Kerugma,
Jaargang 51 (2007/8) en 54 (2010/1)


Exegetische sporen voor Kerugma jaar A


Eerste zondag van de Advent
Jesaja 2, 1 – 5
Psalm 122
Romeinen 13, 11 - 14
Matteüs 24, 37 – 44

51-2007
Bij het einde van de dagen, als de dagen ophouden. Jesaja ziet Judea, Jeruzalem. Hij ziet een berg met het huis van de Heer oprijzen en de hoogste berg worden. Want alle volkeren zullen daarheen stromen – zo je wilt – omhoog stromen, opstromen. Want uit Sion komt de Tora, het onderricht, verhalen voor onderweg, een hart onder de riem. Na alle dagen: overal wordt vrede verwacht, geleerd, gedaan, voorbereid. Visioen van Jesaja.
Waakzaam zijn lijkt de kern van Paulus woorden te vatten.
In het a-jaar wil de kerk meer in het bijzonder naar Matteüs luisteren. Jezus van Nazareth, bij Matteüs van Bethlehem tot Jeruzalem. We beginnen in het verhaal van Matteüs behoorlijk achteraan. Vanuit het einde van het verhaal worden herinneringen opgehaald om aan te geven waar het verhaal van Matteüs over Jezus naar toe wil. Daarom zit je niet verkeerd wanneer je begint met woorden die tot het einde bewaard worden. Ze spitsen ons toe op wat komen gaat, ook nu: het uur (dat je niet bedenkt) waarop de mensenzoon komt. Matteüs brengt wie hem hoort in de tegenwoordige tijd.
De mensenzoon onder het teken van Noach. De naam die troost spelt. Troosten, niet alleen laten. Wij, ons leven in al zijn kwetsbaarheid: niet alleen!
Matteüs vertelt over Jezus die er blijkbaar over treurt dat de mensen doen alsof er eigenlijk niets gebeurt, alsof in feite alles onverschillig is, alsof je niet van een verhaal kunt leren. Geeft dat voldoende stilte om in te keren tot het geheim van Matteüs, het spreken van Jezus?

54 - 2010
- Martin Luther King: And it shall come to pass in the end of the days … Een stem als een orgel, een visioen dat je voor je ziet. Weg alle verslagenheid en verdrukking. Judea en Jerusalem zullen stevig staan. Het huis van de Heer zal recht overeind staan, opgestaan, gevestigd als een berg, als een hoofd dat waakt over het landschap, een warm welkom voor allen die daar hun zinnen op hebben gezet. Als zwaarden ploegzwaarden worden, of oorlog plaats maakt voor ontwikkeling en hulp.
- Psalm 122! Verrukt bezingen de woord de vreugde die je overvalt wanneer je optrekt naar Jerusalem en de stad dichterbij voelt komen. Jerusalem, dorpsgewijze bewoond, intiem, innig en warm, met haar huizen schouder aan schouder. Een samenleving die je nodigt, die jou verwacht.
- “Het uur is gekomen om uit de slaap te ontwaken”. De tekst lijkt welgekozen voor deze dag. Sommige kerkelijk woordvoerders zullen de tekst afwijzen vanwege gebrek aan duidelijkheid. Maar Paulus geeft aan dat het licht ons wapent tegen heel concrete daden van walgelijk vertoon. Iemand die zich met Christus bekleedt … wat maakt zo iemand mogelijk?
- Zoals het gaat in de dagen van Noach. Hoe wil je dat verstaan? Zijn dat de dagen waar Noach afscheid van neemt, zijn dat de dagen die hij bouwend en wel mogelijk maakt, een nieuwe wereld? Zoals het in die dagen gaat, zo zal het gaan wanneer de Mensenzoon komt. Het blijkt dat die dagen gekenmerkt worden door: “Er is niets aan de hand, alles gaat gewoon door”, rouwen en trouwen alsof het er niet toe doet. Maar het zal er wel toe doen wanneer de mensenzoon komt.
Laat niet inbreken in je huis. Blijf bij de les, wanneer de mensenzoon komt. Laat je oproepen, mee te doen wanneer de Messias komt. Zo brengt de liturgie ons bij de Advent te brengen.


