Kerstmis en de bijdrage van Lukas
door Jan C.M.Engelen
Heb je gelezen wat er met lezen aan de hand is?
Wanneer je de "kerstteksten" van Mattheüs gelezen heb zul je constateren: het beeld van kerstmis is nog helemaal niet compleet. Waar zijn de herdertjes gebleven? Daarvoor moeten we naar Lukas.
Hét Kerstverhaal uit de Kerstnacht, over de herdertjes die bij nacht enz
... vinden we alleen bij Lukas. [Wat staat er ook alweer in het kerstverhaal
van Markus? Wat bij Johannes? Als je dat nakijkt zul je merkenJe ziet: dit
staat niet zonder reden tussen haken.]
De vier evangeliën beginnen alle vier bij de JORDAAN, waar de woestijn
over gaat in het land dat alle beloften draagt. De Jordaan ligt precies op
de grens van 'Mozes’ en de ‘profeten’. Daar begint het verhaal over Jezus.
Mattheüs laat daar een prelude aan voorafgaan. Hij plaatst zijn verhaal over
Jezus in de lijn van de lange en oude geschiedenis vanaf Abraham over David
en de Babylonische Ballingschap en laat dan Jozef precies op tijd dromen om
ons daarin te vertellen wat hij te vertellen heeft, zodat ook wij, tot lezers
en toehoorders gemaakt van deze geschiedenis van nu af aan weten wat zich
op het podium van dit verhaal zal gaan afspelen.
Wat
laat Lukas aan zijn verhaal over de doop van Jezus in de Jordaan vooraf gaan?
Hoe vat hij het voorafgaande samen of welk eigen licht laat hij vanaf het
begin schijnen op wat zijn verhaal te bieden heeft?
1. Om te beginnen zegt
Lukas dat hij niet de enige of de eerste is met een verhaal over Jezus. Hij
heeft alles van begin af aan onderzocht en in ‘de geregelde volgorde' te boek
gesteld. Wat is die ‘geregelde volgorde'?
Men zou geneigd kunnen zijn: de goede volgorde. Denken wij daarbij
niet vooral aan de chronologie of de logica. Het kan -tenzij wanneer je het
weet - niet bij je opkomen, dat dit de volgorde van de TeNaCh moet zijn.
2. Zacharja/Zacharias
Na die inleidende opmerking gaat het doek open. Lukas doet dat heel bijbels:
‘En het geschiedde'. Wat geschiedde er? Namen worden genoemd: Herodes-Judea,
Zacharias uit de afdeling van Abia.
3.
Binnen de TeNaCh is Zacharias (gr) - Zecharja
(hebr) geen onbekende. Zie de profeet die in onze bijbeluitgave de op een
na laatste profeet is van de TeNaCh. Zecharja (‘De Heer gedenkt') heet daar
(Zech 1,1) de zoon van Berechja (‘De Heer zegent'). [Je vindt Zecharja ook
in Jerusalem van Ezra 5,1 zich inzetten voor het bouwen van de tempel. Van
de profeet Zecharja is de tekst over de koning die zachtmoedig komt, zittend
op een ezel - de tekst die ieder jaar op palmzondag wordt gelezen. Zie ook
Zech.8,22.v.] Is Zacharias de profeet?
4. De vrouw van Zacharias
wordt ook genoemd: Elisabeth. Zo heette ook de vrouw van Aäron (Exodus 6,22).
Aäron is de broer van Mozes, de eerste hogepriester. Voor Lukas is dat blijkbaar
belangrijk. Hij noemt de naam Aäron uitdrukkelijk. Is priester Aäron bij Lukas
de hogepriester?
5. Zacharias en Elisabeth
zijn oud en hoogbejaard en ze hebben geen kinderen. Is dat bijbels gesproken
bekend? Wie, welke bekende bijbelse personen, zijn ook zeer oud en kinderloos?
6. Weer: Het geschiedde - helaas is dit bijna steeds
wegvertaald! Wat geschied er? Zijn afdeling heeft de beurt om dienst te doen.
Dienst te doen, waar? In de Tempel. Waar is die Tempel? Dat zegt de tekst
niet. Bij Lukas komt het hoge woord Jerusalem er pas uit als hij Jezus overeenkomstig
de Torah van Mozes naar Jerusalem laat brengen.
