Eerste zondag van de Advent
Jesaja 63, 16b-17.19b;
64, 3b-8
Psalm 80
1 Korintiërs 1, 3-9
Marcus 13, 33-37
52/2009
- Er zijn van die momenten dat je zou willen dat God almachtig was. Had Hij
je maar tegengehouden! Alle ellende van de ballingschap zou er niet zijn geweest.
De balling wil niets liever dan “naar huis”. Onze Vader is in de
eerste lezing tot motief gemaakt. Alles wat de tekst durft te zeggen, te vragen,
te smeken, is op de aanspraak Onze Vader gebaseerd. Die twee woorden kunnen
zoiets als een vrijgeleide zijn. Ze reiken onderweg stilte en inkeer aan. Wij
zijn het leem; jij de boetseerder. Zie op ons – daarmee is in feite alles
gezegd.
- Psalm 90 ondersteunt die bede: Lach ons toe en wij zijn gered. Herinner je
je nog de mooiste dagen van de zomer? In Ps.90,8 staat meer woordelijk: Laat
uw gezicht stralen, licht zijn. Je voelt bijna de warmte.
- Vrede is wel te verstaan gekoppeld aan tevreden. Als iemand tevreden is citeert
zij of hij, desnoods ongewild, ook Genesis 1:”Het is goed!” –
scheppingstaal! Blijkbaar is het niet vanzelfsprekend dat het goed is.
Genade is een feitelijk zeer eenvoudig en elementair woord. In het leven van
iedere dag is genegenheid een betere weergave. Blij zijn als je de ander ziet
in alle variaties die dan mogelijk zijn. Het is een zien dat het goede voor
de geziene wil.
Moeten we woorden als genade en vrede niet weer opnieuw proberen te ijken, te
proeven, te verkennen en ter sprake te brengen?
- Het hangt in ons hoofd: Kun je dan nog niet één uur met mij
waken? De evangelielezing stuurt op die herinnering aan. Denk aan: midden in
de nacht, hanengekraai. Toch, ondanks onze voorkennis, Marcus spoort ons drie
maal aan: Weest waakzaam!
Alle zondagen van het jaar gedenken Pasen. Vandaag wordt die herinnering ingezet
als aanhef voor de verwachting die ons voor zal bereiden op weer een nieuw begin
dit jaar. Kerstmis. We tellen de zondagen af. In vele kerken markeert een brandende
kaars dit begin.
Kerugma Jrg 55/2011
- Als je in Jesaja 63,16 begint klinkt het als volgt: Want jij bent onze vader,
want Abraham kent ons niet en Israël weet niet van ons – Jij bent
onze vader, onze bevrijder altijd al is je naam. Hoe groot is Israëls verlatenheid
wanneer zelfs Abraham niet meer gekend wordt als “onze vader”. Waarom
liet je ons afdwalen van je wegen? De tekst vraagt God zich weer te ontfermen
over zijn volk. Doe het omwille van onze vaderen.
Zonder zich vrij te pleiten is de rest een geloofsbelijdenis: Maar nu, o God,
jij bent onze vader, wij zijn de klei, jij onze pottenbakker. En wij allemaal
het werk van je handen. In alle innigheid.
- Wanneer Jacob in Genesis 49,24 Jozef zegent noemt hij God de herder, de rots
van Israël. (Zie eventueel ook Genesis 48,15 naast Psalm 80,3.) De liturgie
geeft maar een paar regels uit deze indrukwekkende psalm. De tekst verplicht
bijna God tot Zijn grootste innigheid. Hij heeft immers Israël als een
stekje uitgegraven uit Egypte. Je hebt het een plek gegeven. Zie om naar de
wijnstok die je zelf geplant hebt. Breng ons terug uit onze ballingschap naar
“het lichten van uw aangezicht” (Psalm 80,20 zie 80,2).
- Wanneer je als apostel schrijft naar een gemeenschap die je dierbaar is, hoe
schrijf je dan? Welke woorden gebruik je? Voor Paulus blijkt dat geen probleem.
Genade, en vrede. Genade heeft niets te maken met de kinderspelletjes van 60
jaar geleden: “Meisjesgenade.” Als je daar om vroeg was je werkelijk,
in de ogen van leeftijdsgenoten tenminste, afgeschreven. Als kind kon je geen
idee hebben van het woord genegenheid en alles wat dat voor een mens betekenen
kan. En vrede? Op z’n kortst gezegd: “Dat het goed is”. Dat
waarvan je merkt dat je daarbij terecht kunt. Omwille van Jezus Christus zegt
Paulus ons genegenheid en vrede, tevredenheid toe. Woord en kennis hebben daar
alles mee te maken. Het gaat niet over bevoogding maar precies over mondigheid.
Over kunnen horen en spreken en over inzicht, verstaan. Ook de doelstelling
is, minstens voorlopig, nog nader in te vullen, aangegeven: gemeenschap met
de zoon, Zijn zoon, Jezus Christus.
- Het juiste moment. Wanneer het beslissend wordt kan dat er toe doen. Het juiste
moment. Wanneer is het zo ver? De waakzaamheid die van ons gevraagd wordt is
die van een man aan wie een schat is toevertrouwd. Toen de Heer wegging, heeft
hij ons een deel van zijn vermogen toevertrouwd. Dan kun je niet meer doen alsof
het ritme van de dag beslissend is. Weest waakzaam! Wat wacht ons dan?
Tweede zondag van de Advent
Jesaja 40, 1-5.9-11
Psalm 85
2 Petrus 3, 8-14
Marcus 1, 1-8
Kerugma jrg 52/2009
- Een meisje van vijf gebruikte het woord troosten. In mijn onschuld vond ik
dat geen woord voor een klein meisje. “Wat is troosten?” Maar zij
was vertrouwd met de speelplaats. Een kind is gauw gevallen. “Troosten
is helpen huilen”. Vandaag gaat het Troostboek van Jesaja open. Ook al
durft het volk in de Ballingschap niet meer op God te rekenen, Jesaja zegt toch,
beter wetend, dat het volk toch niet alleen is: Troost, troost je, volk van
mij. Je en mij, groter kan de innigheid en intimiteit niet zijn. Alles is voorbij.
Een nieuwe weg breekt zich baan. Stel je voor: wij zullen de laatsten niet zijn.
Zijn armen zijn die van de herder. Hij omarmt, hij draagt tegen zijn boezem.
Dan moet je wel vrienden zijn.
- Psalm 85 weet van het naderende einde van de Ballingschap. Vers 8 is antifoon
geworden. Laat ons zien o Heer uw genegenheid en geef ons uw jesoea, uw bevrijding,
uw Jezus. Als genegenheid en waarheid (daden van genegenheid) elkaar uitleggen,
als gerechtigheid en “het is goed” elkaar kussen!
- Het mag dan wel lang duren, Petrus, maar God wil iedereen een kans geven.
Als de hel losbreekt weten wij van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Gods
woord, gerechtigheid – dat zal daar wonen.
- Marcus is de enige die zijn evangelie met begin laat beginnen. En wat voor
begin. Begin van het goede verhaal van/over Jezus de Messias, de zoon van God.
Beloften stapelen zich op, woorden om te bewaren: het goede verhaal –
waar je van op kijkt, Jezus, de Messias, de Zoon van God. Alles toezeggingen.
Het goede wordt een verhaal. Alles wordt anders als de messias komt. Is hij
niet de bevrijder, hij die ons opricht en ons recht zal laten staan.
Een bode mag tekstkritisch een correcte vertaling zijn, maar zolang je in het
nederlands geen onzin uitkraamt wanneer je zegt: “jij bent een engel”,
zolang moet je hier ook durven lezen wat er staat: zie, ik stuur mijn engel
voor jou uit die voor jou een weg zal bereiden. Wie hier leest of luister moet
opschrikken. “Voor mij?” Dit goede verhaal over en van de Messias
wil een persoonlijk bericht zijn. Het is “voor jou” geadresseerd,
een verhaal van mij en jou.
Zie ik zend mijn engel voor jou uit … jouw weg … Stem van een die
roept: in de woestijn de weg van de Heer. Het kan belangrijk zijn oog te hebben,
niet alleen voor de details maar ook voor de volgorde. De tekst geeft blijkbaar
te zien: Zie. Vervolgens ik. Het goede verhaal noemt zichzelf ik. Dat gebeurt
twee keer. Ik zend en mijn weg. Dat alles om vervolgens jij of U ter sprake
te brengen, voor jouw uit en jouw weg. Alles wordt heel persoonlijk gemaakt
met het oog op jouw weg. Daar komt de stem even tot rust om vervolgens weer
te beginnen met stem van een die roept – in de woestijn. De roepende stem
kan in een hebreeuwse toonzetting ook de aanduiding zijn van het (steeds hardop)
lezen van de Tora, van het woord onderweg. Onderweg, want in de woestijn. Pas
nu wordt onze wereld genoemd, getypeerd als woestijn, in de woestijn. Als zou
er een alternatief zijn, als zou daar een weg naar toe gaan – mijn weg.
Een weg voor mij? Mijn weg?
Kerugma Jrg 55/2011
- Wanneer je het een keer gehoord hebt vergeet je het je leven lang niet meer:
consolamini, consolamini, popule meus. Elk woord is dan geëtst op je gehoorbeen,
elk woord gewogen. God wil zijn volk troosten. Niet meer de verlatene, verstotene.
Niet meer de eenzame radeloze: mijn volk! Heb je het voortaan over Hem, dan
heb je het over zijn mensen. Heb je het over zijn mensen, dan heb je het over
Hem. Zeg tot de steden van Jehoedah: “Zie jullie God”.
- Stel je het bijbelse land voor. Dan weet je wat regen betekent. Puur “groei
en bloei”. Zo zal de terugkeer uit de ballingschap zoiets onwaarschijnlijks
betekenen als: trouw komt op uit de aarde, gerechtigheid ziet toe uit de hemel.
Genegenheid en waarheid ontmoeten elkaar. Genegenheid is de binnenkant, het
gevoel. Waarheid is de buitenkant. Het is dat wat je kunt zien van die genegenheid,
namelijk de daden die genegenheid vertolken.
- We gaan niet door met de brief aan de Korintiërs waar we vorige week
mee begonnen. De liturgie vind het gerechtvaardigd over te gaan tot de tweede
brief van Petrus. Vraag is derhalve: wat heeft deze tekst naar het inzicht van
de samenstellers van deze lezingenserie te melden?
De officiële lezing voegt om te beginnen het woord “vrienden”
toe. Bepaalt dat de toonzetting of anticipeert het dat wat komen gaat? Beslissend
blijkt dan om te beginnen, dat voor God “tijd” iets anders is als
voor ons. Dat is het ene dat ons niet mag ontgaan. Voor de Heer is één
dag als duizend jaar en duizend jaar als een dag. Kunnen we ons daarbij iets
voorstellen? Het antwoord op die vraag doet er eigenlijk niet toe. Waar het
om gaat is: God heeft geduld. Hij wil dat niemand verloren gaat voor Zijn nieuwe
hemel en nieuwe aarde.
- In de eerste woorden van Marcus: zoals geschreven staat begint het. Zoals
geschreven staat bij de profeet Jesaja. Wat Marcus te melden heeft tekent zich
af onder het teken: gelijk geschreven staat. Dan hoor je over een engel die
voor mij uit een weg voor mij zal bereiden. Voor mij? De tekst spreekt onmiskenbaar
ieder toe die hem (zoals het hoort, hardop) leest. Het gaat over mijn weg. In
de woestijn wordt de tora vertolkt, de schrift hardop gelezen met het oog op
de heer-lijke weg. Alles blijkt er op gericht om in ieder geval de mensen van
Judea en Jerusalem – en zolang de lezing duurt worden wij geacht ook deze
rollen te spelen – zover te brengen, dat zij omkeren, en Jerusalem, en
alles waar Jerusalem voor staat, ter harte te nemen en zich daarnaartoe om te
keren. Johannes spoort ons daartoe aan, gekleed als Elia. His masters voice.
Derde zondag van de Advent
Jesaja 61, 1-2a.10-11
Als Psalm: Lucas 1, 46-50.53-54
1 Tessalonicenzen 5, 16-24
Johannes 1, 6-8.19-28
Kerugma jrg 52/2008
- Wonderlijke woorden laat Jesaja hier horen. Wonderlijk omdat ons woorden worden
toegefluisterd die in hoge mate kunnen ontroeren. De geest van de heer rust
op mij. Het zijn woorden van de profeet, over zichzelf, maar de zeggingmacht
van deze woorden strekt zich uit naar degene die leest, naar degene die hoort.
We worden allemaal in de ban van deze woorden meegenomen. De geest – het
toch bijeen, bij elkaar horen van hemel en aarde – die rust, ook op mij.
Gezalfde. Olie, zalfolie. Dan sta je er gekleurd op. Om aan de armen het goede
verhaal te vertellen. Om te genezen, om vrijlating te melden en bevrijding.
Heil en gerechtigheid: alles is goed. Bruidegom en bruid, verbond, de tuin en
het zaad dat de toekomst garandeert.
- Magnificat. Groot maakt mijn ziel de Heer. Maria verbreekt volgens Lucas de
stilte om alle ruimte te maken en alle aandacht te vestigen op God die er toe
doet, die met de mens omgaat als ware ieder van ons zijn mens, zijn enige, zijn
mensenkind, onvergetelijk en onvergankelijk. Daar begint het licht van Kerstmis
gedurfd op te lichten, als voor het eerst.
- Bidden moet je altijd, zegt Paulus. Het brengt je op andere gedachten. Onze
woorden worden dan minder hebberig en meer verkennend, dankbaar wellicht. Dat
geeft de geest nieuwe kansen. Bidden haalt de kramp weg van de kleinheid en
de angst waarmee je de wereld tegemoet treedt. Onderzoek alles. Behoudt wat
goed is. (Je weet dan vanzelf wat je, na onderzoek, doet met wat niet goed is.)
- Een mens. Een gezondene: iemand met een missie. Wat komt hij dan doen? Hij
komt om te getuigen? Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Om te getuigen van
het licht. Heeft het licht dan een getuigenis nodig? Opdat allen door hem …,
door het licht, door het getuigenis, door Johannes – allen gaan hier op
in elkaar, verwijzen naar elkaar, ondersteunen elkaar. Al dat samenspannen opdat
allen door hem tot vertrouwen zouden komen. Tegen het einde van het evangelie
blijkt dat, niet verborgen, de agenda (“om te doen”) te zijn (Johannes
20,31).
Nadat we zo door Johannes zijn ingelicht (gesouffleerd) komt nu Johannes met
zijn getuigenis. Volgens Johannes is bij de Jordaan niets zo voor de hand liggend
als mensen van Jerusalem – cohaniem en levieten zelfs, als ging het over
de tempel (zie Johannes 2,13 vv.), als ware er een offer (1,29.36) op handen,
als gaat er voorgelezen worden uit de Tora, uit Mozes en de Profeten (1,45;
2,17.22) – gezondenen zelfs, die niets anders te doen hebben dan te vragen
naar je identiteit. Als mensen van Jerusalem helderheid van hem opeisen zegt
hij: Ik ben de messias niet. Dat is een van de eerste dingen die iedere gelovige
weet, dankbaar weet: “Ik ben de messias niet”. Dat werk is al voor
ons gedragen en gedaan. U herinnert zich de woorden van de vorige week: Stem
van een die roept ... En stem gaat ons voor op weg, tot kerstmis op onze deuren
klopt.
Kerugma Jrg 55/2011
- De geest van de Heer is op mij want de Heer zalft mij. Dan volgt het programma:
het goede verhaal voor de armen, om de gebrokenen van hart op te binden. Vrijheid
voor wie gevangen zijn en open ogen voor wie gebonden zijn. Het adres van de
gezalfde betreft degenen die (in donkere ruimten) opgesloten zitten, geknakt,
troebel. Het is jammer dat de lezing zoveel woorden van genegenheid overslaat.
Is het dan niet troostend wanneer wij horen dat de treurenden van Sion in plaats
van as een sierraad krijgen, dat eer vreugdeolie komt in plaats van de rouw
en een mantel van liederen in plaats van een benauwde geest. Als terebinten
van gerechtigheid wordt, aanplanting van de Heer. Als wij te snel de woorden
van dankbaarheid lezen kunnen we nauwelijks weten waarom we dankbaar zijn.
- De Psalm van vandaag geeft het woord aan Maria zoals we haar tegenkomen bij
Lucas in het lied dat we kennen onder de latijnse naam Magnificat. Groot maakt
zij de Heer, haar wezen is pure vreugde over God die haar bevrijdt. Het aloude
lied van Israël ziet zij als haar autobiografie. En door haar is het een
tekst die nog steeds geschreven wordt.
- Halverwege de advent krijgt Paulus weer het woord, alsof wij zijn mensen van
Tessalonica zijn. Het is het einde van de brief. Verheugt je te allen tijde.
Paulus blijkt er alle reden toe te zien. We moeten bidden en danken WANT! Blust
de geest niet uit, kleineert de profetische gaven niet. Onderzoekt alles en
behoudt wat goed is.
Hebben wij dan nog iets te verwachten?
- Na de eerste woorden over het woord, het licht en het leven, wil de tekst
concreet worden: er komt een gezondene. Om te getuigen van het licht. Ik stond
er bij en ik keek er naar, zegt het bekende kinderlied over de twee beren. Dat
is het getuigenis: ik stond er bij en ik keek er naar. Ik heb het zelf gezien.
Het licht! En terwijl dat alles klinkt komt het getuigenis. Op naam gesteld.
Van Johannes. Een getuigenis niet zomaar, niet impulsief of willekeurig gegeven.
Maar toen joden uit Jerusalem priesters en levieten naar hem toe stuurden om,
hem te vragen: jij, wie ben je? Het komende is op nogal wat manieren behoorlijk
precies geregisseerd. “Priesters en levieten” die de dienst maken
en bij dragen tot het heilige gebeuren van de dag in de Tempel in Jerusalem.
“Priesters en levieten” ook, die voorgaan bij het lezen uit de Schriften
overeenkomstig de leeswijze van de Synagoge. Alsof het gebeuren bij de Jordaan
alles te maken heeft met Tempel en Tora – de Schriften - worden priesters
en levieten door Joden die thuis zijn in Jerusalem heel exact naar Johannes
gestuurd met een precieze vraag.
De Tempel en de Schriften zijn aan de orde wanneer het gaat over de identiteit
van de mens die komt om te getuigen. Namen komen voorbij, mogelijkheden. Elia,
de vader van de profeten (die Mozes op handen draagt), dé Profeet, Jesaja,
die alles weet van ballingschap en bevrijding voor Israël en Jerusalem.
Wie is hij die met water doopt in afwachting van.
Het zou een zegen zijn wanneer de kerken er zich op zouden beraden, dat de Tempel
en de Schriften er toe doen wanneer het om en over de Messias gaat. Johannes
gaat ons daarin in ieder voor.
Vierde zondag van de Advent
2 Samuel 7, 1-5.8b-11.16
Psalm 89
Romeinen 16, 25-27
Lucas 1, 26-38
Kerugma jrg 52/2008
- Koning David, koning in Jerusalem, de koning te rijk, wint onze sympathie
door zijn kinderlijke charme. “Nou woon ik zelf in een prachthuis en de
Ark van God staat nog steeds onder een tentdoek.” David vindt dat niet
eerlijk. Grootgunstig wil hij voor God een huis bouwen, een huis God waardig.
Nathan, de huisprofeet, kan er alleen maar mee instemmen. Totdat een droom hem
wakker maakt. Niet David bouwt voor God een huis, maar God zal voor David een
huis bouwen – zoals hij dat altijd gedaan heeft, zo zal hij doen.
- Er blijkt etymologisch verband te zijn tussen denken en danken. Denken is
niet alleen het calculerende waar de ster van de reclamewereld of de sterren
van de wis en zekerkunde ons mee willen verlichten. Meer dan over (te) hebben
gaat denken over er zijn, op aarde onder de hemel bijvoorbeeld. De psalm geeft
voor-woorden. God heeft met David een verbond gesloten. Hij belooft onder ede.
Hij is zoiets als een vader kan en hoort te zijn, iemand op wie je rekenen kunt,
die je laat staan, zelf staan.
- Zo vlak voor kerstmis wil de liturgie ons brengen naar de wortels van ons
bestaan, naar God van voor onze dagen en na onze dagen, de eeuwige die ons laat
zijn. Dat is een geheim. Gezegd en verzwegen, eeuwenlang volgens Paulus, maar
nu, wederom volgens Paulus, zichtbaar gemaakt. Ons wordt te zien gegeven. Licht
daagt.
- Lucas weet voor zijn evangelie geen beter begin dan Jerusalem. In geuren en
kleuren worden wij door zijn verhaal meegenomen naar het heiligdom dat alle
verhalen draagt. Zacharias die optreedt met alle gewicht die een oude priesterlijke
heer kan hebben, heeft woorden gehoord die hem zeer verbazen maar – in
feite weet hij niet wat hij er mee aan moet. Zes maanden later is er zichtbaar
veel gebeurd. Zijn vrouw Elisabeth is onherkenbaar, zichtbaar veranderd. Daarna
wordt de aandacht verplaatst naar Nazareth of all places, een dorp van niets.
Drie optrekjes die boerderijtjes moeten voorstellen rond een kleine put. Naar
een meisje, een kind nog, Maria, nauwelijks een rechtspersoon, met nauwelijks
een recht van spreken. Als de woorden haar overvallen koestert zij ze niet in
het verborgene. Zij vraagt wat die groet kan betekenen. Lucas voert als eerste
kroongetuige een meisje op waar alles nog mee moet gebeuren. Zij hoort. Zij
is de de moeder van de gelovigen. Zij luistert en blijft luisteren.
De woorden maken haar ontvankelijk: mij geschiede naar uw woord.
Kerugma Jrg 55/2011
- De edelmoedigheid van David is goed in te voelen. Hij woont in een paleis
en de ark van zijn Heer verblijft in een povere tent. Hij wil God een huis geven.
Zelfs Nathan wil hier geen tegenstem bij zijn. Doe wat in je hart is want God
is met je. Daarop volgt de nacht en wordt Nathan wordt op het spoor gezet. Davids
leven wordt leerstof, wordt een boek dat voorlopig nog niet uit is. God heeft
hem tot hier gebracht en zal hem hier houden. Niet David zal God een huis geven,
maar God zal David een huis geven.
- Uit psalm 89 geeft de liturgie de verzen 2-5, 27. 29. Waarom vers 28 overslaan?
Ook maak ik hem tot eerst geborene, tot allerhoogste van de koningen der aarde.
Volgens de Psalm zijn dat woorden van tijd en eeuwigheid.
- Het slot uit de brief aan zijn mensen in Rome. Paulus eindigt met een volzin
waarbinnen hij nog de wording van het geheim aanduidt. De verkondiging aan de
volkeren. Paulus is daarmee begonnen aan de hand van de profetische geschriften.
Zo wil hij de volkeren (niet-Israël, in feite heel de wereld) brengen tot
het horen dat geloven eigenlijk is. Voor die taak is hij gegaan. Hij dankt God:
Aan die bij machte is jullie te bevestigen in mijn evangelie en in het kerugma
van/over Jezus Christus, aan de ene wijze God is door Jezus Christus alle gewicht
(toegekend, heerlijkheid) voor (tot in) alle tijden. Wanneer Paulus het evangelie
brengt, het goede verhaal vertelt, is het de Messias die de inhoud als ook de
verteller van het verhaal is. De rollen zijn hier dicht aaneen geweven, de boeken
één verhaal.
- Nadat Lucas zijn verhaal begonnen is in de tempeldienst in Jerusalem, bij
Zacharias die moeite heeft met wat hem aangereikt wordt, verplaatst hij de plek
van waaruit hij vertelt. Zijn verhaal kiest nu Nazareth of all places! Bijbels
gesproken een plaats die geen naam heeft. Naar een meisje dat geroepen wordt.
Verheug je, de Heer is met je. Boaz van Bethlehem spreekt zo zijn mensen op
het veld aan (Ruth 2,4). Wonderlijke, heel persoonlijke zaken gaan dan gebeuren.
Maria krijgt te horen over haar zoon. Zij zal hem de Heer bevrijdt, Jezus noemen.
Groot zal hij zijn, zoon van de Allerhoogste. Geheim van de Geest. Geheim van
het begin: dat het begonnen is.
Kerstmis – nachtmis
Jesaja 9, 1-3.5-6
Psalm 96
Titus 2, 11-14
Lucas 2, 1-14
Kerugma jrg 52/2008
- Ieder die in de kerstnacht ter kerke is gegaan weet van de duisternis. Het
volk dat in het duister wandelt. Zo lief als deze woorden klinken, zo en nog
schrijnender is om te beginnen de tekst van Jesaja. Zij die wonen in het land
van duisternis en dood. Als de duisternis niet duister is, dan zal het licht
ook nauwelijks licht zijn. Pas als de Ballingschap voorbij is, het juk, de stang
en de stok gebroken zijn, pas dan zal blijken hoe alles anders is: een kind,
een zoon. En de woorden stapelen zich op: een raadsman, een held, een vader.
Een kind waar je je bij thuis voelt.
- De velden zwaaien met hun gewassen en woudreuzen buigen hun kruin. Alles en
iedereen staat te juichen. De bevrijder is geboren, de Messias die ons opneemt
en meeneemt in de wijze waarop hij Heer is.
- Paulus schrijft aan Titus over Gods genegenheid bevrijding is voor alle mensen
– in het hebreeuws: die Jehosjoea is, Jezus is voor alle mensen. Niet
– zoals de vertalingen heden ten dage willen - op aarde. Het gaat niet
over aardrijkskunde, maar voor alle mensen. Het is in ieder geval menselijker,
persoonlijker. Tegelijk wordt de bedoeling aangegeven. Om ons te leren. Kerstmis
wil niet in ieder geval tegemoet komen aan ons gevoel. Het feest wil ons iets
leren. Leer af te zien van respectloosheid, leer af te zien van een economie
die alleen je eigen belang dient. Er zijn toch heel andere zaken die minder
ophef maken maar meer aandacht verdienen. Er zijn betere handvaten. Denk aan
bezonnenheid, rechtvaardigheid en hoogachting. Deze woorden overwegend kom je
bij het visioen, het tafereel dat Kerstmis ons aanreikt – een nieuw begin.
- Heel de wereld in rep en roer omdat de keizer klinkende munt wil zien. Een
volkstelling om helder zicht te krijgen op wat de staat kan vangen. Ieder op
reis, ook Jozef. Het wereldgebeuren krijgt profiel in een man en een vrouw.
Zij hoogzwanger. De tijd staat te breken. En er zal voor hen geen plaats zijn.
Voor hen niet in Bethlehem, voor hem niet in Jerusalem.
Het volk dat gaat in duisternis – de kerstgroep gaat hen voor, het evangelie
wil hier klinken, opnieuw beginnen. Over bezonnenheid, rechtvaardigheid en hoogachting.
Kerugma Jrg 55/2011
- In het duister gaan. Een heel volk waarvoor de eerste dag geen betekenis heeft.
En dan: Licht! Onwaarschijnlijk licht! Groot licht! Die op de akker van de schaduw
van de dood zitten, licht is gaan schijnen over hen. Tegenstellingen spatten
uiteen of bereiken het accoord van oogst, van te verdelen rijkdom. Weg is de
last, weg de stok van de onderdrukker. Want! Een kind is gegeven aan ons. Namen
proberen te benoemen waar geen namen voor zijn. Kan dat een mogelijkheid bieden
om het geheim van deze nacht op het spoor te komen?
- Een nieuw lied: alles is nieuw. Zijn bevrijding, in het hebreeuws jesjoeatho.
De volkeren worden betrokken bij Gods aanwezigheid en de betekenis die dat voor
de wereld en de mensen heeft.
- In een paar woorden alles zeggen. Paulus is uitgesproken voordat je iets gehoord
hebt. Alleen langzaam herlezen maakt het mogelijk, in die paar woorden binnen
te komen. Om te beginnen gaat het over God die genegenheid is. Zijn genegenheid
is bevrijding voor alle mensen. Die bevrijding komt ons tegemoet als een leerproces.
Daarbij gaat het over leren, niet meer “van God los” te zijn, af
te zien van wat de wereld najaagt. Oude woorden die weer als nieuw zijn: bedachtzaam,
rechtvaardig, toegewijd zijn in de tijd met het uitzicht op. En dat alles onderstreept
Paulus nog een keer van een samenvatting van zijn vertrouwen.
- Het geheim van deze nacht, trefzeker en met verve door Lucas op het doek gezet.
Heel de wereld als decor voor het kleine gebeuren dat blijkbaar niet aarden
mag of kan in Bethlehem, zoals het ook niet aarden zal in Jerusalem, maar toch.
Daar zal blijken dat je in het evangelie ondanks alles niet buiten de waard
kunt rekenen. Om te beginnen zijn er de engelen die woorden aanreiken voor wat
wij nog altijd proberen te verstaan. Over eer aan God. Over instaan voor de
vrede. Over een kind dat geboren wordt, altijd kwetsbaar en klein, altijd met
open handen voor wie zich geroepen voelt.
Kerstmis – dagmis
Jesaja 52, 7-10
Psalm 98
Hebreeën 1, 1-6
Johannes 1, 1-18
Kerugma jrg 52/2008
- Neem je de woorden van Jesaja ter harte, dan moet je je oprichten. Je moet
omhoog kijken (Omhoog de harten!), de bergen in die dit verhaal veronderstelt.
Kijk omhoog, de bergen op, en zie. Hoe prachtig op de bergen de voeten van de
vreugdebode. De Septuaginta (de griekse vertaling van de hebreeuwse bijbel)
vertaalt hier: de evangelist van wat je kunt horen (het verhaal) over vrede,
over bevrijding (Jesjoea: Jezus). Wat is dan dat goede verhaal over vrede en
over bevrijding? Dat is tegen Sion zeggen: je God is koning. Wat er ook gebeurt!
Uw rijk kome begint met dit verhaal.
Het kind dat met Kerstmis geboren wordt zal ons voorgaan, voorgaan naar Jerusalem
om daar zichtbaar te laten worden hoe God koning is.
- Psalm 98 neemt ons mee in wat allen verwondert. Zijn hand, zijn macht, zijn
weldaden, zijn gerechtigheid, zijn goedheid en zijn trouw ten gunste van Israël.
(Levinas schrijft dat de naam Israël in de Talmoed de aanduiding is van
een bepaalde kwaliteit van mens zijn. In die kwaliteit zal niet de economie
maar de achting voor de ander normatief zijn.) De vreugde van Kerstmis is daarin
exclusief dat zij inclusief is. Niemand wordt buitengesloten.
- Voor de brief aan de Hebreeën is het einde der tijden aangebroken. Niet
dat het morgen of overmorgen afgelopen is, maar het begint nu definitief te
worden. Wat eerder nog contouren waren wordt nu meer vastomlijnd. Na alle uitleg
(pro-feten: spreken namens, zij die stem geven aan het woord of die het woord
vertolken door daden zie veelzeggend zijn) is er nu het woord, de erfgenaam,
de zoon, voor wie, omwille van wie, met het oog op wie alles er is. Hij maakt
zichtbaar wat er in Gods ogen toe doet. Dat is wat het woord majesteit beoogt:
wat de doorslag geeft, wat er toe doet.
- Nu na de voorbereiding het evangelie in de Kerstnacht opnieuw wil beginnen,
nu de stem weer volop klinken gaat, opent de kerk in de dagmis zoals steeds
het evangelie van Johannes – Jochannan: God is genegenheid, God heeft
ons lief, houdt van ons.
Om te beginnen is er het woord. Waar de wetenschap zoekt naar een desnoods geluidsloze
oerknal waarmee alles min of meer begonnen is, als er tenminste zoiets als een
begin is – is het bijbelse verhaal al lang begonnen met het woord waar
het zich voor buigt. Met om te beginnen gaat het Boek van Alle Verhalen open.
Om te beginnen God schept de hemel en de aarde wil Genesis 1,1 vertellen. Om
te beginnen is er het woord zegt Johannes. De stilte is voorbij. Er is een woord.
Iemand ziet je staan. Iemand zegt al dan niet uitgesproken: mijn woord heb je,
van mijn woord kun je op aan. Als uit een hoorn van overvloed rollen de woorden
de wereld in. Woord. God. Het gebeurt. Leven. Licht. Mensen. Zelfs de dissonant
van niet aannemen, niet willen of niet kunnen, zal plaats maken voor aannemen
en vertrouwen.
Gods woord van voor alle tijden wordt een geschiedenis, kwetsbaar als een mens.
Hij heeft in ons midden gewoond, zegt de vertaling. Johannes zegt – wonderlijk
voor een tijd waarin mensen in huizen woonden – hij heeft zijn tent in
ons midden opgeslagen. Broos en vergankelijk, voorlopig binnen zijn als in een
tent maar ook meegaan, niet vergankelijk maar “meegankelijk”, meegaand
als een boek, als een volk onderweg door de woestijn van wat voorlopig voorlopig
is. Maar in ons midden, als ons midden. Zoals in het verhaal, in de woestijn
(Zie eventueel Numeri 2,2.)
Kerugma Jrg 55/2011
- Het goede verhaal wordt ingevuld. Vrede. Bevrijding. Dat God regeert betekent
voor Sion vrede en bevrijding. Het laatste woord leest in het hebreeuws: Jesoeah.
Oog in oog, als volk dus, in oogcontact, zullen zij de Heer zien terugkeren
naar Sion. De Heer troost zijn volk als verlosser van Jerusalem.
- Zijn bevrijding. (Zie de tweede bijdrage hierboven, bij Psalm 96.) Bevrijding
is het kenmerk van Gods gerechtigheid. Het zou te denken kunnen geven. Als de
daden van God de agenda vullen voor zijn mensen, dan moet het er toe doen. Als
“alles hetzelfde” moet blijven is bevrijding – toch steeds
een woord dat iets heeft van een ‘tegenwoordig deelwoord’, –
overbodig . De kerk heeft dan in de liturgie van vandaag geen psalm meer.
- De lezing uit de brief aan de Hebreeën heeft altijd iets van een plechtig
moment binnen de innigheid die eigen is aan Kerstmis. Eertijds, op vele wijzen,
in de laatste van deze dagen. Over de Zoon die ons tot erfgenaam maakt. Zestig
jaar geleden leerden we die woorden. Door de doop werden wij kinderen van God
en erfgenamen van de hemel. Het kind dat ik was had het met die woorden nooit
moeilijk. Het leek mij heel goed en bijzonder. Het was een vreugde daar bij
te horen. Intussen is het spreken over deze woorden zeldzaam geworden. Alsof
met Kerstmis de wereld niet ook voor ons open gaat.
- Altijd weer ontroerend die simpele tonen: begin, woord, God, het worden, het
leven en het licht. En dan pas de ruimte, de duisternis, de afwijzing. Tegen
die achtergrond komt Johannes om te getuigen van het licht dat ieder mens verlicht,
getuige van het woord dat ons gegeven wordt. Opdat het ons gegeven moge zijn,
Hem te aanvaarden die voor ons Woord, Leven en Licht te zijn. Jezus volgens
Johannes, de exegeet van God (Johannes 1,18).
Heilige Familie, Jezus, Maria, Jozef
Jezus Sirach 3,
2-6.12-14
Psalm 128
Kolossenzen 3, 12-21
Lucas 2, 22-40
Kerugma jrg 52/2009
- Ook al zijn er lezingen voor het B-jaar, het blijkt kerkelijk gangbaar geworden
te zijn dat vandaag de lezingen van het A-jaar gelezen worden. We missen dus
het prachtige verhaal over Abraham die tegen alle verwachting in meegenomen
wordt, naar buiten, om te horen over de sterren aan de hemel uitgezaaid als
beeld voor zijn zoon. De gebruikelijk geworden lezing wil ons iets anders laten
zien.
- De vader, de moeder
en het kind.
Jezus Sirach ziet hen beurtelings aan. De woorden die je hoort kunnen volstrekt
verkeerd gelezen worden. Je zou kunnen horen dat de vader zich als een potentaat
moet aanstellen en dat de moeder rechten heeft over haar zonen. Maar is dat
de manier waarop God iemand aanstelt? Gaat dát niet veel meer over iemand
die zich garant stelt? Over iemand die als een goede herder wil zijn, betrouwbaar?
Gaat het niet over iemand die het als een recht ervaart te zorgen voor haar
kind, een voorrecht. Misschien eer je je vader door hem te vragen. Alleen door
te vragen maak je de ander immers tot iemand die het te vertellen heeft. Leren
de verhalen ook niet dat je vader zoiets als je broer wordt, iemand die jou
aanziet?
- Waar het nauw luistert kan het verdriet intens, maar ook de vreugde nauwelijks
te beschrijven zijn. Psalm 128 zet de zorgen van elke dag in zijn eigen licht.
De vrucht van je werk. Tevreden zijn. Voorspoed. Wijnstokken, Olijventakken.
Het refrein kent het woord Godvrezend. Een woord dat aandacht verdient. Uit
heb begin van Exodus weten (van de vroedvrouwen) dat God vrezen betekent: leven
laten.
- Daar schuift de tweede lezing bij aan. Woorden om te wegen. Gezien ons feodaal
verleden verdient het woord onderdanig aandacht. Je maakt je ook tot een ondergeschikte
wanneer iemand je bedankt. “Niets te danken.” zeg je dan, of: “Tot
je dienst.” En: “Graag gedaan.” Niet harde taal, maar harte-taal.
- Het tafereel is bekend. Menige oude kerk laat het zien: Maria en Jozef met
het kind naar de tempel voor de reiniging. De tortelduif vertolkt een zeldzaam
soort vrede. Maar Lucas vertelt niet enkel onze herinnering. Op de eerste plaats
horen we drie keer achter elkaar; overeenkomstig de Tora van Mozes, de Tora
van de de Heer. (Vergeet even niet: rein en onrein gaat over horen bij de gemeenschaap,
en komen waar de gemeenschap is, of privé zijn, afgezonderd, voorbehouden.
Het heiligen van de eerstgeborene heeft ook te maken met de bevrijding uit het
slavenhuis. Zie daartoe eventueel Ex. 12,2.12 en15. Kijk naar de context. Simeon
komt helemaal omringt door (drie keer) de heilige Geest – de Hemel en
de Aarde toch één – troost.
(Laat nu Heer uw dienaar gaan in vrede kennen we uit het kerkelijke avondgebed
(Nunc dimittis). Het gevoel is dan veelal: Simeon ziet nu dat het goed komt.
Hij is tevreden. Hij wil nu wel heengaan om te rusten. Maar het zou kunnen zijn
dat wat vertaald wordt met laten gaan gelezen moet worden als vrijmaken. De
vrijmaking van de eerstgeborene.
Anna, Channah, genegenheid spelt haar naam. Phanuel is een vergrieksing van
het Hebreeuwse Pniël. Dat herinnert aan het gevecht in de nacht met de
engel, Genesis 32,24vv. Daar gaat het wezenlijk over het wederzien met de broeder,
verzoening tussen Jacob en Esau, ofwel Israël en de volkeren.)
