wie is hij?                   

mk 6,1-13

inhoud

voorafgaande

Uitgaan
Een zichzelf reproducerende reeks

 

Uitgaan

Het intussen reeds zeer bekend[1] werkwoord uitgaan neemt als hoofdwerkwoord de draad van het verhaal weer op: en hij gaat uit vandaar. Niet alleen het hoofdwerkwoord heeft de mogelijkheid, zo goed als heel het voorafgaande mee te nemen. Ook vandaar refereert uitdrukkelijk aan het voorafgaande verhaal en legt een verbinding met het volgende. Vandaar gaat hij naar zijn vaderstad. Niet de naam Nazareth wordt genoemd: vaderstad. Is het de bedoeling, de naam van de vader te laten klinken? Of moet het tekstdeel 6,1-4 een zekere eigenstan­digheid gegeven worden?

            Voor het eerst in het evangelie worden degenen die de tekst leerlingen noemt, onderwerp gemaakt bij het werkwoord volgen: en hem volgen zijn leerlingen. Let op de persoons-aanduidingen die Markus uitdrukkelijk noemt: zijn vaderstad, zijn leerlingen, ze volgen hem. Daarmee is een mogelijk verschil aangegeven: tussen zijn vaderstad en zijn leerlingen die hem volgen. Is daarmee ook de kring zo klein gemaakt dat alle aandacht op hem valt, op hem alleen, in zijn vaderstad[2]. Waartoe die toespitsing en concentratie? Moet hij zo nodig nader ingevuld worden, van predicaten voorzien? Wordt het tijd om vast te stellen wie hij is. Wordt het tijd voor een eerste indruk, een eerste beeld? een hoofdlijn of eerste schets?

 

Een zichzelf reproducerende reeks

Weer is het sjabbath (vgl 1,21), weer is er de synagoge (1,21) en weer wordt er geleerd, al staat het er anders: èrksato didaskein, hij begint te leren. Alsof het een vanzelfsprekende reeks is: sabbath, synagoge, leren (tora). Het werkwoord beginnen wordt erbij gehaald. Ook dit werkwoord lijkt het verhaal terug te willen buigen naar het begin, terug naar waar het om begonnen is: het evangelie, gelijk geschreven is door de profeet Jesaja, over die verteller van dat goede verhaal. En weer is er die verwondering (1,22) al geeft Markus er nu uitdrukkelijk bij aan de velen die horen. Hier wordt niet voor dovemansoren gesproken – lijkt? blijkt?

            Die horen nemen het woord. Vanwaar voor deze dit alles?! of vanwaar is dit alles er voor hem, of waar heeft hij het vandaan en: welke wijsheid is hem gegeven (geworden) ?! en wat een krachten uit zijn handen?! Kwaliteiten worden opgemerkt en vertolkt. Weer een reeks. Alle goede dingen in drieën lijkt het wel. Vanwaar, wijsheid en kracht. Heel die verwondering blijkt evenwel inleiding tot een geheel andere opzet. Drie vragen waar er twee achteraan komen. 

            Ouch houtos estin, is niet deze! Hij, hier en nu, in het verhaal volop opzienbarend heden, wordt gereduceerd tot het bekende verleden. Hij en al die mensen bij wie hij hoort, dat is toch bekend! Maria, Jacobus, Joses, Juda, Simon[3]. Ze ergeren zich aan hem. Zij maken het uitzonderlijke dat verwondering wekt ongedaan door het hoofd af te wenden en te belijden dat alles hetzelfde is, bekend, als vanouds. Hij, nee: Jezus, nu met name genoemd, neemt het ritme van hun spreken over: ouk esti prophètès, is niet een profeet…? Tegenover zoon van de handwerksman zet hij het vermoeden van profeet, niet ongeëerd dan in zijn eigen vaderstad, bij zijn eigen verwanten en in zijn eigen huis. Weer een trits. 

            Spreek je over een profeet, dan spreek je impliciet over de Tora die hij vertolkt. De profeet brengt de Tora in: de tekst citeert uitdrukkelijk Genesis 12,1 (vaderstad, medegeborenen en huis). Hun zich distantiëren in vijf vragen maakt iedere kracht onmogelijk. In de handopleg­ging identificeert hij zich met de zieken[4]. Hij geneest weinige zieken.  Ook hij reageert in een vijftal opmerkingen van Markus[5]. Het midden van de vijf opmerkingen die de afwijzing vormen (welke krachten door zijn handen) in Markus 6,2 onderstreept hier de eenvoud van het gebaar: hij legt weinige zieken de handen op. Tegenover de velen[6] die horen (Markus 6,3) de weinigen[7] die hij de handen oplegt.    