Tweede zondag van de advent
Jesaja 11, 1 – 10
Psalm 72
Romeinen 15, 4 - 9
Matteüs 3, 1 – 12

51 - 2007
Er is een roos ontsprongen zullen we straks zingen. Roos is in dit geval een oud woord voor rijsje, scheut, loot. De nieuwe loot door Jesaja ter sprake gebracht, zal vol zijn van de vreze des Heren. Die uitdrukking blijkt uit onze taal verdwenen. Als we het verstaan zien we een gelovige die vooral bang zou zijn. Voor Jesaja is dat volstrekt niet het geval. Iemand die de Heer respecteert zal niemand naar de ogen zien, niet afgaan op geruchten. Hij zal het opnemen voor de kleine, de zwakke, de vertrapte. Is de mens dan werkelijk niet aan zijn lot overgelaten?
Paulus spreekt over de troost die wij putten uit de Schriften om in hoop te kunnen leven.
In die dagen gebeurt het: Johannes de Doper. Daarmee maken wij een eerste dwarsdoorsnede van de tijd. We zitten midden in de verwachting van wat komen gaat. Bij de Jordaan, waar 40 jaar een leven lang woestijn overgaat in de troost van de belofte die op ons toekomt in het licht van alles wat een mens is toegezegd aan goedheid en vrede.
De tekst van Johannes over het naderen van het koning-zijn van de hemelen (want in 3, 2), - het koningrijk en zijn gerechtigheid – geeft ook de eerste woorden van Jezus weer wanneer hij (in 4, 17) met preken begint. Het woordje want is daarin onderschat. Het is de moeite waard om te proberen om te keren want de manier waarop God koning is kun je bijna aanraken, is binnen handbereik gekomen. God is immers koning als Hij die Bevrijdt, die je opricht, toespreekt, het woord geeft, de keuze biedt. Dat alles moet nog komen, maar het is binnen bereik. Iemand als Abraham hoeft zich enkel door het woord te laten interrumperen, de tekst het woord te geven. Iemand spreekt je toe. Is dat iets nieuws?

54 - 2010
- Wat te voorschijn komt: een scheut. De oude stam Jesse laat zien wat geen mens verwacht: nieuw leven kiest voor het licht. Bij het woord scheut wil het originele hebreeuws het klinken van de stem even onderbreken. Stilte valt. Ons wordt de kans gegeven om te zien wat daar geboden wordt. Vanuit de wortel trekt nieuw leven omhoog. De oude stam staat te popelen voor wat een twijg! We-nacháh – je hoort de klinkers die we kennen uit de naam van Noach: troost, rust. Rusten zal op hem de Geest van God, de warmte van het verbond tussen God en zijn mensen. De Geest, het geheim van het begin, Hij die de uitersten van hemel en aarde bijeenbrengt. Wat dat betekent, wijsheid, begrijpen, goede raad … de tekst heeft daar woorden voor.
- De Psalm vertolkt de vreugde wanneer David ziet dat zijn zoon zijn troon in bezit neemt. Wensen begeleiden dit gebeuren. Moge hij een wijze koning zijn: iemand die recht doet, die het opneemt voor de armen, die gerechtigheid laat bloeien.
- Waartoe is de wat geschreven staat opgetekend? Paulus schrijft: ons tot lering opdat wij in hoop zullen leven door de volharding en de troost die wij vinden in de Schrift. De Schrift vertolkt duidelijk dat wij niet overgeleverd zijn aan het moment van spreken alleen. Wanneer wij spreken, in ons leven van iedere dag, worden wij ook gedragen door wat voor ons is gebeurd, door de verhalen en ervaringen, door de verwachtingen en de overleveringen, door “van horen zeggen” waaraan wij “hoop van zegen” ontlenen. De Schrift, goed vertolkt, spreekt ons aan. Wij zijn niet alleen. Inspiratie bestaat werkelijk. Het is iets als het licht. Het helpt ons voor de dag te komen, breekt de tijd aan.
- De Advent wil de profeten brengen. Verwachting bij gratie van vertolking: Elia (2 Koningen 1,8) of iemand als Elia (Matteüs 3,4) verschijnt ten tonele. Johannes is zijn naam. Johannes wordt opgevoerd als profeet, als iemand die voor ons spellen kan wat er gebeurt. Hij ontdekt, ontcijfert de lijnen die hij kent vanuit de Tora met het oog op het leven van deze dag.
Johannes staat op de plaats waar woestijn en land uit elkaar gaan of samen komen, bij de Jordaan. Het verschil tussen uiteengaan of samenkomen is dat wat hij ter sprake brengt: dat God koning is.
Gods koningschap is om te beginnen een kritisch gegeven. Niet de farao is koning, maar God. Niet de economie is koning, niet haantje de voorste, niet degene die de lachers op zijn of haar hand heeft, niet …, niet …, maar God is koning. Wat dat ook moge betekenen: Hij is degene die Mozes het alternatief influistert.
Er bestaat een uitweg uit wat heiloos is. Daartoe moet je gehoor geven, bereid zijn om je om te keren en te staan en te gaan voor waar Jerusalem voor staat.


