inhoud
voorafgaande

En wederom bij de zee      

Mk 4,1-34

Het land
Het begin
Tellen
Gelijkenissen - leren in veelvoud
De zoon en de zaaier
Het zaad valt - over contexten
Concentratie
Nog eens en verder
Nieuw rekenen: 3 x 3 = 10
De aar
Het geheim van het kleinste: net niet niet
De stem

 

Het land

De plaatsen zijn zorgvuldig verdeeld, het toneelbeeld is herkenbaar: hij op zee, zij op het land, op de aarde. In het komende verhaal wordt de aarde, het land herhaalde malen genoemd. Blijkbaar vraagt en verdient het de aandacht van wie lezen wil. Vier maal klinkt in Markus 4,1-9 het woord aarde, in de betekenis: akkergrond. Deze vier hoekpunten in de tekst vormen een chiasme. In vs 5 luidt het tweemaal geen goede, diepe aarde. De uiteinden van het chiasme zijn positief. De schare op de aarde (vs 1) rijmt op het zaad dat valt in de goede aarde (vs 8). Als de plaatsen zo duidelijk verdeeld zijn dat hij hier en zij daar zijn, wat wordt dan in die positiebepaling geduid? Wat zegt die plaats over hem? Wie is hij? Wie zijn zij, die grote menigte?

 

Het begin

De tekst lijkt terug bij 2,13. Terug komen naar de zee, beginnen en leren. Markus noteert als aanhef van dit verhaal uitdrukkelijk: èrksato didaskein. Leren is de volledige vorm van het werkwoord, gepresenteerd als toevoeging bij de actieve vorm van het werkwoord archeoo, beginnen, overheersen. Daarbij is meer aan de orde dan enkel:Het moet toch ergens ooit beginnen. (Met hetzelfde beginnen, het werkwoord waarvan het zelfstandige naamwoord waarin het evangelie aanheft, afgeleid is, begint de hij, uitgaande, te verkondigen (1,45) zodat hij niet meer openlijk[1] de stad binnen kan komen maar zich buiten op eenzame plaatsen ophoudt waar ze van alle kanten tot hem komen. Met hetzelfde beginnen zullen de leerlingen een weg door het gezaaide (2,23). In hetzelfde werkwoord zullen ze straks (5,17), na de genezing van de bezetenen, beginnen, hem te vragen, weg te gaan, en begint hij in 6,2 te leren in de synagoge van Nazareth - met alle gevolgen vandien.) Beginnen is de vertolking van het principe en principe van heel het verhaal - gelijk geschreven staat (1,1), -  vertolkt het principiële van de oorsprong, wanneer het doek open gaat en zichtbaar wordt waar het nu eigenlijk om begonnen is: Om te beginnen, vgl Gen 1,1.

            Hij begint te leren bij de zee, gaat zitten in of op de zee. Blijkbaar wilde tekst dat de lezer die onmogelijke positie (zitten op zee) serieus neemt. Nergens immers daalt men zo gewis af naar het dodenrijk als op zee. Zie de dreigende grens vlak voor de uittocht uit Egypte, zie ook Jona die dacht aan zijn opdracht te kunnen ontkomen. Zie ook Deut 4,16-19[2]. Ook al maakt de eerdere bepaling Kapernaum (2,1) duidelijk dat het hier over het meer van Galilea gaat, Markus spreekt over de zee, zitten op zee. Wat maakt die onmogelijkheid toch mogelijk? Wat wil hier, onwaarschijnlijk, verteld worden?[3]

            Wanneer het over leren gaat mag duidelijk zijn wat ter sprake komt, wat het spreken bepaalt: de Tora. Hij op de zee, en heel de menigte naar de zee is op het land, de aarde. Tussen de zee en de aarde is een verhouding aangegeven: heel de menigte is naar de zee, zoals in 1,4 heel het Joodse land en alle bewoners van Jerusalem naar hem (Johannes) komen nadat Johannes gesproken heeft over om­keer en vergeving - zoals ze ook naar hem komen wanneer hij de berg op gegaan is en hij de twaalf maakt (3,13).

