2. Katechese en verhalen

Katechese op de Hogeschool Ipabo biedt de student een handreiking om op verantwoorde en creatieve wijze om te gaan met het erfgoed van de katholieke tradities.
Binnen de katholieke gemeenschap worden kennis en inzicht in de bijbelse receptuur van het geloven wel gepraktiseerd maar nauwelijks geoefend. Het vermogen om te communiceren over het eigen geloven is in de regel eigenlijk niet ontwikkeld.
De opleiding katechese op de Hogeschool IPABO doet wat in katholieke kringen vrij uitzonderlijk is: zij biedt binnen het katholiek onderwijs in Nederland een basisvorming. Fundamentele elementen van de katholieke traditie worden daarin toegankelijk gemaakt voor mensen die op hun plaats en wijze (in het katholiek dan wel interconfessionele of oecumenisch basisonderwijs) verantwoordelijkheid gaan dragen voor leerprocessen in de randstedelijke samenleving.

Hoe draag je verantwoordelijkheid voor de katechese of godsdienst met een concrete groep op de basisschool? Je zult met ouders of verzorgers in gesprek moeten moeten kunnen gaan wanneer het over katechese dan wel godsdienstige of levensbeschouwelijke vorming of opvoeding gaat. Je zult met het team overleg moeten kunnen voeren over de aanpak en opzet van de katechese als onderdeel van het schoolwerkplan. En je zult ook moeten kunnen aangeven wat het voor een basisschool betekent om katholiek[1], interconfessioneel of oecumenisch te zijn. Welke moeilijkheden[2] brengt het komen uit die traditie (dat katholieke verleden) met zich mee, welke mogelijkheden[3]? Meer specifiek zul je zicht moeten hebben op de mogelijkheden en moeilijkheden van katechese voor de kinderen[4] van een basisschool aan het begin van het derde millennium. Al deze vragen klinken mee wanneer het gaat over zoiets als katechese op de basisschool.

In een werkomschrijving zou je kunnen stellen: voor de kinderen op de basisschool betekent katechese: a) Individuele vorming; b) Sociale vorming; c)  Kennis maken met de verhalen van katholieken of christenen. A & B zijn niet exclusief voor katechese op de basisschool. Ze komen in het basisonderwijs voortdurend aan de orde. Wie verdacht is op de ontwikkeling van deze vaardigheden ziet ze ook voortdurend aan de orde in de katechese. Op een of andere wijze brengen de verhalen ons meer uitdrukkelijk[5] op een spoor van de katechese.

‘De verhalen’

In de praktijk blijkt vaak iets van paniek wanneer je beweert: Een bijbelverhaal is niet een verhaaltje met een moraaltje.  Wat is het dan? Precies dat is de vraag. Wat is een bijbelverhaal? Waar is het op uit? Wat is de betekenis[6]? Wanneer het over verhalen gaat kan men drie richtingen aanwijzen: a) wat het verhaal te vertellen heeft: het verhaal; b) de toehoorder; c) de verteller.

Bij a) wat het verhaal te vertellen heeft: het verhaal.

Wanneer ik ongeoefend ben in het luisteren naar verhalen, bijvoorbeeld alleen vertrouwd met de short stories van de strip of de videoclip, dan zal ik alleen met moeite in een verhaal van wat langere adem komen. Concentratie is buiten eten en drinken om wanneer men honger of dorst heeft, niet natuurlijk, niet eenvoudig. Vertrouwen in de mogelijkheden van het vertellen of van het verhaal evenmin.

Verhalen[7] hebben het vermogen heel verschillende mensen bijeen te kunnen brengen. Wie niet van verhalen houdt blijft gevangen in het eigen verhaal. Er is niets anders.  Zonder verhalen[8] heb je geen boodschap aan het stof van onze dromen, aan de mogelijkheden van mensen, de kwetsbaarheid en gevoeligheid, aan het onvermoede perspectief ook. Verhalen verdubbelen mij op een merkwaardige wijze. Nooit val ik met mijzelf samen. In een verhaal heeft steeds een ander het woord. Lukt een verhaal, dan kom ik op verhaal. Het maakt mij tot getuige[9] van waar het vol van is. Het haalt mij erbij, maakt mij tot betrokkene. Het verhaal doet dat met volzinnen en woorden. Het heeft en is niets anders. De woorden zullen gewikt en gewogen moeten worden, tot in hun uithoeken en stille vermoeden. Wat brengen zij mee? Waar staan ze voor? En bovenal: hoe kunnen zij klinken? Oefen[10] de klank, de intonatie, de kleuren van je stem. Hoe passen de zinnen het best op je lippen wanneer jij het verhaal vertelt? Hoe komt de tekst voor dit gehoor tot zijn recht?

