hoofdstuk 12: johannes                                              

mk 6,14-29

terug naar voorafgaande

 terug naar markus-inhoud

Wie Markus doorgaande leest krijgt langzamerhand een probleem. De volgorde van de verhalen wordt raadselachtiger. Het begint in Markus 6 nog eenvoudig. Zijn vaderstad of vadersdorp moet niets van hem hebben. Hij met dit alles, die wijsheid die hem gegeven is, en al die dingen die door zijn handen gebeuren (6,2). Ze kennen hem toch, iemand uit het dorp. Hoe kan iemand uit het dorp een onbekende, een uitzondering zijn? Sinds wanneer vallen appels ver van bomen of is er iets nieuws onder de zon? In de tekst lijkt dat onbegrip deel uit te maken van de strategie. Hij is verwonderd over hun geen vertrouwen hebben en doet alsof de wereld groter is dan het dorp. Hij gaat in de omliggende dorpen rond terwijl hij bezig is met leren (6,6).

Zonder een spoor van overgang, alsof de tekst uitlegt hoe hij leert, roept hij de twaalf[1]. Nog steeds geen naam. Wie is Hij? Hij is degene die lerend rond gaat en de twaalf roept. Hij begint[2] hen uit te zenden twee aan twee – want het getuigenis van twee is betrouwbaar. Hij zendt de leerlingen uit. Hij geeft hen volmacht over de onreine geesten[3] alsof een nieuw begin mogelijk is. Wat dragen zij bij, wat nemen zij mee voor dat begin? Zij krijgen duidelijke aanwijzingen[4] mee. Zij zullen wellicht als Jezus in het eerste hoofdstuk hun stem geven, zich uiten over het koningschap Gods en de nabijheid daarvan. Maar dat blijkt niet waar. Zij gaan niet om te preken over het koning zijn van God. Eerst moet er iets anders gedaan worden. Zij gaan als Johannes[5] preken over de ommekeer. Alsof het evangelie na die vijf hoofdstukken weer terug bij het begin is, bij waar het om begonnen is. Ommekeer om oog of oor te krijgen voor het koning zijn van God (in Jerusalem). Zo gaan ze de onreine geesten uitdrijven.

Als sprak dat vanzelf, zo laten de demonen zich verdrijven. Het blijkt geen probleem. Ondanks het uitgebreide scenario over de uitrusting[6] en wat te doen wanneer ze jullie niet ontvangen, het uitvoeren van de missie verloopt vlekkeloos. En alsof het verhaal zichzelf gewoon verder vertelt, zo begint quasi-toevallig terloops het verhaal over Herodes en komt de lezer met zijn logica van de voortgaande lijn van chronologie of ontwikkeling in de problemen.

De leerlingen bannen de demonen uit, zalven veel zieken met olie en genezen[7]. Dat doende brengt de tekst de lezer van Markus als vanzelf bij Herodes hoort. Na de wereld van het jaloerse dorp, de onreine geesten en de zieken blijken we binnengekomen in een geheel ander decor. Herodes! Zelfs: Koning Herodes. Hoezo koning Herodes? Wat koning Herodes? Waarom koning Herodes? Hoezo ligt deze koning Herodes als een merksteen langs de weg van de zendelingen?[8] 

Zoiets als een intermezzo dient zich aan, een geheel ander verhaal. De continuďteit die lezers aan het verhaal zouden willen toedichten wordt verbroken. Het evangelie van Gods koningschap moet blijkbaar even pas op de plaats maken. Het te verwachten koningschap van God[9] wordt eerst ingevuld vanuit koning Herodes. Negatief welteverstaan. Het zal eerst gaan over het koningschap van Herodes. Dat blijkt te gaan ten koste van Johannes de Doper. Herodes hoort (14).