Derde zondag van de Advent
Jesaja 35, 1 - 6a. 10
Psalm 146
Jacobus 5, 7 - 10
Mattheus 11, 2 – 11

51 - 2007
Waar niks is valt niks te halen, weet de volksmond. Jesaja ziet dat volstrekt anders. De woestijn zal bloeien als een roos. Dor en onbegaanbaar land zal feestelijk zijn als een bruid die God tegemoet gaat. Verlossing, bevrijding – ze komen er aan. Altijd was en is dat de droom van mensen die op verlossing wachten.
Oefen je geduld zegt Jacobus.
Matteüs brengt ons naar Johannes in de gevangenis. Johannes komt er niet meer uit, overgeleverd zit hij vast in zijn kerker. Johannes hoort in de gevangenis de werken van de messias. Zijn leerlingen moeten Jezus vragen of hij het is die komen zou. Vanwaar die gekwelde vraag?
De tekst van Johannes is een citaat uit Jesaja. In dat citaat wordt ook verteld dat de Messias de gevangenen bevrijdt (zie Jesaja 61, 1). Maar uitgerekend dit krijgen de leerlingen van Johannes, krijgen wij en krijgt Johannes niet te horen. De vraag blijft open. Het bewaren van de vraag doet er blijkbaar meer toe dan het ontvangen van enig antwoord. Jezus noemt Johannes die de vraag bewaren moet een bode, in het Grieks: een engel die uw weg bewaren en behoeden zal. Van al zo hoge komt daarmee meer binnen handbereik, wellicht. Door de vraag te bewaren.

54 - 2010
- Als de woestijn pretoogjes krijgt, als de woestijn begint te bloeien als een roos. Het land wordt in geuren en kleuren bezongen, is een land voor mensen geworden, een plaats waar je thuis zult zijn. Zo wordt zichtbaar waar de Naam van God garant voor staat. Voor groeien en bloeien. Handen die van grijpen nauwelijks nog weten worden weer sterk, pakken aan. Alle woorden die wij kennen als aanduiding van een gebrek betekenen niets meer. Water in overvloed trekt een bloeiende woestijn.
- Stel je voor dat het waar is, dat de eigenschappen van God opdrachten zijn voor de mens. De psalm verkent dan niet alleen wat mij is toegezegd, maar ook wat ik zie als mijn taak. Primair niet onze, maar steeds persoonlijk mijn opdracht. De psalm over de goede God is dan uiterst programmatisch.
- De komst van de Heer verwachten betekent vooreerst: je oefenen in geduld. Je kunt de tijd niet naar je hand zetten. De boer wacht op de heerlijke vrucht van het land, de heerlijke vrucht ook, die het land is, een en al belofte. Hoe te wachten? Jacobus zegt verrassend: door elkaar niet aan te klagen. Veel in de media klaagt aanklacht, wijst terecht. Het beter weten tiert welig. Messiaanse tijden breken aan wanneer je elkaar niet aanklaagt. Betekent dat wat?
- Een cel kan niet grauw genoeg zijn om als decor te dienen van Johannes die gevangen zit met zijn kwellende en knellende vragen. Kondig je de komst van de Messias aan, schreeuw je het uit over vrijheid en bevrijding, maar zelf kom je er niet meer uit, nu niet en nooit niet!
Johannes in de gevangenis met die ene, hopeloze vraag: Ben jij degene die komen moet of hebben wij een ander te verwachten? Een ander. Welke Ander? Wie Anders? Zij, de leerlingen die Johannes gestuurd heeft, moeten hem gaan vertellen wat zij horen en zien. Eerst horen. Je moet de woorden hebben om goed te kunnen kijken. En dan zien. En de tekst souffleert wat zij horen en zien. Een merkwaardige opsomming met twee eindes: de armen, degenen die het adres zijn voor dit goede verhaal waar je van op móet kijken. En: geen ergernis nemen aan mij. Je bent er gelukkig aan toe wanneer je je aan mij niet ergert. Ergeren wij ons dan aan hem? Moeten wij daar zo uitdrukkelijk voor gewaarschuwd worden. Hoezo ergeren? Hij, de eerste engel van het evangelie. Niemand is groter dan hij en toch is de kleinste in Gods Koningschap groter dan Hij. Buitensporig. Alle maten blijken verzet, ontzet. Johannes in de gevangenis.