            Waar allen zich verwonderden na het verhaal in de Dekapolis over wat Jezus hem gedaan had (5,20), is hij nu verwonderd[8]  over hun niet vertrouwen. Daarmee lijkt het complete incident in zijn vaderstad afgesloten. Een zaaien tevergeefs. Maar de drie mislukkingen van Markus 4 zijn nodig om de kwaliteit van de goede aarde te laten zien.

Vanuit de Synagoge in zijn vaderstad gaat lerend rond in de dorpen rondom[9]. Hij roept zijn leerlingen naar zich toe en zendt hen met alle volmacht over onreine geesten. Het zou bij ons nooit opkomen wat Markus hier schrijft. Zou Jezus zijn leerlingen niet twee aan twee uitsturen om de komst van Gods koningschap[10] te prediken? Of wordt dat afwijzende van de vaderstad en de familie nu al geanticipeerd? 

Weerloos zal hun tocht zijn. Geen zekerheid dan alleen de staf en de sandalen. Ziet hij (Jezus volgens Markus) zo zichzelf, met een staf en sandalen, onderweg, enkel onderweg? Maar hoe blijft dat beeld dan voorbijtrekken langs het netvlies. De tweetallen, twee aan twee, die weggaan tegen de geest van het onreine herinneren aan het tweetal dat uitgaat om de klacht tegen Sodom en Gomorra te onderzoeken. De afwijzing signeert hier de ongastvrije. Zie het verhaal over de gastvrijheid van Abraham (Genesis 18). Of dient Psalm 24 zich aan?  Het beeld van Abraham bij zijn uittocht wordt nu het beeld van de twaalf met niets onderweg dan enkel bevrijding, genezing[11]. Letterlijk genomen keren zij ook niet terug. Maar wij horen wat er gebeurt. Tegenover de weinigen van 6,5 staan er in 6,13 de velen. Veel demonen werpen ze uit (de woestijn in, waar de demonen thuis zijn), veel zieken genezen zij. Bevrij­ding en genezing zijn definitief heden geworden. Nu al een visioen van later, na het evangelie. Waarom dit anticiperen, preluderen?

Het stof (aan de sandalen) blijft buiten wanneer je binnen gaat – al kan dat buiten ook binnen zijn en binnen buiten. Outsiders, insiders. Waar vallen de beslissingen. Welke, op basis waarvan? Gastvrijheid, welkom kunnen zeggen, lijkt nogal cruciaal.

© mei 2001, Jan Engelen, Herten.
wordt vervolgd


     [1]1,25.26.28.29.35.38.45; 2,12.13; 3,6.21; 4,3; 5,2.8.13.30.

     [2] In Johannes 4,44 vind je hetzelfde zelfstandige naamwoord. Daar gaat het evenwel uitdrukkelijk over Jerusalem. Zij eventueel Johannes 1,11. Let op hetgeen volgt in Johannes 1,12. Er is een parallel tussen Nazareth bij Markus en jerusalem bij Johannes. En het lijkt erop, dat Lukas datzelfde doet rond 4,24. Alsof de afwijzing in Nazareth in het klein een exegese vooraf is van de grote afwijzing (kruis) in Jerusalem.

     [3] Gaat het over familiaire verhoudingen, dan is onze kultuur steeds toegespitst op genetica. Daar ligt immers de basis voor verwantschap. Zonder het belang daarvan te willen ontkennen, een relativering van deze monomanie voor een andere mogelijkheid van lezen is op zijn plaats. Markus weet in 3,34v al over iets anders te spreken.

Namen als Jacob, Jozes, Juda en Simon halen ook minstens de geschiedenis van Jozef en zijn broers (Genesis 37vv) van de plank. En Mirjam/Maria kan ook aandacht vragen voor Mozes,  zijn zus en zijn broer (Numeri 12,3-15).

     [4]Alleen hier en in 6,13 genoemd. Wat hier de handoplegging doet, doet daar de zalving.

     [5] Zeggen, niet kunnen, handen opleggen, genezen en zich verwonderen.

     [6]  In bijbels taalgebruik is dit een aanduiding voor democratisch allen. Denk aan de beker van het verbond in mijn bloed dat voor velen … Hier mag je vragen:"Voor mij ook?" Als je wilt, ja. Velen is democratisch allen.

     [7] Het maakt de vraag uit de vorige noot dwingender.

     [8]Hierna is alleen Pilatus verwonderd over Jezus die hem niets antwoordt (5,5) en die, later, reeds gestorven is (15,44).

     [9] Kai periagoon (de "g" van garçon) tas koomas kuklooi didaskoon. De alliteratie roept de naam Galilea op. Daarnaast ook peri en kuklooi van de omtrekkende beweging, bijna refererend aan galdeel gooyiem, omgeven door de volkeren. Gaan die volkeren in het evangelie trekken krijgen van de goede aarde. Niet dat het zo is, maar mag het niet minstens even overwogen worden, rondom ziende?

     [10] Het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

     [11]Vgl Exodus  15,26.