De Messias

Om te beginnen

Hier zou op de eerste plaats bijeengezet moeten wor­den, wat de Joodse traditie naar voren brengt wanneer het over de Messias gaat. Dat is evenwel niet eenvoudig. Er is een groot probleem.

De taal doet ertoe

Het begrip Messias is sinds ongeveer de vierde eeuw[1] volstrekt exclusief geworden, mede door de griekse vertaling chrèstos en de latij­nse uitspraak christus. Er is, wanneer het even al te snel geschreven en gelezen kan worden, zo eenkennig geschreven over Jezus als de lang verwachte Messias, dat je soms de indruk krijgt, dat van de andere mensen en de verdere gang van de geschiedenis niets meer te verwachten is. Deze ‘vorm’ is volstrekt in strijd met de ‘inhoud’ van de bood­schap.

Vorm en inhoud  

Voor iemand die zich uiteindelijk te kennen geeft als degene die de voeten van zijn leerlingen wast[2] en die zijn leerlingen zendt zoals hij zelf gezonden is (Jo 20,21) kán de aanspraak op een dergelijk monopolie niet verwacht worden. Zijn exclusiviteit: wanneer het over zijn leerlingen gaat sluit Hij niemand uit.

Sinds het christendom een wereldbeweging is, moet de joodse gemeen­schap wel behoedzaam zijn met het leren over de Messias. Toch zijn er wel een paar zaken aan te geven.

Het komen

Het vertrouwen dat de Messias komt is kenmerkend voor het geLO­VEn[3] van Israël (Maïmoni­des). Daarom en daarin zijn Joden­dom en Messia­nis­me/Christendom in zekere zin identiek - zijn zij hetzelfde geworteld of dragen beiden elkaar. Het Evangelie volgens Johannes zegt:’De verlos­sing/bevrij­ding (Hosjoea[4]) is uit de Joden’(Johannes 4,22)[5]. Toch is er ten aan­zien van mensen en hun vermogen wanneer het gaat over bevrij­dend bezig zijn grote terughoudendheid. Men is in een geschie­denis van 3 of 4000 jaar behoorlijk zuinig in het aanwijzen van iemand als Messias. Uiteindelijk komt het alleen God zelf toe, vast te stellen wanneer de dagen vervuld zijn (Mattheüs 24,36). In elk evangelie gebeurt dit in het Verrijze­nisverhaal. Zie ook Handelingen 2,24. Voor Paulus, zie bijv. Romeinen 6,3-4.

Het begin

De stichting van de staat Israël is voor ‘velen’ een begin van de verlossing. Anderen evenwel (met name de ‘strikt orthodoxe’ groepen bijvoorbeeld uit de wijk Mea Sjeariem in Jerusalem) zien diezelfde staat meer als een ‘toe-eigening door mensen’ dan als ‘door God gegeven’.

De zoon van David

Algemeen wordt de Messias gezien als de zoon van David, een roos (rijsje> wat oprijst), scheut, loot (hbr nèser > Nazareth; Mattheüs 2,23) aan de wortel van Jesaja (zie Jesaja 11,1). Zoon van David: iemand in wiens daden David herkenbaar is (zoals in een kind van God iets van God herkenbaar is - een gave, een erkenning die tevens programmatisch is.) Zoon van David: dan moet hij een koning zijn die z'n volk op zal rich­ten.

Gerechtigheid

Hij zal gerechtigheid oprichten in het land (Jesaja 42,4). Dat kan geen eenvoudige zaak zijn. Het volledig ‘uitme­ten’ van de gerechtigheid betekent immers expliciet ook: het onrecht volledig voor het voetlicht brengen. Zo spreekt Jesaja 53,2-12 over de lijdende knecht des Heren[6]. Die tekst wordt gezien als een beschrij­ving van de Messias. Zo kom je het in de christelijke liturgie van de dagen van de Goede Week in de kerken tegen.

Op een ezel

Eenvoudig en bescheiden zal de Messias op een ezel Jerusalem binnen komen (Zecharja 9,9. Het loont trouwens zeer Zecharja geduldig te lezen). De vrede is kenmerkend voor het Koningschap van de Messias. Zie Jesaja 2,2-5.

De leraren van de joodse hebben zich regelmatig verzet tegen specula­ties over ‘wat ging er vooraf aan de schep­ping?’ Toch geeft Genesis Rabbah (I,4) een beroemde tekst.

            In het begin schept God. Zes zaken gaan vooraf aan de schepping van de wereld ... De Tora en de Troon van de Glorie zijn reeds geschapen. De Tora, want er is geschreven: De Heer heeft mij gemaakt als begin van zijn weg, voor de werken vanouds (Spreuken 8,22). De Troon van de glorie zoals geschreven staat: Uw Troon is van ouds gevestigd, enz ... (Psalm 93,2). De schepping van de Aartsvaders ... (Hosea 9,10) ... De schepping van Israël ... (Psalm 74,12) ... De schepping van de Tempel (Jeremia 17,12) en de Naam van de Messias. (Psalm 72,17). ... Rabbi Ahabah ben Rabbi Zeïra zegt: Omme­keer[7] ook ... (Psalm 90,2). [Een volgorde die te denken kan geven!]