Bij b) de toehoorder.

De verteller maakt de toehoorder tot tijdgenoot van het verhaal. De luisteraar wordt meegenomen het verhaal in, krijgt de rollen van deze geschiedenis te spelen. Sympathie en antipathie, maar ook nieuwsgierigheid of het gevoel ‘dit is iets heel anders’ bepaalt hoe je instapt. In het verhaal kom je hetzelfde anders tegen. Onverwachte accenten, woorden, blijken mogelijkheden of vergrotingen. Zo verken je mogelijkheden voor het eigen, achteraf gezien steeds nauwelijks nog gekende, ik. Anderen vergaat het ook zo. Voor de toehoorder is het verhaal een uitstapje, een rondreis door of langs[11] waar je (nog) geen verhaal voor hebt, waar je geen deel van uitmaakt, waar woorden nog voor jou aan het licht moeten komen, waar je eerst proeven of proberen moet.

Buiten het verhaal om kun je niet vertellen wat het verhaal te vertellen heeft. Buiten het verhaal om heeft het verhaal geen tekst, geen verhaal[12].  Verhaal en verteller brengen de toehoorders bijeen, maken er zoiets als een volk[13] van. Iedereen maakt min of meer hetzelfde mee, ieder op zijn/haar eigen wijze, met haar/zijn eigen mogelijkheden en kwaliteiten. Verhalen kunnen mij woorden geven waar ik eerder sprakeloos[14] was.

Bij c) de verteller.      

De verteller gaat voor de toehoorders uit zoals het verhaal voor de verteller. Z/Hij moet heel de ruimte van de tekst verkennen, proeven[15]. Alles moet gedaan worden om de toehoorders in het verhaal binnen te laten komen en rond te laten kijken. Is Z/Hij geen geboren verteller, er kan op dit gebied veel geleerd worden. Behalve verteller kun je ook een geïnspireerde gids zijn. Je bent dan al eens binnen geweest, hebt ervaring met deze ruimte. Binnen de katechese mag de betekenis van die vertrouwdheid niet onderschat worden.

   De verteller draagt om te beginnen het gewicht van heel het verhaal. Wil of moet hij vertellen – tussen beiden kan best wel eens geen verschil zijn, zoals bijvoorbeeld bij de profeten[16] – dan is het verhaal zijn/haar opdracht. De verteller moet zichzelf tot een zo goed mogelijk instrument maken  Hij/zij moet alle akkoorden van het verhaal tot zijn/haar inzet maken. Alle geuren en kleuren van het verhaal moeten hun gang kunnen gaan, hun werk (als verhaal) doen in zijn/haar werk (vertellen). De verteller wordt zo lang het verhaal duurt, zijn of haar verhaal.

   Een verteller kan over deze kwaliteiten beschikken door zijn vertel- en verhaalervaring. Je moet eigenlijk zo vertrouwd zijn met het verhaal en met je toehoorders (een[17] van hen) dat je het publiek als een instrument kunt bespelen. Het luisteren (horen) van de toehoorders maakt de geoefende verteller tot verteller[18]. De akoestische ruimte opent, bepaalt de dimensies van het verhaal.

   Binnen de werkomschrijving voor katechese bepalen de verhalen de eigen optiek. Typerend voor de katechese zijn ‘de verhalen’. Welke verhalen?

   Met de verhalen wordt bedoeld: de verhalen[19] waarmee katholieken of christenen zich in de loop van de geschiedenis bezig houden. Christenen zijn mensen die met verhalen leven, verhalen over en verhalen van. Welke verhalen dragen dit? Welke verhalen illustratief zijn gebleken voor christenen[20] kun je lezen in teksten en afbeeldingen[21], horen in het theater, op de podia en op menig wit doek of grijs scherm. Zinsneden daaruit kom je tegen in het Nederlands en in heel de westerse literatuur. De bron van die verhalen wordt wekelijks en dagelijks vertolkt in en rond synagogen en kerken. Het is de bijbelse literatuur[22].

Interpreteren

Tussen de regels door traceren verhalen uit de bijbelse literatuur voor ieder die aan een half woord voldoende heeft, hoe wij[23] met elkaar, met onze wereld en met onszelf omgaan. Verhalen zetten sporen uit – latente elementen. Als poëzie, verbeelding of vermoeden spreken zij het onbewaakte van het aanvoelen aan. Het spoor is een bijproduct, een toegift, zo maar, herkenbaar in mensen en verhalen.  Mensen en verhalen bewaren[24] de tijd, levend en duurzaam.