Vierde zondag van de Advent
Jesaja 7, 10 – 14
Psalm 24
Romeinen 1, 1 - 7
Matteüs 1, 18 - 24

51 - 2007
Koning Achaz denkt dat hij als koning zich alles kan permitteren. Hij is de koning van het grote gelijk: ‘Niemand doet me wat’. Jesaja zegt wat zal gebeuren: een vrouw, een kind. Aan dat kind zullen we zien wat het betekent, God met ons, Imm-anoe-eel.
Geroepen tot de gemeenschap van Jezus Christus, zegt Paulus ons toe.
Kerstmis klopt op de deur van deze zondag. Morgenavond zal de visser van mensen het net ophalen en ons insluiten in zijn vrede op aarde. Maar hoe kan dat geschieden? Daartoe heeft Matteüs de rechtvaardige Jozef als getuige opgeroepen. De rechtvaardige. Hij bewaart het woord. Hij is een van degenen die, zoals de joodse traditie vertelt, de wereld bewaren, in stand houden.
Jozef krijgt te horen waar heel Israël, zelfs Betlehem (de stad van David), vol van is. Zijn vrouw, zijn meisje Maria, draagt het kind dat hij (bij Matteüs) op de weg naar Jeruzalem moet zetten met de naam die de engel vanuit de hemel hem geeft: de Heer is hij die bevrijdt, Jezus. Een droom. Dromen van vrede. Met die droom wil Jozef wakker worden. Hij doet zoals hem gezegd is.

54 - 2010
- Jesaja vandaag zet ons op een plek komen waar een gigantenstrijd zich afspeelt. Jesaja zal Achaz ontmoeten, de slimme potentaat die alleen doet wat hem zint en zich niets aantrekt van God of Gebod, doet alsof bescheidenheid zijn troef is. Hij hoeft geen teken van God. Hij wil God niet beproeven of toetsen. Dan worden de rollen omgedraaid. Een kind zal hem toetsen. Geen pretentie of macht maar een geheel andere logica: een kind, een boorlinske van een jonge vrouw, een meisje nog. Zo pril als een begin kan zijn. Zo is God (El) te midden van (iem) ons (anoe), Immanuel, een kind.
- De aarde is niet de speeltuin van de tiran of het paradijs van de slavendrijver. De aarde is van God en Hij geeft haar aan de mens die op wil zien en verder wil. Wie mag dan beklimmen de berg van de Heer? Goede woorden worden gegeven voor wie mee wil gaan. Handen die uitzien naar gemeenschap en verbondenheid, een hart dat van richting weet, dat niet zint op wat kwaad is.
- Paulus de dienstknecht, de geroepen, de tot dienst van het evangelie geroepene. Het evangelie is de tijd die heden is bij monde van profeten. Dan gaat het over de mens, zijn zoon, de opgestane uit de doden. En Paulus zegt dat zijn apostolaat zich uit zal strekken tot de volkeren. Ook zij mogen horen van en bij de gemeenschap van God die mensen tot een volk maakt, die hen, die ons samen brengt.
- Die eerste 18 regels van Matteüs zijn een knappe manier om in kort bestek al die verhalen te herhalen waar ook dit nieuwe verhaal bij zal gaan horen, over God en zijn mensen, en wie al die mensen dan wel zijn. En na die storm – met als opvallend woord de broederschap, alsof die in het geding is – van vader op zoon en dat gaat maar door, plotseling die stilte: uit wie verwekt geworden is. God grijpt in in wat geschiedt. Dat vertelt het verhaal van vandaag. Luisteraars gevraagd. Om te beginnen Jozef. De geschiedenis van de Messias begint met Maria die zwanger is terwijl Jozef daar buiten staat. In alle bescheidenheid probeert hij wat nog niet begonnen is los te laten. Hij valt in slaap. De hemel gaat hem parten spelen. Hij zal die moeder opnemen. Hij zal het kind welkom heten. Hij zal doen wat hem gezegd is. Hij leeft bij wijze van spreken van horen zeggen. Hij is de eerste die in dit verhaal rechtvaardig heet, iemand als Noach (Genesis 6,9, iemand die ons troosten kan, Genesis 5,29). Noach, ook iemand die aan de weg kon timmeren om het woord te bewaren.