Over onderwijs geven - een zienswijze

Het thema de Messias keert als thema in de bijbelse en na-bijbelse joodse literatuur steeds weer. Hetgeen daarvan­ hier aangege­ven is vormt niet meer dan een eerste begin. Hoever dit kan gaan is te zien in bijv. Textes Messia­niques, een uitgewerkte les over de Messias in de Talmoed door de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Leviticusinas (Diffi­cile Liberté, 1963, pp.83-131).

            In een van de teksten is men op zoek naar de naam van de Messias. Levinas stelt vast: er worden drie namen gegeven,. Waarom deze drie? Bij nader toezien blijkt het getal drie bepaald te worden doordat er drie groepen studenten zijn. Met een beroep op een bijbeltekst geeft elk van de drie groepen de naam van hun leraar als de naam van de Messias.

            Naar aanleiding daarvan merkt Levinas het volgende op. De relatie tussen leraar en leerling is in eerste instantie een intellectuele verhou­ding. Blijk­baar vertoont deze relatie alle rijkdom die kenmerkend is voor de Messias en de ontmoeting met Hem.

            De verhouding tussen leraar en leerling is uit op vrede, gerech­tig­heid, rechtvaardigheid. Tegelijkertijd is die verhouding gebaseerd op het opnemen voor de ander en betrokken­heid, het zich kunnen verplaatsen in, meemaken wat de ander meemaakt.

Waarheid is in het bijbels spraakgebruik een daad van genegenheid. Als deze waarheid, nl. dat de leraar een weerspiegeling is van wie de messias is,  er voor allen[8] is, zegt Levinas, dan is de Messias[9] niet meer anoniem. Om een lang verhaal kort te maken: Levinas zegt dat de messias niet een koning is die van buiten af zijn gezag op legt. Wie zijn verantwoordelijkheid voor de ander en de anderen op zich neemt, wie in de ware (zich ver-antwoorden-de) zin van het woord ik zegt, doet als de Messias.[10]

Het direct bovenstaande maakt opnieuw duidelijk, dat het niet-uitsluitende maar inclusieve kenmer­kend is voor dit raadselach­tige woord dat nog steeds te denken geeft. Als zo gezien de Messias in de Tempel komt ...

Jezus Messias

Het kan er hier niet om gaan, dat[11] Jezus de Messias is. Als Hij de Messias is - en dat leert de kerk - dan zal het er met name over gaan, hoe Hij dat is. In dat hoe, in het evange­lie zijn de leerlingen regelmatig betrokke­nen, mede tot partij ge­maakt. Zij stellend de vragen en vermoeden de antwoorden.

Voor de evangelisten is het hoe uitgangspunt. Het eerste antwoord op Hoe is Jezus de Messias? luidt - al dan niet met zoveel woorden ge­zegd, -  zoals geschreven staat. Zie Markus 1,1.

Markus 1,1, Zie ook de overeenkomst met Johannes 1,1: Om te beginnen het woord. Mattheüs vult zijn begin met namen, de kortst mogelijke samenvatting van alsmaar verhalen. Jezus Messias, zoon van David, zoon van Abraham. Als je die omschrijving met de boekrol in de handen volgt, dan moet je bij die woorden de boekrol van achteren naar voren, terugrollen.In het boek terug bladeren om te beginnen vanuit de ballingschap, vanuit Egypte, vanuit Genesis.

Als Jezus volgens de geschriften van het Nieuwe Testament de Messias is, dan kan dit primair alleen verteld en toege­licht worden op de wijze van het hoe. Dat hoe is: le­zen, leren in, en leven met de Schrift, het TESTAMEN­TUM (getui­genis) vanouds.

De moeilijkste vraag van een kind in de katechese blijkt de vraag: Wie is God? Een christen zou als antwoord kunnen proberen: De vader van Jezus Christus.  Je moet dan nog wel veel uitleggen, maar het begin is alvast begonnen. Het spreken wordt dan inclusief. Jij spreekt en je woorden krijgen hun helderheid[12] door de - dank zij hun vrijheid en eenvoud - dwingende vraag van het kind.

 

Alle uitspraken over het onderwerp van het Evangelie overstijgen het niveau van de mededeling. Wie ver­telt, levert over, staat in de lijn van de traditie (overleve­ring).

De Messias is niet iemand die het voor ons doet, maar iemand die het ons voor doet: Beeld van de onzichtba­re God, eerstgeborene van heel de schepping (Kol 1,15 Daarmee zijn we wellicht terug in Gen 1!).

