van die woorden, bepaalt door haar/zijn woord/daad de geloofwaardigheid van die uitspraak. Zo gezien is, gelet op de geschiedenis van de Kerk, het bestaan van de Kerk een wonder en verraadt dit haar diepe oorsprong.
[10] Uitgekozen, uitverkoren. Let op de betekenis. Uitverkoren wil niet zeggen ‘beter dan de ander’ zijn. Het betekent: een verantwoordelijkheid méér hebben. Het is een verplichting.
[11] Zonder vader of moeder -, die worden in de Schrift niet genoemd. Daarmee is Melkitsedek iemand over wie je kunt denken als over Elia, de profeet die de zaak van God en het volk verdedigt tégen koning Achab. En je kunt bijbels gesproken ook denken aan Maria.
[12] Verzoening: het zoenoffer besloot de procedure welke iemand in bijbelse tijden te volgen had die iets onherstelbaars weer goed wilde maken. Het zoenoffer werd gebracht in de Tempel, op het altaar. Hoe? Het zoenoffer werd op dezelfde manier gebracht als het vrede-offer. Het vrede-offer werd gebracht door iemand die zijn ‘te-vrede-nheid’/geluk in de tempel wilde vieren. Niemand kon zien of het om een zoenoffer of een vredeoffer ging. Zeker de Tempel wilde niemand beschaamd doen staan. Dit ziet men als een uitwerking van het bijbelse Zesde Woord: Gij zult niet doden.
[13] Volgens de joodse traditie zijn er voor Israël 613 geboden. Dit getal is de som van 365 (dagen van het jaar) en 248. Het getal 248 is volgens dezelfde traditie het aantal beenderen waaruit het menselijk lichaam is samengesteld. Het zijn 248 positieve geboden, over wat je wel moet doen, en 365 negatieve. Zie B.Makk 23b. Bevestiging en onderricht. Kortom: Tora.
[14] Hoe komt Paulus aan die uitspraak? Daartoe moet je zien, hoe in Exodus 35,30-35 (vgl 1Koningen 7,14; Spreuken 3,19-20) waarin het gaat over het bouwen en inrichten van alles voor de Verbondstent, de woorden werken en voltooien een rol spelen, precies zoals in Gen 2,1-4. Spreuken 3,9-10 is daar ook op gebaseerd. Paulus wekt de indruk daarvan te weten. 1Kor 3,16v. volgt op 1Kor 3,9: Gods akker, Gods bouwwerk zijn jullie ... de Tempel van God, en dat zijn jullie, is heilig.
[15] De dogmatische constitutie over de Openbaring van het Tweede Vaticaans Concillie, Dei Verbum (Het woord van God) citeert de uitspraak van Hieronymus Ignoratio enim Scripturarum ignoratio Christi est: Het niet kennen van de Schriften is het niet kennen van Christus. Op dezelfde wijze moet men zeggen:’Wie de Schrift niet kent, kent de mens volgens de Schriften niet. Zo komen we in de buurt van dat merkwaardige woord ‘openbaring’. Bijbels gesproken bevind je je dan altijd aan de voet van de berg.Sinaï, Tempel.
[16] Let op de rol van woord ‘voltooien’ op het einde van het zeven-dagen-verhaal en bij het bouwen van de tempel.
[17] Apart zetten, onderscheiden, onderkennen, om tot zijn recht te laten komen - dat is zegenen.
[18] Ook de boeken Koningen maken deel uit van de Profeten.
[19] Profanus is ook samengesteld uit pro en fanun. Fanum is het nog niet heilige gebied, voor de (Romeinse) tempel. Later wordt het profanus tegenover consecratus, het niet gewijde tegenover het gewijde, het heilige. Profaan heft een meer heilige context dan het woordgebruik doet voorkomen.