7. Zacharias moet in de
tempel het reukoffer brengen. Als de hogepriester deelnam aan de liturgie
van de tempel dan bracht hij in negen van de tien gevallen het reukoffer.
Daarmee wordt de ‘opening van de dag in de tempel' besloten.
8. Hij ziet een engel.
Wij vragen dus:’Wat wordt er gezegd!' Een heel verhaal. Er zal toch een kind
geboren worden! Hij zal de vaderen bekeren tot de kinderen! Zie ‘de laatste
zin van de Profeten' bij Maleachi.
9. Waaraan zal ik dit weten? Zacharias ziet het niet zitten, heeft er
geen vertrouwen in. De negen maanden dat het kind groeit in de schoot van
zijn vrouw zal hij erop broeden, totdat het hoge woord eruit komt als hij
de naam van het kind opschrijft, tot Schrift maakt: De Heer is genegen - Jochannan/Johannes.
(Lk 1,63)
10. Zacharias kan het
volk niet zegenen. In de priesterzegen komt voor:’De heer zij U genegen'/Jo-Channan,
Johannes (griekse versie)..
11.
Mirjam/Maria Naast of tegenover Zacharias in de tempel die er geen vertrouwen
in heeft maar er welaan moet geloven komt nu Nazareth ‘of all places' in Galilea
met een meisje van wie niets belangrijkers te zeggen valt dan dat zij verloofd
is met ene Jozef. Zal ze blij zijn! Zal ze dromen!
Welke naam wordt erbij
gehaald?
Welk perspectief biedt
dit?
12. Evenals bij Zacharias
heeft ook bij Maria een ‘zoete inval' plaats. Je hoort de woorden van het
traditionele katholieke gebed: ‘Wees gegroet, Maria'. Het bidden van dit gebed
is dus om te beginnen Lukas citeren, hardop lezen, zijn woorden tot de jouwe
maken.
13. Het gaat bij Maria
als bij Zacharias, maar er is een verschil.
Wat?
Wat staat er in Lk 1,32 over David?
De ‘geest' wordt erbij
gehaald. Waar moeten we dan ‘om te beginnen' zijn?
14. Maria en Elisabeth
Lk 1,39: Maria reist naar ‘een stad in Judea'. Welke stad is dat? Dat kan
alleen maar Jerusalem zijn. Lukas noemt die stad nog niet. Wanneer mag bij
hem Jerusalem met haar eigen naam genoemd worden? De naam Jerusalem noemt
Lukas pas als Jezus overeenkomstig de ‘Torah van Mozes' naar de tempel wordt
gebracht.
15. Maar ‘een stad in
Judea' kan evengoed Hebron zijn, de stad van Aäron zijn (Joz.21,13). Zie Lukas
1,6: alsof Maria in het huis van Aäron moet zijn.
16. Van Zachaja hoor je
niets. Bij Lukas krijgen om te beginnen de vrouwen het woord! Moet je horen.
Elisabeth
zegent Maria. Zegenen: Gods naam in verband brengen met een gebeuren. Zodoende:
herinneren aan zijn/haar naam. De naam ‘roepen' is: iemand een plaats geven
in de/Gods geschiedenis.
17. Het bekende katholieke
gebed Wees gegroet Maria blijkt
in eerste instantie uit het Lukas-evangelie afkomstig te zijn. Als je die
woorden zegt, neem je de woorden van de engel in je mond (Lukas 1,28) en ga
je door met de tekst van Elisabeth (1,41).
Welke betekenis heeft
het woord geloven niet?
Welke betekenis heeft
het woord geloven?
Met behulp van welk engels
woord love kun je iets vermoeden!
18. In aankondigingen
van concerten kom je regelmatig tegen dat het Magnificat,
bijv. van Vivaldi, Bach of Monteverdi, wordt uitgevoerd. Hier, bij Lukas,
kun je het Magnificat. Probeer te achterhalen wat het ‘Magnificat' is. (‘Magnificat'
is latijn, het betekent: [hij/zij/het] maakt groot.)
Wat is het Magnificat?
Waarover gaat die tekst?
Waar kom je dit thema
bijbels gesproken voor het eerst tegen?
Vergelijk Lk 1,46-55 met
1Sam 1,11vv. Wat valt je op?
Welke naam valt er aan
het einde van het Magnificat
Waar plaats je die naam?
Hoe is daar in de inleiding
over gesproken.
Welke betekenis heeft
die naam?