De Messias

De Messias is een verbastering in het grieks van een he­breeuws woord, afgeleid van het werkwoord M-Sj-Ch. Dit bete­kent insmeren, bestrijken, zalven, meestal met olie. Zo lees je in Jesaja 21,5 een aansporing, om de (met leer bespannen houten) schilden in te smeren. Zie ook 2 Samuël1,21. Blijkbaar is het om te beginnen een heel huishoudelijk woord. Zie ook Jeremia  22,14; Exodus 29,2; Leviticus 2,4 en Genesis 31,13; Leviticus 8,11; maar ook Amos 6,6. Het wordt ook gebruikt voor Koningen, Priesters en Profeten (zie 1 Samuël10; 1 Samuël16,12; Exodus 29,8; 1 Kon 19,16, Jesaja 61,1).  In de regel evenwel is zalven de technische term voor het zalven van een koning. De gezalfde is de koning.

In de Tora

wordt omschreven, wie en hoe de koning moet zijn. Lees Deuteronomium 17,14-20. Het thema zal gaan spelen ‘wanneer je gekomen bent in het land dat de Heer je God je zal geven’.

*  Wie zal de koning zijn? (zie 17,15).
*  Wat zal de koning niet doen? (drie dingen).
*  Wat zal de koning wel doen? Wat moet hij daarmee? Waarom?
*  Kortom: welke gevaren worden op voorhand aangewezen m.b.t. de koning? Wat zal zijn richtsnoer zijn?

In de Profeten

Saul.

In de Profeten wordt beschreven hoe het tot de koning in Israël komt. Lees 1 Samuël 8.

*  Binnen welke context wordt de vraag om een koning actueel?
*  Hoe reageert Samuël op die vraag?
*  Hoe typeert Samuël 'koningen'?
*  Het leven van de koning wordt in 1 Samuël12 afhankelijk ge­maakt van het volk. Zie daartoe 1 Samuël 12,15. Kun je van hier­uit vermoeden wat er aan de hand is wanneer een koning tot slachtoffer wordt gemaakt?

Je begrijpt, waarom Saul min of meer in een klein hoekje van het verhaal gezalfd wordt (1 Samuël9,1 - 10,16) en waarom hij bij het pakgoed gevonden wordt (1 Samuël10,22). Tenslotte is er dan het ene verhaal over koning Saul: de bevrijder (1 Samuël11)[13]. Zie vooral v.13!

Amalek

Saul wordt hevig problematisch wanneer hij Agag spaart. Het verhaal is niet te begrijpen tenzij wanneer je weet wie Agag is en wat dat bete­kent.

a.  * Wie is Agag?
b.       * Wie/wat is Amalek? (Amalek wordt in de joodse Paasmaaltijd elk jaar opnieuw besproken. Na Egypte is hij blijkbaar de boze. Wie/hoe is de boze.) Exodus17 en Deuteronomium 25,17-19 vertellen over hem.

In de Tora blijkt Amalek aanwezig. Je vindt hem aan de overzijde van de Rode Zee. Amalek is een woestijn volk. Het weigert de net bevrijde slaven de door­gang. Ze moeten gewoon terug. Daarmee is Amalek anti-bevrijding, anti-emancipatorisch. Het zweert bij de bestaande (wan-) orde. Alles moet gewoon blijven zoals het is.

            Zie je, hoe Mozes op de berg zijn armen hoog houdt terwijl het volk onder leiding van Jozua  beneden vecht. Zolang Mozes de staf van God met zijn handen omhoog houdt gaat het goed. Als Mozes zijn staf hoog houdt, wat zie je dan? Wat steunt Mozes onderweg? Dat zou de Tora kunnen wezen. Waarom Jozua. ExR XXVI, 3 zegt: Mozes wilde hem oefenen voor de strijd, want hij, Jozua zou Israël binnen brengen in het land.

            In Deuteronomium 25 is Amalek degene die het volk in de woestijn in de rug aanvalt, in de achterhoede. Wie loopt achteraan? De zieken, de zwakken, de Ouden, de kinderen. Amalek is de laf­aard die zich sterk maakt ten koste van de zwakken. Iedere generatie kent volgens de rabbijnen zijn eigen Amalek. Zo is voor velen Nazi-Duitsland bij uitstek Amalek geweest.

Je begrijpt: Saul spaart Agag, hij solidariseert zich met dé tegenstander bij uitstek. Daarmee maakt hij zich tot anti-koning. Daarom is het hele verhaal over Saul kort samengevat: Opkomst en afgang van een koning. Een les voor ieder die koning (vgl king size, royaal) wil zijn - al is het maar over een paar vierkante meter: het is niet eenvoudig.

 David

Na het mislukken van Saul, het eerste experiment koning, probeert en illustreert de schrift het thema van het koning-zijn opnieuw aan David. Het begint al met de zalving.