Bijbelse literatuur brengt de verhalen terug tot elementaire vormen. Zij doet dit vanuit haar eigen kwaliteit. Zij kan dat ook, omdat elk verhaal alle verhalen veronderstelt. Een bijbelverhaal komt nooit alleen. Het brengt altijd andere verhalen met[25] zich mee, voorafgaande en volgende, of waar het aan doet denken. Nooit is er niets meer te vertellen. Altijd: “De volgende keer meer.” Daarom verliest een bijbelverhaal zich niet in psychologische of sociologische contexten. Het is gemakkelijk herhaalbaar, als een ritueel. Het reikt een basis aan, herkenbaarheid.

   Het verhaal deconstrueert de complexe structuren van menselijke verhoudingen en geeft er een zekere eenvoud aan. Leerprocessen gericht op herkenning, maken het geheel van de bijbelse literatuur in delen[26] toegankelijk. Zo wordt door het werk van de verteller herkenning en vereenzelviging[27], identificatie mogelijk. Identificatie brengt mij bij de tijd van het verhaal om mij daarna (als nieuw) terug te laten komen bij mij zelf.

   Bijbelse literatuur kan als iedere literatuur, vindplaats van mensen worden. Mensen en menselijkheid, herkenbaarheid, mededeelbaar maar ook kunnen zwijgen of besluiten niets te zeggen. Verantwoordelijkheid of verantwoordelijkheid mogelijk makend respect. Het is nogal wat, mens zijn op een aarde[28] van zoveel verhalen, onder de hemel[29]  van al die verhalen[30].

Voor-waarden

Basisplan 2000, het leerplan katechese en katechetiek op de Ipabo, veronderstelt dat je wilt leren werken met verhalen. Steeds weer als voor het eerst moet je leren kijken naar de wereld om je heen, naar de kinderen voor je. Je moet zelf kunnen luisteren naar wat je verhaal te vertellen heeft. Dat is een creatief proces. Het kost energie en tijd. Het verhaal moet voor jou een echt verhaal worden. Je moet in staat zijn met je toehoorders mee te luisteren naar jouw verhaal. Het basisplan gaat ervan uit, dat je dat al een beetje kunt en dat je dat ook aan het leren bent. Dat je de mogelijkheden van je stem verkent, de diepte en de hoogte, de volheid en het fluisteren. Ook de methodiek van een vakgebied als drama op de Hogeschool Ipabo zal je zeker helpen, de verteller in je aan te spreken. Het zou wel eens kunnen dat vertellen de grondvorm van de samenleving is, de basis en de inhoud derhalve ook van het onderwijzen. Is vertellen of luisteren niet een praktische en pragmatische invulling van gastvrijheid[31]!

   Het basisplan gaat er ook van uit dat je ervaring hebt met kinderen tussen vier en twaalf jaar op de basisschool en dat je je verder ontwikkelt in het als leerkracht van een basisschool omgaan met kinderen van die leeftijd. In het begin speel je dat. De kinderen zeggen ook ‘juf’ of ‘meester’ tegen je. Daarna probeer je het, verken je je mogelijkheden en doe je het, je kwaliteiten en repertoire uitbreidend. En van proberen ga je naar plannen, anticiperen op, kiezen uit mogelijkheden, reflecteren op je ervaring, evalueren en leren van je ervaring en van de vraag en het aanbod dat kinderen zijn.

   Het basisplan gaat er van uit, dat jíj bezig bent met wat jíj nodig hebt voor je ontwikkeling als onderwijsgevende op een basisschool. Alles wat daarbij komt kijken en wat jij nodig hebt. Je moet verder ontwikkelen waar je goed in bent. Ook moet je actief gaan ontwikkelen waar je moeite mee hebt. Je moet leren je eigen creativiteit in te zetten in je als onderwijsgevende omgaan met kinderen. Dat alles veronderstelt dit basisplan.

   Aan alle ontwikkelde en te ontwikkelen kwaliteiten voegt dit leerplan toe. Er komt een boek bij, een oud, heilig, eindeloos gespeld en nog steeds niet of nauwelijks gelezen boek. Daarbij moet je heilig verstaan naar de betekenis die dit woord binnen de cultuur van het boek heeft. Het is afgeleid van het werkwoord heiligen. Heiligen is een werkwoord. Het betekent: apart stellen, onderscheiden, onderkennen, laten wegen, tot zijn recht te laten komen. Je begrijpt: in het bijbels hebreeuws is eigenlijk ieder mens heilig. Daarom moet je er alles aan doen om een goed onderwijsgevende te worden.