Keizer Augustus komt met
een gebod (gr. dogma) voor heel
zijn rijk (gr. oikoumenè). Ieder
moet zich - omwille van de belasting-heffing - laten inschrijven. Daarom moet
Jozef toevallig op weg naar Bethlehem en wordt het kind toevallig binnen het
raderwerk van de loop der dingen in Bethlehem geboren.
1. I. En het geschiedde in die dagen,
dat er een gebod uitging van keizer Augustus,
dat de hele wereld moest worden ingeschreven.
2.
Deze eerste inschrijving geschiedde,
toen Quirinius stadhouder was over Syrië.
3.
En zij gingen allen om te worden ingeschreven,
ieder naar zijn eigen stad.
4.
Ook Jozef ging op
van Galilea uit de stad Nazareth,
naar Judea naar de stad van David, die Bethlehem genoemd wordt,
- omdat hij uit het huis en het geslacht van David was -
5.
om te worden ingeschreven
met Maria zijn ondertrouwde vrouw,
welke bevrucht was.
6. II. En het geschiedde als zij daar
waren
dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou
7.
en zij baarde haar eerstgeboren zoon
en wond hem in doeken
en legde hem neder in de kribbe,
omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.
8.
En daar waren herders in diezelfde landstreek
in het veld verblijvende en wakende de nachtwacht over hun kudde.
9.
En een bode van de Heer stond bij hen
en de heerlijkheid van de Heer omscheen hen
en zij vreesden met grote vreze.
10.
En de bode zij tot hen:
Vreest niet,
want zie!
ik verkondig U een grote blijdschap,
die heel het volk ten deel zal vallen,
11.
dat u heden geboren is de Redder,
welke is Christus de Heer,
in de stad van David.
12.
En dit zij u het teken:
ge zult een kindeke vinden
in doeken gewonden
en liggende in een kribbe.
13.
En plotseling was daar met de bode
de menigte van het hemelse heirleger
prijzende God en zeggende:
14.
Ere in de hoge aan God
en op aarde vrede voor de mensen van zijn welbehagen.
15. III. En het geschiedde, toen de engelen
van hen weggegaan waren naar de hemel,
dat de herders tot elkaar zeiden:
Laten we dan heengaan naar Bethlehem
en laten we zien dit woord dat geschied is,
dat de Heer ons bekend heeft gemaakt.
16.
En zij kwamen met haast
en zij vonden Maria en Jozef en het kindeke
liggende in de kribbe.
17.
En als zij het gezien hadden
maakten zij bekend het woord
dat hun van dit kind was gezegd.
18.
En allen die het hoorden
verwonderden zich over hetgeen hun werd gezegd door de herders;
19.
doch Maria bewaarde al deze woorden
die overleggende in haar hart.
20.
En de herders keerden weder
verheerlijkende en prijzende God
over alles wat zij hadden gehoord
en hadden gezien zoals het hun was gezegd.
[Vertaling F.H. Breukelman,
Bijbelse Theologie 2, Kampen 1984, p. 180 v.]
1. Heel de wereld in rep
en roer vanwege die inschrijving.
Hoezo inschrijving? Er moet belasting geheven worden. Daarom wordt heel de
wereld in beweging gezet. En zoals heel de wereld, zo ook Jozef. In zijn beweging voegt zich als het ware terloops
Maria in, die toevallig ... enz. Kind van de rekening van de grote wereld
die haar tol eist.
2. Jozef naar zijn eigen stad. Uit het huis van David:
dan zal hij naar Jerusalem gaan! Nee, Jozef moet omwille van David naar Bethlehem.
3. Geen plaats is er in
de herberg. Herberg: in het grieks
staat er kataluma. Dit woor rijmt
op de griekse naam voor Jerusalem: Hiërosoluma.
4. Dit zal voor U een
teken zijn. Het teken is: dat wat zal geschieden.
Zie daartoe eventueel Ex 3,12.
5. En het geschiedde - een typisch uitdrukking uit
de Tenach (470 keer, minstens 50 keer in Genesis - zie Statenvertaling). De
omschrijving en het geschiedde is niet eigen aan het griekse taaleigen. De
Septuaginta heeft die parafrase overgenomen uit het hebreeuws van de Tenach.
Lukas neemt die stijl over.
