En zij trekken op naar Kfar-Nachoem,en gelijk (zoals altijd) op de sabbat gegaan naar de synagoge leert hij† ††††

inhoud
voorafgaande
†††
††† ††††††††††

Mk 1,21-45

volgen
leren en leer
Een verschil
Wat onrein is
Avond en ochtend
Een melaatse

 

 

Volgen

De belangstellende lezer kan en zal, het spoor van de tekst volgend, zich laten leiden door de geografie en topogra≠fie van het evangelie. Zij wijzen immers de weg. Daardoor geeft de tekst zichzelf en wie lezen wil de ruimte. Daarbij is er evenwel een eigenaardige prioriteit aan te wijzen.

††††††††††† De geografie van het evangelie geeft niet op de eerste plaats een beschrijving van een indertijd bestaande geografi≠sche situatie. Die wordt voor lief genomen en als zodanig veronder≠steld. De lezer zal derhalve niet op een kaart opzoeken waar hij of zij Kfar Nachoem, meestal Kaper≠naum genoemd, kan vinden. Wie dat wel doet wordt geleid door een belangstelling voor iets anders de tekst biedt.

††††††††††† Wie het verhaal volgt, wie meegaat met de woorden van de tekst, achter de woorden aan, met de woorden mee, is als lezer, met Jezus mee gekomen uit Galilea, ondergedom≠peld, gedoopt, in de Jordaan en uitgeworpen in de woestijn voor die zeldzame vrede te midden van de wilde dieren. Na de overlevering van Johannes - als ware dat een wachtwoord! Welke wacht wordt hier aangezegd? Na de overlevering heeft de tekst de lezer naar Galilea gebracht. Het evangelie van/over Jezus (Markus 1,1) is daar in de verkondiging, in het roepen van Jezus, het evangelie van/over God (Markus 1,14) gewor≠den. De kairos, de ontmoe≠ting, het moment is nabijgekomen, aangebro≠ken. Het Evange≠lie van God is het koning-zijn van God. Ommekeer wordt gevraagd: het evangelie voor lief [love, believe, geloven] nemen.

††††††††††† Galilea bereikt het verhaal via de zee. Broers worden leerlingen, verlaten hun vader. De reis naar het Troostdorp van Markusverhaal begint. Nachoem, de trooster. Noach is de trooster. Men leze daartoe Gen 5,29. Ook het Troostboek van Jesaja (Jes 40,1) blijkt open: werkelijke troost voor Jerusalem.

††††††††††† In Kfar Nachoem stapelen de gebeurtenis≠sen zich op: en gelijk (1,21.23.28.30.42.43) en wederom (2,1). Gelijk, zoals dat vanzelfsprekend is op de sjabbatten - het grieks geeft hier een meervoudsvorm, duidend op gewoon zijn - is er in het Troostdorp de synagoge als doel van de reis. De synagoge, huize samenkomst.

Leren en leer

Wie synagoge zegt heeft het over zich buigen over de woorden die gegeven zijn. Het betekent leren: bezig zijn met de Tora, leren wat de vrucht van het verbond is, wat het verbond draagt, wat leven in het verband van het verbond is en de reikwijdten en mogelijkhe≠den daarvan (in het leven van alle dag met zijn afwisseling van donker en licht) verkennen, beproeven, toetsen.

††††††††††† Leren is het doorgeven van de woorden van de HEER, Ťn daarop antwoorden, en vice versa (M 54). Enthousiasme is het gevolg. De bezieling wordt vertolkt: Hij leert niet als de schriftge≠leerden. (1,22) Hoe leert hij dan wel?

††††††††††† Zij in het meervoud trekken naar Kfar Nachoem en hij, enkelvoud, gegaan naar de synagoge, leert er. Zijn naam wordt niet genoemd. Hij, zijn naam en programma, gaat geheel en al op in het werkwoord leren.

††††††††††† Leren wordt in de tekst toegespitst op Leer. Die leer wordt grondslag (gr. epi tei didachei autoe, - epi, op) voor iets wat daar uit komt, ook al kan men dat in het nederlands niet weergeven. Wat gewoonlijk wordt weergegeven met zeer verwonderd zijn wordt in het grieks op een merkwaardige wijze aangegeven: eks-eplťssonto, van ek/uit en plťttein/vullen. Zij, - wie zij? Geen namen worden genoemd.

