de zee, de berg, de geest       

Mk 3,7-35

De onreine geest
De twaalf
Overmeesteren
Het onnoembare benoemd
Wat niet te vergeven is

Is de zee in Exodus niet de plaats die elk verder gaan onmogelijk maakt? Het volk staat er vóór. Dit is de absolute barrière, de volstrekte dood nu de weg naar de woestijn wordt ingeslagen. De zee voor, het leger van de pharao, aan de achtervolging begonnen, achter hen.

Jezus wijkt met zijn leerlingen uit naar de zee. En een menigte, voorzien van het predicaat veel, volgt hem uit Galilea.

            De éne uit Galilea (1,9) is veelvoud geworden. En niet enkel Galilea. Het is alsof de kaart van de wereld van die dagen gelezen wordt: Judea, Jeruza­lem, Idumea en het Over­jordaanse, de streken van Tyrus en Sidon (3,8). Ze hebben gehoord wat hij doet. Daarom komt heel die wereld naar hem toe, wordt hij als het ware het middelpunt van hun komen. Veel menigte. Een scheepje moet bij hem blijven omwille van de menigte, opdat zij hem niet zullen wegdrukken. Vanwaar die druk?

 

De onreine geest

Hij geneest. Allen met kwalen willen hem aanraken. Daar zijn ook de onreine geesten bij. Wat maakt hen onrein? Wat stelt hen buiten de gemeenschap? Het enige dat de tekst daarover naar voren weet te brengen is hun manier van spreken. Zij ekradzon/schreeuwen, roepen. Zij geven aan hoe zij het gebeuren verstaan, geven hun interpretatie luide te verstaan. Hun verkondiging? Zij proberen zoon van de mens weer te geven met zoon van God. Jezus hij verbiedt hen die verkondiging. Dat mogen zij niet bekend maken. Moet het dan anders? Welke woorden zijn er dan wanneer men zou willen spreken over het onderwerp van het evangelie?

De twaalf

Hij, weer naamloos, gaat de berg op. Hij roept tot zich wie (meervoud) hìj wil. Ten overvloede, met nadruk en onderstrepend noemt de tekst de derde persoon enkelvoud: hij. Hij maakt hen tot de twaalf. De broederschap van het begin (achter mij - 1,17) wordt uitgebreid. Twaalf komen er. Hij maakt hen tot de twaalf, opdat ..., opdat ... Twee keer wordt de doelstelling van het gebeuren aangegeven, met twee verschillende grammaticale onderwerpen. Opdat zij met hem zouden zijn, opdat hij hen zou wegzenden om te verkondigen en de volmacht te hebben, demonen uit te bannen.

            Centrum-gebonden en centrifugaal tegelijkertijd staat hij in het midden. Hun met hem zijn is zijn hen uitzenden. Traditionele monastieke problemen (contemplatief leven tegenover actief in de wereld bezig zijn) bestaan hier niet. Om te verkondigen en om met zijn volmacht boze geesten uit te bannen. Aldus wordt binnen het kader van de twaalf (v. 14 en 15) hun taak omschreven. De namen worden genoemd. Ook die van Juda die hem zal paradidoomi: overleveren. Het voorzetsel para zal in v.21 terug komen.

            Hij gaat naar huis. Het is de plaats waarover eerder gezegd is, dat er zo velen zijn dat zelfs de ruimte bij de deur hen niet meer kan bevatten (2,2). Door het dak is toen een opening gemaakt. Nu komt er weer een menigte samen. Nu merkt Markus op, dat het hen niet mogelijk is brood te eten. Wat neemt dan de plaats van dit brood in?

Overmeesteren

Voor welk gegeven wil deze impasse (niet brood eten) ruimte maken? Blijken zal, dat zijn hem binnen willen hebben en houden. Die bij hem zijn horen het. Bij hem: para autou. (Niet het met autou van 3,14.) Wie zijn die bij hem zijn? Dat is een vraag die open blijft. Maar wie het ook zijn, ze komen naar buiten om hem te overmeesteren. Zo zwaar als het woord klinkt, het is hetzelfde woord dat we zullen horen tegen het einde, wanneer het overmeesteren definitief wordt (14,44-66).

            Ze komen naar buiten om te doen wat ze willen gaan doen en ze hebben daartoe een motief. Welwillende zorg heeft hen in zijn greep. Hij is niet meer zichzelf. Daarom willen, menen zij te moeten ingrijpen. Willen zij zich over hem ontfermen? Presenteren zij zich als de eerste hulpverleners en achten zij het hoog tijd nu in te grijpen? Zij (van bij hem) blijken een samenvat­ting te zijn van alle tegenstand die de komende regels zullen laten zien.

Het onnoembare benoemd

Als eerste invulling dalen de schriftgeleerden van Jerusalem af - van Jerusalem, alsof dat de plaats van de schriftgeleerden is. Hun klacht is expliciet. Ze zeggen: hij heeft Beëlzebul. Door de overste van de demonen werpt hij de demonen uit. Zij interpreteren het in hun ogen bizarre door het bizarre. Jezus weet op het onsamenhangende van hun improvisatie. Hij zegt: Een satan kan geen satan uitwerpen. Mag men vragen wat dat dan wel kan en wat dat betekent? Die satan blijkt ook onder het woord koningschap ter sprake te kunnen komen. Zich verdelen maakt heersen als koning onbestaan­baar. Wanneer de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, dan kan hij niet bestaan maar heeft hij een einde.

            Het koningschap van v.24 is invulling van het te keer gaan van Satan. De/het niet-goede of het tegendraadse overwint men - zegt hij; wie is hij? - niet door het niet-goede of het tegendraad­se.