6. Wann erzählt man? Zunächst wohl, wenn etwas geschehen ist. Der dringendste
Anlass zum Erzählen ist immer da gegeben, wo einer etwas weiss, was die andern
noch nicht wissen und wass sie notwendig erfahren müssen. (Fr.Rosenzweig,
Der Mensch und sein Werk, Gesammelte
Schriften 3, Zweistromland, Dordrecht 1984, p.819. Let op de eigen betekenis
van erfahren. Van dit ‘ervaren'
moet de katechese het hebben!)
6. En het geschiedde: het gaat om de geschiedenis: Wat geschiedde er?
Je hoort een merkwaardig lawaai. Je schrikt. Wat is dat? Welk woord hoort daarbij? Het dichtslaan van een deur
is iets anders als het door de geluidsbarriere gaanvan een vliegtuig. Welk
woord hoort bij dit geluid? Wat wil aan
de lezer/toehoorder als geschiedenis verteld
worden? Van welke geschiedenis moet de lezer/toehoorder het volgens het verhaal
hebben?
Op een vergelijkbare wijze spelen literatuur, theater en
ook de beeldende en de muzische kunsten in op het onbekende, nog naamloze
van ons bestaan. Ze spreken ons aan, noemen ons van over de grenzen van ons
bestaan, hebben woorden voor wat wij nog zoeken. Daarom is niet alleen de
beeldende kunstenaar creatief, maar ook degene die daarin wordt aangesproken.
(Wo in der Bibel ein
Gedanke sich äußert, blickt der Sprecher sorgend auf den Hörer. M.Buber,
Werke II, Schriften zur Bibel, München 1964, p.1091. Het citaat geeft
de zin/richting van het spreken en de betekenis aan! Het geeft ook aan waarom
je zo verrast bent wanneer een ander door ‘een kunstwerk’ - een boek, film,
verhaal - evenzeer wordt aangesproken als jij. Het delen van ervaring maakt
ervaring tot echte ervaring.)
Daarmee kunnen we op een nieuwe manier kijken naar dit woord dat geschied is, dat de Heer
ons bekend heeft gemaakt (2,15 zie ‘woord' in v.17.19). Ook al geschiedt eerst het grote gebeuren dat Augustus
geboden heeft, de inschrijving,
het WOORD dat geschied is het vanuit de hemel
en dat door de bode bekend gemaakte wordt is het werkelijke woord, de ware
geschiedenis.
Samengevat: wat geschiedt
er? Het woord. Geen mens komt er op. Het wordt in 's hemelsnaam gegeven. Lukas
onderstreept dit: allen verwonderen
zich! Wie zijn die allen? Het kunnen de herders niet zijn, want die hebben
het van de engel gehoord. In het verhaal van Lukas zijn tot nu toe nog alleen
Maria, Jozef en het kind genoemd. En uitgerekend Maria bewaart
al deze woorden, overleggend.
Waarom:
‘uitgerekend’ Maria?
Wat van het bovenstaande kun je in de gangbare bijbelvertalingen
terugvinden?
7. Er zijn maar een paar
hebreeuwse woorden die je zou moeten kennen. (Twee van die woorden waren eerder
tsaddik en rasja -zie I,12. Daar
wordt ookaangegeven dat een rechtvaardige en een afbreker te maken hebben
met het woord. Nu geven we datzelfde verhaal
andersom.)
Dabar: 1. Het woord dat iemand spreekt.
2. De zaak die iemand doet.
3. De aanduiding van wat geschiedt is als eenheid van woord
en daad.
|
Het is belangrijk dat je de antwoorden op de vraag
over dabar correct hebt en begrijpt. Maar voordat je de antwoorden
zoals ze hier staan overneemt moet je eerst zelf gezocht hebben! Daarom
deze typografie. De dabar geschiedt vanuit de hemel op de aarde. De hemelse PTT geeft hiertoe de aanzet, de herders vertellen het verder, en allen verwonderen zich. Het op deze wijze verkennen van de ruimte kom je ook
tegen in het onze vader: ... die in de hemel zijt ... op aarde. Je
kent het ook van eer aan God in de Hoge en vrede op Aarde. Je kent
het ook uit Gensis 1: Om te beginnen God schept de hemel en de aarde...
goed! Vrede op aarde is met God in Genesis 1 zeggen dat
het goed is. In Gen 12 betekent dit: de naam van de Heer aanroepen.