 

Tellen

Hij leert veel in gelijkenissen en zegt tot hen in zijn leer. Drie maal klinkt leren/leer in 4,1-2[4]. Twee keer wordt de menigte uitdrukkelijk menigte genoemd. Twee keer wordt de derde persoon enkelvoud van het persoonlijk voornaamwoord gebruikt om daarmee het onderwerp van het evangelie aan te duiden: naar hem bijeenkomen, en hij in het scheepje gegaan zijnde zit op de zee[5]. Twee keer tenslotte geeft de tekst de derde persoon meervoud van het persoonlijk voornaamwoord om daarmee de menigte, nu als het ware meer geïndividualiseerd lijkt het, aan te geven. Hij leert hen veel en hij spreekt tot hen - van lijdend voorwerp naar meewerkend voorwerp.

 

Gelijkenissen - leren in veelvoud

Hij leert hen in gelijkenissen veel. Hen is het adres, die vele menigte. Hij leert hen, veel, in gelijkenissen. Wat dat betekenen moge? Het is aan de tekst, dat zelf te verduidelijken. Het begin van dit leren markeert Markus uitdrukkelijk met de werk­woordsvorm elegesen, hij spreekt.

            De passage die hier begint wilt uitdrukkelijk gelezen worden tot 4,33v: En in veel dergelijke gelijkenissen spreekt hij het woord tot hen, zoals zij het kunnen horen, en zonder gelijkenis spreekt hij niet tot hen, maar op zich aan zijn leerlingen verklaart Hij alles. Veel, is nu bijvoeglijk naamwoord geworden bij gelijkenissen. Het lijdend voorwerp  veel is in 4,34 alles geworden. (In 4,13 vindt dit modulatie voor het eerst plaats: Hij zegt tot hen: kennen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie dan alle gelijkenis­sen verstaan? Er is een scheiding gemaakt tussen hen en zijn leerlingen. In eerste instantie evenwel wil de tekst niet verder dan 4,9: Wie oren heeft om te horen, hij/zij hore. Daar zal de tekst meer laten horen dan enkel vragen.

            Hoort, zie (4,3). Zie wat jullie moeten horen (4,24). Horen fungeert als ingang en uitgang van de tekst, beginsituatie en einddoel. Zie is daarbij gezet als een bemiddelend gebaar, een medium. Het geeft richting aan het horen. Horen[6] is de houding die men aanneemt wanneer iemand in bijbelse kringen leest[7]. Ieder weet dan Tora aan de orde is: hoe te leven.

            Bij de vele dingen, - merkwaardig veelvoud! - die geleerd worden in gelijkenissen is het gegeven, dat we te maken krijgen met een les in de landbouw het eerste dat opvalt. Het gaat over zoiets eenvoudigs als een man van het land die zaaiend over zijn akker trekt. Toch is de omschrijving die enkel iets simpels suggereert niet correct. Ze werpt licht op zaken die niet aan de orde gesteld worden. Trouwens, na de positie-verdeling van hij op zee, zij op het land gaat landbouw over iets anders dan de agrarische kultuur.

 

De zoon en de zaaier

Hij - wie is hij? - vertelt over een zaaier die niets anders doet dan het werkwoord waar zijn bedrijvigheid van afgeleid is verbuigen. Een zaaier gaat uit om te zaaien. Wie hier verder leest dient dit wel te beseffen: hij of zij krijgt te horen over het zaaien en het gezaaide, met wat daar verder mee geschiedt. Voordat evenwel wie lezen wil zijn eigen associaties in het verhaal inbrengt zal men zich eerst, geleerd (leren, leer) door de Tora laten instrueren, of door hem te laten onderwijzen: Hoort! Vooraan in het bewustzijn dient bijvoorbeeld het verhaal te liggen dat mee klinkt, dat als lezing/miqra steeds weer klinkt waar het boek aan de orde is met betrekking tot de zoon[8]: En Jitschak zaaide in dat land en oogstte in dat jaar honderdvoudig. (Gen 26,12) Izaak, de zoon, zelf zaad[9], is in Gen 26,12 zelf aan het zaaien. Is dat zoals Markus het ziet?