Alles in deze lezing richt ons op wat komen gaat, verzoening, vrede. Uiteindelijk
is dat waar samen leven op uit is – als het een beetje lukt blijkt dat.
Kerugma Jrg 55/2011
Er werd vroeger wel op gewezen: na de liturgische kleur wit van de vreugde is
de tweede kerstdag altijd rood. Het rood van de martelaren. Dat roept in herinnering
wat Vondel zegt over de Onnozele Kinderen, de slachtoffers van Herodes, de “eerstelingen
van het zaad”. Vondel probeert in een Rei in de Gijsbrecht aldus Rachel
(geboren in Bethlehem, moeder van Israël) iets te zeggen nu zij het weigert
zich te laten troosten.
Bedruckte Rachel,
schort dit waeren:
Uw kinders sterven martelaeren,
En eerstelingen van het zaed,
Dat uit uw bloed begint te groeien,
En heerlijck tot Gods eer zal bloeien,
En door geen wreedheid en vergaet.
Blijkbaar is Kerstmis
niet alleen de vreugde om de geboorte van het kind. Blijkbaar markeert Kerstmis
ook de wreedheid waarmee mensen hun eigen gelijk doordrijven en elkaar naar
het leven staan.
- Stefanus is een diaken, een dienaar. Hij is een van de zeven mensen die de
apostelen zullen helpen bij het “dienen van de tafels”. Hij is een
man vol genade en kracht. Zijn wijsheid en geest is niet te weerstaan wanneer
bepaalde lieden proberen hem te provoceren. Lucas geeft in Handelingen 7 een
illustratief beeld van hoe zo iemand preekt in die bijbelse dagen. De lezing
begint bij de woede die zijn woorden opwekken. Terwijl zij beginnen te schreeuwen
en hem buiten de stad slepen om hem te stenigen ziet Stefanus de hemel open.
Hij ziet de heerlijkheid van God en Jezus aan Gods rechterzijde. Hij ziet dat
en zegt het ook. En terwijl zij hem stenigen zegt Stefanus: Heer, reken hun
deze zonde niet toe. (Op die plek komt Paulus in het verhaal binnen.)
- In uw handen beveel ik mijn geest. Jij hebt mij bevrijd, Heer, God van waarheid.
De waarheid is hier dat wat (mij) bewaart. In zijn vergaan weet Stefanus dat
God hem bewaart. En in vers 17: hosjiënie, wees mij Jehosjoea, bevrijder.
- Het is het hoofdstuk waarin Jezus de leerlingen uitzendt. In het gedeelte
dat wij lezen wordt het woord overleveren drie keer gebruikt. Overleveren aan
het gerecht en overleveren ten dode. Je hoort eigenlijk het evangelie in het
kort. Maar je hoort ook een getuigenis voor hen en voor de volkeren. En het
is de geest van de vader die in hen spreekt. En dat is de geest die we ook in
Jezus woorden horen.
Heilige Maria, moeder van God / Nieuwjaar
Numeri 6, 22-27
Psalm 67
Galaten 4, 4-7
Lucas 2, 16-21
Kerugma jrg 52/2009
- Circumcisio Domini heette het feest in het Romeinse missaal, maar “besnijdenis”
is voor wie het niet kent iets merkwaardigs. Het pasgeboren jongetje wordt opgenomen
in het verbond. Het kind krijgt zijn naam. Nu begint alles pas echt. De evangelielezing
zal daar vandaag ook mee eindigen.
1 Januari is Nieuwjaarsdag geworden omdat het de achtste dag van kerstmis is.
De week feest die kerstmis is maakt plaats voor de meer gewone tijd.
In de liturgische roosters die wij nu gebruiken is 1 januari het feest van Maria,
de moeder van God. In de kunstgeschiedenis is dit op onpeilbare manier uitgebeeld,
van Madonna met kind tot de jonge vrouw die in haar schoot het lichaam van haar
veel grotere maar dode zoon draagt (Pietà). Beelden die de wereld verkennen
en te denken geven.
- Opzienbarend begint de eerste lezing met de tekst van de Priesterzegen uit
het boek Numeri. God zegt aan Mozes hoe hij mijn naam over de kinderen van Israël
moet uitspreken. Zegenen is Gods naam in verband brengen met iets concreets.
Hoe verbindt je dan Gods naam met het volk?
Voordat de tekst begint met de “zegenbede” is er de inleiding. God
spreekt tot Mozes zeggend, spreekt tot Aaron en zijn zonen zeggend, zo moet
je de kinderen van Israël zegenen zeggend. Die herhaling is wegvertaald,
maar geeft de woorden die veelzeggend zijn, die alles zeggen wat gezegd zou
kunnen worden. In het hebreeuws zijn het drie, vijf en zeven woorden. Beperken
we ons tot de vijf in het midden. Daar staat (al te woordelijk weergegeven):
Doe lichten - de Heer - zijn aangezicht - over je - en zij je genegen. De aanhef
gaat over oplichten, over licht doen schijnen. God geeft licht. Hoe doet Hij
dat? Zijn Aangezicht over jou. Die woorden worden verpakt in de Heer …
zij je genegen. Het beeld dat zich opdringt is de moeder die zich buigt over
haar kind, de warmte van haar gezicht over het kind, een en al licht.
- Psalm 67 verkent de reikwijdte van die zegen. Barmhartigheid is dat wat bestaat
tussen de moeder en het kind dat nog niet geboren is: het leven van het kind
is afhankelijk van het welzijn van de moeder, het leven van de moeder is afhankelijk
van het welzijn van het kind. Een volop volwassen relatie tussen een mens en
een mens die er nog niet is.
Van slaaf naar zoon. Van volkomen afhankelijke naar zo goed als gelijke. Wat
is het verschil? Volgens Paulus in de brief aan de Galaten is dit het verschil:
Vader kunnen zeggen. Doen alsof je thuis bent, kind aan huis bent in de wereld
van dit woord.
- De herders maken het woord bekend dat ze in de velden gehoord hebben. En allen
die het horen verwonderen zich. Wie zijn die allen? Het verhaal wil daar ook
ons bij betrekken. En onze verwondering komt in het verhaal van Lucas terecht
bij Maria die al deze woorden hoort die in haar hart bijeen zijn gebracht. De
herders keren terug. Wat zij gehoord hebben en wat ze zagen is synchroon. Dat
alles komt bijeen in de achtste dag waarin Jezus het kind wordt van deze woorden
en Jezus gaat heten.
Kerugma Jrg 55/2011-12
- Wat heeft de samenstellers van de teksten voor de liturgie van deze dag doen
besluiten, de eerste lezing te nemen uit Numeri 6, de tekst die bekend staat
onder de naam: “de priesterzegen”? In ieder geval: daardoor komen
we in de tijd en tijding van voor onze tijden en horen we in de eerste lezing
van het nieuwe kalenderjaar God tegen Mozes spreken. Hij krijgt een bericht
voor Aäron en zijn zonen, voor Jan Zonder Land en allen die komen in zijn
spoor – want Priesters en Levieten hebben geen land. Hun land is de gemeenschap
van de kinderen van Israël. Hun armoede is hun rijkdom. Mozes moet hen
zeggen: Als je de kinderen van Israël zegent … Dat zij de kinderen
van Israël zegenen hoort blijkbaar tot de orde van de dag. …zeg dan
…Wat zij moeten zeggen terwijl zij zegenen, daar krijgen zij woorden voor.
Zegenen, Gods naam verbinden aan iets concreets, aan mensen, zaken, gebeurtenissen.
- Na het inleidende vers bevat de psalm 7 verzen, 49 woorden. Scheppingsverhaal,
menorah ook. Iedere arm heeft zeven woorden. Het woord dat bij ons gangbaar
vertaald blijkt met wees ons barmhartig maakt onzichtbaar dat de tekst hier
spreek over wees ons genegen – met de werkwoordstam die we ook tegen komen
in de naam Jochannan/Johannes. We komen dat woord ook tegen in de priesterzegen.
Zie hierboven. Dat hij zijn aangezicht – is dat niet ook het licht van
dag één – over ons doet lichten.
In de joodse traditie begint het dagelijkse ochtendgebed, het sjemoneh esreh,
in de eerste bede met de woorden, dat Hij de mens begunstigt met kennis. Het
volgende vers licht dit toe: om te doen kennen op aarde uw wegen. Ben Hemelsoet
zei in een college: “Wanneer Maria niet thuis was geweest in de Schriften,
zij zou geen woord begrepen hebben van wat de engel tegen haar zei.” De
afbeelding is bekend: Maria zit met het boek op haar schoot. Jezus staat als
kind naast haar en wijst iets aan in het open boek.
- In het voorafgaand spreekt Paulus over slaaf zijn van de grondbeginselen van
de wereld. Kun je zo ook als slaaf onderwerpen zijn aan de Tora? Is de Tora
dan een soort voogd? Of moet de betekenis van het woord slaaf minder gezien
worden in termen van Heer/slaaf, maar meer gezien worden in termen van afhankelijkheid,
zoals in de eerste regels van dit hoofdstuk?Hoe dat ook zij: Paulus brengt dit
alles naar voren om ons er aan te herinneren dat we kinderen Gods zijn dank
zij de Zoon van God. De geest van Zijn Zoon roept in ons Abba, Vader.
- Het verhaal van de engelen is de herders voorgegaan wanneer zij zich haasten
naar Bethlehem om daar “Maria en Jozef en het pasgeboren kind in de kribbe”
te zien. Alles wat zij van horen zeggen weten vertellen zij, en allen verwonderen
zich, alsof bij de allen ook Maria, Jozef en het pasgeboren kind horen, en natuurlijk
ook wij die getuigen worden: door het verhaal in de greep genomen. Maria bewaart
die woorden, wikt en weegt ze in haar hart. Het “pasgeboren kind”
krijgt zijn naam wanneer het besneden wordt.
Openbaring van de Heer
4 januari 2009
Jesaja 60, 1-6
Psalm 72
Efeziërs 3, 2-3a.5-6
Matteüs 2, 1-12
Kerugma jrg 52/2009
- Sta op, licht (van “lichten”), want je licht is opgekomen. Alsof,
wanneer het licht over je schijnt, je op kunt staan en licht kunt geven. De
glorie van de Heer, Zijn uiteindelijke en doorslaggevende betekenis, zijn Gewicht
is over jouw gerezen. Je voelt bijna het klassieke gebaar van de zaaier die
zijn arm kwistig uitstrekt over het land. Er zal toekomst zijn. Tijd van groei
en bloei. Van overal zullen ze naar je toe komen. Sla je ogen op en zie om je
heen. Nu de Heer zich laat zien wordt Jerusalem het middelpunt, brandpunt.
- Het feest van God die zich laat zien, de openbaring van de Heer. Want wat
gebeurt er wanneer hij de arme die steun vraagt de hand reikt en de ongelukkige
bevrijd?
- Efese was een wereldstad. Alle schepen op de Middellandse Zee legden daar
aan voor water en voedsel. Daar, midden in de wereld van de volkeren beschrijft
Paulus dat er voor God geen verschil is tussen Israël en de volkeren. Ook
de volkeren zijn in de zoon mede-erfgenaam geworden. Zij/wij delen mee in de
beloften vanouds.
- De teksten over die eerste dagen van het evangelie zijn zo schaars dat degenen
die de lezingen voor die eerste weken hebben voorgesteld zich in allerlei bochten
hebben moeten wringen om onze tijd op een lijn te krijgen met de evangelische
tijd.
Drie evangelies horen bij het feest van de verschijning van de Heer. De doop
in de Jordaan vieren we de volgende week. De bruiloft in Kana is even achter
de coulissen verdwenen. De eerste lezing is vanouds die over de wijzen die uit
het Oosten komen.
Uit het Oosten moet je horen vanuit Jeruzalem. Dan hoor je de Jordaan, de rivier
waar alles definitief gaat worden tussen woestijn en veelbelovend land mee.
De wijzen wekken op het eerste gehoor de indruk dat zij van meer weten. Waar
is de koning van de Joden die geboren is? Wij weten dat daarin meeklinkt wat
straks in Jerusalem op het kruis geschreven zal worden: Jezus van Nazareth,
koning van de Joden. Ze leggen hun vraag neer in Jeruzalem. De eerste die dan
reageert is Herodes. Hij schrikt en heel Jerusalem met hem. Zodra in Jerusalem
gesproken wordt over de koning zijn de kaarten geschud en is heel Jerusalem
van de partij. Tot en met de laatste steen zal niemand zeggen dat hij er niet
bij betrokken was.
Goud voor de koning. Wierook hoort bij de kerk, bij de Tempel. Mirre “met
het oog op mijn begrafenis”(Matteüs 26,12). Het evangelie begint
als een lijdensverhaal.
Kerugma Jrg 55/2012
- Sta op, schijn, want gekomen is je licht. Terwijl heel de wereld nog in duisternis
verkeert, door het duister bedekt wordt, licht het fel op over Jerusalem. Alles
wat God kan en vermag, vrijheid en bevrijding worden zichtbaar In Jerusalem.
En op trekken de volkeren. Ze heten je zonen en je dochters.
- Over de koning in het boek “De koning”, (van Kader Abdolah, 2010)
is veel te zeggen, maar men zal hem nooit kunnen betichten van wijsheid. Hij
is ook niet primair schuldig, maar rechtvaardigheid is bij hem ver te zoeken.
De koning in de psalm bevrijd de arme die steun vraagt, de ongelukkige die geen
hulp heeft. Hij ontfermt zich over …
- Het zijn nieuwe tijden, schrijft Paulus aan zijn mensen van Efese. Nooit is
het in de vroegere geslachten van de kinderen der mensen bekend gemaakt zoals
het nu door de Geest is geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten.
Waarom zoveel nadruk? Het laat Paulus beslist niet koud dat de volkeren in Jezus
Messias medeleden en deelgenoten geworden zijn. Wij mogen dat weten.
- Matteüs noemt eerst Bethlehem en daarna pas Jerusalem. Dat is een eerste
leesaanwijzing. Jerusalem mag en zal weten van haar afkomst. De wijzen uit het
Oosten vragen naar de koning der Joden. Blijkbaar gaat dat over een koning die
niet de hunne is. Maar zij zijn gekomen dank zij die ster. Daarop gaan de boeken
open. Bethlehem moet het zijn, want uit Bethlehem komt de leidsman die herder
zal zijn voor mijn volk Israël. Het verhaal oogt onschuldig. Ook Herodes
is van plan de pasgeboren koning te gaan aanbidden. Al zal nog blijken dat hij
daar een eigen koninklijke interpretatie aan geeft.
Goud voor de koning, wierook voor de tempel, mirre …? Matteüs gebruikt
dit woord nog een keer. Dan begint in het 26ste hoofdstuk het lijdensverhaal
op gang te komen.
Doop van de Heer
Jesaja 42, 1-4.6-7
Psalm 29
Handelingen 10, 34-38
Marcus 1, 7-11
Kerugma jrg 52/2009
- Het feest van de doop van de Heer is de afsluiting van de kersttijd. Jesaja
zet de toon met de dienaar die mijn dienaar is, mijn uitverkorene die mijn vreugde
is. Waartoe al die woorden? Wat zou dat dan? Mijn geest heb ik gegeven op hem.
Het jaar is nog maart net begonnen en er klinken al Pinkstertonen: de geest
op hem. Als God het Torenvolk van Babel niet meer wil zien, verstaan zij elkaar
niet meer. Als God zijn geest op iemand neerlegt dan is duidelijk hoezeer hemel
en aarde op elkaar aangewezen zijn, dat de woorden waar en betrouwbaar zijn
en dat het recht straalt over de volkeren: alle verhoudingen zijn goed. Jesaja
’s hart is vol. Zijn mond loopt over.
- De zee is in de bijbelse literatuur nooit wat zij in de regel langs de Noordzee
betekent. De zee is het beeld van wat onmogelijk en verbijsterend is, het gevaar
waarin geen plaats voor je is. Maar van over die wis en zekere dood heen schalt
de stem van de Heer. Allen die het horen maakt hij tot kinderen van God, kinderen
van de vrede.
Petrus houdt in de Handelingen van Lukas een rede over wat hem duidelijk begint
te worden. De God van Israël is niet eenkennig. Ieder die Hem vreest, dat
wil zeggen, ieder die het goede doet, is voor Hem een vreugde. Het verhaal over
Jezus is een lopend vuur geworden dat allen bijeen brengt rond Jezus die door
Johannes gedoopt wordt, gezalfd met Gods geest om rond te gaan en wel te doen
en te genezen.
- In het Boek Ruth trekt iemand (Ruth 4,7vv.) zijn sandaal uit als teken van
een bekrachtiging van een huwelijk. Johannes zegt dat hij die waardigheid niet
heeft. Na hem komt iemand die sterker is dan hij. Hij heeft dan geen bevoegdheid
meer. Hij doet niet meer dan dopen met water om alle ogen te richten op Jerusalem
en de vergeving van de zonden nu alles gaat beginnen.
- Het geschiedt. Jezus uit Nazareth in Galilea. Hij begeeft zich naar waar tot
nu een plaats was voor mensen die in Jeruzalem thuis zijn. Het staat er typisch
in het grieks van Marcus. Jezus gaat uit N. in G., om gedoopt te worden naar
de Jordaan toe door Johannes. Alsof Jezus gedoopt wordt met het oog op de Jordaan.
Hij staat daar: “Schipper mag ik over varen?” Als hij omhoog komt
uit het water splijten de hemelen. (Even denk je aan het water dat wijkt voor
de staf van Mozes!) Vanuit daar bij de Jordaan kun je verhaalsgewijs zo de hemel
in kijken om de geest te zien die als een duif neerdaalt op Hem – om Hem
tot een plaats te maken waar je kunt zijn.
Voel je, een beetje in de war gebracht door zoveel hemels toneelwerk, de vraag
opkomen, wat dit in ’s hemels naam betekent, dan klinkt terstond een stem.
Die spreekt over Jij – mijn zoon, welbemind. In jouw heb ik mijn vreugde.
Marcus maakt wie hem lezen of horen tot getuige van ongehoorde dingen. Met rode
oortjes kijken we op. Wat staat hier op het spel?
Aswoensdag
Joël 2, 12-18
Psalm 51
2 Korintiërs 5, 20 - 6, 2
Matteüs 6, 1-6.16-18
Kerugma jrg 52/2009
Omkeren luidt het refrein. Omkeren. Wij moeten ons omkeren, bijvoorbeeld naar
Jeruzalem om de verwachting op het spoor te komen die daar gekoesterd wordt.
Verzoening doen is een poëtisch woord, zeker wanneer je de Griekse afkomst
daarbij in het oog houdt. Poiein, doen. Een woord om te doen. Verzoenen is blijkbaar
niet een woord waar je passief bij bent: het is weer goed gemaakt voor jou,
je bent weer verzoend (geworden). Verzoenen is ook dat je jezelf weer de ruimte
geeft of leert hoe dat gaat. Weer naar buiten durven gaan, je ogen opslaan.
Weten van en geven om een betere wereld.
De rest van de lezingen op Aswoensdag bestemd voor de drie tekenen waaruit blijkt
dat je weet, dat een betere wereld mogelijk is, wenselijk. Daar zul je drie
dingen niet doen, dus drie dingen anders gaan doen, werkelijk doen. Het eerste
en het derde wordt voorgelezen in het evangelie. De tweede, de spil van de bergrede,
bidden we straks, voordat we ter communie zullen gaan, wanneer we Hem achterna
gaan zeggen: “Onze Vader”.
Daden van betrokkenheid zijn er niet voor de goede sier. Ze zijn er voor de
armen. Daar zie je het aangezicht van de vader die in de hemel is. Ook afzien
van je rijkdom en daarvan geven aan wie het nodig heeft, daar zie je het aangezicht
van je vader die in de hemel is. Aalmoezen en vasten zijn de paranimfen van
het gebed waarin wij Jezus nazeggen: Onze Vader. Broederschap, zusterschap,
de nabijheid als waren wij kinderen van een vader.
Op Grote Verzoendag staan drie werken centraal: Tsedaka, gerechtigheid, Tefilla,
gebed en Tsjoewa, omkeer. In het doen van deze drie wordt Gods verborgenheid
gekend. Dat is het loon van de rechtvaardige: hij openbaart in zijn werken Gods
verborgenheid.
Kerugma Jrg 55/2012
- De tekenen van rouw en bekering kennen we. Maar de profeet vraagt geen tekenen.
Hij vraagt gedrag. Hij vraagt eigenlijk een onmogelijk gedrag. Maar dat onmogelijke
gedrag is mogelijk omdat God in zijn genegenheid, barmhartigheid, geduld en
liefde eigenlijk onmogelijk is, het onmogelijke – dat wat wij zelf niet
meer kunnen, doet. Hij haalt ons uit onze schulp, onze routine, onze zelfgenoegzaamheid,
ja, misschien zelfs uit onze gemakzucht. Het kàn anders. Het zou nu anders
kunnen.
- De Psalmist doet een beroep op God als de rechter. Zijn vraag baseert zich
op Gods genegenheid en zijn “grote betrokkenheid”. Omwille van die
genegenheid en betrokkenheid moet God het vele dat verkeerd gedaan is uitwissen,
wegschrapen. Anders dan Adam en Cain weet de Psalmist zich verantwoordelijk.
Wat kwaad is in uw ogen heb ik gedaan. Hij staat voor Gods aangezicht. Werp
mij niet weg van voor uw aangezicht en neem uw heilige geest niet weg van mij.
Alsof een nieuwe schepping mogelijk is wanneer God naar deze wereld omziet –
wanneer Hij naar ons kijkt.
- “Het heeft geen doel. Het gaat nergens over. Het gaat elke kant op behalve
de goede”. Paulus steekt hier afwerend zijn hand tegen op. Laat je met
God verzoenen! Dank zij de Messias kunnen wij Gods eigen heiligheid worden.
Laat zijn genegenheid niet tevergeefs zijn. Vandaag begint een nieuw verhaal.
- Kun je uit Matteüs 6,1-18 het hart wegsnijden? Blijkbaar wel. Het programma
van Jezus – dat wat in Zijn leven zal geschieden – wordt daarmee
verborgen. De tekst die “daden van betrokkenheid” (aalmoezen) en
‘afzien van wat voor het grijpen ligt” (vasten) souffleert wordt
daardoor misschien beroofd van zijn kiemkracht. Immers: hoe zal het gaan als
God onze Vader is. Hoe zal het zijn als wij broers en zussen van elkaar zijn.
Hoe zal de aarde onze plaats zijn wanneer wij weten dat Hij in de Hemel is?
Hoe zal dat wonderlijke koningschap hier gestalte kunnen krijgen?
Eerste zondag van de Veertig Dagen
Genesis 9, 8-15
Psalm 25
1 Petrus 3, 18-22
Marcus 1, 12-15
Kerugma jrg 52/2009
- Noach uit de Ark heeft een hele wereld achter zich. Ook God lijkt te schrikken
van dit definitieve. Met Noach en alles wat met hem is sluit hij een verbond.
Allen zijn voortaan niet alleen maar kinderen van Adam maar ook kinderen van
Noach, overlevenden. Dit is het Noachitische verbond dat alle levenden omvat.
De regenboog wordt het teken van “nooit meer”.
- Fundamentele woorden klinken in en rond psalm 25: goed en betrouwbaar, betrokkenheid
(barmhartigheid), ontfering. Voor wie probeert te leven als in het verond is
er een uitnodiging, een weg, een project.
- Petrus legt uit dat het water van de zondvloed een voorafbeelding is voor
het water van de doop waardoor wij aan de overkant gekomen zijn en delen in
de verrijzenis van Christus.
- De geest drijft Jezus naar de woestijn. We kennen dat verhaal. Toch is Marcus
er heel kort over. Je houdt je hart vast voor “woestijn”, “satan”,
“wilde dieren” – maar er blijkt eigenlijk niets aan de hand.
Engelen bewijzen hem hun diensten. Tussen de Jordaan en Galilea is de woestijn
niet bedreigend.
De overlevering van Johannes zet de toon, markeert bij Marcus het begin van
de verkondiging: De tijd is gevuld geworden. De manier van het koningschap van
God is op handen,
Kerugma Jrg 55/2012
- Dat wij volgens de bijbelse traditie kinderen van Adam zijn weten de meeste
mensen wel, zelfs als ze dat niet geloven. Dat wij volgens diezelfde traditie
ook kinderen van Noach zijn is minder geweten. Betekent dat dan iets? Het zou
bijvoorbeeld kunnen betekenen dat wij weten, werkelijk weten, als getuigen weten,
dat er zoiets als een mondiale catastrofe bestaat, dat wij weten dat we ontkomen
zijn aan wat geen mens overleeft. Overlevende zijn is heel iets anders dan zo
maar, voor de vuist weg uit je dak gaan. Wellicht weet je dan dat er een samenhang
bestaat en dat wonderen mogelijk zijn. Genegenheid en aangeboden verantwoordelijkheid.
- I did it my way let me do it your way. Laat mij zien hoe jij het doet en leer
dat mij. Als de eigenschappen van God op de eerste plaats een opdracht zijn
voor de mens (God is rechtvaardig: het is mijn taak om rechtvaardig te zijn
– niet jouw taak. Daar ben jij verantwoordelijk voor. Ik ben verantwoordelijk
voor wat mijn opdracht is! God is geduldig: het is mijn taak geduldig te zijn),
dan wordt in het begin van de 40 dagen een nieuw perspectief geboden. Herschepping,
denk aan het Heilige Geest van Aswoensdag, blijkt vrijheid en bevrijding te
zijn. Het verleden màg dan het verleden zijn. Een nieuwe tijd dient zich
aan.
- Gedood naar het vlees, ten leven gewekt door de Geest. Het geweld waarmee
wij elkaar naar het leven staan kan Hem niet klein krijgen. Hij gaat rond. Wie
in de kerker zitten, wie niet los kan komen, spreekt hij aan. We hebben Noach-allure.
We kunnen ons laten interrumperen en meegaan met de woorden. Het doopwater als
een ark, maakt overleven mogelijk, dank zij de opstanding van Messias Jezus.
- De leeuw van Venetië, San Marco, vindt in de tekst van vandaag zijn voor-beeld,
zijn tekst: de wilde dieren belagen Hem in de woestijn. (Dat wilde dier kan
bekend zijn uit de geschiedenis van Jacob, wanneer hij radeloos het verscheurde
gewaad van zijn zoon vasthoudt. Genesis 37,33!). Meer dan een incident wordt
hier in beeld gebracht, ook al wordt de dreiging draagbaar gemaakt door de engelen
die Hem dienen.
De dreiging wordt opnieuw verklankt door de naam van Johannes. Hij is nu al,
terwijl alles nog beginnen moet, vastgezet. Maar het verhaal van Johannes wordt
daarmee acuut. De maat van de tijd is vol. Gods koningschap staat voor de deur.
Omkeren en vertrouwen, dat is de aanhef tot een verhaal dat alles in zich heeft
om goed te zijn.
Tweede zondag van de Veertig Dagen
Genesis 22, 1-2.9a.10-13.15-18
Psalm 116
Romeinen 8, 31b-34
Marcus 9, 2-10
Kerugma jrg 52/2009
- Abraham, de vader van de gelovigen maakt in de eerste lezing zijn opwachting.
(Het is zonde dat nota bene dit verhaal zo respectloos gekortwiekt is.) Zoals
zijn geschiedenis zijn verhaal werd in Genesis 12: jij ja, ga, uit, uit, uit
naar, zo klinken dezelfde korte woorden: jij ja, ga, maar nu: … en neem
je zoon, je enige, van wie je houdt, Isaak. Abraham moet zich in dit verhaal
los gaan maken van het kind waar hij heel zijn leven naar toe heeft geleefd
en die hij nooit meer zal loslaten. Hij moet zijn zoon gaan optillen in het
verbond, in dat wat hem bindt – hem, zijn zoon, hem, ook Abraham. En Abraham
gaat. Allen God zelf, een engel bij wijze van spreken, zal hem kunnen tegenhouden.
En dat alles om af te leren en te leren. Afleren: mijn zoon. Leren: mijn zoon.
Alles wordt anders.
Nooit is beweerd dat leven in het verbond zoiets is als leven in een bloeiende
tuin of met een verzekering die overloopt van rendement. Mens zijn op aarde,
onder de hemel, is een hachelijk avontuur. Maar steeds opnieuw zal de mens terugkomen
naar het geheim van de stilte om de woorden te proeven: ik mag weer leven onder
Gods oog.
- Alleen voor wie het leven niets bijzonders is, altijd hetzelfde, gebeurt er
uiteindelijk niets. Maar in het verhaal van Isaak (en Noach) wordt ons te verstaan
gegeven, dat leven niet vanzelfsprekend is. “Ik mag weer leven onder Gods
oog in het land van de levenden”. De woorden van de psalm brengen het
proces in beeld: gebogen, je oprichten, en gaan en staan – uiteindelijk
zelfs op het grote plein voor het huis van de Heer.
- Het fragment uit de brief aan de Romeinen confronteert je met een volstrekt
zekere Paulus. Wat kan ons overkomen! Alles heeft Hij ons gegeven, zelfs zijn
zoon. Zal Hij ons dan ook niet al het andere geven? Vrijspraak, een nieuw begin.
- Petrus, Jacobus en Johannes worden de kroongetuigen van zijn opgang naar de
hoogte in alle eenzaamheid. Alles tekent zich voor hun ogen af: Jezus met de
profeet Elia en de leraar Mozes. Volstrekt overrompelend weet Petrus niet anders
dan iets uit te brengen over drie tenten. Dan is er die sprekende wolk die zijn
schaduw over hen uitspreid met de woorden: mijn zoon, de welbeminde, luister
naar hem. Wat er ook gebeurd is, ons zal te horen gegeven worden, woorden die
voortdurend weer als nieuw willen zijn.
Daarmee is uiteindelijk nog niets duidelijk geworden. Want “opstaan uit
de doden” – wat mag dat betekenen. Die vraag leggen de drie kroongetuigen
voor ons neer.
Kerugma Jrg 55/2012
- Wanneer je bekomen bent van je schrik om de verminking die het leesrooster
overlaat van Genesis 22 zou je er toe over kunnen gaan, toch maar het hele verhaal
te lezen, door te lezen en voor te lezen. Geef het de ruimte. Laat de onvoorstelbare
trouw van Abraham horen. Laar horen hoezeer hij van zijn kind, zijn Enige houdt
en hoe hij dat kind, zijn leven, toch af wil staan omdat het hem niet toebehoort.
Laat horen hoe de engelen hun adem ingehouden hebben over dit onwaarschijnlijke
dat een mens voor God en voor zijn kind door het vuur wil gaan. Blijkbaar hebben
vele generaties mee moeten maken hoe hen alles ontnomen werd en zijn zij toch
opnieuw begonnen en verder gegaan, zeker van Gods zegen. (Zie eventueel http://www.bijbelse-katechese.nl/02_genesis/vaderen)
- Het lijkt wel vooraan op de tong te liggen: Ani anithi meod, Ik, uitdrukkelijk
genoemd, heb zeer te lijden (v. 10). De tekst neemt dat ook niet terug. Het
lijkt bijna een rustpunt. Toch, wat hier tot rust komt is: Ik ben blijven vertrouwen,
ik heb mijn vertrouwen bewaard. Asjeblieft, of toe nou! De uitdrukking in vers
16 is bijna een overlopen van vertrouwen, bijna eenheid. Ik ben je dienstknecht.
Twee keer zegt de tekst dat, versterkt door de zoon van je dienstmaagd. Alsof
dienen en tot uw dienst hem aangeboren is. Dat deze woorden in messiaans perspectief
gelezen mogen worden lijkt uit deze woorden te spreken. Het verder verloop van
de tekst ondersteunt dit vermoeden.
- Volgens Paulus is God extreem partijdig. Hij kiest zo partij voor ons dat
hij zijn lief kind niet spaart. (God als Abraham in Genesis 22!). Zelfs de klacht
van zijn kind kan hem zijn welwillendheid jegens ons niet afnemen. Misschien
zal zelfs de Messias Jezus Hem, God veroordelen? Die twijfel zaait Paulus in
ons hart om tegen de achtergrond van dit bange vermoeden stelt Paulus: gestorven,
meer nog opgewekt, om gezeten aan Gods rechterhand onze zaak te bepleiten. Als
God zo vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn?
- De aanhef van het verhaal geeft na zes dagen. Wie dat weten wil begrijpt dat
we worden uitgenodigd tot een van de geheimen van de zevende dag. Het wordt
de dag van een hele klim. Met de drie leerlingen worden wij meegenomen om op
zekere hoogte ingewijd te worden in kath’idian, in dat waar hij eigen
is, in het zijne. In het licht van dag één (hier dus de 8ste,
de dag over de sabbat heen) ontwaren wij zijn gewaad – de vader is immers
begonnen te spreken: licht moet er zijn – ontwaren we Elia en Mozes. Ook
de volgorde van die namen, de laatste die het eerste is, brengt ons terug naar
het begin. Petrus begrijpt dat hij nu wel moet aangeven, hoe goed het is. Taal
van iemand die verbluft is, fluistert Marcus. De stem zet hem in de geuren en
kleuren van Genesis 22. Degene naar wie de vader van de gelovigen iedere dag
naar uitgekeken heeft , de beminde zoon.
Als zij later naar beneden gaan, zo horen we, vragen zij zich af wat dat betekent:
opstaan uit de doden.
Derde zondag van de Veertig Dagen
Exodus 20, 1-17
Psalm 19
1 Korintiërs 1, 22-25
Johannes 2, 13-25
Kerugma jrg 52/2009
- De Tien Woorden. Niet in ‘gebiedende wijs”, maar vooral “als
toekomstmuziek”. In de woestijn krijgt het volk te horen: als je met deze
God in zee gaat dan zal eens de tijd aanbreken dat je niet meer je heil overal
en nergens zoekt, dat je niet meer leeft van de moord en doodslag, van roof
en roddel. Tien klinkende klokken die vrijheid en bevrijding vertolken als uitnodiging
voor wie oren heeft.
- Woorden uit Psalm 19 maken ons gewillig, leggen de woorden in onze mond, woorden
van de Heer. Een licht voor het oog. Smakelijk als honingzeem.
- Maakt Paulus het zichzelf niet een beetje erg gemakkelijk? Misschien schrijft
hij het vanuit een grote bezetenheid. Het is waar: mensen zoeken vaak het uitstekende,
het bijzondere. Paulus zegt: wat dat betreft is het christendom gebaseerd op
een heel ander verhaal, namelijk dat van de Messias die aan het kruis gehangen
is. Iemand die van God en mens verlaten is. Dat is toch aanstootgevend, dat
is toch geen begin van wijsheid. Paulus ziet dat anders. God ontfermt zich over
deze uitgestotene en daarmee begint een heel nieuw verhaal voor allen die geroepen
zijn.
- Johannes 2. Het evangelie van Johannes is net begonnen en we moeten al naar
Jerusalem om getuige te worden van wat daar gebeurt. In wat hen of ons heilig
is maakt hij ruimte voor wat hem heilig is. Het huis van de vader is ondanks
de neringdoenden geen winkel. Wat Jezus doet geeft die hem volgen de eerste
rol: zij herinneren zich. De herinnering maakt de schriften open en het geheim
van de tempel zichtbaar. En nu al schrijft Johannes wat er na zijn verrijzenis
zal gebeuren: de leerlingen herinneren zich zijn woorden en ze gaan vertrouwen
in de Schriften en in het woord dat Jezus spreekt.
Johannes wijst er op dat de herinnering het kenmerk van de leerling is. Die
opent de schriften.
Kerugma Jrg 55/2012
- Exodus 20 geeft het Magna Charta van de vrijheid en bevrijding. Niet de tien
geboden maar de 10 woorden, tien klinkende klokken die het perspectief laten
horen dat oplicht wanneer je zoals het eerste woord zegt, met deze God die slaven
bevrijdt in zee gaat. Na het alles samenvattende eerste woord over de “Ik”
van dit verhaal en wie Hij is, al die fragmenten toekomstmuziek – geen
catalogus van aanklachten maar oefenmateriaal voor een toekomst die geheel anders
is, leerstof over aangeboden samenhang met respect voor de uniciteit,de armoede
en de rijkdom van ieder. En over de heilige sabbat, de heilige tijd die ons
bijeen kan brengen om steeds opnieuw weer te leren wat het wonder van “wij
samen” (met dank aan Bisschop Zwartkruis die dat indertijd vaststelde
en verkondigde: “De Kerk, Wij Samen”).
- Nadat de schepping bezongen is gaat de psalm nu over tot het onderricht, de
traditie, de Tora. Gods woord, de Tora, herstelt de ziel. De ziel: ik op z’n
“ikkigst”, ik in de kern van mij bestaan. Het oog, de hand, de voet,
elk vindt zijns wils. Maar waar kan de mens zelf terecht? Hier biedt het woord
van God zich aan. Betrouwbaar, vrijspraak, voorspraak, vreugde. Daarom spreekt
vers 10 in de hebreeuwse tekst over de vreze des Heren. Dat heeft niets te maken
met angst. Denk aan het duitse Furcht in Ehrfurcht. Het gaat over ontzag, diep
gevoeld respect. Volgens psalm 111,10 is deze eerbied het begin van de wijsheid.
- De moeilijkheid van de tekst is dat Joden en Heidenen bij elkaar opgeteld
(kun je appels en peren met elkaar optellen?) samen de wereld vormen. Zij vormen:
wij en zij. En daartussenin (ook in de grafiek van de tekst) staan wij, Paulus
en de zijnen met het verhaal waar zij/wij van over lopen, de verkondiging: de
gekruisigde Messias is Gods vermogen en wijsheid. God lijkt niet wijs, maar
is wijzer dan de mensen. Aan het kruis blijkt zijn zwakte sterk. Als internationale
havenstad is Korinte wel wat gewend. Maar dit! Met geweld geeft Paulus hier
eerste woorden aan zijn verhaal voor zijn mensen.
- Nog steeds is het Johannes-evangelie bezig te beginnen. Paasfeest van de Joden
betekent voor Jezus: op naar Jerusalem. Alsof die stad Hem eigen is. Voor onze
ogen speelt zich een tumult af dat zichtbaar maakt wat er aan de hand is, wanneer
de tempel het huis van mijn vader wordt. Dat is geen winkel van vroomheid, hoe
goed bedoeld en hoe praktisch ook, voor pelgrims en voor handelaars.
Voor de leerlingen gaan in dit geweld de boeken open. Waar zij het van zullen
moeten hebben begint hier: Zij herinneren zich. De instanties keren zich tot
hem: welk teken? Wat zullen wij gaan zien? Wat laat jij ons zien! Nu al de vraag
naar Johannes 20. Zij menen dat weg te kunnen wuiven. Het precieze getal brengt
veertig jaar in herinnering, de tijd in de woestijn, maar ook het verhaal over
de dagen van de werken van het begin. Daarmee liggen de boeken open. Wanneer
Hij verrezenis uit de doden herinneren zijn leerlingen zich dat Hij dit gezegd
heeft. Van nu af aan lopen de Schrift en de woorden die hij spreekt in de herinnering
der leerlingen synchroon.