Zo roepend overbrugt Abraham, nadat God in zijn spreken (Gen 12,1) de afstand van de hemel naar de aarde overbrugd
heeft, op zijn beurt de afstand van de aarde naar de hemel (Gen 12,8).
Nu begint een geschiedenis van wederkerigheid. |
Hoe geschiedt de dabar
in Lukas 2?
In welke bekende teksten
vind je dezelfde afbakening van ‘de ruimte'?
8. Voor wikkelde hem in doeken: zie Ez.16,4-5.
Over wie gaat het daar?
9. Het kind in de kribbe.
Niet te midden van de machtigen
(vgl Lk 1,52). ‘De messiaanse gemeente heeft een plaats tussen de schepselen
die niets hebben te verliezen in het rijk van Caesar, tussen de mensen die
als pars pro toto leven van Gods welbehagen ... niet in een tijdelijke verblijfplaats,
niet op een hotelkamer, maar op de aarde, tussen de schepselen, in een degelijke
pasTorahle, davidische omgeving. ... bij familie of vrienden, simpele mensen
van het land.' (R.Zuurmond, Geen plaats in de herberg, Amsterdamse Cahiers
2, 1981, pp. 94-130, p.120.)
10. Voor de ‘os en de
ezel' moet je te rade gaan bij Lukas 13,15 en Jes 1,3.
Wat vind je daar?
11. Na de geboorte van
Jezus geeft Lukas nog drie verhalen:
a a. Het kind en de Torah 21-24
b b. Het kind, Simeon en Anna 25-38
g c. Het kind en de Torah 39-40.
12. Met het kind (2,21.40)
wordt de weg gegaan van de Torah van de Heer (2,22-24 en 39). Tussen die twee
delen in blijkt er alle ruimte te bestaan voor (eerst) Simeon, (daarna) Anna,
representanten van Israël dat de vertroosting en de verlossing verwacht (25.
30). Waar verwacht men dat? In de Tempel in Jerusalem. Blijkbaar is de Tempel
in Jerusalem de plaats waar de verwachting hoog gehouden wordt. De verwachting, het uitzien naar de Messias,
vindt nu in het verhaal zijn vervulling (2,26). Simeons ogen zien Gods redding
(2, 26 en 30) zoals de herders dit eerder hadden gezien (2,15.17. 20). (God:
JHWH, vaak afgekort tot Je; Redding:
Hosjoea. Je-hosjoea, wordt samengetrokkentot
jehosjoea, Jesjoea - daarvandaan de griekse weergave: Jèsoes.)
13. Je ziet nu opnieuw
heel duidelijk, hoe het verhaal over de
herdertjes lagen bij nachte feitelijk is ingebed in de Tenach en de Torah.
Zonder de OT-kontekst kan er geen ruimte bestaan voor het kerstverhaal van
Lukas. Zonder die literatuur waarin de Tenach probeert te zeggen hoe God de
wereld verstaat hebben we het niet over het verhaal van Lukas.
Als we het niet over het verhaal van Lukas hebben, dan verzadigen
we ons met kerstmis aan ons eigen verhaal. Onze eigen emotie is dan vrede op aarde, want wie zou er in het nachtelijk duister niet van goede
wille zijn? In feite hebben we aldus aan Kerstmis in de eigenlijke zin van
het woord geen boodschap (angèlion).
Kan het dan voor ons een eu-angèlion/evangelie
zijn? Evangelie is het goede verhaal, het verhaal van het goede. Zijn wij
zo’n goed verhaal?
14. Simeon
en Anna representeren hen die de vertroosting
van Israël verwachten, de verlossing van Jerusalem (2,25.38). Zij verschijnen
niet op het toneel om met respect afscheid te nemen van het OT, maar omdat
zij iets te zeggen hebben over het nieuwe dat komend is, over wat de genesis
van Jezus betekent.
Simeon zegent en zegt
(28 en 34). Hij zegent God (28) en hij zegent hen, Jozef en Maria (34), en
in hen de mensen: Israël en de volkeren. Zie daartoe 32: een licht tot onthulling
(nl. om te kunnen zien - het weghalen van de sluier, vgl Jes 25,7) van de
volkeren en heerlijkheid voor uw volk Israël.
Het kind is vanuit God blijkbaar volop licht (vgl Jo 1,5).