 

Het zaad valt - over contexten

Het vallende zaad valt drie keer ongelukkig. Het valt langs de weg. Daar zijn de vogels. Het valt op de rotsachtige bodem waar het niet veel aarde heeft, kleine wortels krijgt en verdord zodra de felle zon begint te branden. Een derde portie tenslotte belandt tussen de distels die het verstikken. De geschiedenis van het zaad wekt de indruk, een vruchteloze zaak te zijn, ware het niet zo dat met dat al het verhaal nog niet uit is. Dat wat geleerd wil worden is nog niet ten einde toe geleerd: het andere in goede aarde valt en opkomend en groeiend geeft het vrucht, en het droeg dertig ‑, zestig ‑ en honderdvou­dig. Het is niet een kwestie van vallen en geven. Met oog voor de tijd en het proces geeft de tekst bij de vrucht die het zaad geeft: opkomend en groeiend. De dynamiek van die twee woorden komt terug in de dubbele oproep: Wie oren heeft om te horen, die hore. En weer zegt Markus hier: elegen, hij zegt. Zijn die oren hebben om te horen, die horen, de goede aarde?

 

Concentratie

Zonder op die vraag in te gaan, of, door die tekst klaarblijkelijk tot een appèl te maken tot altijd nieuwe, vernieuwde aandacht, concentreert Markus het zien (hoort, zie) op die met hem alleen waren met de twaalf. De groep verkleint zich, kata monas, alleen. Daar blijken zij een vraag te hebben. Welke vraag past volgens het verhaal bij de woorden die Jezus in gelijkenissen geleerd heeft? Hoe werkt dat, in gelijkenis­sen? Daarop zet Markus weer in elegen, hij zegt!

            Het antwoord op die vraag kiest een eigen richting. Het is de richting van het voortgaan van de woorden. Hij - wie is hij? - maakt onderscheid tussen jullie en zij die, de derde persoon. Daarbij worden die ànderen getypeerd. Ziende zien zij, maar ze nemen niet waar; horende horen zij maar ze verstaan niet.[10]

            Wie zijn degenen die de tekst kata monas, alleen toespreekt, jullie? Wonderlijke bijkomstigheid: degenen die met hem alleen zijn vragen naar de gelijkenissen, blijven hem het woord geven door hun vragen. Hij is er kennelijk verbaasd over dat ze[11] niet verstaan. Hij zegt. Aan de orde, zegt hij, zijn: de geheimen van Gods koning-zijn.

            Gods koning-zijn is eerder genoemd, de geheimen van dit eigen-aardige zijn worden nu open gelegd. Zij kennen de gelijkenissen niet. Hoe zullen zij dan verstaan? Precies daarover blijkt het te gaan, over kennen en verstaan (v.13). Kennen en verstaan zou leiden tot ommekeer en vergeving[12]. Hij zei. Andere letters geeft Markus. Legei. Dit spreken blijkt gemotiveerd door: Kennen jullie deze gelijkenis niet - hoe kunnen jullie dan alle gelijkenissen kennen! Bij deze éne gaat het om alle!

 

Nog eens en verder

De verzen 4, 14-20 wekken de indruk, een herhaling te geven van 4,2-12. Nu het evenwel uitdrukkelijk over kennen en verstaan gaat, nestelt zich ook een toevoeging in de tekst. Het eerst toegevoegde betreft dat het zaaigoed.

            De zaaier zaait niet meer alleen, hij zaait het woord[13]. Tussen de verzen 15 en 20 zet de tekst zeven keer het woord in. Het verhaal wil derhalve gehoord worden als de geschiedenis van het woord. Heeft het zaaien van de zaaier resultaat? Is er oogst? Is er het woord horen als gevolg?

            Aanvankelijk vindt het woord geen gehoor. Zodra zij het horen, komt gelijk de satan en hij neemt het in hen gezaaide woord weg. Alsof  er niets gebeurd is. Tegenover het gelijk als grondritme van het evangelie, staat het gelijk van de komst van satan. Blijkbaar blijft er dan van het gezaaide niets meer over.

            Daarmee is het uitblijven van gehoor nog niet geheel geduid. En dit zijn de op steenachti­ge plaat­sen gezaaiden, degenen, die, zodra zij het woord horen, het gelijk met vreugde nemen. En zij hebben geen wortel in zich maar zijn mensen van het moment; wanneer er later ver­drukking of vervolging geschiedt door het woord zullen zij gelijk geërgerd worden. De vreugde van het begin maakt door de druk van hetgeen in de tijd geschiedt, plaats voor de ergernis, het afstand nemen.

