LUcAS – een werkvertaling door Jan Engelen voor studenten Hogeschool IPABO II & III

Deze tekst is een meer letterlijke vertaling, kolometrisch weergegeven, zonder titels of opschriften. Enkel een nieuw fragment in de tekst wordt voorgesteld door het teken > in de kantlijn. Je kunt deze tekst downloaden en lezen als een "onbeschreven blad". Een meer geordende vertaling vind je als je de link volgt.

1,1 Nu velen het ter hand hebben genomen

uitleg te geven over de zaken die zich onder ons vervuld hebben,

1,2 zoals zij ons overgeleverd hebben,

die van begin af aan zelf zieners en dienaren van het woord zijn geweest,

1,3 lijkt het ook mij(n opgave)

na alles zorgvuldig te hebben nagekeken,

dit in de goede orde voor jou te schrijven, beste Theofilus,

1,4 zodat jij begrip kunt krijgen van de betrouwbaarheid van de woorden die je geleerd hebt.

1,5 Het geschiedt in de dagen van Herodes, koning van Judea,

dat iemand, een priester, met de naam Zacharias [de heer gedenkt],

behorend tot de dagordening van Abia [mijn vader is de heer],

en een vrouw voor hem uit de dochters van Aäron

en haar naam Elisabet [God heeft gezworen].

1,6 Ze zijn rechtvaardig beiden tegenover God

en leven met alle geboden en rechtmatig van de Heer, onberispelijk.

1,7 En zij hebben geen kind want deze Elisabet is onvruchtbaar,

en zij zijn beiden op hoge leeftijd gekomen.

1,8 En het geschiedt,

wanneer hij als priester dienst doet in de ordening van zijn dag tegenover God

volgens de gewoonte van de priesterdienst,

1,9 dat het hem toekomt het wierookoffer te brengen

en zo het huis van de Heer binnen te gaan.

1,10 En heel de menigte, het volk, staat buiten te bidden op het uur van het reukoffer.

1,11 Voor hem wordt zichtbaar

een engel van de Heer die rechts van het reukofferaltaar staat.

1,12 En Zacharias is geschokt terwijl hij dat ziet

en vrees overvalt hem.

1,13 Maar de engel zegt tot hem:

Vrees niet, Zacharias,

want je gebed is verhoord

en je vrouw Elisabet zal je een zoon baren

en gij zult hem de naam Johannes [de Heer is genegen] geven.

1,14 En hij zal een vreugde voor je zijn, en ontroering

en velen zullen zich over zijn genesis[1] verblijden.

1,15 Want groot zal hij zijn tegenover de Heer

en wijn en sterke drank zal hij niet drinken

en met de heilige geest zal hij vervuld worden van de schoot van zijn moeder,

1,16 en velen van de zonen van Israël zal hij omkeren naar de Heer hun God.

1,17 En hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia,

om de harten der vaderen te keren tot de kinderen

en de ongehoorzamen tot de weldenkendheid van de rechtvaardigen,

om klaar te maken voor de heer een toebereid volk.

1,18 En Zacharias zegt tot de engel:

Waaraan zal ik dit weten?

Want ik ben oud

en mijn vrouw is voortgeschreden in haar dagen.

1,19 En de engel antwoordt en zegt hem:

Ik ben Gabriël, die voor Gods aangezicht sta,

en ik ben gezonden om tot jou te spreken en je dit alles als evangelie te vertellen[2].

1,20 En zie, je zult zwijgen en niet kunnen spreken,

tot de dag toe, dat dit alles zal geschieden,

want jij hebt  geen vertrouwen gehad in mijn woorden

die op hun tijd in gevuld gaan worden.

1,21 En het volk staat wachtend op Zacharias,

verwonderd dat hij zo lang in de tempel verwijlt.

1,22 Maar wanneer hij naar buiten komt kan hij hen niet (toe)spreken

en zij begrijpen dat hij in het huis een gezicht heeft gezien.

