de Tempel en de Messias

vanuit het evangelie: mag je ook zeggen:

De Tempel en Jezus Christus

 

Dr. Jan C.M.Engelen
(concept sept. 90)
©Amsterdam.        

 


 

De tempel

 

Eerste verkenning

Verleden en tegenwoordige tijd

De Tempel stond in Jerusalem. Met deze verleden tijd is evenwel het minste gezegd.  Bij wijze van spreken en lezen is de Tempel een gegeven in tal van teksten en staat hij nog steeds in Jerusalem.

De Tempel in Jerusalem is de enige tempel die geen tempel is. In iedere tempel staat een beeld van de Godheid, in Jerusalem niet. Wat woont er dan in de Tempel in Jerusalem? Die vraag zal verderop beantwoord worden.

            De Romeinse generaal Pompeius dringt in 70 van de gangbare jaartelling het heiligdom van Jerusalem binnen. Tacitus, een Romeins historicus, schrijft in zijn Historiae wat de Romeinse generaal daar ziet: ...vulgatum nulla intus deum effigie vacuam sedem et inania arcana. Daarbinnen is de zetel vacant, de stoel leeg. Heilig niets. Geen beeld van de godheid van dat volk. Enkel heilig niets. Voor de beschaafde Romein is de joodse tempel puur atheïsme. 

De Tempel is niet alleen van belang voor de joodse traditie. Ook in het Nieuwe Testament komt het heiligdom regelmatig ter sprake. De Tempel in Jerusalem is derhalve ook voor lezers van het Apostolisch Getuigenis geen lege code. Het onderwerp van de vier evangelieën zich daar, wanneer men Hem op zijn worden neemt, thuis. Daarmee is het eerste gezegd over het tweede deel van bovenstaande titel.

* Zoek m.b.v. de concordantie enkele teksten waaruit blijkt dat Jezus de Tempel als ervaart als een voor hem natuurlijke plaats. Noteer die teksten en geef kort de inhoud weer.

Jezus gaat naar de Tempel. Hij leert er. Er zijn teksten die zijn sterven identificeren met het afbreken en opbouwen van de Tempel. Zie bijv Johannes 2,19-22. Welk teken? Het teken in Johannes 2,18  kun je verstaan als wat zal geschieden. Zie Exodus 3,12, Lk 2,12 en Johannes 2,11.

"Want een teken duidt meer op een geschiedenis die nog gerealiseerd moet worden, die betrouwbaar blijken zal, dan op een wonder dat wonderbaarlijk, ontzettend, de woorden vergezelt van iemand die spreekt." B.Hemelsoet in De goede wijn ten laatste, in Am­sterdamse Cahiers 2, 1981, pp.86-93, p. 92.)

In de Tora

De Tempel komt niet voor in de Tora. Toch wordt er in de Tora over de Tempel gesproken. Want de Tempel is de plaats bij uitstek, de plaats van de eredienst.

            In de Tora wordt de plaats van de eredienst reeds beschreven. Het gaat dan over de Tent van de Samen­komst, de Tent van de Ontmoeting of Getuigenis - midden in het kamp van de kinderen van Israël in de woestijn. Zie Num 2,17. In die tent staat de Ark van het Verbond.

* Waar komt die Ark vandaan?

* Wat zit er in?

* Waar is hij gebleven?

Voor een goed begrip van de betekenis van de Tempel moet je begrijpen dat de Goden van de Oudheid in de Tempels woonden. De God van Israël woont niet in de Verbondstent/Tempel. Hij onttrekt zich aan de waarneming. De Tent/Tempel is als het ware het zichtbaar worden van de onzichtbaar blijvende. Later zal men zeggen: Daar woont de Naam van God.

n Wat kun je doen wanneer je een naam hoort of leest? Wat zou dan Daar woont de naam van God betekenen? (Denk ook aan: Hij is in verhalen thuis.)

De Tent/Tempel getuigt van wat een mens nooit vergeten[1] mag:’Wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd’. Zo is de Tempel een te­ken van bevrijding. Daarbij mag je denken aan en dien je te beseffen wat ‘grondslag’ is van de bijbelse literatuur: het goede dat jou overkomen is - je zult er alles aan doen dat het een ander ook mag overkomen

Bevrijding, vrijheid: kunnen leven als 'mens op aarde onder de hemel[2]'.

In de Profeten

De Tempel als zodanig, gebouwd op de berg in Jerusalem, is een verhaal uit de Profeten. Daar is het een idee van David. 2Samuël 7 vertelt het verhaal. Da­vid is gaan wonen in zijn huis. Na 2Samuël 7 is de Tempel die in Jerusalem komen gaat verbonden met de Ark[3] (1 Samuël 1-6) en met David (2 Samuël 6).

            Na Tora en Profeten dient men bij een eerste ronde over de Tempel ook te rade te gaan bij de Geschrif­ten.

 

In de geschriften

Uit de Geschriften: het boek van de Psalmen worden ook wel ge­noemd: het Liedboek van de Tempel. Daarom spelen de Psalmen ook een centrale rol in de liturgie[4], de ere­dienst[5]

 

Een andere toegang zoeken

De Tempel in Jerusalem

In het nadenken en spreken over de Tempel wordt Jerusalem altijd mede veronder­steld, tenminste wanneer men zich met het Jerusalem van Tempel en Schrift bezig houdt. Dát Jerusalem van de Bijbel blijkt regelmatig het intri­gerende, het steeds opnieuw weer in­spirerende. De geschiedenis van zo velen maakt Jerusalem tot Jerusalem. Naar dat Jerusalem kun je steeds weer opnieuw gaan zoeken. Je kunt er naar toe en er te rade gaan.

            Als je om te beginnen aan de hand van Joodse tradities, eerste woorden bijeen­brengt rond Jerusalem, wat wordt dan verteld?

            * Wat kun je zelf al eerste gegevens aanreiken?

Het volgende verdient aandacht.

Nergens in de Tora wordt Jerusalem genoemd. Is dat niet teleurstellend? Nee, het is een kwestie van pedagogiek, didactiek. Hoezo? Wat je niet vinden kunt moet je zoeken. Met het boek op tafel moet je nu zelf op zoek naar Jerusalem.

Wie zoekt zal vinden

Wie ook maar een beetje ingevoerd is in de traditie - een kind[6] kan de was doen - kan op zoveel plaatsen in de Tora zijn oog laten vallen en begrijpen of vermoeden dat ‘ het hier wel over Jerusalem moet gaan’. De lezer/toehoorder van het verhaal, - daarop gespitst, gemoti­veerd door het eigen vragen,  vindt dit. Het is je eigen vondst.  De lezer of leerling wordt aldus zelf verant­woordelijk. (In mindere mate is de leraar verant­woordelijk. Hij of zij heeft hoogstens dit vermoeden geoefend, deze sensitivi­teit aan het licht gebracht of geholpen deze te ontwikkelen. In mindere mate -, de goede leerling weet uiteindelijk het antwoord zelf, is zelf verantwoorde­lijk is.

            Het zelf gaan aanvoelen, - niet enkel intuïtief maar kritisch[7] en derhalve steeds in staat[8] om te verwoor­den of te ver­ant­woorden -, is uitein­delijk een moment van identifi­ca­tie. Als het dan over Jerusalem gaat, gaat het ook over de stad die jij gevonden hebt, die je - zoals achteraf blijkt -  misschien wel gezocht hebt en die daarom voor jou belangrijk is[9]

       * Hoe wordt hier de verhouding tussen leerling en leraar beschreven?

     * Is dat vanuit je eigen kennis van pedagogiek praktisch?

Het gaat nergens in de Tora expliciet over Jerusalem. Er zijn evenwel talloze plaatsen waar het volgens de traditie heel her­kenbaar over Jerusalem gaat. Bijv Deuteronomium 12,5 e.e.a.a.:’De plaats die de Heer zich zal uitkiezen om daar Zijn Naam te laten wonen’.

De Plaats

De Plaats is in het hebreeuws: ha-makom (De naam Mokum is daarvan afgeleid). Die plaats is door het bepaalde lidwoord de aldus bepaalde plaats geworden. In de joodse traditie is de plaats een van de namen voor God. Daar hoort de volgende gedachte-gang bij: het is niet de vraag waar is (de plaats van) God, maar of de wereld bij God, op haar/zijn/Zijn plaats is.

            Het gaat over een plaats die weten moet, dat zij uitgeko­zen[10] is. Het is niet zomaar een plaats, ergens binnen de coördinaten van de geografie. Gekozen is, passief. Wie is hier actief? Daarmee is de vraag naar het Onderwerp gesteld.

* Welke niet genoemde is hier onderwerp?

* Waarom wordt dit onderwerp niet genoemd?

* Wat zou een plaats kunnen zijn ‘buiten de coördinaten van de geogra­fie’? Geef twee voorbeelden uit de spreektaal die getuigen kunnen zijn voor het bestaan van dergelijke ‘plaatsen’.

In de Tempel woont niet God maar Zijn Naam. Wie is De Naam? De Naam is heel die geschiedenis, al dat ‘wel en wee’ waar de Schriften en onze verhalen vol van zijn.

* Door te spreken over God als de naam sluit je aan bij welke bekende tekst?

* Hoe kun je in gangbaar nederlands uitleggen wat Naam te maken heeft met een geschiedenis.

* Hoe vind je dit terug in Genesis 11,4 en Genesis 12,2? Welk verschil zie je in beide situaties? Hoe leg je dit aan een kind van 10 uit?

 

Mozes

De geschiedenis van de Naam van God begint bij Mozes in Exodus 3. Het is nog voor de uittocht; we zitten nog in de uitzichtloze slavernij. Tegenover Mozes overhandigt de stem in het brandende braambos Zijn visitekaart­je. Hij spreekt over bevrijding, betrokkenheid verbond en zending. Zie ik zend jou. Van nu af aan is Mozes in dienst genomen, een mens met een missie.

Abraham & Melkitsedek

Zie bijvoorbeeld ook het verhaal over het offer van Abraham dat niet doorgaat, Genesis  22 (volgens 2Kronieken 3,1: is Moria de Tempelberg!). Zie bijvoorbeeld ook het ver­haal over Melkitsedek, Genesis 14,18 (vgl Hebreeën 7,1-3[11]).

Melkitsedek

                Aan het begin van het eerste bijbelboek gaat het allemaal fout. Adam en Eva, Kain en Abel, de enorme vloed en de toren van Babel - die verhalen aan het begin werken heel snel en compact het drama uit van het menselijk falen: hebzucht, hoogmoed, macht. Al dat zeer herkenbare fraais, zo ‘natuurlijk’, zo oud, zo tiranniek, maar ook zo wanhopig op zoek naar de nieuwe mens, naar iemand die iets anders wil en daar al zijn zinnen op gezet heeft. Daarmee wordt Abraham ten tonele gevoerd.

* Hoe wordt Abraham in vele tradities genoemd?

* Waaraan kun je denken bij ‘vele tradities’?

            Abraham is de eerste die zich door God gezeggen laat, voor wie God de soufleur mag wezen. En God vindt in Abraham een man die zich laat inspireren, die het met goede woorden waagt op weg te gaan naar beter leven, oprecht. Wat is er dan nu met Melkitsedek?

            In het voorjaar (Gen 14) moeten de koningen weer hun haantje victorie laten kraaien. Ze trekken tegen elkaar op. Oorlog, ‘landje veroveren’ heet hun spel. Lot, een neef van Abraham, is een van de slachtof­fers. Daarop verzamelt Abraham zijn mannen en ze zetten de achtervolging in. Lot wordt bevrijd met heel zijn hebben en houden. Abraham keert terug als iemand die zijn broeder bevrijdt. Dan legt het verhaal het initiatief bij Melkisedek.