Voor de mensen is het dubbel: hij is val en opstanding,
a) teken, dat, b) weersproken wordt. Alles komt in de woorden van Simeon uiteindelijk
neer op: opdat onthuld worden de overleggingen
uit de harten van velen. In het verhaal van Lukas lijkt het evangelie
een demaskerade te worden.
15. Het onthullen van de overleggingen van het hart. De laatste woorden
blijven hangen, moeten a.h.w. blijven meeklinken door heel het evangelie.
Wat wordt daarin aan de orde gesteld?
Het hart
is het wezen van een mens als richting,
dat waar ik op uit ben. Uit het hart komen de daden en de woorden van een
mens voort (zie Lk 6,45; Mt 15,19). Alleen God kent - ondanks onze ver-psychologiseerde
kultuur - het hart (Zie 1Kon 8,39; 1Sam 16,7; Ps 139,1.23; 1Kor 4,5; 1Joh
3,20).
In de loop van het evangelie zullen
de overleggingen uit het hart van velen
onthuld worden. Wat zijn die overleggingen? Mt (15,19) en Mk (7,21) hebben
het woord overleggingen maar één keer. Bij
Lukas ontbreekt het in de parallelplaatsen.
Lukas heeft het woord overlegging
na 2,35 nog 5 keer ingezet in zijn evangelie: 5,22; 6,8; 9,46.47 en 24,38.
Hij wil er blijkbaar iets eigens mee! (Hetzelfde is het geval met het weerwoord
overleggen in 1,29; 3,15; 5,21; 12,17 en
20,14.)
Lk 5,21.22. De Schriftgeleerden en Farizeeën begonnen te overleggen: Wie is deze (Jezus), die godslasteringen
spreekt? Wie kan zonden vergeven dan God alleen?
Maar
Jezus, kennende hun overleggingen,
antwoordde
en zei tot hen:
Waarom
overlegt ge in uw harten?...
Lk 6,8. De Schriftgeleerden en Farizeeën ... observeerden Hem ...
om Hem te kunnen beschuldigen. Maar Hij kende hun overleggingen. (Deze tekst preludeert al op 20,14).
Lk 9,46.47. En er kwam een overlegging
bij hen binnen (bij de leerlingen ...in de binnenste kring rond Jezus), wie
van hen grootste was. Maar Jezus kende
de overlegging van hun hart - en Hij nam een kind...
We zien dus hoe keer op keer ‘de overleggingen uit de harten onthuld
wordt'. De profetie van Simeon gaat in vervulling!
Lk 20,14. In de gelijkenis van
de pachters wordt de climax bereikt.
Als ze Hem zagen,
overlegden de pachters met elkander zeggende:
Deze is de erfgenaam;
komt laten we hem doden,
opdat de erfenis van ons worde. (Zie Mt 21,38 en
Mk 12,7!)
... Hier heeft het proces van
de onthulling der overleggingen zijn climax bereikt; alles ligt nu ‘open en
bloot' (Hebr 4,13). Dit is ons aller overlegging, ook al zijn wij wellicht
geneigd om - subjectief te goeder trouw - verbaasd te reageren zoals de schare
reageerde in Jo 7,20:’Gij zijt bezeten; wie zoekt U te doden?' (H.Rooze, ‘Opdat
onthuld worden de overleggingen uit de harten van velen', in Amsterdamse Cahiers
3, Kampen 1982, pp.99-106, p.102v.)
Als je schrikt van deze leesaanwijzing,
denk dan aan de bekende verhalen uit Genesis, Kain en Abel, en verder. Wanneer
het woord ‘broederschap' valt blijken wij te naief!
16. Hoe kan dit een zegen
zijn. Zie 24,38, als de verrezene in hun midden verschijnt en zij schrikken.
Alleen de onthulling is de bevrijding. Zo komt er ruimte voor de ommekeer tot vergeving der zonden (Lk 24,47
zie Jes 55,6v).
Wat staat er in Jes 55,6v.
Welke plattegrond wordt
daar gegeven?
Anna, de profetes, heeft
7 jaar (een volle tijd) met haar man geleefd. Ze is nu een weduwe - iemand
die het verbond uit eigen herinnering kent - van 84 jaar. 84=7x12. Twaalf
is het getal voor Israël, de zonen van Jacob.
Wat zie je aan 2,40 en
52?
Hoe noem je dat verschijnsel?
Wat doet Jezus te midden
van de leraren?
Waaruit blijkt zijn wijsheid?