* Waar zoeken Samuël en ‘boer Jesse’ in 1 Samuël 16 de gezalfde? Wie zien zij als bij uitstek geschikt?
* Waar is David te vinden? (Wie houdt zich in Exodus3 met hetzelfde ambt bezig? Hoe vindt je het in Johannes 10? Hoe vindt je het voor de ingang van onze IPABO en wat betekent dat even­tueel voor onderwijs?
* Wat is het eerste wapen van David? (1 Samuël16,16)
* David moet zijn broers gaan zoeken (1 Samuël 17,18). Wie houdt zich daar ook mee bezig (Gen 37,14.16)? Hoe kijken de broers tegen ‘dat kleine broertje’ aan dat hen te eten brengt (1 Samuël 17,28)?
* David blijkt het tegen Goliath op te willen nemen. Welke ‘handrei­king’ biedt Saul hem (17,38 - m.a.w. hoe kleedt Saul zijn ‘de Heer zal met je zijn’ in)?
* Wat doet David met het spreekwoord: Zoals de ouden zongen, piepen de jongen? Als hij de slinger neemt brengt hij welk spreekwoord in praktijk?
* 1 Samuël 17 heet traditioneel David en Goliath. Als je nu let op 17,55-58 - meestal wordt dit in de vertellingen overge­slagen, zie kinder­bijbels! - hoe zou je dit hoofdstuk dan moeten noemen?
* Wat betekent het als Mikal, de dochter van Saul, David tot vrouw gege­ven wordt?

Hoofdstuk 1 Samuël 20, David en Jonathan, is te mooi om over te slaan. Binnen het kader van verhalen over Saul die David achtervolgt.Het is wereldliteratuur: de klassieke tekst over vriend­schap met alle ingrediënten voor een koningsdrama. Jonathan is immers de zoon van Saul. Hij zal de beoogd troon-opvolger zijn. David is dus dé tegenstander. Maar daarvan blijkt niets.

* Hoe toont David aan dat zijn verdachtmaking tegen Saul terecht is?

Wie is de ware Messias en hoe zie je dat?

Saul vervolgt David. Zie de situatie: op het toneel ‘twee gezalf­den’. Twee koningen! Terecht de vraag: wie is de ware koning? Dat thema wordt bespeeld in 1 Samuël 24. Wie is de ware koning en waarom? In 1 Samuël26 blijkt dat nog een keer.

            De Bijbel is nogal spaarzaam met verhalen over vrouwen. Een pracht ver­haal - vergeet intussen niet dat al die verhalen gediend hebben, mede tot troost van de Ballingen in Babylon - is 1 Samuël 25, over Abigaïl. Haar man heet Nabal, dat betekent ‘sukkel, sufferd, dwaas’. Wat dat betekent kun je vermoeden uit Jesaja 32,5-7! Abigaïl blijkt het tegenovergestelde.

            Nog is David geen ‘koning van Jerusalem’. Nog is er geen Jerusalem. Waar wordt David tot koning uitgeroepen? (2Samuël 2)

Motieven van het koningschap van David

Bijzondere aandacht verdient 2Samuël 5. Diverse elementen komen terug. Nog is er geen sprake van Jerusalem. Voordat Jerusalem in het verhaal van God en de mensen een rol gaat spelen zal David eerst officieel tot koning worden uitgeroepen.

            Er wordt een nieuwe koning gecreëerd. Maar alle festiviteiten die je dan zou vermoeden - daar verteld te tekst niets over. Geen fanfares, geen militaire muziek, niets over een schitterend decor of prachtige gewaden, geen diploma­tieke vertegenwoordiging. Niets. Enkel een paar bijna sjofele woorden. Die zeggen waar het bij een bijbelse koning op aan komt. In een paar regels staat hier zo goed als alles.

            Waar gaat het om? Wat wil klinken en weerklinken? Wat gaat er om in het verhaal wanneer David koning wordt? De aanzet is al spannend. Je zou in die goede oude tijd iets van een staatsgreep kunnen verwachten, een greep naar de macht met een dictaat van een overwinnaar. Alweer: niets daarvan. Eerder het tegenovergestelde vindt plaats.

Het begint volstrekt democra­tisch. Als David definitief koning wordt gaat het er zeer democra­tisch aan toe. Toen kwamen al de stammen van Israël. Daar komen ze dan. Waar gaan ze heen? Naar Hebron. Nee, dat zegt de tekst juist niet. Ze gaan eerst naar David, maar naar het onderwerp van dit verhaal. Koning David wordt nog niet gezegd. David. Hij is het doel van hun komen. Daarom komen ze naar Hebron. Met die naam gaat de Tora weer open.

            Voor wie het weet boort Hebron een oude bron aan, een kiemcel van verhalen die bij het decor van dit stuk horen en die dit nu nieuwe verhaal tot zijn volle recht laten komen. Hebron maakt geschiedenis, omdat Abraham daar zijn Sara te ruste heeft gelegd. Hij heeft toen een stukje land gekocht, het eerste begin van het land, het begin van de ruimte die God aan zijn mensen geven zal. Voordat David van Bethlehem de koning van Jerusalem, iets meer naar het noorden, wordt, moet hij eerst naar Hebron, op de rand van de woestijn, met alle herinnering die daar bewaard wordt.

            Alle stammen komen naar David, naar Hebron. En dan? Ze zeggen iets. De stilte wordt verbroken door een korte toespraak. Ook die begint elementair, in basics. Zie, jouw vlees en gebeente zijn wij. Een tekst als uit het scheppingsverhaal. Het zijn de woorden van Adam als hij ‘zijn hulp hem tegenover’ ziet. Volstrekte nabijheid en vertrouwdheid van gelijken, aan elkaar gewaagd, evenbeeld. Alhoewel.

