naar de overzijde   

mk 4,35-5,20

inhoud
voorafgaande

In de boot
Overkant
Een mens
Een gebonden leven
De schreeuw
Een naam
Varkens en herders
Een bezetene of een mens
Het verhaal

 

In de boot

Let us call it a day. Het is al laat geworden. En hij die zijn leerlingen alles uitlegt, zegt: We gaan over naar de overkant. Een gebied waar we nog niet geweest zijn gaat betreden worden, een wisseling van decor. Alvorens daar het toneel te betreden is er eerst een intermezzo. Er wordt iets ingevoegd dat blijkbaar alvorens aan de overkant te komen, niet gemist kan worden.

            Op zijn initiatief (wij gaan over) nemen zij het voortouw. Zij nemen hem zoals hij in het bootje is, de menigte achterlatend. Ofwel er gaat iets verteld worden waar de menigte buiten staat, of er is iets anders aan de hand. Op het achterlaten dat zij als vanzelf doen maakt de tekst een voorbehoud: andere bootjes zijn met hem? Wat is dat? Welke ruimte wordt door andere bootjes in reserve gehouden?

            Ze nemen hem mee zoals hij is. Het verhaal, letterlijk de elementen in het verhaal, komen daartegen in verzet. De grote turbulentie van een wind geeft de golven vrij spel. Het bootje begint te huilen[1]. Het schip, mogelijkheid om het water over te steken, dreigt een doodskist te worden. Welk mensenkind is daar prijsgegeven aan het water? Hij - hoe lang noemt de tekst zijn naam al niet meer! -, hij die zij erbij meegenomen hebben, slaapt op het achterschip op iets waar je op liggen kunt. In alle bescheidenheid, niet meer meegenomen voorwerp, toch enigermate zelf onderwerp van - zeker in alle turbulentie - alle rust. Stilte in die storm.

            De drift van de storm vindt alle weerklank in hun energieke hem wakker maken. Hij moet bij het gebeuren zijn. Waarom? Dat blijkt duidelijk! Na het vallen op de weg, het vallen op grond die nauwelijks bodem heeft, het vallen tussen de distels en de dorens wist het eerdere verhaal te spreken over de overstelpende oogst. Hier evenwel is geen sprake van oogst. Enkel de tol die de zee vraagt. En hij? Bekommert het je niet dat we vergaan! Het is geen vraag meer. Het is een gebiedende wijs. Welke droom dreigt verloren te gaan terwijl het scheepje alsmaar verder gevuld door de vallende golven klaagt? Zij noemen hem leraar. Daarbij blijkt het niet te gaan over hem, maar over wij, wij vergaan. Met geen been meer om op te staan zijn zij ook nergens meer, dreigen zij in de dood te verdwijnen.

            De wind wordt bestraft, de zee toegesproken. Merk je uit de ware nuchterheid waarmee deze feiten gegeven worden de verbazing van de verteller. Na alle angst blijkt er plotseling geen enkel probleem meer. Het grote geweld van de storm wordt een grote stilte. Die stilte blijkt nodig om de vraag te laten weerklin­ken waar het blijkbaar in deze stormachtige episode op aan komt, waar deze geschiedenis naar de overkant op aan komt: Wie toch is hěj dat ook de wind en de zee zich horend onder hem scharen (- gr. hupo-akouein: hupo = onder, door, tegenover, a.h.w. onderschikkend; akouein = horen).

 

Overkant

En zij gingen naar de overzijde van de zee. Een verhaal aan de overkant. Welke overkant? Is het de overkant van al de voorafgaande verhalen? De lezer die tot nu toe, vier hoofdstukken lang, meegenomen is door de stroom van de verhalen die zich melden, die zich als golven opdringen, voortdurend aan het oppervlak komend, komt als het ware terecht aan de overkant van stilte na de storm. Het is een nog onbetreden gebied: het land der Gerasenen. De tekst geeft nogal exact de acta van het verhaal. Leveren die acta dan meteen de agenda? Zij gingen naar de overzijde. Daarna, grammaticaal in een losse, vrij staande constructie eigen aan het grieks, in de genitivus absolutus: en terwijl hij uitging uit het scheepje. Pas daarna komt het hoofdwerkwoord, na het inmiddels befaamde gelijk van Markus: gelijk kwam hem tegenover uit de graven een mens met een onreine geest. Een merkwaardige inzet.

