Lucas 15 - een les op 8 mei 2002,

alkmaar, V23,
hier en daar een beetje uitgewerkt.

printversie

 

deze tekst van Jan Engelen

is een eerste versie, een voorlopige publikatie

14 mei 2002

het verloren schaap

het verloren muntje

de verloren zoon

Naar Jerusalem - intro

Het verhaal van Lucas, is op weg naar Jerusalem. In Lucas 9,51 zet Jezus zijn zinnen, zijn aangezicht, op die stad. Het reisverhaal over Jezus, van Jordaan naar Jerusalem. is het verhaal over zijn leven. Het moge duidelijk zijn dat we met Jerusalem niet het vakgebied van de aardrijkskunde betreden. Jerusalem bij Lucas, vanaf Lucas 1,4 [i] in de tekst verborgen, is de stad waar alle beslissingen omtrent Jezus genomen zullen worden. Daar staat het huis van de vader. Jerusalem is de stad van de exodus (Lukas 9,31) van jezus, de stad ook waar je “Abraham, Isaak en Jacob zult zien, en al de profeten” (13,28). In Jerusalem zullen oost en west, noord en zuid samen komen om maaltijd te houden, om exodus te vieren – waar God koning is. Jerusalem, Jerusalem, Jerusalem. Zoals Ben Hemelsoet niet kon laten op te merken: Lucas heeft het zo geschreven dat de naam van Jerusalem drie keer klinkt – één grote interpretatieve ruimte wordt. Eersten worden daar laatsten. Binnen dan wel buiten zijn hier volop aan de orde.

Jezus markeert blijkbaar een andere grens dan die welke gangbaar wordt geacht. Hij brengt een andere grens aan, forceert die omwille van Gods koningschap. Dat is het verhaal van Lukas.

Al lezend ben je op weg naar overbekende verhalen uit het evangelisch repertoire dat vijftig jaar geleden deel uitmaakte van de bekende bijbelverhalen voor katholieken. Die verhalen gaven ons elementaire kennis over hoe het geleid had tot en hoe het gegaan was met Jezus, en spoorden ons voortdurend aan om spijt te hebben over onze zonden en ons te bekeren. Zo hebben we het evangelie aan ons dienstbaar gemaakt. Uiteindelijk ging het evangelie over ons. De zondagse preek had in de regel tot onderwerp “jullie!”. Kun je dan anders met bijbelverhalen omgaan. Zijn zij nog steeds een te goed, credit aan ons gegeven? Alleen lezen, wikkend en wegend in het spoor van de woorden voor ons uit kun je daarop komen, op de toonhoogten van deze tekst, op waar deze tekst op uit is. Het is te proberen.

 

Dat een tekst wel eens niet samen kan vallen met mijn spreken, dat een tekst de taal van een ander kan zijn of zou kunnen talen naar zijn eigen verhaal … bestaat dat? Moet je afzien van jezelf als resultaat van een verleden om te zien wat er gebeurt wanneer je in de buurt van het onderwerp van het evangelie komt? Hoe kan dat bestaan? We worden terugverwezen naar Abraham:

Wie oren heeft om te horen, die hore! (Lukas 14,35) Is er dan iets te horen. Zoiets als iets dan wel niets bestaat dat wanneer je al lezend dichterbij komt om te horen? Tegen de achtergrond van die vraag begint Lukas 15.

 

 

lucas 15

15, 1 Al de tollenaars nu en de zondaars zijn gewoon naar hem te komen om naar hem te horen. 2 En de Farizeeën en de schriftgeleerden morren. Ze zeggen: Deze ontvangt zondaars en eet met hen. 3 En hij spreekt deze gelijkenis tot hen. Hij zegt

 

Lucas maakt er in het voorafgaande van het verhaal geen geheim van gemaakt. Het zal gaan over een maaltijd, over brood. Gelukkig ben je wanneer je het brood van Gods koningschap zult eten. Jezus en die bíj hem hóren vinden elkaar rond het brood.