Vierde zondag van de Veertig Dagen
2 Kronieken 36,
14-16.19-23
Psalm 137
Efeziërs 2, 4-10
Johannes 3, 14-21
Kerugma jrg 52/2009
- Een lezing uit het tweede boek van de Kronieken wekt verwondering. In de Joodse
bijbel hoort dit boek bij het derde deel van de bijbel, de Geschriften. Daarin
reageert het volk op de Tora en op de uitleg door de Profeten. Het gedeelte
dat wij vandaag horen vat heel die wonderlijke geschiedenis van Israël
rond de Babylonische Ballingschap samen een geeft een evaluatie.
- Psalm 137 overweegt de Ballingschap, het verdriet over de ontheemding, het
heimwee naar de dagen vanouds in Jerusalem.
- De knipseldienst rond Paulus brengt ons vandaag naar een fragment uit de brief
aan de mensen van Efese. Paulus wekt de indruk terdege te weten dat de naam
Jezus bevrijding betekent. Onze bevrijding danken we aan Gods genegenheid. In
de messias ontvangen wij gratie, de mogelijkheid van een totaal opnieuw beginnen.
In de 40-dagen tijd willen we ons dat wel voorhouden. En Paulus gaat uit van
het geheim: God is rijk aan erbarmen – het gaat Hem aan – en rijk
aan liefde. Daarom heeft hij ons in de verrezen Messias het leven gegeven. En
ook als je dit niet begrijpt: zeker is volgens Paulus, dat God meer om ons geeft
dan wij ons kunnen voorstellen. Is dat niet wat altijd ook gebeurt wanneer mensen
om elkaar geven. Daar kun je leren wat liefde en betrokkenheid, erbarmen –
iets dat je aan je lijf komt – betekent.
- De tekst die wij kennen als Johannes 3 is gedateerd. Zie Johannes 2,23. Het
is Pasen in Jerusalem. Zie 3,2: in de nacht. Het is Paasnacht in Jerusalem en
Johannes presenteert het gesprek tussen Jezus en Nicodemus. Het kan die nacht
alleen maar gaan over slavernij en bevrijding, over hoe lang de weg, hoe uitzichtloos
maar ook, hoe toch … Het is weer een van de dieptepunten in dat verhaal.
“Waarom heb je ons uit Egypte gevoerd? Om te sterven in de woestijn?”
Vurige slangen gaan tekeer in Numeri 21,4-9. Dan komt het volk tot inkeer en
God gebiedt Mozes de koperen slang op te richten in de woestijn. Wie opziet
wordt genezen. Zo zal het ook geschieden met de Mensenzoon. Om naar op te zien.
Volgens Johannes is dat opzien, dat vertrouwen zoiets als een nieuw licht.
Kerugma Jrg 55/2012
- De verwoesting van de Tempel in Jerusalem, beter van Het Huis van de Heer
in Jerusalem in de oertijd, ver voor het begin van de christelijke jaartelling,
is een litteken dat nog steeds pijn doet. Troostend hebben de leraren gezegd:
God had geen andere mogelijkheid meer dan het afbreken van zijn Huis. Pas in
de rouwtijd van de Ballingschap komt het volk weer bij zinnen en de toezegging
van Cyrus maakt mogelijk wat geen mens meer durfde te dromen, dat God zijn Huis
zal herbouwen. En wij, christelijke lezers, zouden er over kunnen peinzen: zijn
huis, zijn zoon. Waar Hij uit gebouwd is, waar wij uit gebouwd zijn. (Huis en
zoon zijn in het hebreeuws afgeleid van het werkwoord bnh dat bouwen betekent).
- Droefheid of een stekende pijn. Liederen kunnen niet meer. Maar ook als zingen
niet meer mogelijk is, er blijft een echo. Een stem fluistert de oertijding,
het eerste en laatste liefdeswoord, samenvatting van alles: jij, Jerusalem!
In alle verlorenheid toch horen dat in de aanspraak het laatste woord nog niet
gezegd is.
- Het hoeft geen kwade opzet tot uitvoer gebracht te zijn. Zonde kan ook aangeven,
hoezeer je buiten staat, hoe niet verbonden, niet betrokken. Buitenstaander
in het leven dat aan je voorbij gaat. Daar wordt je geroepen. Daar bereikt je
een stem van de overkant. Iemand nodigt je uit, ik te proberen, ik te zeggen,
als eerste woord, eerste belijdenis. Zo worden wij met de Messias ten leven
gewekt: delen wij zijn verlatenheid en zijn opstaan. Goedheid jegens ons in
de Messias, Gods gave. Scheppen: noemen, een plaats geven.
- Omdat Marcus kort van stof is lezen we dit jaar ook grote delen uit Johannes.
Vandaag zitten we, tijdens de paasnacht (Johannes 2,23) in Jerusalem. Met Nicodemus
peilen we Pasen. De hooggeheven Messias als de koperen slang in de woestijn.
Om naar òp te zien en daarmee ogen en oren een richting te geven. Zin,
richting, waar het naar toe gaat, waar het uiteindelijk over gaat. Wat oplicht.
Over God die liefde is. In zijn lief kind geeft Hij zichzelf. Opdat de wereld
zal kunnen leven. Wie dienovereenkomstig probeert te doen, wie daden van genegenheid
doet, kiest voor het licht waar de schepping mee begint. Zijn daden blijken
in God gedaan te zijn.
Vijfde zondag van de Veertig Dagen
Jeremia 31, 31-34
Psalm 51
Hebreeën 5, 7-9
Johannes 12, 20-33
Kerugma jrg 52/2009
- Er staat n het hebreeuws niet “Er komt een tijd”. Er staat: “Zie
de dagen komen – woord van de heer … Niet het sprookjesachtige van
eens, ooit, maar meer een soort inbraak, inval. Je hoeft maar op te zien dan
zie je: de dagen komen. En niets en niemand kan dat tegenhouden: woord van de
Heer. Niet alleen met Israël, maar “met het huis van Israël
en met het huis van Juda een nieuw verbond”. Dat huis van Israël
bestaat in de dagen van Jeremia al bijna geen 200 jaar meer. Alleen Juda, zeg
Jerusalem en omgeving, is nog over. Toch, als hadden de ramp die geschiedenis
heet zich niet voltrokken, een verbond, nieuw. In hun binnenste, in hun hart
geschreven. En waarom dat allemaal? Dan hoeft niemand meer een ander voor te
houden. Dan weet ieder zelf. Alles is nieuw.
- Psalm 51, de psalm van de grote inkeer. “Verdelg mij niet van voor uw
aangezicht en neem uw heilige geest niet van mij weg”. De geest is, leven
voor zijn aangezicht. Als God naar deze aarde ziet.
- De Messias heeft zich niet onttrokken. De Hebreeënbrief zegt dat Christus
“onder luid geroep en geween gebeden en smekingen heeft opgedragen aan
God die hem uit de dood kon redden.” Door zijn ja-woord is hij oorzaak
geworden van heil naar Gods maat.
- Het is de enige keer dat niet Joden expliciet voorkomen in het evangelie van
Sint Jan. En dan zijn het nog eigenlijk een beetje wereldvreemde “Grieken”
ook. Ze trekken op om te aanbidden tijdens het feest. Niet zoals je zou verwachten
“optrekken naar Jerusalem”, maar “om te aanbidden tijden het
feest”. En nog wonderlijker: ze klampen Filippus aan. “Heer, wij
willen Jezus zien.” We hebben bij Sint Jan net Lazarus uit het graf gehad
en de intocht in Jerusalem. “Wij willen Jezus zien”. Andreas wordt
er bij gehaald en gebroederlijk leggen ze Jezus de door het feest mogelijk gemaakte
vraag voor. Jezus zet daarop in met als grondtoon: “Het uur is gekomen.
Amen Amen – het is waar en betrouwbaar, ik zeg jullie”.
Dan komt het verhaal over de graankorrel en de aarde, de dood en het leven.
Dat is desgevraagd het antwoord van Jezus op de vraag aan Filippus: “Heer,
wij willen Jezus zien”.
Kerugma Jrg 55/2012
- In Deuteronomium 5,3 wekken de woorden nog steeds verwondering: Niet met onze
vaderen heeft God een verbond gesloten maar met ons zoals wij hier heden allen
in leven zijn. Iets dergelijks zegt Jeremia. Er komt een nieuw verbond. Onze
harten zullen de tafelen zijn waarop Gods zijn woord uitschrijft. Uitschrijven,
beschrijven, omschrijven – identificeren door een eigen handschrift. Groot
en klein kent men dan. Dit moet een wonderlijke verkondiging zijn. Kinderen
hoeven niet eens meer apart.
Het engelse for-giving suggereert dat er een gave is die aan ieder geven of
vragen vooraf gaat.
- Zie de tekst bij Aswoensdag. Maar de verzen 14 en 15 voegen zich daar aan
toe. De vreugde over uw bevrijding. Het hebreeuwse woord voor bevrijding maakt
de naam Jezus leesbaar. Dit inzicht leidt tot leren en inkeer, ommekeer.
- Onder luid geroep en geween bidden en smeken tot God die Hem uit de dood kan
redden. De Hebreeënbrief ontwijkt de uiterste kwetsbaarheid van de Messias
niet.
In de school van het lijden leren luisteren. Kun je van het lijden iets leren?
Het is confronterend en onontkoombaar. Daarmee de mogelijkheid van een nieuw
begin. En om Zijn lijden heeft God naar Hem gehoord. Nieuwe verhoudingen zijn
mogelijk geworden. Om bij stil te staan.
- We komen in de buurt van Pasen. Het verhalende deel van Johannes loopt naar
zijn einde. Grieken, typische Grieken, namelijk mensen die voor het feest optrekken
naar Jerusalem, klampen Filippus aan, de man die zo snel al gevonden is en vinden
laat (Johannes 1,44-46). Bij Filippus leggen ze hun presentie als vraag neer:
Wij zouden Jezus graag spreken. Met Andreas gaat hij naar Jezus. Daarmee is
de tijd vervult, blijkt het uur aangebroken. We horen het verhaal van de graankorrel.
(In vers 36 verbergt hij zich. Welke oogst tekent zich af in de hoofdstukken
die komen gaan?)
Palmzondag
Jesaja 50, 4-7
Psalm 22
Filippenzen 2, 6-11
Marcus 14, 1 - 15, 47
Kerugma jrg 52/2009
- in de tekst van Jesaja is een wonderlijk mens. De gave van het woord heeft
voor hem een speciale betekenis: mensen die geen moed meer hebben moed geven.
Elke dag begint voor hem het woord van God opnieuw. God spreekt. Hij luistert
met overgave. Het heeft hem wel alles gekost, maar wat zou het, lijkt hij te
zeggen. Het woord van de Heer geeft hem bemoedigingstaal.
- In Psalm 22 identificeert de gemeenschap zich vandaag met de lijdende messias.
Als het leed ten diepste gedragen is komt de verrassing: ik zal over U vertellen
te midden van mijn broeders.
- Vernederd en vermoord. Vandaag en de dagen die komen gaan, zijn niet om uit
te leggen. Ze dienen er toe, om ons stil te laten staan. Paulus zegt: gehoorzaam
geworden tot de dood. Over deze ontkende mens ontfermt God zich en hij verheft
hem, geeft hem een naam boven alle namen. (Zoon van Abraham – zie Gen
12,2 – geeft Matteüs als aanhef.) Krijgt hij die naam omdat hij zich
niet beroepen heeft op weten, maar op horen, op zich laten zeggen?
Met Marcus tellen we de laatste dagen. Twee dagen voor het Paasfeest. Op de
eerste dag van het ongezuurde brood. Leerlingen worden uitgestuurd om de paasmaaltijd
voor te bereiden. Zo begint de laatste avond. Je houdt je hart vast. Telkens
opnieuw weer maakt het verhaal ons tot getuigen van waar geen woorden voor zijn.
Kerugma Jrg 55/2012
- Ehe Sprache Ansprache war. Waren wij niet toegesproken, wij zouden nooit zijn
gaan spraken. En de woorden die wie spreekt ons aanreikt zijn woorden die hij
of zij ook weer van horen zeggen heeft. Toch dicteren de woorden niet ons spreken
maar door al dat verleden materiaal in te zetten bereiken wij het heden, spreken
wij hier en nu. Staan wij, vrij. Is het geheim van de Messias dat hij iedere
morgen luistert, dat Hij daarom ook geslagen wordt maar dat Hij er daarom niet
onderdoor gaat? Zoals Hij gesproken heeft, zo zal hij spreken.
- Als iedereen je uitlacht! Als je niets en niemand meer hebt! Als je aan de
heidenen bent overgeleverd! Na de honden, de meute van de kwaadwilligen, geeft
de tekst een vergelijking met de leeuw die handen en voeten bedreigen. Als de
leeuw zijn territorium markeert dan kunnen degenen die zich daarbinnen bevinden
geen kant meer uit.
- Je niet beroemen op. Enkel er zijn. Zoals wij. Aan ons gelijk.
En tot het uiterste gegaan, zoals de weg hem te gaan gaf, zoals wij met hem
doen. Overgeleverd, opgeheven. Daarom heeft God Hem hoog verheven.
Een voortdurend stille plek in ons bestaan, een onontkoombare stem, een onvoorwaardelijk
getuigenis .
- Kies je voor het passieverhaal van Matteüs of voor dat van Marcus. Maar
wat je ook kiest, misschien loont het de moeite het verhaal te lezen in de tijd
van het verhaal, in de voordurend tegenwoordige tijd. Je komt dan dichter bij
het verhaal, wordt tijdgenoot.
Witte Donderdag
Exodus 12, 1-8.11-14
Psalm 116
1 Korintiërs 11, 23-26
Johannes 13, 1-15
Kerugma jrg 52/2009
- Deze maand is het begin van de maanden, de eerste maand van het jaar. Exodus
12 vertelt het verhaal over de plechtigheid volledig. Het lam apart gezet. Huiselijk.
Als je met te weinig bent, nodig je naaste buren uit. Het bloed gesmeerd aan
de deurpost. Leven op leven en dood. Overleven.
- De psalm identificeert degenen die hem bidden of zingen met Jezus die de beker
van de zegening opheft en aanreikt.
- Paulus vertelt het verhaal dat hij gehoord heeft, over die laatste avond.
Nee: ovr die avond waarin hij werd overgeleverd. Het brood en de beker.
- Johannes maakt het aanschouwelijk. Jezus legt zijn bovenkleren af en omgord
zich met een linnen doek. Daarmee begint het verhaal van de voetwassing. Op
het einde van het verhaal trekt hij zijn bovenkleren weer aan. zien wij het
lichaam van Jezus die de voeten van de leerling wast. De leerling begrijpt dat
hem in deze eenvoud van gebaren het lichaam van Christus aangeboden wordt, gemeenschap
met de Heer die dienaar wil zijn, voor ons, ons voor.
Kerugma Jrg 55/2012
- Het paaslam dat de plaats van de eerstgeborene inneemt. De stille plechtigheid
en de grote haast. Niet meer het samen schuilen van vervolgden maar met geheven
hoofd de volgende dag, de nieuwe tijd afwachten – als alles anders is,
dank zij het bloed van het lam.
- De beker van de bevrijding nemen en de naam van de Heer aanroepen. Dat is
het antwoord van de psalm op de vraag: “Hoe kan ik de Heer betalen voor
al zijn weldaden?” Heel Gods volk is daarbij betrokken. (De psalm spreekt
daarna over de dood van degenen die Hem toegewijd zijn.)
- Beslissend icoon. Daarom ook onontkoombaar brandpunt van aandacht en pogingen
tot begrip, pogingen om mee in het reine te komen. Niet zozeer hoe Hij zich
offert als wel, hoe hij zichzelf tot voedsel maakt, tot spijs en drank om van
te leven. Nieuwe gave, nieuwe verkondiging, nieuw verbond.
- Het laatste scenische verhaal voor de woorden van Jezus die van nu af aan
tot die eerste dag van de week (Johannes 20) de tekst domineren. Het laatste
verhaal dat op zijn wijze het voorafgaande in beeld brengt en anticipeert op
wat komen gaat. Wij zien het lichaam van Jezus. Hij wast de voeten van de leerlingen,
hun gaan en staan. Aan Petrus horen we, hoe moeilijk voor hem al die genegenheid
is, hoe hij bijna niet uit zijn woorden komt. Zo moeten ook jullie elkaar de
voeten wassen haalt hem uit zijn verwarring.
Goede Vrijdag accoord
Jesaja 52, 13 -
53, 12
Psalm 31
Hebreeën 4, 14-16; 5, 7-9
Johannes 18, 1 - 19, 42
Kerugma jrg 52/2009
De alleenstaande loot die alles over zich heen moet en zal laten gaan, de wortel
in de dorre grond. Het kan niet hopelozer, veracht en verstoten, door het lijden
gerijpt. Jesaja zegt; door zijn inzicht zal mijn dienaar als een rechtvaardige
velen rechtvaardigen en hun ongerechtigheid zal hij dragen. Hij draagt de zonden
van velen en bemiddelt voor de overtreders.
Bij u zoek ik mijn toevlucht. Woorden voor wie ten einde raad is. Gebroken als
huisraad. Maar toch. Op u blijf ik vertrouwen.
De Hebreeënbrief geeft te lezen: Hij voelt met ons mee. Door wat hij meemaakte
heeft hij leren horen, leren luisteren.
Johannes eindigt zijn verhaal in de nieuwe grafkamer. Daarmee is een bijzondere
ruimte aangegeven. Nieuw. Zo nieuw. Het is voorbereidingsdag. Wat wordt er voorbereid?
Wat is er na deze treurige afloop nog voor te bereiden? Toch wordt de tijd stil
gezet.
Kerugma Jrg 55/2012
- Wat is van de knecht van de Heer te verwachten? Hij zal voorspoedig handelen.
Daarna klinken de werkwoorden in de passieve vorm: Hij zal verhoogd en verheven
worden en zeer verheerlijkt. Waarom die haast? Waarom zo vlug? Waarom wil Jesaja
ons bij voorbaat al troosten? Blijkbaar is dat nodig. Het dal van de bitterheid
is diep, als alles wat de mensenzoon te wachten staat! Een lam dat naar de slacht
geleid wordt.
- Een Psalm “van David op de vlucht voor Saul”. Verzen uit de psalm
brengen ons vandaag bij de lijdende en stervende Messias, weggegooid als een
opgegeven vat waarin niets meer bewaard kan worden. Useless! Maar de psalmist
laat niet verstek gaan. Hij blijft vertrouwen. Laat lichten uw aangezicht over
uw dienstknecht!
- In de school van het lijden leren luisteren. Kun je van het lijden iets leren?
Het is confronterend en onontkoombaar. Daarmee de mogelijkheid van een nieuw
begin. En om Zijn lijden heeft God naar Hem gehoord. Nieuwe verhoudingen zijn
mogelijk geworden. Om bij stil te staan.
- De lichten onderweg brengen je naar de plaats waar het zich afspeelt, waar
hij gevangen wordt als je getuige wilt zijn van wat zich daar afspeelt. We komen
dan eerst bij de valse hogepriesters die Zichzelf aangesteld hebben en onder
een hoedje spelen, bij toerbeurt. We zien het vuur waaraan Petrus zich warmt.
We horen: waarom zo in het geniep. Dagelijks kon je me vinden in de tempel?
Pilatus maakt dit Joodse verhaal tot een wereldgeschiedenis. Het slachtoffer
heeft het woord. Hij geeft ons zijn geest.
Paaswake
Genesis 1, 1 - 2,
2
Psalm 104
Exodus 14, 15 - 15, 1
Romeinen 6, 3-11
Marcus 16, 1-8
Kerugma jrg 52/2009
- God schept. Traditioneel wordt deze tekst altijd vertaald in de verleden tijd.
Lees hem, zeker met Pasen, in de tegenwoordige tijd. Want wie zegt dat Gods
scheppen verleden tijd is? Te midden van het velen een opmerking. Alle dagen
worden geteld met het rangtelwoord. De tweede, derde enz. dag. De eerste dag
is een uitzondering. Dag één. Geen rangtelwoord maar uitzonderlijk
hoofdtelwoord. Dag één. De dag waarop God de stilte verbreekt.
De dag van het licht.
- Uw mantel is zuiver licht. De psalmist maakt zich tot getuige van het wonder
dat de schepping is. De wereld als poëzie.
- Het onmogelijke gebeurt. Mozes strekt zijn staf uit over de zee en het volk
trekt door de zee, maakt een weg over de zee alsof het water geen vast en zekere
dood meer betekent.
- Door het doopsel delen wij in de dood en verrijzenis van de Heer. Zo weegt
Paulus het leven van wie leerling van Jezus geworden is.
- Na de sabbat. Maria Magdalena, Maria de moeder van Jacobus en Salome komen
naar het graf. Voor hen ligt deze dag in het verlengde van was Pasen voorafging.
Er is iets dat hun goede bedoelingen zal tegenhouden. “Wie zal ons de
steen van de ingang van het graf wegrollen?” Dat is een ingehouden vraag.
Blijkbaar gebogen in de haast van hun verstandhouding zien zij op. Het graf
is open. Er is iemand. De steen is in het voorbijgaan nog opmerkenswaardig groot.
Maar in plaats van de dode zien ze een jongeman in een wit gelaat. Alle licht
trekt hij naar zich toe om een paar woorden te zeggen die het aangezicht van
de wereld definitief bepaald hebben.
Kerugma Jrg 55/2012
- Een paar woorden zijn voldoende om over de hemel en de aarde te spreken, Gods
droom en visioen: hemel en aarde als een perfect accoord. De aarde alleen is
woest en leeg, zonder kop of staart, een lichaam zonder verweer. Maar de geest
van God tekent het nieuwe begin, het eerste woord, het eerste licht. Niets blijkt
vanzelfsprekend.
- Zegen mijn ziel de Heer … Zegenen, Gods naam verbinden met iets concreets.
Heer, - mijn God, - groot bent U, zeer. Luister en heerlijkheid is uw gewaad.
Met die woorden trekt de tekst het doek weg dat voor de wereld hangt om haar
als nieuw te laten zien. De oerzee, de wateren, de bronnen, de valleien, de
beken, de vogels, de grond gevoed en te eten voor ieder. (Levinas wijst er in
een van zijn Talmoedlessen op, dat het de eerste taak van de koning is, zijn
volk te eten te geven.)
- Zijn doop in de Jordaan verwelkomt Hem in het land van alle verhalen. Zijn
doop in de Jordaan wordt ook al spoedig gezien als aanduiding van alles wat
Hij doet, en van wat Hem te wachten staat. En wij worden gedoopt in zijn dood.
Die doop maakt ons één met Hem. Daardoor sterven wij met Hem en
verrijzen wij met Hem. Alles is dus extreem gerelativeerd, buitenproportioneel
in verhouding met elkaar gebracht. Simpel gezegd: Paulus wijst er op dat het
wel eens zo zou kunnen zijn – en volgens hem zo is – dat eigenlijk
alles anders is. De dood en verrijzenis van Jezus corrigeert de verbetenheid
waarmee wij het leven en “onze” werkelijkheid te lijf gaan. Waar
vroeger de (angst voor, of het heulen met de) dood het leven uitmaakte, nu is
er een andere ruimte vrij gekomen, namelijk, om één met de Messias
(als door Hem gezonden, zie Johannes 20,21) te leven voor God, voor Hij die
zich naar ons toe wendt – ongehoorde taal die bij voorkeur thuis hoort
in de Paasnacht.
- Als je het Halleluja van Händel gewend bent, dan kun je de uitzinnige
vreugde vermoeden die ons bij het begin van dit verhaal, te wachten staat. Ontzetting
echter staat ons te wachten wanneer het uit is. Alsof we volstrekt niet kunnen
begrijpen wat hier gebeurt en ook niet weten wat we daar mee aan moeten. De
leesaanwijzing die we krijgen is: ga naar Galilea, daar zullen jullie hem zien.
Zo worden we teruggestuurd naar Markus 1. Dat is het Paasverhaal: het evangelie
is begonnen.
Pasen
Handelingen 10,
34a.37-43
Psalm 118
Kolossenzen 3, 1-4
Johannes 20, 1-9
Kerugma jrg 52/2009
- Petrus neemt het woord. Jezus is een verhaal geworden. Hoe gaat hij met de
mensen om? Hoe gaan zij met hem om? Hoe gaat God met hem om? De leerlingen worden
de getuigen van dit verhaal. Het evangelie is: het slachtoffer heeft het woord.
Vergeving van de zonden: opgenomen worden in het verbond.
- Psalm 118: De hand van de Heer heeft mij opgericht. Ik zal niet sterven. Alom
het werk van de Heer verhalen. Een stem die niet zwijgen kan.
- Ons leven is met Christus verborgen, geborgen in God.
- Maria Magdalena gaat ’s morgens vroeg, terwijl het nog donker is naar
het graf. Ze ziet dat de steen is weggerold. Gaan wordt nu, een beetje minder
parlementair gezegd, hollen. Ze komt bij Petrus en bij de beminde leerling.
Daarmee is ook ruimte gemaakt voor wie het verhaal hoort. Want wie kan zeggen
dat Hij niet van je houdt.
Het wordt een run. Daarbij scoren drie woorden hoge ogen. Graf (beter: gedenkteken),
doeken, en zweetdoek. Deze drie woorden maken het mogelijk in te zoomen op de
afwezige, Hij die er niet meer is. Ze begrijpen nog niet wat er geschreven staat,
dat hij uit de doden is opgestaan.
Kerugma Jrg 55/2012
- Petrus preekt over wat er in het joodse land gebeurd is, over Jezus van de
Jordaan tot Jerusalem, een en al weldaad totdat ze hem grepen en vast sloegen
aan het kruis. Maar God heeft hem teruggegeven aan zijn leerlingen, om hem te
verkondigen als de rechter die bevrijdt.
- De dood heeft niet alleen “niet het laatste woord”. Hij heeft
uiteindelijk zelfs niets te zeggen. Als de hand van God in het spel is wordt
het een ander verhaal en is er veel te vertellen – de verhalen van vroeger
die in het heden van de vertelling volstrekt actueel worden. Hoe kun je denken
dat Hij er zich bij neerlegt wanneer je een uit de Rots geslagen kei als “niet
geschikt” gewoon – weggooit.
- De verrijzenis van de Heer is strikt genomen geen particuliere aangelegenheid.
Sinds Exodus 3 hadden we dat kunnen weten. Wie ben ik? vraagt Mozes. God antwoordt
– wat nu komt heet een antwoord: “Ik ben met U”. Van nu af
aan is Mozes niet meer los verkrijgbaar en God ook niet. Wat dat ook betekenen
moge. Zo is de verrijzenis van de Heer volgens Paulus een gebeuren waar wij
allen op betrokken zijn, in meegenomen zijn. We zijn nu niet meer enkel verplicht
tot de aarde, tot links en rechts. Maar het horizontale krijgt een nieuw perspectief
vanuit de hemel, vanuit waar God is, vanuit Gods “met ons” zijn.
Adel die verplicht. Daar kijk je van op.
- Maria Magdalena is de eerste, deze ochtend. Terwijl het nog donker is komt
ze bij het graf. De steen is weggerold. Vreest ze roof of schending? Ze loopt
snel naar Simon Petrus en de leerling die Jezus lief had. Ze hebben de Heer
uit het gedenkteken weggenomen en we weten niet waar ze hem hebben neergezet.
Dan komt er een samen lopen op gang waadoor het woord gedenkteken als maar herhaald
wordt. Graf, graf, graf – en dat wordt doeken, doeken, doeken, tot en
met zweetdoek op het gelaat. Voldoende om terug te denken aan het verhaal over
Lazarus. “Je wilt toch niet zeggen dat …!” Ze hadden nog niet
begrepen wat er geschreven stond. Ze hadden nog geen mond gevonden die het hun
vertelde. Die zal Maria dadelijk ontmoeten. Hoe ontmoet je Jezus die verrezen
is?
Tweede paasdag
Hand. 2, 14 + 22 – 32; Ps. 16; Mt. 28, 8 - 15
Kerugma Jrg 55/2012
- De zoon van David, de verrezen Messias. Petrus zegt: daarvan zijn wij getuigen.
- Een michtam van David. Niemand weet wat dat betekent. Een suggestie in “de
mondelinge traditie” is: het woord is een samentrekking van mich/nederig,
bescheiden en tam/gaaf, waar niets op aan te merken is. De Nieuwe Statenvertaling
geeft als suggestie: “een gouden kleinood van David”. De tekst van
de psalm legt uit waarom dat een aardige vondst is.
- Het evangelie begint met de vrouwen die, in opdracht van de engel van de Heer,
zich snel op weg begeven, uit het graf, om aan de leerlingen te vertellen. Twee
keer wordt dat woord leerlingen genoemd. Dat komen ze Jezus tegen die ze vrijwel
onmiddellijk herkennen. Ze aanbidden hem. Hij zegt: boodschapt mijn broers.
Het zijn de eerste woorden van iemand die uit de doden verrijst. Leerlingen
worden broers (en zussen zouden wij in onze cultuur zeggen). Dan kun samen bijvoorbeeld
het Onze Vader bidden. Daarna zien we de leiders van het volk tevergeefs proberen
het verhaal hun wending te geven. Maar de muur die ze trachten op te bouwen
heeft het verhaal niet binnen kunnen houden.
Tweede zondag van Pasen – Beloken Pasen
Handelingen 4, 32-35
Psalm 118
1 Johannes 5, 1-6
Johannes 20, 19-31
Kerugma jrg 52/2009
- Een paradijs. De eerste gemeenschap rond Jezus die verrezen is heeft alles
van een paradijs. Alles is voor iedereen. Er is niemand meer die nood lijdt
onder hen en de rijke genade van Jezus rust op hen allen. Niemand hoeft te vragen.
Ieder krijgt wat hij nodig heeft. Het is een geheim dat veel sociaal engagement
van de kerken plaatselijk en wereldwijd op gang heeft gebracht. Delen met elkaar.
- Herinneringen veranderen niet. Ze houden je drijvend in de dagen dat het nodig
is. Israël blijft zich verwonderen over het geheim van de bevrijding. In
wezen is dat wat wij doen rond brood en wijn en de woorden die ons gegeven zijn.
Johannes op Patmos en dat wonderlijke visioen: een stem als een trompet. Ik
keer me om. Zie. Zeven luchters. Iemand als de mensenzoon. Hij legt zijn hand
op mij. Uiterste verwondering. Uiterste intimiteit.
- Jezus doorbreekt de geslotenheid van de leerlingen die samen zijn. Hij gaat
in het midden staan. Het midden is bij Johannes een spaarzaam woord. Daar komen
wij steeds Jezus tegen. Het midden centreert de concentratie. Hij zegt. Jezus
die verrezen is doorbreekt de geslotenheid van de leerlingen om iets te zeggen.
Wat zegt hij dan. Vrede op jullie. Dat betekent: Het is jullie opdracht om te
zorgen dat er, waar jullie zijn en voor zover het van jullie afhangt, vrede
is; dan zullen ook jullie zelf in vrede, tevreden zijn. Vrede: dat het goed
is. Scheppingstaal!
Kerugma Jrg 55/2012
- De gemeenschap rond “Jezus die verrezen is”, is één
van hart en één van ziel. Ze hebben alles gemeenschappelijk. Niemand
lijdt gebrek. Dit verhaal uit de Acta/Handelingen is met alles wat in het maatschappelijke
leven bereikt is, nog steeds een agenda, dat wat gedaan dient te worden.
- Alle goede dingen in drieën. Israël, huis van Aaron, allen die ontzag
hebben voor de Heer. Als golven die zich over elkaar heen vouwen. Wat is er
toch aan de hand? Iemand van wie het vast stond dat hij afgeschreven was heeft
iemand gevonden die het voor Hem op neemt. In de tenten der vromen wordt voortaan
een ander lied gezongen. Wat een dag!
- Genetisch zitten de relaties tussen hemel en aarde (God en mensen) opmerkelijk
in elkaar. Als je Jezus beaamt als bevrijder (verlosser) ben je een kind van
God. In principe zijn daarmee alle verhoudingen gesaneerd of te reconstrueren
dan wel opnieuw te bezien. De kracht waarmee de mens vroeger zichzelf bestreed
om in het goede spoor, het spoor van het goede te komen, vindt in de verhoudingen
die Johannes beschrijft geen plaats. Wie uit God geboren wordt (misschien is
worden hier meer adequaat dan zijn), wie van omhoog (uit de verhalen, uit het
Goede Boek, vanuit opzien naar) geboren wordt (zie Johannes 3,7, hetzelfde woord
als 3,3.31). Uit de verhalen en het horen bijvoorbeeld geboren worden. Het zou
kunnen betekenen: van iets anders weten dan de wereld die van horen en opzien
naar niets weet.
- Die eerste dag van de week, de dag van het licht, beschrijft Johannes uitgebreid.
Zo komen we bij het verbijsterend lege graf, bij de herkenning van de man van
de tuin. Namen worden genoemd. Afstand bewaard. Maria Magdalena vertelt het
de leerlingen. Ook wat Hij gezegd heeft. Zo wordt het avond en begint het verhaal
dat we vandaag lezen, opnieuw lezen, weliswaar, maar nu echt.
Drie aanduidingen van tijd vormen het decor voor de drie strepen die de ruimte
beschrijven: waar de leerlingen zijn staat tussen de gesloten deuren en Jezus
in het midden. Waarom staat hij – als de boom des levens – in het
midden? Om iets te zeggen. Wat zegt hij? Vrede op jullie! Vers 20 herhaalt die
pregnante tekst. Daar komt het blijkbaar op aan. Draag de vrede dan ben je ook
in vrede, gedragen door Gods woord. Het draagt jou en jij draagt het. En zonden
dienen vergeven te worden. Daartoe blaast hij over hen. Hij nodigt hen uit de
heilige geest te nemen en daarmee hemel en aarde bijeen te brengen.
Na Mijn Heer en mijn God heeft Thomas geen woorden meer. Ook zonder het te zien
kun je het goed zien. Vertrouwen benoemt dit gebeuren.
Derde zondag van Pasen
Handelingen 3, 13-15.17-19
Psalm 4
1 Johannes 2, 1-5a
Lucas 24, 35-48
Kerugma jrg 52/2009
- Voordat de eerste lezing begint is iemand die “verlamd was van de moederschoot
af” en die bij de ingang van de Tempel lag te bedelen, door Petrus die
hem scherp aanziet genezen. Iedereen is verwonderd. Daarop begint de toespraak
uit de eerste lezing bij het begin. De God van Abraham, de God van Isaak, de
God van Jacob, onze God. God wordt genoemd bij al die namen. Waarom? Waarom
niet meteen “gewoon” God? Omdat God altijd persoonlijk is, gebonden
is aan namen. En ook omdat Abraham, Isaak en Jacob ieder een eigen ervaring
van God hebben gehad. Pas na de nadruk op die eigenheid en verscheidenheid krijg
je het verzamelwoord: de God van onze vaderen. En Petrus voegt er het messiaanse
paasfeest aan toe: De God van onze vaderen heeft zijn kind verheerlijkt. Niet
zoals de vertaling wil: zijn dienaar, maar zijn kind. Zoals hij het opneemt
voor zijn kind, zo zal hij het ook opnemen voor ons. Daarom is het mogelijk
om te keren en opnieuw te beginnen.
- Psalm 4 sluit daar op aan. Laat dat dan gebeuren, laat uw licht over ons opgaan.
De woorden zijn zo herkenbaar.
- Door de Messias Jezus is de verhouding van de mens met God eindeloos verbreed.
Hij is op onze plaats gaan staan en neemt, schuldeloos, onze schuld op zich,
zodat de mens opnieuw beginnen kan. Iedereen, heel de wereld. Een immens visioen
van vrede is leven met wat ons geboden is.
- Terwijl de leerlingen van Emmaüs hun verhaal vertellen staat Jezus in
hun midden. Je hoort de woorden die dan steeds klinken: vrede op jullie. De
vrede rust op jullie, is jullie opdracht, en, moge jullie in vrede zijn. Maar
het is zo breekbaar. Waarom twijfelen jullie. Zijn handen en voeten vertellen
het hele verhaal over wat er gebeurt is in Jerusalem. Dat hij met hen eet is
het ultieme bewijs dat hij een mens is die leeft. Dan komt de bedoeling van
deze laatste ontmoeting. Tora, Profeten en Psalmen spreken over het lijden en
sterven van de messias en over zijn verrijzen op de derde dag. Lucas begint
en eindigt zijn evangelie in Jerusalem, de stad van het boek, van het volk,
van de messias.
Als je Lucas gelooft zullen we aan het einde, opnieuw moeten beginnen met het
Boek van alle verhalen om te begrijpen wat gebeurd is, wat gebeurt. Daar vind
je de woorden in hoor en wederhoor.
Kerugma Jrg 55/2012
- Petrus heft een lange weg gemaakt van “Ik ken die mens niet” naar
“de God van Abraham, Isaak en Jacob, de God van onze vaderen” die
zich over de verlatene ontfermt. Hij weet uit eigen ervaring dat er omkeer bestaat,
dat vergeving mogelijk is. Een mens kan daarvan leven.
- Als een kind huilt ga je toch even kijken. Daarvoor hoef je niet eens moeder
of vader te zijn. Zoals hij zich ontfermt heeft over zijn volk toen het uitgeknepen
werd in de slavernij, zo heeft hij zich ontfermt over Zijn Mensenkind in Jerusalem
met Wie “ze” gedaan hadden wat ze maar wilden.
- Het is een drama dat we af precies menen te weten wat zonde betekent en dat
we het woord eigenlijk niet meer kennen. Het woord heeft namelijk wel iets te
zeggen. Zonde is dat wat het verbond verbreekt, ontkent, afzegt, op het spel
zet, of niet dan wel nauwelijks serieus neemt. Het verbond is: God in ons midden.
Zoals in de woestijn de tent en de ark. Of zoals in het evangelie van Johannes
Jezus. Daarom is het de voorspreker, hij die namens ons, voor ons spreekt –
in het grieks pro-fètès. Hij spreekt namens … God, het verbond,
de armen. Hem kennen is naar hem horen, gehoor geven aan wat hij ons aan biedt.
En wat wil hij uiteindelijk anders in de aanbieding hebben dan “God houdt
van je, mens.”
- Het zijn maar een paar verhalen waarmee elk van de evangelisten probeert te
vertellen waar wij geen woorden voor hebben. We naderen nu het einde van Lukas.
Terwijl de Emmaüsgangers hun verhaal vertellen staat hij zelf in hun midden
en weten zij, de leerlingen, blijkbaar niet meer waar ze het zoeken moeten.