            Is er na het mislukken alsof er niets gebeurd is door het wegnemen van het woord, geen andere variant voor de mislukking dan de vreugde van korte duur en het ongeduld? Wanneer er toch groei is blijkt er m.b.t. een mislukking een dilemma. Anderen zijn die in de dorens gezaaid worden: het zijn zij, die het woord horen, maar de zorgen van de wereld en het bedrog van de rijkdom en de begeerten naar het andere komen erbij en verstikken het woord en het wordt onvruchtbaar. Naast factoren van buiten (naar binnen) zijn er ook die enkel menen binnen te zijn wanneer zij zich laten bepalen door buiten. Onvruchtbaar.

 

Nieuw rekenen: 3 x 3 = 10

Tenslotte is er het zaad in de goede aarde gezaaid. Uiteindelijk is er dan niet veel meer te vertellen. Drie werkwoorden leggen de voorafgaande drie situaties uit. Daarin kan men momenten herkennen het proces dan het woord is, op gang brengt: horen, in zich opnemen en vrucht dragen. Dan zijn er bijna geen maten meer: dertig ‑ en zestig ‑ en honderdvoudig. Na de drie mislukkingen zijn er tien maal drie keer oogst, twee keer zoveel, drie keer zoveel[14]. Wie zegt dat het daarmee ophoudt? De maat waarmee je meet, daarmee zul je gemeten worden (4,24). Daarmee is het verhaal niet uit. Er wordt je afgemeten naar de maat waarmee je zelf afmeet, en daarenboven. Vers 4,25 wordt nogal eens gelezen als een merkwaardig kapitalistische zin. Als je maar een beetje hebt  - dat beetje zou je ook nog afgepakt worden. De tekst spreekt evenwel nog steeds over de manier waarop je meet. Als je metend en wel over ruimte blijkt te beschikken (de wijze van oordelen en verstaan), dan zal je vermogen om te verstaan groeien. Dan ben je immers als die zaaier aan het begin van de gelijkenis. De te verwachten oogst acht hij vanuit zijn ervaring  niet gering. Integendeel! Wie enkel leest vanuit de beperking, wie geen ruimte heeft, wie niet durft te kijken vanuit de toezegging aan Abraham[15], voor hem is er enkel de bekrompenheid (vgl 2,21-22) van Lot, de tevergeefse woede van een Esau (vgl Gen 27,41) of het brood eten van de broers (Gen 37,25), kennelijk in de veronderstelling dat gedane zaken geen keer nemen en dat hun eind goed al goed is, daarmee buiten de waard[16] rekenend. Dit is het einde nog niet (vgl Markus  13,7).

 

De aar

En hij zegt. De stroom van het verhaal gaat verder. Nog is de bron[17] van het woord[18] het zwijgen niet opgelegd. Heel de volheid, zo men wil zelfs de naïeve onbevangenheid van wie zo zaaiend in de weer is blijkt zijn oorsprong, zijn oer-begin, te vinden in het optimisme van de bovenal Goede.

            Zo is het koning-zijn van God als een mens die zaad op een akker gooit. Onbevangen, onbekrompen. Een lust om te zien. Op het ritme van de tijd gaat hij liggen en staat hij op. Nacht en dag worden getekend met het ondergaan[19] en opgaan van de zon. Die afwisseling maakt groeien en bloeien mogelijk, zonder dat je daar met je weten en begrijpen bij bent. Het gaat met het woord van de tekst automatisch: automatè hè gè. Als een automaat draagt de akker vrucht wanneer de mens op hoop van zegen daar zijn arm voor gebogen en gestrekt, het zaad op de akker geworpen heeft.
De verteller van dit verhaal heeft zijn hart verpand aan God die is als deze mens. Hij ziet eerst de halm, dan de aar en dan het volle koren in de aar. Het slapen van deze boer heeft niets te maken met onverschilligheid of desinteresse. Eerder heeft de ontspannen trouw aan het ritme van de tijd ook de afstand tot gevolg die nodig is om te zien, hoe de dingen gaan. Alleen afstand maakt het zien mogelijk. Dan zie je ook wanneer de vrucht zich aanbiedt.