   Paulus, de Apostel van en voor de Volkeren, legt uit wie Melkitse­dek is. Zijn naam betekent: koning van de gerechtigheid. Abraham, de rechtvaardige bevrijder, ontmoet in de koning der gerechtig­heid zoiets als zijn gelijke. Abraham heeft het huis van zijn vader verlaten; ook Melkisedek wordt genoemd zonder de naam van zijn vader of moeder. Hij komt a.h.w. zomaar uit de hemel vallen, ‘Koning van Salem’/Sjaloom: koning van de vrede. Bevrij­ding, vreugde, vrede: het goed hebben. Dan is er brood en wijn, huiselijkheid en verhalen.          Alles wat we van Melkitsedek, de koning van de gerechtigheid weten is het korte verhaaltje uit Gen. Maar dit verhaal is vanouds kiemcel geworden voor veel meer. Want voor de leraren van het Oude Boek staat het vast, dat Salem Jerusalem is, de plaats van de zetels van het gericht, de plaats waaraan de naam van God, Zijn aanwezigheid in deze mensenwereld,  heel zichtbaar aanwezig is. De eerste gestalte die ons (in de figuur van Abraham) uit die Stad tegemoet treedt is de koning van de gerechtigheid, de koning van de vrede: Melkitsedek.

* Wat betekent dit voor ‘kinderen van Abraham’?

   Melkisedek kun je zien in tal van kerken, op muren en in ramen. Meestal zie je hem op of bij het priesterkoor als uitleg bij wat christenen doen als zij samen bidden en gedenken rond brood en wijn. Een droom van gerechtigheid en vrede wordt blijkbaar in de kerken gekoesterd, steeds opnieuw weer als wij met de man van Nazareth meegaan en verhalenderwijs optrekken naar Jerusalem. Wat mag daar dan toch te halen zijn? Psalm 76 bidt:’God is bekend in Jehoeda, zijn naam is groot in Jisraëel. Salem is immers zijn stad, op de Tsioon is zijn tent: daar verbreekt hij de vurige schichten van de boog, het schild, het zwaard, de oorlog.’ Wat mag dat zijn, een plaats waar God bij de mensen woont? Het is een vraag die nauwelijks antwoord behoeft, want het verhaal van Abraham en het verhaal van Jezus voor mensen die christen zijn heeft het antwoord al gegeven. Vrede, gerechtigheid, brood en wijn hebben alles te maken met de bevrijding en de vrijheid, met het opkomen voor de broeder in zijn benauwd­heid, met iemand die  -  als God in het scheppingsver­haal - eenvoudigweg zeggen kan: mens, je bent niet alleen. Zo kómt Melkitsedek. En Abraham maakt zich dienstbaar aan hem, wil mee dienen aan deze bevrijdende Gods-dienst.

   * Wanneer je nu ‘eucharistie’ of ‘avondmaal’ uitlegt, wat moet je dan meer vertellen dan ‘samen delen’?

   Wat is dat? bevrijding? Dat (b)lijkt een vraag die niet te beantwoorden is in de gangbare zin van het woord. Daar zijn geen woorden voor. Hoogstens antwoorden of pogingen tot antwoord (want ieder antwoord is persoonlijk: in vriendschap of betrokkenheid, rond de tafel, voor elkaar verantwoordelijk. Begin er maar eens aan. Maar let wel: ieder klein begin heeft alles van het grote. Het is niet vanzelfspre­kend. Het is immers een uitzondering, een wonder.

Het altaar en de stof die verzoening is

Zoekend naar de Tempel en Jerusalem kun je nog verder terug naar het begin van de Schri­ft. Wanneer de leraren van Israël peinzen over stof uit de aarde (adamah - Gen 2,7), dan zeggen ‘R.Bere­chja en R.Chelbo in de naam van Samuël de oudere: hij werd geschapen vanuit de plaats van de verzoening, want je kunt lezen: Een altaar van aarde (adamah) zul je voor mij maken (Ex 20,21). De Heilige Hij zij gezegend zei: Zie, ik zal hem scheppen vanuit de plaats van zijn verzoening. (Gen.R.14,8). Volgens deze tradi­tie is de mens derhalve a.h.w. gemaakt uit verzoening[12], alsof ‘verzoening’ de ‘grond-stof van het bestaan’ is.

Everyman everywhere

Een andere traditie (zie Leg.Ginzb. I,54) vertelt dat de mens geschapen werd uit het stof van de vier hoeken van de aarde. Dit is om aan te geven dat de aarde nooit mag zeggen:’Je hoort hier niet thuis’ - in eerste in­stantie en op het eerste gehoor nogal negatief uitge­drukt: nergens zal de aarde het onmogelijk maken, een dode te begraven.

Een synthese

Het verhaal over de schepping van de mens brengt derhalve bijeen de plaats waar het altaar gebouwd is en heel de aarde. De plaats dáár is op een of andere wijze ook hier. Zo mag je ook zeggen: Jerusalem dáár (hoezeer ook daar -  vgl de oude joodse wens aan het einde van ieder paas­maal: Lesjana habaä beroesja­laiem/volgend jaar in Jerusalem - voorwerp en plaats van verlangen is) op een of andere manier ook Jerusalem híer is, hoe merkwaardig dat ook klinkt.

Jerusalem, een samenvatting

Kijken naar Jerusalem, dáár, is peinzen over hoe het híer zou kun­nen/mo­gen/moeten zijn.

Jerusalem, een verhouding

Dit overziende mag men concluderen: Jerusalem en ‘de plaats waar ik ben’ - tussen die twee is altijd een verhou­ding. Die verhouding ben ik, bezig zijnde met die traditie, zelf, ‘ik’. Zo is/wordt Jerusalem moeder- en vaderstad, thuis, plaats van geborgen­heid (vgl Johannes 14,1vv) én opdracht, nl. plaats van waaruit de geboden[13] klinken, waar niets ‘natuur­lijk’ is. Anders gezegd: de liefde voor en van Jerusalem kan nooit ‘hebberig’, bezittend, ‘zich toe-eigenend’ zijn. Zonder gast-vrijheid kan het Bijbelse Jerusalem niet zijn.

* Hoe zou je als leraar van hieruit over ‘wat er in een klas gebeurt’ kunnen peinzen?

 Het zal dan nu ook niet meer enkel bevreemding wekken, wanneer je hoort dat Paulus (1Korintiërs 3,16-17) zegt: Weet je dan niet, dat je de Tempel van God bent en dat Gods Geest in je woont[14] Gods Geest, zijn sjechina, dat is het wonen van Zijn Naam (denk ook aan: Uw Naam worde geheiligd) in de tempel. Zo kan de Geest sinds Genesis 1,2 de garantie zijn dat hemel en aarde toch één zijn.

Alles lijkt eraan gelegen, het bij uit­stek hei­lige te zien als het beeld van het gew­one, alledaag­se en om­gekeerd. Ook dat is bekend vanuit de S­chrift. Daar wordt immers beweerd, dat de mens - als iets gewoon is, dan is dat de mens - de grote uitzon­de­ring, heilig is. Alles is ge­maakt naar zijn soort. Alleen de mens is gescha­pen naar Gods beeld op Hem gelij­k­end. Van daaruit is beter te verstaan:  Hij is het beeld van de On­zich­t­ba­re God (Kol 1,15 - zo zwaar als de tekst klinkt, hij verdient aan­dacht en is herken­baar[15]

 

Voortgang I

De tempel en de schepping

Na het voorafgaande hoeft niet meer uitgelegd te worden, dat er derhalve blijkbaar een duidelijke relatie is tussen het voltooien van de schepping (met de mogelijkheid minstens dat de mens dat hoogtepunt is, die voltooiing zou kunnen zijn[16]) en het voltooien van de Verbondstent/Tent van de Getuigenis/Tempel in Jerusalem. Voor de goede verstaander: de Tempel is de Schepping, de Schepping is de Tempel - tenmin­ste in Gods hand. Hier is weer het programma aan het werk dat we kennen uit Uw Naam worde geheiligd: heiligen[17] Ook elke zorg voor goed onderwijs - een kwestie van identiteit en kwaliteit - is een op­dracht vanuit dit programma.

* Welke betekenis heeft het woord ‘programma’? Welke betekenis heeft het hier?

 

David, de tempel & het huis van David

Verder gaande met de TeNaCh keren we terug naar David en zijn droom uit het eerste hoofdstukje. Daartoe moeten we immers naar de Profeten, de uitleg van de Tora. In 2Samuël 7 woont David in zijn huis in Jerusalem, de Stad van David. Van alle zijden is er rust van de vijanden. David laat Nathan komen en deelt hem mede, hoe hij ‘erover’ denkt.

 

* Over wat?

* Nathan zegt: …

* Dan komt ...

* De mededeling luidt: ... 

* Geef uitleg.

Zo heb je gezien wat het betekent: niet jij zult voor mij, maar ik zal voor jou een huis bouwen. Dat wordt het ‘Huis van David’.

Voortgang II

Tempel en Lichaam - inleiding

Een volgende, reeds in de richting van een afronding komende opmer­king aangaande de Tempel werkt Th.Naastepad uit in Salomo (Kampen 1975). Daarbij mag gedacht worden aan een in de liturgie bekend geworden tekst van H.Ooster­huis: Huis dat een levend lichaam wordt, uit Zomaar een dak boven wat hoofden, deur die naar vrede open staat. Naastepad geeft commentaar bij 1Koningen 6,7-14[18] (a.w. p.42vv).

Topografie

Wie de hoofdstukken over het bouwen van de Tempel is het hebreeuws kan lezen ziet terstond, dat het nooit over de of een Tempel gaat. Voortdurend spreekt de tekst over het huis. Het gaat er huiselijk aan toe. Het gaat over het wonen naar de maat van mensen. Wordt er dan in het hebreeuws toch drie keer over zoiets als de Tempel gesproken, dan moet je niet denken aan een religieus huis, maar aan een heren­huis, een groot huis of paleis.

            Bijbels gesproken kan het nooit zo zijn, dat er iets uit de wereld van het leven van alle dag wordt afgezonderd om religieus te zijn. Er wordt niets gesacrali­seerd. Zaken sacraliseren betekent, dat de rest niet-sacrale, profane is.

Sacraal en profaan

Wat betekent sacraal? Wat is profaan[19] Sinds de zestiger jaren spreekt men graag over de desacralisering of secularisatie. Secularisatie is afgeleid van het latijnse secu­lum. Het betekent eeuw of wereld. Secularisatie zou dan zijn: het meer wereld worden van de wereld[20]. Dat is een vage aanduiding voor het gegeven, dat het religieuze in toene­mende mate voor grote groepen minder (b)lijkt te gaan betekenen. Vanuit bovenstaande alinea blijkt, dat de term ‘desacralise­ring’ of ‘secularisa­tie’ berust op een misverstand. Dat misverstand is de optie dat het gewone een religieus sausje moet krijgen om enigermate levensbeschouwelijk relevant of religieus te worden. Bijbels gesproken is de wereld: ruimte en tijd voor de mens, om mens te zijn, op aarde onder de hemel. Die plaats en tijd krijgt hij met alle verhalen (taal) volgens het verhaal van God. Als er nu iets moet gebeuren, dan moet het hier gebeuren, of daar, in ieder geval nu.

Het huis van de Heer

Voor God wordt een huis[21] gebouwd, dat wil zeggen voor Hem wordt een plaats gemaakt in de wereld van elke dag. God wordt een bij-woner, een mede-bewoner. In het Grieks heet dat par-oiki­aan. De katholieke woorden parochiaan en parochie zijn daarvan afgeleid.

            Als je de tekst leest over de bouw van het huis van God, dan moet het je opvallen, dat er uitdrukkelijk zonder geweld, in vrede wordt gebouwd (1Kon 6,7).