††††††††††† Tegenover het ene enkelvoud van het leren is er het meervoud waarin zij op die leer van hem reageren. Zijn lerend bezig zijn, een tegenwoordig deelwoord, nog steeds heden. Zijn leren is alsof hij eksousia[1], gezag heeft. Dit gezag blijkt hij volgens hen te hebben, en wel niet als de schriftgeleerden[2]. Wat is er dan met die schriftge≠leerden? Daarover zegt de tekst nog niets. Er wordt enkel een verschil genoteerd. Wat dat verschil is zal nog moeten blijken[3].

††††††††††† Naar de synagoge (21)... in hun synagoge (23)... uit de synagoge (29). Wat gebeurt er in de tussentijd, in hun synagoge. Hun. Het kunnen de leerlingen zijn. Het kunnen ook degenen zijn die geheel en al verwonderd zijn. Is daar een verschil?

Een verschil

Ze zijn in Kfar Nachoem naar de synagoge gegaan. Op basis van het leren van die ene is er algehele vervulling uitgekomen en een verschil genoteerd. In hun synagoge is er dan gelijk een mens die in de macht van een onreine geest is - het tegengestelde van de geest van het heilige (1,8), met alles betreffende het buiten de gemeenschap staan van de onreine. Wat is dat tegen de geest van 1.8 dan? Waaruit blijkt dat onrein-zijn?

††††††††††† De mens in de macht van de onreine geest eist schreeuwender-wijs een nieuw verschil. Hij overbrugt een afstand. Beter! Hij creŽert een afstand en verklaart die onoverbrugbaar. Tussen ons en jou. Wie leest mag zien waar hij of zij in de tekst staat.

Wat onrein is

De bezetene noemt de naam die tot nu toe nog niet genoemd is in Kfar Nachoem: Jezus. Hij voegt er aan toe: de Nazarener. Daarmee is de tekst terug bij het begin, voor de doop naar de Jordaan toe, als Jezus geschiedenis maakt door uit Nazareth in Galilea te komen. Hij is daar gekomen onder Johan≠nes woord: Hij zal jullie dopen met de geest van de heilige. Terwijl Markus het leren in hun synagoge centraal stelt door het drie keer te noemen, komt deze onreine geest nu spraak maken met ik weet. Hij schreeuwt luid zeggend want ik weet! Wat weet hij? De heilige van God! Dat is toch goed? Dat is toch een geloofsbelijdenis? Nee, het is geen geloofsbelijdenis; het is een weet-belijdenis. Het is een weten dat aanspraak maakt op exclusiviteit en daarom ipso facto, door het gebeuren zelf, gemeen≠schap onmogelijk maakt.

††††††††††† De onreine claimt distantie tussen ons en jou. Hij gaat niet uit van omkeer of liefde (love, geloven). De onreine creŽert distantie. ... zoals deze man, in de macht van een onreine geest, schreeuwt, zo heeft Jezus zich niet gepresenteerd. ... Jezus brengt de stem tot zwijgen. Daarmee schept hij ruimte voor anderen, die tot nu toe hebben gezwegen, die door deze grote stem[4] worden overstemd. Allen staan nu verbaasd[5], allen verwonderen zich erover, dat deze stem tot zwijgen is gebracht[6].

††††††††††† Allen worden nu tot eenheid gebracht door de verwondering die hen verwonderd tegen elkaar doet zeggen. Tegenover het enkelvoud van de onreine geest is nu ook meervoud gekomen. Zij scharen zich in verwondering onder de woorden van de als nieuwe leer. En er komt iets uit de synagoge in Kfar Nachoem: het gerucht, het gehoorde betreffende hem, het verhaal over hem gaat gelijk uit, overal naar toe, naar heel het gebied van Galilea. Zij gaan Kfar Nachoem in, het verhaal over hem komt er uit. Welk verhaal mag dat wezen? En gelijk!

††††††††††† Achter de woorden over hem komen zij uit de synagoge. Ze gaan naar het huis van Simon. Thuis bij Simon en Andreas met Jacobus en Johannes blijkt er Petrus' schoonmoe≠der te zijn - weer, zoals in het voorafgaande verhaal, de anderen tegenover een. Nu overbruggen de leerlingen de afstand; gelijk vertellen ze hem over haar, effenen zij voor hem de weg. Hij neemt haar bij de hand en richt haar op. Het vuur verlaat haar en zij dient hen. Is dat het begin van de gemeenschap, de dienst?