Zijn[10] naam wordt fanoron, doorschijnend, transparant, bekend. Dat zet anonymi aan het denken. Ze zeggen: Johannes is weer opgewekt![11] Anderen vermoeden "Elia!", dé profeet of als één van de profeten[12]. Weer hoort[13] Herodes. Ook hij heeft woorden voor wat hij hoort. Herodes echter zegt: Johannes die ik onthoofd heb, is opgewekt.... Voor koning Herodes staat het vast.

Johannes biologeert Herodes, fixeert hem als een slang een prooi. Johannes zit blijkbaar op een ereplaats, vooraan in het bewustzijn van Koning Herodes. In een flash back wordt nu het verhaal van Johannes en Herodes opgedist.

Waar moet een adempauze voor gemaakt worden? Waarom opeens alle aandacht voor Johannes? Wat heeft Johannes te vertellen wanneer het over de zending van de twaalf, twee aan twee gaat?

Hij (Jezus) begint in 6,7 de leerlingen te zenden. Ook Herodes heeft zich tot onderwerp van het werkwoord zenden gemaakt. In het nederlands is dat niet goed weer te geven. Gezonden hebbend heeft hij zich van Johannes meester gemaakt. Omwille van Herodias de vrouw van zijn broer heeft hij hem gevangen laten zetten. Johannes heeft Herodes verweten dat hij met de vrouw van zijn broer getrouwd is. De herinnering aan de ontrouw en de moord brengt Herodias niet in verlegenheid. Zij zoekt Johannes te doden[14]. Maar Herodes wil daar niet van weten. Hij vreest Johannes, laat hem leven, want hij weet dat hij een rechtvaardige is. Daar aan het hof is er, gezien de gevangene, dus een probleem, maar niet heus. Herodes leeft zich uit aan de integriteit die blijkbaar volgens hem, volgens Herodes, van Johannes uitgaat. Hij hoort hem graag. Aandoenlijk.

Welnu. Er komt een goede dag. Na eu-angelion nu eu-kairos, de goede tijd. De goede tijd voor wie of wat? Het is de goede tijd voor een maaltijd. Herodes ontvangt zijn groten, "oversten over duizenden" (legeroversten) en zijn eersten voor een maaltijd bij gelegenheid van zijn verjaardag[15]. Direct is daar de dochter van Herodias zelf. Vertalingen laten dat zelf gemakkelijk weg, terwijl dit woord van meet af aan centraal stelt wie de handelende figuur is. Intussen danst het meisje. Ze bekoort Herodes en diens disgenoten. De volgende zin noemt Herodes weer koning. Koninklijk zal het toegaan.

Prodromos - voorloper. Haya Sophia. Istanboel.

            De koning zegt tegen het meisje. Hij vergeet dat zij de dochter van is en als de dochter van Herodias binnen gekomen is. Hij meent een meisje aan te zien. De koning en het meisje. Hij denkt dat zij iets wil. Een prachtig symmetrisch opgebouwd vers suggereert haar centrale rol in de onverbiddelijke afloop van dit koninklijk drama. Vraag jij – mij – wat wil je – en ik zal geven – aan jou. Jij / ik / jij / ik / jij. En hij vervolgt met een eed: "Al vraag je me de helft van mijn koning zijn". Zij zal hem heel zijn koning-zijn vragen, alleen, hij realiseert zich dat niet.

Het kind gaat naar buiten en komt dadelijk weer naar binnen. Intussen heeft ze haar moeder wat? gevraagd. Met het antwoord op die vraag gaat ze terstond met ijver naar de koning. Het verwijt van Johannes blijkt intussen een hoofdzaak. Zij vraagt het hoofd van Johannes op een schotel. Alleen hier wordt die schotel twee keer genoemd. In vers 25 en 28. Én in 14,20: Wie zijn hand met mij in de schotel doopt. De haar toegeschreven woorden maakt het mogelijk een verbinding te zien tussen deze executie en die welke het einde van het evangelie bepaalt. Johannes is de voorloper tot in de willekeur van een eigenlijk niet gewilde moordpartij toe.