   Er komt een Boek bij. Dat zal moeten open gaan. Het zal laten zien wat het inzake humaniteit, het missen en het verlangen te vertellen heeft.

voortzetting opgemaakte tekst
voortzetting printtekst


[1]

Een basisschool binnen een kleine gemeenschap op het platteland zal de kenmerken van die gemeenschap ook als school laten zien. Toch zal ook die school terdege beseffen dat de greep van de media de positie van die school binnen de cultuur en daarmee de cultuur en het programma van de school verandert. Ook deze school zal in de bepaling van haar onderwijs en opvoeding in toenemende mate dienen om te kunnen gaan met verschillen. Op een stadsschool of een school binnen een verstedelijkte kultuur zullen de kenmerken van die pluriformiteit ook binnen de school en in de katechese zichtbaar zijn.

Wanneer vandaag een school zich open wil stellen voor kinderen en ouders uit andere, minder vertrouwde culturen, dan mogen bestuur en team zich realiseren, dat het verhaal van Abraham bijvoorbeeld, niet toevallig te kenmerken is als een verhaal waarin gastvrijheid in alle opzichten een rol van doorslaggevende betekenis speelt. Daarmee hoeft de identiteit van die school niet ontkend of gerelativeerd te worden. Misschien zal zij zich anders presenteren.

De aanwezigheid van anderen maakt de vraag naar het eigene urgent. Waaruit blijkt dat? Wat kan en wil de school als katholieke, interconfessionele of oecumenische school voor kinderen en hun ouders betekenen? 

[2]

Denk aan het steeds te verwerken verleden. Denk ook aan vermeende autoriteiten die zich met vermeend gezag op vermeende waarheid beriepen om hun vermeende onderdanen te verplichten – zij, de autoriteiten, meenden daartoe het recht, ja, omwille van het belang van de hen toevertrouwden zelfs de plicht te hebben – ‘hun’ volk te verplichten tot hun vermeende, vaak in ieder geval religieus begrepen waarheid. Had het gezag niet het alleen-vertonings-recht wanneer het over de belangrijke dingen des levens ging? Denk buiten de psychologische contexten ook aan de gang van de geschiedenis van Europa (in en buiten Europees grondgebied). Rond het jaar 2000 realiseert de kerk zich dat haar geschiedenis niet enkel zegen is. De vraag na al die jaren is: hebben wij als kerk van dat verleden geleerd? Wat doen we met wat onze geschiedenis ons leert?

[3]

Hoe te duiden dat de Messias een heel ander verhaal is? Hoe laat je zien dat het, wanneer God koning is niet gaat over het obligate miskennen en klein houden van mensen? Hoe kun je uitleggen waar vrede voor staat? Wat betekent het dat de mens geschapen is, of geroepen? Hoe kun je zorgen delen, samen verantwoordelijkheid dragen en vieren over de grenzen van het vergeten of ‘uit je dak gaan’ heen?

[4]

Dit onderwerp (wanneer het over de Messias gaat, waarover gaat het dan?) klemt. Velen kunnen niet meer horen, welke roep er van het evangelie uit gaat. Waarom kunnen zij dat niet horen? De kwaliteit van de kerkelijke verhoudingen - het kerkelijke verleden speelt daarin een dramatische rol - is in deze bepalend. Het komt buiten de sfeer thuis en op school maar zelden voor, dat kinderen een milieu kunnen vinden waarin zij iets kunnen horen over waar de verhalen vol van zijn. Ouders willen best hun kinderen iets over deze dingen laten leren, maar zij weten niet wat. Dat is hun ook nooit geleerd.

De rol van de katholieke school aan het begin van het derde millennium is voor de kerk (volgens Vaticanum II ‘Gods volk onderweg’) belangrijker dan bijvoorbeeld een halve eeuw geleden. Of een nieuw kerugma, nieuw naar vorm, maar wellicht ook nieuw naar inhoud, een kans van slagen biedt of mogelijk is? Dat zal bepaald worden door de vraag, of de kerk meer  te bieden heeft dan zijn problematische zelf. Kan het bijvoorbeeld zichtbaar worden, dat mensen er niet enkel toe dienen dan ‘om toegesproken te worden’?

Met kerugma wordt verkondiging bedoeld. Kerugma is het antwoord op de vraag: waar gaat het eigenlijk over? Wat wil er verteld worden? Waar is het verhaal ‘van al zo hoge van al zo veer’ op uit? Kerugma leidt tot koinonia, gemeenschap, en nodigt uit tot diakonia, dienst. Deze drie kerntaken worden weergegeven met een grieks woord. Grieks is de taal van het zogenoemde Nieuwe Testament – het getuigenis opnieuw van het aloude verbond.