Maar Jezus laat zijn handen en voeten zien. Ze moeten hem voelen. Vlees en beenderen,
kwetsbaar en sterk. En als dan de angst overwonnen wordt vraagt hij iets te
eten. Het schijnt dat vis hoorde bij het avondmaal. Ichthus: Jèsoes Chrèstos,
THeou Uios Sootèr – Jezus Christus, van God de zoon, bevrijder.
Hij plaatst alles binnen het kader van de uitleg, zoals geschreven staat. Prediking,
ommekeer, vergeving: het aloude verbond zo goed als nieuw. Daartoe zullen zij
met kracht bekleed worden.
Vierde zondag van Pasen
Handelingen 4, 8-12
Psalm 118
1 Johannes 3, 1-2
Johannes 10, 11-18
Kerugma jrg 52/2009
- De lezingen van vandaag zijn nogal divers. Petrus en Johannes staan om te
beginnen voor het sanhedrin. Sadduceeën zijn zeer verontwaardigd dat zij
in Jezus’ naam de opstanding uit de doden verkondigden. De genezing van
de verlamde (door welke kracht hebben jullie dit gedaan) zit hen hoog. Petrus
geeft tekst en uitleg. De verworpen steen is de hoeksteen geworden. De Heer
redt – zo kan men de naam Jezus vertalen.
- Psalm 118 is de psalm waaruit Petrus citeert. Erbarmen: betrokkenheid, betrokken
zijn. Genadig: genegen. Gods aanwezig zijn, betrokken zijn, is het grote geheim
waar de psalm vol van is. Het maakt de mens tot een gezegende, iemand die verbonden
is met de naam van God.
- De uitdrukking was vroeger zo vertrouwd: kind van God zijn. De mens als kind
van God. Johannes zegt: zo worden we genoemd, we zijn het ook.
- Ho poimèn ho kalos. Wij vertalen: de goede herder. Zo is er ook in
Johannes 2,10 vertaald: de goede wijn. Misschien is echte wijn, echt herder,
beter. Nu zie je pas wat wijn kan zijn, nu pas wordt volstrekt duidelijk wat
een herder eigenlijk is.
Het grondwoord voor deze echte herder wordt kennen, een zijn met, begaan zijn
met. Zijn eenheid met de vader betekent dat er ook anderen zullen zijn die komen
om te luisteren naar de stem. Zijn leven geven voor. In het grieks staat het
woord hyper. Alsof hij zijn leven geeft over de schapen heen. Zoals de hemel
zich uitstrekt over het land waar we thuis zijn. Geen kosmologie maar een ontroerend
soort hemelse geografie.
Kerugma Jrg 55/2012
- Petrus voor de Hoge Raad. Maar ook Petrus vervuld van de Geest van de Heilige.
Jezus is degene die geneest. Er is geen andere naam onder de hemel aan de mensen
gegeven die hen zal redden.
- De Heer heeft geantwoord. Het antwoord is de bevrijding. Is daarmee duidelijk
wat de vraag was en wie de vraag stelde? Blijkbaar is het de afgewezen steen.
Daarbij moet je denken aan Israël, maar moet je, bijvoorbeeld volgens Paulus,
ook denken aan de Messias. Wat is het antwoord dat er voor hem toe doet? En
wat heeft hij gevraagd? De psalm brengt een correctie aan in de aldus geformuleerde
vraag. Zij kijkt te veel naar het verleden. Gezegend wordt hij die komt in de
naam van of namens de Heer. Hij, de komende, wordt vanuit het heiligdom, de
Tempel, Jerusalem, De Schriften gezegend als het licht. Hij maakt het zien mogelijk.
- In een tijd waarin “een kind maken” tot de bon ton hoort van de
geïnformeerden, is in ieder geval duidelijk dat het primaatschap van de
productie blijkbaar meer zegt dan bijvoorbeeld de ontroering van de genegenheid.
God mag dan ook geen schepper zijn. Een schepper is toch ook een producent!
Dat religieus gesproken genegenheid of liefde de motor is waar alles om draait,
is in de taal van de vrolijke wetenschap die overal vooruitgang ziet uiteraard
onzin. Toch! Johannes kiest daar voor. Mensen zijn voor hem als God, kinderen
van God.
- De echte herder komt niet tersluiks of in het geniep binnen. Wie dat doet
is een rover. Als het moeilijk wordt hoor en zie je ze niet meer. Veelvraat
wolf kan dan de kudden uiteenjagen. De rest kun je je voorstellen. Maar de echte
herder wordt direct herkend. Wederzijdse herkenning. Ook andere schapen uit
andere schaapstallen zullen die stem herkennen. Zo wordt verscheidenheid gerespecteerd
en eenheid mogelijk.
Vijfde zondag van Pasen
Handelingen 9, 26-31
Psalm 22
1 Johannes 3, 18-24
Johannes 15, 1-8
Kerugma jrg 52/2009
- Paulus lijkt een wereld op zijn kop. De passionele vervolger van Jezus en
de zijnen wordt door een simpele vraag in de rede gevallen: waarom? Waarom vervolg
je mij? Het antwoord op die vraag wordt wel dezelfde Paulus, maar geheel anders.
De gemeenschap van Jerusalem blijven bang. Hoe kan hij een leerling geworden
zijn. Jozef – moge de Heer er aan toe voegen, zie Genesis 30,24 –
die in Handelingen 4,36 de naam Barnabas gekregen heeft, zoon der vertroosting,
ontfermt zich over Paulus. Bijbels troosten betekent niet alleen laten. Barnabas
vertelt het verhaal van Paulus in het kort. Zo wordt Paulus lid van de gemeenschap.
Maar Jerusalem is zijn plaats niet. Paulus vertrekt – naar later zal blijken,
om apostel van de volkeren te worden. Ván de volkeren of vóór
de volkeren. Hij zal vanuit de joodse traditie het goede recht van en een plaats
voor de volkeren bepleiten in het verbond.
- God prijzen en danken betekent dat de armen zullen eten en er zal verzadiging
zijn. Die God zoeken prijzen hem. Interessant en het geeft te denken. Niet wie
God heeft. Zoeken is het woord. Het brengt de doden tot leven.
Waarheid heeft bij ons met spreken of zeggen te maken. De waarheid zeggen. Bijbelse
taal verbind vaak de woorden genegenheid en waarheid. Genegenheid is de binnenkant,
het gevoel; waarheid is de buitenkant, het doen, een daad van genegenheid. De
daden laten zien wat de woorden betekenen. Het resultaat is wat je vaak ziet
in de klein geworden gemeenschappen: mensen die echt om elkaar geven, die op
elkaar in alle vrijheid en respect, betrokken zijn.
- Egoo eimi, ik ben. Voor alles moet je hier de stem van het brandende braambos
herkennen. Ik ben er ook nog. God die zich over zijn kind in het slavenhuis
ontfermen zal. Pas daarna lees je door: de waar-ige wijnstok. Het is hier zo
vreemd geschreven omdat je denken kunt aan de betekenis van waarheid die hierboven
omschreven wordt. Dan zie je ook beter waar het die waar-ige wijnstok om gaat.
Zes keer noemt de tekst tussen regel 2 en 9 het woord vrucht. Het gaat deze
stok voor alles om de vrucht. Regel 2 (de eerste drie keer voor het woord vrucht)
geeft als het ware het beleid. In regel 3 tot 9 wordt het woord vrucht uitgespreid
tot een ruimte voor de leerlingen. Het basiswoord wordt: blijven in mij.
Kerugma Jrg 55/2012
- Petrus en Paulus zeggen wij in één adem. Maar die verbinding
was geenszins vanzelfsprekend. Wanneer hij na het gebeuren “onderweg naar
Damascus” weer in Jerusalem komt zijn de mensen bang van hem. Barnabas
ontfermt zich over Paulus. Hij vertelt diens verhaal en zo wordt Paulus een
actief lid van de gemeenschap. Wanneer het dan toch gaat vonken rond Paulus
brengen ze hem naar Caesarea om naar Tarsus te gaan. Intussen is de kerkgemeenschap
gaan groeien in Judea, Samaria, Galilea
- De wanhoop van het eerste en grootste deel van de psalm vindt een wonderlijke
omslag in vers 23. Opeens zijn er broers (en zussen). Opeens is er in de gemeenschap
een stem die zich richt tot allen die opzien naar de allerhoogste, die zich
richt tot het zaad van Jacob en tot allen die ontzag voor Hem hebben –
zaad van Israël genaamd. In de mondelinge traditie is Israël geen
genealogische notitie, maar een aanduiding van een bepaalde kwaliteit van mens
zijn. Want de Heer veracht de arme niet, wendt zijn aangezicht niet van hem
en wanneer hij schreeuwt antwoordt Hij. Daarom zal zijn ziel voor Zijn Aanschijn
blijven leven. Wie in het verbond leeft, leeft, ook wanneer hij gestorven is.
- Het gaat niet over de ferme taal en de beslistheid van onze keuzes. De praktijk
geeft doorslag en betekenis. Door onze daden laten we zien wiens kant wij kiezen,
blijkbaar. Dan is ook zicht geboden op je adres. Waar weet je je thuis?
Als je bij Hem thuis bent dan ben je iemand als Abraham, dan weet je van gastvrijheid,
dan weet je ook dat er ruimte is voor jou – niet jij op je beste momenten,
maar jij zoals je in je daden bent. God begrijpt er meer van dan jij. Vertrouwen
in de zoon en houden van elkaar lijken parallellen. Ja, natuurlijk, dat is een
van de consequenties wanneer je bijvoorbeeld “Onze Vader” zegt.
- Hoe veelbelovend het goede land was, bleek uit de druiventrossen van de verspieders.
Vandaag brengt Jezus ons naar de wijnstok zelf en naar de wijngaardenier die
de wijnstok beheert. Verbondenheid met die stok betekent vast en zeker voeding.
De wijngaardenier ziet daar op toe. Geen vrucht, geen voeding. Wel vrucht, verdergaande
zuivering. Maar de wijnstok zelf is de vitale kern en het hele gebeuren zelf.
Zesde zondag van Pasen
Handelingen 10,
25-26.34-35.44-48
Psalm 98
1 Johannes 4, 7-10
Johannes 15, 9-17
Kerugma jrg 52/2009
- Je moet weten dat er een groot verschil is tussen “het eigen volk”
en “de anderen”. Die afstand is genuanceerd en wellicht niet te
overbruggen. De Jood Petrus gaat naar Cornelius, gaat zelfs bij hem binnen.
Er moet iets gebeurd zijn.
In een droom is het Petrus duidelijk geworden dat de scheiding tussen Israël
en de volkeren opgeheven is. Hoewel Cornelius een Romein is, Petrus heeft begrepen
dat er bij God geen aanzien des persoons is. Wie God vereert en gerechtigheid
doet is hem welgevallig, overeenkomstig het woord dat hij heeft doen brengen
aan de kinderen van Israël om vrede te verkondigen door Jezus Christus.
Het is vreemd dat deze laatste woorden uit de lezing weggevallen zijn.
De geest brengt hemel en aarde, en ook de mensen bijeen.
- Een nieuw lied. Wanneer je in staat bent stil te staan bij wat gebeurd is
en bij wat gebeurt, dan weet je dat ondanks de tredmolen van het vertrouwde,
alledaagse, het leven je niet enkel overvalt. Het komt je ook tegemoet en is
goed voor je in het goede dat je ervaart. Psalm 98 zoekt daar woorden voor.
- Dat de liefde de bron van ons bestaan is overstijgt het niveau van de mededeling
zeer. Het is namelijk niet te vatten. Hoogstens aanduidenderwijs kun je er over
denken, het geheim fouilleren. Gods zoon maakt het geheim van zijn liefde zichtbaar
in grenzenloosheid. In die liefde zijn wij er ook voor elkaar.
- Hij geeft zijn leven voor zijn vrienden. Wij verstaan te gemakkelijk zijn
sterven. Nee, zijn leven geeft hij. Het is jammer dat wij de geboden veel te
snel verstaan als de tien geboden en nauwelijks als dat wat hij ons geboden
heeft, aangeboden. Wat hij tot ons richt, zijn woord, om ons op te richten en
toe te rusten voor – voor hem, voor elkaar. Om op tocht te gaan en vruchten
voort te brengen die blijvend zijn, die eeuwigheidswaarde hebben, die onttrokken
zijn aan alles wat meetbaar is.
Kerugma Jrg 55/2012
- Hoe herkenbaar, vertrouwd en nabij de “volkeren” ook zijn, voor
Israël is de scheidslijn tussen Israël en de volkeren definitief.
In het grieks is dat bekend. Kath’holon ton kosmon, heel de wereld (naast
Israël) – daarvan is de term katholiek afgeleid. Daarom is het inzicht
van Petrus tegenover Cornelius grensoverschrijdend, grensslechtend. Dat Jezus
de Messias is zal een verhaal zijn van hoop en vertrouwen voor “heel de
wereld”.
- Wat Pasen betekent is vooralsnog niet te overzien. Het particuliere verhaal
van Israël is de geschiedenis geworden die overal ter wereld plaats vindt:
een verhaal over hoe krachtig zijn arm is wanneer Hij bevrijdt, hoe Hij zich
laat kennen aan zijn weldaden, hoe Zijn gerechtigheid (het geschieden van het
woord) een vindplaats wordt van en voor de volkeren. Het wordt een lied van
vreugde en blijdschap dat geen volk uitsluit.
- De banaliteit van het alledaagse leven raakt van streek en gaat overstag wanneer
liefde de dienst gaat uitmaken. Liefde die je overkomt, die je aantreft in jezelf
en die je meeneemt. Tot naar en in de hemel toe. Johannes zet in op: Iedereen
die liefheeft is een kind van God en kent God.
- Zoals, - een magisch woord. Door een vergelijking wordt iets waar wij geen
woorden voor hebben taal en toegankelijk. In de regel slaat het bij Johannes
terug op het werkwoord. Liefhebben zoals. Vader en Zoon zijn werkelijke minnaars,
gelijkelijk. Zij nodigen ons uit in hun liefde een plaats te zoeken. Die plaats
is te vinden waar wij elkaar beminnen, waar wij vrienden zijn. Als de kerk het
kyriakè oikia, het heer-lijke huis is, dan staat in die liefde op tafel
wat de Heer aan ons geeft. Woorden om te proberen.
Hemelvaart van de Heer
Handelingen 1, 1-11
Psalm 47
Efesiërs 1, 17-23
Marcus 16, 15-20
Kerugma jrg 52/2009
- Alles wat er verteld zou kunnen worden over die 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart
kun je volgens Lucas in de Handelingen kort zeggen. Het blijft bij alles wat
betrekking heeft op het koning zijn van God. Pasen is daarvan immers het getuigenis.
Niet slavernij of dood hebben het woord. Jezus die verrezen is spreekt over
Gods koningschap. De tafel lijkt de uitgelezen plaats om dat te gedenken. Daar
laat Hij op zekere wijze zien hoe Hij levend in hun midden is. Hij in hun midden:
in Jerusalem. Daar moeten zij blijven, niet totdat, maar meer opdat, of om te.
In Jerusalem moeten zij wachten tot zij gedoopt zullen worden met de geest (van
Pinksteren). De leerlingen vragen het herstel van Israëls koningschap.
Niets wijst er op dat zij het verkeerd begrepen zouden hebben. Wij kennen de
dag en het uur niet. Kracht zullen zij ontvangen om getuigen te zijn in Jerusalem,
Judea, Samaria en heel het land (dat God aan Abraham zal laten zien. Misschien
is land hier beter dan het zo geografisch klinkende heel de aarde).
Met het oog op heel het land is alles gezegd. Na deze woorden wordt hij opgenomen.
Het lijkt daarbij niet te gaan over een variant op “het verschijnsel lift”
zoals wij dat kennen. Wordt hij opgenomen zegt het grieks. Passief. Om aan te
geven wat God doet. God neemt hem op. Twee mannen staan daarbij als getuigen.
Alleen Lucas weet wie dat zouden kunnen zijn (Lucas 24,4 zie 9,30 – wanneer
het gaat over Jezus exodus in Jerusalem).
- In de bevrijding blijkt Gods koningschap. Alles wat een mens bang en klein
kan maken ten spijt: Hij is sterker dan de sterken en machtiger dan de machtigen.
Daar is de psalm vol van.
- Niet alleen letterlijk in de gevangenis maar ook als vrij man noemt Paulus
zich de gevangene in de Heer. Als een gevangene smeekt hij zijn mensen in Efese
te leven als geroepen. De tekst geeft aan wat dat volgens hem betekent.
- Het toegevoegde slot aan het Marcus-evangelie is wellicht geschreven vanuit
Rome. Heel de wereld wordt in het perspectief van de schepping geplaatst. De
geschiedenis laat zien hoezeer onwaarschijnlijke zaken gebeurd zijn, ook ten
goede. Het evangelie wordt nog steeds gedaan. Geloven blijft een raadselachtig
woord. Het is in ieder geval niet academisch weten of afgedwongen instemming.
Het komt meer in de buurt van vertrouwen, instemmen, vermoeden, in zee durven
gaan met en meegenomen worden – zonder dat je verstand op nul of oneindig
wordt gesteld.
Kerugma Jrg 55/2012
- Nadat het evangelie een feit is begint Lukas aan zijn tweede boek. Over hoe
het gegaan is na de opdracht van Jezus aan de gezondenen. Hij begint met het
verhaal over de hemelvaart. Wat er gebeurde tussen Pasen en Hemelvaart weet
Lukas kort samen te vatten. Veertig dagen spreekt hij met hen over het koninkrijk
Gods, het koning zijn van God. Het verhaal over een ander koningschap dan dat
wat in “deze wereld” alsmaar gaande is. Over een koning die zich
buigt en opricht. Over een nog altijd niet begrepen verhaal: Heer, wanneer ga
je het koningschap (van en voor Israël) herstellen? Ofwel: wanneer laat
je zien dat God de baas is? De dienst uitmaakt? Denk aan het iteratief: “Hoe
kan er een God bestaan als er zoveel leed is?”
- De leerlingen weten natuurlijk niet wat er gaat gebeuren wanneer Hij die laatste
keer met zijn leerlingen (zijn broers, zijn inclusieve broeder- en zusterschare)
Jerusalem verlaat om de heuvel op te gaan. Maar wanneer het zich voor hun ogen
voltrekt heeft Psalm 47 daar wel woorden voor: alle volkeren worden uitgenodigd
mee te vieren wanneer God onder luid gejuich ten troon stijgt. Als God koning
is zullen de volkeren een volk zijn, en zal er voor ieder brood zijn.
- Paulus als gevangenis. Meer dan iedere cel zou kunnen heeft God hem gevangen.
En de stugge gedrevene Paulus schrijft dan over bescheidenheid, zachtheid, geduld,
minzaamheid – woorden van mededogen en betrokkenheid. Leven vanuit de
goedheid. Opgevaren naar de Hoge heeft hij gevangenen meegevoerd. De Hemelvaart
van de Messias legt alles waar God voor staat voor ons open, voor Paulus als
eerste en voor allen tot wie hij zich richt.
- Dood en verrijzenis: onmogelijke dingen gebeuren. Tot en met: het evangelie
verkondigen all over the World. Wat dat betekent? Waaraan wordt het herkenbaar.
Probeer eens: nieuwe talen spreken. Welke taal zou dat kunnen zijn? Wat en hoe
moet je verkondigen om in die nieuwe taal thuis te raken, daarin te kunnen leven?
Zevende zondag van Pasen
Handelingen 1, 15-17.20a.20c-26
Psalm 103
1 Johannes 4, 11-16
Johannes 17, 11b-19
Kerugma jrg 52/2009
- De leerlingen doen zoals geschreven is, maken praktijk aan de hand van het
boek. Er zal iemand anders moeten komen ter vervanging van Judas. Het moet iemand
zijn die Jezus heeft meegemaakt van zijn doop tot aan de opneming. Iemand die
het zelf heeft meegemaakt.
- Zegen mijn ziel de Heer, alles dat in mij is zijn heilige naam/ Zegen mijn
ziel de Heer, en vergeet niet alles wat hij wel gedaan heeft. Count your blesings
zegt het engels zo precies. Het wel en wee van Israël wordt genoemd, van
in de put tot de bevrijdende uittocht dank zij Mozes aan wie Hij zijn wegen
bekend maakte. Nog steeds is het Pasen: alles is goed gekomen.
- Ontstellend praktisch: als je God wilt zien moet je van elkaar houden. Dan
wordt Zijn liefde volmaakt. Alsof wij Zijn werk, Gods liefde, tot voltooiing
kunnen en moeten brengen. Volgens Johannes gooit de mens hoge Messiaanse ogen.
- De tekst is nogal geconcentreerd. Het loont de moeite hem over te schrijven
en te proberen de woorden te ontdekken in hun samenhang (structuur). In uw naam.
Degenen die de Vader aan Jezus heeft gegeven, heeft hij bewaard in uw naam.
Nu vraagt hij de Vader hen te bewaren in uw naam. De naam is niet een plaatje
op het revers waar staat hoe je heet of het schildje aan je deur. De Naam is
“wat Hij doet”, waar Hij naam mee maakt – zijn Woord .
Het klinkt bijna alsof het Onze Vader het geheim van de tekst is. Jezus maakt
daar van: Heilige Vader. In de woordje heilig neemt hij als het ware een voorsprong,
een voorschot op wat komen gaat. (Je zou daarbij kunnen denken aan: Gij zult
heilig zijn zoals ik heilig ben – Leviticus 11,44)
De naam, het Woord, die heilige geschiedenis, is waarheid. Waarheid is bij Johannes
niet een “denkding”, iets dat je moet denken. Het is naar bijbels
tegoed, een daad of daden van genegenheid. Waarheid doet genegenheid blijken.
Zo is de zoon de waarheid van de Vader.
De kloof tussen de wereld waarin Jezus leeft en Jezus zelf wordt veroorzaakt
door het woord, de waarheid. De waarheid heiligt, zet apart, maakt anders. Denk
aan: in, niet van de wereld.
Kerugma Jrg 55/2012
- Nadat het evangelie een feit is begint Lukas aan zijn tweede boek. Over hoe
het gegaan is na de opdracht van Jezus aan de gezondenen. Hij begint met het
verhaal over de hemelvaart. Wat er gebeurde tussen Pasen en Hemelvaart weet
Lukas kort samen te vatten. Veertig dagen spreekt hij met hen over het koninkrijk
Gods, het koning zijn van God. Het verhaal over een ander koningschap dan dat
wat in “deze wereld” alsmaar gaande is. Over een koning die zich
buigt en opricht. Over een nog altijd niet begrepen verhaal: Heer, wanneer ga
je het koningschap (van en voor Israël) herstellen? Ofwel: wanneer laat
je zien dat God de baas is? De dienst uitmaakt? Denk aan het iteratief: “Hoe
kan er een God bestaan als er zoveel leed is?”
- De leerlingen weten natuurlijk niet wat er gaat gebeuren wanneer Hij die laatste
keer met zijn leerlingen (zijn broers, zijn inclusieve broeder- en zusterschare)
Jerusalem verlaat om de heuvel op te gaan. Maar wanneer het zich voor hun ogen
voltrekt heeft Psalm 47 daar wel woorden voor: alle volkeren worden uitgenodigd
mee te vieren wanneer God onder luid gejuich ten troon stijgt. Als God koning
is zullen de volkeren een volk zijn, en zal er voor ieder brood zijn.
- Paulus als gevangenis. Meer dan iedere cel zou kunnen heeft God hem gevangen.
En de stugge gedrevene Paulus schrijft dan over bescheidenheid, zachtheid, geduld,
minzaamheid – woorden van mededogen en betrokkenheid. Leven vanuit de
goedheid. Opgevaren naar de Hoge heeft hij gevangenen meegevoerd. De Hemelvaart
van de Messias legt alles waar God voor staat voor ons open, voor Paulus als
eerste en voor allen tot wie hij zich richt.
- Dood en verrijzenis: onmogelijke dingen gebeuren. Tot en met: het evangelie
verkondigen all over the World. Wat dat betekent? Waaraan wordt het herkenbaar.
Probeer eens: nieuwe talen spreken. Welke taal zou dat kunnen zijn? Wat en hoe
moet je verkondigen om in die nieuwe taal thuis te raken, daarin te kunnen leven?
Pinksteren
Handelingen 2, 1-11
Psalm 104
1 Korintiërs 12, 3b-7.12-13
Johannes 20, 19-23
Kerugma jrg 52/2009
- Bijbels gesproken gaat het altijd over hemel en aarde. Wanneer er uit de hemel
een hevig gedruis komt, zijn we, weer bijbels gesproken, in Exodus 19, bij het
sluiten van het verbond en het geven van de Tora. De ogen gaan onmiddellijk
op zoek naar de aarde. Die ruimte is hier beperkt tot het huis waar zijn gezeten
zijn.
De geest die vanaf Genesis 1,2 hemel en aarde met elkaar verbindt, daalt op
hen neer. Wat hier gebeurt zie je zo aanstonds. Wat in Genesis 2-3 gebeurt maar
aan het gezicht onttrokken (wij staan buiten het paradijs, de toegang is gesloten)
zie je concreet worden in Genesis 4. Nu zie je het druisen van de wind, de Geest
in het concrete gebeuren dat iedereen Petrus hoort spreken in zijn eigen taal.
Wie iedereen? Lucas zegt dat zo typerend: nu woonden er in Jerusalem Joden,
vrome mensen uit alle volkeren ter wereld. Pinksteren maakt Jerusalem tot een
anti-Babel. Heel de wereld is daar bij Lucas getuige van.
- Psalm 104. De geest: God die naar deze aarde ziet. Als God naar deze aarde
ziet dan is de aloude schepping weer zo goed als nieuw.
- Het vertrouwen dat wij geloven noemen is een gave, misschien nog preciezer:
wordt ons voortdurend gegeven. Het is als de liefde. Liefde vind je niet uit.
Je bent er bij als die voor jou uitgevonden wordt waar je bij staat. Dat vertrouwen
is de geest in ons, onze éénheid. Vanwege die eenheid zijn er
de verschillen. Al die verschillen dragen het hunne bij aan de eenheid van de
geloofsgemeenschap.
- Even, dank zij de lezing uit Johannes, is het de eerste dag van die week,
díe eerste dag van de week. Alle vreugde ten spijt: de onzekerheid is
groot in de prille en bange gemeenschap van de leerlingen. Dan is Hij er, in
en als hun midden. Wat nu gebeuren gaat wil onderstreept worden. Daarom moet
je vragen: waarom gaat Hij nu, na alles wat gebeurd is, een evangelie lang,
maar ook op deze eerste dag van de week – waarom, waartoe gaat Hij daar
staan als hun midden! Pas na die vraag wordt het antwoord exceptioneel.
Hij gaat daar staan om iets te zeggen. Wat kan er nu dan nog gezegd worden?
Het enige waar het Boek van Genesis 1 op uit is, het goede. Is het woord van
Hem in het midden de uitleg van wat het goede is? Gaat het om de vrede, de vrede
van tevredenheid?
Kerugma Jrg 55/2012
- Hemel en aarde horen sinds Genesis 1,1 bijeen, vormen als paar het onpeilbare
en het breekbare steeds hier en nu. De aarde zal in het verhaal dat vandaag
als voor het eerst dient te klinken gelezen worden als dezelfde plaats waar
zij allen bijeen zijn. Er is geen houden meer aan. Een hevige storm doet het
huis gisten, vuur steekt allen aan. Alles wat nodig is bij het sluiten van het
verbond op de Sinaï bepaalt de scene die uitloopt op één
tekst, over Jezus. Eén tekst voor allen, voor heel de wereld. (Zie de
opmerking bij de eerste lezing van de 6e zondag van Pasen, hierboven).
- De tekst spreekt zeldzaam voor zich. De wereld is vol van jouw schepsels.
Neem jij hun geest weg dan komen ze om; zend jij je Geest dan komen ze tot leven.
Als hij zijn vreugde vind in zijn schepsels, dan wil deze psalm en deze Pinksterdag
daar getuige van zijn, woorden voor hebben.
- De zelfzucht, het centripetale dat nauwelijks van de of het andere weten wil.
De Geest zoekt de verbinding, is dat wat of Degene Die verenigt. Zo maakt hij
zacht wat hard is, warm wat koud is. Afstanden blijken overbrugd. Zie wat Paulus
herkent als het werk, als de vrucht van de Geest.
- Leven met de Geest betekent dat wij niet opgaan in het heden, of dat het heden
geen afsluiting is, eerder ontsluiting, begin, verder gaan, missie – met
alles wat daar als (ongekende, nog niet gekende) mogelijkheden bij hoort. De
geest zal ons de komende dingen aankondigen. Maakt wat nog niet is voelbaar,
tintelend. Zoals het licht van de vroege ochtend het geheim van de komende dag
bevat, verraadt.
Heilige Drie-eenheid
Deuteronomium 4,
32-34.39-40
Psalm 33
Romeinen 8, 14-17
Matteüs 28, 16-20
Kerugma jrg 52/2009
- Vraag aan de eerdere dagen die waren voor jouw aangezicht … De hebreeuwse
tekst maakt het zeer persoonlijk; voor jouw aangezicht, zover jíj terug
kunt kijken. En op dat woord aangezicht staat in de hebreeuwse tekst nog een
leesteken dat je verplicht om te rusten, om spanning op te voeren en te voelen.
Want je mag vragen stellen tot aan het scheppen van God toe. En je mag heel
de ruimte verkennen, van het ene einde van de hemel tot het andere einde. En
waar gaat het dan om?
Je bent geneigd de stem uit het vuur als het belangrijkste element uit de tekst
te beschouwen. Toch is dat waarschijnlijk ten onrechte. Regel 32 en 33 lanceren
drie keer het woord horen. Niet je ogen, maar je oren zou je moeten geloven.
Niet het diepzinnige nadenken maar het horen wat ons te verstaan gegeven wordt,
plaatst ons in het hart van de tijd en de ruimte van dit verhaal.
- De bevrijding uit de slavernij maar duidelijk wat het betekent wanneer God
zijn woord geeft en wat dit woord (concreet, in daden) betekent. Psalm 33 reikt
de woorden aan om de ruimte van dat woord te verkennen.
- De geest van Vrijheid en Bevrijding. De geest die ons “Vader”
doet zeggen. Dát is de gave. Niet de gave van ééns gegeven
blijft gegeven, mijn bezit, dat wat ik heb, maar als dat wat ik krijg alsof
het voortdurend gegeven wordt. Alsof wij staan en delen in de beweging als het
werkwoord als heden. Dat wil Paulus aan zijn mensen in Rome duidelijk maken.
- Het verrijzenisverhaal van Matteüs verdraagt wat geloven tot geloven
maakt. Sommigen echter twijfelden. De leerlingen gaan bij Matteüs terug
naar waar alles begonnen is, naar Galilea, naar de berg van alle verhalen waar
hij hun bijeenroept. Zijn macht is het, dat hij alle volkeren roept, leerling
te worden en te delen in de geheimen van hemel en aarde. Het Evangelie begint
echt wanneer Jezus in de Jordaan gedoopt wordt. In die doop gaan de volkeren
als leerling mee, het veelbelovende land in van Gods vrijheid en bevrijding.
Kerugma Jrg 55/2012
- De mens, ook de bijbelse mens, is vertrouwd of zou vertrouwd kunnen zijn met
de vergankelijkheid van het leven. Zo spontaan als wij vandaag rondlopen –
dat deden we 60 jaar geleden niet en doen we over 60 jaar ook niet. Het peinzen
over het begin (niet vanzelfsprekend, het had ook niet kunnen zijn) is een poging,
het incidentele karakter van het leven “voor lief” te nemen. Maar,
zo zegt Deuteronomium vandaag: nog nooit is gehoord dat een volk God hoorde
spreken vanuit het vuur (de “andere kant” van de zekere vergankelijkheid.
Een vuur dat sinds Ex 3,14 branden blijft zolang het leed dat wereld heet blijft
duren. Aan je vrijheid en bevrijding, aan je vrij zijn kun je genegenheid bespeuren.
Blijkbaar “is er iemand die om je geeft”, en “blijkbaar is
het mogelijk, dat verlangen naar vrijheid en bevrijding”aan te reiken
aan wie vermoed of voelt, weet, dat zoiets mogelijk is: mens zijn op aarde,
onder de hemel.
- Wie weet van bevrijding uit de doodsvallei, uit de mensontkennende uitbuiting
en slavernij – die kan zijn woorden niet meer op. Het woord van de Heer
en alles wat Hij doet is betrouwbaar. Door de geknechten op te richten laat
hij zien hoe Hij rechtvaardig is. Hoe Hij bevrijdt uit de dood. Hoe Hij schild
en helper is, schulp en schutse.
- “Ik hoorde een jongetje in de synagoge met zijn vader praten. Hij zei:
Abba.” Meer is er niet over te zeggen. Dat woord, pappa zouden wij misschien
zeggen, is je intens vertrouwd van jongs af aan. Heel je leven klinkt in dat
woord mee, met alle warmte die een mens toe te wensen is. Dat woord zegt alles.
De Geest staat daarvoor in, verbindt (tegenwoordige tijd) hemel en aarde.
- De elf. Jezus is dus de twaalfde. Hij maakt het getal van de zonen van Jacob,
of meer gericht op de toekomst, de kinderen van Israël vol. Die laatste
momenten samen voordat alles begint worden getypeerd met aanbidden en twijfelen.
Deze nabijheid die tegelijk afstand is maakt een choreografie mogelijk waarin
Jezus alsnog naderbij kan komen om ons in zijn allemacht op te nemen: ga heen,
maak alle volkeren tot mijn leerlingen. Is dat dan zo’n eenvoudig uit
te dragen leerplan? Is Gods liefde voor mens en wereld zo’n eenvoudig
gegeven?
Sacramentsdag
Exodus 24, 3-8
Psalm 116
Hebreeën 9, 11-15
Marcus 14, 12-16.22-26
Kerugma jrg 52/2009
- Mozes vertelt het volk al de woorden en het volk antwoordt met één
stem: al de woorden die de Heer heeft gesproken, we zullen het doen. Iets dergelijks
keert ook aan het einde van de pericoop terug maar in gewijzigde, op een of
andere wijze toegespitste vorm. Daar heet het: we zullen het doen en we zullen
horen. Het is alsof het volk zozeer bereid is om te doen dat ze eerste zeggen
te doen en dan te horen. In de vertalingen is dat gladgestreken en verwijderd.
Dat leven in het verbond betekent “proberen bij de tijd te zijn, leven
in een voortdurend heden van gehoor geven op wat zich aanbiedt”, lijkt
vertalers te moeilijk.
- De offers worden al eeuwen lang niet meer gebracht. Het voorlezen van de teksten
tijdens de synagogale diensten geldt als het brengen van deze offers.
Psalm 116 vertelt over de mens die weet dat God naar hem hoort, dat je altijd
bij hem terecht kunt. Daarom wil hij de beker van de bevrijdingen heffen en
de naam van de Heer aanroepen. Beker van de bevrijding, beker van jesjoeooth.
Je leest in ieder geval ook beker van Jezus, om de naam van de Heer aan te roepen.
- Zoals de hogepriester op Grote Verzoendag (een keer per jaar) de tempel binnen
ging om het verzoendeksel van de Ark met zijn bloed te besprenkelen (Leviticus
16), zo is Christus eens voor altijd de heiligdom dat niet van deze schepping
is, binnengegaan en door zijn eigen bloed verlossing tot stand gebracht. Door
zijn bloed worden wij gereinigd en kunnen wij God die leeft heiligen.
- Het is de eerste dag van de ongegiste broden. Het Paaslam is geslacht. De
leerlingen vragen Jezus: Waar wilt u dat we heengaan, zodat we kunnen voorbereiden
dat U het paasmaal eet? De voorbereiding van Pasen – het enige paasfeest
in het evangelie van Marcus – is gekoppeld aan het slachten van het paaslam.
Ga naar de stad en je zult een man treffen die een kruik water draagt. Volg
hem, waar hij ook heengaat. Zo kom je in de, de tekst zegt zelfs mijn kataluma
– we vertalen bovenzaal en zien niet hoezeer kataluma rijmt op hierosoluma,
Jerusalem. Die zaal neemt de allure van Jerusalem aan. Wat daar gebeuren gaat
duidt Jezus volgens Marcus aan het brood dat hij breekt en de beker die Hij
hen aanreikt.
Kerugma Jrg 55/2012
- Er staat in de tekst: en we zullen het doen en we zullen horen. Dat heeft
niets te maken met de vertalingen die de bereidheid van het volk liefst camoufleren
met woorden als “ter harte nemen”. Ex. 24,7 is bij de lezers van
Het Goede Boek beroemd omdat ze al willen doen nog voordat zij gehoord hebben
en weten waar het over gaat. En de redenering is voor de hand liggend: je gaat
toch geen verplichting aan wanneer je niet weet waar het over gaat en waartoe
je je verplicht.
Dat is een logische redenering, maar zij ontkent de realiteit van minnaars en
beminden. Liefde, vertrouwen, geloof (van geLOVEn) begint niet in mij is is
daarom altijd buitensporig en grensoverschrijdend, eigenlijk onmogelijk. Maar
zo uitzonderlijk kan het gaan in het leven van iedere dag. Verbond, verbondenheid
– wie zo daar buiten kunnen?
- God danken: Eucharistein. De beker heffen, de Naam aanroepen. En dat alles
omdat je weet: in de ogen van de Heer is het leven van wie hem eren kostbaar.
De laatste regels maken dit proces tot een persoonlijk getuigenis of een uitnodiging
daartoe. Hier kun je woorden vinden.
- Woorden ontleend aan het Heiligdom in Jerusalem. De Hogepriester, de Tent
(van de ontmoeting en verzoening), het bloed van het offer. Ze horen niet tot
de geschapen wereld. Als ze niet geschapen zijn dan zouden ze openbarend kunnen
zijn. Dat gaat over het zuiveren van je ziel, over God eren door bevrijding
te accepteren. Woorden die vertolken wat een leven lang meegaat, die elke dag
nieuw maken: schepping.
- Het is jammer dat de verzen 17-21 weggeknipt zijn wanneer wij in de viering
van vandaag Marcus 14 lezen van regel 12 tot 26 lezen. Alsof die weggelaten
regels alleen maar over Judas gaan, alsof Judas alleen optreedt en niet als
één van de twaalf. De gasten aan tafel kunnen daar niet zitten
met een gevoel als “wij zitten goed”. Uitnodiging, uitverkiezing,
betekent meer verantwoordelijkheid dragen. (De Olijfberg draagt die naam omdat
daar olijfpersen zijn gemaakt. De zoete olie uit de bittere vrucht die het licht
draagt in het Heiligdom.)
Tweede zondag door het jaar
1 Samuel 3, 3b-10.19
Psalm 40
1 Korintiërs 6, 13c-15a.17-20
Johannes 1, 35-42
Kerugma jrg 52/2009
- Nog is de lamp van God niet gedoofd. Nog even en het licht is verdwenen. Samuël
is een jongetje dat door zijn moeder aan God gegeven is. Hij is in dienst van
Eli, de priester bij de Ark, in huize improvisatie waar kwaadaardige lieden
kunst en vliegwerk van maken met het oog op schaamteloos gewin, het heiligdom
in Silo. Het kind Samuël weet nog van niks. Een stem in de nacht roept
hem. Hij denkt dat het Eli is. Het tafereel herhaalt zich tot drie maal toe.