            Ze zeggen niet: Jij bent van ons vlees en gebeente. Ze draaien het om. Ze noemen zichzelf jouw vlees en gebeente. Riekt dat toch niet naar een soort big brother watching you. Die twijfel wordt ons gegund. Ze hoort bij het verhaal. We mogen die twijfel hebben, maar volgens het verhaal hebben alle stammen van Israël redenen om zo te spreken. Ze hebben immers al ervaring over David. Hij ging voor hen uit.

            Ze zeggen: Toen Saul koning over ons was, was jij het die ons deed uitgaan en jij bracht ons naar Israël. Weer wordt er geschiedenis aangedra­gen. Maar in hun verhaal moet ons het woord ‘uitgaan’ opvallen. Want uitgaan, uittrekken is het kernwoord in het centrale bijbelse verhaal over de bevrijding uit de slavernij in Egypte. Het uitgaan daar beoogt ook ‘te gaan naar het land Israël’, naar het land vrijheid en bevrijding.

            Maar als het over Exodus gaat, dan moet het toch over Mozes gaan die als een goede herder Gods kudde door het woeste land laat gaan? De tekst lijkt te wachten op die opmerking. De stammen, alle stammen zeggen: De Heer heeft tot jou gesproken. Jij zult herder zijn over mijn volk, over Israël. De vertaling zegt: Je zult prins zijn over Israël. Toch, zo gang­baar als die vertaling is, zo weinig kan het zeggen. Want prinsen komen nauwelijks verder dan sprookje. Het hebreeuws spreekt hier over Nagid, een verhevene, een verhoogde, een opgerichte die zelf zal oprichten. Niet ‘verheven boven’, maar ‘verheven om te’. Zo iemand zal koning David zijn, iemand die de gebukte opricht.

 

Verant­woordelijkheid

verantwoordelijkheid dragen, zo blijkt bij David, is mogelijk, omdat je verantwoordelijkheid krijgt. De anderen hebben de ervaring dat in jouw doen en laten het oude verhaal over vrijheid en bevrijding vlees en bloed wordt. Dat maakt je tot herder, dat vertelt tegelijkertijd wat je als herder te doen hebt, waaraan je herkend wordt. Een wellicht universele les. Vrijheid en bevrijding als teken van elkaars herder, elkaars hoeders zijn.

*Welke kernwoorden komen aan de orde als David gevraagd wordt koning te zijn?

Na dit verbond tussen David en de oudsten (2Samuël 5,3) waarin zij met hun vraag komen, blijkt David koning te zijn en ‘kon­ing van Jerusalem' te kunnen worden. 2Samuël 5,6.

            Jerusalem staat nog buiten Israël, hoort er nog niet bij. Jerusalem, de stad van de Jebusieten (Jozua 15,63. De stad is té sterk). De stad is zo sterk dat ‘blinden en lammen’[14] haar kunnen verdedigen. Dat verklaart Davids weerzin in 5,8.

            Jerusalem wordt pas echt de stad van de grote koning als de Ark van het Verbond[15] in Jerusalem komt. 2 Samuël6.

            Welke allure meet David zich bij die gelegenheid aan? Hoe tooit hij zich? (v. 14) Wat zegt Mikal, de dochter van Saul, nu a.h.w. het laatste stukje verleden aan David daarvan? (v. 20) [16]

            David en de Tempel (Nathan) is in het bovenstaande reeds aan de orde geweest.

 

De bekroning van David,

het Huis van David =  het Huis dat God hem geeft.

Salomo zal de Heer het huis bouwen. Eerder is daarover geschreven in deze tekst. Gebouwd wordt in vrede, zonder geweld. In een grootse plechtigheid neemt Salomo uiteindelijk de Tempel, het Huis van de Heer in gebruik. (Geef in een paar woorden enkele ‘kernen’.) Het geheim van de Tempel is en blijft dat God in het duister woont, onttrokken aan het zichtbare.

            Daarmee is in feite alles naar voren gehaald wat in de Bijbel gezegd wordt om het huis te bouwen. Maar de Tempel is als een lichaam, het kan sterven. Dat is het verhaal dat van nu af aan de Profeten blijven vertellen: Nooit kun je doen of je binnen bent. Niets van deze zaken is na­tuurlijk of vanzelfspre­kend.

 

De tempel & het onderwerp van het Evangelie I

Johannes

De eerste evangelist die zijn lezers vrijwel vanaf het begin wijst op de identificatie (minstens als mogelijkheid tussen de tempel en de messias of de tempel en de mens is Johannes. Direct al aan het begin spreekt het verhaal over Jezus in de Tempel (2,13-23). Daar staat wel dat Jezus op gaat naar het Heilig­dom. Er staat niet met zoveel woorden dat hij weg gaat. In plaats daarvan eindigt de episode met een tweeklank, een dis-sonant: vertrou­wen/wan­trouwen. Daarop volgt het gesprek in de nacht in Jerusalem. het is Pesach. De paasnacht met Jezus en Nicodemus.