Kerugma, koinonia en diakonia zijn de drie traditionele taken van de kerk. Deze oude woorden zeggen: wanneer mensen er zijn voor elkaar, wanneer zij een beetje het gevoel hebben, bij elkaar thuis te zijn, dan ontstaat verbondenheid in de praktijk. Een woord als ‘dienst’ gaat over zoiets eenvoudigs als tot je dienst. Gemeenschap (koinonia) en dienst (diakonia) zoals dat zichtbaar wordt in een school kan men verstaan als het uitproberen van wat het betekent om een katholieke, christelijke school te zijn. Nergens buiten de Europese cultuur wordt de uitoefening van je werk etymologisch in verband gebracht met het werkwoord roepen, alsof je beroep een roeping is.

[5]

De term meer uitdrukkelijk is hier weloverwogen gekozen. Individuele en sociale vorming in de katechese zijn niet secundair of bijkomstig. Goede woorden – woorden/verhalen die ruimte bieden, die een begin mogelijk maken – boeken resultaat voor mensen en kinderen, individueel en als gemeenschap. Individuele en sociale vorming kan men, in het spoor van de verhalen, impliciete katechese noemen. De ander respecteren kan men kwalificeren als een humane en als een religieuze kwaliteit. Het menselijke en het religieuze leggen elkaar uit, leunen tegen elkaar aan, ondersteunen elkaar.

  Misschien proberen de verhalen een gehoor te creëren waarin mensen er mogen zijn, mensen, in alle personen van het persoonlijk voornaamwoord. Door het woord horen kom je bijbels gesproken in literair en cultuurhistorisch opmerkelijk gezelschap. Zie Deut 6,4.

[6]

Betekenis van een verhaal, betekenis van woorden. ‘Wat is de betekenis van een woord? Een woord is inderdaad een teken. Maar waarvan? Van een concept (‘begrip’), een voorstelling in ons brein, volgens De Sausure. Maar dat verplaatst eenvoudig het probleem. Is dat woord/concept ‘talig’ of is het ‘buitentalig’.  … De enige uitweg is de verwerping van het begrip ‘betekenis’ in de zin die de theorie daaraan gaf … Wanneer een taal een systeem is, dan hoeven we het systeem niet te verlaten; wij kunnen dat trouwens niet eens. Het is voldoende de plaats van ieder element te bepalen ten opzichte van de andere elementen. Waar het om gaat zijn zaken als opposities, identificaties, verbindingen, associaties binnen een taal en in het bijzonder binnen een tekst. … Hoe functioneert een woord/begrip te midden van andere woorden/begrippen. Hoe verbindt de taal het met andere woorden/begrippen.’ Rochus Zuurmond, De vertaler als theoloog en hermeneut, in Interpretatie, 7, maart(1999)pp. 14v.   

[7] Denk hierbij niet alleen aan het verhaal als vertelling, maar ook aan bijv. film.

[8] …  vertelling … een kunst van het spreken… Michel de Certeau, L’invention du quotidien I, Arts de faire, Nouv. Éd., Gallimard 1990, folio essais 146, p. 124.

[9]

In feite is dit de struktuur van bijvoorbeeld de eucharistieviering. Het basisverhaal is steeds: Jezus, die avond voor zijn lijden en dood. Hij neemt het brood en de beker en reikt dat zijn leerlingen aan. Hij zegt hen iets. In het verlengde van dat verhaal is de liturgie een heilig rollenspel. De aanwezigen gaan mee het verhaal in, worden (de) leerlingen. Studenten op de Ipabo speelden het in een open opdracht met de volgende woorden. Wanneer je een beetje begrepen hebt waar het mij om begonnen is, neem dan dit brood, deel het met mij en met elkaar en doe ook zo. Dit is mijn bestaan. Hier ben ik. Neem en eet … en drink.

[10]

Beperk je in het begin vooral tot de eerste regels. Lees die bijvoorbeeld met accenten op steeds weer een ander woord. Zo maak je het verhaal los van je eerste indruk. Kijk eens onder het woord vertellen in het register van ‘Het geschenk van de woestijn. R.Deen, Fr. Houtzager, Een geschenk van de woestijn, Amsterdam: Echelon 1995.

[11]

Wanneer kinderen voor het eerst van hun leven in Parijs zijn geweest ... Nog lange tijd, en eigenlijk van nu af aan voor altijd, is Parijs Parijs! geworden. Alsof die stad iets eigens kan zijn, iets vertrouwds.

[12]

Buiten het schilderij heeft de schilder niets om te laten zien, niets gemaakt. Buiten de muziek is er van dit te vertolken opus geen noot te horen. Iemand vroeg Beethoven wat een sonate betekende. Beethoven ging zitten en begon opnieuw te spelen.