            De koning ziet zich voor het blok geplaatst. Een koninklijk woord bevestigt de willekeur van deze man die in onze ogen kwetsbaar was door op te zien naar Johannes. Alles gaat nu vlug. Weg-zenden, weg-gaande. "Weg-(ont)hoofden". In die drie keer apo/weg als voorzetsel bij werkwoorden wordt de lezer of toehoorder van dit verhaal gedwongen afscheid te nemen van Johannes. Het hoofd op de schotel geeft hij aan het meisje en het meisje geeft het aan haar moeder. De leerlingen horen. Ze komen, ze nemen het dode lichaam[16] en leggen hem in het gedenkteken.

            Het verhaal is bekend, zeer bekend. Het is literatuur en opera[17] geworden. Toch blijft het verbijsterend. Na de mens uit de graven (Markus 5,2) is er nu een graf waarin iemand is neergezet. Tot 15,46 verdwijnt het woord naar de achtergrond om dan volop in het centrum te staan.

            De leerlingen van Jezus worden nu uitdrukkelijk apostelen genoemd. Zij komen samen (syn-agoo) naar, bij Jezus. Zij weten niets van het intussen vertelde. Waar wij over het komende heen al kijken naar het einde berichten zij over alles wat ze gedaan en geleerd[18] hebben. Hun zending en het verhaal daarover speelt zich af rond het verhaal over Johannes die instaat voor trouw en daarmee slachtoffer van ontrouw wordt.



[1] Vanaf 3,14-19 staan zij al gereed. Nu worden zij gezonden. Apostelloo > uitzenden.

[2] Zoals hij in de synagoge begint te leren (6,2), zo begint hij nu uit te zenden (6,7). 

[3] Denk bij de Geest altijd om te beginnen aan de eerste plaats waar het woord functioneert, tussen hemel en aarde, in Genesis 1. Daar is de geest de band die nog rest tussen hemel en aarde. De aarde alleen, woest en leeg, zonder kop of staart, een en al chaos, is niet alleen. Nog is er een 'laatste stukje' van de hemel, de geest van God boven de wateren. Maakt dat dan wat uit? Dat zal blijken. En God sprak … Daarmee begint iets nieuws. Daarmee is het volgende niet alleen de herhaling van zetten van de zich repeterende breuk die enkel zichzelf kan reproduceren. Nog is er het andere, de ander, de hemel, de geest van God. De onreine geest ontkent dat, brengt hemel en aarde alsof de gemeenschap van het verbond – denk ook aan 'de messias' - niet bestaat, ondenkbaar en ondoenbaar is.

[4] "De staf en de sandalen tezamen zijn een signaal dat wijst in de richting van het Paasfeest … de lendenen omgord, sandalen aan de voeten en de staf in de hand… " D.Monshouwer, Markus en drie jaar Torah: het evangelie gelezen als drie jaargangen schriftuitleg, Kok, Kampen 1989, p.112. Het citaat is Exodus.12,11. ("De lendenen omgord" in Exodus 12,11 kunnen de gedachten doen gaan in de richting van Johannes, Markus 1,6).

[5] Wie wil vindt hier al terloops een plaats voor Johannes. Is dat dan zinvol? Dat zal blijken.

[6] Twee aan twee, als gaat het om een getuigenis. Waarover moet er dan een getuigenis zijn? Men denke aan het ongastvrij Sodom en Gomorra. Met die ongastvrijheid houdt de tekst rekening. Zie de aanwijzingen over sandalen en stof. Maar er blijkt niemand die zich sterk maakt tegen. Integendeel: demonen uitbannen, zalven en zieken genezen.

[7] "Het gehoorzame dienstwerk van de twaalf leerling-'therapeuten' krijgt gestalte in een drievoudige actie: prediken, uitwerpen, zalven. Anders en breder gezegd: zij maken ruimte voor het woord van God, zij maken ruimte voor de geest van God, zij maken ruimte voor de mens(en) van God." D.Monshouwer, a.w., p. 113.