Dan begrijpt Eli het. Zeg: “Spreek Heer, uw dienaar luistert.”.
Alles wat er dan te horen wordt gegeven vertelt de perikoop van vandaag niet.
Alleen: de jongen luistert en doet zoals hem gezegd is. En de jongen groeit
op. De Heer is met hem. Geen van zijn woorden is tevergeefs. Een andere wind
begint te waaien in Silo. Wij gaan op onze tenen staan om te zien wat daar gaat
gebeuren.
- In de Psalm echoot het verhaal van zojuist na. Het keervers reikt aan: Ja,
ik kom. Uw wil te doen, mijn God, dat is mijn vreugde. Wie is degene die zo
spreekt, die er helemaal klaar voor is? Hij legt in mijn mond een nieuw gezang.
Wie is degene wiens lied als nieuw is?
- Bijbelse zeelui zijn zeer vroom. Denk aan de matrozen op de boot die Jona
meegenomen heeft. Maar havensteden hebben nooit de roep gehad dat er alleen
vrome mensen woonden. Daar gaat een andere roep van uit. Toch, wanneer het in
bijbelse literatuur over ontucht gaat moet je opletten. Denk niet meteenaanwat
bij ons gangbaar is. Het zou best wel eens zou kunnen gaan over dienst aan afgoden.
Je heil bij andere goden zoeken, bij goden die God niet zijn. Het lichaam is
er niet voor de afgodendienst. Je lichaam is woonplaats van de Allerhoogste,
teken van wat heilig is.
- Johannes staat met twee van zijn leerlingen in het verhaal. Jezus gaat voorbij.
Johannes kijkt naar hem. Hij overbrugt de afstand tot wie en wat hij ziet met
de overbekende woorden. Zie het lam van God. Nauwelijks van kerstmis bekomen
brengt de liturgie ons al naar Pasen. Het paaslam wordt aangewezen, apart gezet.
Dat is de uitzonderlijke kwalificatie die Johannes aan Jezus meegeeft. Pasen
is op handen. Daar is het lam. Vrijheid daagt.
Het is niet tegen dovemansoren gezegd. Die twee gaan ons nu voor. Zij volgen
Jezus. Dat wordt het grondwoord voor wie leerling wil zijn: volgen, gaan in
het spoor. Jezus draait zich om. Wat zoeken jullie? Dat is de vraag die door
blijft klinken tot in de hof van Olijven waar Jezus vraagt: Wie zoeken jullie.
Zij volgen, zij gaan mee om te zien waar hij verblijft en zij blijven die dag
bij Hem. Het is het tiende uur. Twee leerlingen en het tiende uur. Blijkbaar
moeten we tot 12 leren tellen, de broederschap vermoeden. Namen worden genoemd.
Andreas is niet los verkrijgbaar. Hij hoort bij Simon Petrus, zijn broer. En
we horen waar die broederschap toe leidt: We hebben de messias gevonden!
Zoals Johannes aan het begin van de tekst opziet, zo ziet nu Jezus op. Hij ziet
hem en zegt: Simon, zoon van Johannes. Andere teksten schrijven; zoon van Jona.
Maar in ieder geval: Steenrots is zijn naam.
Kerugma Jrg 55/2012
- Samuel, een kind nog. Gods lamp is nog niet gedoofd en de jongen ligt te slapen
in de buurt van de Ark. Dan is er die stem, die gebiedende stem. Eli de hogepriester
weet van niets; hij heeft het niet gedaan. Maar weer wordt het kind in zijn
slaap gewekt. Uiteindelijk begrijp Eli dat het de Heer moet zijn. En hij souffleert
het kind te doen waar hij zelf nog niet toe gekomen is: Spreek Heer, uw dienaar
luistert. Wat Samuel dan te horen krijgt slaat de het leesrooster over. Wat
er met Eli zal gebeuren, wij krijgen het niet te horen. Hoe lastig de boodschap
voor Samuel is, zijn schroom, we horen het niet. Wij horen alleen dat het kind
opgroeit en dat geen van zijn woorden onvervuld blijft.
- Voor het nieuwe lied heeft de psalm eigen componenten. Het gaat niet over
geschenken en offers. Het gaat over het openen van de oren voor uw stem. Uit
het balsemen van de farao’s is het ritueel bekend van het “openen
van de mond”. Hier gaat het over het openen van de oren, zoals dat hoort
bij het zalven van een kind dat gedoopt wordt. Bij de tijd zijn heeft iets van
“de oren spitsen”. Geen wonder dan ook dat de psalm verderop spreekt
over: uw tora – uw onderricht, wat volgens u het weten waard is, uw WET
van WETen - in mijn hart gegrift. Dat is behoorlijk motiverend. Een drijfveer.
… ondraaglijke lichtheid van ons bestaan.
- Om de tekst goed te verstaan verdient het wellicht aanbeveling te beginnen
in 6,12. Het accent komt dan meer op het lichaam te liggen, het geminachte lichaam
en het gewaardeerde lichaam. Het lichaam is de tempel van de Heilige Geest.
Eindeloos kostbaar is een mens.
- Na de volgende dag van Johannes 1,29 gaat het in vers 35 over weer de volgende
dag. De eerste keer wees Johannes het lam Gods aan. Nu staat hij er weer, met
twee van zijn leerlingen. Hij ziet Jezus rondwandelen en zegt weer: het Lam
Gods. De tekst leest dan heel precies dat zijn leerlingen hem dat horen zeggen.
Dat motiveert hun volgen.
“Wat zoeken jullie”. Dit is de eerste keer dat Johannes zoeken gebruikt.
De laatste keer klinkt:”Wie zoeken jullie?” Het is de grondtoon
van het evangelie: (zoeken) van wat naar wie.
Derde zondag door het jaar
Jona 3, 1-5.10
Psalm 25
1 Korintiërs 7, 29-31
Marcus 1, 14-20
Kerugma jrg 52/2009
- Iemand zei dat hij New York geen mooie stad vond. Je moet voortdurend omhoog
kijken. Je verdrinkt er in. Je voelt je zo klein. Zo moet Jona zich ook gevoeld
hebben met Ninive voor ogen. Bovendien: Ninive is de hoofdstad van de Assyriërs.
Zij waren degenen die het Noordrijk veroverd en verwoest hebben. Niets is er
meer van over.
Ninive is een stad van drie dagreizen groot. Wat het ook betekenen moge, Jona
gaat er één dag in. Hij blijft minimaal in de buitenwijken. Zijn
hele preek is in het hebreeuws vijf woorden lang. Meer woorden zou te veel zijn.
Ze luisteren immers toch niet! Maar die vijf woorden zijn voldoende om heel
Ninive om te laten keren. Ze roepen een vasten uit en groot en klein doet het
boetekleed aan.
Wat God in Jerusalem nooit gelukt is lukt zonder een probleem in Ninive. Iedereen
keert zich om. Iedereen, tot en met God toe. Hij voert de dreiging niet uit.
Jona zal zich daarover uitgebreid gaan beklagen. Hij wist het wel. (Er zijn
er die zeggen dat Jona niet naar Ninive wilde omdat hij geen slecht getuigenis
wilde afleggen over zijn eigen volk. Wat in Ninive geen probleem is wil in Jerusalem
maar niet gedaan worden. Omkeer – een vreemd woord.)
- De Psalm staat stil bij de wegen van God. De tekst bemiddelt tussen de gelovige
en God. Die pendelbeweging moet ons binnenbrengen in waar de woorden naar talen:
de goedheid en betrouwbaarheid van Gods weg.
- Het is de vraag of drie regels uit een tekst op zich een tekst kunnen zijn.
Maar zo wordt het vandaag te verstaan gegeven. Eeuwigheid kent geen tijd. Onze
tijd is ook niet eeuwig. En het komt er op aan niet te verdrinken in de onmiddellijkheid.
Je gaat niet op in de relaties waarbinnen je leeft. Je blijft als insider ook
buitenstaander, iemand aan wie de wereld voorbij gaat. Maar op deze wijze een
gefragmentariseerd stukje tekst aanreiken doet de tekst en de horende gemeenschap
geen recht.
- Dreiging hangt in het evangelie. Nadat Johannes gevangen genomen is. Hij gaat
naar Galilea en waar Hij is klinkt het verhaal van het goede van God. De tijd
is volgemaakt. Gods koningschap op handen. Je moet of kunt je omkeren om het
evangelie met vertrouwen tegemoet te gaan. Gods koningschap. Niet een koning
als de Farao die over de ruggen van de armen zijn haan victorie moet laten krijgen,
niet te kost van de mensen die arm en klein gehouden worden, maar een koning
die garant staat voor vrijheid, voor zelf je woorden spreken, voor zelf gaan
en staan, zelf kiezen en verantwoordelijkheid dragen op hoop van zegen.
Onder het moto van Gods koningschap wordt Simon gevonden en Andreas, zijn broer.
In broederschap begint het evangelie, niet als hertaling van Kain en Abel maar
geheel anders. Vissers. Zij zullen vissers blijven maar hun oogst zal anders
gaan ogen. En terstond. De netten vallen. Zij volgen hem dien hen gezien heeft.
Jacobus en Johannes. Weer twee broers. Zij verlaten als Abraham hun vader, als
Noach de boot. Zij volgen hem.
Kerugma Jrg 55/2012
We zijn al halverwege het verhaal van Jona (Duif) als de lezing van vandaag
begint. Uit de diepte van de zee aan land gespuugd vertrekt Jona, deze keer
wel naar Ninivé, in de ogen van die tijd een gigastad. Drie dagreizen
groot. Het veronderstelde midden van de stad kan Jona dus niet bereiken. De
vrede die deze stad bedreigt geeft hij het minimale support van 5 hebreeuwse
woorden. Nog – veertig – dagen – en Ninivé –
wordt verwoest. Het probleem waar Gods profeten in Israël steeds mee geconfronteerd
worden (dat niemand luistert), doet zich nu niet voor. Deze vijf woorden zijn
voldoende om de ellende waar deze stad groots in was te beëindigen. In
Zak en As verschijnt de stad. En zo snel als zij terugkomen van hun daden, zo
snel komt God terug van zijn plannen. Is het wonderlijk dat Jona daar moeite
mee heeft? Hij zag de bui al hangen. (Er zijn leraren die zeggen dat Jona geroepen
werd tijdens de viering van Grote Verzoendag, terwijl hij in de tempel was.)
- Verzen uit het eerste deel van psalm 25. Uw wegen Heer, laat ze mij kennen,
uw paden, leer ze mij. Leid mij in uw waarheid en leer mij, want U bent mijn
God, mijn bevrijder, op U heb ik al mijn dagen vertrouwd. De waarheid van de
tekst zijn de daden van genegenheid. David overweegt zijn levensloop. Hoe verder?
Daarom kijkt hij terug, in de hoop en zekerheid dat hij van zijn leven kan leren.
Want! Want God is goed en oprecht. Daarom leidt Hij zondaars op de weg.
- Kunnen drie regels uit een tekst op zich een tekst zijn? Zo wordt het vandaag
te verstaan gegeven. Paulus vindt het belangrijk dat je los blijft staan tegenover
jezelf in je fundamentele relaties en ervaringen. Ga niet op in de relaties
en de emotie waarin je leeft. Blijft als insider ook buitenstaander. De wereld
waarin je leeft gaat voorbij. Misschien wil hij zeggen: er is meer dan dat van
elke dag dat er toe doet. En elke dag gaat voorbij. Maar is dat een reden om
hem niet serieus te nemen?
- Nadat Johannes is overgeleverd geworden. De overlevering van Johannes brengt
Jezus letterlijk op gang. Hij gaat naar Galilea, daar begint de verkondiging
dat God koning is. Dat de tijd vervuld is, het koningschap nabij. Met dat goede
verhaal vist hij vissers op om hen tot mensenvissers te maken. Zij volgen hem.
Vierde zondag door het jaar
Deuteronomium 18,
15-20
Psalm 95
1 Korintiërs 7, 32-35
Marcus 1, 21-28
Kerugma jrg 52/2009
- In de inleiding tot zijn boek Jezus van Nazareth (Lannoo, Tielt, 2007) begint
dan nog Kardinaal Joseph Ratzinger in 2003/2004 in zijn “vooruitblik”
op p. 25 met: de eerste lezing van vandaag, Deuteronomium 18,15. Als vertaling
mag je de hebreeuwse woorden als volgt weergeven: Een profeet uit je midden,
uit je broers, als ik, zal de Heer doen opstaan voor jou. Naar hem zul je luisteren.
“Zullen” – van moeten en zullen, of meer toekomstmuziek. Maar
hoe dat ook zij: een profeet. Iemand die in de griekse vertaling de betekenis
van “iemand die vol is van” aflegt om voortaan iemand te worden
die NAMENS
spreekt. Namens wie of wat? Daar zijn veel mogelijkheden. Probeer maar. Namens
de tekst – die zelf niet uit zijn woorden kan komen tenzij wanneer er
iemand is die vertolken wil. Voorlezen. Maar ook namens het eigenlijke onderwerp
van al die bijbelse taal, God zelf, of namens de armen die hij bij wijze van
spreken steeds voor ogen heeft, met het oog op wie Hij ons al deze woorden geeft.
Een profeet. Niet ver te zoeken. Geen buitenstaander, geen exoot, niet iemand
die zo anders is dat hij als vanzelf al hoge ogen gooit, maar éen uit
je midden, uit eigen kring. Een gelijke, iemand in wie je je herkennen kunt,
die tijd en leven met je deelt. God zal hem doen opstaan voor jou, voor mij,
voor ons. Uiteindelijk is dat de reden ook waarom de kerkgemeenschap hier en
nu bijeen komt, omdat God hem voor ons heeft doen opstaan. Ook in het hebreeuws
gebruik je daar dezelfde woorden voor.
- Psalm 95 onderstreept een en ander. Naar hem luisteren. Nee, nog intiemet
bijna, naar zijn stem luisteren – niet halstarrig, zoals het volk indertijd,
protesterend in de woestijn. Luisteren om verder te kunnen gaan.
- Het lijkt er toch een beetje op dat Paulus in zijn brief aan de Korintiërs
nog niet gehoord heeft van het sacrament van het huwelijk. Meer precies gezegd:
God is geen concurrent in menselijke verhoudingen. God onverdeeld toegedaan
zijn hoeft niet te gaan ten koste van de goede verhoudingen waarin mensen het
geheim van God herkenbaar mogen maken – ondanks het fragment dat ons vandaag
eventueel te lezen gegeven wordt. (Of idealiseert hij het leven van de vaderen
met Mozes en de Profeten nu hij in Korinthe overvallen wordt door de grauwheid
van de stad waar handel het grootste goed is?)
- De eerste lezing
wilde ons voorbereiden op de lezing uit het evangelie.
Wanneer in de synagoge iemand word opgeroepen om voor te lezen uit de Tora bijvoorbeeld,
dan wordt er altijd gezegd “rabbi A de zoon van rabbi B”. De leden
van de gemeenschap worden aangesproken als leraar. Zoals Spoel de Wever zegt
in de midzomernachtsdroom ook zegt tegen zijn medespelers: Masters! Het is Sjabbes
en Jezus gaat terstond (met grote haast lijkt het wel, alsof “het brandt!”)
naar de synagoge om er te leren. Met open handen en ogen zit iedereen te kijken
en te luisteren. Want hij leert als iemand die iets te zeggen heeft. (Luister
naar zijn stem – Psalm 95) De verbazing wordt verbroken door een luid
geschreeuw: Wat heb je met ons te maken! Wil je ons kapot maken. Jij bent toch
Gods heiligheid! – of woorden van gelijke strekking. In ieder geval emotioneel
en in ieder geval … waar. Als zo, met dit gezag gesproken wordt, dan ben
je toch nergens meer! Maar Jezus heeft nog niets gezegd over de Heilige van
God. Al die woorden die ieder gesprek (contact, zelfs onlichamelijk lichaamscontact)
onmogelijk maken heeft Hij nog niet gebruikt. Beter weten kan de gemeenschap
onmogelijk maken.
Jezus ging de synagoge in. Zijn faam komt er uit. Het wordt een lopend vuurtje
door Galilea.
Kerugma Jrg 55/2012
- Mozes geeft het volk de acta en de agenda. Het volk heeft gevraagd, niet meer
de stem van God te hoeven horen, niet meer dat grote vuur te zien. Wie kan dat
verdragen? Daarom heeft God uit hun midden een profeet geroepen, iemand die
namens (pro) Hem spreken (fèmi) zal. Gods woord zal in zijn mond zijn.
Hij zal uitleggende voorgaan. Na Mozes zal God een andere profeet doen opstaan
naar wie je luisteren moet. Een andere profeet. Een uit je broers. En die profeet
zal weten dat hij namens God spreekt, of hij zal zwijgen en niet spreken.
- God de rots van de bevrijding. Hem danken en prijzen is een leerprogramma,
meer een leerproces dan een leerplan. Niet zoals bij die rots van Massa en Meriba,
Toen weigerden onze vaderen te horen en te leren, terwijl zij getuigen waren
van de wondere werken van God. God de herder. Volgens Jezus in het evangelie
volgens Johannes kennen de schapen de stem van hun herder. Zij zijn er mee vertrouwd.
- Paulus heeft in zijn brief aan de Korintiërs duidelijk nog niet gehoord
van het sacrament van het huwelijk. God hoeft geen concurrent te zijn van de
mensen moet wie je leeft. God onverdeeld toegedaan zijn gaat niet ten koste
van de goede verhoudingen waarin mensen het geheim van God herkenbaar mogen
maken – ondanks het fragment dat ons vandaag eventueel te lezen gegeven
wordt.
- Het meer van Galilea. Vissers. Kfar Nachoem, het dorp waarvan de naam troost
spelt. Sabbat. Synagoge. Leren. En terstond is er in de synagoge een man met
een onreine geest: “Wat is er tussen ons en jou, Jezus van Nazareth. Ben
je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wie je bent. De heilige van God. Dat
is werkelijk heftig. Een totale inzet. Maar hoe komt hij er op? Er is nog niets
gebeurd. Vanwaar deze gemeenschap onmogelijk makende kennis?
Terwijl Markus drie keer het woord leren geeft komt hij met ik weet. De onreine
geest maakt door zijn weten de gemeenschap, bijvoorbeeld tussen hemel en aarde,
afstand en nabijheid, onmogelijk. Als hem het zwijgen wordt opgelegd gaan de
mensen spreken. Allen luchten hun hart: Wat is dát nou, een nieuw leren
die iets te zeggen heeft!
Jezus gaat de synagoge binnen (v.21). En het verhaal over hem gaat uit naar
alle kanten (v. 28).
Vijfde zondag door het jaar
Job 7, 1-4.6-7
Psalm 147
1 Korintiërs 9, 16-19.22-23
Marcus 1, 29-39
Kerugma jrg 52/2009
- Het lijkt wel oorlog voor een mens, op aarde. Ongeveer zo sterk staat het
er. Afzien, een gevecht. Als de dagen van een huurling (een loonslaaf) zijn
dagen. Job lijkt regelmatig een boek waar je meer aandacht voor zou willen hebben.
De stralende dagen van de amusementsmedia blijken dan kommer en kwel, uitzichtloos.
Alles is te verwachten, behalve dat het ooit anders wordt. Snakken naar een
beetje schaduw, uitzien naar de dag dat er weer iets is waar je mee betalen
kunt. Het spoel van de wever schiet door de kettingdraden van de inslag. Dat
schijnt heel snel te gaan. Zo flitst het leven voorbij.
- Wanneer je je hoofd weer op kunt tillen is er al veel gebeurd. De Psalmist
ziet hoe God Jerusalem weer bouwt, haar kinderen als oogst verzamelt uit de
verstrooiing. Wie van richting niet meer weten wijst hij een weg, vernederden
tilt hij op.
- Paulus komt er voor uit. Hij kan niet anders dan het evangelie verkondigen.
Zoals God Israël zoekt en gevonden heeft, vindt of vinden zal, zo zal hij
door de Messias ook heel de wereld winnen. Die zekerheid drijft hem. Alles doet
hij om zelf ook deel te krijgen aan het Goede Verhaal.
- Uit de synagoge, nog steeds op sjabbath, de dag dat de Heer Heer is, brengt
Marcus ons met Jacobus en Johannes naar het huis van Simon. En gelijk spreken
ze hem aan over haar. Alsof het in de lijn van de verwachting ligt, naar haar
toegaande wekt hij haar op terwijl hij haar hand pakt. Het vuur (van de koorts)
verlaat haar en zij dient. Opstaan en dienen (tot je dienst) is nu, terwijl
bij Marcus eigenlijk alles nog beginnen moet. De ene zieke wordt nu allen die
het slecht hebben en alle bezetenen. Zij komen bijeen voor de deur. Zij, de
hele stad, maken zich wanneer men het Griekse woord over neemt, tot synagoge,
een huis waar mensen samenkomen. Van schoonmoeder via allen die tot heel de
stad. Duivelen werpt hij uit en hun wordt het spreken verboden zoals daarnet
de mens met de onreine geest. Blijkbaar beschikken zij over een kennis die gemeenschap
verhinderd. Want op die gemeenschap, dat verzame¬len van mensen door middel
van zijn verkondiging blijkt hij uit (1,8).
Hij - nog steeds niet met name genoemd, zegt hen: Laten wij elders heengaan,
naar de naburige dorpen, opdat ik ook daar zal verkondigen. Want daartoe ben
ik uitgegaan. De dienst van de genezing wil duidelijk in dienst van het woord
staan. Het opzien barende van de genezingen dient blijkbaar gericht te worden
op de verkondi¬ging. De inhoud daarvan is voorlopig in eerste instantie
bekend: omkeren omwille van de nabijheid van Gods koningschap. En hij gaat,
verkondigend in hun synagogen naar heel Galilea, en de boze geesten uitwerpend.
Galilea blijkt gevuld met synago¬gen en ligt letterlijk in het spoor van
de synagogen. Daar werpt hij de demonen uit. Hij aan het woord. Galilea is de
zangbalk, echoput, resonantie-ruimte en klankkast. Wat valt daar dan te horen?Het
wordt een olievlek in Galilea.
Kerugma Jrg 55/2012
- De hemel speelt hoog spel over de rug van Job. Al zijn glans en luister wordt
hem ontnomen om zichtbaar te maken dat een mens van God en mens verlaten nog
steeds een mens is. De dagen branden. Hij snakt naar schaduw. De dagloner verlangt
naar het schijntje dat hij krijgt. De maanden en nachten zijn vol vruchteloos
getob. Hij kan niet bij zijn heden zijn. ’s Avonds wacht hij op de morgen,
’s ochtends verlangt hij naar de avond. Zijn leven is enkel onrust, onraad.
Het leven is maar een ademtocht. Geluk zal er voor hem niet meer zijn, nooit
meer.
- Veel van de psalmen moeten beklonken zijn rond de terugkeer van de ballingen
uit Babylon, wanneer de Heer Jerusalem weer opbouwt en Israël verzamelt
uit de verstrooiing. Het nieuwe Jerusalem is dan de oogst van al dat verdriet,
van al die verlorenheid. Als je genezen bent, weet je dan van je geneesheer?
Is leven meer dan leven, overleven en overleveren? Aan het einde van de geciteerde
regels gaat het over “de vernederden” en de “zondaars”.
Als die twee tegenover elkaar staan maakt dat ook en meer aangepaste wijze van
denken over “wat zonde zou kunnen zijn” mogelijk.
- Paulus is geen prediker om den brode. Hij kan niet anders dan het evangelie
verkondigen. Het gaat hem niet om loon. Heel zijn doen en laten wordt gemotiveerd
door het evangelie dat hij verkondigen wil. Hij doet alles voor het Evangelie
om zelf ook deel te krijgen aan het Goede Verhaal.
- En terstond, of en gelijk. In vliegende vaart gaat het verder. Ze gaan naar
het huis van Simon. Thuis bij Simon en Andreas met Jacobus en Johannes worden
we naar de schoonmoe¬der van Petrus gebracht. Weer zien we, zoals in het
voorafgaande verhaal, de anderen tegenover die ene. De leerlingen overbruggen
de afstand. Gelijk vertellen ze hem over haar, effenen zij voor Hem de weg.
Hij neemt haar bij de hand en richt haar op. Het vuur verlaat haar en zij dient
hen. Is dat het begin van de gemeenschap, de dienst
Zesde zondag door het jaar
Leviticus 13, 1-2.45-46
Psalm 32
1 Korintiërs 10, 31 - 11, 1
Marcus 1, 40-45
Kerugma jrg 52/2009
Voor de melaatse in Leviticus moet je niet naar het medisch woordenboek maar
naar hoe met dit woord wordt omgegaan in de bijbelse literatuur. Daar wordt
niet veel goeds over gezegd. Daar wordt zelfs korte metten mee gemaakt. De melaatse
kan niet zijn waar andere mensen komen. Hij wordt buiten de gemeenschap gezet,
zal moeten leven alsof hij er niet meer bij hoort, als iemand die niet meer
leeft. De gemeenschap zal er wel zorg voor dragen dat je genoeg krijgt om in
leven te blijven, maar als je je verplaatst moet je een belletje meenemen om
iedereen te waarschuwen.
Waarom al dit bittere? Heel eenvoudig. Wat een mens is als levende, het lichaam,
is bij hem of haar een bron van dood geworden. Zijn leven betekent ontbinding
van de gemeenschap. Niemand blijft er over. Daarom is hij onrein, dat wil zeggen:
iemand die buiten de gemeenschap leeft. (Genezing van een melaatse is dan ook
letterlijk verzoening, opnieuw opgenomen worden in de gemeenschap van de levenden.
Buitenstaander zijn. Dat gevoel dat je hebt, alsof je er niet bij hoort. Wie
dat gevoel kent weet, hoe alles anders is, wanneer je weer mee mag doen, ook
van jezelf, weer mee mag doen. Die in de nood bevrijd. Die een plaats is voor
vluchtelingen. Die een kleed van voorspoed en vreugde om je heen hangt. Beelden
uit de Psalm.
Ter ere van God en omwille van de gemeenschap. Beide woorden lijken voor Paulus
uit de tekst van vandaag synoniem. God en zijn volk zijn bijbels gesproken ook
geheel aan elkaar vast geklonken. Dat kan in onze dagen te denken geven. Je
kunt God niet eren wanneer je gemeenschap na gemeenschap laat verdwijnen. Dat
is een steen waar velen zich aan stoten.
De lezing in het missaal begint met … een melaatse bij Jezus … Marcus
zelf geeft: … een melaatse bij hem. De perikoop van vandaag wil hem een
naam geven: iemand die zich ontfermt over hem voor wie er niemand is. Iemand
die zich ontfermt over, die zich zelfs identificeert met. Op het einde van de
lezing staat in het Missaal, dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen
… Marcus geeft: zodat hij niet meer openlijk naar de stad kon gaan. Wie
“hij”. Waar de een is is de ander en omgekeerd. De buitenstaander
die genezen is heeft alle trekken van de Messias. Er niet meer bij horen. Dan
is er nog alleen de woestijn in het verhaal. De woestijn wordt een vindplaats:
ze beginnen naar hem toe te komen van alle kanten.
Het getuigenis: Jezus zegt de melaatse dat hij moet doet zoals geschreven is.
Werkelijk bijbels.
Het spreekverbod dient wellicht daar toe, dat het risico vermeden wordt dat
ieder in Jezus zijn eigen Messias ziet. Hij is dat pas wanneer het evangelie
ten einde toe is uitverteld.
Kerugma Jrg 55/2012
- Alles wat een mens nodig heeft om te kunnen leven, zijn lijf en leden worden
bedreigt door een gezwel, een uitslag of een vlek, die dodelijk is voor hem,
maar ook voor het leven van de gemeenschap. In het bijbelse Israël staan
de priesters in dienst van het leven. De dreiging van de dood dienen zij te
bezweren. De ziekte maakt de insider tot outsider. Zijn verdere bestaan is teken
van de dreiging die bezworen moet worden. Onrein: buiten de gemeenschap zal
hij zijn.
- Wat ben je er gelukkig aan toe wanneer je opstandige hoogmoed je vergeven
is. Volgens de leraren gaat het in deze eerste regel over de ontkenning van
Gods koningschap, van zijn bevrijdend bezig zijn. “Gedane zaken”
nemen volgens nederlands taalgebruik geen keer. Opnieuw beginnen bestaat niet.
Leren van je ervaring zou daarom onmogelijk zijn. Eens gestolen altijd en dief.
De Psalm heeft hierover geheel andere, minder schuldgevoelige opvattingen. Voor
wie op God vertrouwt is veel mogelijk. Veel, –eigenlijk alles.
- Zaken als secularisatie bestaan voor Paulus niet. Alles wat je doet is een
zaak van navolging. En wat je doet voor de gemeenschap doe je voor God. Levinas
noemt “werk” liturgie, dat wil zeggen: dienst aan de gemeenschap.
Liturgie is dat wat het volk vólk “laat zijn”, wat “het
volk” mogelijk maakt. Als het goed is dan heet dat ook: God te midden
van het volk, Imm-anoe-eel. Dat kan in onze dagen te denken geven: Kun je gemeenschap
na gemeenschap sluiten en denken God te dienen?
- We horen geen woord dat lijkt op een geloofs-uitspraak zoals we die eerder
hoorden in de synagoge van Kfar Nachoem. Daar sprak iemand met een onreine geest.
Hier vraagt iemand om gereinigd te worden. Hij valt op zijn knieën. Gebaar
en taal brengen Jezus van zijn stuk. We horen hoe het lichaam van Jezus onderwerp
van het werkwoord aanraken wordt. Hij vertolkt de gevraagde gemeenschap. We
zien de woorden gebeuren.
Degene die om reiniging vraagt moet zich voegen naar de woorden van de Tora.
Dat is een getuigenis. Hij wordt gelijk uitgeworpen. Straks zal blijken dat
Jezus ook niet meer binnen mag zijn.
Mensen die reeds bij voorbaat buitenstaanders zijn ontmoeten elkaar. Daar wordt,
ontstaat een plaats. Daar komen allen, overal vandaan, naar hem toe. Het evangelie
over/van Jezus, over/van God, zijn nabij-zijn, wordt een verhaal voor mensen
die overal vandaag komen, buiten de stad. Maar uitgegaan begint hij het veelvuldig
te verkon¬digen, en het woord geheel en al bekend te maken, zodat hij/Hij
niet meer in staat is openlijk de stad binnen te komen, maar buiten op eenzame
plaatsen is hij/Hij. En zij beginnen naar hem/Hem te komen van alle kanten alsof
hij een aanloopplaats is, een huize samenkomst.
Zevende zondag door het jaar
Jesaja 43, 18-19.21-22.24b-25
Psalm 41
2 Korintiërs 1, 18-22
Marcus 2, 1-12
Kerugma jrg 52/2009
- Zo vaak lijkt het leven een herhaling van zetten. Jesaja is het daar helemaal
niet mee eens. Het nieuwe is er al, zie je het niet? Met verwondering nadert
hij de ballingen in Babylon. Een weg zal komen door de steppe. En als rivieren
gaan lopen door de woestijn dan zal de aarde bloeien als nooit tevoren. Ook
als de oude Jacob zich niet om God bekommerde, God blijft Israël trouw.
- Wie zegt dat: Gelukkig wie zorg heeft voor zwakkenen armen, komt hij in nood
dan helpt hem de Heer. Wie zover is dat hij op het punt van ommekeer staat lijkt
zich dat te realiseren. Hij wil opnieuw gaan beginnen en weet dat hij zich daarvoor
tot God mag richten: Genees mij heer – al heb ik misdaan tegen U. Wie
zich opnieuw tot God kan richten weet dat dit bestaat: genegenheid die je opneemt,
zich over je ontfermt.
- De zevende zondag is de eerste van een reeks waarin gelezen wordt uit de 2e
brief aan de Korintiërs. Alleen, pas in juni komt het vervolg daarop. De
tekst van vandaag is meer op drift dan eerste in een lectio continua. Wat kunnen
die paar regels ons zeggen. Paulus zegt, dat zijn woord over Jezus een ja-woord
is, want Gods zoon, Jezus Messias is door en door ja. Ja tegen God en ja tegen
de mensen. Door Hem kunnen we ook zeggen dat dit betrouwbaar is, ja en amen.
Hart gaat over richting. Wie het hart heeft weet welke kant hij op wil. De Geest
(hemel en aarde toch één) is een handgeld voor het hart. Gave,
toegift, bemoediging.
- Er is al een reserve, een verleden. “Enige dagen later”. In Kapernaüm,
de Troostdorp. Hij is terug. Hij? Wie? De lezing noemt de naam al in de eerste
regel. Marcus zal de naam pas noemen als Jezus hun vertrouwen (geloof) ziet.
In Kapernaüm staat een huis, maar de toeloop is zo groot dat er geen plaats
meer is. Ze komen derhalve met die lamme waar geen plaats meer is. Hoezo, geen
plaats meer. De ogen kunnen altijd omhoog. Daar wordt een dak open gemaakt en
de lamme daalt naar beneden af. Waar nog geen woorden waren blijken de zonden
vergeven en beginnen de tegenstemmen met godslastering. Alsof Alleen God kan
zonden vergeven. Maar dat wil niet perse zeggen dat wie zo spreekt, weet wat
hij zegt. Wie zo spreekt hoeft zelfs eigenlijk niets te zeggen – hij heeft
immers nergens een boodschap aan. Wat dat betreft is Jezus volstrekt alternatief.
Hij ziet vertrouwen en doet wat een mensenkind blijkbaar kan doen: opstaan en
naar buiten gaan en verwondering wekken. Opstaan en naar buiten gaan, uit-gaan,
uittrekken, als iets volstrekt nieuws.
Kerugma Jrg 55/2012
- Je moet het wel geloven, dat er iets nieuws bestaat, dat het mogelijk is.
Blijkbaar veronderstelt de tekst dat wij daar eigenlijk niet aan willen. Voor
ons lijkt leven een soort herhalingsdwang. Zoals de ouden zongen piepen de jongen,
of, wie een keer liegt is altijd een leugenaar. Dergelijke uitspraken bevestigen
deze manier van zien naar het heden of anticiperend benoemen van wat op af komt.
Toch is de heer in het verhaal voorstander van een alternatief. En hij is dat
niet naïef. Wat er gebeurd is noemt hij. Maar hij denkt er niet meer aan.
Niet de zonde doet er blijkbaar toe maar het nieuw dat komen gaat.
- Gelukkig wie met verstand, wijs, handelt voor iemand die ziek is, die zorgt
voor de zieke. De tekst is sober maar maakt geen geheim van de bedoeling. Voor
zo iemand zal God er zijn. Daarmee wordt geen polis afgegeven tegen onheil,
ziekte en dood, maar aldus wordt in alle ellende een plaats geboden, een wonderlijke
vorm van zekerheid, vertrouwen. Dat zijn geen targets om op aan te sturen. Het
geeft woorden voor wat een mens ervaren kan, zeer persoonlijk, bezongen door
David.
- Het woord van Paulus over Jezus is niet ja en nee, want Gods zoon, Jezus Messias
is niet ja en nee, maar door en door ja. Ja tegen God en ja tegen de mensen.
Door Hem kunnen we ook ja en amen zeggen. Want door de Messias wordt alles bevestigd,
krijgen we de geest als een handgeld voor het hart. Wij mogen weten van richting
en zin. Dat is ons gegeven, bemoedigend.
- Een tegoed wordt aangesproken. Kfar Nachoem wederom. We zijn afgelopen weken
daar al geweest. Het huis waar hij is wordt belaagd. Daar is geen doorkomen
meer aan, tenzij wanneer men de ruimte verticaal benaderd. Via het dak landt
de verlamde voor Jezus. We horen van hem geen woord. Het vertrouwen van de dragers
geeft de doorslag. Zonden worden vergeven – volgens enkele schriftgeleerden
kan dat niet. Maar wat niet kan, kan best gebeuren. Waarvan acte, in nuchter
enkelvoud. Hij neemt zijn ligplaats op en gaat naar buiten. Exodus begint weer.
Zoiets hebben we nog nooit gezien.
11e zondag door
het jaar
Ezechiël 17,22-24; Psalm 92; 2 Korintiërs 5,6-10; Marcus 4,26-34
Kerugma Jrg 55/2012
- En prompt zitten we na al die dagen in de voorafgaande weken in de 11e zondag
door het jaar.
Ezechiël brengt ons terug naar de ordening van de gewone tijd, wanneer
er niets meer te feesten is. Meteen brengt de tekst ons terug naar iemand die
met de geheimen van de tuin vertrouwd is. Een topje, een twijgje uit de top
is voldoende om een gigaboom op aarde neer te zetten. Denk daarbij eens over
dat miezerige slavenvolkje in de doodsvallei Egypte. Een twijgje, een takje.
Je kunt het zo afbreken en een plekje geven in de grond. Moet je kijken.
En kijk eens naar waar we – ondanks het vele leed van dom en treurig gedrag
van zovelen in de eeuwenoude kerk, [kerkgeschiedenis is niet alleen een geschiedenis
van enkel heil!] – terecht gekomen zijn in onze wereld. Hoe hebben wij,
ondanks! alles!, geleerd het leven van een mens te waarderen! Huub Oosterhuis
zei veertig jaar geleden: een mens is niet niks, een mens is niet alles: een
lepel water voor de dorst. Je hoeft alleen maar te weten wat dorst is om een
sprankje van die poëzie te begrijpen. Als een dorre boom tot bloei gebracht
wordt, ongehoord, onverwacht, ongelooflijk.
- Alsof de zanger van deze tekst ligt te wachten tot het licht en ochtend wordt.
Vromen schieten op als palmbomen, gedijen als Libanonceders. Op de kaart van
Israël is dan de Jordaanvallei tot aan het uiterste oorden aan het woord,
letterlijk geplant bij het huis van de Heer, bij Judea, bij Jerusalem, bij de
Tempel. Ook oud blijf je dan sappig en fris, draag je vruchten, laat je zien
hoe God rechtvaardig is.
- Leven met een kenmerk. Leven met goede moed. De ambitie is volgens Paulus:
proberen zo te leven dat God daar plezier in kan hebben. Dat het Gode welgevallig
moge zijn.
- Jezus op zee, het strand bezaaid met mensen die als zonnebloemen naar Hem
toe willen groeien. We horen over het groeien in tempo met oog voor detail gelet
op de oogst die komen gaat. Dat beeld van groeien en bloeien (vgl Genesis 1,28)
kleurt Jezus verder in met dat aanvankelijk zo kleine maar later onmetelijke
van een boom die tot aan de vogelen des hemels reikt. Een schaduwplek voor al
zijn vogels.