[13]

Binnen dit spoor kan men vele richtingen uitgaan. Enkele daarvan worden hier aangereikt.

a. Het Joodse volk met zijn feesten en verhalen. ‘Wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd’ wordt elk jaar met de viering van Pesach, het paasfeest, zo actueel als deze dag. De slavernij is een verzamelnaam voor het lot, mensen aangedaan die nog steeds nauwelijks, bijna niet, zelf kunnen leven omdat anderen vinden dat ze moeten bukken, krom staan, lasten dragen. Het exodusverhaal en het ongedesemde brood (matses) maakt de deelnemers aan de seideravond (de avond van het paasverhaal) tot mensen die bevrijd, verlost worden. Wat dat ook moge betekenen, steeds is het hoe dan ook een beetje concreet, zeker die avond. Al was het maar door een beetje oog voor elkaar te hebben en de ander er te laten zijn. Als je een ander een beetje de ruimte geeft, doe je als God in het verhaal van bevrijding en schepping. In het gedrag van mensen van vandaag blijkt dat oude verhaal springlevend, zo goed als nieuw, meer dan een flard herinnering.

b. Binnen het ritueel, de cultuur, is elk gebaar vaak een verhaal, een knooppunt en verzameling betekenissen. Het zijn steeds weer mogelijkheden om te vragen of om uitleg te geven als daar vraag naar is. Heel die struktuur van verhalen is onbewust of sluimerend. Steeds kan zij herkend worden, actueel blijken, nog meer betekenis blijken te hebben dan je eerst dacht, nog weer meer genuanceerd te zijn, nog rijker, voller, veelbelovender.

  Zo gezien geeft het verleden het apparaat om het heden en dat wat komend is te kunnen verstaan en blijken de eerdere ervaringen nog fundamenteler en veelzeggender. Ook: hoe goed ‘goed’ eigenlijk is moet je vandaag ontdekken. De ervaring van gisteren was gisteren, dat is voorbij. Het is niet meer. Vandaag is alles nieuw – als ik er bij ben in ieder geval voor mij.

c. Ook de beeldtaal (denk aan reclame) is de taal van een kort, duidelijk en compleet verhaal. Onopgemerkt, verborgen, doet zij in stilte haar werk. Zij spreekt alsof ze je eigen taal is, je eigen stem, je eigen, moeilijke, verlangen. Suggestief, liefst voorkritisch, geeft zij zich. Je hebt wat aangeprezen wordt nodig. Je hebt er toch ook recht op.

d. Liturgie: laos/volk, [:toergein:]/onderhouden. Het volk oefenen in volk-zijn. De term liturgie duidt in de regel de kerkdienst aan, de kerkelijke eredienst.

e. Volk: hierbij moet je denken aan steeds concrete groepen. Dat kan een klas zijn, een dorp, een kerk, een gemeente, een fanclub, een politieke beweging. Duidelijk is, dat hier ook de minderheids- en meerderheidscultuur bij hoort. Ook bewegingen als:’Weg met …’ of ‘Du bist nichts, dein Volk ist alles’ – nazitaal. Binnen die groepen kan de kritische instantie belangrijk zijn. Daarom is het permanente leren zo belangrijk.

f. Denk aan de mogelijkheid van een verhaal als motivatie. Een verhaal kan kinderen de last van de dag gemakkelijk laten opnemen, motiveren voor het schoolse werk.

[14]

Bijvoorbeeld in de katechese, over de God van die verhalen en over zijn mensen.

[15]

Let op. Het verhaal is ook: het verhaal als ruimte, het verhaal als tijd. Het verhaal geeft mij een ruimte die ik buiten het verhaal om niet zou kennen. Zo ook de tijd. Wellicht is op deze manier ha olaam habah (de komende wereld, de wereld van de messias, van de vrede) soms ook nu al deel van deze wereld. Daarover gaat het sjebeth achiem gam jachad van Psalm 133, als broers en zussen ook één te zijn – bij wijze van spreken steeds. 

[16]

Uitleg van de Tora.

[17]

Met Kerstmis bijvoorbeeld wordt het verhaal van die ene het verhaal van allen. Is het vrijblijvend, de vrede enkele uren te laten duren?  Is het vrijblijvend, of een wonder?

[18]

Ook een goed ‘les’ in de ‘praktijk’ is het gevolg van de samenwerking van student en groep. Wanneer je als praktijkbegeleider zegt, dat het een goede les was, dan zegt menig student onmiddellijk: ‘De kinderen deden ook zo goed mee!’

[19]

Verhalen zijn vertellingen. Ook de geschreven teksten (bijbel, rol, later boek) zijn alleen geschreven met het oog op de vertolking, het voorlezen, reciteren. Maar zo je wilt: ook gewoonten, gebaren, gebruiken, rituelen en afbeeldingen, zelfs woorden zijn vertellingen. Je kunt vragen naar de bedoeling ervan, de betekenis, oorsprong of zin. Een heel verhaal zal je tot antwoord (verantwoording) dienen.