            Wie echter ook maar een beetje gelezen heeft in het Evangelie volgens Johannes, die weet dat de Tempel impliciet reeds in Johannes 1,19 aan de orde is, nl. in priesters en Levieten. Priesters en Levieten zijn het tempelvolk bij uitstek. En met enige reflectie moet het ook mogelijk zijn, te begrijpen dat in 1,14 reeds over de Tempel gesproken wordt, al is dat in eerste instantie alleen te herkennen voor wie de grondtekst, het grieks leest. Daar staat eskènoo­sen en hémin: Hij tent in ons midden. (Skèné betekent tent.) De tekst let op die details. Wanneer Jezus ‘weggaat ... naar de streek dicht bij de woes­tijn  ... Ephraïm ... en daarop vertelt: en daar bleef hij te midden van de leerlingen, dan heeft die tekt het vermogen, te herinneren aan bijv. Numeri 2!

 

De tent

Speciale aandacht verdient het reeds genoemde 1,14. Tenten, als werk­woord, is geenszins gangbaar Het won­en van het als vlees geschiedende woord[17] wordt tenten genoemd, terwijl er voor wonen ook gewone woorden bestaan. Blijkbaar moet dat tenten bij Johannes opvallen. Wat zou daar een verklaring voor kunnen bieden? Denk aan de verbondstent en de verhouding die in Johannes 2,19 wordt gelegd. Maar er is meer.

 

Pesach als context

In het Evangelie volgens Johannes wordt Jezus geïntrodu­ceerd als het Paaslam (1,29.36). Binnen datzelfde evangelie gaat het drie keer over Pasen[18] (2,13; 6,4; 12,1). In de andere evangeliën werkt dat anders. Zij spreken één keer over Pasen. In Mattheüs, Markus en Luk wordt Jezus in de Jordaan gedoopt, dan trekt hij rond door Galilea, Pasen is nabij en Jezus gaat op naar Jerusalem. Het lijkt er bij Johannes op, dat alles wat met Pesach te maken heeft extreem urgent, voortdurend actueel. Hij lijkt niet over de Messias te kunnen vertellen zonder Pesach. De beslissingen nu die leiden tot hét Paasfeest in het evangelie van Johannes worden genomen in Jerusalem, zelfs in de Tempel (Jo 5,14.18). Ze worden uitgebreid beargumenteerd en uitge­speeld, gespeld in Johannes 7-10. Deze vier hoofdstukken spelen zich af tijdens het Loofhuttenfeest[19], het feest van eind goed al goed.

 

Loofhuttenfeest

Johannes suggereert dat het niet aannemen (Johannes 1,5.11) van degene die tent in ons midden   (Jo 1,14 letterlijk gelezen) zich tijdens het Loofhuttenfeest, het feest voleinding van de tijden afspeelt. Johannes noemt dat feest: Skènopègia, het Oprichten van de Tent. Het niet aannemen, het afbreken van de tent, voltrekt zich verbaal in Johannes 7-10.

            Johannes 7-10 spelen zich af in de Tempel, de Tent, tot en met in de zuilengang van Salomo (10,23) - tijdens het vernieu­wingsfeest. In het 7e hoofdstuk gaat Jezus naar Jerusalem, naar de tempel. Dat gebeurt nogal merkwaar­dig. Broers[20] dringen er op aan, dat Hij naar het feest, naar Judea moet gaan. Als zij dan opgaan naar het feest gaat ook Hij op. Het feest (Opgaan naar het feest) wordt niet genoemd. Johannes noemt wel het voorzetsel naar, zodat je als vanzelf, aan de woorden gewend, het feest invult.Maar nu merk je: naar de tempel. Wat moet dat betekenen? Wat moet Jezus in de tempel? EN HIJ LEERDE.

 

De Tora

Over wat hij leert wordt niets gezegd, wordt eigenlijk in het hele evangelie van Johannes niets gezegd. En bij Johannes kan dat ook niet. Het evangelie ver­trekt vanuit vanuit om te beginnen het woord en Mijn leer is niet van mij, maar van degene die mij gezon­den heeft (7,16). Dat het volgens Johannes gaat over het woord, het woord van de vader, hoeft niet uitgelegd te worden. Dat daarmee de Tora[21] wordt aangegeven evenmin.

 

 Een mens

De leiders van het volk staan op het punt om Jezus te veroorde­len. Blijkbaar is dat reeds gebeurd in Johannes 5. Tij­dens het feest van de laatste oogst zegt Jezus (Johannes 7,24) dat men rech­tvaardig dient te oordele. Rechtvaardig, dat wil zeggen overeenkomstig de Tora. Nicodemus, ook een van de leiders van het volk, wijst er op, wat volgens de Tora een rechtvaardig oordeel is (7,50). Blijkbaar heeft hij in Johannes 3, tijdens de Paasnacht geleerd, de les van Pasen geleerd. Hij neemt op het einde van het evangelie (19,40, vgl aannemen 1,12.16) het LICHAAM.