 

Al de tollenaars nu en de zondaars blijken bij Lucas een gewoonte ontwikkeld te hebben. Ze komen naar hem. En ze komen met een welbepaald doel. Ze komen om naar hem te horen. Wie is hij? Het ligt voor de hand om te zeggen: Jezus! Maar zo wil Lucas het niet zeggen. Hij, dat moet degene zijn naar wie de uitgestotenen komen, de zwarte schapen, de outsiders. Maar hun komen laat zien wie er achter blijven, buiten blijven staan. De toegewijde vromen en de vrome geleerden, o zo vertrouwd met wat en hoe er geschreven staat. Zij, de harde kern, ontpoppen zich als het volk dat van uittocht en woestijn niet meer weten wil. Murmureren of morren is sinds Exodus 15,24 woestijntaal, volkstaal. Niet meer verder willen. Had ons maar thuis gelaten. Waarom mogen  wij van jou niet thuis sterven en moeten wij zo nodig in de woestijn begraven worden! Murmureren, een refrein, altijd weer het oude liedje als het nieuw en dus moeilijk wordt.

 

Tollenaars en zondaars hebben geen naam meer op te houden. Eigenlijk hebben zij niets meer te verliezen, door iedereen besmuikt en afgeschreven. Zij komen naar hem om te horen terwijl de goegemeente op afstand blijft voor het nobele werk van de heilige verontwaardiging, enkel om ongenoegen te vertolken: hij eet met hen!

Wie is hij? Goede vraag. Daar wil wat wie wij Lucas noemen precies over vertellen, een evangelie lang.

Hij spreekt. Daar vertelt het verhaal over. Over iemand die spreekt. Het is een spreken heeft een welbepaalde kwaliteit. De verteller noemt het een gelijkenis. Hij dwingt mij iets te denken dat is als[ii]. Beroep wordt gedaan op mijn vermogen om te vergelijken, om met elkaar in verband te brengen, om zelf een samenhang te zien en zó, áls de tollenaars en zondaars of mét hen, te komen om naar hem te horen en tóe te treden tot de kring van wie van hem nog iets verwacht – iets – begrip misschien, of woorden die wat betekenen mogen?

 

Wie van jullie …? De toehoorder die om te horen komt, hoort dat hij of zij in het enkelvoud aangesproken wordt. Volgens deze spreker in het Lukas-evangelie blijkt ieder van ons zich te kunnen identificeren met iemand die honderd schapen heeft. Je ziet het mobiele wol golven over de heuvels waar het zand opkrult in zich voortdurend ontfermen over de obligate aarde die nog iets te bieden heeft, voor schapen die zich bukken.

 

4 Wie van jullie, die honderd schapen heeft en er een van verliest, laat niet de negenennegentig in de wildernis achter en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het vindt? 5 En als hij het vindt. Hij tilt op met blijdschap, op zijn schouders, 6 en thuisgekomen roept hij zijn vrienden en buren samen en hij zegt hen: Verblijdt je samen mij, want ik heb gevonden, mijn schaap dat verloren was.

 

Synkaleoo, synchairoo, - je hoeft geen grieks te kennen om twee keer het syn te zien van syntaxis, synthese, synchronie, symfonie of sympathie. Samen, bijeen. Waar Farizeeën en schriftgeleerden zich distantiëren roept deze ietwat naďeve hoeder van schapen vrienden en buren bijeen. Mee, mee! lijkt zijn verbond te klinken.

Je kunt het je het enthousiasme wel voorstellen. Je gaat er in mee. Die honderd en dat ene schaap dat verloren gaat in de grote ruimte van no man’s land. Typisch is dat oog voor die eenling. Het verraadt een zien waar instemming kenmerkend voor is.

