wederom Kfar-Nachoem: thuis!   

Mk 2,1-13

inhoud
voorafgaande

Te goed: credit
De verlamde
Overleg
Twee mogelijkheden

 

Te goed: crediet

De tekst geeft geen antwoord op vragen als: waarom? wat? of hoe? Niet wordt verteld hoe Jezus uit de eenzame plaats (waar iedereen overal vandaan naar hem toe komt,) weggaat. Hij is eenvoudigweg weer naar Kfar-Nachoem gekomen. Zonder enige duur te meten zijn er dagen verstreken. Wel wordt er een te goed aangesproken. Kfar-Nachoem wederom.

            De ruimte van Kfar-Nachoem is in het voorafgaande gevuld met de synagoge waar hij leert en het huis van Petrus waar de schoonmoeder met koorts opstaat. Nu wordt aan dit bestand een nieuw verhaal toegevoegd met de troost waarmee Markus Kfar-Nachoem vult.

Na enige dagen wordt er gehoord. Wie horen er? Door de passieve vorm van het werkwoord kan het onderwerp van horen (Wie hoort?) voortdurend ingevuld worden. Ook de lezer wordt meegenomen. Hij/zij krijgt de tijding van dit wat er te horen is aangereikt.

            Het verhaal gaat dat hij thuis is. De tekst hoeft dit maar te horen en als vanzelf: velen verzame­len zich. Zich verzame­len, in het grieks synagoo. Die verzameling is van dien aard, dat er als het ware een barrière blijkt opgericht: Het is niet meer mogelijk door de deur het huis binnen te gaan.

            Er is geen plaats meer. Rondkijkend is er geen wereld, geen ruimte of plaats meer. Ze zijn verdwe­nen. Maar er blijkt in dit eu-anggelion steeds weer wat eerder ondenkbaar is: een alternatief. Op een nieuwe manier zal de ruimte aangespro­ken worden. Er blijkt een reserve-ruimte te bestaan. Die nieuwe manier zal het onderwerp van het verhaal opmerken en de Markus zal er een woord[1] voor hebben.

            Een huis zeer dominant opgetrokken een huis met een deur en een dak. Voortaan is simpel recht voor zich uit kijken alleen niet meer voldoende. De tekst dwingt wie lezen wil, de ogen op te slaan.

De verlamde

Er wordt een verlam­de aangedragen. Vier[2] dragen hem. Niet in staat dichterbij te komen - nu het evangelie van Gods koningschap nabijgekomen is - blijken zij de beweging van boven naar beneden te kennen. Zonder iets te vragen zijn zij daarmee vertrouwd. Zij wekken de indruk te weten van al zo hoge. De lamme, zo verlamd dat we geen woord van hem of van die hem dragen horen, komt aldus - van boven naar beneden - op de plaats waar het onderwerp van het evangelie te huis is. Wanneer het niet te oneerbiedig klinkt zou men mogen zeggen: we krijgen zoiets als een thuis-wed-strijd, zullen gaan horen hoe hij huis houdt.

            Wie is die mens die niet kan gaan, die volstrekt niets van verder weet? Nog voor er iets gevraagd wordt klinken de woorden: Kind, je zonden zijn je vergeven. Ook dit is een woord dat van boven naar beneden komt. Wie spreekt hier over wat terwijl de tekst hem van zonde laat spreken? Waar heeft hij het over? Daar kwam toch nog niemand op binnen het beperkte kader van Kfar-Nachoem weerom?

            Voordat het verder gaat blijkt de verlamde in het zien van Jezus iemand te zijn aan wie vergeving mogelijk en welbesteed is. Wat dat betreft schaart hij zich onder dezelfde woorden als de bewoners van Judea en de Jerusalem (1,5) en is Jezus voor hem als Johannes. Is dit dan zoiets als de doop met Geest van de heilige? Hoe dan ook: de gedragene blijkt de vergeve­ne[3].

Overleg

Onmiddellijk op, of zelfs tijdens het voorafgaande, als ware het geen overgang, blijkt de tekst anderen in het verhaal te signaleren. Zij waren nog niet actief in het verhaal. De schriftge­leer­den kwamen enkel ter sprake in de reactie van de mensen in de synagoge van 1,22. Nu worden zij zelf onderwerp.