 

Een huis als een lichaam

Na de opmerking over het in vrede bouwen, preekt de tekst over het bouwwerk, om te beginnen met de deur tot de benedenste verdie­ping. Het he­breeuws gebruikt daarvoor tsela. Hetzelfde woord vind je in Gen 2,21. Daar wordt dit hebreeuwse woord vertaald met rib. Daarna gaat het over ge­teef:schouder (rechtervleugel); gebiem van geeb/ rug (gewelf, vakken); seder/schedel (ceder). Blijkbaar is het huis een huis als een lichaam[22]. Het gaat bij dit huis over Zijn omgaan met de mensen.

                *Zie Efesiërs 2,21. Wat vindt je daar?

De bijbel spreekt over het ‘bouwen van de tempel’ met het vocabulaire dat afkomstig is van ‘ de schepping van de mens’. Zo bouwt God zich bij wijze van het spreken van de Schrift een Huis. Daar­bij denk je natuurlijk ook aan ‘het huis van Abraham,’ het ‘huis van David’ of ‘het huis van Israël’.

De verwoesting van de Tempel

Het buitengebeuren, een weerspiegeling van het binnengebeuren

Wanneer het dan later toch zal gaan over de verwoes­ting van de Tempel door Babylon, dan wordt dat tot les ge­maakt: Het huis werd afgebro­ken door de buitenwacht, omdat de binnenwacht de samenleving met de Heer verbroken had. Het menselijk leven werd een chaos. Die mooie tempel was een aanfluiting, een karika­tuur. Toen werd het in de echte zin een 'tempel', een sacraal bolwerk om de leugen vol te houden. Het ding moest weg. Want het was geen huis meer, geen zinnebeeld van Gods omgang met de mensen (Naastepad, a.w., p.46).

* Wat wordt in dit citaat aangegeven met ‘buiten-’ en ‘binnen­wacht’? Wat geeft het citaat dan te kennen?

God in de Schrift, over wie gaat het dan? Steeds opnieuw dient men die vraag te stellen om zich opnieuw de les te binnen te brengen van Ex.3. Daar wordt uitgelegd wie God is. Dat heeft direct betekenis voor de mens die je zelf bent. Welke betekenis heeft de Naam?

Excursie over de verwoesting van de tempel.

Het kan verhelderend zijn, wanneer je begrijpt waarom het volgens Jeremia emia zover gekomen is dat stad en tempel ver­woest werden door de Babyloniërs. Zie Jeremia emia 34,8-22. Hieronder volgt een leesaanwij­zing.

Het gaat over de vrijlating van de slaven. Als het over ‘slaven’ gaat moet je vooral en met name weten:’Vergeet Exodus niet!’.

* Wat vindt je hierover in  Deuteronomium 15,12vv en Exodus21,1vv.?

De notabelen van Jerusalem zouden de hebreeuwse slaven moeten laten gaan. Om te voldoen aan zijn schulden kon iemand zich verkopen om als slaaf te dienen. Maar volgens de Tora mag en kan dat geen permanente status quo worden. Want als iemand ten eeuwige dagen slaaf wordt, dan kan voor hem het exodus-verhaal geen betekenis hebben. Daartoe moesten ieder zevende jaar de slaven vrijgelaten worden.

De notabelen van Jerusalem begrijpen dat veel profijt aan hun neus voorbijgaat als ze de hebreeuwse slaven vrij laten. Ze laten hun goedkope arbeids­krachten niet vrij. Daarom leven in feite ‘ten koste van hun broeders’.

     Een Jerusalem dat ‘zijn broeders’ niet meer vrij laat maakt zichzelf tot een anti-exodusver­haal, een anti-Jerusalem. Jeremia emia zegt, dat ze een vrijla­ting moeten afkondigen. Maar ze weigeren. Door hun weigering overtreden ze het verbond. Jeremia e­mia zegt: God zal hun ‘overschrijdingen overschrij­den’.

‘Overschrijdingen overschrijden’ is voor ons een merkwaardig taalgebruik. Het is bijbels. Welke teksten horen hierbij? Je kunt dat achterhalen door Jeremia  34,18-19 te verbin­den met Gen 15,10.

De mensen van Jerusalem gaan met elkaar om als ware er geen Tora. Door de Tora te ontkennen ondergraaf je de bestaans­voorwaarde van alles wat Israël heilig is. Als je de Tora ontkent [in woorden of daden] breek je de Tempel & Jerusalem. Niet de bekende zij, maar wij. Die over­tuiging is de vrucht van de profetische lezing van de eigen geschiedenis, tijdens de Babylonische Ballingschap gegroeid. Het hoort ook bij de verbinding die het Nieuwe Testa­ment maakt tussen Jezus en Jerusalem aan het eind van de evangeliën. Je vindt het al in Genesis 2,18: Je kunt niet doen alsof je alleen bent! Daar komen ongelukken van.

Samenvatting

Concentratie

De Tempel, het Heiligdom in Jerusalem, vraagt en con­centreert de aan­dacht voor wie ervan weten wil. Alle aandacht wordt gericht op het Huis van de Heer om van daar­uit ter­stond te wijzen op de bedoeling van dat huis, op waar dat huis voor staat! Vgl: ‘... Niet ge­komen om gediend te wor­den, maar om te dienen[23]’.

Voor een eerste samenvatting kan men zich uitstekend laten leiden door het voortreffelijke boek van Han Renckens, De bijbel meemaken, Kampen 1988, pp.34-53.

 

Het gebed van Salomo

Renckens begint bij het gebed van Salomo tijdens de inwijding van de Tempel in 1Koningen 8,27:

            Zou God dan werkelijk op aarde wonen?

            Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen kan U niet bevatten.

            Hoe dan dit Huis van God dat ik gebouwd heb!

* Wat vind je daarover in de preek van Jeremia 7,1-15?

Het Huis van God is voorwaardelijk. Het heeft alleen maar bestaans­recht en kan het gewicht[24] van de Naam van God alleen maar dragen, zolang de tempel, het Huis van de Heer, bijdraagt aan rechtvaardig wandelen en handelen met elkaar. Alleen wie zich inzet voor Recht en Gerechtigheid mag ‘kind van God’ (vgl Johannes 1,12!) heten, beantwoordt aan zijn bestemming (zie eerste verhaal van Genesis).

            Zo zegt de Hoge en de Verhevene

            wiens woning eeuwigheid en wiens Naam heilig is:

            Het hoge en heilige bewoon ik,

            maar ook de vernederde en de verbrijzelde van geest.

            Om te doen herleven de geest van de vernederde

            en te doen herleven het hart van de verbrijzelden.(Jesaja 57,15)

* Waar ‘woont’ God volgens deze tekst?

* Stel je voor, je probeert kinderen hierover iets te vertellen. Wat is de vraag van waaruit je vertrekt? Hoe vindt je dit terug bij ‘Mozes in het biezen mandje? bij David achter de schapen van zijn vader? bij Saul op zoek naar de ezelinnen van zijn vader? bij Israël in de ‘duisternis van de Egyptische slavernij’?

Menig tekst gaat meer doen, als wanneer je erin hoort dat deze armoe­de, dit zich niets hebben om zich op te kunnen beroepen de mens in staat stelt, Gods woord te bewaren door het te doen[25].

            Zo zegt de Heer:

            De hemel is mijn troon en de aarde mijn voetbank.

            Wat voor huis zoudt gij bouwen voor mij

            en waar zou de plek zijn van mijn rust?

            Naar dezulken gaat mijn aandacht uit:

            naar de arme en naar de verbrijzelde van geest

            die zich bekommeren om mijn woord. (Jesaja 66,1-2)

Deze tekst kan men - als elke tekst - ook lezen als context. Wanneer men vanuit deze en dergelijke teksten vertrekt, mag men ook vermoeden, wat voor iemand degene is die opgaat naar de tempel als er uitdrukke­lijk staat geschreven, dat Jezus ‘op­gaat[26] naar de tempel en leert’[27]

 De synagoge: Ezechiël 11,15v en 22-25.

            Ik heb de glorie van de Heer gezien  - hoe zij jullie tempel verliet -

            en zich oostwaarts begaf naar de ballingen

-         om van hen een miniatuurheiligdom te maken.’

Renckens tekent daarbij aan: ’Dit is de oercel van elke synagoge. Mensen zijn daarvan de levende stenen, terwijl de verwachte Messias het fundament en de hoeksteen is.

* Wat kun je terzake vinden in 1Petrus 2,4-6?

Van de joodse traditie zouden we opnieuw kunnen leren dat de 'messias' heel wat meer is dan een figuur uit het verleden. Hij is een bijbelse figuur[28]. Voor mensen uit de joodse traditie is hij herkenbaar en daarom een pro­gramma, - zoals voor Christenen het verhaal over Jezus ook programmatisch is. Het vertrouwde, bekende, wijst naar een oorspronkelijke opzet of inspiratie. Als zodanig reikt het alternatieven, modellen, mogelijkheden aan. [29]

            Het hierboven aangereikte geeft ook aan, op welke wijze de Schrift be-tekent, betekenis geeft. In de Bijbel gaat het niet zozeer om de acta (dingen die gebeurd zijn, die God gedaan heeft). Het acta-verhaal zelf mikt op de agenda (dingen die nog moeten gebeuren omdat wíj die moeten doen).

            Het voorbeeld daarvan is de bevrijding uit Egypte. Wat daaraan in het verleden heeft beantwoordt is volstrekt niet te achterhalen en eigelijk onbelangrijk. Het verhaal voert God op als bevrijder en dat is ongehoord, uniek - steeds zo goed als nieuw. Daarmee be­schrijft de Schrift expliciet wat de kern is van de mense­lijke opdracht[30].

De bijbelse boodschap

Renckens omschrijft de profetische boodschap als volgt:

De zuiverste glorie van jullie bescheiden heiligdom bestaat hierin, dat het vol is van mijn glorie, doordat wij het samen maken tot een Plaats van vrede waar mensen elkanders lasten dragen en het beste van zichzelf aan elkaar durven te geven. Zo ontstaat de sjaloom, die harmonie, die samenklank van heel verschillende tonen, omdat ieder op zijn eigen manier zichzelf mag zijn en zo het zijne bijdraagt tot het geheel. Kleinschalig, in eigen huis en naast je eigen deur, van dag tot dag, aan de basis, op het grond­vlak, bij het gewone veldwerk. Dat is het verborgen fundament waarop het huis van God kan staan en overeind blijft. Een huis vol mensen tussen wie Hij wonen kan omdat zij het voor elkaar bewoonbaar houden (a.w. p.51vv).

Met deze samenvatting (herhaling van het voorafgaande) zijn we in feite vooruitgelo­pen op het tweede lid van de titel. Dit komt verderop aan de orde.

Nog enkele details

*  Wie heeft het plan opgevat, de Tempel in Jerusalem te bou­wen?

*  Hoe is dat plan ontvangen?

David zal het huis van God niet bouwen[31]. God zal hem een huis bou­wen. Salomo bouwt de Tempel. Wel heeft David alvast de grond gekocht. Het is het gebied direct ten Noorden van de ‘Stad van David’. Dat gebied heeft een naam: de dors­vloer van Arauna.

* Wat is een dorsvloer?

* Hoe kom je het oogsten tegen in Psalm 1 en Mattheüs  3,12?

De Tempel zelf bestaat eigenlijk uit twee delen: het hoofdgebouw en de gebouwen en ruimten daaromheen.

* Wat staat er in en voor de Tempel?

* Hoe kom je dat tegen in Lukas 1,4-23.?

Voor meer informatie over het gebouw: Bijbels Museum!

Veel info vind je ook in Will Barnard, De Tempel van Herodes, NBG (Amster­dam 1972).

Voor het in gebruik nemen van de Tempel: 1 Koningen 8. Goede leeshulp vind je in T.Naastepad, Salomo.

* Wat staat er in het midden?

Hier vind je min of meer het einde van wat begonnen is in Genesis 4,26. *Wat is daar begonnen?