Die ene die zich van de troep verwijderd krijgt geen afkeuring of preek te horen. Geen tijd wordt verknoeid met vermaningen of berispingen. Die eigenaar van honderd schapen volgens Lucas heeft begrip voor onbegrip, verstand voor onverstand. De schapenman of –vrouw die jij of ik zouden kunnen zijn, dit individu bemerkt zijn verlies en gaat onverdeeld zoeken. Het hoeft ons, toegesprokenen, betrokkenen in dit verhaal, niet meer te verbazen. De schapenmens die zijn verlies bemerkt wordt zozeer geobsedeerd door dat verlies dat hij zonder meer alles op het spel zet en zich blootstelt aan het risico ze allemaal kwijt te raken. Geen verstandig overleg, niet iemand die intussen even op de winkel past.

 

Natuurlijk vindt hij zijn schaap. Hij heeft daar blijkbaar een neus voor. Hij legt het over zijn schouders om model te staan voor een echte herder[iii] die in die ene om zijn schapen geeft. Zijn blijdschap blijkt aanstekelijk te moeten zijn. Met mij. Langzaam maar zeker begin je als toehoorder misschien ook een spoortje tegenzin tegen deze geschiedenis te ontwikkelen. Dat gedoe over dat ene schaap.

 

7 Ik zeg je, zo is er meer blijdschap in de hemel over een zondaar die zich bekeert,  dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben.

Een beetje dun wordt je huid, een beetje geďrriteerd en prikkelbaar. "Ze," zegt iemand tijdens de les, "maken zich meer druk over die ene verkeerde dan over die 99 brave anderen die het goed doen," en waar onuitgesproken natuurlijk ik toe behoor.

Er is zo’n trammelant over die ene dat ik me al in het verdomhoekje zie gezet. Wie van jullie (in het verhaal) verloopt heel listig naar een gevoel (bij de toehoorder) als "ik blijkbaar niet!" Voor mij die de hitte van de dag draag en trouw volbreng wat van mij verwacht wordt is dan geen waardering. Je kunt het je best vorstellen, die sympathie voor die ene die verloren is, maar het zonder meer opnemen voor die ene die de zaak weer verprutst heeft, heeft iets oneerlijks. Je stoort je aan die partijdigheid die zich baseert op verloren hebben.

 

            8 Of welke vrouw …

Is iets verloren hebben typisch iets voor een vrouw? Waarom gaat Lukas verder met de kwetsbaarheid van de vrouw met haar tien miezerige muntjes en eentje verloren. Lucas wil het niet over mijn beginnende verontwaardiging hebben. Terwijl ik mij afwend begint zij te vegen, het hele huis en zorgvuldig te zoeken totdat zij het vindt.

 

 

8 Of welke vrouw, die tien drachmen heeft, en er een verliest, steekt niet een lamp aan en veegt het huis en zoekt zorgvuldig, totdat zij hem vindt? 9 En als zij hem gevonden heeft, roept zij haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: Verblijdt je met mij, want ik heb de drachme gevonden, die ik verloren had. 10 Zo is er, zeg ik jullie, blijdschap bij de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert.

 

Big fun! Leuk! Weer synkaleoo en synchairooI. Nu gaat het over de vriendinnen en de buren. Het moet de vrouw van die schapenman zijn. Ze talen naar hetzelfde. Man en vrouw – er moet dus dadelijk iets van zoon komen. Ook als dat over twee zonen gaat, dan gaat het nog om die ene en in die ene om de andere want ieder kind is de enige.

Wat verloren is heeft alles van de onschuld, van waar je het voor doet, wat je niet kunt missen, of misschien wel kunt maar niet wilt missen.

Let wel: ze is niet blij omdat nebenbei het huis aan de kant is. Al haar gedoe heeft enkel en alleen als bedoeling om te vinden wat verloren is.

 

 

11 En hij zegt. Een mens heeft twee zonen. 12 De jongste van hen zegt zijn vader: Vader, geef mij het mij toekomende deel van ons bezit. En hij verdeelt het bezit onder hen. 13 En na niet veel dagen maakt de jongste zoon van alles een potje en gaat op reis naar een ver land, waar hij zijn vermogen verbrast in een leven dat van redden niets weet. 14 Wanneer hij er alles verpatst heeft komt er een zware hongersnood over dat land en hij begin gebrek te lijden.