En hij wenkt hen toe en blijft stom.

1,23 En het geschiedt als de dagen van zijn liturgie vervuld zijn:

hij vertrekt naar zijn huis.

1,24 Na die dagen raakt Elisabet, zijn vrouw, in verwachting,

en zij verbergt zich vijf maanden,

want, zegt ze:

1,25 Zo doet de heer aan mij in de dagen waarin hij op mij toeziet

om wat grievend voor mij is onder de mensen weg te nemen.

1,26 In de zesde maand nu wordt de engel Gabriël gezonden

van God naar een stad in Galilea met naam Nazareth,

1,27 tot een maagd, die toegedacht is

aan een man met de naam Jozef, uit het huis van David,

en de naam van de maagd is Mariam.

1,28 En binnengekomen, zegt hij:

Wees gegroet, jij vol van genegenheid,

de heer is met je.

1,29 Zij schrikt op bij dat woord

en overlegt wat dit voor groet vermag te zijn.

1,30 En de engel zegt haar:

Vrees niet, Mariam,

want genegenheid heb je gevonden bij God.

1,31 En zie, je zult ontvangen in je schoot en een zoon baren,

en je zult zijn naam roepen: Jezus [de heer bevrijdt].

1,32 En hij zal groot zijn

en zoon van de hoogsten geroepen worden,

en de heer God zal hem de troon van zijn vader David geven,

1,33 en hij zal koning zijn over het huis van Jakob in eeuwen,

en zijn koningschap zal geen einde komen.

1,34 En Mariam zegt tot de engel:

Hoe zal dat geschieden want een man ken ik niet?

1,35 En de engel antwoordt en zegt tot haar:

Heilige Geest zal over je komen

en de kracht van de hoogste zal je overschaduwen.

Daarom zal ook het verwekte, het heilige, geroepen worden: zoon van God.

1,36 En zie, Elisabet, je familie,

ook zij heeft ontvangen in haar schoot terwijl zij oud is

en deze maand is voor haar die geroepen wordt “onvruchtbare”, de zesde.

1:37 Zo (zie je) is geen enkel woord van de kant God zonder kracht.

1,38 En Mariam zegt:

Zie, de dienares van de heer;

mij geschiede overeenkomstig je woord.

En de engel gaat van haar weg.

1,39 Mariam nu maakt staat op in die dagen

en reist volijverig naar het gebergte, naar een stad van Judea.

1,40 En zij gaat het huis van Zacharias binnen en groet Elisabet.

1,41 En het geschiedt:

als Elisabet de groet van Mariam hoort, springt het kind op in haar schoot,

en Elisabet wordt vervuld met de heilige Geest.

1,42 En zij roept uit met een luide kreet en zegt:

Gezegend ben jij onder de vrouwen

en gezegend is de vrucht van je schoot.

1,43 En waaraan dit voor mij,

dat de moeder van mijn heer tot mij komt?

1,44 Want zie,

zodra de stem van jouw groet in mijn oren klinkt,

springt het kindje van vreugde op in mijn schoot.

1,45 En zalig zij die vertrouwt,

dat wat vanuit de heer tot haar gezegd is vervuld zal worden.

1,46 En Maria zegt:

Mijn ziel maakt groot de heer,

1,47 en verheugd is mijn geest over God, mijn bevrijder,

1,48 want hij zien om naar de vernedering van zijn dienares.

Want zie, van nu aan zullen mij alle generaties mij zalig noemen

1,49 omdat grote (dingen) doet de machtige mij.

En heilig is zijn naam.

1,50 en zijn betrokkenheid gaat van geslacht tot geslacht voor wie hem vrezen. 1,51 Krachtig (werk) doet hij door zijn arm,

hij verstrooit hoogmoedigen in wat hun hun harten verzinnen.

1,52 Hij stoot machtigen af van de troon

en vernederden verhoogt hij.

1,53 Hongerigen vervult hij met (alles wat ) goed (is)

en rijken stuurt hij weg, leeg.