            De schriftgeleerden overleg­gen. Zij overleggen in hun hart - het hart dat van richting[4] weet. Zij overleggen in hun hart, beantwoorden hun eigen vraag (hoe?) door op voorhand reeds een uitspraak te doen. Ze zeggen: lasteren. Niet hun overleggingen noemen zij lasteren, maar dat wat zij het onderwerp van deze geschiede­nis horen zeggen: het vergeven van zonden. Dat zou alleen God kunnen. Terwijl toch de passieve vorm (Je zonden zijn je vergeven) grammaticaal toch volop de mogelijkheid biedt voor het handelen van God, voor wat God doet.

            De schriftgeleerden blijken uit te gaan van een soort uitsluiting. Jezus woorden zouden aan God voorbij gaan - alsof het niet zo is, dat de eigenschappen van God opdracht voor de mens zijn. Of? Of moet de lezer zelf op het spoor van de vergeving van zonden gebracht worden, nog geheel in het midden latend wat zonde is; dat is immers nog niet aan de orde gesteld.

Twee mogelijkheden

Veelbetekenend moge het zijn dat de tekst, nu het gaat over Jezus die hun vertrouwen ziet, weer openlijk de naam Jezus neerschrijft, zichtbaar maakt in de tekst. En voor de tweede keer valt de naam. Dan gaat het over twee zaken: hij kent in zijn geest de overleggin­gen van hun harten en de kwestie betreffende het vergeven van de zonden. Dat daarbij de realiteit op nuchtere wijze niet uit het oog verloren gaat moge blijken uit de vraag: Wat is gemakke­lijker te zeggen?  Twee mogelijkheden zijn er. Zeggen sta op of zeggen je zonden zijn je vergeven. Het is de vraag of het hier om een vraag gaat. Is de vraag enkel retorisch of gaat het hier om de twee kanten van dezelfde medaille?

            Jezus wacht het antwoord niet af. In hetzelfde spreken keert hij zich tot de verlamde. Zijn spreken is gemotiveerd door een opdat. Een doelstelling of bedoeling blijkt.

            Opdat gij weten moogt dat de mensenzoon de macht heeft op aarde zonden te vergeven. Daarmee is de nieuwe leer met gezag, met macht (1,22.27) in eerste instantie ingevuld. Het gaat over het op aarde vergeven van dat wat de tederheid van het verbond tussen God en de mensen verbreekt, over het weer als nieuw maken van het verbond.

            Het als nieuw maken van het verbond, de vergeving van de zonden, de verzoening tussen hemel en aarde, dat is het verhaal over de macht van de zoon van de mens op aarde: die niet van gaan weet, de lamme, krijgt benen om te gaan en handen om te dragen.

            De lamme krijgt te horen dat er voor hem opstanding is. Opstanding, dat wil hier zeggen: dragen wat hem droeg en de weg naar huis gaan. Waar Jezus thuis is blijkt er voor de lamme opstaan en naar huis gaan te bestaan. Hij doet zoals hem gezegd is. De taal als een proces verbaal. Indringend klinkt: ten aanschouwe van allen. De verandering op de berg (9,2) zal hetzelfde ten aanschouwe van geven.

            Hij gaat naar buiten. De uit-gaande lijn wordt vastgehouden. En allen zeggen: Zoiets nog nooit gezien! Wat is er dan te zien? Wie gelooft in de beweging van boven naar beneden, gelooft in de vergeving van de zonden en de macht om op te staan. Daarmee komt een woord binnen bereik dat zeer bepalend zal worden in het evangelie.

Hier leest het verslag verder
© Jan Engelen, Amstelveen/Amsterdam 1994


     [1]Jezus ziet hun vertrouwen (Markus 2,5).

     [2]Vier zijn eerder (v.16 en 19, 23) met name genoemd. Zijn zij in staat degene die niet verder kan, die geen been heeft om op te staan, dit verhaal in te dragen.

     [3]In het nederland en grieks zijn dat twee verschillende woorden; in het hebreeuws is het een woord (NSA). Monshouwer verwijst ook vragender­wijs naar alles uit het heiligdom (tem­pel) wat draagbaar is. En voorzichtig suggereert hij een mogelijke associatie tussen misjkan (woning) en miskab (ma­tras). (M 65)

     [4]Zie Lk 12,34.