Kerstmis – Geboorte van de Heer – nachtmis
Jesaja 9, 1 - 3. 5 – 6
Psalm 96
Titus 2, 11 - 14
Lucas 2, 1 – 14

51-2007
Het volk dat in het duister wandelt, ziet een groot licht. Voor het aangezicht van God, wanneer Hij kijkt, ons ziet, zal er vreugde zijn. Want: geen onderdrukking, geen juk, stang of stok.
Rechtvaardig en vroom leven. Afstand en nabijheid, mensen tot hun recht laten komen, betrokken. Paulus schrijft persoonlijk, bijna intiem naar Titus.
Als de goden spreken, Augustus met zijn dogma (in de regel vertaald met bevel), de economie met zijn winstprognoses, of de media met de ware werkelijkheid waar het allemaal om draait – als de goden spreken is God geenszins monddood gemaakt. Ook in een stille kerk kunnen hoorders van het woord zijn.
Het enige dat ‘niet goed’ heet in de bijbelse literatuur, is het alleen zijn van de mens (Gen 2, 18). Vannacht vinden we een man, een vrouw, een kind. Eenzaam onderweg. Eenzaam geboren. Herders, hoeders, bewakers van schapen laten zich souffleren om naar Betlehem te gaan. Wat is het verhaal? Hoe kan een kind vrede spellen? Hoe kan een woord zo troostend zijn dat het je toch meeneemt om te gaan zien? Om je tot getuige te laten maken. Hoe goed het is: de mens is toch niet alleen!

54 - 2010
- De eerste woorden van Jesaja vannacht. Het volk dat gaat … Het volk gaat altijd, dat is bekend. Maar de rabbijnen-Bijbel wil dat je na dat gaan je adem even inhoudt om nadruk te leggen op het volgende woord: in de duisternis! Alsof alles stil staat zodat je geen weg meer weet en elke mogelijkheid tot oriëntatie verdwenen is. Maar terwijl je je dat realiseert hoor je: het zal zien een groot licht. Alsof nu alles mogelijk is. Vreugde als ten tijde van oogst omdat de last is weggevallen, de druk waar ons leven onder gebukt ging verdwenen. En wat is het wonder waar Jesaja van rept? Een kind! Meer is het niet, meer is er eigenlijk niet.
Waarom vers 4 dan niet gelezen mag worden blijft een raadsel. Het onderstreept de realiteitszin van de tekst. Want een kind is ons geboren, een zoon ons gegeven. Dan klinken de namen als handen die het kind proberen te vatten.
- Het lied van vrijheid en bevrijding blijft altijd nieuw, is steeds weer uitzonderlijk, niet gewoon. Wanneer Hij als koning over de wereld regeert zul je dat zien aan de gerechtigheid.
- Een brief over vertrouwen, genegenheid en verbondenheid. Gods genegenheid, hoe hij om ons geeft, blijkt deze nacht overduidelijk. Wie wil er met zo’n klein kind nog groot gaan pochen en “ik zoek het zelf wel uit”? Je wordt weerloos gemaakt, stil, en voelt weer wat verwachten kan betekenen, toekomst die daagt.
- Eerst de groten die de achtergrond bieden, eerst wat er allemaal gebeurt en waarom. Pas dan is er een wereld waarin het kleine verteld wordt, het geheim van deze nacht. Zoals destijds in de aanhef van het verhaal over de slavernij: een man, een vrouw, een kind (Exodus 2). Gewoner kan een mensenleven, een geschiedenis met al zijn wel en wee, niet beginnen. Maar voor hen is er geen plaats in de herberg. Het eerste gebod, de gastvrijheid. “Ja”, “ Wel, kom” zeggen, Bethlehem heeft daar geen plaats voor nu Augustus met zijn gebod de lakens uitdeelt. In alle stilte wordt het kind geboren, in een schuilhoekje. En mensen die in die wereld niets voorstellen, laten zich wijs maken dat het nu gebeuren gaat: God eren, in vrede leven. Te mooi om waar te zijn. Mensen zonder naam of verblijfplaats. Zouden zij niet kunnen aarden?