            Gods koningschap heeft niets van de dwingende neurose die zijn eigen kortzichtig­heid in gebiedende wijs of eis vertaalt. De tijd die nodig is wordt gegeven. Dan pas, wanneer de vrucht zich overgeeft, valt gelijk de sikkel. Vrucht is immers oogst wanneer het er als zodanig bij staat - het geheim van de tijd voor wie van het land[20] weet.

Het geheim van het kleinste: net niet niets

Het optimisme van wie zaait als de beste blijkt gebaseerd op Gods koning-zijn. Hoe God koning is kun je aflezen aan een mens die op de akker zaait. Voor wie van binnen uit,[21] vanuit de stroom van de woorden en zinnen het verhaal volgt, is er nog meer. En hij zei. Wat wil er nu nog gezegd worden? Wat is voor het verhaal nog een gemis? Wat ontbreekt en wil de dynamiek van het verhaal, de verteller of degene over wie verteld wordt, nog aanvullen?
        Het gaat om een vraag. Die vraag is kort en krachtig. Hoe? In welke gelijkenis? Het verhaal wil wie gehoor geeft aan deze geschiedenis meenemen naar een beeld aan het einde. Welk beeld moet blijven hangen als de echo, als antwoord van het verhaal. Welke gelijkenis? Vragenderwijs.

Het blijkt dat we moeten kijken. Want het gaat bij Gods koning-zijn om het kleinste[22] van alle zaden op de akker. Het kleinste. Nog net over de rand van het niet meer bestaan heen. Zou je zo klein willen zijn? Zou je, zo klein, (bijna "niet meer", op sterven na dood) nog iets kunnen?

Hoe het ook zij, de verteller van dit verhaal weet blijkbaar van meer. Van veel meer. Hij snijdt zelfs op een of andere manier "eigenlijk alles" aan.

Eenmaal gezaaid begint de groei, komen de takken die beschutting bieden aan de vogelen van de hemel. (Waarom hier opeens die vogelen van de hemel van Gen 1,20? Gaat er aanstonds ook "over de zee" gesproken worden en komt de mens van dit verhaal binnen vizier? Feit is, dat dat kleinste zaad een skènè (de tekst geeft kataskènè, een tent naar beneden - zie eventueel Gen 28,12, een ladder opgericht naar beneden toe, naar de aarde) wordt, een tent, een tempeltent. Zo komt de de schaduw van de allerhoogste (Ps 91,1) in perspectief[23].)

 

De stem

Hij spreekt in vele gelijkenissen. De mededelingen dekken de inhouden van de mededelingen niet. Waarom die ruimte? Tegenover de leerlingen spreekt hij anders. Wie van hem leren wil krijgt alles te horen terwijl hij uitlegt. Alsof de stem van de leraar voor de leerlingen alles van betekenis voorziet. Is die stem iets anders dan de mogelijkheid van een voortgaande uitleg, voortgaande, aan de overzijde en verder gaande dan ieder in die tijd hier en nu?

volgende


     [1]Waarom heeft Markus ... niet het hulpmiddel benut van de genoemde namen om zo zijn tekst duidelijker te maken? ... Van Jezus staat in het evangelie naar Mattheüs te lezen dat Hij alle zwakten heeft genomen, en dat Hij alle ziekten heeft gedragen (Mattheüs 8,17). Daar wordt de vervulling van de profeet Jesaja gelezen (Jesaja 53,4). Dit woord mag te denken geven hoezeer Jezus zich heeft willen identificeren met degenen die Hij heeft genezen. Welke last neemt Hij derhalve op zich in dit verhaal, welke ziekte wordt door Hem gedragen.

    Als er geschreven staat: zodat Hij niet meer in het openbaar in de stad kon komen, dan betreft dit zowel Jezus als de man die door Hem is gereinigd geworden. Omdat de man vele dingen en dit woord verkondigt kan Jezus niet meer in de stad komen maar evenzeer omdat Hij/hij (Jezus/de man) dit woord verkondigt kan de man niet meer in het openbaar verschijnen.