[20] Bijvoorbeeld: de zondag is een meer sacrale dag, de andere zes dagen zijn dan de dagen voor de wereld. Een verschijnsel als ervaringskatechese is dan ook begonnen vanuit de intuïtie: je moet leren ook op maandag te geloven. Wanneer je je nu realiseert dat God niet de kerk maar de wereld geschapen heeft, en dat de wereld(, het land, de aarde) de plaats voor de mens is (zoals de hemel de plaats voor God is - hemel en aarde dicht bij elkaar!) dan zou het wel eens zo kunnen zijn, dat het scheepje van de tijd zich toch in een ander vaarwater beweegt.
[21] Huis: grieks oikia; het bijv.naamwoord afgeleid van ‘Heer’, ‘heerlijk’, ‘'s Heren’ enz. is in het grieks ‘kyriakè’ (> kyrios - misschien ken je wel:’Kyrie eleïson’, Heer ontferm U). Het Huis van de Heer: Kyriakè oikia. Daarvan komt het woord Kerk vandaan.
[22] Vgl Johannes 2,22:’Breekt dit huis af en in drie dagen...’ Denk ook aan een tekst als: Heer, ik ben niet waardig dat gij tot mij komt.
[23] Dit citaat is te vinden in Mattheüs 20,28. Kan men dit citaat, een uitspraak over de mensenzoon, toepassen op de Tempel? Als Jerusalem is de Stad van de grote Koning (Mattheüs 5,35), hoe zal dan het huizen, het wonen van de koning plaats vinden? ‘Hoe richt je je ruimtelijk in als je koning bent? Als Jojakim ten koste van zijn arbeiders zijn paleis bouwt, krijgt hij van de profeet te horen:
Wee hem - die zijn huis bouwt met òn-gerechtigheid, - zijn opperzalen met òn-recht; - die zijn naaste voor niets laat werken, - hem zijn loon niet geeft; - die zegt: - Ik zal mij een groots huis bouwen - ruime opperzalen - die daarin zijn vensters aanbrengt - en het bedekt met cederhout, - het bestrijkt (‘zalft’) met menie. - Ben jij een koning, - als je wedijvert met cederhout?
- Je vader, heeft hij niet gegeten en gedronken - en recht en gerechtigheid gedaan? (Jeremia 22,13-15)
Cederhout verwijst naar de trots van de ceders van de Libanon (Jeremia 22,7.7 en 23). De gezalfde koning zalft’ zijn huis mooi met rode menie-kleur, terwijl hij recht en gerechtigheid moet doen, dat wil zeggen: ruimte en vrijheid scheppen voor de mens die in het nauw zit en geen plek heeft.’ K.Deurloo, B.Hemelsoet, Op bergen en dalen, Bijbelse geografie: de plaats waar geschreven staat, Baarn 1988, p.10.
* Nu terug naar de vraag aan het begin van de noot. De aangehaalde tekst komt uit Mattheüs 20,28. Het gaat over de mensenzoon maar de tekst wordt hier toegepast op het Huis van de Koning. Is dit een geldig citaat? Hulp: zie eventueel de context, met name Mattheüs 20,21.
[24] In het hebreeuws wordt hiervoor het woord kabood gebruikt. In de regel geven vertalingen dit weer met het woord ‘heerlijkheid’. ‘Gewicht’, ‘zwaarte’ suggereert iets van ‘stevigheid’, iets waar je op kunt leunen, wat betrouwbaar is. ‘Heerlijkheid’ is meer het ontzagwekkende, afwezige, ijle, verhevene, zwevende - het imponerende dat verdwijnt en waarvan je ‘onder indruk komt’. In zoverre dergelijke ‘ontroering’ ook herkenbaar is als element van een verhouding tussen mensen, is dat functioneel, maar religieus kan fascinatie ook leiden tot verkramping en - voor de goede verstaander afgoderij of slavernij. Denk maar aan de grote systemen uit de geschiedenis bekend, die enkel onmondigheid heeft bevorderd. Waar onmondigheid troef is kan niemand zich verant-woord-en. Zie eventueel ook de tekst vòòr voetnoot 25:’... niet om gediend te worden, maar om te dienen!’ Denk ook aan de uitdrukking:’Tot uw dienst!’