De Tempel staat in het midden, in die zin, dat tallo­zen tijdens de feestda­gen (Pasen, Wekenfeest, Loofhutten­feest) elk jaar naar de Tempel komen (zie bijv. Lukas  2,41vv), ook van buiten Israël (zie Johannes 12,20; Handeelingen 20,16).

* Deze feesten hebben te maken met de oogst. Wat is de samenhang?

Alle synagogen (zoals ook alle oude kerken!) zijn gebouwd naar de richting van Jerusalem. Sinds de Tempel door de Romeinen verwoest is worden de gebeden en teksten over de ‘offers in de tempel’ gelezen in de synagoge. Zo worden de offers toch (als het ware op 'onbloedige' wijze) gebracht.

Iedereen die zelf niet naar Jerusalem kon gaan wist zich vertegen­woordigd in Jerusalem. Daartoe stelde iedere gemeen­schap een ‘gezantschap’ aan. Zo is het ieder jaar met de feestdagen in Jerusalem een enorme drukte. Je komt er mensen tegen uit ‘alle volkeren van de aarde’. Jerusalem is dan een beetje ‘heel de wereld’. (Zie Handelingen 2,5!)

Ieder betaalde tempelbelasting. Omdat op de Romeinse munten het beeld van de keizer stond, betaalde men belasting in de vorm van een oude hebreeuwse munt, de sjekel. Daarom vind je rond de tempel de geldwisse­laars. Zie Johannes 2, 15.

Mensen leefden in duidelijke verbondenheid met de Tempel in Jerusalem. Toch: het centrum van het liturgisch leven was voor iedereen de synagoge op de plaats waar men zelf woonde. Daar werd de Tora gelezen en bestu­deerd en probeerde men aan de hand van de Tora te leven[32] van week tot week, van dag tot dag.

De meeste mensen kwamen in de Tempel niet verder dan de voorhof der volkeren. Alleen wie een offer moest brengen ging verder. Op die voorhof vond je de leraren. Daar waren tal van synagogen. Er werd geleerd. Ook Jezus deed dat (Mattheüs 21,33; 26,55; Markus 11,17; Lukas 2,46; 19,47, 20,1; 21,37; Johannes 7,14; 8,2.20; 18,20).

Daarom: hoezeer de verwoesting van de Tempel door de Romeinen een onvoorstelbare catastrofe is, het leven voor de mensen die het van de bijbelse traditie moeten hebben verandert er uiteindelijk niets. En als in een verhaal [33]een paar beroemde joodse leraren over de puinhopen van de Tempel wandelen en huilen, zegt Rabbi Jochannan ben Zakai:’Je hoeft niet zo bedroefd te zijn. Onze opdracht ligt ergens anders. Niet de eredienst maar de liefde voor de mensen om ons heen. Zoals geschreven staat:’Ik vraag betrokkenheid en geen offers’(Hos 6,6 zie Mt 9,13).

De Messias

Om te beginnen

Hier zou op de eerste plaats bijeengezet moeten wor­den, wat de Joodse traditie naar voren brengt wanneer het over de Messias gaat. Dat is evenwel niet eenvoudig. Er is een groot probleem.

De taal doet ertoe

Het begrip Messias is sinds ongeveer de vierde eeuw[34] volstrekt exclusief geworden, mede door de griekse vertaling chrèstos en de latij­nse uitspraak christus. Er is, wanneer het even al te snel geschreven en gelezen kan worden, zo eenkennig geschreven over Jezus als de lang verwachte Messias, dat je soms de indruk krijgt, dat van de andere mensen en de verdere gang van de geschiedenis niets meer te verwachten is. Deze ‘vorm’ is volstrekt in strijd met de ‘inhoud’ van de bood­schap.

Vorm en inhoud  

Voor iemand die zich uiteindelijk te kennen geeft als degene die de voeten van zijn leerlingen wast[35] en die zijn leerlingen zendt zoals hij zelf gezonden is (Jo 20,21) kán de aanspraak op een dergelijk monopolie niet verwacht worden. Zijn exclusiviteit is dat Hij niemand uitsluit.

Sinds het christendom een wereldbeweging is, moet de joodse gemeen­schap wel behoedzaam zijn met het leren over de Messias. Toch zijn er wel een paar zaken aan te geven.

Het komen

Het vertrouwen dat de Messias komt is kenmerkend voor het geLO­VEn[36] van Israël (Maïmoni­des). Daarom en daarin zijn Joden­dom en Messia­nis­me/Christendom in zekere zin identiek - zijn zij hetzelfde geworteld of dragen beiden elkaar. Het Evangelie volgens Johannes zegt:’De verlos­sing/bevrij­ding (Hosjoea[37]) is uit de Joden’(Johannes 4,22)[38]. Toch is er ten aan­zien van mensen en hun vermogen wanneer het gaat over bevrij­dend bezig zijn grote terughoudendheid. Men is in een geschie­denis van 3 of 4000 jaar behoorlijk zuinig in het aanwijzen van iemand als Messias. Uiteindelijk komt het alleen God zelf toe, vast te stellen wanneer de dagen vervuld zijn (Mattheüs 24,36). In elk evangelie gebeurt dit in het Verrijze­nisverhaal. Zie ook Handelingen 2,24. Voor Paulus, zie bijv. Romeinen 6,3-4.

Het begin

De stichting van de staat Israël is voor ‘velen’ een begin van de verlossing. Anderen evenwel (met name de ‘strikt orthodoxe’ groepen bijvoorbeeld uit de wijk Mea Sjeariem in Jerusalem) zien diezelfde staat meer als een ‘toe-eigening door mensen’ dan als ‘door God gegeven’.

De zoon van David

Algemeen wordt de Messias gezien als de zoon van David, een roos (rijsje> wat oprijst), scheut, loot (hbr nèser > Nazareth; Mattheüs 2,23) aan de wortel van Jesaja (zie Jesaja 11,1). Zoon van David: iemand in wiens daden David herkenbaar is (zoals in een kind van God iets van God herkenbaar is - een gave, een erkenning die tevens programmatisch is.) Zoon van David: dan moet hij een koning zijn die z'n volk op zal rich­ten.

Gerechtigheid

Hij zal gerechtigheid oprichten in het land (Jesaja 42,4). Dat kan geen eenvoudige zaak zijn. Het volledig ‘uitme­ten’ van de gerechtigheid betekent immers expliciet ook: het onrecht volledig voor het voetlicht brengen. Zo spreekt Jesaja 53,2-12 over de lijdende knecht des Heren[39]. Die tekst wordt gezien als een beschrij­ving van de Messias. Zo kom je het in de christelijke liturgie van de dagen van de Goede Week in de kerken tegen.

Op een ezel

Eenvoudig en bescheiden zal de Messias op een ezel Jerusalem binnen komen (Zecharja 9,9. Het loont trouwens zeer Zecharja geduldig te lezen). De vrede is kenmerkend voor het Koningschap van de Messias. Zie Jesaja 2,2-5.

De leraren van de joodse hebben zich regelmatig verzet tegen specula­ties over ‘wat ging er vooraf aan de schep­ping?’ Toch geeft Genesis Rabbah (I,4) een beroemde tekst.

            In het begin schept God. Zes zaken gaan vooraf aan de schepping van de wereld ... De Tora en de Troon van de Glorie zijn reeds geschapen. De Tora, want er is geschreven: De Heer heeft mij gemaakt als begin van zijn weg, voor de werken vanouds (Spreuken 8,22). De Troon van de glorie zoals geschreven staat: Uw Troon is van ouds gevestigd, enz ... (Psalm 93,2). De schepping van de Aartsvaders ... (Hosea 9,10) ... De schepping van Israël ... (Psalm 74,12) ... De schepping van de Tempel (Jeremia 17,12) en de Naam van de Messias. (Psalm 72,17). ... Rabbi Ahabah ben Rabbi Zeïra zegt: Omme­keer[40] ook ... (Psalm 90,2). [Een volgorde die te denken kan geven!]

Over onderwijs geven - een zienswijze

Het thema de Messias keert als thema in de bijbelse en na-bijbelse joodse literatuur steeds weer. Hetgeen daarvan­ hier aangege­ven is vormt niet meer dan een eerste begin. Hoever dit kan gaan is te zien in bijv. Textes Messia­niques, een uitgewerkte les over delen betreffen­de de Messias in de Talmoed door de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Leviticusinas (Diffi­cile Liberté, 1963, pp.83-131).

            In een van de betreffende teksten is men op zoek naar de naam van de Messias. Levinas stelt vast: er worden drie namen gegeven,. Waarom deze drie? Bij nader toezien blijkt het getal drie bepaald te worden doordat er drie groepen studenten zijn. Met een beroep op een bijbeltekst geeft elk van de drie groepen de naam van hun leraar als de naam van de Messias.

            Naar aanleiding daarvan merkt Levinas het volgende op. De relatie tussen leraar en leerling is in eerste instantie een intellectuele verhou­ding. Blijk­baar vertoont deze relatie alle rijkdom die kenmerkend is voor de Messias en de ontmoeting met Hem.

            De verhouding tussen leraar en leerling is uit op vrede, gerech­tig­heid, rechtvaardigheid. Tegelijkertijd is die verhouding gebaseerd op het opnemen voor de ander en betrokken­heid, het zich kunnen verplaatsen in, meemaken wat de ander meemaakt.

Waarheid is in het bijbels spraakgebruik een daad van genegenheid. Als deze waarheid, nl. dat de leraar een weerspiegeling is van wie de messias is,  er voor allen[41] is, zegt Levinas, dan is de Messias[42] niet meer anoniem. Om een lang verhaal kort te maken: Levinas zegt dat de messias niet een koning is die van buiten af zijn gezag op legt. Wie zijn verantwoordelijkheid voor de ander en de anderen op zich neemt, wie in de ware (zich ver-antwoorden-de) zin van het woord ik zegt, doet als de Messias.[43]

Het direct bovenstaande maakt opnieuw duidelijk, dat het niet-uitsluitende maar inclusieve kenmer­kend is voor dit raadselach­tige woord dat nog steeds te denken geeft. Als zo gezien de Messias in de Tempel komt ...

Jezus Messias

Het kan er hier niet om gaan, dat[44] Jezus de Messias is. Als Hij de Messias is - en dat leert de kerk - dan zal het er met name over gaan, hoe Hij dat is. In dat hoe, in het evange­lie zijn de leerlingen regelmatig betrokke­nen, mede tot partij ge­maakt. Zij stellend de vragen en vermoeden de antwoorden.

Voor de evangelisten is het hoe uitgangspunt. Het eerste antwoord op Hoe is Jezus de Messias? luidt - al dan niet met zoveel woorden ge­zegd, -  zoals geschreven staat. Zie Markus 1,1.

Markus 1,1, Zie ook de overeenkomst met Johannes 1,1: Om te beginnen het woord. Mattheüs vult zijn begin met namen, de kortst mogelijke samenvatting van alsmaar verhalen. Jezus Messias, zoon van David, zoon van Abraham. Als je die omschrijving met de boekrol in de handen volgt, dan moet je bij die woorden de boekrol van achteren naar voren, terugrollen.In het boek terug bladeren om te beginnen vanuit de ballingschap, vanuit Egypte, vanuit Genesis.

Als Jezus volgens de geschriften van het Nieuwe Testament de Messias is, dan kan dit primair alleen verteld en toege­licht worden op de wijze van het hoe. Dat hoe is: le­zen, leren in, en leven met de Schrift, het TESTAMEN­TUM (getui­genis) vanouds.

De moeilijkste vraag van een kind in de katechese blijkt de vraag: Wie is God? Een christen zou als antwoord kunnen proberen: De vader van Jezus Christus.  Je moet dan nog wel veel uitleggen, maar het begin is alvast begonnen. Het spreken wordt dan inclusief. Jij spreekt en je woorden krijgen hun helderheid[45] door de - dank zij hun vrijheid en eenvoud - dwingende vraag van het kind.