 

Een mens

Jezus wordt tot meewerkend voorwerp gemaakt. Iemand komt hem tegemoet. Alsof er in het land der Gerasenen iemand op zijn overtocht naar de overkant heeft staan wachten. En wat voor iemand. Voordat hij als onderwerp van de zin uitdrukkelijk genoemd wordt klinkt uit de graven. Vers Markus 5,3 onderstreept dat nog eens: hij had zijn huis (waar hij zich neerzette - katoikčsis) in de graven. Een levende dode? Een mens die leeft waar de doden zijn neergezet. Met alles dat typerend is als verblijfplaats voor de doden, de tekst noemt een mens, en voegt daar aan toe in een onreine geest. De geest van de onreinheid, van wat een mens uit de gemeenschap van mensen uitsluit, van wat iedere vorm van gemeenschappelijkheid en delen onmogelijk maakt, heeft een mens in zijn greep. Het oude bekende gegeven dat in Genesis thematisch voortdurend aan de orde is: mens zijn voor God en (dat wil zeggen) broer voor de broer, naaste voor de mens naast je zijn, is hier bij voorbaat uitgesloten, aan iedere mogelijkheid onttrokken. Daar is hier geen sprake van. Uitgesloten.

 

Een gebonden leven

Verdere informatie geeft de tekst over deze mens aan de overkant. Niemand kan hem meer binden of ketenen. Bandeloos, loslopend wild. Maar wat eigenaardig is de kennis of ervaring van deze mens. De anderen zijn voor hem degenen die je binden en ketenen. Een figuur uit de graven, in de macht van een onreine geest, die niet meer te houden is. Anderzijds: is een mens dan om te binden en te ketenen? In ieder geval: die techniek gaat hier niet meer op. Ook wat dergelijke manipulaties betreft is men bij hem aan het einde. Dat lukt niet meer. De tekst wil weten dat je dit hoort: menigmaal is hij met boeien en ketenen gebonden. De ketenen trekt hij stuk, de boeien verpulvert hij. De oude beheersingstechniek heeft wat hem betreft het einde bereikt. Niemand was bij machte hem te temmen. Zelden wordt in de schrift zon treurig dossier in enkele zinnen helemaal open gelegd. Hij is niet door het plafond, maar door alle vloeren heengegaan, huis in de graven.

            Niemand kan iets met deze mens. 's Nachts en overdag is hij in de graven of hoort men hem schreeuwen op de bergen. Wat is hij verloren, wat zoekt hij? Stenen, wat hij van de aarde op kan tillen, die vervloekte aarde die hem dragen wil maar niet dragen kan, stenen tilt hij op om zich daarmee te stenigen en te slaan. Ten diepste veroordeeld door zichzelf. Hij kan en mag er niet zijn. Een mens uit een door God en mens verlaten wereld. Jeremia heeft daarover treffend uitgeschreeuwd: Was ik maar gestorven in de moederschoot, was mijn moeder maar mijn graf geweest! (Jeremia 20,17). Dit is toch een eindeloze zaak, een mens zonder begin, die overal en nergens is!

 

De schreeuw

Hij ziet Jezus van verre en holt naar hem toe. Hij vereert hem op de wijze waarop men in de goede oude tijd koningen vereert. Voel de grote druk, de energie die vrijkomt als hij met grote stem schreeuwend iets zegt. Het is een vraag die aan de overkant klinkt. Een vraag die na alle Sturm und Drang van het voorafgaande klinkt, waar alle drukte tot nu toe om begonnen is.

            Wat is er tussen mij en jou, Jezus, zoon van de hoogste God. Ik bezweer je bij God, doe me geen pijn. Wat hem tot nu toe overkomen is, laat dat zijn. Iedereen die zich met hem bemoeide, het is mooi geweest.Laat me in Godsnaam met rust.Er is in de tekst blijkbaar nog sprake van God, van de verhevene. De mens mobiliseert hier God, is naar Jezus toe gerend om te zeggen: don't touch me. Al dat aanraken heeft enkel de pijn gegeven van het overal en nergens thuis en zelf niet kunnen zijn. Heeft hij dan gehoord:De onreine geest moet uit de mens gaan?

 

Een naam

En hij vraagt hem: welke naam heb je? Na alle turbulentie, na alle pijn in dit nog korte verhaal, de vraagwaar het blijkbaar op aan komt. Wie ben je,of wie ben je eigelijk? Wil Jezus hem persoonlijk toespreken. Heeft hij begrepen dat deze mens untouchable is en dat de afstand (naar de overkant) alleen maar in alle vrijheid door de naam overbrugd kan worden? Anders gezegd: wat doet hij, toegesproken met zijn naam, toegesproken als zoon van de hoge God? Hoe laat hij zich kennen? Wie zijn rol speelt, wat heeft hij of zij hier in de tekst te doen?