 

De tempel & het onderwerp van het evangelie II

In het Lukasevangelie zijn Jezus en de Tempel direct al vanaf het begin met elkaar verbonden. In Luk 1,9 wordt de Tempel al genoemd. Vanaf dat moment ligt de naam Jerusalem al op de lippen en voor het oprapen. Dan weet je Jerusalem, maar je hoort het niet. Waarom niet? Daarmee hebben we een zoekplaatje. Wanneer noemt Lukas Jerusalem voor het eerst bij haar naam?

            Lukas spreekt pas over Jerusalem wanneer de dagen van hun reiniging[22] overeenkomstig de Tora vervuld zijn. Dan brengen zij het kind naar Jerusalem om hem aan de Heer te presenteren overeenkomstig hetgeen ge­schreven staat in de Tora van de Heer (Lukas 2,22). Als eerstgeborene[23] wordt het kind in de tempel vrijgekocht. Laat nu o Heer uw dienaar gaaan! Hij, die eerstgeborene mag gaan (Zie Exodus 4,23). Waarom moet hij gaan? Om te dienen. Wat is dat dan voor dienst? Lukas geeft daar een ouderwetse en creatieve invulling aan: tot vrede (Lukas 2,29).

 

De tempel & het onderwerp van het evangelie, n-1

Zie naast elkaar Ezechiël 47 en Johannes 7,37 (geloven in mij zoals de Schrift zegt) met Johannes 19,28-30.34.

 

De tempel  het onderwerp van het evangelie, "n"

Zie Openbaring 21,22-22,5! (Vgl Johannes 10,33-38). Denk daarbij aan de werkomschrij­ving: Bij Johannes zijn de Joden degenen die in Jerusalem (Johannes 1,19) thuis zijn. Zie eventueel ook de prachtige omschrijving van Lukas in Handelingen 2,5.

 

Tenslotte

Zie Openbaring 1,10-13
.
* Welke beelden schuiven hier over elkaar?
De stem is een licht.
* Welk licht? Welke plaats?
En dat licht is een mens.
* Welke mens?
Die ene, Alfa en Omega heeft ‘wat’ te zeggen? Uiteindelijk blijkt dat heel voor de hand liggend. Zie Openbaringen 22, 14.
*Welke beelden vind je daar bij?

 

nawoordje

Het heeft er de schijn van dat deze werk voorlopig nog niet af is. Vandaaruit moet je de "nummers" n-1 en n verstaan.

Bij Alpha en Omega - aardig om te weten. Beresjiet barah elohiem eth hasjamaiem we-eeth ha-arets - om te beginnen Gos schept de hemelen en de aarde. In de hebreeuwse tekst lees je eeth ... we-eeth. Deze woorden worden niet vertaald. Ze duiden aan dat het volgende woord de rol van lijdend voorwerp heeft. "Om te beginnen God schept eeth. In het hebreeuws schrijf je dan aleph en tau. In het hebreeuwse alphabeth zijn dit de eerste en de laatste letter. In het grieks zouden dat de Alpha en Omega zijn. Om te beginnen: God schept A tot en met Z. Dus: alles.


 

Herten-Roermond,
redactie: 25 september 2001.
Jan C.M.Engelen



[1] Wanneer het Christendom door de overwinning van Constantijn staatsgodsdienst wordt en daarmee geleidelijk aan de godsdienst van de meerderheid.

[2] Die dus niet over hen heen loopt, maar die hen het gaan en staan mogelijk maakt. Let even op Johannes 13,4 (kleren uit) en 13,7 (kleren aan). Je kunt - om het zo eens te zeggen, en nadenkend over wat de ‘eucharis­tie’ betekent - binnen dit verhaal zien wat het lichaam van Christus DOET.

[3]  ¦ Waarom deze eigenaardige typografische weergave?

[4] Waarom wordt hier het hebreeuwse woord voor ‘redding/be­vrijding’ aangegeven?

[5] ¦ Wat valt je op in de context van deze regel? Kun je vervolgens aangeven, welke rol de ‘Samari­taanse vrouw’ speelt? Bedenk daarbij, dat bijv. in Genesis twee personen naast of tegenover elkaar altijd staan van twee groepen naast/tegenover elkaar.

[6] De messias overkomt de geschiedenis van het volk. Zie eventueel Mt. 2,15 = Hos 11,1.

[7] Bij en de Geest van God zweefde boven de wateren - d.w.z. als verdienste voor de ommekeer die vergeleken wordt met water, want er staat geschreven: Stort je hart uit als water (Klaagliederen 2,19). Gen.R. 2,4. Er is een midrasj die zegt: niets is onttrokken aan God (Hij kan alles) behalve de ommekeer. God kan de mens niet verplichten tot ommekeer (berouw, inkeer, veranderen: het beter gaan doen). Dat kan de mens alleen zelf doen.