    Zozeer is die man het woord, dat Hij, Jezus, verkondigt dat in dit verhaal niet buiten Jezus om kan worden begrepen. Waar Jezus gaat wordt het woord aangaande deze man verkondigd, en daar verkondigt Jezus het woord van het Koninkrijk. Jezus en die man zijn één. (H. 21v)

     [2]Zie K.DEURLOO, B.HEMELSOET, Op bergen en in dalen, Baarn 1988, p.155. ... enige vis in het water onder de aarde ...

     [3]Het mysterie, zie Markus 4,11.

     [4]Vgl Mt 13,1-3. Alleen Markus zet hier leren/leer in.

     [5]Het op dezelfde wijze geschreven autou/auton vindt men als bezittelijke voornaam­woord in zijn leer.

     [6]Vgl de rol en betekenis van het sjema, Deuteronomium 6,4. Zie Romeinen 10,17.

     [7]Zie inleiding.

     [8]Door Mattheüs expliciet uitgewerkt in zijn aanhef: Boek van de genesis van Jezus Messias, zoon van David, zoon van Abraham.

     [9]Zie: Genesis 12,7; 13,15.16; 15,5.18; 16,10; 17,7.8.9.10.12.19; 21,12 enz. Zie ook Genesis  3,15 of Luk  1,55; Johannes  8,33.37; Romeinen 4,13.16.18. Het is overbodig om in de betreffen­de vertalingen steeds het verknipte woord nageslacht (NBG, KBS) in te zetten.

     [10]... overheersend in de TeNaCH is het thema dat wie oren hebben om te horen, niet horen (Deuteronomium 29,4; Jesaja  6,10; 43,8; Jeremia 5,21; Ezechiël 12,2). M. 87.

     [11]... het is nog geen uitgemaakte zaak, wie in de gelijkenissen de buitenstaanders en wie de ingewijden zijn. M.89.

     [12]Vgl Markus 1,4.

     [13]Zie Johannes  1,1: Om te beginnen is er het woord.

     [14]Vgl Mattheüs 8 en 9, drie keer drie verhalen blijken er tien te zijn. Blijkbaar mag men tien lezen als 3 keer 3.

     [15]Genesis 12,1.4: Abraham gaat met en overeenkomstig het hem gegeven woord. Even verderop krijgen de herders van Abraham ruzie met de herders van Lot (Genesis 13,7). Het land is te klein. Abraham laat Lot kiezen. Hij gaat de andere kant op. Dat is het land dat God hem zal laten zien. Lot heeft intussen gekozen voor de vruchtbare Jordaanvallei. Verderop wordt dat de plaats van Sodom en Gomarra (Genesis 18,16-19,29). Het verhaal van Lot zou zonder zijn dochters nergens meer zijn. Het verhaal van Abraham gaat intussen verder om wie lezen wil de ruimte van het woord aan Abraham te laten verkennen.

     [16]Ik ben er ook nog is binnen de wereld van de kinder(?)taal een mogelijke vertaling van Exodus 3,14.

     [17]Genesis  26,17-22.

     [18]Markus  2,2.

     [19]Let op de volgorde: het is avond en het is ochtend – Genesis 1,5.8 enz.

     [20]Het eerste wat je van het land kunt weten is dat God het schept (Gen 1,1). Zoals heden ten dage weer algemeen ontdekt wordt: niet wij hebben de akker of de natuur uitgevonden. Er is een grens. Die kun je niet straffeloos verwaarlozen. (Vgl de dwingen­de thematiek van het milieu.)

     [21]Vanuit de verteller van dit verhaal, namelijk vanuit de aaneenschakeling van de elementen, de zinnen en woorden. Zij maken het geheel van de tekst tot de oogst van dit verhaal.

     [22]Vgl de stem van de kleine stilte (1Kon 19,12), het suizen van de zachte koelte (NBG). Na het geluid van alle natuurgeweld spreekt de stem van de stilte tot Elia. Hij omwindt zijn aangezicht.

     [23]Zie Johannes 1,14, eskènoosen, tentte, in een tent wonend, verblijvend, ten onrechte vertaald met wonen. Vgl Johannes  7,2. Loofhuttenfeest heet in het grieks van Johannes 7,2 skènopè­gia, het bouwen van de tent. Bij Johannes is dit het feest wanneer de bewoners van Judea hem zoeken te doden. Tijdens het feest van het bouwen van de tent wordt dan tegelijk het wel/niet welkom uitgelegd en gemotiveerd.