            Zij, notabel en al, schriftgeleerden, zijn afgedaald uit Jerusalem. Zij vullen zijn naam (wie is hij?) in met die de duivel heeft. Hij - wie is hij? - is volgens Markus in gelijkenissen aan het spreken.

Wat niet te vergeven is

Wat weet hij in te brengen tegen hun buiten-zichzelf-zijn, bezeten-zijn? Heeft hij een variant, een andere tekst? Wat heeft hij tegen op hun op-merkingen af te dingen?

            Hij gaat in op de gesuggereerde inbraak of bezetting, neemt hun insinuatie op in zijn spreken. Iemand kan niet naar het huis van de sterke gaan om de inboedel te roven, wanneer hij niet eerst die sterke gebonden heeft. Pas dan zal hij diens huis beroven. Is dat wat nu, tijdens dit gesprek, tijdens deze lezing, tijden dit evangelie, gaande is? Wordt er een huis van de tegenstander leeggehaald? Wie is die tegenstaander? Wie is de sterkere dan de sterke[1] Zijn dat die bij hem zijn? Zijn het de schriftge­leerden uit Jerusalem? Als wordt er zonder omhaal een beslissende streep onder ieder mogelijke afrekening gezet: Waar en betrouwbaar zeg ik jullie is: alles zal de zonen van de mensen vergeven worden, de zonden en de laste­ringen, die zij gelasterd hebben; maar wie gelas­terd heeft tegen de Heilige Geest, hij heeft geen verge­ving in eeuwigheid, maar hij is schuldig aan eeuwige zonde.

            Drie keer spreekt de tekst over lasteren als ware dat de samenvatting en hoogste vorm van zonden. Een uitzondering wordt gemaakt. Voor één zonde bestaat geen vergeving. Dreigend klinken die woorden, als ware deze ene uitzondering hier aan de orde.

            De zonde tegen de geest van de heilige, tegen Genesis 1,2 en tegen Markus 1, 10. Deze zonde is immers gericht tegen het spreken van God, (Gen 1,3), tegen de stem uit de hemel (Mk 1,11), tegen de doop door Johannes met water tot ommekeer en vergeving van zonden en tegen de doop in de geest van de heilige. Wie God de mogelijkheid van de tijd ontneemt plaatst zich voor altijd buiten het verbond en buiten de broederschap[2].

            De Schriftgeleerden kunnen of doen er niets mee. Zij blijven bij de geest van de onreine. Zijn dat laatste of eerste woorden? De tekst laat het in het midden. Terwijl deze opinie de tekst kleurt komen zijn moeder en zijn broers. Zijn zij met hem (3,14) of bij hem (3,21)? Ze sturen iemand om hem te roepen. En zij sturen niet zomaar iemand. Nadrukkelijk is de choreografie bepaald: buiten staand sturen zij naar hem. En zij sturen niet om hem roepen. Hem roepende is tegenwoordig deelwoord bij de broers (die in het meervoud buiten staand naar hem sturen). Roepen om te is blijkbaar niet de hoofdzaak. Het buiten staan lijkt meer aan de orde[3]. Dat bepaalt hun beginsituatie. De herhaling onderstreept dit. De menigte zit rondom hem. Dat rondom hem (32 en 34) accentueert de plaats. Hij is de plaats gewor­den. De plaats die niet zou mogen (u-topos/niet-plaats - alsof je ook in gewoon nederlands niet bij iemand thuis kunt zijn). Die plaats, zijn plaats, met hem, rond hem,  wordt bepaald door het welbehagen Gods, wat Hem wel behaagt.

Wie hardop leest, hoort wat geroepen wordt. Daarmee wordt de tendens van deze pericoop definitief ingekleurd: je moeder en je broers. Zij worden buiten gesitueerd, aangeduid. Als zij buiten zijn, wie zijn er dan binnen. En rondkijkend over de in een kring rondom hem zittenden, zei hij: Zie, mijn moeder en mijn broe­ders. Want wie het welbehagen van God doet, hij is mijn broer, zus en moeder. Zo geeft de zoon (1,11) te kennen wie de vader is!

En wederom begint hij te leren bij de zee ... Weer (4,1.1) komt de zee binnen bereik. In 3,7 trok hij zich daar terug met zijn leerlingen. In 2,13, na het verhaal over de verlamde, gaat hij wederom uit naar de zee, de menigte achter hem aan. Hij begint te leren. Na de verhalen over het eten met zondaars, de bruidegom, de oogst en de verdorde hand, en de keuze van de twaalf, herneemt de tekst leren. Zitten bij het tolhuis (2,14) is zitten rondom hem (3, 32.34) geworden, zelfs in een kring (3,34)! Hij is het midden.

vervolg


     [1]C.J.DEN HEYER, Marcus I, Kampen 1985, p.90.

     [2]Zie daartoe M. p. 83v. Monshouwer legt een relatie met Num 32,7.9 het hart afkerig maken en Num 32,23 zondigen tegen de Heer. Wanneer Ruben, Gad en Manasse niet mee oversteken door de Jordaan heen, maar voortijdig in hun huizen zouden terugkeren (32,18), blijven zij buiten het verbond staan en behoren zij niet langer tot de broeders. Dat zou heel de tocht van Egypte tot hier toe, die in Num 33 wordt samenge­vat, tevergeefs maken. a.p.

     [3]Zie Markus 3,27: het huis van de sterke binnen gaan. Bij hij is zichzelf niet geeft de griekse tekst: eksestè, buiten zich staan (v.21. Dit staan komt terug in het staan van het huis v.25 en 26, en het opstaan tegen zichzelf van Satan, v 26).

    Hij (Jezus) is in de aanhef van dit tekstgedeelte naar zijn huis gegaan (v.20). De schriftgeleerden spreken over het hebben van Beëlzebul en het uitwerpen van de demon.