Kerstmis – Geboorte van de Heer – dagmis
Jesaja 52, 7 – 10
Psalm 98
Hebreeën 1, 1 - 6
Johannes 1, 1 – 18

51-2007
De engel van het goede. De boodschap van het goede. Wat is het goede? Die vrede meldt. Vrede voor Jeruzalem. Hoe moet dat, vrede voor Jeruzalem? Die tegen Sion zegt: jouw God is koning! Jesaja wil ons oog in oog laten zien waarom de vreugde onbeschrijfelijk is. Uw koningrijk kome! Het is gekomen!
Alle verwachting komt terecht op de zoon in wie God naar ons toekomt
Het is jammer dat het evangelie en heel de Schrift vertaald wordt in de verleden tijd. Het insinueert dat het verhaal verleden tijd is. Dan zou het over vroeger gaan. Maar zo is het niet! Een verhaal dat je mee neemt maakt je tot tijdgenoot van het verhaal. Het geeft je de mogelijkheid om binnen te komen en te begrijpen. Zo is er het woord.
Om te beginnen is er het woord, de Tora, de Schrift, Gods aanwijzing tot leven. Dat licht licht is begrijpen we omdat we het woord licht kennen, dat leven leven is weten we omdat we het woord leven kennen. Het woord legt het licht en het leven uit.
Het evangelie van Johannes begint met het woord dat een mens kan worden, dat vlees kan zijn, kwetsbaar en openbarend. Getuigen worden gevraagd om in het voetspoor van Johannes mee te gaan naar dat woord dat ons gegeven is.
54 - 2010
- Diep in het dal. Als je kijkt moet je wel opzien. De berg op. Je ziet de voeten. Je hoort een woord uit de aanhef van Psalm 133: hoe goed en hoe ontroerend! Hoe ontroerend op de bergen. Omhoogkijkend ontwaar je op de bergen voeten die je aan moeten spreken. De voeten van iemand die iets te melden heeft. De verteller van het goede nieuws komt er aan. Wat kan je hier beneden je hoofd doen optillen? Waar wil de tekst oren voor hebben? Voor vrede en bevrijding, voor tegen meisje Sion woorden zeggen als :”Moet je horen, wat en hoe dan ook. Eén ding is zeker en vast: geen oude of nieuwe farao, maar jouw God is koning. Er is alle plaats voor jou. Weet dat je welkom bent.
Kersttaal! Welkom!
- Nu het zover is, nu deze dag begonnen is, wil nog alleen gezongen worden. Het altijd nieuwe lied is het aloude lied over hoe Hij de bevrijding geeft. Alle volkeren worden uitgenodigd mee te delen in deze vreugde. Blij moeten we zijn, ons verheugen en zingen.
- Een raadselachtige tekst die we nog steeds nauwelijks kunnen lezen. Hij lijkt te vol van zichzelf, te overtuigd van zijn eigen gelijk, te weinig om te voldoen aan de bescheiden kwetsbaarheid van een kind. Het Kerstkind wil ons stil doen staan om uit te zien naar wat ons zo eigen is. Hij zegt zoiets als: na al die verhalen en geschiedenissen waarin God met ons mee gaat zien wij nu de zoon, de erfgenaam, de eerstgeborene. Gods beeld en gelijkenis (Genesis 1,27) herkennen wij in Hem de afstraling van Gods heerlijkheid. Let op bij heerlijkheid. Meer dan over licht spreekt dit woord over wat er toe doet, wat uiteindelijk beslissend is.
- Woord, leven, licht. Het zijn woorden die het altijd van de tijd moeten hebben. Elk woord kost hier tijd. Het is de eerste poging van Johannes, deze tekst, om van wat gebeurt een tijding te maken, een verhaal dat er ook voor onze dagen mag zijn, kan zijn. Een verhaal over alles of niks, over licht dat geen been aan de grond krijgt. Het duister blijft duister – ook al is het de plaats waar het licht schijnt.
Waar spreek Johannes over? Wat is zijn verhaal? Het is om te beginnen een getuigenis. Het wil ons betrekken bij waar het zelf vol van is: dit verhaal, deze geschiedenis, over niet aannemen (twee keer) en aannemen (twee keer). Over de zijnen die hem niet aan willen en over de kinderen Gods die woorden voor dit verhaal hebben. Het woord dat vlees wordt, broos en breekbaar, kwetsbaar als een kind. Elk kind is een kind van de rekening tenzij wanneer het ontferming vindt. Ook dat klinkt mee wanneer wij zeggen: Heer, ontferm U over ons.