 

Het derde verhaal over wat verloren is. Je mag dat eigenlijk nog niet zeggen. Lukas doet dat nog niet. Het verhaal dat zich nu aandient is niets bijzonders. Een mens. Na de mens en zijn vrouw nu de zoon. Nee, zonén, meervoud. Wanneer het verhaal begint ga je al vlug denken dat het maar om één zoon gaat, maar het venijn zal in de staart blijken.

Aardige bijkomstigheid is dat dit verhaal op een gelukkig gesternte mag rekenen. Het is een thuiswedstrijd voor ieder die niet enig kind is. Voor je het weet ligt die rol vast en ga je er van uit dat de oudste een en al verantwoordelijkheid is en de jongste een beetje dom: die weet nog niet zo veel. Situaties over een jongste en een oudste zijn breed inzetbaar want herkenbaar. Ieder weet dat niemand zo verschilt als die twee en dat niemand zo aan elkaar gewaagd is als die twee.

De jongste gedraagt zich zoals je verwachten mag, als een jongste. Hij wordt niet gehinderd door enige terughoudendheid. Vader geef mij. Hij richt zich alleen tot zijn vader om uit te komen bij zichzelf. En die relatie heet: geef. Vaders, dat komt vaker in de Bijbel voor, zijn uitermate naďef. Sigmund Freud blijkt gedacht te hebben dat de vader de buitenwereld is, de harde buitenwereld met zijn eisen tegenover de beschermende binnenwereld van de moeder die vanzelfsprekend het kind bergt in geborgenheid. Maar bij Lucas staat de vader geheel los van de discipline die het Überich de werkelijkheid van iedere dag verhullend in quasi-redelijkheid meedogenloos meent te moeten eisen. Deze vader lijkt gediend van de irrationaliteit van de zoon.

Hij verdeelt. Ik vind dat verrassend. Ik zou denken: geef … en hij geeft. Nee: geef … en hij verdeelt. Het is een verdeling die onopgemerkt blijft. Enkel de jongste gaat er mee aan het werk. En hoe. Als dat werken heet. Hij verpatst en vertrekt en verbrast en wordt overvallen door de hongersnood. Een vreemd woord. Met die o's die je als ogen aankijken. Rond de vijftiger jaren van de vorige eeuw zagen we bijna geen plaatjes van uitgemergelde kinderen. We hadden niet veel, maar honger kenden we eigenlijk niet. Dat er zoiets bestond als niets te eten hebben kenden we rond 1950 uit dit verhaal. Intussen weet ik dat het land van de beloften (Genesis 12,10) ook een hongerland is. Dat gaat tot en met Jacob en zijn zonen die wel naar Egypte moeten vanwege de honger (Genesis 43) om daar hun verdonkeremaande broer tegen te komen.

Hongersnood haalt het onderste uit de kast.

 

15 En hij gaat en dringt zich op aan een der burgers van dat land en die stuurt hem naar het veld om zijn varkens te hoeden. 16 En hij begeert zijn buik te vullen met de schillen, die de varkens eten. Maar niemand geeft ze hem. 17 Zo komt hij tot zichzelf en zegt: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. 18 Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, 19 ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners.

 

Een mini-exodus. "Hij trok er op uit", vertaalt NBG 51. Het lijkt mij niet gelukkig deze knaap als vertaling iets toe te kennen dat op een oefening in exodus zou kunnen lijken. Zijn zelfstandigheid is enkel pot verteren. Hij gaat gewoon en schurkt zich tegen een ander aan. Die moet dan wel. Is die jongste niet gewend om zijn zin te krijgen? Maar de burger van dat land stuurt hem naar de varkens om die te hoeden. Dan moet je ver gezonken zijn in en rond het midden oosten. Varkens, onze symbolen van nationale spaarzin, maken daar niet veel carričre.