Twaalfde zondag door het jaar
Job 38, 1.8-11
Psalm 107
2 Korintiërs 5, 14-17
Marcus 4, 35-41
Kerugma jrg 52/2009
- Job is de man die God om antwoord vraagt. Zijn vrienden zijn het daar niet
mee eens. “Weet wie je bent, ken je plaats”, het zal een straf zijn.
Maar Job blijft zijn vragen stellen en komt zo als het ware dichter bij God
om zich in Gods antwoord, bij Zijn majesteit geborgen te voelen. God antwoord
Job uit de wervelwind. De tekst is zeer poëtisch. De zee beukt haar poorten,
wil uitbreken uit haar moederschoot. De zee is beeld van de alles overstromende
vloed, het geweld dat alles meeneemt, de dood. God stelt paal en perk aan de
trotse golven.
- De psalm houdt het motief van de zee vast, van haar golven en de dreigende
nood, maar ook van God die bevrijdt. Dankbaarheid is het antwoord.
- Als één is gestorven voor allen, dan zijn in die éne
ook allen gestorven. Zij leven niet meer voor zichzelf, zijn verrezen, een nieuwe
schepping. Paulus, geobsedeerd door zijn begrip van Jezus als Messias, legt
zijn visie voor aan zijn mensen te Korinthe. Leven is meer dan enkel opkomen
voor zichzelf.
- Het bestaat niet dat Hij zich niet bekommert om hen. Ze hebben hem meegenomen
in de boot. Hij wil naar de overkant en zij nemen hem mee. Jezus aan boord blijkt
geen levensverzekering. Golven beuken de boot. Hij ligt op een kussen te slapen.
De vraag die nu gesteld moet worden is: “Hoe kan dat?”, of: “Waarom
is dat?”. Misschien meer toegespitst (zie Jona 1): “Wie ben je?”.
Bekommert het jou niet dat wij vergaan? Hij staat op. (Het heeft ook iets van:
“Die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de doden”.)
Hij staat op, bestraft de wind.
Bestraffen: herinneren aan de broederschap.
En het wordt een grote stilte. De stilte die wellicht nodig is om dé
vraag te stellen die het evangelie draagt: “Wie is deze?”
Geboorte Johannes
de Doper
Jes. 49, 1 – 6; Psalm 139; Hand. 13, 22 – 26; Lucas 1, 57 - 66 +
80
Kerugma Jrg 55/2012
- Kerken heetten vroeger naar Sint Jan de Doper of naar Maria. Dat kan ook eigenlijk
niet anders.(Daar komen ook al die Jannen en Marietjes vandaan – nog even
en dan is die bron opgedroogd dank zij de rechtlijnigheid van degenen die vergeten
dat in het hebreeuws bewaken ook bewaren betekent!, de mogelijkheid open houden!)
De kerk op zijn best biedt het onvoorstelbare aan dat met Jezus onmiskenbaar
begint!
Wat voegt binnen de mogelijkheden van de liturgie, Jesaja daar aan toe? Grappig.
We worden toegesproken als eilanden, geïsoleerde eenheden, bijna als zonder
verband. En als mensen van verre. Jesaja geeft dus geen thuiswedstrijd. Voor
hem is de wereld groter en mogen wij meedoen.
Van moederschoot af aan kun je een uitzondering zijn. Je bent niet alleen resultaat
van welk verleden dan ook. Biedt dat mogelijkheden?
- De psalm lijkt wonderwel te passen bij Matteüs 11, de gekerkerde vraag
van Johannes. Jij bent rechtvaardig, red en bevrijd me, luister en kom mij te
hulp. Maar dan wisselt de stemming. Jij bent altijd mijn rots en mijn burcht
geweest. En de psalmist keert terug tot zijn vroegste jeugd, tot God die vanaf
de moederschoot mijn hoop is. Woorden die ons nodigen mee te gaan met die wervende
Jochannan (God is genegenheid).
- Petrus prijst ons vertrouwen. Jullie houden van Hem zonder Hem ooit gezien
te hebben. Hoe dankbaar zal onze vreugde zijn wanneer wij bereiken waar ons
vertrouwen naar uit ziet: onze bevrijding. Het zijn wonderlijke woorden waar
we toch stil van worden. Waar doelt Petrus op? Wat heeft Hij aan Jezus meegemaakt
dat hem zo heeft leren denken, bijna meer nog: zingen.
- De lezing brengt ons bij Lukas 1. We horen namen die voor wie wil veel goeds
spellen. Uit de woordenschat van het verhaal komt dan Zecharja te voorschijn,
God gedenkt. Blijken zal dat Zacharias over een en ander toch enigermate terughoudend
denk. Het zal je ook maar gebeuren dat je, samen met je lief zo oud, te horen
krijgt waar je heel je leven over gedroomd moet hebben. Één kind.
Als hij dat onmogelijke woord hoort verstomt hij. De mensen buiten begrijpen
waar wij nooit op zouden komen: hij heeft iets gezien, een visioen. Zie droom
zal ondanks Zacharias waar worden. Want de Heer(Jo) is genegenheid (Channan/Johannes)
Dertiende zondag door het jaar
Wijsheid 1, 13-15;
2, 23-24
Psalm 30
2 Korintiërs 8, 7.9.13.15
Marcus 5, 21-43
Kerugma jrg 52/2009
- Niet God heeft de dood gemaakt. Dat is een zin waar je bij stil moet staan.
Dat is voldoende om te horen: Hij heeft alles geschapen om te leven. Gerechtigheid
is onsterfelijk. God heeft de mens geschapen voor de onsterfelijkheid. Voor
de dichter van het boek Wijsheid zijn leven en dood niet op de eerste plaats
woorden die in de biologie tot hun recht komen. Er wordt blijkbaar iets anders
ter sprake gebracht.
- Psalm 30 maakt duidelijk dat leven overleven is, want Gij hebt mijn ziel bevrijd
uit het dodenrijk, mij losgemaakt van die ten grave dalen. De psalm herneemt
de eerste lezing, op weg naar de tekst uit Marcus.
- Uit het 8ste hoofdstuk van de brief aan de Korintiërs zijn enkele verzen
tot een doorlopende tekst gemaakt. Het gaat over de collecte voor de armen in
Jerusalem. De kerken in Macedonië hebben uit hun diepe armoede de rijkdom
van hun mildheid laten zien (vers2). Paulus vraagt de Korintiërs de armoede
van Christus te gedenken terwijl hij rijk was, opdat jullie rijk zouden worden
door zijn armoede.
- Aan de overzijde. Weer opnieuw de vraag: “Wie is Jezus?”
Jaïrus, overste van de Synagoge, komt naar hem toe: Mijn dochtertje ligt
op sterven. Het meisje blijkt aan het einde van het verhaal 12 jaar te zijn.
In de bijbelse traditie is zij dan al zelfstandig, volwassen. (In zijn verhaal
staat het verhaal over de vrouw die al 12 jaar aan bloedvloeiing lijdt. Zij
doorbreekt de kring van mensen om Jezus heen met haar wanhoop: Als ik zijn kleren
kan aanraken blijkt haar droom te zijn waar zij zich aan vastklampt. Jezus maakt
haar tot onderwerp van zijn verhaal. Wie heeft mij aangeraakt? Zij komt met
haar verhaal en Jezus bevestigt haar in haar vertrouwen.) Wanneer bericht wordt
dat de dochter van Jaïrus gestorven is zegt Jezus: Blijf vertrouwen.
De rouwenden stuurt hij weg. Het meisje neemt hij bij de hand. Zij staat op.
Niemand mag het weten. (Petrus, Jacobus en Johannes zijn er bij. Zij zijn er
ook wanneer hij van gedaante verandert en met Mozes en Elia spreekt. Zij zijn
er ook bij in de tuint van Gethsemane.)
Kerugma Jrg 55/2012
- Er zijn zaken die zich hoe dan ook onttrekken aan je begrip. Dat is bijvoorbeeld
de liefde, de warmte die je overkomt, maar ook de dood. Volgens wijsheid mag
je niet zeggen: “De dood hoort er bij”. God heeft dat niet gewild,
zegt de tekst. Wat deze uitspraak betekent, daar is uiteraard over te twisten
of na te denken, maar duidelijk is: het sterven wordt niet gebagatelliseerd.
Niet is erger dan afscheid moeten nemen van iemand die je lief is. Het is een
pijn die blijft.
Gerechtigheid is onsterfelijk – zegt de tekst. Wat is gerechtigheid? Een
van de antwoorden is: Het geschieden van het woord. “En Hij heeft het
gezegd en Hij doet het nog ook”. Ben Hemelsoet beschreef zo het woord
wonder. Alsof leven een wonder is!
- Een paaspsalm, anders kun je het niet lezen. Niet mijn vijanden triomferen,
maar Ú haalt mijn armzaligheid uit het graf, bevrijdt mij uit het dodenrijk.
Om die woorden te verstaan moet je natuurlijk wel wat hebben meegemaakt. Als
God je rouwklacht in vreugde verandert.
- Een zeldzaam praktische Paulus. Het is niet zijn bedoeling dat we ons in verlegenheid
brengen, maar hij voelt de behoefte meer “een zeker evenwicht” tot
stand te laten komen. Je kunt veel hebben zonder dat het te veel is en je kunt
weinig hebben zonder te kort te komen. Maar – de liefde van de Messias
gedenkend – kunnen we misschien iets doen, meer doen.
- Arme Jaïrus. Zijn vreugde, zijn kind, mijn dochtertje. Dan komt er eerst
die vrouw die heel haar vermogen had uitgegeven om baat te vinden terwijl haar
ziekte alleen maar erger wordt. Als ik alleen maar zijn gewaad kan aanraken.
Aanraken is je identificeren met, op persoonlijke wijze je binden aan. Dat is
dus nauwelijks iets van “alleen maar”. Het is totaal. (Wanneer in
precessie de Tora-rol naar de lezenaar gebracht wordt staan de mensen gereed.
Ze raken het kleed over de rol aan, identificatie, toewijding.) De vrouw geneest
en Jezus wil dat weten, maakt haar tot onderwerp van haar verhaal. Bevend en
bang gaat zij daar op in. En het kleine meisje richt hij op. Uitdrukkelijk beveelt
Hij dat dat een geheim moet worden. Alsof het nog niet zo ver is. Alsof er ng
geen woorden voor kunnen zijn. Meisje sta op.
Veertiende zondag door het jaar
Ezechiël 2,
2-5
Psalm 123
2 Korintiërs 12, 7-10
Marcus 6, 1-6
Kerugma jrg 52/2009
- Je kunt de tekst breedsprakig noemen, maar het kan ook zijn dat de structuur
je dwingend tot getuige maakt van wat naar voren wordt gebracht. De tekst begint
in vers 1. Mensenzoon ga op je voeten staan en ik zal tot je spreken. In omgekeerde
volgorde komen die twee items (voeten, spreken) terug. Daartussenin komt de
geest in mij. Dat lijkt te betekenen: de profeet hoort het spreken tot mij.
Hij hoort niet alleen de woorden, maar hoort hoe hij daarin aangesproken wordt,
tot mij, Alsof hij afgezonderd wordt van de anderen.
In het hebreeuws kun je de persoonsvorm aangeven in de vorm van het werkwoord
(zoals in het latijn of Italiaans). Als de persoonsvorm er bij staat betekent
dat het benadrukken van het onderwerp. Derhalve: IK stuur JOUW. Hij zal naar
Israël moeten. En of zij luisterren of niet: zij zullen weten dat er een
profeet in hun midden is, een gezondene, iemand namens de God van het verhaal
gezonden.
- Psalm 123. Mijn ogen gaan omhoog naar U de in de hemelen troont. Dat omhoog
gaan wil verder gevuld worden. Zoals …, zoals …, zo onze ogen naar
de Heer onze God totdat hij ons genegen is. Het woord genegen zijn brengt de
vraag naar voren en het motief.
- De doorn in het vlees van Paulus. Wat het ook moge zijn, daardoor kan Paulus
niet verwaand worden. Kracht wordt in zwakheid volkomen. Paulus zal nooit roemen
op zichzelf. Hij zal roemen op de Messias.
- Meisje, ik zeg je, sta op. Dat was het vorige verhaal van Marcus. Vandaar
(met dood en opstanding, het geheim van het evangelie, in het geheugen) gaat
hij weg en komt hij in zijn vaderstad. De tekst geeft niet (zoals de vertaling
pretendeert) de naam van Jezus. Jezus gaat op in het verhaal. Zoekplaatje: wie
is hij? Wie is hij die op sjabbes naar de synagoge gaat en begint te leren.
We horen hoe de gemeenschap over hem spreekt. Vanwaar dit alles bij hem, wat
voor wijsheid en al die krachten door zijn handen! Het uitzonderlijke wordt
duidelijk verwoord om afgewezen te worden. Niet wat zij zien is normerend voor
hun verstaan, maar het verleden dat hem toegedicht wordt. Voor hem is bij hen
geen plaats. Zo gaat dat bij een profeet.
Kerugma Jrg 55/2012
- Ezechiël heeft natuurlijk ook volstrekt niet en nooit begrepen wat hem
overkomen is, vroeger, lang geleden, ooit eens. Begrijpen is zo berekenend.
Dan weet je wat je verwachten kunt. Maar het kan zijn dat er ook zaken zijn
die buiten de berekening vallen. De geest van de Heer kwam over mij. Hij heeft
het niet van zichzelf. En dan moet hij naar Israël gaan. En Israël
zal weten dat er een profeet is, dat het woord van al zo hoge een mond gevonden
heeft. Je gelooft je oren niet.
- Het oog omhoog overbrugt de afstand tot de meester, de Heer die in de Hemel
woont. Het moet toch mogelijk zijn te ontkomen aan de hoon en de arrogantie.
Het bekommer je om ons, je dienaren.
- Reden tot verwaandheid heeft Paulus niet . Daartoe dient die doorn in het
vlees. Wat mag dat zijn? Doet dat er toe? Het is in ieder geval een doorn in
zijn fysieke bestaan, in wat een mens nodig heeft en is om te kunnen bestaan.
Precies in zijn kwetsbaarheid blijkt zijn kracht een kracht te zijn. Zoals Abraham
(ik ben enkel stof en as!) God in Genesis verplicht zich over zijn nood te ontfermen.
Zwakheid kan je wapen zijn.
- Ze kijken hun ogen uit maar ze accepteren niet wat ze zien en horen. Het feitelijke
dat nu gebeurt moet het afleggen voor oude kennis: “Dat is toch de jongen
van de timmerman!”, dat kan toch niets nieuws zijn. Stel je voor dat het
anders is, dat je moet veranderen. De gevolgen zijn dramatisch: als ze niets
nieuw willen, kan er ook niets anders. Dan gebeurt er niets – als dat
bestaat, als niets kan “gebeuren”. Jezus is verbijsterd over dat
ongeloof. Maar hun ongeloof maakt andere wegen vrij.
Vijftiende zondag door het jaar
Amos 7, 12-15
Psalm 85
Efesiërs 1, 3-14
Marcus 6, 7-13
Kerugma jrg 52/2009
- In de regels die aan de eerste lezing van vandaag voorafgaan heeft de priester
Amasja koning Jeroboam het bericht gestuurd dat Amos niet meer te tolereren
is in het land. Wat Amos allemaal verkondigt! De koning zal sterven door het
zwaard en Israël zal in ballingschap van zijn land verdreven worden. Het
is ondermijning van de staatkundige zekerheid waarin Jeroboam zijn gang gaat.
Koning Jeroboam blijkt niet onder de indruk van Amos. Maar de ijverige Amasja
pakt nu uit tegen Amos: Ziener, ga jíj, en vlucht, jíj naar het
land Juda en ga daar je brood eten. Hier is alles van de koning. Maar Amos zegt
dat hij geen officiële profeet is. Hij hoort niet bij een profetengroep.
Hoeder van vee is hij en iemand die zich met vijgenbomen bezig houdt. (Voor
vruchten vraagt die boom specifiek onderhoud.) Hij is dus geen profeet van zijn
vak. God heeft mij van mijn werk gehaald en mij de opdracht gegeven.
- Een woord van verzoening is een interpretatie van Psalm 85,9. Er staat: Ik
wil horen hoe God spreek, de Heer, want – dan is er een pauzeteken om
de kracht van het komende te voelen – Hij zal spreken vrede tot zijn volk,
en zijn hem toegewijden en niet zal hij hun laten terugkeren tot dwaasheid.
Als genegenheid en waarheid elkaar ontmoeten!
- De aanhef van de brief aan de Efesiërs. Paulus legt zijn “papieren”
op tafel: Hij zegent God de Vader van onze Heer Jezus Christus die ons in de
hemelen in Christus heeft gezegend met elke geestelijke zegen. In de Messias
zijn wij gezegend, uitverkoren tot heiligheid en gaafheid. (De tekst vraagt
zoveel aandacht dat het bijkans niet mogelijk lijkt haar met enkele woorden
tot zijn recht te laten, naast de eerste en derde lezing.)
- Wanneer we de laatste lezingen uit Marcus in ons geheugen terughalen dan weten
we van de dochter van Jaïrus, van toespeling op dood en verrijzenis en
van de afwijzing door de mensen van zijn stad. Als alles dicht lijkt te slibben
stuur hij zijn leerlingen, twee aan twee. Het getuigenis van twee is betrouwbaar.
Waarheen zij gestuurd worden en wat de boodschap is, geen woord. Wel: macht
over de onreine geesten en minimale materiële steun. (Wanneer de geest
hemel en aarde onlosmakelijk met elkaar verbindt dan is een onreine geest wellicht
zoiets als: “Onzin die eenheid van hemel en aarde!” )
Een stok en sandalen kunnen wijzen op Pesach/Pasen, zoals het genezen kan wijzen
op het dienstwerk van Mozes. Preken, de boze geest verdrijven en zalven lijken
ruimte te maken voor ”het woord van God, de geest van God, voor de mens(en)
van God” (Dirk Monshouwer, Markus en de drie jaar Torah, Kok, Kampen 1989,
p. 112v.) Zij preken dat zij zich zullen omkeren. Dat vertelt Marcus over hun
preek. Zijn we weer terug bij het begin (Marcus 1,4)?
Kerugma Jrg 55/2012
- Amos, moerbeiboomkweker. God mag weten wat dat betekent. Maar het woord van
de Heer heeft hem in dienst genomen en nu is er geen ontkomen meer aan. De hoge
heren worden zo aangesproken en te kijk gezet dat er maar een mogelijkheid is:
vertel wat je wilt, maar niet meer hier, in het hart van de gemeenschap. Maar
Amos schuif je niet zo maar aan de kant. Hij is als menig artist, geen uitzondering.
Hij is iemand die met zijn kwaliteit probeert te doen wat hij kan om er iets
van te maken, om een beetje “wij” mogelijk te maken. Daarom: trek
als mijn profeet naar mijn volk Israël. Het bijbels Israël is geen
baas in eigen huis.
- Het missaal geeft voor vandaag de tweede helft van Psalm 85. Als je die eerste
regels leest zie je hoe geliefd de tekst is. Ostende nobis misericordiam tuam:
toon ons heer uw betrokkenheid en schenk ons uw bevrijding (uw jeschoea). De
regels hierna lezen en horen wij vandaag. Als zijn glorie, meer letterlijk zijn
“gewicht, zijn doorslaggevende betekenis”, hoe gebeurt dat dan?
Genegenheid en waarheid, daden van genegenheid ontmoeten elkaar, binnen- en
buitenwereld, wat wij vermoeden, hopen, verwachten, én wat wij zien zijn
synchroon. De verhalen die we kennen en wat wij dagelijks meemaken stemmen met
elkaar overeen. Dat moet toekomstmuziek zijn.
- De eerste twee regels van blijken alleen maar kort en bescheiden te zijn om
zich dan als een stortvloed te ontladen in de overvolle regels van de tekst
die wij vandaag kunnen aanhoren. Het lijkt wel alsof alles daarin gezegd wil
worden. Al van voor de grondlegging van de wereld. Als een volmaakt offer, of
beter, een volmaakte opheffing – denk aan Isaak in Genesis 22 -, over
de Vader en zijn kinderen, uitverkorenen in de uitverkorene, over de bevrijding,
de verlossing uit alles waarin een mens gekerkerd kan zijn. Over het evangelie
van de vrijheid, het woord dat bewaart.
- Twee aan twee, als betrouwbare getuigen van Gods koningschap met enkel de
stok en de sandalen die je overeind en gaande houden, overgeleverd aan wat komen
gaat wanneer je uit bent op de nieuwe gemeenschap. Naar de woorden van de letterlijke
tekst kerenzij niet terug. We horen alleen wat er gebeurt. Gastvrijheid lijkt
daarbij cruciaal. Het verjaagt duivels en geneest zieken.
Zestiende zondag door het jaar
Jeremia 23, 1-6
Psalm 23
Efesiërs 2, 13-18
Marcus 6, 30-34
Kerugma jrg 52/2009
- De kudde en de herder, een geliefd thema in de bijbelse literatuur. En het
moge duidelijk zijn, wanneer de herders geen herders zijn dan betekent dat armoede
voor de kudde. Wee de herders door wie de schapen van mijn kudde omkomen en
verloren gaan. Een tekst die er niet om liegt. Hij brengt wat overgebleven is
van de verloren schapen weer bijeen. Juda wordt bevrijd, Israël leeft veilig.
En de naam zal zijn: de Heer onze gerechtigheid. Gerechtigheid: het geschieden
van het woord. Bijvoorbeeld: de uittocht uit het slavenhuis.
- Psalm 23. Niet: “De herder is mijn Heer, ik heb alles wat ik wil”,
maar De herder is mijn heer, het ontbreekt mij aan niets. De ik van deze tekst
weet van ontbreken, maar weet ook van hoe verder.
- Dat het woord niet alleen voor Israël is, maar ook voor de volkeren,
dat is de ontdekking van Paulus. De volkeren als volkeren – zij die veraf
waren zijn dichterbij gekomen. En hij heeft vrede verkondigd aan die veraf waren,
en vrede aan die dichtbij waren. In één Geest hebben wij toegang
tot de vader. Het lijkt alsof Genesis 1 terug gelezen wordt. Hemel en aarde,
de mens (veraf en dichtbij) en God horen bijeen.
- (Het verhaal over de dans van Salome en de dood van Johannes dank zij de “generositeit”
van de jarige Herodes kan volgens het lezingenrooster overgeslagen worden. De
definiërende inlas tussen de eerste oriëntatie van Marcus en hoe het
verhaal verder kan, staat in de liturgie blijkbaar tussen haakjes. Wij blijven
na de vorige zondag volgens het leesrooster bij de leerlingen die twee aan twee
zijn uitgestuurd.) De tekst van Marcus in het grieks zegt niet dat de leerlingen
zich bij Jezus voegen. Zij komen samen (sunagontai > sunagoo vgl synagoge)
bij Jezus en zij maken zich tot engelen (wanneer je het griekse taaleigen probeert
te bewaren. Je mag ook vertalen boodschapten, berichtten, spraken voluit over)
met betrekking tot alles wat ze gedaan en geleerd hebben. Interessant is het
woord alles, bijna altijd relatief, bijna altijd op een of andere wijze persoonlijk.
Doen en leren zijn de woorden die aandacht vragen, alsof zij bij elkaar horen
en elkaar uitleggen. Dus na alles wat ze gedaan hebben komt nu het leren. Daarna
moet je tot rust komen. Dat doe je op een eenzame plaats. (Het woord woestijn
verschijnt vanzelf op de achtergrond!) Maar die eenzame plaats om alleen te
zijn blijken zij te delen met velen. En Marcus geeft het motief van Jezus leren:
als een herder van schapen voelt hij compassie. Hij leert hen, let in de griekse
tekst op het woord polla/ veel. Veel is in de bijbelse literatuur vaak een democratisch
alIes – zoals het bloed dat voor velen vergoten wordt er zal zijn voor
ieder die vraagt “ook voor mij? Velen, democratisch allen.
Kerugma Jrg 55/2012
- Ware het niet zo treurig en zo desastreus, het zou dolkomisch zijn. “Dat
stomme volk dat niet weet hoe het hoort!” (Zie Johannes 7,49!) De baasjes
weten hoezeer de dwaasjes aan hun overgeleverd zijn. Maar in het orkest dat
de bijbelse literatuur is blazen zij een meer dan dramatisch hoofdtoon: Wee
de herders door wie de schapen van mijn kudden omkomen en verloren lopen.
- De herder is de Heer. Daarmee wordt ook kritiek gegeven op iedere heerschappij
die zich anders manifesteert. Gods heerschappij is die van de nabijheid en zorgzaamheid,
“al ga ik door het dal van de dood”.
- Jullie die eertijds ver weg waren, zijn door het bloed van de Messias dichterbij
gekomen, gebracht. Alles is nu goed, vrede. De scheidsmuur is neergehaald. Twee
werelden zijn één geworden. Is het naïef, denken dat wat
gebeurd is ook weer kan gebeuren. Verzoening.
- Zoeken naar de stilte blijken zij, de velen – de uittocht te herkennen.
Velen, democratisch allen, voor allen die willen of zouden durven willen. Als
hij vertrekt naar de woestijn, naar de overkant zorgen zij dat ze er al zijn.
Jezus was uit op rust, maar hij blijkt niet teleurgesteld. Hij voelt zich ook
niet opgejaagd. Hij voelt medelijden. Waarom voelt hij medelijden?
Zeventiende zondag door het jaar
2 Koningen 4, 42-44
Psalm 145
Efeziërs 4, 1-6
Johannes 6, 1-15
Kerugma jrg 52/2009
- Er komt iemand met gestebroodjes en wat koren in zijn tas. Hij brengt het
offer van de eerstelingen naar de man Gods Elisa. Dat is voor Elisa voldoende
om er een woestijnverhaal van te maken. Twintig gerstebroodjes zijn voldoende
om honderd man te voeden en over te houden.
- Een gebed uit Psalm 145. Alle werken zullen u danken, allen die u toegewijd
zijn zullen u zegenen. Gods koningschap is een koningschap voor alle tijden.
Wat is dat dan voor koningschap. Hij helpt allen overeind die vallen en doet
allen recht staan die gebogen zijn. Daarom wachten de ogen van allen op U, want
U geeft hen hun voedsel wanneer de tijd daar is.
- Paulus spreekt als gevangene. Heeft dat iets te zeggen? In de synagoge wordt
je geroepen om een gedeelte uit de Tora of de Profeten voor te lezen. Geroepen
worden kan ook betekenen gelezen worden. Want roepen is in het hebreeuws het
woord voor (steeds hardop) lezen. Stem van één die de Tora roept,
stem van een die Tora vertolkt. Geroepen zijn betekent dan dat je blijkbaar
deel uitmaakt van het bestand van de Tora: jouw naam geschreven in het Boek
dat het leven ter sprake brengt. Hemel en aarde zijn één wanneer
wij hen in woord en daad het perspectief van elkaar laten zijn, hen in elkaars
perspectief zien. Al het andere vloeit daaruit voort. Woorden om te wegen.
- Verlichte geesten hebben tussen de regels door ontdekt dat er een kind is
dat uiteraard vrijgevig is en zo de volwassenen de les leest. Beschaamd gaan
ze vanzelf delen met elkaar wat ieder voor zichzelf had meegenomen voor “je
weet het nooit”. Op die, jou passende manier hoef je Jezus niet koning
te maken. Het is een verhaal van de overzijde. Die mag je niet interpreteren
met een landkaart van Galilea en omgeving in de hand. De overzijde is evengoed
ook het land van “die derwaarts gaan en keren niet”. Het is aan
onze greep onttrokken. Je hoort Jezus de berg op gaan. Hij gaat zitten. Het
onderricht begint. Pas nu schrijft Johannes: Pasen, het feest van de Joden!
Filippus getoetst (toetsen: tot klinken brengen – denk aan de toets) blijkt
zuinig te kijken. Het is niet genoeg. Andreas die broer van Simon: zijn we terug
bij het begin (1,40)? Het onderricht blijkt het brood in zijn handen en de dankzegging
of zegenbede. Dat brood blijkt eindeloos verdeelbaar, tot in onze dagen toe.
Ze willen met hem aan de haal gaan, hem tot hun broodkoning maken. Maar hij
onttrekt zich, omhoog, het gebergte in.
Kerugma Jrg 55/2012
- Humor. Gewoon humor. Daar komt zo’n gast met in zijn tas twintig gerstebroden.
Je moet dan niet aan onze broden bij onze bakkers denken, maar aan die dunnetjes
waar wat graan, groenten en een flardje vlees wordt toegevoegd. Twintig kleine,
op een vuurplaat gedroogde pannenkoekjes voor honderd man. Maar Elisa denkt
daar anders over. Verder leven hoeft niet het resultaat van rekenwerk te zijn.
Het kan ook anders gaan. (Wie weet niet van uitzonderingen die achteraf gezien
alles bepalen?)
- Wat God doet (de werken) geven de vromen woorden om God te loven, te roepen
en zijn macht te verkondigen. Daarom zien de ogen van allen hoopvol uit “naar
U”. Daarom geeft Hij voedsel, opent Hij zijn handen en komt hij tegemoet
aan hun verlangen. Rechtvaardig is Hij, heilig en nabij – voor ieder die
oprecht tot hem bidt.
Het is en psalm waarvan de regels beginnen met de letters van het alfabet. De
joodse leraren wisten: als je niet meer weet wat je bidden moet, zeg dan het
a, b, c. God maakt van je letters de gebeden.
- Eén God en Vader. Eén Heer, één geloof, één
doop. Die eenheid betekent blijkbaar dat niemand meer als slaaf, als ondergeschikte
hoeft te leven, dat de schapen niet als slaven de herder(s) moeten dragen, maar
dat mensen in vlees en bloed elkaars gelijken zijn. Elders spreekt Paulus over
het ene lichaam, die eenheid in verscheidenheid. Wat smeedt die eenheid? Paulus
heeft mooie lijnen om dat tafereel te schilderen: bescheidenheid, zachtheid,
geduld, elkaar dragen in liefde.
- Een verhaal aan de overkant. Een déjeuner sur l’herbe want er
is daar veel gras. Wat, welk lichaam krijgen wij hier te zien? Iemand die zegt:
geeft de mensen te eten. Hij dankt. Hij weet de vijf broden te delen. Zo ook
de vissen. Er is overvloed en er blijft over voor allen – want de twaalf
staan voor de leerlingen, voor de broers, uiteindelijk voor heel het volk. Daarin
herkent de menigte uitleg van het onderricht van Mozes. Stellig een profeet!
Maar dat zijn geen woorden om je meester te maken van hem.
Achttiende zondag door het jaar
Exodus 16, 2-4.12-15
Psalm 78
Efesiërs 4, 17.20-24
Johannes 6, 24-35
Kerugma jrg 52/2009
- De bevrijding smaakt blijkbaar niet naar meer. Net een maand weg uit het slavenhuis
Egypte wordt Mozes overladen met de meest grove verwijten: je hebt ons alleen
maar naar de woestijn gebracht om ons van honger te laten omkomen. De Heer zegt
tegen Mozes dat hij voor u brood uit de hemel zal laten regenen. Dan zullen
zij weten dat de Heer hen heeft uitgeleid uit het slavenhuis. Mozes en Aaron
vertolken dit voor het volk. De volgende ochtend ligt iets als dauw rond de
legerplaats. Man-hoe: wat is dat? Naast alles wat hier naar voren gebracht mag
worden is ook duidelijk: in de woestijn leef je van vragen.
- Het gedeelte uit Psalm 78 reflecteert het verhaal uit Exodus. Brood uit de
hemelen, het brood der engelen.
- De wijsheid van de volkeren is volgens Paulus niet wijs. Wijsheid is volgens
Paulus inzien, hoe de oude mens “van hoe je vroeger leefde” het
af moet leggen tegen de nieuwe mens. Graaien, doelgericht achter wat je hartje
begeert aanjagen blijkt niet meer te voldoen. Bekleed je met de nieuwe mens.
Doe het woord (gerechtigheid) en wees iemand (heilig) die weet dat het anders
kan, mag en moet – wellicht.
- Als de mensen Jezus zoeken - in het Johannes evangelie gebeurt dat nogal eens
– blijkt vaak dat zij alleen maar hun eigen Jezus zoeken, een Jezus die
antwoord is op al je vragen. In de tekst zegt Jezus: Naast het voedsel dat vergaat
is er ook een voedsel dat blijft, dat leidt tot volop, naar de maat van God
leven. De mensen blijken van goede wil. Welke werken moeten wij voor God verrichten?
Jezus zegt volgens Johannes dat het om één werk gaat, namelijk
vertrouwen in degene die God zendt. Maar wat is dan het teken dat zijn hem moeten
gaan vertrouwen?
Het teken is in Exodus 3 of Lucas 2 dat wat zal geschieden, wat zij zullen zien.
De vaderen hebben in de woestijn manna gegeten. Jezus zegt: niet wat Mozes geeft
is het brood uit de hemel, maar wat de vader geeft. Mijn vader geeft staat in
Exodus 16,4 (eerste lezing) als Ik zal doen regenen. In het grieks huoo. Als
je niet op past lees je bijna huios, zoon. De zoon als het levende brood. Bevrijding
uit de slavernij als levend brood. Ik ben – de stem uit het braambos.
Volgens Jezus is dat exclusief inclusief want de vader en de zoon zijn één.
Kerugma Jrg 55/2012
- Mocht je de tekst van vandaag gaan filmen dan kost de voorbereiding een boel
werk. Midden in de woestijn. Afgeleefd en afgepeigerd. En dat zou dan over vrijheid
en bevrijding gaan! Had ons maar gewoon thuis gelaten! En: Je hebt ons naar
de woestijn gebracht om ons van de honger te laten omkomen. Het is een beeld
van ontluistering waar de honden geen brood van lusten.
Toch! Brood zal het regenen. Vlees zul je eten. Hoe arm moet je zijn om daar
in te geloven? Of gaat het bij dat alles niet om “mij”, met “mijn
voorstellingsvermogen”. Want in al dat “ikkige” zit ook mijn
volstrekte beperking. Er zijn andere zaken mogelijk – zegt de tekst.
- De psalm lijkt in tegenspraak met wat in de kerk “van hogerhand praktijk”
geworden lijkt. Meer dan bij de verhalen worden we bij de stenen gehouden die
onvergankelijk en eeuwig heten te zijn. De psalm ziet dat anders. Het brood
uit de hemelen is iedere dag nieuw. (Je mag het, gelijk bekent ook niet alvast
gereed leggen voor morgen, “dan heb je alvast wat”. Het is niet
houdbaar!) En het is genoeg om mee op weg te gaan.
- Kort samengevat: je bent een ander mens geworden. Denk je dan dat je gewoon
door kunt gaan. Zou je niet opnieuw moeten gaan beginnen. Proberen. Onderzoeken.
Je denken vernieuwen. Misschien is het de moeite waard terdege te onderzoeken
wat dat zou kunnen betekenen. Alleen: hoe doe je dat?
- In Kfar Nachoem, het dorp van de troost, het dorp van “niet-alleen”.
Daar vinden de mensen Jezus. Hij zegt: jullie zoeken me niet omwille van de
tekenen. Tekenen: dat wat zál geschieden. Denk aan: Gij zult een teken
zien, een kind in doeken gewikkeld. Zij willen niet verder. Zij/wij willen enkel
het onmiddellijke. Het gaat er om, vertrouwen te hebben in degene die God gezonden
heeft, in wat Hij geeft. En dan wordt het een vraag. Wat mag het zijn, wie mag
degene zijn, die God ons geeft?
Negentiende zondag door het jaar
1 Koningen 19, 4-8
Psalm 34
Efesiërs 4, 30 - 5, 2
Johannes 6, 41-51
Kerugma jrg 52/2009
- De moeilijkheid van deze lezing is: wanneer je de tekst in je bijbel leest
komt de naam Elia niet in de tekst voor. Daarvoor en daarna wordt gul over Elia
vertelt, alleen hier niet. Het zou wel eens kunnen dat deze tekst over Elia
niet over Elia gaat, maar bijvoorbeeld over de Grote Verteller zelf of de engel
van het verhaal die in het verhaal zelf (vers 19) de engel van de heer heet.
De Bijbel wantrouwt de vanzelfsprekende fiducie in alles wat zich aandient als
macht of kracht. Een doornstuik markeert Elia’s ligplaats. Meer initiatief
heeft Elia niet. Hij komt niet verder dan: Laat mij sterven.
Een op steen gebakken brood en een kruik water maakt duidelijk dat er meer aan
de hand zal zijn. Nog een tweede keer wordt Elia op gelijke wijze in de rede
gevallen. Dat is voldoende om 40 dagen en nachten naar de berg van God te gaan.
- Iedere dag, de goede en de kwade dagen. Ik zal God zegenen. Een loflied zal
altijd in mijn mond zijn. De tekst zegt woordelijk: Ik heb de Heer gezocht en
hij antwoordde mij en uit al mijn angsten heeft hij mij bevrijd. Deze arme riep
tot de Heer en hij hoorde Psalm 34 geeft in de eerste regels een compleet scenario.
- Het zegel van God heeft ons gewaarmerkt voor de dag van de bevrijding. Daarom
moeten sommige zaken, kortom alle boosaardigheid, verdwijnen. Goedheid en vergeving,
daarin gaat God ons voor.
- Je moet je altijd afvragen of de vertaling Joden niet te gemakkelijk is voor
de Judeërs, de mensen van Judea, in ieder geval bij Johannes de zijnen.
“Ze” moet je altijd lezen vanuit zoiets als “in ieder geval
ook wij, de zijnen”. Ze/we morren. Het is het geluid dat de hoorders van
het verhaal herkennen als geluiden uit de woestijn. Hij is toch de zoon van
Jozef en Maria! Zij – en wij, want ons spreken over “Jezus van Nazareth”
lijkt dezelfde modaliteit te hebben – willen hem liever terugbrengen naar
de maat van het hun vertrouwde verleden want daar kun je in ieder geval over
beschikken. Maar Jezus trekt een grens: Niemand kan tot mij komen wanneer de
Vader die Mij zendt hem niet trekt, en ik zal hem doen opstaan op de jongste
dag. En: Wie naar het onderricht van de Vader luistert komt tot mij. Op een
of andere manier is vertrouwen in Jezus niet een kwestie van “goede bedoelingen”
maar van “onderricht door de Vader”, van “bijbels geloven”
of leven met wat ons te horen gegeven wordt. Altijd je overgeven aan wat aan
je voorafgaat, het spoor volgen, navolgen, leerling zijn van. Zijn Brood eten.
Kerugma Jrg 55/2012
- Elia ten einde raad. Gevlucht tot diep in de woestijn, gevlucht ook tot in
het hart van het verbond. Mij hij zelf wil nog maar een ding: laat me dood gaan.
Het is te veel. Nee, dat zegt hij niet eens. Hij zegt: ik ben niet beter dan
mijn vaderen.
Nauwelijks ontwaakt maakt een engel hem wakker. Er is op gloeiende stenen gebakken
brood en een kruik water, en de reis is nog ver. De tocht van al die jaren komt
terug in zijn reis van 40 dagen. Zo bereikt hij de Horeb, het hart van het verbond.