[8] Is dit een goede vraag? Het is een goede vraag wanneer de tekst daar op een of andere manier zoiets als een antwoord voor heeft. Is dat het geval? Je zou vermoeden dat we meer te horen krijgen over het doen van de tot apostel gemaakte vissers en worden geconfronteerd met de bittere willekeur die blijkbaar in de grote mensen wereld heerst.

[9] We vinden deze term in het nieuwe testament meestal als koninkrijk der hemelen, over het koning-zijn van God. Daarbij is het gemakkelijk om dat even in te vullen, voorlopig te concretiseren. God is koning niet … maar. God is koning, niet als de Pharao van de slavernij, (niet als slavendrijver,) maar áls hij die bevrijdt. (Hij bevrijdt is een acceptabele vertaling van de naam Jezus.) Nu de leerkringen uitgezonden worden om te preken over Gods koningschap krijgen we eerst het negatief, niet als Herodes. Herodes speelt voor slavendrijver. Vergeet daarbij niet dat de slavendrijver eigenlijk een moordenaar is. Je leest dat in Exodus 1. Van het een komt vanzelf het andere.

[10] Nog steeds niet: wiens naam. Nog steeds is aan de orde: over Wie gaat het?

[11] Zoals de demonen geen probleem zijn, zo zit het denken van de tekst ook niet met opstaan uit de doden. Al is dat bij Elia niet zo duidelijk. Elia is immers een van de twee getuigen uit het Oude Testament die niet gestorven zijn. Hij heeft nog een werk te doen – als de Messias komt. Verwacht men dan de komst van de Messias? Of verwacht men de ommekeer, gehoor geven aan de profeten? Of verwacht men veel dat aanleiding zal geven tot radeloosheid en verdriet. Het loopt immers niet te goed af met de profeten. Hun boodschap wordt hen niet in dank afgenomen. Bij Johannes is dat geen probleem. Koning Herodes heeft hem hoog.

[12] Ook hier lijkt de tekst terug te willen naar het begin: Zo heeft Johannes het tenminste begrepen. Zie Johannes 1,21.

[13] Zijn horen is een buffertje waarbinnen de anderen zo hun opinies hebben, verdachtmakingen inbrengen.

[14] Werknotitie: commentaren bekommeren zich nauwelijks over het motief. Herodias wil Johannes doden. Herodes heeft Johannes gevangen gezet om Herodias ter wille te zijn. Zij zoekt hem te doden, hij mag Herodes wel. Het lijkt er op dat de lezer een beetje op het verkeerde been gezet wordt, alsof Herodes sympathiseert met Johannes de rechtvaardige. Heel die animositeit is opgezet rondom broer Filippus en diens vrouw Herodias. Filippus en Herodes zijn door Herodias Kaďn en Abel geworden.

[15] Zie Genesis 40,21v.

[16] Ptooma, dode lichaam, Markus zal het nog een keer gebruiken. Dan gaat het over het gestorven lichaam van Jezus. Het wordt aan Jozef gegeven.

[17] Oscar Wilde was geďntrigeerd door de bezetenheid van Herodias. Hij heeft er een eigen verhaal van gemaakt. Richard Strauss heeft die thematiek gebruikt voor zijn opera Salome. Het was de tijd van de Jugendstil. Menigeen kent de handen die een hoofd vasthouden aan zijn haar terwijl het bloed er uit druppelt. Ook in de middeleeuwen is de voorstelling van het hoofd op de schotel menigmaal verwerkt tot schilderij of smeedkunst.

[18] Rijmt die volgorde op Exodus 24,7? De tekst zegt daar: Alles wat de Heer gesproken heeft zullen we doen en we zullen er naar horen. Alsof het doen het horen en leren mogelijk maakt, voorwaarde is.