Als herder van en over de onreinheid zou hij zich willen voeden, nee, nog dierlijker, zijn buik willen vullen met de peulen, het afval waar deze dieren genoeg aan hebben. Hij zou zich daar te goed aan willen doen, maar, ach stumpertje: niemand geeft het hem. Hij heeft wel handjes maar heeft ze als niet. Hij kan er nog niet mee wapperen.

Met het oog op het varkensvoer komt hij , niet tot inkeer, maar tot een basaal inzicht. Het personeel van mijn vader heeft het beter dan ik. Dat levert een idee op. Hij maakt er een mooie tekst van en zo zal zijn vader zich wel niet van hem kunnen ontdoen.

Rond de vijftiger jaren van de vorige eeuw werd ons op de lagere school geleerd dat dit een zogenaamd onvolmaakt berouw was. Er klinkt wel berouw door in de overweging van die gast, maar hij is duidelijk uit op eigen voordeel. Zijn berouw is maar beperkt. Maar zelfs een onvolmaakt berouw was voor God voldoende. Kijk maar naar de vader.

 

 

20 En hij staat op en keert terug naar zijn vader. En terwijl hij nog veraf is, ziet zijn vader hem. Die wordt met ontferming bewogen. 21 Hij loopt hem tegemoet valt hem om de hals en kust hem. 22 En de zoon zegt tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten. 23 Maar de vader zegt tot zijn slaven: Brengt vlug het beste kleed hier en trekt het hem aan en doet hem een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten. 24 En haalt het gemeste kalf en slacht het, en laten wij een feestmaal hebben, want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden. En zij beginnen feest te vieren.

 

In het camouflagepak van een boeteling staat de varkenshoeder op om naar zijn vader te gaan. Die blijkt intussen niet stilgezeten te hebben. Hij staat allang op het bord. Terwijl die jongen nog ver weg is ziet zijn vader hem. Helemaal wee van medelijden neemt hij de rol van onderwerp op zich. Hij gaat hem tegemoet, valt om de hals, kust. En intussen is dat grote kind nog bezig de tekst te herhalen die hij diepzinnig uit zichzelf of uit het varkensvoer gevist heeft. Maar de tijd van zijn verhaal wordt meedogenloos geďnterrumpeerd door het restloze mededogen van de vader. Een heel ander verhaal veegt alle miezerigheid aan de kant.

            De vader is vanaf het begin al niet zo sterk geweest in pedagogie of opvoedkunde. Hij stelt gewoon het kind, zijn kind centraal. Praatjes vullen geen gaatjes. Actie. Kleden, versieren, verzolen en het feestbeest op tafel. Door en door onbesuisd. Daar moet een reden voor zijn. Het hart heeft zijn redenen die de rede niet heeft. "Mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden." Wij zijn gewoon die vader dan dichterlijke overdrijving, of vaderlijke gepassioneerdheid toe te schrijven. Wij weten precies wat dood zijn is. Zijn zoon was niet dood. Toch, als je nu het verhaal eens op de letter neemt. Volgens deze vader bestaat zoiets als dood zijn en levend worden. Hij heeft het zelf meegemaakt. Hier, dat lijkt het sleutelwoord te zijn, een en al overtuiging. Verloren, gevonden. Dan heb je pas echt, als het hebben niet vanzelfsprekend is. Isaak leeft. Daarmee begint het feest. Daarmee begint wat onverdraagbaar is, blijkt.

 

 

25 Zijn oudste zoon is op het land, en dichter bij huis gekomen, hoort hij muziek en dans. 26 En hij roept een van de knechten tot zich en vraagt, wat er dat zou mogen zijn. 27 Deze zegt hem: Je broeder is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel terug heeft. 28 Maar hij wordt boos en wil niet naar binnen gaan. Daarop komt zijn vader naar buiten en dringt bij hem aan. 29 Maar hij antwoordt en zegt tot zijn vader: Zie, zovele jaren ben ik al in jouw dienst en nooit heb ik je gebod overtreden, maar mij hebt gij nooit een geitebokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. 30 Maar nu die zoon van je gekomen is, die je bezit heeft opgemaakt met slechte vrouwen, hebt jij voor hem het gemeste kalf laten slachten. 31 Maar hij zei tot hem: Kind, jij zijt altijd bij me en al het mijne is het jouwe. 32 Wij moeten feestvieren en vrolijk zijn, want je broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden.