Alsof er nog iets te horen valt.
- De regels van de psalm beginnen met de letters van het hebreeuwse alfabet.
Wij zingen en horen de eerste acht regels. We komen hem in de liturgie vaker
tegen wanneer in de eerste lezing de hoofdfiguur te eten krijgt (Benoît
Standaert, Leven met de psalmen, Lannoo Tielt 2006, p. 123v.). Hij kan dan proeven
hoe goed de Heer wel is. Wel heeft goed hier een eigen betekenis. Voor Elia
betekent dat hij terug zal moeten naar de oorsprong van het verbond, geknecht,
bevrijd. Die roepen in nood”. In de Schrift krijgen de armen het woord.
Alsof er een andere macht is dan de wereld en haar wetten.
- Niet Gods geest bedroeven. Hoe zouden we dat kunnen doen. Wat bedoelt Paulus?
Je bedroeft de Geest met alles wat enkel terug wil zien: wrok, gramschap, toorn,
getier en vloeken. Alles wat boosaardig is. Het kan anders: goed zijn voor elkaar,
hartelijk, vergevend. Zo ben je als het programma van Gen 1,27 spelt: geschapen
naar Gods beeld, op Hem gelijkend.
- Ze nemen het niet. Hij zou het brood des levens zijn, brood dat leven geef,
leven is. En Jezus legt uit: er wordt geen beroep gedaan op jou en je vaardigheden,
jouw kwaliteiten. Er wordt beroep gedaan op de vader van hemel en aarde. Wie
uit God is heeft de Vader gezien. Ik ben, God is, brood dat leven geeft, dat
leven is. Wie van dit brood eet leeft in eeuwigheid. Dat wil zoiets zeggen als:
het kan je gegeven zijn. God kan het je geven.
Maria tenhemelopneming
Apocalyps 11, 19a; 12, 1-6a.10ab
Psalm 45
1 Korintiërs 15, 20-26
Lucas 1, 39-56
Kerugma jrg 52/2009
Maria Hemelvaart was vroeger een “verplichte zondag”. De tijd van
het feest is veelbelovend. Eigenlijk is het nu hoog in de zomer. Het feest staat
stil bij de verwachting en de vervulling. Welk perspectief reiken de lezingen
ons aan?
- De Apocalyps: het Open Boek, het Troostboek van Johannes. Hij ziet de Tempel
in de hemel open gaan. De intimiteit van Gods huis wordt zichtbaar. Een groot
teken wordt zichtbaar aan de hemel. Geen adelaar met zijn machtsvertoon, maar
een vrouw, gekleed met de zon, de maan onder haar voeten en twaalf sterren rond
haar hoofd. Vrouwe Israël, de nieuwe Eva, Maria. Er wordt een ander teken
gezien. Een grote vuurrode draak. Een derde van de sterren – en je kon
er veel zien aan de hemel in de oude tijden – een derde wordt weggeslagen.
Je houdt je hart vast. Maar angst maakt plaats voor ontroering. Het kind wordt
geboren. Het word ijlings naar de hemel gebracht. De vrouw vlucht naar de woestijn
en de stem klinkt: “Nu is gekomen …”
- De koningin wordt bezongen. Het gaat over de vrouw, over Israël, over
mensen in hun kwetsbaarheid en heerlijkheid. In haar wordt tegen ieder gezegd:
jouw schoonheid wekt de liefde van de koning.
- Als eerste ontkomen aan de dood. Met die woorden spreekt Paulus over Jezus
die verrezen is. Volgens hem is de dood niet door God geschapen. Wij sterven
in Adam. Maar zoals wij sterven in Adam, als kinderen van Adam. Maar zo zullen
wij ook opstaan als de Messias. Hij is koning tot hij al zijn vijanden onder
zijn voeten heeft gelegd. En de laatste vijand is de dood.
- Lucas heet de patroon van de schilders te zijn. Hij schildert zijn evangelie
met zulke eigen toetsen en penseelvoering dat niet alleen de voorstelling, het
verhaal, maar ook de streken en kleuren interessant gaan worden. Het tafereel
van vandaag is aandoenlijk. Maria, net zwanger, heeft gehoord dat haar nicht
Elisabeth al in de zesde maand is. Mij geschiede naar uw woord blijkt in de
praktijk als eerste te betekenen dat zijn naar Elisabeth toe gaat. Dan zullen
woorden vallen en die woorden zullen ons gaan doen vermoeden wat er gaande is,
wat op het spel staat. Want woorden kunnen ons bij de tijd brengen.
Visitatio heet dit tafereel. Bij de visitatie wordt wat nog niet zichtbaar is
duidelijk. Maria groet Elisabeth. Haar sjalom doet het kind van Elisabeth opspringen
in haar schoot. Zij zal dat dadelijk ook zeggen. Maar tussen de woorden over
dat springende kind staan de veelbetekenende woorden: Jij bent de gezegende
onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van je schoot. Elisabeth draagt de
woorden aan die zeggen: de moeder van mijn Heer. Wie is de vrouw die zo bezongen
wordt!
Wanneer zij zo toegesproken wordt geeft Lucas Maria haar eerste lange tekst.
Overbekend zijn die woorden geworden. Maria zingt het lied van Israël,
over God die bevrijd, die omziet naar de klein gemaakten, die betrokkenheid
betoont aan Abraham en allen die in zijn kind, zijn kinderen zijn.
Kerugma Jrg 55/2012
- Als “de tempel”, als “het heilig huis van God” open
gaat… Wat zou dat? Dan gaan de ogen open. Wat zie je dan? Een groot teken
aan de hemel? Als hemel is waar God God is, waar Zijn Welbehagen uiteraard geschiedt,
wat is er dan bij God te zien? Een vrouw, met zon en maan, en sterren als de
stammen waar het volk uit gebouwd is. Ondanks de verschrikkingen: een vrouw,
een kind. Een kind en alles zal anders worden.
Het kind is niet het verlengde van het verleden. Een kind is something quite
different. Een nieuwe wereld dient zich aan. Je kunt hoogstens proberen of verwachten
nog iets voor je betekent.
- Maria tenhemelopneming. Als de bruid van de koning wordt zij met de woorden
uit de psalm binnengehaald. Alles is goud wat er blinkt vanwege de liefde van
de koning. De bruid en haar gezelschap begeleidsters worden treden binnen in
de koninklijke woning. Niet alleen de koning is verheven, maar evenzeer en bovenal
zijn lief, de bruid, het volk, de kerk.
- Omdat het zo gegaan is, Adam, gaat het zo, sterven wij allen. Omdat het zo
gegaan is, met de Messias die opstaat uit de doden, zullen allen uit de doden
opstaan. Voortaan kan de mens niet meer verloren gaan. De macht, de ontferming
van de vader, eindigt niet.
- Maria gaat naar die stad in Judea. Iedereen weet dat er maar een stad is in
Jerusalem. Toch wordt die naam niet genoemd. Lukas bewaart die naam. Zoals Maria
het kind bewaart dat haar is toevertrouwd nu zij “het woord” laat
geschieden. Elisabeth groet haar: Jij bent de gezegende onder de vrouwen. Johannes
in haar schoot springt – wanneer dat niet te bruut is gezegd – zijn
verhaal in.
Twintigste zondag door het jaar
16 augustus 2009
Spreuken 9, 1-6
Psalm 34
Efesiërs 5, 15-20
Johannes 6, 51-58
Kerugma jrg 52/2009
- In een tekst is meer te lezen dan je schrijven kunt. Iets dergelijks schreef
schrijver Adriaan van Dis in het Hollands Journaal van NRC, enige tijd geleden.
De wijsheid heeft haar huis gebouwd. Deze tekst wijst volgens Rabbi Jeremia
ben Ilaj (LevR. XI,1) naar de schepping van de wereld. Er staat immers geschreven:
In wijsheid heeft de Heer de aarde gegrondvest – de eerste woorden van
de lezing van vandaag. De zeven zuilen zijn dan de zeven dagen. De dieren wijzen
op de offers. Het mengen van de wijn naar de wateren die op een plaats samenvloeien.
De tafel (sjulchan, oorspronkelijk het kleed op de vloer voor de gasten) is
het gras en de dienaren die als geroepen komen zijn Adam en Eva. Een andere
leraar zegt: haar huis is de tempel. Weer een ander: de Tora. Zie Spreuken 8,22.
Je komt dan bijna vanzelf bij de eerste woorden van Johannes. Het woord, de
wijsheid, de Tora, de Tempel, en je moet zeker ook zeggen de messias. Al die
woorden lopen in elkaar over, roepen elkaar op, spelen elkaar het balletje toe.
Want Bijbelse wijsheid is niet beperkt of bekrompen maar ruim als het veel belovende,
alles belovende land, uitnodiging voor velen.
- Iedere dag, de goede en de kwade dagen. Ik zal God zegenen. Een loflied zal
altijd in mijn mond zijn. De tekst zegt woordelijk: Ik heb de Heer gezocht en
hij antwoordde mij en uit al mijn angsten heeft hij mij bevrijd. Deze arme riep
tot de Heer en hij hoorde Psalm 34 geeft een verantwoording en een compleet
scenario.
- Het fragment uit de brief aan de christenen van Efese, die grote overvolle
havenstad, sluit toevallig goed aan bij de Psalm. Probeer te begrijpen wat God
wil. Zo zoek je zelf de weg die jouw weg zal zijn.
- De synagoge van Johannes 6,59, de eerste regel na de lezing van vandaag, is
de enige synagoge die Johannes in zijn evangelie noemt. Wat doet Jezus in die
synagoge? Hij gaat op in het werkwoord leren. Alles wat hier ter sprake wordt
gebracht is leren. Jezus leeft van de Vader (4,32), doet als hij de Vader ziet
doen (5,19). Zo geeft Hij te eten en te drinken, is hij vlees en bloed, brood
en wijn.
Ik ben. Ieder die een beetje thuis is in de Schriften weet dat dit de stem van
de struik is die brandt in de woestijn. Ik ben. Dan valt er stilte. Tenslotte
komt het hoge woord het levende brood. De Joden, in het Johannes-evangelie is
niet een etnisch bepaalde groep maar een schriftuurlijk bepaalde groep: zij
die het weten kunnen, de mensen die weten waar het over gaat, het volk Gods
– daar horen wij ook bij. Zij die het weten kunnen vechter erover: Hoe
kan dat? Troost voor de lezer is, dat ruzie ook duidelijk maakt dat ze het niet
met elkaar eens zijn.
Enige jaren geleden werd graag gezegd: niet een feit maar een proces. Wie mijn
vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem. Zoals ik door de
Vader die leeft gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die mij eet
leven door mij. Het is door en door een proces, volop tegenwoordige tijd. Zo
is dit het brood, het leven dat ons geboden wordt, dat ons in staat en stand
houdt. Deze permanente presentie komt naar ons toe als ons heden, bewaart onze
dagen ook als zij voorbij zijn.
Kerugma Jrg 55/2012
- Wijsheid is een koninklijk paleis. Alles is er, klaar gemaakt voor de gasten.
Wie zijn die gasten? De tekst maakt daar geen geheim van.
- Vreest de Heer. Meer dan over angst voor straf gaat deze vrees over ontzag,
eerbied. Zij die dat daarmee leven heten (wanneer je de hebreeuwse woorden letterlijk
weergeeft): zijn heiligen.
- Een pleidooi. Beleef de vreugde en het gezonde verstand en bewaar het evenwicht.
De geest moge je bezielen. De zinsnede suggereert dat hemel en aarde aantoonbaar
bij elkaar kunnen horen.
- Johannes wordt getormenteerd door het verdriet dat de zijnen (die van Jerusalem)
Hem, Jezus, niet aanvaarden. Het is alsof ze het brood dat voor hen in de woestijn
uit de hemel regent niet willen eten. Alsof je je in de woestijn niet kunt identificeren
met wat God geeft. Mijn vlees eten, mijn bloed drinken – leven van Hem,
in eeuwigheid, naar Gods maat leven.
Eenentwintigste zondag door het jaar
Jozua 24, 1-2a.15-17.18b
Psalm 34
Efeziërs 5, 21-32
Johannes 6, 60-69
Kerugma jrg 52/2009
- Het laatste hoofdstuk voor Jozua. Het is hem ernst. Hij verzamelt alle stammen
van Israël en allen die op een of andere wijze leiding geven aan het volk
voor de Heer. De laatste beslissing. Hij vertelt in het kort heel het verhaal
van Israël en eindigt met een keuze. Hij heeft zijn keuze gemaakt. Maar
ik en mijn huis, wij dienen de Heer. Het volk beaamt die keuze. Ze beroepen
zich op het verhaal van hun bevrijding. Ook wij willen de Heer dienen. Hij is
onze God.
- Psalm 34, een lied van David, vandaag ook als lied van Jozua opgevoerd, als
lied ook voor ieder die in vertrouwen op God probeert te gaan. De heer zal over
zijn beenderen waken opdat hij er geen van breekt. Daarmee is het ook het lied
van het lam.
- Het fragment uit de brief aan de Efesiërs is vaak honend geciteerd. Wij
houden niet van onderdanig zijn, van je ondergeschikt maken. Paulus gebruikt
de omgang van geliefden als beeld voor wat zich afspeelt tussen God en de mensen.
Christus en zijn kerk zijn ten diepste één. Het is de vraag of
wij daar woorden voor hebben.
- In de synagoge van Kapernaüm heeft het woord geklonken. Ik ben. Brood
om van te leven, levend brood voor onderweg. Zijn bestaan is volstrekt deelbaar.
Wie hiervan eet zal volop leven. Voor de mensen van Judea is dit een reden om
zich te distantiëren. Hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven? Hij kunnen
wij leven van hem? Daarmee komt de vraag bij de leerlingen. Het zijn harde woorden.
Wie kan dat aanhoren! En de afstand lijkt alleen maar groter te worden. En als
Jezus zich richt tot de 12 komt Petrus niet verder dan “Naar wie zouden
wij anders gaan!”
Intussen vinden we in de weerbarstige taal van de tekst minstens een parel.
De woorden die ik spreek zijn geest en waarheid. Als het gaat over de geest,
dan gaat het niet over wat hij gezegd heeft, maar over de woorden die hij spreekt.
Voortdurend heden. Zolang je met de tekst bezig bent ben je in de ban van die
woorden, van de geest – overbrug je de afstand tussen hemel en aarde,
maak je hen tot één.
Kerugma Jrg 55/2012
- Een grote verzameling. Eigenlijk wordt heel het kader en ieder die gekwalificeerd
is opgeroepen. Wat mag daar de bedoeling van zijn? Jozua treedt op als Richter.
Maakt wat hij zegt dan iets uit? Betekent het wat? We horen hem het credo zeggen
dat ieder onderschrijft: wij waren slaven in Egypte en Hij! Hij heeft ons bevrijd!
- De eerste en laatste regels van Psalm 34. Toen David zich als een waanzinnige
gedroeg heeft de Filistijnse koning Abimelech hem weggejaagd. Weer bij zinnen
prijst David de Heer. Zijn gebed legt uit waarom.
- … zoals Christus het hoofd is van de Kerk. Hoe is Hij dat? Paulus laat
zien hoe gehuwden hoog genormeerd zijn en welke ruimte zij krijgen. De tekst
wil in zekere zin, en binnen het bestek van de tijd, praktisch zijn, maar het
bijbelse huwelijk gaat altijd over het heilig omgaan met verschillen, over wat
verbond werkelijk is, elke dag nieuw en steeds weer om aan te beginnen, om tot
zijn recht te laten komen.
- In de synagoge van Kapernaum is de afstand zichtbaar geworden tussen Jezus
en de menigten om hem heen. Hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven! Ook bij
Zijn leerlingen ligt de ambitie niet hoog: Wie kan hem aanhoren? Zijn woorden,
heel persoonlijk. De woorden die ik jullie zeg of gezegd heb, zijn geest en
leven. Maar er zijn er onder jullie die daar geen vertrouwen in hebben. Wie
heeft dat vertrouwen dan wel? Ook het blijven van Petrus klinkt niet geïnspireerd.
Naar wie zouden wij gaan? Schoorvoetend maar tegelijk beslist belijdt hij zijn
vertrouwen. Is dat om duidelijk te maken dat de vader geeft?
Tweeëntwintigste zondag door het jaar
Deuteronomium 4,
1-2.6-8
Psalm 15
Jakobus 1, 17-18.21b-22.27
Marcus 7, 1-8.14-15.21-23
Kerugma jrg 52/2009
Onverwacht reiken de drie lezingen een verhaal aan. Over het woord, over wat
God (ge)biedt.
- De tekst uit Deuteronomium kent het begin niet dat er in het lectionarium
voor staat. Hij valt meteen met de deur in huis: En nu, Israël hoor …Daarmee
zijn we bij de kern van de zaak. Voortdurend wordt de gelovige voorgehouden
dat hij moet horen. Op je qui vive zijn betekent: horen. Horen naar wat God
ons (ge)biedt, naar hoe de verhoudingen tussen de mens en God en tussen de mensen
onderling nauwlettend horen. Dat horen is van wezenlijk belang nu je het land
in bezit gaat nemen dat Hij geeft. Het leven van een mens is bijbels gesproken
geen natuurproduct. Het is gediend bij wikken en wegen wat ons in wezen gegeven
is.
- Wie mag te gast zijn in uw tent? Wie trekt met God mee? Terzijde zij opgemerkt
dat God niet een “onbeweeglijke stilstand in den hoge is”. Hij is
in tenten thuis, onderweg, voortdurend. (Zelfs de verbondsark in de tempel heeft
twee draagbaren. Hij kan zo opgetild worden om verder te gaan.) Wie trekt mee.
Wie hoort bij Gods wonen? Psalm 15 geeft daar woorden voor.
- Jacobus, traditioneel de broeder van de Heer genoemd. We horen in hem een
praktisch mens, met praktische adviezen voor de concrete gemeenschap. Toch,
let op de kleintjes. Waarom zijn wij in zekere zin eerstelingen van de schepping?
Omdat hij ons het leven geschonken heeft. Tot zover niets nieuws. Alleen: dit
leven geeft hij door het woord van zijn waarheid, zijn daden die genegenheid
spellen. Leven is eigenlijk om zo te zeggen wat boven de natuur uit gaat, wat
niet natuurlijk is (maar gebaseerd op onderzoek, kiezen en beslissen). Buitengewoon
praktisch blijkt dit.
- Na de dood van Sint Jan de Doper in het 6e hoofdstuk lijken bij Marcus de
kaarten geschut. In snelle scheden zal de afstand tussen Jezus en de leiders
van het volk zich uittekenen. Waarom? Vandaag komen de Farizeeën en sommigen
van de geleerde schrijvers met de problemen die ze hebben. Over de reinheid.
Over de leerlingen die zo maar wat doen of niet doen, in ieder geval niet doen
wat men dient te doen. Ze eten met onreine handen. Dat te zien (b)lijkt hun
pijn te doen. (Het lectionarium laat een essentieel deel over qorban en de relatie
met je vader en moeder over. Blijkbaar kan dat!) Jezus heeft het over een andere
pijn, over wat je ziet gebeuren, over waar mensen toe in staat zijn, wat uit
een mens komt.
Kerugma Jrg 55/2012
- Niets aan toevoegen, en niets aan afdoen. Duidelijk mag wezen dat dit het
is en dat dit alles is. In dit fragment horen we daarover in feite alleen maar
dat we moeten horen. Het gaat over horen naar wat ik u geef. Het gaat over een
persoonlijke verhouding.
- Wie mag als gast verblijven in de tent van God, in Zijn Hemel, Zijn Tempel.
In: waar Hij verblijft. De tekst geeft aan hoe sociaal een religieus mens is.
- Vijf weken lang lezen we fragmenten uit de Brief van Jacobus. Vandaag een
complete levensbeschouwing. God die ons het leven schenkt. Al het goede toont
ons zijn hand. Zachtmoedig, tot leren en proeven bereid, het woord aannemen.
Hoorders en doeners van het woord zijn.
- De vrede en het grote vertrouwen aan het einde van hoofdstuk 6 komt tot zoiets
als een afronding. In hoofdstuk 7 zien we zoiets als opnieuw beginnen. En het
begin is nu anders, meer “op scherp” gesteld. De Farizeeën
verzamelen zich (maken zich tot synagoge) bij Hem en ook de schriftgeleerden
uit Jerusalem. Meestal is Marcus vrij kort van stof. Nu worden de zaken breed
uitgemeten. Alsof er iets op het spel staat. Zij zien iets. En ze vragen. Ze
vragen: Waarom? Wat zij zien accordeert niet met de traditie van de vaderen.
Daartegen brengt Jezus Jesaja 29:13 in, ook een te-goed uit de traditie. Om
daaraan vast te knopen “wat een mens verontreinigt”. Misschien helpt
het om nog eens precies vast te stellen, waarover het gaat bij rein of onrein.
Het nederlands taalgevoel kent als het ware natuurlijk aan deze woorden een
bijbels gezien verkeerde betekenis toe. Wie onrein is doet niet mee aan wat
de gemeenschap doet, komt niet waar de gemeenschap als gemeenschap komt.
Drieëntwintigste zondag door het jaar
Jesaja 35, 4-7a
Psalm 146
Jakobus 2, 1-5
Marcus 7, 31-37
Kerugma jrg 52/2009
- Jesaja richt zich tot allen die de moed verloren hebben. Wat zijn dat dan
voor mensen die de moed verloren hebben? Die mensen worden genoemd de blinden,
de doven, de lammen en de stommen. Zien, horen, gaan en spreken. Zegt die volgorde
iets? Maar voordat je de vraag stelt gaat de tekst verder: beken in de steppe,
rivieren in de woestijn. De dorre vlakte een vijver, en de dorstige grond één
waterbron. Waar eigenlijk niets meer is en eigenlijk niets meer kan zal hij
een nieuw begin maken, redding. De heer redt, in het hebreeuws: Jehoesjoea.
Dat woord staat in de hebreeuwse tekst.
- De bijbelse mens weet dat het niet vanzelf is of gaat. De Heer geeft. Hij
neemt het op voor de mens. Hij geeft brood aan wie honger heeft. Hij is koning
als behoeder van de vreemdeling, als degene die weduwe en wees staande houdt.
Psalm 146 geeft die woorden die te denken geven.
- Volgens Jacobus kun je niet leven in vertrouwen op Jezus de messias wanneer
je er op uit bent om in een goed blaadje te komen bij de mensen van aanzien
ten koste van de arme. God kiest partij voor de armen, voor hen die niets hebben
om zich op te beroepen.
- Helemaal uit het noorden (Tyrus en Sidon – waar de honden onder de tafel
van de kruimels eten - ) begeeft hij zich naar de Zee van Galilea om midden
in het gebied van de Tien Steden tot staan te komen. Ze brengen. Publiekelijk
wordt er iemand aangevoerd. Een dove, iemand die moeilijk praat. Ze smeken.
Uit die paar details blijkt hoe begaan ze met hem zijn. Jezus neemt hem terzijde.
In het zijne. Heel concreet vertelt het verhaal wat Jezus doet, hoe hij zich
met de mens identificeert, zelfs zo concreet dat hij zich met een zucht van
hem losmaakt om de ogen naar de hemel te slaan. Ga open. Ga open hemel, ga open
oren en mond.
Hij mag er niet over spreken en hij kan niet zwijgen. Moet een geheim niet bekend
zijn alvorens een geheim te kunnen wezen? (Intussen noemt de griekse tekst in
dit verhaal nergens de naam Jezus. Wie is Hij? Hij is degene die de doven doet
horen en de stommen laat spreken. Spreken is het laatste werkwoord. Vrijspraak.)
Kerugma Jrg 55/2012
- Wij zijn ook verantwoordelijk voor wie kwaad gedaan wordt en voor degenen
die kwaad doen. Daar is het rechtssysteem op gebouwd. Daaruit blijkt tegelijkertijd
ook, dat het kwaad iemand aangedaan verder gaat dan de persoonlijke verhouding.
Het treft heel de gemeenschap. God neemt het voor heel de gemeenschap op. (Het
is daarom ook altijd voor ons richtingaanwijzend en inspirerend.)
- Recht voor de verdrukte ballingen: brood voor wie honger heeft, vrijheid voor
de gevangenen. De tekst geeft de woorden vrij die de rechtelozen (de vreemdeling,
de weduwe en de wees) beschermen. Door daden van bevrijding is hij Koning, de
God van Sion.
- Hoe ga je met de arme om? Je mag, ondanks het voorbeeld, de arme niet alleen
economisch duiden.
- Waarom het voorafgaande verhaal overgeslagen? Het zou zo troostend kunnen
zijn om te horen dat wij (niet-Israël) mee mogen eten van wat van de tafel
valt! Maar goed.
Jezus gaat naar Galilea en het gebied van de Tien steden, zeg het voorland voor
wie naar Jerusalem wil. Alsof hij al te wachten staat, zo vrijwel spontaan brengt
men een doofstomme jongen. Hebben die twee, deze jongen en Jezus iets met elkaar?
Ze hebben in elk geval een terzijde, een terloops. En het gaat beslist zeer
lichamelijk. Daarna horen we deze doofstomme jongen spreken, maar het is, misschien
ondeugend gezegd, alsof hij nog moeite met horen heeft. Het zal je maar gebeuren
dat je na een leven van niets horen en niets zeggen opeens horen en spreken
kunt, me kunt praten.
Vierentwintigste zondag door het jaar
Jesaja 50, 5-9a
Psalm 116
Jakobus 2, 14-18
Marcus 8, 27-35
Kerugma jrg 52/2009
Hoevelen zijn niet te beschrijven met de woorden van Jesaja? Het gaat over de
dienaar van de Heer, over de van God en mens verlatene. De actualiteit heeft
ons de afgelopen jaren genoeg van die beelden laten zien: geslagen, verminkt,
misvormd en geminacht. De treurigheid en woede die je voelt bij die beelden
vertolken ook de radeloosheid van God. Maar God is nabij. Die mij vrij zal spreken
is nabij. Laat ons samen voor de rechter gaan staan. Wie zal mij schuldig verklaren.
In Psalm 116 vormen door de omlijsting de verzen 14-18 een geheel. Ze zijn een
klankbord, de akoestische ruimte waarin de voorgaande regels resoneren. Het
eerste accoord is dat van een minnaar die mint omdat hij zich gehoord weet.
Hij weet dat God hem ziet staan en hem genegen is. Daarom heft hij de beker
van de bevrijding (Jesjoeooth, denk aan Jehosjoea) en beroep ik mij op de naam
van de Heer.
Jacobus komt met een eeuwenoude en volstrekt nieuwe toets voor wie zichzelf
als gelovige presenteert. Wat doe je? Welke daden kun je laten zien? Zogenaamde
vroomheid of religiositeit die ten koste van mensen gaat is daarmee af te schrijven.
Caesarea Philippi, weer ver weg van Jerusalem. Wat nog ver weg is zal dichterbij
komen. Jezus zal ter sprake brengen hoe het zal gaan, wat er zal gaan gebeuren
en wat dat betekent. De inzet is duidelijk. Wie zeggen de mensen dat ik ben?
Drie verwijzingen worden gegeven. De doper, Elia, een van de profeten. Daarmee
is de toon gezet van Tora en Profeten, van leven in het land dat de beloften
draagt. Maar dan, meer dichtbij: Wie zeggen jullie? Petrus komt daarop met het
hoge woord: Jij bent de Messias. Maar deze woorden worden terstond tot stilte
gebracht: Hij verbied nadrukkelijk … Want waarover spreek je dan. Jezus
geeft de woorden die uitleggen wat Petrus heeft gezegd, de woorden ook die het
geheim, zijn geheim, koesteren. Over lijden en sterven en verworpen worden.
Petrus wijst dat ook af en moet tot de orde geroepen worden. Daarna wordt de
kring weer groter gemaakt. Het volk komt bij hem en hij spreekt over mijn volgeling
zijn. Over je leven verliezen om het te redden. Blijkbaar redt het niet wanneer
je er vooral op uit bent jezelf te redden.
Kerugma Jrg 55/2012
- Volgens Jesaja is Gods vragen geen fonetisch materiaal. Het treft je in heel
je bestaan. Jij bent in het geding, het gaat over jou met je huid en je haren,
gewoon, zoals je jezelf in de spiegel kunt zien. Maar als we dan nader toehoren
blijkt, dat de geportretteerde een nabij iemand is die zichtbaar lijdt en leidt.
Die daagt je uit om mee te gaan en voor de rechter te verschijnen. Wij kunnen
ons niet onttrekken aan het portret van iemand die lijdt.
- Wat is dat, wanneer je weet dat iemand naar je hoort. Wat overkomt je wanneer
je begrijpt dat er plaats voor je is? De strikken van de dood kunnen je dan
niet meer houden. De eenvoud heeft hij lief, beschermt Hij. Hij neemt het voor
hem op, brengt hen terug uit de Ballingschap
- GeLOVEn, wat is dat? Niet met instrumenten uit de wereld van de audiologie
kom je daar achter. Het heeft meer met handstand te maken. Het is Jacobus wel
verweten dat hij zo nuchter en praktisch is.
- Caesarea-Philippi, bijna helemaal op de rand van de kaart van Israël.
Nog even en je bent het land uit. Dus in feite kun je nog alleen terug. Dan
moet en zal het naar Jerusalem gaan. Wie zeggen de mensen dat ik ben? En: Wie
zeggen Julie dat ik ben? Is dat het, waar het evangelie over gaat? We horen:
Johannes, Elia, de profeten. We horen ook: De Messias! Alsof we nu, terwijl
alles nog gebeuren moet, al kunnen weten wat dat betekent. Dat merk je dan hier
aan de reactie van Petrus. Geen sprake van “verworpen worden”, geen
sprake van “ter dood brengen” en “op de derde dag verrijzen”.
Ook Petrus zal dat kruis, zijn/Zijn kruis op zich moeten nemen.
Vijfentwintigste zondag door het jaar
Wijsheid 2, 12.17-20
Psalm 54
Jakobus 3, 16 - 4, 3
Marcus 9, 30-37
Kerugma jrg 52/2009
- De eerste lezing presenteert zich gecompliceerd. Hij bestaat uit een citaat
uit de mond van iemand die het niet ziet zitten. (Ik vermijd de term “ongelovige”
in de vertaling. Die term suggereert een duidelijkheid die er niet is.) Een
tegenstander beschrijft de toegewijde. Je moet dus als het ware het negatief
lezen. De toegewijde meent te moeten leven volgens de Tora. We zullen hem pakken.
We gaan hem beproeven om te zien hoe zachtmoedig hij is, hoe verdraagzaam. Als
wij hem veroordelen tot een schandelijke dood zullen we zien dat God er niet
is om hem te beschermen.
- Psalm 54 neemt die draad op. God is degene die niet laat varen het werk van
zijn handen. Een bede om hulp. Help mij opdat ik in staat zal zijn U te prijzen.
- Jacobus, de man met een scherp oog. Hoe gaat het er aan toe in de grote mensenwereld.
Naijver, onrust, minderwaardige praktijken. Daartegenover is de wijsheid die
van God komt puur, vredelievend, vriendelijk, voor rede vatbaar. Gerechtigheid
is een vrucht van de vrede en slechts voor wie de vrede nastreven.
- Jezus verblijft in Galilea maar niemand hoeft dat te weten, want hij is bezig
met het onderricht aan zijn leerlingen. Wij krijgen, als waren wij zijn leerlingen,
te horen waar dat onderricht over gaat. De mensenzoon. Het mensenkind. Het kind
van Adaam, de mens. Hij wordt overgeleverd en gedood, en hij zal na drie dagen
opgewekt worden. Maar het lijkt er op dat van dat onderricht weinig terecht
komt. De leerlingen durven hem niets te vragen. Maar ze zijn blijkbaar wel druk
bezig geweest. Thuis, in Kapernaüm, vraagt hij waar ze onderweg over getwist
hebben. Jezus laat dan zien hoe de Vader die in de hemel is kijkt. Hij ontfermt
zich over zijn kind.
Kerugma Jrg 55/2012
- Wie aandacht wil schenken aan de eerste lezing doet wellicht wijs, zich bezig
te houden met en groter deel van dit tweede hoofdstuk. We komen dan nuchtere
mensen tegen die bij de dag leven en genieten wat er te genieten valt, maar
al snel draait het om of bij. Niet af te wijzen duidelijk wordt de tekst. De
arme tiranniseren, de weduwe niet ontzien en je niet storen aan de grijze haren
van de grijsaard. Wreedheid en minachting is ouder dan de tijd van de massamedia.
Het gaat blijkbaar enkel om kracht. Wat zwak is dient tot niets. En zo vergrijpt
men zich ook aan de gelovige. Al dat inspreken op je geweten … En hun
God zal het wel voor hen opnemen.
- O God, in uw naam, wees mijn hosjea, mijn bevrijding. Het is het gebed van
David op de vlucht voor Saul. God is mijn helper, de supporter van mijn ik.
- Gerechtigheid is een vrucht van de vrede en alleen wie de vrede nastreeft
zal haar oogsten. Gerechtigheid, het geschieden van het woord, het plaats vinden,
het gebeuren. Herkennen ook. Vrede, het wel-zijn en dat beleven. Zien en zeggen
dat het goed is, scheppingstaal.
- Weg van de berg. Welke berg? Er is intussen heel wat gebeurt bij Markus wanneer
we in het verhaal van vandaag komen. Dat blijkt ook uit hetgeen nu aan de orde
komt. We zijn bij Jezus die zijn leerlingen onderricht. Wat leert Hij hen dan?
Over wat er in Jerusalem zal gaan gebeuren, overgeleverd worden, doden, opstaan.
Uitdrukkelijk noteert Marcus dat de leerlingen er niets van begrijpen. Maar
ze durven ook niets te vragen. Hebben ze dan iets anders te doen? Na dit onderricht
blijkt voor hen aan de orde: wie is de grootste. Daarop zet hij een kind in
hun midden. Hij omarmt het. Hij identificeert zich met “een kind in het
midden” gezet. Een verhaal dat na al die jaren nog steeds niets aan actualiteit
inboet.
Zesentwintigste zondag door het jaar
Numeri 11, 25-29
Psalm 19
Jakobus 5, 1-6
Marcus 9, 38-43.45.47-48
Kerugma jrg 52/2009
- Mozes heeft zich bij God beklaagd. Waarom hebt u de last van heel het volk
op mijn schouders gelegd? Daarop heef God Mozes geboden, de oudsten van het
volk bijeen te brengen in de verbondstent. Hij heeft op hen de geest gelegd.
Zij zullen Mozes helpen de last van het volk te dragen. Zolang de geest van
de Heer op hun rust profeteren zij. Later hebben ze dat niet meer gedaan. Maar
twee mannen zijn in het kamp achter gebleven. (Het getal 72 zou betekenen, dat
er uit iedere stam 2 genomen werden. Nu zijn er twee te veel. Die twee zijn
achtergebleven. Er zijn verhalen die vertellen dat zij zichzelf niet waardig
achten. Daarom viel hun de eer te beurt, dat zij bleven profeteren, ook toen
de 70 dat niet meer deden. Jozua wil dat Mozes hen verbied te profeteren. Daarop
zegt Mozes: ik zou willen dat allen profeten waren. Mozes wil zijn gezag delen.
(Zie Joel 3,1)
- Profeten spreken namens de Tora. Zij vertolken het onderricht, brengen het
bij de dag. Psalm 19 mediteert over het Onderricht, over het Woord van de Heer.
- Als je veel hebt kun je ook veel verliezen. Dat is een simpele waarheid. En
je kunt wel met hart en ziel vergaren, maar ten koste van hoevelen gaat dat?
Jacobus is niet enkel lief en zacht. Wat hij om zich heen zag kunnen we nog
steeds zien.
- De officiële lezing houdt vandaag op bij vers 48. Dat is jammer. Het
volgende verhaal – zie volgende zondag – begint in hoofdstuk 10.
Daar begint waar het in het evangelie van Marcus om begonnen is: de reis naar
Judea (10,1) en Jerusalem (10,32). We horen hier dus voorlaatste woorden, woorden
voordat het zover is. Het lijkt er op dat het gaat over wie meegaat en wat dat
meegaan is. Het is niet gewoon, dat Johannes in het evangelie van Marcus het
woord neemt. Iemand die niet van ons is drijft duivelen uit in uw naam. Voor
Jezus zijn blijkt een brede betekenis te hebben. Wie een teken doet in Jezus
naam zal niet zo snel kwaadspreken over hem. Tegenover de kleine gelovigen staan
de snelle kwaadsprekers, degenen die de kleine gelovigen ergeren, die ergernis
geven en achter de goden aanlopen. Jezus in het evangelie heeft niet veel goeds
voor hen over. Al blijkt hij het toch niet opgegeven te hebben met hen.
(De eigenlijk laatste regels van de tekst wijzen op vuur, zout en vrede. Vuur
en zout horen bijeen. Als de bedouinen een vuur aansteken strooien ze eerst
zout op de grond. Het vuur wordt dan warmer en zal meer licht geven (vgl Matteüs
5,13-16). Het latijnse sal (zout) herinnert aan sjalom (vrede). Zout dat niet
meer zout wordt kalk. Dat woord is in Ezechiël. 13,10 aan vrede gekoppeld.
Als de weg naar Jerusjalaiem wordt aangesproken spreekt Jezus volgens Marcus
over vrede onder elkaar.
Kerugma Jrg 55/2012
- In een wolk daalt God neer, onttrokken aan wat zichtbaar en hanteerbaar is.
En de Heer legt een deel van de geest die op Mozes rust op de zeventig oudsten.
Het worden profeten, al hebben ze dat later niet meer gedaan. Iets van een heimwee
wordt voelbaar. Zoiets als: vroeger bestonden nog wonderen! Maar dan zijn er
die twee die in het kamp gebleven zijn. Zij hebben niets meegemaakt van wat
er buiten het kamp gebeurd is. Zij profeteren – vertolken de Tora. Jozua
wil hen dat beletten. Maar Mozes zou wel willen dat heel het volk van de Heer
profeteerde.
- De Tora, het Woord van de Heer, brengt de mens naar het leven. Uittocht, vrijspraak,
veelbelovend land. Niet weten, niet willen weten (niet “horen”)
heet hoogmoed. Is dat een ander woord voor ons Nederlandse dom?
- Best een spannende tekst die we tenslotte uit Jacobus horen. Je krijgt het
vermoeden dat de woorden nog steeds hout snijden. Het zijn woorden die in ieder
geval aandacht verdienen.
- De aanhankelijkheid van de leerlingen aan het doen en laten van Jezus is niet
te ontkennen. Wanneer zij een ander zien doen wat Jezus doet willen zij deze
uitsluiten. Maar Jezus ziet dat volstrekt anders. Wie niet tegen ons is, is
voor ons. (Wonderlijk dat wij dit in het officieel oecumenisch overleg toch
steeds niet toepassen en meer waarden hechten aan onze spoken op het behang.