Avond en ochtend

De avond valt. De zon gaat onder. De eerste dag van het vertelde verhaal loopt teneinde. Wat een dag! Welk einde? Van de schreeuwende onreine naar de vrouw met koorts. De ene zieke wordt nu allen die het slecht hebben en alle bezetenen. Zij komen bijeen voor de deur. Zij, de hele stad, maken zich voor de deur van het huis van Simon wanneer men het Griekse woord over neemt, tot synagoge, maken van het huis een huis van samenkomst. Van schoonmoeder via allen die tot heel de stad. Wat mag hij voor hem betekenen, hij met zijn roepen over omkeer en koningschap Gods? Hij is hun geneesheer. Duivelen werpt hij uit en hun wordt het spreken verboden zoals daarnet de mens met de onreine geest. Blijkbaar beschikken zij over een kennis die gemeenschap verhinderd. Want op die gemeenschap, dat verzame≠len van mensen door middel van zijn verkondiging blijkt hij uit (1,38).

††††††††††† Na de avond de ochtend. s Morgens vroeg[7] verlaat hij het huis om in de een≠zaam≠heid, de woestijn, te bidden. Met een woord dat letterlijk achtervolgen betekent zitten Petrus en die met hem waren, hem achterna. Herhaaldelijk valt die naamloze naam: hem. Zij vinden hem en geven het motief van hun achtervolgen prijs. Ze zeggen hem: Allen zoeken je! Hem wordt jou, de tweede persoon, de toege≠sprokene. Is dat overtuigend of verbergt die aandrang ook een vraag? Ligt de nadruk op de wens van allen omwille van het goede dat hŤn overkomt, of ligt het accent op het gegeven dat ze hŤm zoeken omwille van hŤm? Gaat het om hen als adressanten van de verkondiging, van het Goede verhaal dat gaandeweg begint? Of gaat het om de inhoud van dat Verhaal?

††††††††††† Hij - nog steeds niet met name genoemd, zegt hen: Laten wij elders heengaan, naar de naburige dorpen, opdat ik ook daar zal verkondigen. Want daartoe ben ik uitgegaan. De dienst van de genezing[8] wil duidelijk in dienst van het woord staan. Het opzien barende van de genezingen dient blijkbaar gericht te worden op de verkondi≠ging. De inhoud daarvan is voorlopig in eerste instantie bekend: omkeren omwille van de nabijheid van Gods koningschap. En hij gaat, verkondigend in hun synagogen naar heel Galilea, en de boze geesten uitwerpend.

Jezus gaat na de overlevering van Johannes naar Galilea (1,16). Bij de zee worden de broers geroepen. Optrekkend komt hij in Kfar Nachoem (1,21). De sjabbath biedt alle tijd en ruimte in de synagoge en in het huis van Petrus. Als de sjabbath voorbij is komen allen met hun last beladen. Velen geneest hij. Wat is het geheim van dit genezen? Waarom van allen naar velen?

††††††††††† Geesten worden uitgeworpen (34 en 36). Daartussen in staat die vreemde achter≠volging, obsessio≠neel achter het onderwerp van het verhaal aan, gemotiveerd door het zoeken van allen (v37). Die allen blijken niet enkel degenen die eerder min of meer voorkomen in het verhaal. Galilea wordt uitgebreid: andere dorpen in de buurt worden bereikt door de stem die de stilte van voor dit verhaal breekt.

††††††††††† Galilea blijkt gevuld met synago≠gen en ligt letterlijk in het spoor van de synagogen. Daar werpt hij de demonen uit. Hij aan het woord. Galilea is de zangbalk, echoput, resonantie-ruimte en klankkast. Wat valt daar dan te horen?

Een melaatse

En er komt een melaatse tot hem. Na de achtervolging door Petrus en de zijnen is er nu een heel andere benadering. Iemand komt. En wat voor iemand! Een melaatse komt naar hem toe, maakt hem tot doel van komen! Welke verwachting vertolkt dit komen?

††††††††††† De melaatse hoort sinds Lev 13 niet meer bij het volk. Zijn lichaam heeft hem tot buitenstaander gemaakt. Mocht het onmogelijke[9] toch gebeuren, mocht hij genezen, dan kan volgens dezelfde tekst enkel de priester over dit genezen-zijn een uitspraak doen. De priester beschikt over leven en dood. Dat wil zeggen: hij behartigt het belang van het volk, staat in voor het leven van het volk. Hij beslist over deze uitgestotene met betrekking tot al dan niet bij het volk horen, het mee leven in de gemeenschap[10]. Alleen de priester kan daar volgens de Tora een uitspraak over doen.

††††††††††† Wat moet deze buitenstaander/uitgestotene bij degene die vanaf Markus 1 de enige is die vanuit Galilea naar de Jordaan komt en daarmee de stem provoceert? Wat zoekt hij bij hem; wie is hij en wie is hem? Namen verdwijnen in het duister van dit verhaal.