 

Het naar huis komen van de dode zoon blijkt voor de vader "alles goed" te maken, de komst van de Messias, hemel en aarde met elkaar enkel verzoening. Maar de oudste staat daar helemaal buiten, blijkt. Hij staat buiten dit alles. Hij komt naar huis en wordt overvallen door liederen en dansmuziek. Voor hem betekent dat iets waar hij geen deel aan heeft. Hij rent niet om zich te informeren. Hij blijft staan, commandeert een dienaar. Die spelt voor hem het hele gebeuren. Geen woord over dood en leven. "Gezond weer terug" moet het doen. En hij, de oudste lijkt ter plekke te verstenen.

            We weten van de vader. Als Mozes niet naar de berg komt, komt de berg naar Mozes. Maar wij krijgen het verhaal niet te horen van de vader aan de zoon. Een wolkbreuk. Staccato. Ik in jouw dienst en jij mij nooit! Deze zoon beschrijft de vader als een aanfluiting gezien zijn eigen voortreffelijkheid. Hij geeft het portret van zijn broer en houdt dat de vader en de lezers voor: bezit verbrassen met vrouwen die niet deugen. Daar past geen gemest kalf op. Maar heeft hij van zijn zogenoemde toewijding, zijn concentratie op zichzelf, niet een gouden kalf gemaakt tot meerdere afgang van de anderen?

            Al het mijne is van jou. Is zoiets te begrijpen? Is het levend worden van de gestorven broer  een uitnodiging? Betekent het iets wanneer je terug hebt gevonden wat je verloren was? Dergelijke vragen wellen op, niet enkel voor de oudste broer. Of liever, even wordt de toehoorder oudste broer. We kunnen ons wel distantiëren van die gast met zijn mateloze boosheid, maar :"Het is niet eerlijk", is een niet achterhaalde tekst. Terwijl de verteller afscheid neemt van dit tafereel en het beeld van wat zichtbaar is steeds kleiner wordt, verdwijnt de gestalte van de broer op de drempel. Welke gevoeligheden worden in dit huis op tafel gelegd?



[i] Het gaat daar over een koning in Judea, over een priester die vanaf vers 8 priesterdienst verricht in de tempel – iedereen weet toch dat het dan over Jerusalem moet gaan. Maar Lukas zegt het niet. Zoekplaatje. Wanneer noemt Lukas Jerusalem? Wanneer zal dat hoge woord zijn tekst decoreren? Pas in 2,22 is zijn verhaal daar rijp voor.

[ii] Guus Middag, Vrolijk als een vergelijking, Amsterdam, G.A.van Oorschot 2002, citeert Elly de Waard, door Hanneke Klinkert geďnterviewd in de Poëziekrant, 24 (2000) nr. 5, (september-oktober), pp. 22-28. “Iets of iemand of een gebeurtenis begrijp ik alleen in relatie tot iets anders, of nog beter, in vergelijking met iets anders. (…) Volgens mij is het zo dat het wezen van wat iets is, opgeroepen kan worden in de vergelijking met iets anders; en hoe minder dat andere er direct op lijkt, hoe verder de beide begrippen van elkaar af liggen, - terwijl er toch overeenkomst lijkt te zijn -, hoe groter het spanningsveld is tussen die twee en hoe meer leven er tussen ontstaat.” (a.w., p. 26).

[iii] De echte herder wordt in de iconografie altijd geďdentificeerd met de goede herder. Ten onrechte. In het verhaal van de goede pastor (Johannes 10) kom je de stevige schouders van de echte herder niet tegen. Daarvoor moet je bij Lukas wezen.