Christenen kennen de geloofbelijdenis.
Bij Joodse mensen bestaat zoiets niet. Ja ... maar, in het
Jodendom heb je toch ook een centrale tekst. Voor Joodse mensen zijn er toch
ook woorden die kenmerkend zijn, die identificeren?
Die zijn er. Die tekst heet het Sjema. Dat is
Deuteronomium 6,4 vv.
Drie maal per dag zeggen Joodse mensen die regels hardop. Het
is de tekst die de dag opent, overbrugt
en afsluit.
Sjema Jisraeel, Adonaj eloheinoe, Adonaj èchad
Hoor Israel, de Heer is onze God, de Heer is een.
In de hebreeuwse bijbel staat boven de laatste letter van het
eerste [:a:] en de laatste letter van het laatste woord [:d:] een extra accent,
een punt. Die twee letters vormen samen het hebreeuws een woord dat je uitspreekt
als [:eed:]. Het betekent getuige. Wie het sjema uitspreekt maakt zich tot
getuige van Gods koningschap, neemt
het juk van de geboden op zich.
Diezelfde letters zijn ook groot gedrukt. Waarom? De grote
Ain om ons te laten zien dat je niet moet lezen Sjin Mem Aleph dat misschien
betekent, maar Sjin Mem Ain: hoor. De grote Dalet om je er aan te doen denken
dat je niet moet lezen Alef Chet Resj (acher, de Resj en de Dalet verschillen
alleen in de scherpte van de hoek - rond of puntig - links boven) dat betekent
' ander' maar A
Het Sjema bestaat uit drie tekten die gelezen worden als bijeen horend : Deut 6,4-9; 11,13,21 en Num 15,37-41.
Een getuige heet in het grieks (de oudste taal van de christelijke
kerk) martyr. Daar is het woord martelaar van afgeleid. Een martelaar
is een (bloed-)getuige, iemand die heeft moeten lijden omwille van zijn geloof.
Ook Jezus kun je noemen een getuige van zijn geloof, een getuige van Gods
koningschap. Hij heiligt de naam van G-d door zijn leven.
De
gelovige die het sjema zegt sluit bij de eerste woorden zijn ogen, houdt zijn
rechterhand voor zijn ogen en zegt de tekst luid
© Jan Engelen, Herten, 2001