†††††††††††

De man vraagt gerei≠nigd te worden. De hardop lezende lezer heeft geen woord gehoord dat ook maar enigermate zou kunnen lijken op een geloofs-uitspraak zoals we die eerder hoorden in de synagoge van Kfar Nachoem. Daar sprak iemand met een onreine geest. Hier vraagt iemand om gereinigd te worden. Die woorden vertolken zijn hem erbij roepen[11] door op de knieŽn gaan. Dan komt er een geheel nieuw woord dat hem, het onderwerp van het verhaal, nog steeds niet met name genoemd - wie is hij? - beschrijft. Hem erbij roepend en op de knieŽn vallend, en tot hem zeggend: Als jij wilt, kunt jij mij reinigen.

††††††††††† Gebaar en taal brengen Jezus van zijn stuk. We horen hoe het lichaam van Jezus onderwerp van het werkwoord aanraken wordt. Hij vertolkt de gevraagde gemeenschap. We zien de woorden gebeuren. En hij, wie hij?, voegt er aan toe. Zie dat je niemand iets zegt.

††††††††††† Degene die om reiniging vraagt moet zich voegen naar de woorden van de Tora. Dat is een getuigenis. Hij wordt gelijk uitgeworpen. Exodus is en blijft actualiteit, ook voor hem. Wie is er nu buiten-geworpen, tot outcast gemaakt in het verhaal? Straks zal blijken dat Jezus ook niet meer binnen kan zijn. Mensen die reeds bij voorbaat buitenstaanders zijn ontmoeten elkaar. Daar wordt een plaats. Daar komen allen, overal vandaan, naar hem toe. Het evangelie over/van Jezus, over/van God, zijn nabij-zijn, wordt een verhaal voor mensen die overal vandaag komen, buiten de stad. Maar uitgegaan begint hij het veelvuldig te verkon≠digen, en het woord geheel en al bekend te maken, zodat hij niet meer in staat is openlijk de stad binnen te komen, maar buiten op eenzame plaatsen is hij. En zij beginnen naar hem te komen van alle kanten.

Hij blijft buiten de stad. Daar laten ze hem niet alleen. Van alle kanten komen de mensen naar hem toe alsof hij een aanloopplaats is, een huize samenkomst. Niet alleen laten. De mensen zijn hier in het verhaal als de Geest in Gen 1,2 die de aarde niet alleen laat. Zij troosten[12] hem: Noach, Nachoem - Kfar Na≠choem.

hier gaat het leesverslag verder

©Jan Engelen, Amstelveen/Amsterdam 1994


†††† [1]Zij en hij staan in het grieks naast elkaar en op een lijn met het voorzetsel uit. Al te letterlijk: uit geheel en al vullen en uit-zijnde, gr. eksousia van eks-estin: het is uit-zijnde: het is mogelijk.

†††† [2]Zal op het einde van het evangelie niet blijken hoe zij hun gezag uitoefenen?

†††† [3]Bijvoorbeeld in 2,6, wanneer het weer blijkt te gaan over zonden.

†††† [4]Tegenover de stem van 1,11, naast of tegenover de grote stem van 15,37.

†††† [5]Vgl 5,42 en 6,51.

†††† [6]Hemelsoet, a.w., p.18.

†††† [7]Dit is een vers met een verre echo in het evangelie van Marcus. De woorden die hier gebruikt worden klinken door tot in het verhaal van de opstandig in het zestiende hoofdstuk. Zeer vroeg, op de eerste dag der week ..., toen de zon was opgegaan. Het grote verschil met het zestiende hoofdstuk is, dat in hoofdstuk zestien van de opstanding van de zon gespro≠ken kan worden. In hoofdstuk 1 daarentegen is de zon nog niet opgegaan. Jezus is (nog) in het duister ... zij joegen hem na, in het duister van de nacht. Dit is, zoals het hier beschreven staat duidelijk iets anders dan de navolging van Jezus! (Hemelsoet, 19-20)

†††† [8]Vgl Ex. 15,26 als vervolg en invulling van Ex 3-15.

†††† [9]Volgens de Tora is Mirjam de enige die van haar melaats≠heid geneest. Zie Nu 12,10. Zij is als een doodgeborene wiens vlees reeds half vergaan is. Ašron interve≠nieert voor haar bij Mozes.

†††† [10]Weer opnemen in het volk: verzoening.

†††† [11]Parakaleoo, waarvan ook parakleet, de erbijgeroepene, de geest, kan worden afgeleid.

†††† [12]Zie Jo 14, 16v; 16,7.13.