1,54 Israel, zijn knecht, heeft hij vastgenomen

om betrokkenheid te gedenken, ‑

1,55 zoals hij gezegd heeft tot onze vaderen –

voor Abraham en zijn zaad tot in eeuwigheid.

1,56 En Mariam blijft ongeveer drie maanden bij haar en keert terug naar haar huis.

1,57 Als voor Elisabet de tijd vervuld is, dat zij zal baren,

verwekt zij een zoon.

1,58 En de omwonenden en familieleden van haar horen,

dat de heer zijn betrokkenheid met haar groot maakt,

en zij verheugen zich met haar.

1,59 En het geschiedt,

wanneer de achtste dag is aangebroken

komen ze om het jongetje te besnijden,

en ze willen het roepen met de naam van zijn vader Zacharias.

1,60 Maar zijn moeder antwoordt en zegt:

Welnee,

Maar hij moet geroepen worden Johannes.

1,61 En ze zeggen tot haar:

er is toch niemand in je familie, die met die naam geroepen wordt.

1,62 En ze gebaren zijn vader, hoe hij zou willen

dat het geroepen zou worden.

1,63 En hij vraagt een schrijftafeltje en schrijf deze woorden:

Johannes – de heer is genegen - is zijn naam.

En zij verwonderen zich allen.

1,64 En terstond wordt zijn mond geopend en zijn tong

en hij spreekt en zegent God.

1,65 En het geschiedt:

vrees over alle  omwonenden.

En in het hele bergland van Judea worden al deze woorden besproken.

1,66 En allen die het horen, zetten het in hun hart en zeggen:

Wat zal dit voor jongetje zijn!

Want de hand van de heer is met hem.

1,67 En zijn vader Zacharias word vervuld van heilige Geest

en hij profeteert. Hij zegt:

1,68 Gezegend de heer, de God van Israël,

want hij wend zich (tot ons)

en doet loskoping voor zijn volk,

1,69 en hij richt een hoorn van bevrijding op voor ons

in het huis van David, zijn knecht,

1,70 – zoals hij spreekt door de mond van zijn heilige profeten van oudsher –

1,71 bevrijding van onze vijanden

en uit de hand van allen, die ons haten,

1,72 om betrokkenheid met onze vaderen te doen

en zijn heilig verbond te gedenken,

1,73 de eed, die hij Abraham, onze vader, zweert

1,74 dat hij ons zal geven, zonder vreze, uit de hand der vijanden losgerukt,

1,75 hem te dienen

in gaafheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen.

1,76 En jij, jongetje, een profeet van de hoogsten zul je geroepen worden.

Want jij zult uitgaan voor het aangezicht van de heer,

om zijn wegen klaar te maken.

1,77 om aan zijn volk kennis van bevrijding te geven

in de vergeving van hun zonden,

1,78 door de betrokken ontroering van onze God,

waarmede de opgaande uit de hoge zich tot ons zal wenden,

1,79 door zich te laten zien aan hen

die in het duister en de schaduw van de dood zitten,

door onze voeten te richten naar de weg van de vrede.

1,80 Het jongetje nu groeit op en hij wordt sterk door de Geest.

En hij is in de woestijnen tot op de dag, dat hij zich aan Israël laat zien.

2,1 Het geschiedt in die dagen:

een decreet gaat uit vanwege keizer Augustus:

heel de bewoonde wereld rijk moet worden ingeschreven.

2,2 Deze inschrijving vindt voor het eerst plaats,

toen Quirinius het bewind over Syrië voerde.

2,3 En zij gaan allen op reis om zich te laten inschrijven,

ieder naar zijn eigen stad.

2,4 Ook Jozef trekt op

vanuit Galilea, uit de stad Nazaret,

naar Judea, naar de stad van David, die geroepen wordt Betlehem,

want hij is uit het huis en het geslacht van David,

2,5 om zich in te laten schrijven

samen met Mariam die hem toegedacht is.

die zwanger was.