[25] Zie ookhet argument dat Abraham gebruikt om God te verplichten naar hem te luisteren. Gen 18,25: hoewel ik stof en as ben. ¦ Wat wordt over die armoede gezegd in Deuteronomium 5,29 en 29,3 of 4? Tenslotte: je begrijpt nu ook, dat ‘armen van geest’ niets te maken heeft met ‘de simpele zielen’.
[26] Let hierbij ook op het werkwoord: je gaat op naar de tempel, zoals je ook opgaat (uit Egypte) naar het land.
[27] Zie bijv. Johannes 7,14. Daar hoeft niet geschreven te worden wat hij leert. Dan kan immers alleen maar Tora zijn! De vragen van Psalm 24 en het antwoord dat de verzen 4-6 daarop geven hoeft men daarbij niet te vergeten. Zie daarbij eventueel ook K.DEURLOO en B.HEMELSOET, Op bergen en dalen, Baarn 1988, p.140.
[28] In een werkomschrijving kun je dit als volgt aanduiden: "zolang heden als het lezen of het vertellen duurt."
[29][29] Een voorbeeld. Bij iedere praktische opleiding hoort praktijk. Je oefent dan een in echte of bijna echte situatie wat je wil leren. Je oefent je toekomstige vak uit alsof je dat al kunt. Je plant. Je probeert. Zaken gaan soms echter anders dan jij ze verwachtte. Je moet je planning dan bijstellen. Je improviseert. Maar die improvisatie (flexibel gedrag) is geen slag in de ruimte. In je intuïtieve aanpak zit eerder opgedane en nu eigen ervaring. Dat is programmatisch. "Spontaan" weet je dat, en hoe je het nu beter anders kunt doen, heb je een alternatief. Het is de kunst uit de alternatieve de beste te kiezen. Dan wordt, bijvoorbeeld je onderwijs, gedragen door creativiteit, blijft het min of meer oorspronkelijk.
[30] In meer theologische taal kun je zeggen: Wat in de Schrift verteld wordt is meer eschatologisch dan historisch, dus iets wat nog steeds moet gebeuren en waaraan wij, vandaag nog, dienen te beginnen’ (Renckens, a.w. p.43).
[31]Waarom bouwt David de Tempel niet? Omdat er door alle oorlogen die hij gevoerd heeft bloed aan zijn handen kleeft (1Kron 22,8). In de Midrasj is David zeer bedroefd. Waarom mag hij de Tempel niet bouwen? ‘De Heilige Hij zij geprezen zegt:’Als jij de Tempel bouwt, zie, hij zal staan en blijven en nooit verwoest worden!’ ‘Maar’, zegt David, ‘zo moet het toch zijn!’ De Heilige Hij zij gezegend antwoordt:’Het is mij geopenbaard en bekend, dat de kinderen van Israël zullen zondigen en dan zal ik het vuur van mijn woede koelen op de Tempel en haar verwoesten en alleen zo zullen de kinderen van Israël gered kunnen worden.’ Daarom heet de Tempel ook het huis van David (Psalm 30,1) en niet 'het huis van Salomo'. Midr.Tehil.62,4. M.a.w.: als David de Tempel gebouwd had, dan had God niet kunnen (laten) verwoesten en had Hij geen mogelijkheid gehad, Israël (vanuit de Ballingschap) te laten omkeren.
[32] Rabbi Meïr zegt:'Hoe kun je weten dat zelfs een heiden die zich bezighoudt met het bestuderen van de Tora, gelijk is aan de hogepriester? Er staat geschreven:'Je zult mijn inzettingen en verordeningen in acht nemen; ieder mens die dit doet zal daardoor leven'. Er staat de mens. Er staat niet priesters, Levieten of Israëlieten. Er staat de mens Dit leert dat zelfs een heiden die zich bezig houdt met het bestuderen van de Tora, gelijk is aan een hogepriester (BT AZ 3a).
[33] Abot R.Nathan IV,5.
de messias
koningen