 

Alle uitspraken over het onderwerp van het Evangelie overstijgen het niveau van de mededeling. Wie ver­telt, levert over, staat in de lijn van de traditie (overleve­ring).

De Messias is niet iemand die het voor ons doet, maar iemand die het ons voor doet: Beeld van de onzichtba­re God, eerstgeborene van heel de schepping (Kol 1,15 Daarmee zijn we wellicht terug in Gen 1!).

De Messias

De Messias is een verbastering in het grieks van een he­breeuws woord, afgeleid van het werkwoord M-Sj-Ch. Dit bete­kent insmeren, bestrijken, zalven, meestal met olie. Zo lees je in Jesaja 21,5 een aansporing, om de (met leer bespannen houten) schilden in te smeren. Zie ook 2 Samuël1,21. Blijkbaar is het om te beginnen een heel huishoudelijk woord. Zie ook Jeremia  22,14; Exodus 29,2; Leviticus 2,4 en Genesis 31,13; Leviticus 8,11; maar ook Amos 6,6. Het wordt ook gebruikt voor Koningen, Priesters en Profeten (zie 1 Samuël10; 1 Samuël16,12; Exodus 29,8; 1 Kon 19,16, Jesaja 61,1).  In de regel evenwel is zalven de technische term voor het zalven van een koning. De gezalfde is de koning.

In de Tora

wordt omschreven, wie en hoe de koning moet zijn. Lees Deuteronomium 17,14-20. Het thema zal gaan spelen ‘wanneer je gekomen bent in het land dat de Heer je God je zal geven’.

*  Wie zal de koning zijn? (zie 17,15).

*  Wat zal de koning niet doen? (drie dingen).

*  Wat zal de koning wel doen? Wat moet hij daarmee? Waarom?

*  Kortom: welke gevaren worden op voorhand aangewezen m.b.t. de koning? Wat zal zijn richtsnoer zijn?

In de Profeten

Saul.

In de Profeten wordt beschreven hoe het tot de koning in Israël komt. Lees 1 Samuël 8.

*  Binnen welke context wordt de vraag om een koning actueel?

*  Hoe reageert Samuël op die vraag?

*  Hoe typeert Samuël 'koningen'?

*  Het leven van de koning wordt in 1 Samuël12 afhankelijk ge­maakt van het volk. Zie daartoe 1 Samuël 12,15. Kun je van hier­uit vermoeden wat er aan de hand is wanneer een koning tot slachtoffer wordt gemaakt?

Je begrijpt, waarom Saul min of meer in een klein hoekje van het verhaal gezalfd wordt (1 Samuël9,1 - 10,16) en waarom hij bij het pakgoed gevonden wordt (1 Samuël10,22). Tenslotte is er dan het ene verhaal over koning Saul: de bevrijder (1 Samuël11)[46]. Zie vooral v.13!

Amalek

Saul wordt hevig problematisch wanneer hij Agag spaart. Het verhaal is niet te begrijpen tenzij wanneer je weet wie Agag is en wat dat bete­kent.

a.  * Wie is Agag?

b.       * Wie/wat is Amalek? (Amalek wordt in de joodse Paasmaaltijd elk jaar opnieuw besproken. Na Egypte is hij blijkbaar de boze. Wie/hoe is de boze.) Exodus17 en Deuteronomium 25,17-19 vertellen over hem.

In de Tora blijkt Amalek aanwezig. Je vindt hem aan de overzijde van de Rode Zee. Amalek is een woestijn volk. Het weigert de net bevrijde slaven de door­gang. Ze moeten gewoon terug. Daarmee is Amalek anti-bevrijding, anti-emancipatorisch. Het zweert bij de bestaande (wan-) orde. Alles moet gewoon blijven zoals het is.

            Zie je, hoe Mozes op de berg zijn armenhoog houdt terwijl het volk onder leiding van Jozua  beneden vecht. Zolang Mozes de staf van God met zijn handen omhoog houdt gaat het goed. Als Mozes zijn staf hoog houdt, wat zie je dan? Wat steunt Mozes onderweg? Dat zou de Tora kunnen wezen. Waarom Jozua. ExR XXVI, 3 zegt: Mozes wilde hem oefenen voor de strijd, want hij, Jozua zou Israël binnen brengen in het land.

            In Deuteronomium 25 is Amalek degene die het volk in de woestijn in de rug aanvalt, in de achterhoede. Wie loopt achteraan? De zieken, de zwakken, de Ouden, de kinderen. Amalek is de laf­aard die zich sterk maakt ten koste van de zwakken. Iedere generatie kent volgens de rabbijnen zijn eigen Amalek. Zo is voor velen Nazi-Duitsland bij uitstek Amalek geweest.

Je begrijpt: Saul spaart Agag, hij solidariseert zich met dé tegenstander bij uitstek. Daarmee maakt hij zich tot anti-koning. Daarom is het hele verhaal over Saul kort samengevat: Opkomst en afgang van een koning. Een les voor ieder die koning (vgl king size, royaal) wil zijn - al is het maar over een paar vierkante meter: het is niet eenvoudig.

 

David

Na het mislukken van Saul, het eerste experiment koning, probeert en illustreert de schrift het thema van het koning-zijn opnieuw aan David. Het begint al met de zalving.

* Waar zoeken Samuël en ‘boer Jesse’ in 1 Samuël 16 de gezalfde? Wie zien zij als bij uitstek geschikt?

* Waar is David te vinden? (Wie houdt zich in Exodus3 met hetzelfde ambt bezig? Hoe vindt je het in Johannes 10? Hoe vindt je het voor de ingang van onze IPABO en wat betekent dat even­tueel voor onderwijs?

* Wat is het eerste wapen van David? (1 Samuël16,16)

* David moet zijn broers gaan zoeken (1 Samuël 17,18). Wie houdt zich daar ook mee bezig (Gen 37,14.16)? Hoe kijken de broers tegen ‘dat kleine broertje’ aan dat hen te eten brengt (1 Samuël 17,28)?

* David blijkt het tegen Goliath op te willen nemen. Welke ‘handrei­king’ biedt Saul hem (17,38 - m.a.w. hoe kleedt Saul zijn ‘de Heer zal met je zijn’ in)?

* Wat doet David met het spreekwoord: Zoals de ouden zongen, piepen de jongen? Als hij de slinger neemt brengt hij welk spreekwoord in praktijk?

* 1 Samuël 17 heet traditioneel David en Goliath. Als je nu let op 17,55-58 - meestal wordt dit in de vertellingen overge­slagen, zie kinder­bijbels! - hoe zou je dit hoofdstuk dan moeten noemen?

* Wat betekent het als Mikal, de dochter van Saul, David tot vrouw gege­ven wordt?

Hoofdstuk 1 Samuël 20, David en Jonathan, is te mooi om over te slaan. Binnen het kader van verhalen over Saul die David achtervolgt.Het is wereldliteratuur: de klassieke tekst over vriend­schap met alle ingrediënten voor een koningsdrama. Jonathan is immers de zoon van Saul. Hij zal de beoogd troon-opvolger zijn. David is dus dé tegenstander. Maar daarvan blijkt niets.

* Hoe toont David aan dat zijn verdachtmaking tegen Saul terecht is?

Wie is de ware Messias en hoe zie je dat?

Saul vervolgt David. Zie de situatie: op het toneel ‘twee gezalf­den’. Twee koningen! Terecht de vraag: wie is de ware koning? Dat thema wordt bespeeld in 1 Samuël 24. Wie is de ware koning en waarom? In 1 Samuël26 blijkt dat nog een keer.

            De Bijbel is nogal spaarzaam met verhalen over vrouwen. Een pracht ver­haal - vergeet intussen niet dat al die verhalen gediend hebben, mede tot troost van de Ballingen in Babylon - is 1 Samuël 25, over Abigaïl. Haar man heet Nabal, dat betekent ‘sukkel, sufferd, dwaas’. Wat dat betekent kun je vermoeden uit Jesaja 32,5-7! Abigaïl blijkt het tegenovergestelde.

            Nog is David geen ‘koning van Jerusalem’. Nog is er geen Jerusalem. Waar wordt David tot koning uitgeroepen? (2Samuël 2)

Motieven van het koningschap van David

Bijzondere aandacht verdient 2Samuël 5. Diverse elementen komen terug. Nog is er geen sprake van Jerusalem. Voordat Jerusalem in het verhaal van God en de mensen een rol gaat spelen zal David eerst officieel tot koning worden uitgeroepen.

            Er wordt een nieuwe koning gecreëerd. Maar alle festiviteiten die je dan zou vermoeden - daar verteld te tekst niets over. Geen fanfares, geen militaire muziek, niets over een schitterend decor of prachtige gewaden, geen diploma­tieke vertegenwoordiging. Niets. Enkel een paar bijna sjofele woorden. Die zeggen waar het bij een bijbelse koning op aan komt. In een paar regels staat hier zo goed als alles.

            Waar gaat het om? Wat wil klinken en weerklinken? Wat gaat er om in het verhaal wanneer David koning wordt? De aanzet is al spannend. Je zou in die goede oude tijd iets van een staatsgreep kunnen verwachten, een greep naar de macht met een dictaat van een overwinnaar. Alweer: niets daarvan. Eerder het tegenovergestelde vindt plaats.

Het begint volstrekt democra­tisch. Als David definitief koning wordt gaat het er zeer democra­tisch aan toe. Toen kwamen al de stammen van Israël. Daar komen ze dan. Waar gaan ze heen? Naar Hebron. Nee, dat zegt de tekst juist niet. Ze gaan eerst naar David, maar naar het onderwerp van dit verhaal. Koning David wordt nog niet gezegd. David. Hij is het doel van hun komen. Daarom komen ze naar Hebron. Met die naam gaat de Tora weer open.

            Voor wie het weet boort Hebron een oude bron aan, een kiemcel van verhalen die bij het decor van dit stuk horen en die dit nu nieuwe verhaal tot zijn volle recht laten komen. Hebron maakt geschiedenis, omdat Abraham daar zijn Sara te ruste heeft gelegd. Hij heeft toen een stukje land gekocht, het eerste begin van het land, het begin van de ruimte die God aan zijn mensen geven zal. Voordat David van Bethlehem de koning van Jerusalem, iets meer naar het noorden, wordt, moet hij eerst naar Hebron, op de rand van de woestijn, met alle herinnering die daar bewaard wordt.

            Alle stammen komen naar David, naar Hebron. En dan? Ze zeggen iets. De stilte wordt verbroken door een korte toespraak. Ook die begint elementair, in basics. Zie, jouw vlees en gebeente zijn wij. Een tekst als uit het scheppingsverhaal. Het zijn de woorden van Adam als hij ‘zijn hulp hem tegenover’ ziet. Volstrekte nabijheid en vertrouwdheid van gelijken, aan elkaar gewaagd, evenbeeld. Alhoewel.

            Ze zeggen niet: Jij bent van ons vlees en gebeente. Ze draaien het om. Ze noemen zichzelf jouw vlees en gebeente. Riekt dat toch niet naar een soort big brother watching you. Die twijfel wordt ons gegund. Ze hoort bij het verhaal. We mogen die twijfel hebben, maar volgens het verhaal hebben alle stammen van Israël redenen om zo te spreken. Ze hebben immers al ervaring over David. Hij ging voor hen uit.

            Ze zeggen: Toen Saul koning over ons was, was jij het die ons deed uitgaan en jij bracht ons naar Israël. Weer wordt er geschiedenis aangedra­gen. Maar in hun verhaal moet ons het woord ‘uitgaan’ opvallen. Want uitgaan, uittrekken is het kernwoord in het centrale bijbelse verhaal over de bevrijding uit de slavernij in Egypte. Het uitgaan daar beoogt ook ‘te gaan naar het land Israël’, naar het land vrijheid en bevrijding.