[8]Voor allen. Wijsgerig heet dat ‘universeel’ (staat tegenover particulier). In het grieks heet dat kat'holon. Daarvan is afgeleid: katholiek. Ook in de geloofsbelijdenis van kerken uit de Grieks en Russisch Orthodoxe Kerk en de Kerken van de Reformatie wordt gesproken, zoals in de R.K.Kerk over ‘Ik geloof in één, heilig, katholiek en apostolische kerk’. Deze tekst is geformuleerd op het Concilie van Nicea, bijeengeroepen door Keizer Constantijn.  (De eenheid van de Kerk is eigenlijk de echo van de eenheid van God. Zie Zecharja 14,9:’En de Heer zal koning zijn over heel de aarde; op die dag zal de Heer de enige zijn en zijn naam één’. Met die tekst sluit op Sjabbath de dienst in de synagoge.)

[9] Niet het lijden van de Messias geeft de doorslag, maar zijn getuige zijn. Het griekse woord voor getuige is martyr. Daar is het woord martelaar van afgeleid.

[10] ‘Le Messie, c'est Moi. Être Moi, c’est être Messie’ A.w.p.122.

[11]‘Dat’ duidt op een quasi objectief gegeven. Afgezien van alles is het dan een feit dat ... Deze quasi-objectiviteit kan hier niets betekenen. Zij is geen uitnodiging maar een verplichting, ziet af van wat mensen meemaken, voelen etc.

[12]De helderheid van "mijn" antwoord ontleendt zijn transparantie niet aan de geïnformeerdheid van "mijn" spreken maar aan het verstaan van degene die vraagt. Anders gezegd: de zin (frans: sens = zin, richting) van mijn spreken wordt niet veroorzaakt door de spreker maar door de toegesprokene.

[13]Voor meer informatie zie de betreffende hoofdstukken in J.C.M.Engelen, 1 Samuël 1-15, Kampen 1982.

[14] * Welk probleem vind je in Johannes 5 bij ‘de vijver aan de poort’? Welk probleem vind je als hij ‘voorbijgaat’ in Johannes 9. Wanneer je nu denkt over ‘de Messias’ als ‘de zoon van David’, wat herken je dan in het onderwerp van het Evangelie? 

[15]Zie boven, p.2.

[16]K.Deurloo e.a., De sjofele koning. Zie NoHa, p. 166ab, 237.

[17] Het als vlees geschiedende woord. Wat ruimer vertaald:’De Tora (het Woord van God) wordt een leven als dat van mensen, met alle kwetsbaarheid van dien.’ Het verhaal daarover is ook voor wie VAN­DAAG lezen wil te boek gesteld. Zie daartoe Johannes 20,30. Zodra iemand leest - bijbels gesproken is dat zoals tot ongeveer de uitvinding van de boekdrukkunst gangbaar was: hardop! - geeft hij/zij zijn/haar stem aan het verhaal en wordt het weer woord (dat om antwoord vraagt, antwoord in woord en daad - dabar).

[18] Omdat Johannes drie keer over Pasen spreekt heeft men in de traditie gemeend, dat Jezus drie keer het Paasfeest heeft meegemaakt. Daarvan is afgeleid, dat Zijn ‘Openbaar Leven’ als rondtrekkend prediker derhalve minstens drie ‘voorjaren’ groot is. Zo is de opvatting ontstaan, dat Jezus 2,5 à 3 jaar gepreekt heeft. Maar het zou ook anders kunnen zijn. Het zou ook kunnen, dat Johannes die als enige uitdrukkelijk over Jezus peinst in termen van ‘Paaslam’ niet over de Messias kan nadenken dan via het Paasfeest, het grondfeest van de Joodse en christelijke traditie.

[19] Dit is de enige plaats in het N.T. waar het Loofhuttenfeest genoemd wordt. Dit is het enige feest uit de joodse traditie uit de tijd van Jezus dat door het christendom niet overgenomen is. Zie NHa 150-153. Het is het feest van de Laatste Oogst, zeg maar:’De oogst tenslotte’, met in zich alles van het definitieve, het laatste oordeel.  Het feest dus ook van de ‘broederschap’. Daarmee begint Johannes 7. Maar dat feest is ook dubbelzinnig, denk aan de broederschap in Genesis: Kain en Abel, Jacob en Esau, en Jozef en de broeders.

[20] Altijd degenen die mee spreken wanneer je onze vader zegt.

[21] Nicodemus heeft in de Paasnacht in Jerusalem uiteraard iets geleerd. Iets, dat wil zeggen Tora. Dat kun je horen in Johannes 7,51: Onze Tora veroordeelt een mens niet, tenzij wanneer men hem kent en weet wat hij doet. Wat dat betekent zie je in Johannes 19,40. Jozef de leerling en Nicodemus, de leraar nemen daar het lichaam van Jezus.

[22] Trap bij het woord reinigen niet in de val die hier altijd open staat. De woorden rein en onrein beslissen over privé en gemeenschappelijk. Zelfs de beschreven pagina van de Tora-rol is onrein. Die is meer privé, ontrokken aan het gemeenschappelijke, voor de hand liggende, grijpbare.

[23] Zie Exodus13,1. het is een herinnering aan Exodus12,29-30. Die zoon zal horen Exodus13,8, = 12,26: het verhaal van Pesach. Zie ook Exodus13,13v.