            Hij zij hem. Hij antwoordde hem. Naamloos, volstrekt tot de meest eenvoudige en elementaire persoonlijke relatie teruggebracht (hij hem, hij hem). Een gesprek teruggebracht tot de elementen: Wie ben je? Legioen is mijn naam. Is dit een onverwachte vraag met een onverwacht antwoord? Is de vraag zo per ongeluk, toevallig, dat ontwapenend ontwapend het hoge woord eruit komt? Legioen. Daar wordt een hoeveelheid aangegeven die blijkbaar vanzelf spreekt, die zich opdringt en aan duidelijkheid niets te wensen over laat, die geen detail noemt en alles onverlet laat - maar die tegelijk aangeeft onder welke druk de afstand van verre naar tegenover afgelegd is. Legioen, wij zijn met velen. En hij smeekte hem veel, dat hij hen niet zou wegzenden buiten de streek. Het landschap waarin hij huist, het gebied van bergen en graven waar hij te keer gaat, dat is zijn plaats.

 

Varkens en herders

Het oog van de verteller - wie is de verteller - bemerkt de gigantische kudde varkens. Daar wil het legioen in opgaan. De kudde zwijnen, de onreinheid, zo men wil de/het andere, dat van buiten de gemeenschap en het de gemeenschap bedreigende, verdwijnt in de zee van alle angst en dood uit het voorafgaande verhaal. De herders vluchten. Stad en ommelanden krijgen het verhaal te horen. Ze komen om te kijken wat er gebeurd is. Zijn ze dan niet te laat? Wat komen ze zien, krijgen ze te zien?

 

Een bezetene of een mens

Wat zij zien is overdonderend simpel: de bezetene is iemand geworden, gekleed en bij zijn verstand. Zij zien eerst wat ze gewend zijn: de bezetene.Daarna pas geeft de tekst hen oog voor wat zo aanstonds het onverwachte effect zal veroorzaken: (een man) gekleed en bij zijn verstand. Het ongerijmde. Want dat was toch de mens die het legioen had! Ze vrezen. En daar, bij het corpus delicti, krijgt het gebeurde woorden om naar te horen, wordt verteld wat geschied is. En met het werkwoord waarmee in 5,10 de mens naar zijn naam gevraagd, erop aandringt het legioen niet uit het gebied weg te sturen, dringen zěj er bij hem op aan, hun grensgebieden te verlaten. Geen weerwoord keert weer. Hij gaat het schip in. Een stem klinkt. Het is degene die bezeten was.

            De genezene wil met hem zijn, met Jezus mee. Maar hij wordt weggezonden, niet meer om los van de anderen en nergens te zijn, niet meer om zichzelf te stenigen. Er is een alternatief. Jezus geeft hem de opdracht naar zijn huis te gaan en te vertellen welke grote dingen God hem gedaan heeft.

 

Het verhaal

Hij gaat en vertelt de Tien Steden welke grote dingen Jezus hem gedaan heeft. God is voor hem (een) mens geworden. Hij heeft een mens gezien die hem niet trachtte te binden en te boeien maar die iets voor hem deed, die zijn redding be-tekende. Hij weet nu van God is redding,Je-hosjoea, Jezus. Het verhaal over God is voor hem het verhaal over een mens die hem iets en alles gedaan heeft geworden.

            De vraag van de leerlingen op zee mag niet vergeten worden. Evenmin de mens van de overzijde.Blijk­baar staat hij zonder naam te midden van de anoniemen is die hem verzoeken weg te gaan met een verhaal over Jezus die voor hem gedaan heeft.En allen begonnen zich te verwonderen. De mens, niet te plaatsen en niet te houden (Mt 5,2-5), opent ogen en oren voor meer dan het gewone.Verwondering groeit op het land van de tien steden tien stammen vanaf nu worden zij, en daarmee de volkeren, een code in het verhaal, de lautlose Stimme des Seins.Niet alleen de binnen wereld, ook de buitenwereld is partij geworden, heeft gehoord, zoekt afstand en/of nabijheid. Hoe zal dat verder gaan?

Hier gaat het verslag verder

© Jan Engelen Amstelveen/Amsterdam 1994


     [1]Vgl Exodus 2,6.