Maar dit tussen haakjes.) Dit soort mensen heet zelfs “de kleinen”.
Dat zijn zij die geloven. Daar moet je als leerling van Jezus blijkbaar voorzichtig
mee omgaan – alsof ergernis op de loer ligt. Alleen een molensteen is
dan goed genoeg. Het Rijk der Hemelen wekt niet de indruk een Disneyland te
zijn.
Zevenentwintigste zondag door het jaar
Genesis 2, 18-24
Psalm 128
Hebreeën 2, 9-11
Marcus 10, 2-16
Kerugma jrg 52/2009
(De eerste regel van Marcus 10 zou niet mogen worden overgeslagen. Als de naam
Judea valt gaat het vermoeden in de richting van Jerusalem en wat daar zal geschieden,
dat “God-vergeten” Jerusalem dat God (als onderwerp en lijden voorwerp)
niet kan vergeten. Hoe de vraag: “Staat het een man vrij zijn vrouw te
verstoten?” ook gesteld wordt, het antwoord in ieder geval ook: “God
zal zijn bruid nooit verstoten. Dat kan hij niet”. Daarom ook zal Jezus
naar Jerusalem gaan.)
De eerste hoofdstukken van Genesis zijn volstrekt programmatisch. In grote lijnen
wordt alles in ogenschouw genomen met alles van het goede dat daarover door
God wordt uitgesproken. Tot zeven maal toe: en God ziet hoe goed het is. (Meer
hoe dan dat, meer betrokken dan neutraal constaterend.) Daarom moet in de lezing
van vandaag opvallen: niet goed. Het is de enige keer in de Schriften dat iets
niet goed wordt genoemd. Wat is niet goed? Doen alsof je alleen bent. Doen alsof
je alleen bent is vanuit het “verbond” gezien onmogelijk, onbestaanbaar.
- De Psalm begint in de derde persoon: gelukkig zijn zij er aan toe die ...)
om daarna plaats te maken voor de tweede persoon: jij. Gelukkig zul je zijn
en goed gaat het met je wanneer je de vruchten van je werk kunt eten. Daarna,
in het weerklinken van die woorden, richt de blik zich naar de omgeving, het
binnenste van je huis en rondom je tafel. Zo wordt je gezegend wanneer je je
in eerbied en genegenheid verbonden en gescheiden voelt met het geheim van je
leven. Daarmee wordt ook beschreven wat degene die opgaat naar Jerusalem bezielt,
wat hij of zij nu reeds, onderweg, geniet.
- Heiligen, apart stellen, onderscheiden, onderkennen, om tot zijn recht te
laten komen. Een geconcentreerde tekst in de brief aan de Hebreeën. De
tekst mediteert over Jezus die korte tijd onder de engelen was geplaatst. Meer
letterlijk klinken de woorden: door het leed dat de dood is. Door het lijden
dat de dood is wordt hij gekroond met heerlijkheid (uiteindelijke betekenis)
en achting. God, de bevrijder van de Bevrijder die bevrijdt, vader van broers.
- In die tijd klinkt zo neutraal. Er was eens, ooit. In het Marcusverhaal is
Jezus definitief de richting van Judea, Jerusalem ingeslagen – zijn bruid
met wie Hij zich in lijden, dood en opstanding verenigen zal. Om HEM op de proef
te stellen komen de farizeeën naar hem toe. Het gaat niet over zijn mening,
standpunt of inzicht. Het gaat hen om Hem. Wat zal hij gaande de weg laten zien?
Bij Hem zal niets te merken zijn van hardheid van gemoed. De leerlingen ondervragen
hem daarover. Het zou ontrouw zijn.
Zijn trouw wordt geportretteerd door de kinderen die men naar hem brengt om
hen aan te raken als aanbod van genegenheid en vertrouwen. De leerlingen proberen
dat te verhinderen en ontlokken zo het protest van Jezus. Wie niet wordt als
deze kinderen …
Kerugma Jrg 55/2012
- De enige keer dat de Schrift zegt dat iets niet goed is. Dat een mens alleen
is, - dat is niet goed. Als je dan al iemand tegenkomt, kom je alleen maar jezelf
tegen en dan zijn er geen grenzen meer en geen alternatief. Vervolgens: tegen
de achtergrond van het gemis (geen hulp hem tegenover) wordt de ander zichtbaar.
Daarmee ver-ander-t alles. Aldus ontstaat ook perspectief, en woord en wederwoord..
- Als je eten kunt wat uit je hand komt, je vrouw een vruchtrijke wijnstok,
je kinderen als olijftakken rond je tafel, dan zie je hoe goed Jerusalem is,
dan zie je dat er vrede is voor Jerusalem, niets te vrezen, toekomst. Dan zegent
de Heer je uit Sion. Een warm welkom voor de ballingen uit Babylon.
- Zes zondagen lezen we fragmenten uit de Brief aan de Hebreeën op weg
naar “Jezus als de Hogepriester”. Geen gemakkelijke kost. Vandaag
de aanloop. Over degene die de kinderen van God leidt. Hij kan niet dan door
het lijden tot voleinding gebracht worden. En omdat hij de dood heeft verduurd
heeft God hem met luister een eer gekroond.
- Voor het evangelie van vandaag moet je wel de plaats weten. Sinds het einde
van Mc 9 is Jezus blik op Jerusalem gericht. Die reis begint in 10,1. Wat is
er dan aan de orde, wanneer het over “Jerusalem!” gaat? Dat heeft
alles te maken met een scheidingsbrief die niet kan en een huwelijk dat blijft,
blijvend is. Daarbij is te bedenken, dat het niet gaat over ons en onze burgerlijke
of religieuze stand, maar over Jezus en Jerusalem. Tussen die twee bestaat een
band die onverbrekelijk is. Niets kan daar tussen komen. In dat verhaal kan
Jerusalem nooit echtbreuk plegen! Is dat een hard verhaal? Vraag het de kinderen!
Kinderen die vragen lijken de enigen die kunnen vragen wat het betekent wanneer
het gaat over de manier waarop God koning is.
Achtentwintigste zondag door het jaar
Wijsheid 7, 7-11
Psalm 90
Hebreeën 4, 12-13
Marcus 10, 17-30
Kerugma jrg 52/2009
- Wat is inzicht? De tekst verlangt meer naar inzicht dan naar macht of rijkdom.
Zelfs meer dan gezondheid en schoonheid of licht. Dat alles verbleekt immers.
De glans van het inzicht zou nooit verbleken. Al het andere volgt in haar spoor.
Maar wat is inzicht? Blijkbaar is het niet vanzelf of vanzelfsprekend, moet
een mens er om bidden. Blijkbaar is het een gave waar je verlangen naar moet
uitgaan. Een vraag die voor je uitgaat.
- Je dagen naar waarheid schatten om tot een hart van wijsheid te komen. De
psalm vraagt dat te mogen leren uit een andere praktijk, in een leven waarin
God de dagen van leed zal vergelden met vreugde.
- Het Woord van God is raak. Het treft. Het laat niet onaangeroerd en maakt
zichtbaar waar het voelen en denken van de mens op uit is. Het woord vraagt
rekenschap, ver-antwoording.
- Hij heeft alles gedaan van jongst af aan, maar van wat hij is, en daardoorheen
van wie hij is, kan hij geen afscheid nemen. Hij wil OP DE WEG wel naar Jezus
toe maar blijkt dat te willen door bij zichzelf te blijven. Daarom ook merk
je de ontsteltenis van de leerlingen. Wie kan dan nog gered worden? Daarop wijst
Jezus de oorsprong van de bevrijding aan.
Kerugma Jrg 55/2012
- Je kunt bidden om inzicht te krijgen. Je kunt proberen stil te worden en ruimte
te vinden door jezelf tijd te gunnen. Wijsheid schijnt een wonderlijke zaak
te zijn.
- Wat zou dat kunnen beteken: “wijsheid van hart”? En hoe kan die
wijsheid je helpen “je dagen naar waarde te schatten”? Volgens de
traditie is dit de eerste psalm uit het vierde boek van de Psalmen. De opening
wil ook alvast een samenvatting zijn, een woord vooraf, dat wat de richting
aangeeft. Vandaag om mee te beginnen: Leer ons, onze dagen naar hun waarde te
schatten. Niets anders dus dan een gebed dat hoopt, bij de tijd te zijn.
- Scherper dan een tweesnijdend zwaard. Het woord van God legt open, het ontleedt
de gedachten en bedoelingen van een mens. Het vraagt antwoord en verantwoording,
een leven als antwoord van de mens. Verbinding en verbondenheid staan op het
spel.
- Er is er één die op hem toeloopt terwijl hij onderweg (naar
Jerusalem) is. Hij werpt zich op de knieën en stelt een vraag die wij allemaal
beantwoorden kunnen. We hoeven daar niet eens over na te denken. Maar die vraag
brengt ons ook naar het antwoord van Jezus. Op de eerste plaats: “Alleen
God is goed”. En dan dat voor ons onmogelijke: “Verkoop wat je hebt
en geef het aan de arme.” Dat wordt gezegd nadat Hij hem liefdevol aangekeken
heeft. Zouden wij ons op die plaats hebben willen zien staan? Je kunt een spelt
horen vallen terwijl hij rondkijkt naar en over zijn leerlingen: “Hoe
moeilijk!”. Geldt dat moeilijke, dat alles vragende, ook voor Hem? Gaat
hij ons voor in het onmogelijke antwoord op die vraag? Als Hij dat “hoe
moeilijk” herhaalt raken de leerlingen overtuigd van de onmogelijkheid
– hoezeer het buiten onze mogelijkheden ligt wanneer wat God vermag ons
raakt.
Negenentwintigste zondag door het jaar
Jesaja 53, 10-11
Psalm 33
Hebreeën 4, 14-16
Marcus 10, 35-45
Kerugma jrg 52/2009
- Ieder zondag opnieuw weer komen we bij elkaar om stil te staan bij de geheimen
van Pasen, bij het verhaal over Jezus, verlaten en gekruisigd, over wie God
zich ontfermt. De woorden van Jesaja vatten het nog een keer samen. Hij geeft
zijn leven (niet zijn dood) en zal het licht zien, de velen die hij door zijn
gave tot zijn recht laat komen.
- De bijna eerste en laatste woorden van Psalm 33. Gods woord is oprecht, als
zijn daden betrouwbaar. Dankbaarheid beaamt dat. Zo weet de mens dat God hem
ziet, hem, genegen is. De psalmist bidt dat hij dit mag blijven verstaan.
- De Hebreeënbrief wijst een punt van kracht aan. Onze hogepriester is
een mens als wij, voelt als wij, is in alles met ons meegegaan, behalve in de
zonde. Daarom mogen wij vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genegenheid.
- Niet is voorgelezen wat aan het verhaal van vandaag vooraf gaat. Ze gaan op
naar Jerusalem en Jezus gaat voor hen uit. Hij neemt de twaalf terzijde en vertelt
wat er zal gaan gebeuren. Prompt daarop komen Jacobus en Johannes gehoor afdwingen.
Ze willen dat hij doet wat zij vragen. Rechts en links willen zij zitten in
uw heerlijkheid. Jezus probeert hen opnieuw bij de les te brengen. Maar de anderen
horen van de coup die het tweetal wilde plegen. Zij worden kwaad. Jezus brengt
hen allen bij de les. Over wie de grootste wil zijn. Hij vertelt wat het voor
hem betekent, voor te gaan op de weg naar Jerusalem.
Kerugma Jrg 55/2012
- Blijvende ontzetting! Hoe is de ballingschap mogelijk! Hoe kan God zijn volk,
zijn Dienaar verlaten! Maar ook: hoe is het mogelijk dat deze Dienaar het buitensporige
lijden op zich neemt, de mateloosheid van de verlatenheid draagt! Na zijn lijden
zal hij de vervulling zien. Hij zal velen rechtvaardigen en hun fouten op zich
nemen.
- Het woord van de heer is oprecht. Als van iemand die tegenover je staat en
die je aanziet terwijl hij spreekt. Zijn spreken brengt je bij de tijd. Alles
wat Hij doet, doet Hij in genegenheid. Daarmee worden de verhoudingen op scherp
gezet, uiterst persoonlijk. Betekent dat iets: Hij zal hen redden van de dood!?
Gaat “dood” verder dan wat “medicijnmannen” kunnen constateren?
- Jezus dé Hogepriester. Hij voelt met ons mee, deelt ons leven, maar
zijn verbondenheid heeft hij nooit opgegeven. In hem kunnen wij vrijmoedig “naderen”.
- De rechter en de linkerzijde in het evangelie is wel bekend (Marcus 15,27).
Ook Matteüs en Lucas kiezen dezelfde bewoording. Alleen Johannes schrijft
daar aan “weerszijde een”.
Wat heeft die zonen van Zebedeüs bezield om met deze vraag te komen. Ben
je dan in staat om van de beker te drinken, mee te sterven? Zij wel. En inderdaad,
gedoopt worden is mee sterven met Hem. Maar heel die uitleg lijkt aan de andere
tien voorbij te gaan. Waarbij Jezus aantekent, dat de Mensenzoon niet gekomen
is om gediend te worden.
Dertigste zondag door het jaar
Jeremia 31, 7-9
Psalm 126
Hebreeën 5, 1-6
Marcus 10, 46-52
Kerugma jrg 52/2009
- De tekst van Jeremia begint als een inval, een overval, en donderslag bij
heldere hemel, volstrekt onverwacht. Ki koh / want zo. Daarna geeft het hebreeuws
in de massoretische leesaanwijzing een streep. Daar is rust geboden. Want zo!
Stilte! Je moet verbijstering of afwachting voelen. Dan schalt de tekst van
uitzinnige vreugde. God bevrijd zijn volk, wat rest van Israël. En daar
komen ze, uit het noorden, van het einde van de aarde. Blinden, lammen. Ze gaan
over wegen waarop je niet struikelt.
- Alsof wij droomden. Toen de Heer de ballingen terugvoerde, dat was als een
droom. Beladen met oogst keren zij weer.
- De Hogepriester heeft niet zelf gekozen voor zijn ambt. Hij wordt gekozen,
uit het volk genomen, om hen te vertegenwoordigen en namens hen dienst te doen,
wetend dat hij het leven met zijn wel en wee met de mensen deelt. Zo heeft God
volgens de Hebreeenbrief, het hogepriesterschap toegekend aan Christus. Jij
bent me mijn zoon.
- Jericho. Het letterlijk optrekken (van Jericho beneden naar Jerusalem boven)
zal gaan beginnen. Naast de leerlingen is er een grote menigte. Bartimeus zit
langs de weg blind te wezen. Maar hij weet precies wat hij roepen moet: Jezus
zoon van David. Voor hem gaat door het koningskind: wees betrokken op mij. Hij
is de eerste die zegt wat wij in de kerken steeds zeggen wanneer de dienst begint:
ontferm U over ons. Als de anderen proberen hem te dempen zet hij een grotere
keel op. Hij is de eerste die ziende wordt gemaakt op de weg naar Jerusalem.
Wat zal daar te zien zijn? Hij sluit zich bij Hem aan op Zijn tocht.
Kerugma Jrg 55/2012
- Het ongekende van de bevrijding op handen. Een goed verhaal voor blinden en
lammen, voor zwangere en barende vrouwen. In tranen weggevoerd keren ze vol
troost terug.
Manesse en Ephraïm zijn de twee kleinkinderen van Jacob die in Egypte (het
later slavenhuis, dus in de “ballingschap”) geboren zijn. Ephraïm
is de jongere van de twee. Maar hij zal een volheid van volkeren worden (Genesis
48, 19).
- Bevrijding, een droom. Maar dan moet bevrijding wel echt bevrijding zijn!
Als Hij ons vrij maakt, waarvan maakt hij ons dan vrij? Is het de moeite waard,
daar dichter bij te komen? Hoe sta jij, heel persoonlijk en heel privé,
in je leven? Wat is dat voor jou: leven!? Met tranen zaaien en oogsten in vreugde:
heeft je leven iets van “oogsten? Wat zou dat kunnen zijn ?
- Sinds Adam weten we dat onze verhouding met God precair is. Daarom, zegt de
Hebreeënbrief, is er de Hogepriester – een waardigheid waartoe je
door God geroepen moet worden. God heeft Christus die waardigheid gegeven. Twee
teksten onderstrepen dat: ui Psalm 2, over “mijn zoon”, het vers
dat wij kennen uit de Kerstnacht, en Psalm 110,4, over Melkisedek, koning van
(Jeru)Salem en priester van de Allerhoogste in wie Abraham zijn gelijke en meerdere
erkent.
- Jerusalem komt dichterbij. Aan de Jerusalemse kant (“weer uit Jericho
wegtrekken”) verlaat Hij Jericho. Uitgerekend daar zit als een merksteen
die blinde bedelaar. Bedelaar is hij bijna van professie. Dat blind zijn is
daar alleen maar bijgekomen. Zo lijkt het. Maar Bartimeüs weet als blinde
bedelaar precies waarop hij moet inzetten:”Heer-Bevrijdt, zoon van David,
heb compassie!”, laat zien wat het betekent dat Jij “de heer bevrijdt”
– Jezus bent. Voor de velen is dit een dissonant in het verhaal. Ze snauwen
hem af. Maar hij herhaal zijn variant van Uw koninkrijk kome – zoon van
David! Dan ontstaat een complete rolverdeling tussen de mensen, de bedelaar
die nu uitgebedeld lijkt en zich nog enkel blind weet en Jezus. “Dat ik
moge zien”. De blinde wordt de eerste getuige van wat de weg betekent
van de Zoon van David naar zijn koningschap.
Allerheiligen
Apocalyps 7, 2-4.9-14
Psalm 24
1 Johannes 3, 1-3
Matteüs 5, 1-12a
Kerugma jrg 52/2009
- Apocalyps, het Open Boek, het Troostboek van Johannes. De tekst laat een wereld
zien in rep en roer. Het einde is gekomen. Vier engelen is de macht gegeven
de aarde en de zee schade toe te brengen. Een engel komt uit het Oosten, uit
vanwaar het licht. Hij draagt het zegel van de levende God. Getallen worden
genoemd, grote getallen, veelvouden van veelvouden, uit Israël en uit de
volkeren. Hoe verschillend ook, eenstemmig zeggen ze: God zij dank.
- In de tweede lezing gaat Johannes uit van de liefde die de Vader ons betoont
heeft. Die liefde heeft de geloofsgemeenschap geïsoleerd in die zin, dat
de wereld (uit op eer, macht, gezag, geld, roem, en noem maar op, alsmaar meer)
hen niet begrijpt. Dat een mens een kind van God is – blijkbaar is dat
een uitzonderlijk en extreem inzicht. Als een mens een kind van God is, heilig
is in Gods ogen, en je hebt daar weet van, dan kun je er niet alles meer mee.
- Wat ben je er gelukkig aan toe wanneer je. Zoiets betekent zalig zijn. Let
op de kleintjes, op de woorden die het tafereel inleiden. Hij ziet de menigte.
Daarop gaat hij de berg op. Hij gaat zitten. De leerlingen komen naar hem. Hij
opent de mond en het onderwijs begint. Jezus op de berg als leraar. Het is de
voortzetting van zijn eerste zelfs spreken in het evangelie van Matteüs.
Zijn eerste woorden waren een herhaling van de woorden van Johannes. Zijn eerste
eigen tekst was: … laat nu begaan, want zo moet alle gerechtigheid worden
vervuld. De zaligsprekingen lijken een voortzetting, uitleg en weerklank van
die tekst (zie Matteüs 5,6.10).
Jezus aan het woord. De woorden die je hoort zijn de woorden ook waarop wij
hem nemen en waarop hij gepakt is. Jezus die gekruisigd is: hier horen wij waarom,
waarop.
Hemel en aarde – zoek de woorden op in de tekst – horen we niet
in één regel bij elkaar, worden niet tegelijk, uit een adem genoemd.
Ze zijn uit elkaar geschreven. Tussen die beide woorden, in de ruimte die door
de afstand geschapen wordt, staan de treurenden. Als de geest de trooster is,
dan weten we dat de opgegeven aarde (De aarde is woest en leeg, duisternis over
de vloed) toch niet alleen is. De treurenden worden getroost. Daar gaat hij
voor. Om zichtbaar te maken dat deze wereld hem door en door ter harte gaat.
Allerzielen – Gedachtenis van alle overleden gelovigen
Jesaja 25, 6a.7-9
Apokalyps 21,1-5a.6b-7
Lucas 23, 44-46.50.52-53; 24,1-6a
Kerugma jrg 52/2009
- De Heer zal de dood voor altijd vernietigen. Dat is een droom. De berg Sion
wordt een gastheer voor heel de wereld. De sluier over de volkeren en over de
wereld zal hij verscheuren. Na alle geweld en verdriet zal er een grote thuiskomst
zijn. De berg Sion wordt een plaats van uitgelezen spijzen en goede wijnen.
Iedereen mag weten dat zij/hij welkom is. Een waar visioen, puur toekomstmuziek.
- Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De zee bestaat niet meer. Voor mensen
uit het Noorden van Europa, langs de zee, is dit een merkwaardig woord. In de
bijbelse literatuur is de zee niet die grote plas langs het strand. De zee is
gekend uit het Exodusverhaal, levensgevaarlijk. De zee, een ruimte waar de begaanbare
grond zoek is, is het beeld van de wis en zeker dreigende dood. Zij zal niet
meer zijn.
En daar komt de heilige ruimte, de heilige Stad, Jerusalem, Bruid van God. Hier
woont God te midden van de mensen.
- Ieder huisje heeft zijn kruisje. Deze uitdrukking maakt duidelijk dat de geschiedenis
leed en verdriet gemakkelijk identificeert met het lijden en sterven van Jezus.
Met alle vragen en raadsels: de dood heeft het laatste woord niet. Wat verrijzenis
ook moge betekenen, de dood heeft het laatste woord niet, maakt de geschiedenis
niet ongedaan, laat intact wat wij met elkaar beleven, over de grens van de
tijd heen.
Kerugma Jrg 55/2012
- Het visioen van Johannes. De engel tekent de rechtvaardigen met het zegel.
In de witte gewaden: “zij die uit de grote verdrukking gekomen zijn”.
Het lijkt de Paasnacht wel, die weet wat komen zal.
- De aarde en de berg van God. Wie mag die berg beklimmen?
- We zijn kinderen van God. Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard. We zullen
God zien zoals Hij is.
- De Messias en zijn leerlingen, woorden van de gekruisigde. Die bijna eerste
woorden brengen Hem en hen in beeld.
---
- De sluier wordt verscheurd. Het gastmaal staat gereed. Voor altijd is de dood
vernietigd. De tranen worden gedroogd, de schande wordt weggenomen. Dat is de
Heer.
- De woorden komen dicht bij het gebed van Jona in de buik van de grote vis.
Na alle tegenspoed eindelijk rust. “Voor wie zou ik bang zijn?”
- Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Een nieuw Jerusalem uit de hemel neergedaald
als een bruid. Het Verbond is Altijd Nieuw. De schrift raakt er niet op uitgekeken.
- Een levende in het graf. Een jonge man. Zie de plaats waar Hij lag. Alsof
het verhaal nu pas begint. En dat terwijl de steen op het voorafgaande zo groot
was.
31e zondag door
het jaar
Deuteronomium 6,2-16; Psalm 18; Hebreeën 7,23-28; Marcus 12,28b-34
Kerugma Jrg 55/2012
- We horen de kerntekst van de Joodse traditie in de omgeving van zijn directe
context. Het is een wonderlijke tekst. Hoor. Als je dan je hoofd opricht hoor
je: “Israël”, alsof je als toegesprokene door te horen Israël
wordt. En wat is er dan te horen? Welke woorden hebben dit transformerend, transsubstantialiserend
(met excuses voor de grote woorden!) vermogen? Het antwoord is zo kort, zo alles
omvattend en beslissend: De Heer is onze God. Een uitermate kritische uitspraak.
De Heer is onze eerste en laatste, en niet …, niet …, niet …
Op de plaats van de “puntjes” mag je alles invullen. Die zijn het
niet. Alleen De Heer is onze God. Let op: door die Heer blijk je ook te moeten
spreken over onze God. God is voortaan extreem sociaal.
- Een merkwaardige aangelegenheid. Psalm 18 is 2 Samuel 22. We komen David tegen.
In de joodse traditie zijn er die zeggen dat David deze psalm in zijn jeugd
geschreven heeft en iedere dag gebeden. Het geeft in ieder geval de gelegenheid,
eens goed te kijken wat er staat. Wie ben je wanneer je zo spreekt?
- Het leven van een mens kent zijn tijd. Daarom, zo zegt de brief in het fragment
van vandaag, moeten er meerdere priesters zijn. Maar de Messias Jezus is door
zijn dood en verrijzenis, aan de tijd onttrokken en teruggegeven. Hij is de
voor hen die in Hem tot God naderen dé hogepriester, de middelaar.
- De God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jacob niet een God van
doden is, maar een God van levenden. Voor één van de schriftgeleerden
is dit duidelijk een goed antwoord. Kun je met die vraag in zee? Kom je daar
verder mee? Kun je daar verder mee? Hoe is het eerste woord – niet zozeer
wat, maar veeleer hoe kan ik dat verstaan, “wat is de strekking?”
(Dirk Monshouwer), alsof dit nu pas langzaam maar zeker duidelijk begint te
worden. We horen hoe Jezus zijn Sjema uitspreekt, over van God houden met heel
je, .. en heel je …, een heel je…, en hoe daar als in een adem bij
hoort en van je naaste die is als jij, ook slaaf geweest in Egypte en ook bevrijd
door de sterke arm van God. En de Schriftgeleerde herhaal die woorden. Niet
ver weg ben jij van Gods koningschap. Is dat dan nu inderdaad dichterbij gekomen
(Marcus 1,15)?
Tweeëndertigste zondag door het jaar
1 Koningen 17, 10-16
Psalm 146
Hebreeën 9, 24-28
Marcus 12, 38-44
Kerugma jrg 52/2009
- We horen dat Elia, de profeet, naar Sarefat gaat. Prompt zoomt de camera in.
We zien een weduwe die houtjes verzamelt voor een beetje vuur – alsof
het op een einde loopt. Een verhaal-tenslotte. Hij roept haar voor een beetje
water en terwijl zij gaat roept hij haar na, ook een beetje brood te halen.
Daarmee zijn we bij de kern van de zaak. Deze weduwe heeft niet alleen geen
man meer. Er is ook geen brood meer. Alleen nog een beetje meel, een beetje
olie. Daarom ook die paar takjes hout voor het laatste maal. De vrouw laat zich
wijs maken dat er een profetisch alternatief is. En het houdt niet meer op.
Als het verhaal van Israël. De kruik raakt niet leeg.
- Het is het oude lied: Hij doet recht aan de onderdrukten. Hij geeft brood
aan de hongerigen. Hij geeft de vrijheid aan de gevangenen. God is een wonder.
Hoe kunnen wij dat verstaan? De psalmist probeert er woorden voor.
Staan voor Gods aangezicht, zoals ook Elia (in 1 Koningen 19,10.14). Zijn trouw
– zo is hij er voor ons, opdat het verbond er voor altijd zal zijn, als
heil, als bevrijding.
- De schone schijn die in de media met haar beeldcultuur hoge ogen gooit, haalt
het bij wie ietsjes verder kijkt uiteindelijk niet. Epaterende vroomheid spat
uiteen. Kijk maar. Een weduwe doet het werk wanneer Jezus toekijkt. Haar huis
is opgegeten (12,40). Wat kan zij nog? Het huis van de Heer is het enige dat
zij nog heeft. Het rinkelen van twee penningen vertolkt alles wat zij heeft.
Daar leeft ze van. Dat staat ze af aan alles wat haar heilig is. Jezus blijkt
dat gebaar, zich in haar, te herkennen.
Kerugma Jrg 55/2012
- Uiteindelijk gaat het niet over “wat haalbaar is”. Of, anders
gezegd: wie niet gelooft in wonderen is geen realist. Het zijn zaken waar wij
in onze tijd van rekenen, berekenen, plannen, winsten en prognoses niets meer
van willen weten. Maar voor een bon vivant is leven meer dan binnen halen. Wie
zei dat ook weer: “De beste manier van vermenigvuldigen is delen”?
- Een fantastische tekst. Bemoediging, vertrouwen dat op ervaring stoelt. En
hoe beschrijf je dan jezelf? Als een blinde, een gebrokene, een ontheemde. Blijkbaar
mensen die nog credit hebben, iets waar zij naar uitzien.
- Het heiligdom binnengaan. Zoals de hogepriester. Maar nu eenmalig. Zo is de
Messias om zichzelf aan te bieden het heiligdom binnen gegaan. Hij geeft zich
om ons in het oordeel, als oordeel, vrij te spreken. Het is een presentatie
en presentie die ons mogelijk maakt. Zo zijn de woorden uit de brief aan de
Hebreeën te wegen.
- Als de weduwe degene is die het verbond alleen nog als herinnering kent, dan
kunnen we aan “het opslokken van de huizen van de weduwen” meer
betekenis toekennen dan enkel een sociale misdaad. Dan is het ook misbruik vande
toewijding die geloven heet. Dezelfde suggestie zie je in Marcus 4,4, waar hetzelfde
werkwoord wordt gebruikt. Daar zijn het de vogels die het gezaaide woord dat
langs de weg gevallen is opvreten. Pikant detail is dat de lieden bij Marcus
hun vrome schijn uitspreiden. Zes werken, zeven aangelegenheden worden beslecht
met “een strenger vonnis”. Die woorden lijken Hem te vergezellen
terwijl Hij tegenover de offerkist gaat zitten. Hij ziet zich terug in de weduwe
die zonder terughoudendheid heel haar leven (12,44) geeft.
Drieëndertigste zondag door het jaar
Daniël 12,
1-3
Psalm 16
Hebreeën 10, 11-14.18
Marcus 13, 24-32
Kerugma jrg 52/2009
- Het boek Daniel was vroeger een populair boek. Denk aan Daniel in de leeuwenkuil
en de drie jongelingen in de brandende vuuroven. Maar wie hoort nu nog iets
over Daniël. En dan klinkt zijn stem plotseling vandaag, in de eerste lezing.
Een stem uit de ballingschap, van Daniel: Dan-i-eel: rechter van mij is God.
Als God je rechter is, dan kan je wezenlijk niets overkomen. Hij houdt zijn
hand boven je hoofd. Dat is, ondanks alles, dé zekerheid van het bijbelse
Israël.
- In die tijd: op zal staan Michael (Wie als God), de grote prins die staat
voor de kinderen van je volk. Hij staat daar vóór die mensen in
tijd van nood.
Diep is de zekerheid van wie met de psalmist zeggen kan: want hij staat naast
mij, ik kan niet wankelen. Jij leert mij het pad dat leven heet. Alsof het geen
moeite kost, van de derde persoon over te gaan in de tweede van woord en wederwoord.
- De brief aan de Hebreeën vat nog een keer samen de definitieve betekenis
van het offer van Christus samen, eens voor altijd. Wie zich door Hem laat heiligen
heeft Hij tot volmaaktheid gebracht. Ieder mens is hem heilig.
- De laatste lezing in het Marcus-jaar uit Marcus. Dat moet dan ongeveer de
tekst zijn voordat het lijdensverhaal begint. We horen de sombere beelden die
het einde van alles aanduiden. In die dagen, en na de verschrikkingen. Het zijn
de bepalingen van tijd die we kennen uit Marcus 1,9 en 14. De cirkel is rond.
Daar, bij het begin, werd de profeet Jesaja geciteerd, nu is het Joël.
Zon en maan leggen hun taak neer (Dirk Monshouwer, Marcus en drie jaar Torah,
Kok, Kampen 1989, p. 262). Sterren vallen van de hemel. De hemel wordt, zoals
de oude mozaïekkunstenaars dat in Constantinopel laten zien, letterlijk
als een doek opgerold. Eind van het spel. Wil er nog licht zijn, dan zal het
opnieuw geboren moeten worden. En precies daar, in dat absolute nulpunt, komt
de mensenzoon op de wolken. Is hij dan het licht der wereld omdat we hem in
al die afwezigheid kunnen zien? En wie zien engelen een grote menigte lezen
uit oost en west. Het is de tijd van de grote oogst.
Met hemel en aarde zijn wij weer terug bij het begin – zoals geschreven
staat .
Kerugma Jrg 55/2012
- Op vroeger gevaarlijke plaatsen kom je Michael tegen, Mont Saint Michel, of
kerken aan Michael toegewijd. Want Wie-Als-God kan alle gevaar bezweren. In
tijden van nood beschermt hij “de kinderen van uw volk”.
- Een lied dat gaat over “Jij”. Jij bent mijn alles. Mijn erfdeel,
mijn beker mijn lot. Wat David overvalt, waar hij mee leeft, is “jij”.
Nooit alleen, maar altijd emotioneel, betrokken, gekleurd. En daarom …
Dan volgt een complete biografie, zo je wilt: een programma.
- Het leven van Jezus is de wijze waarop Hij zich gegeven heeft. Aanbod, offerande.
Wie daarop in gaat wordt tot volmaaktheid gebracht. De Heilige Geest geeft ons
daarvan het getuigenis – maar dat laten we weg als we de aanwijzing wat
te lezen volgen. Het kan best troostend zijn om te horen dat er voor Gods woord
ruimte is in ons hart en in ons verstand. Waar vergeving bestaat is verzoening
overbodig. Stel je voor dat zoiets betekenis heeft.
- We komen in de buurt van het einde van het evangelie. (Jammer dat we niet
verder lezen en mee gaan naar Jerusalem en wat daar geschiedt, maar in plaats
daarvan plaats gaan inruimen voor Kerstmis!). De verschrikkingen van die dagen
werpen hun schaduw reeds vooruit. Maar de Mensenzoon blijft een perspectief.
Hij zal zijn engelen uitzenden om de uitverkorenen bijeen te brengen als gold
het een tijd van oogst. De komende verschrikkingen moeten ons volgens Jezus
in het verhaal van Markus ook doen denken aan het zachter worden van de takken
van de vijgenboom. Van dat uur weet niemand af. Niet alleen de tijd, maar zeker
ook dat waar dat uur voor staat.
Christus, koning van het heelal
(Dit de officiële titel van het feest. De titel is verkeerd. De term "heelal" is bijbels onbekend. Dat moet "hemel en aarde"zijn. Wij bidden ook niet: "Onze Vader die in het heelal zijt", en zingen niet: "Eer aan God in het heelal".)
Daniël 7, 13-14
Psalm 93
Apocalyps 1, 5-8
Johannes 18, 33b-37
Kerugma jrg 52/2009
- De vier grote dieren die voorafgaan aan de tekst uit Daniël die vandaag
gelezen wordt komen uit de grote zee. Iemand die op een mens lijkt komt uit
de wolken die de hemel zijn. Hij wordt bekleed met heerschappij, luister en
koningschap. En alle volken en stammen en talen komen om hem te eren.
- De Heer is koning. Vast staat de aarde. Hoe hoog de golven ook rijzen, hoe
het dreunend geweld ook opwelt en beukt: God is koning. Geen farao is tegen
hem bestand.
- Waarom de tekst niet lezen vanaf vers 4. Zouden de zeven geesten voor zijn
troon de hedendaagse kerkganger te veel zijn. Dat lijkt onwaarschijnlijk. De
aanhef van Johannes aan de zeven gemeenten in Asia is zo mooi: genade zij u,
en vrede, van Hem die is, die was en die komt. Alle tijden komen bijeen in hem,
heel de wereld één dank zij Jezus Messias, de trouwe getuige,
de eerstgeborene uit de doden, de koning van de koningen van deze aarde. Wij
een koninkrijk van priesters dank zij hem die van ons houdt. Hoe pijnlijk ook
zijn lijden, hij is Alfa en Omega, aanhef van de schepping vanouds en voorgoed.
- De evangelielezing brengt de kerk van vandaag in het paleis van Pilatus. Ben
jij de koning van de Joden? (Johannes 18,34) Hij zal daar na een korte “dialoog”
ook op terug komen, ook al weet hij niet meer hoe hij het heeft: Jij bent dus
toch koning! (37). In die “dialoog” wordt duidelijk dat Pilatus
zich niet beroept op een idee van hemzelf. Het is een Joods idee. Gezalfde (=
koning) zijn op de bijbelse wijze. Het gaat over zaken die zijn eigen volk en
hogepriesters hebben aangedragen. Pilatus vraagt daarop, wat hij gedaan heeft.
Jezus antwoord dat zijn koningschap niet gaat over de verleden tijd. Zij dateert
niet in het heden met zijn geweld. Zij dateert uit wat geschieden zal. Zijn
koningschap gaat over het getuigenis dat de waarheid is, waarin de mens zo heilig
is dat God hem/Hem bewaart. En al wie in waarheid bewaard wordt hoort dat we
maar één ding te doen hebben. Luister naar mijn stem. Zoals de
schapen die hun echte herder herkennen aan zijn stem – niet aan wat hij
gezegd heeft, maar aan wat hij nu zegt, zijn spreken nu – eeuwigdurend
heden.
Kerugma Jrg 55/2012
- Ik, op aarde, zie, op de wolken des hemels. Je verwacht een hemels visioen.
Maar je krijgt te zien: iemand als een mens. Voor de Zeer Oude wordt hij met
alle volmacht bekleed. Alle stammen en Talen brengen Hem hulde. Het gaat over
een koningschap dat blijft.
- Joodse leraren noemen het een psalm voor de zesde dag, als alles klaar is
voor de heerlijkheid van de dag van de Heer, de dag ook waarop de Heer laat
zien hoe Hij dan is, als Heer. Op de zesde dag is de mens geschapen. We horen
wat hij ziet als hij zijn schepper ziet. En het is een Psalm over de messiaanse
tijd, als alles gekomen is.
- Wij zijn, getuige deze woorden, een koninkrijk van priesters zijn. Twee werkvelden
dienen zich dan aan: de eredienst (in het Heiligdom in Jerusalem) en bij het
voorlezen van Hetgeen Geschreven Staat (in de Huizen waar het volk samen komt,
de Synagogen). En dat allemaal om Hem te aanschouwen die zij doorstoken hebben,
de Alfa en Omega die alles mogelijk maakt. (Heersen over is wat de zon doet
over de dag in Genesis 1: mogelijk maken)
- Pilatus en Jezus volgens Johannes. De inzet is duidelijk: ben jij de koning
der Joden. Het is een vraag die Pilatus volgens de Jood Jezus nooit begrijpen
kan. Want wat het koningschap all over the World ook betekenen moge, dat betekent
het in Israël niet. Daarom is het ook eigenlijk nooit iets geworden met
de koningen in Israël. David is een uitzondering, uiteindelijk ook alleen
maar omdat hij zijn broosheid zonder omwegen beleid.
Daarom ook, wat vrij weergegeven: mijn koningschap wordt niet genormeerd door
de wereld. Het wordt genormeerd door de waarheid – door daden van genegenheid.
Drie keer geeft de tekst dit woord in Johannes 18,37 en 38.