2,6 En het geschiedt, terwijl zij daar zijn:

de dagen van haar baren zijn vervuld

2,7 en zij baart haar zoon, de eerstgeborene,

en wikkelt hem in doeken

en legt hem in een kribbe,

omdat voor hen geen plaats is in het gastenverblijf.

2,8 En er zijn herders in diezelfde streek,

die zich in het open veld bevinden

en des nachts de wacht houden over hun kudde.

2,9 En een engel van de heer staat bij hen

en de heerlijkheid van de heer omstraalt hen,

en ze vrezen met grote vreze.

2,10 En de engel zegt hen:

vreest niet,

want zie,

ik verkondig jullie als evangelie een grote vreugde

die voor heel het volk zal zijn:

2,11 want vandaag is voor jullie de bevrijder geboren,

de messias, de heer,

in de stad van David.

2,12 En dit zal voor jullie het teken zijn:

je zult een kindje vinden

in (doeken) gewikkeld

en liggende in een kribbe.

2,13 En plotseling geschiedt:

met de engel een menigte van het hemelse leger.

Ze prijzen God en zeggen

2,14 Heerlijkheid in de hoogsten aan God,

en op aarde vrede bij mensen die hem dierbaar zijn.

2,15 En het geschiedt,

wanneer de engelen van hen weggegaan zijn naar de hemel,

dat de herders tot elkander spreken:

Laat ons dan naar Bethlehem gaan

en zien het woord dat geschied is

en dat de heer ons heeft doen kennen.

2,16 En ze gaan zich haastend

en vinden Maria en Jozef, en het kindje liggende in de kribbe.

2,17 En wanneer ze het gezien hebben

maken zij het woord bekend dat tot hen gesproken is over dit kind.

2,18 En allen, die het horen zijn verbaasd

over hetgeen door de herders tot hen gesproken wordt.

2:19 Maar Mariam bewaart al deze woorden,

ze overwe­gend in haar hart.

2,20 En de herders keren terug, God verheerlijkend en prijzend

om alles wat zij gehoord hebben

en gezien zoals het tot hen gesproken was.

2,21 En toen acht dagen vervuld zijn,

zodat zij hem moeten besnijden,

ontvangt hij ook de naam Jezus,

die genoemd is door de engel, voordat hij in de moederschoot is ontvangen.

2,22 En als de dagen van hun reiniging vervuld zijn

overeenkomstig de Tora van Mozes,

brengen zij hem naar Jeruzalem

om hem voor te stellen aan de heer,

2,23 overeenkomstig hetgeen geschreven staat in de Tora van de heer:

Al het mannelijke dat de moeder opent zal heilig voor de heer worden genoemd,

2,24 en om een offer te geven

overeenkomstig hetgeen in de tora van de heer gezegd wordt,

een paar tortelduiven of twee jonge duiven.

2,25 En zie,

er was een mens in Jeruzalem wiens naam Simeon is.

Deze mens is rechtvaardig en godvrezend,

en hij verwacht de vertroosting van Israël,

en de heilige Geest was op hem.

2,26 En er is hem door de heilige Geest te verstaan gegeven,

dat hij de dood niet zal zien,

voordat hij de messias van de heer gezien heeft.

2,27 En hij komt door de Geest naar het heiligdom.

En wanneer de ouders het kind Jezus binnen­brengen

om met hem te doen 2:28 overeenkom­stig de gewoonte van de Tora,

neemt ook hij het in zijn armen

en hij looft God en zegt:

2,29 Nu maak jij, meester, je slaaf vrij

overeenkomstig je woord, in vrede,

2,30 want mijn ogen hebben jouw bevrijding gezien,

2,31 die jij hebt voorbereid voor het aangezicht van alle volken:

2,32 licht om voor de volkeren te onthullen

en heerlijkheid voor je volk Israël.

2,33 En zijn vader en zijn moeder zijn verwonderd

over hetgeen over hem gezegd wordt.