            Maar als het over Exodus gaat, dan moet het toch over Mozes gaan die als een goede herder Gods kudde door het woeste land laat gaan? De tekst lijkt te wachten op die opmerking. De stammen, alle stammen zeggen: De Heer heeft tot jou gesproken. Jij zult herder zijn over mijn volk, over Israël. De vertaling zegt: Je zult prins zijn over Israël. Toch, zo gang­baar als die vertaling is, zo weinig kan het zeggen. Want prinsen komen nauwelijks verder dan sprookje. Het hebreeuws spreekt hier over Nagid, een verhevene, een verhoogde, een opgerichte die zelf zal oprichten. Niet ‘verheven boven’, maar ‘verheven om te’. Zo iemand zal koning David zijn, iemand die de gebukte opricht.

Verant­woordelijkheid

dragen, zo blijkt bij David, is mogelijk, omdat je verantwoordelijkheid krijgt. De anderen hebben de ervaring dat in jouw doen en laten het oude verhaal over vrijheid en bevrijding vlees en bloed wordt. Dat maakt je tot herder, dat vertelt tegelijkertijd wat je als herder te doen hebt, waaraan je herkend wordt. Een wellicht universele les. Vrijheid en bevrijding als teken van elkaars herders, elkaars hoeders zijn.

*Welke kernwoorden komen aan de orde als David gevraagd wordt koning te zijn?

Na dit verbond tussen David en de oudsten (2Samuël 5,3) waarin zij met hun vraag komen, blijkt David koning te zijn en ‘kon­ing van Jerusalem' te kunnen worden. 2Samuël 5,6.

            Jerusalem staat nog buiten Israël, hoort er nog niet bij. Jerusalem, de stad van de Jebusieten (Jozua 15,63. De stad is té sterk). De stad is zo sterk dat ‘blinden en lammen’[47] haar kunnen verdedigen. Dat verklaart Davids weerzin in 5,8.

            Jerusalem wordt pas echt de stad van de grote koning als de Ark van het Verbond[48] in Jerusalem komt. 2 Samuël6.

            Welke allure meet David zich bij die gelegenheid aan? Hoe tooit hij zich? (v. 14) Wat zegt Mikal, de dochter van Saul, nu a.h.w. het laatste stukje verleden aan David daarvan? (v. 20) [49]

            David en de Tempel (Nathan) is in het bovenstaande reeds aan de orde geweest.

De bekroning van David,

het Huis van David =  het Huis dat God hem geeft.

Salomo zal de Heer het huis bouwen. Eerder is daarover geschreven in deze tekst. Gebouwd wordt in vrede, zonder geweld. In een grootse plechtigheid neemt Salomo uiteindelijk de Tempel, het Huis van de Heer in gebruik. (Geef in een paar woorden enkele ‘kernen’.) Het geheim van de Tempel is en blijft dat God in het duister woont, onttrokken aan het zichtbare.

            Daarmee is in feite alles naar voren gehaald wat in de Bijbel gezegd wordt om het huis te bouwen. Maar de Tempel is als een lichaam, het kan sterven. Dat is het verhaal dat van nu af aan de Profeten blijven vertellen: Nooit kun je doen of je binnen bent. Niets van deze zaken is na­tuurlijk of vanzelfspre­kend.

De tempel & het onderwerp van het Evangelie I

Johannes

De eerste evangelist die zijn lezers vrijwel vanaf het begin wijst op de identificatie (minstens als mogelijkheid tussen de tempel en de messias of de tempel en de mens is Johannes. Direct al aan het begin spreekt het verhaal over Jezus in de Tempel (2,13-23). Daar staat wel dat Jezus op gaat naar het Heilig­dom. Er staat niet met zoveel woorden dat hij weg gaat. In plaats daarvan eindigt de episode met een tweeklank, een dis-sonant: vertrou­wen/wan­trouwen. Daarop volgt het gesprek in de nacht in Jerusalem. het is Pesach. De paasnacht met Jezus en Nicodemus.

            Wie echter ook maar een beetje gelezen heeft in het Evangelie volgens Johannes, die weet dat de Tempel impliciet reeds in Johannes 1,19 aan de orde is, nl. in priesters en Levieten. Priesters en Levieten zijn het tempelvolk bij uitstek. En met enige reflectie moet het ook mogelijk zijn, te begrijpen dat in 1,14 reeds over de Tempel gesproken wordt, al is dat in eerste instantie alleen te herkennen voor wie de grondtekst, het grieks leest. Daar staat eskènoo­sen en hémin: Hij tent in ons midden. (Skèné betekent tent.) De tekst let op die details. Wanneer Jezus ‘weggaat ... naar de streek dicht bij de woes­tijn  ... Ephraïm ... en daarop vertelt: en daar bleef hij te midden van de leerlingen, dan heeft die tekt het vermogen, te herinneren aan bijv. Numeri 2!

De tent

Speciale aandacht verdient het reeds genoemde 1,14. Te­nten, als werk­woord, is geenszins gangbaar Het won­en van het als vlees geschiedende woord[50] wordt tenten genoemd, terwijl er voor wonen ook gewone woorden bestaan. Blijkbaar moet dat tenten bij Johannes opvallen. Wat zou daar een verklaring voor kunnen bieden? Denk aan de verbondstent en de verhouding die in Johannes 2,19 wordt gelegd. Maar er is meer.

Pesach als context

In het Evangelie volgens Johannes wordt Jezus geïntrodu­ceerd als het Paaslam (1,29.36). Binnen datzelfde evangelie gaat het drie keer over Pasen[51] (2,13; 6,4; 12,1). In de andere evangeliën werkt dat anders. Zij spreken één keer over Pasen. In Mattheüs, Markus en Luk wordt Jezus in de Jordaan gedoopt, dan trekt hij rond door Galilea, Pasen is nabij en Jezus gaat op naar Jerusalem. Het lijkt er bij Johannes op, dat alles wat met Pesach te maken heeft extreem urgent, voortdurend actueel. Hij lijkt niet over de Messias te kunnen vertellen zonder Pesach. De beslissingen nu die leiden tot hét Paasfeest in het evangelie van Johannes worden genomen in Jerusalem, zelfs in de Tempel (Jo 5,14.18). Ze worden uitgebreid beargumenteerd en uitge­speeld, gespeld in Johannes 7-10. Deze vier hoofdstukken spelen zich af tijdens het Loofhuttenfeest[52], het feest van eind goed al goed.

Loofhuttenfeest

Johannes suggereert dat het niet aannemen Johannes 1,5.11) van degene die tent in ons midden   (Jo 1,14 letterlijk gelezen) zich tijdens het Loofhuttenfeest, het feest voleinding van de tijden afspeelt. Johannes noemt dat feest: Skènopègia, het Oprichten van de Tent. Het niet aannemen, het afbreken van de tent, voltrekt zich verbaal in Johannes 7-10.

            Johannes 7-10 spelen zich af in de Tempel, de Tent, tot en met in de zuilengang van Salomo (10,23) - tijdens het vernieu­wingsfeest. In het 7e hoofdstuk gaat Jezus naar Jerusalem, naar de tempel. Dat gebeurt nogal merkwaar­dig. Broers[53] dringen er op aan, dat Hij naar het feest, naar Judea moet gaan. Als zij dan opgaan naar het feest gaat ook Hij op. Het feest (Opgaan naar het feest) wordt niet genoemd. Johannes noemt wel het voorzetsel naar, zodat je als vanzelf, aan de woorden gewend, het feest invult.Maar nu merk je: naar de tempel. Wat moet dat betekenen? Wat moet Jezus in de tempel? EN HIJ LEERDE.

De Tora

Over wat hij leert wordt niets gezegd, wordt eigenlijk in het hele evangelie van Johannes niets gezegd. En bij Johannes kan dat ook niet. Het evangelie ver­trekt vanuit vanuit om te beginnen het woord en Mijn leer is niet van mij, maar van degene die mij gezon­den heeft (7,16). Dat het volgens Johannes gaat over het woord, het woord van de vader, hoeft niet uitgelegd te worden. Dat daarmee de Tora[54] wordt aangegeven evenmin.

 

Een mens

De leiders van het volk staan op het punt om Jezus te veroorde­len. Blijkbaar is dat reeds gebeurd in Johannes 5. Tij­dens het feest van de laatste oogst zegt Jezus (Johannes 7,24) dat men rech­tvaardig dient te oordele. Rechtvaardig, dat wil zeggen overeenkomstig de Tora. Nicodemus, ook een van de leiders van het volk, wijst er op, wat volgens de Tora een rechtvaardig oordeel is (7,50). Blijkbaar heeft hij in Johannes 3, tijdens de Paasnacht geleerd, de les van Pasen geleerd. Hij neemt op het einde van het evangelie (19,­40, vgl aannemen 1,12.16) het LICHAAM.

De tempel & het onderwerp van het evangelie II

In het Lukasevangelie zijn Jezus en de Tempel direct al vanaf het begin met elkaar verbonden. In Luk 1,9 wordt de Tempel al genoemd. Vanaf dat moment ligt de naam Jerusalem al op de lippen en voor het oprapen. Dan weet je Jerusalem, maar je hoort het niet. Waarom niet? Daarmee hebben we een zoekplaatje. Wanneer noemt Lukas Jerusalem voor het eerst bij haar naam?

            Lukas spreekt pas over Jerusalem wanneer de dagen van hun reiniging[55] overeenkomstig de Tora vervuld zijn brengen zij het kind naar Jerusalem om hem aan de Heer te presenteren overeenkomstig hetgeen ge­schreven staat in de Tora van de Heer naar de Tempel wordt gebracht om een offer te brengen overeenkomstig hetgeen in de Tora van de Heer geschreven staat (Lukas 2,22). Als eerstgeborene[56] wordt het kind in de tempel vrijgekocht. Hij, die eerstgeborene mag gaan (Zie Exodus 4,23). Waarom moet hij gaan? Om mij te dienen. Wat is dat dan voor dienst? Lukas geeft daar een ouderwetse en creatieve invulling aan: tot vrede (Lukas 2,29).

De tempel & het onderwerp van het evangelie, n-1

Zie naast elkaar Ezechiël 47 en Johannes 7,37 (geloven in mij zoals de Schrift zegt) met Johannes 19,28-30.34.

De tempel  het onderwerp van het evangelie, n

Zie Openbaring 21,22-22,5! (Vgl Johannes 10,33-38). Denk daarbij aan de werkomschrij­ving: Bij Johannes zijn de Joden degenen die in Jerusalem (Johannes 1,19) thuis zijn. Zie eventueel ook de prachtige omschrijving van Lukas in Handelingen 2,5.

Tenslotte

Zie Openbaring 1,10-13.

* Welke beelden schuiven hier over elkaar?

De stem is een licht.

* Welk licht? Welke plaats?

En dat licht is een mens.

* Welke mens?

Die ene, Alfa en Omega heeft ‘wat’ te zeggen? Uiteindelijk blijkt dat heel voor de hand liggend. Zie Openbaringen 22, 14.