Een kleuterboek dat de waarde van verhalen goed illustreert is het boekje van Leo Leonni, Het muisje Frederik.

[20]

Het woord christen wordt hier bedoeld in de zin van leerlingen van de Messias. Messias is de Griekse verbastering (opgenomen in het Nederlands taalgebruik) van het Hebreeuwse M’sjiach. Het is een technische term. Hij betekent: Gezalfde. Daarmee wordt de koning bedoeld. Het hebreeuwse M’sjiach wordt in het Grieks vertaald met Chrèstos. In het Latijn is dat Christus geworden.

[21]

In beelden en beeldjes, in fresco’s, schilderingen, glas-in-lood ramen, in gebouwen, mozaïeken, tapijten en in lichaamstaal.

[22]

Wanneer je voor je gevoel te weinig van bijbelverhalen weet: het is niet moeilijk dit tekort in eerste instantie bij te werken. Neem ‘Woord voor Woord’ (K.Eijkman) of ‘Dromen van vrede’ (Bouwhuis, Evenhuis). Wie wil kan zich daarna verder oriënteren. Nog zijn er (mensen? boeken?) die de wereld van deze cultuur kunnen openen.

[23]

Dit is een democratisch meervoud. Wie zich betrokken voelt mag meedoen. Open.

[24]

Zij bewaren wat gebeurd is en gebeurt. Verhalen sterven niet zolang iemand zich herinnert. Zij maken het verleden en de verwachting, tot bestand van het heden. Het duidelijkst zie je dat bij feesten. Met Kerstmis wordt Jezus geboren. Vanuit dit korte verhaal kun je reflecteren over zoiets als een begin. Wat is het dragende beginsel van dit begin? Waar komt de aanspraak vandaan? Wat is de oorsprong van de betekenis? Waar is zij op uit? Waar wil zij ons hebben?

[25]

Bijvoorbeeld: Jezus gaat naar Jerusalem. Bij zo’n verhaal willen steeds andere verhalen over Jezus en over Jerusalem mee verteld worden. Wie is dat, die Jezus? Wat is dat, Jerusalem? Hoe en waarom zou je naar Jerusalem gaan? Jerusalem staat bekend als de plaats waar iemand vraagt: Vriend, waartoe ben je gekomen? Het is ook de plaats waar stenen (tafelen) kunnen spreken. Zoveel verhalen. Bijvoorbeeld over David die naar Jerusalem gaat. Of over Abraham die volgens de traditie naar de berg Moria, dat is Jerusalem gaat (zie 2 Kronieken 3,1). Het verhaal Jezus gaat naar Jerusalem draagt dus ook verhalen aan over de Tempel in Jerusalem. Dus ook over Salomo, de zoon van David. Dat om te beginnen klinkt allemaal mee wanneer Matheus schrijft: ‘Boek over de genesis van Jezus Messias, zoon van David, zoon van Abraham’ (Mattheüs 1,1).

  Moet dat allemaal aan kinderen verteld worden? Waarom moeten? Wat moet doe je vanzelf zolang het duurt. Maar deze verhalen mogen verteld worden zolang er vertellers en hoorders zijn. Verhalen brengen je op het spoor van mensen en wat hen tot leven strekt. Alles wat nog verborgen is komt in verhalen aan het licht. In talen en tasten, proberen, verstaan en delen. De verteller moeten kunnen vertellen. Daarom moet z/hij ook een vermoeden hebben van de competentie van de verhalen en van een zekere volgorde. Je kunt niet alle verhalen tegelijk vertellen. Het aanreiken gebeurt op basis van een te verantwoorden selectie. Zo zijn kinder- of anderszins sterk vereenvoudigde bijbels ontstaan.

De verhalen beogen mensen en kinderen, Ze maken ons verleden groter dan alleen de eigen herinneringen. Zo lang het goede verhaal duurt, zo lang kunnen wij, vertellers en toehoorders in dit goede verhaal geloven.

[26]

Het geheel van de Bijbelse Literatuur bestaat waarschijnlijk niet. Nooit is het geheel present, representeer- of totaliseerbaar. Daarom wordt het steeds in delen aangeboden. Deconstructie is ook constructie. Al die verhalen horen bij elkaar, met hun verbindingen. De procedure lijkt gecompliceerd maar is het niet. Denk bijvoorbeeld aan: hoe leer je een stad kennen? Amsterdam bijvoorbeeld. Dat zal toch ook gaan via Monopolie (Kalverstraat, Leidse straat), Schoppenaas (de Beurs van Berlage of Haarlemmer Poort), de televisie op 4 Mei en menig bericht in de media. Ook de duiven op de Dam en Rembrandt onverstoorbaar op zijn plein, met of zonder mensen op de terrassen: dat alle hoort daar bij. En dan hebben we het nog niet eens gehad over het Leidse Plein, de Oude Kerk of Anne Frank voor de Wester, of de Jan Tooropstraat.