2,34 En Simeon zegent hen en zegt tot Maria, zijn moeder:

Zie,

hij is gesteld tot val en opstanding van velen in Israël

en tot een teken, dat tegengesproken wordt

2,35 ‑ en door je ziel zelf zal een zwaard gaan ‑,

opdat de beraadslagingen uit veel harten onthuld zal worden.

2,36 Ook is daar Hanna, een profetes,

een dochter van Fanuel, uit de stam Aser.

Zij is op hoge leeftijd gekomen,

nadat zij na haar maagdelijkheid zeven jaar met haar man heeft geleefd,

2,37 en nu is zij een weduwe van ongeveer vierentach­tig jaar

en zij laat het heiligdom niet los door dienst te doen met vasten en bidden,

nacht en dag.

2,38 En zij komt op datzelfde uur daarbij staan,

en zij looft mede God

en sprak over hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten.

2,39 En wanneer zij alles volbracht hebben overeenkomstig de Tora van de heer, keren zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazaret.

2,40 Het kind groeit op en wordt sterk,

en het wordt met wijsheid vervuld,

en de genegenheid van God is op hem.

2,41 En zijn ouders zijn gewoon

ieder jaar naar Jeruzalem te gaan

voor het feest van Pesach.

2,42 En wanneer het geschiedt dat hij twaalf jaar is geworden

en zij zoals dit bij het feest gebruikelijk is, optrekken,

2,43 en de feestdagen voleindigd zijn,

blijft Jezus als kind bij hun terugreis in Jeruzalem,

en zijn ouders weten het niet.

2,44 Ze verkeren in de mening dat hij bij het reisgezelschap is,

en gaan de weg van een dag

en zoeken hem bij de familie en bekenden.

2,45 En hem niet vindend, keren zij terug naar Jeruzalem

om hem te zoeken

2,46 En het geschiedt na drie dagen:

zij vinden hem in het heiligdom.

Daar zit hij te midden van de leraren.

Hij luistert naar hen en stelt hen vragen.

2,47 Allen die hem hoorden zijn verwonderd over zijn begrip en zijn antwoorden.

2,48 En wanneer zij hem zien zijn ze verbijsterd

en zijn moeder zegt tot hem:

Kind, wat doe je ons zo aan?

Zie,

uw vader en ik zoeken je vol zorg!

2,49 En hij zegt tot hen:

Wat zoeken jullie mij?

Weten jullie niet, dat Ik met de dingen van mijn vader moet zijn?

2:50 En zij begrijpen het woord niet, dat hij tot hen spreekt.

2,51 En hij daalt met hen af en komt te Nazaret

en is hun ondergeschikt.

En zijn moeder bewaart al deze woorden in haar hart.

2,52 En Jezus neemt toe in wijsheid en zelfstandigheid en genegenheid

bij God en mensen.

>

3,1 In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius,

wanneer Pontius Pilatus stadhouder over Judea is,

en Herodes viervorst over Galilea,

en zijn broeder Filippus viervorst over Iturea en het land Trachonitis,

en Lysanias viervorst over Abilene,

3,2 onder de hogepriesters Annas en Kajafas,

komt het woord van God tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn…

- Het verhaal is begonnen. Het begint bij de Jordaan. Bij Johannes. Tegelijk wordt ook al verwezen naar het einde of definitieve begin. Wanneer je een beetje bent ingewijd zegt Pontius Pilatus genoeg.

©2003 Jan Engelen, Herten/Amsterdam


[1] Verwekking, geboorte, geschiedenis.

[2] Aggelos: engel; euanggeloo: als evangelie (het goede verhaal, verhaal over  het goede) vertellen. Zie 3,18 (voor het volk) en 7,22 (voor de armen). Hier is dit alles hetgeen de engel gezegd heeft tegen Zacharias. Mag je zeggen: “Op deze wijze maakt de engel (ons tot) een toegerust volk.”

 

verzamelblad

home