*Welke beelden vind je daar bij?

nawoordje

Het heeft er de schijn van dat deze werk voorlopig nog niet af is. Vandaaruit moet je de "nummers" n-1 en n verstaan.

terug naar openingspagina de tempel en de messias

 

Inhoudsopgave

De tempel
Eerste verkenning
Verleden en tegenwoordige tijd
Een andere toegang zoeken
De Tempel in Jerusalem
Wie zoekt zal vinden
De Plaats
Mozes
Abraham & Melkitsedek
Melkitsedek
Het altaar en de stof die verzoening is
Everyman everywhere
Een synthese
Jerusalem, een samenvatting
Jerusalem, een verhouding
Voortgang I.
De tempel en de schepping
David, de tempel & het huis van David
Voortgang II.
Tempel en Lichaam - inleiding
Topografie
Sacraal en profaan
Het huis van de Heer
Een huis als een lichaam
De verwoesting van de Tempel
Het buitengebeuren, een weerspiegeling van het binnengebeuren
Samenvatting
Concentratie
Het gebed van Salomo
De synagoge: Ezechiël 11,15v en 22-25
De bijbelse boodschap
Nog enkele details

De Messias

Om te beginnen
De taal doet ertoe
Vorm en inhoud
Het komen
Het begin
De zoon van David
Gerechtigheid
Op een ezel
Over onderwijs geven - een zienswijze
Jezus Messias
De Messias
In de Tora
In de Profeten
Amalek
David
Wie is de ware Messias en hoe zie je dat?
Motieven van het koningschap van David
Verantwoordelijkheid
De bekroning van David
H
et Huis van David =  het Huis dat God hem geeft


De tempel & het onderwerp van het Evangelie I.
Johannes
De tent
Pesach als context
Loofhuttenfeest
De Tora
Een mens

De tempel & het onderwerp van het evangelie II
De tempel & het onderwerp van het evangelie, n-1.
De tempel  het onderwerp van het evangelie, n.
Tenslotte
Nawoordje

Herten-Roermond,
redactie: 25 september 2001.
Jan C.M.Engelen



[1] Van de Baal Sjem Tov (de ‘Meester van de Goede Naam’, een geliefde leraar van het chassidisme, een grote joodse vroom­heidsbeweging in Oost-Europa) is de beroemde uitspraak: ‘Ver­geten is Balling­schap, gedenken is bevrijding’. Misschien mag je zeggen:’Wie zonder verleden leeft kan zijn heden niet waarderen en weet niets van verwachting’, en ‘Als jij uit eigen ervaring weet wat bevrijding is, zul je dan voor anderen geen bevrijder willen zijn?’ Mensen helpen verder te gaan. Onderwijs zou daarvan een voorbeeld kunnen zijn.

[2] De laatste woorden roepen het scheppings­ver­haal op. Het scheppingsverhaal ziet de ander mens als schepsel Gods, als Gods beeld en gelijkenis. Je kunt dan niet meer met de ander doen wat je wilt.

[3] De Ark van het Verbond. Na het sluiten van het verbond aan de voet van de berg (Sinai) wordt daarin de Tora bewaart. Behalve de Tora bevindt zich in de Ark een kruik manna (God die brood geeft in de woestijn) en de bloeiende staf van Aäron, de broer van Mozes (Exodus 4,14vv en Numeri 17,5.8).

[4] Liturgie is kerkelijke eredienst. Het woord liturgie is grieks, afgeleid van: laos/volk, en turgien/onderhouden, in stand houden - denk bijv. aan een onderhoudsbeurt voor een auto. De liturgie heeft derhalve als functie: het volk volk te onderhouden, bijeen te houden. Het volk volk laten zijn. Hoe doet de liturgie dat? Dat gebeurt aan de hand van de geschiedenis van het volk. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. De geschiedenis, de ervaring is les, onderricht geworden. Zo is het woord Tora ontstaan: aanwijzing, ervarings-leer. Zie bijv. 2Kronieken 34,14vv., Nehemia 8. Jozua verzamelt het volk rond wat geschied is (Jozua 24). Zie zeker ook Jozua 8,31v. over het altaar als open boek. In de katholieke liturgie worden brood en wijn door het verhaal bepaalde elementen. Het verhaal maakt  hen die het horen tot ‘leerlingen aan de tafel’. Alles wat gezegd en gedaan wordt is herinnering, Tora.

[5] In deze tekst wordt het woord eredienst graag gebruikt. Daarachter gaat de opmerking schuil: Het Exodus-verhaal gaat  van herendienst naar ere­dienst - naar ‘tot je dienst!’.

* Wat is herendienst?

[6] Zie Deuteronomium 6,20 en Jozua 5.6! ¦ Welke rol hebben (waar?) kinde­ren?

[7] Kritisch is afgeleid van het Griekse krinein. Het betekent: onderscheiden, oordelen.

[8] Gezag berust op de overtuiging (gegroeid in de ervaring gedurende  het leerproces) van de leerling dat de leraar in staat is, iets uit te leggen. Daarom hoeft de leraar niet voortdurend uit te leggen. Hij of zij ‘zou het kunnen’. Gezag is een eigenschap of vertolkt het niveau van de communicatie. Zie het voortreffelijke boek van I.ABRAM, De Joodse traditie als permanent leren. Gezag is derhalve welhaast letterlijk: iets te zeggen hebben.

[9] Het is daarmee als met de uitroep/vraag/opmerking of het vermoeden, dat Jezus de Messias is. In de literatuur van de apostelen en evangelisten hoor je Jezus dat nooit met zoveel woorden zeggen. De leerlingen of het volk  spreken aldus hun vragen of vermoeden uit. Wie dit soort vragen stelt maakt zichzelf verant­woordelijk. Degene over Wie je dat zegt is daarmee - voor de goede verstaander - aan jou overgeleverd. Wie dat van mening is, de spreker van die woorden, bepaalt door haar/zijn woord/­daad de geloofwaardigheid van die uitspraak. Zo gezien is, gelet op de geschiedenis van de Kerk, het bestaan van de Kerk een wonder en verraadt dit haar diepe oorsprong.

[10] Uitgekozen, uitverkoren. Let op de betekenis. Uitverkoren wil niet zeggen ‘beter dan de ander’ zijn. Het betekent: een verantwoor­delijkheid méér hebben. Het is een verplichting.

[11] Zonder vader of moeder -, die worden in de Schrift niet genoemd. Daarmee is Melkitsedek iemand over wie je kunt denken als over Elia, de profeet die de zaak van God en het volk verdedigt tégen koning Achab. En je kunt bijbels gesproken ook denken aan Maria.

[12] Verzoening: het zoenoffer besloot de procedure welke iemand in bijbelse tijden te volgen had die iets onherstelbaars weer goed wilde maken. Het zoenoffer werd gebracht in de Tempel, op het altaar. Hoe? Het zoenoffer werd op dezelfde manier gebracht als het vrede-offer. Het vrede-offer werd gebracht door iemand die zijn ‘te-vrede-nheid’/geluk in de tempel wilde vieren. Niemand kon zien of het om een zoenoffer of een vredeoffer ging. Zeker de Tempel wilde niemand beschaamd doen staan. Dit ziet men als een uitwerking van het bijbelse Zesde Woord: Gij zult niet doden.

[13] Volgens de joodse traditie zijn er voor Israël 613 geboden. Dit getal is de som van 365 (dagen van het jaar) en 248. Het getal 248 is volgens dezelfde traditie het aantal beenderen waaruit het menselijk lichaam is samengesteld. Het zijn 248 positieve geboden, over wat je wel moet doen, en 365 negatieve. Zie B.Makk 23b. Bevestiging en onderricht. Kortom: Tora.

[14] Hoe komt Paulus aan die uitspraak? Daartoe moet je zien, hoe in Exodus 35,30-35 (vgl 1Koningen 7,14; Spreuken 3,19-20) waarin het gaat over het bouwen en inrichten van alles voor de Verbonds­tent, de woorden werken  en voltooien een rol spelen, precies zoals in Gen 2,1-4. Spreuken 3,9-10 is daar ook op gebaseerd. Paulus wekt de indruk daarvan te weten. 1Kor 3,16v. volgt op 1Kor 3,9: Gods akker, Gods bouwwerk zijn jullie ... de Tempel van God, en dat zijn jullie, is heilig.

[15] De dogmatische constitutie over de Openbaring van het Tweede Vaticaans Concillie, Dei Verbum (Het woord van God) citeert de uitspraak van Hieronymus Ignoratio enim Scripturarum ignoratio Christi est: Het niet kennen van de Schrif­ten is het niet kennen van Christus. Op dezelfde wijze moet men zeggen:’Wie de Schrift niet kent, kent de mens volgens de Schrif­ten niet. Zo komen we in de buurt van ­dat merkwaardige woord ‘openbaring’. Bijbels gesproken bevind je je dan altijd aan de voet van de berg.Sinaï, Tempel.

[16] Let op de rol van  woord ‘voltooien’ op het einde van het zeven-dagen-verhaal en bij het bouwen van de tempel.

[17] Apart zetten, onderscheiden, onderkennen, om tot zijn recht te laten komen.

[18] Ook de boeken Koningen maken deel uit van de Profeten.

[19] Profanus is ook samengesteld uit pro en fanun. Fanum is het nog niet heilige gebied, voor de (Romeinse) tempel. Later wordt het profanus tegenover consecratus, het niet gewijde tegenover het gewijde, het  heilige. Profaan heft een meer heilige context dan het woordgebruik doet voorkomen.

[20] Bijvoorbeeld: de zondag is een meer sacrale dag, de andere zes dagen zijn dan de dagen voor de wereld. Een verschijnsel als ervaringskatechese is dan ook begonnen vanuit de intuïtie: je moet leren ook op maandag te geloven. Wanneer je je nu realiseert dat God niet de kerk maar de wereld geschapen heeft, en dat de wereld(, het land, de aarde) de plaats voor de mens is (zoals de hemel de plaats voor God is - hemel en aarde dicht bij elkaar!) dan zou het wel eens zo kunnen zijn, dat het scheepje van de tijd zich toch in een ander vaarwater beweegt.

[21] Huis: grieks oikia; het bijv.naamwoord afgeleid van ‘Heer’, ‘heerlijk’, ‘'s Heren’ enz. is in het grieks ‘kyriakè’ (> kyrios - misschien ken je wel:’Kyrie eleïson’, Heer ontferm U). Het Huis van de Heer: Kyriakè oikia. Daarvan komt het woord Kerk vandaan.

[22] Vgl Johannes 2,22:’Breekt dit huis af en in drie dagen...’ Denk ook aan een tekst als: Heer, ik ben niet waardig dat gij tot mij komt.

[23] Dit citaat is te vinden in Mattheüs 20,28. Kan men dit citaat, een uitspraak over de mensenzoon, toepassen op de Tempel? Als Jerusalem is de Stad van de grote Koning (Mattheüs 5,35), hoe zal dan het huizen, het wonen van de koning plaats vinden? ‘Hoe richt je je ruimtelijk in als je koning bent? Als Jojakim ten koste van zijn arbeiders zijn paleis bouwt, krijgt hij van de profeet te horen:

            Wee hem - die zijn huis bouwt met òn-gerechtigheid, - zijn opperzalen met òn-recht; - die zijn naaste voor niets laat werken, -  hem zijn loon niet geeft; - die zegt: - Ik zal mij een groots huis bouwen - ruime opperzalen  - die daarin zijn vensters aanbrengt - en het bedekt met cederhout, - het bestrijkt (‘zalft’) met menie. - Ben jij een koning, - als je wedijvert met cederhout?

- Je vader, heeft hij niet gegeten en gedronken - en recht en gerechtigheid gedaan? (Jeremia 22,13-15)

            Cederhout verwijst naar de trots van de ceders van de Libanon (Jeremia 22,7.7 en 23). De gezalfde koning zalft’ zijn huis mooi met rode menie-kleur, terwijl hij recht en gerechtigheid moet doen, dat wil zeggen: ruimte en vrijheid scheppen voor de mens die in het nauw zit en geen plek heeft.’ K.Deurloo, B.Hemelsoet, Op bergen en dalen, Bijbelse geografie: de plaats waar geschreven staat, Baarn 1988, p.10.

 * Nu terug naar de vraag aan het begin van de noot. De aangehaalde tekst komt uit Mattheüs 20,28. Het gaat over de mensenzoon maar de tekst wordt hier toegepast op het Huis van de Koning. Is dit een geldig citaat? Hulp: zie eventueel de context, met name Mattheüs 20,21.