Binnen het steeds amorfe geheel (Amsterdam bijvoorbeeld) worden namen genoemd, plaatsen aangewezen, verhalen verkend en herinneringen opgehaald. Het geheel wordt steeds concreter, groter. En alles wat wie dan ook herkent, beschrijft die stad, dat boek, en geeft impliciet ook autobiografische connotaties aan van de toegesprokene of de verteller. Dat autobiografische is ook relevant voor anderen, want het speelt zich af voor het aangezicht van de anderen. Iedere betrokkene is steeds concreet betrokken. Al die verhalen kunnen verteld worden. Kunnen. Het moet niet. Amsterdam is steeds groter dan alle verhalen.

[27]

Denk aan identificatie en imitatie. Deze struktuur gaat terug tot bijv. Gen 1: beeld en gelijkenis. Dat wil zeggen om te doen als. Het is de struktuur die eigen is aan ieder goed verhaal. De presentatie neemt je mee, maakt je tot deelgenoot. Bij de joodse paasviering bijvoorbeeld vertelt degene die de maaltijd leidt over slavernij en bevrijding. Hij moet echt vertellen. Dat wil zeggen: hij moet er iets uit zijn eigen ervaring bij doen, dat voor hem slavernij en bevrijding concreet, persoonlijk beleefd maakt. De gasten aan de paastafel eten van de maror (het bittere kruid) en de charoseth (het zoete bijgerecht van appel, rozijnen, honing en kaneel dat door zijn kleur doet denken aan de klei waar de slaven tichelstenen van moesten maken) en luisteren naar het aloude exodus-verhaal. Ze komen met vragen, suggesties, associaties of matigen de ernst van het gesprek met een geintje. Ontspanning maakt spanning mogelijk.

  Allen aan tafel kunnen zich verplaatsen in de ervaring van de verteller. Door zich te identificeren met de verteller, identificeer je je met zijn verhaal.Zo wordt het verhaal over bevrijding jouw verhaal. Na de paasmaaltijd weet je uit eigen ervaring: wij waren slaven in Egypte en hij heeft ons bevrijd.

(Iedere generatie moet zichzelf beschouwen als bevrijd uit de slavernij – opnieuw, nu van omhoog, uit verhalen geboren. Vgl bijv. Jo 3. Nicodemus begrijpt niet hoe dat kan, opnieuw geboren worden. Hij moet leren dat je van omhoog, uit de verhalen geboren kunt worden.)

[28]

De ‘aarde’ is de plaats van de mens, de plaats waar de mens mens kan, moet en zal zijn, hopelijk ook is. Dit gaat zo ver, dat soms de aarde ook synoniem is voor ‘de mens’.

[29]

De hemel is minder betwist. De hemel – steeds in verhalen - is ‘de plaats van God’. Je begrijpt: waar God de dienst uit maakt is alles goed geregeld. Zo is de hemel blauwdruk, plan voor de aarde. Let wel! Voor ‘ons’ gevoel liggen hemel en aarde zeer ver uit elkaar. Voor de bijbelse vertellers zijn zij elkaars buren, horen zij vanaf Genesis 1, het zeven dagen verhaal, dank zij Gods scheppen bijeen als het eerste paar, de eerste vertolking van het geheim dat het verbond is.

[30]

Het hoeft geen betoog dat ook daarmee een bijbelverhaal begonnen is. Genesis 1 bijvoorbeeld, de aanhef over het verbond tussen hemel en aarde, vertolkt in woorden die men weer kan geven met parafrasen als: ‘wanneer God begint met zijn scheppen…’ Maar voordat je je de vrijheid van die omschrijving aandurft zul je iets moeten weten van de hoed en de rand, zul je je een beetje thuis moeten weten in de marge van bijbelse literatuur. Behalve de streepjes die jij daar gezet hebt is die altijd wit.

[31]

Bij gastvrijheid zijn de rollen en afspraken duidelijk. De onderwijsgevende is de gastheer of gastvrouw. Let wel: ook een groet is een verhaal, lijst het gebeuren hier en nu in, vertolkt het, legt het uit, doet het plaats vinden. Over verhalen gesproken: Abraham is echt Abraham in het verhaal over de gastvrijheid. Abraham wordt genoemd: de vader van de gelovigen.