[24] In het hebreeuws wordt hiervoor het woord kabood gebruikt. In de regel geven vertalin­gen dit weer met het woord ‘heerlijkheid’. ‘Gewicht’, ‘zwaarte’ suggereert iets van ‘stevig­heid’, iets waar je op kunt leunen, wat betrouwbaar is. ‘Heerlijkheid’ is meer het ontzagwek­kende, afwezige, ijle, verhevene, zwevende - het imponerende dat verdwijnt en waarvan je ‘onder indruk komt’. In zoverre dergelijke ‘ontroering’ ook herkenbaar is als element van een verhouding tussen mensen, is dat functioneel, maar religieus kan fascinatie ook leiden tot verkramping en - voor de goede verstaander afgoderij of slavernij. Denk maar aan de grote systemen uit de geschiedenis bekend, die enkel onmondigheid heeft bevorderd. Waar onmondigheid troef is kan niemand zich verant-woord-en. Zie eventueel ook de tekst vòòr voetnoot 25:’... niet om gediend te worden, maar om te dienen!’ Denk ook aan de uitdrukking:’Tot uw dienst!’

[25] Zie ook het argument dat Abraham gebruikt om God te verplichten naar hem te luisteren. Gen 18,25: hoewel ik stof en as ben. ¦ Wat wordt over die armoede gezegd in Deuteronomium 5,29 en 29,3 of 4? Tenslotte: je begrijpt nu ook, dat ‘armen van geest’ niets te maken heeft met ‘de simpele zielen’.

[26] Let hierbij ook op het werkwoord: je gaat op naar de tempel, zoals je ook opgaat (uit Egypte) naar  het land.

[27] Zie bijv. Johannes  7,14. Daar hoeft niet geschreven te worden wat hij leert. Dan kan immers alleen maar Tora zijn! De vragen van Psalm 24 en het antwoord dat de verzen 4-6 daarop geven hoeft men daarbij niet te vergeten. Zie daarbij eventueel ook K.DEURLOO en B.HEMELSOET, Op bergen en dalen, Baarn 1988, p.140.

[28] In een werkomschrijving kun je dit als volgt aanduiden: "zolang heden als het lezen of het vertellen duurt."

[29] Een voorbeeld. Bij iedere praktische opleiding hoort praktijk. Je oefent dan een in echte of bijna echte situatie wat je wil leren. Je oefent je toekomstige vak uit alsof je dat al kunt. Je plant. Je probeert. Zaken gaan soms echter anders dan jij ze verwachtte. Je moet je planning dan bijstellen. Je improviseert. Maar die improvisatie (flexibel gedrag) is geen slag in de ruimte. In je intuïtieve aanpak zit eerder opgedane en nu eigen ervaring. Dat is programmatisch. "Spontaan" weet je dat, en hoe je het nu beter anders kunt doen, heb je een alternatief. Het is de kunst uit de alternatieve de beste te kiezen. Dan wordt, bijvoorbeeld je onderwijs, gedragen door creativiteit, blijft het min of meer oorspronkelijk.

[30] In meer theologische taal kun je zeggen: Wat in de Schrift verteld wordt is meer eschatologisch dan historisch, dus iets wat nog steeds moet gebeuren en waaraan wij, vandaag nog, dienen te beginnen’ (Renckens, a.w. p.43).

[31]Waarom bouwt David de Tempel niet? Omdat er door alle oorlogen die hij gevoerd heeft bloed aan zijn handen kleeft (1Kron 22,8). In de Midrasj is David zeer bedroefd. Waarom mag hij de Tempel niet bouwen? ‘De Heilige Hij zij geprezen zegt:’Als jij de Tempel bouwt, zie, hij zal staan en blijven en nooit verwoest worden!’ ‘Maar’, zegt David, ‘zo moet het toch zijn!’ De Heilige Hij zij gezegend antwoordt:’Het is mij geopenbaard en bekend, dat de kinderen van Israël zullen zondigen en dan zal ik het vuur van mijn woede koelen op de Tempel en haar verwoesten en alleen zo zullen de kinderen van Israël gered kunnen worden.’ Daarom heet de Tempel ook het huis van David (Psalm 30,1) en niet 'het huis van Salomo'. Midr.Tehil.62,4. M.a.w.: als David de Tempel gebouwd had, dan had God niet kunnen (laten) verwoesten en had Hij geen mogelijkheid gehad, Israël (vanuit de Ballingschap) te laten omkeren.

[32] Rabbi Meïr zegt:'Hoe kun je weten dat zelfs een heiden die zich bezighoudt met het bestuderen van de Tora, gelijk is aan de hogepriester? Er staat geschreven:'Je zult mijn inzettingen en verordeningen in acht nemen; ieder mens die dit doet zal daardoor leven'. Er staat de mens. Er staat niet priesters, Levieten of Israëlieten. Er staat de mens Dit leert dat zelfs een heiden die zich bezig houdt met het bestuderen van de Tora, gelijk is aan een hogepriester (BT AZ 3a).

[33] Abot R.Nathan IV,5.

[34] Wanneer het Christendom door de overwinning van Constantijn staatsgodsdienst wordt en daarmee geleidelijk aan de godsdienst van de meerderheid.

[35] Die dus niet over hen heen loopt, maar die hen het gaan en staan mogelijk maakt. Let even op Johannes 13,4 (kleren uit) en 13,7 (kleren aan). Je kunt - om het zo eens te zeggen, en nadenkend over wat de ‘eucharis­tie’ betekent - binnen dit verhaal zien wat het lichaam van Christus DOET.

[36]  ¦ Waarom deze eigenaardige typografische weergave?

[37] Waarom wordt hier het hebreeuwse woord voor ‘redding/be­vrijding’ aangegeven?

[38] ¦ Wat valt je op in de context van deze regel? Kun je vervolgens aangeven, welke rol de ‘Samari­taanse vrouw’ speelt? Bedenk daarbij, dat bijv. in Genesis twee personen naast of tegenover elkaar altijd staan van twee groepen naast/tegenover elkaar.

[39] De messias overkomt de geschiedenis van het volk. Zie eventueel Mt. 2,15 = Hos 11,1.

[40] Bij en de Geest van God zweefde boven de wateren - d.w.z. als verdienste voor de ommekeer die vergeleken wordt met water, want er staat geschreven: Stort je hart uit als water (Klaagliederen 2,19). Gen.R. 2,4. Er is een midrasj die zegt: niets is onttrokken aan God (Hij kan alles) behalve de ommekeer. God kan de mens niet verplichten tot ommekeer (berouw, inkeer, veranderen: het beter gaan doen). Dat kan de mens alleen zelf doen.

[41]Voor allen. Wijsgerig heet dat ‘universeel’ (staat tegenover particulier). In het grieks heet dat kat'holon. Daarvan is afgeleid: katholiek. Ook in de geloofsbelijdenis van kerken uit de Grieks en Russisch Orthodoxe Kerk en de Kerken van de Reformatie wordt gesproken, zoals in de R.K.Kerk over ‘Ik geloof in één, heilig, katholiek en apostolische kerk’. Deze tekst is geformuleerd op het Concilie van Nicea, bijeengeroepen door Keizer Constantijn.  (De eenheid van de Kerk is eigenlijk de echo van de eenheid van God. Zie Zecharja 14,9:’En de Heer zal koning zijn over heel de aarde; op die dag zal de Heer de enige zijn en zijn naam één’. Met die tekst sluit op Sjabbath de dienst in de synagoge.)

[42] Niet het lijden van de Messias geeft de doorslag, maar zijn getuige zijn. Het griekse woord voor getuige is martyr. Daar is het woord martelaar van afgeleid.

[43] ‘Le Messie, c'est Moi. Être Moi, c’est être Messie’ A.w.p.122.

[44]‘Dat’ duidt op een quasi objectief gegeven. Afgezien van alles is het dan een feit dat ... Deze quasi-objectiviteit kan hier niets betekenen. Zij is geen uitnodiging maar een verplichting, ziet af van wat mensen meemaken, voelen etc.

[45]De helderheid van `mijn' antwoord ontleendt zijn transparantie niet aan de geïnformeerdheid van `mijn' spreken maar aan het verstaan van degene die vraagt. Anders gezegd: de zin (frans: sens = zin, richting) van mijn spreken wordt niet veroorzaakt door de spreker maar door de toegesprokene.

[46]Voor meer informatie zie de betreffende hoofdstukken in J.C.M.Engelen, 1 Samuël 1-15, Kampen 1982.

[47] * Welk probleem vind je in Johannes 5 bij ‘de vijver aan de poort’? Welk probleem vind je als hij ‘voorbijgaat’ in Johannes 9. Wanneer je nu denkt over ‘de Messias’ als ‘de zoon van David’, wat herken je dan in het onderwerp van het Evangelie? 

[48]Zie boven, p.2.

[49]K.Deurloo e.a., De sjofele koning. Zie NoHa, p. 166ab, 237.

[50] Het als vlees geschiedende woord. Wat ruimer vertaald:’De Tora (het Woord van God) wordt een leven als dat van mensen, met alle kwetsbaarheid van dien.’ Het verhaal daarover is ook voor wie VAN­DAAG lezen wil te boek gesteld. Zie daartoe Johannes 20,30. Zodra iemand leest - bijbels gesproken is dat zoals tot ongeveer de uitvinding van de boekdrukkunst gangbaar was: hardop! - geeft hij/zij zijn/haar stem aan het verhaal en wordt het weer woord (dat om antwoord vraagt, antwoord in woord en daad - dabar).

[51] Omdat Johannes drie keer over Pasen spreekt heeft men in de traditie gemeend, dat Jezus drie keer het Paasfeest heeft meegemaakt. Daarvan is afgeleid, dat Zijn ‘Openbaar Leven’ als rondtrekkend prediker derhalve minstens drie ‘voorjaren’ groot is. Zo is de opvatting ontstaan, dat Jezus 2,5 à 3 jaar gepreekt heeft. Maar het zou ook anders kunnen zijn. Het zou ook kunnen, dat Johannes die als enige uitdrukkelijk over Jezus peinst in termen van ‘Paaslam’ niet over de Messias kan nadenken dan via het Paasfeest, het grondfeest van de Joodse en christelijke traditie.

[52] Dit is de enige plaats in het N.T. waar het Loofhuttenfeest genoemd wordt. Dit is het enige feest uit de joodse traditie uit de tijd van Jezus dat door het christendom niet overgenomen is. Zie NHa 150-153. Het is het feest van de Laatste Oogst, zeg maar:’De oogst tenslotte’, met in zich alles van het definitieve, het laatste oordeel.  Het feest dus ook van de ‘broederschap’. Daarmee begint Johannes 7. Maar dat feest is ook dubbelzinnig, denk aan de broederschap in Genesis: Kain en Abel, Jacob en Esau, en Jozef en de broeders.

[53] Altijd degenen die mee spreken wanneer je onze vader zegt.

[54] Nicodemus heeft in de Paasnacht in Jerusalem uiteraard iets geleerd. Iets, dat wil zeggen Tora. Dat kun je horen in Johannes 7,51: Onze Tora veroordeelt een mens niet, tenzij wanneer men hem kent en weet wat hij doet. Wat dat betekent zie je in Johannes 19,40. Jozef de leerling en Nicodemus, de leraar nemen daar het lichaam van Jezus.

[55] Trap bij het woord reinigen niet in de val die hier altijd open staat. De woorden rein en onrein beslissen over privé en gemeenschappelijk. Zelfs de beschreven pagina van de Tora-rol is onrein. Die is meer privé, ontrokken aan het gemeenschappelijke, voor de hand liggende, grijpbare.

[56] Zie Exodus13,1. het is een herinnering aan Exodus12,29-30. Die zoon zal horen Exodus13,8 = 12,26: het verhaal van Pesach. Zie ook Exodus13,13v.