Heilige Familie
Jezus Sirach 3, 2 - 7, 12 – 1
Psalm 128
Kolossenzen 3, 12 - 21
Matteüs 2, 13-15. 19-23

51-2007
- De eerste lezing staat stil bij de goede verhoudingen. Woorden om te wegen. Alleen maar voorlezen gaat te vlug om de levens te zien die hierin getekend worden. Kunnen worden of worden. Vergiffenis, vreugde. Betrokkenheid.
Ook Paulus staat bij deze woorden stil.
- Matteüs is zijn verhaal begonnen met Jezus van Betlehem. Vandaag komt Nazaret in beeld. Jozef vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Zo kan Matteüs de Schrift laten klinken: uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen. Jezus, Uit Egypte naar het land Israël. Jozef vestigt zich uit angst voor Herodes in Nazaret. Het woord Nazireeër speelt hier wellicht in mee, maar ook nesser, scheut, loot. We zijn klaar om met het grote verhaal van Matteüs te beginnen.

54 - 2010
- Het vierde gebod in de christelijke traditie is het vijfde woord in de joodse traditie. Het is het laatste woord van de eerste vijf die begonnen met: Ik ben de Heer die jou uit Egypte, uit het slavenhuis gehaald heb. Waar het tweede vijftal van de Tien Woorden bij uitstek sociaal zijn, worden de eerste vijf als religieus geduid. Je vader en moeder zul je eren heet een religieus woord. Gij zult, eens zal de tijd aanbreken dat je … Wonderlijk en tegelijk voor de hand liggend: Zoals je van God je tijd en plaats gekregen hebt, zo heb je dat ook van hen gekregen. Alle complicaties die er kunnen zijn doen daar niets aan af. Het is een zegen wanneer je als kind al een woord mag zeggen, wanneer er tijd voor je is, warmte. Jezus Sirach peinst op zijn wijze over woorden die nauwelijks te peilen zijn: vader en moeder.
- De Heer vrezen in vers 1 en vers 4 omgeven het geheel. Het daarin besloten geheel is een droom voor ieder die leeft op het land. Vers 1 geeft dat het niet alleen om een droom gaat. Het gaat over doen. Over de weg van de Heer bewandelen, gaan zoals Hij gaat. Vers 5 voegt er aan toe: moge deze droom je deel zijn. Moge de Heer je zo zegenen.
- Als je de woorden tot je neemt, door je heen laat gaan: een zeldzame vrede valt over je. Woorden als tedere ontferming, goedheid, deemoed, zachtheid en geduld ademen een andere tijd dan onze onverbiddelijke hectiek met zijn productiedwang. Geloof blijkt hier een taal van tederheid. Kerkelijk kringen draai(d)en graag om dergelijke essentialia heen, maar hier vind je de woorden. (Je onder de ander scharen, ondergeschikt maken, hoeft niet perse te duiden op schorten en sloven. Het kan ook gaan over “tot je dienst”, of graag gedaan. Wie weet hoe je een klein kind moet verzorgen kent als vanzelf de daarbij horende gebaren.)
- Jozef wordt weer op het toneel geroepen. Een engel brengt hem, zoals al eerder, bij de les.
Je staat altijd op om iets te doen. Wat moet Jozef gaan doen? Het kind en zijn moeder nemen en vluchten naar Egypte. Dat is het einde van alle verhalen. De stad van de vrede, Jerusalem, blijkt een en al dreiging te zijn. Dat blijkt gepersonifieerd in Herodes. Het slavenhuis Egypte wordt de plaats waar de vrijheid en bevrijding gekoesterd wordt. En ook zal verteld worden wat Hosea zegt: Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen. Over Hem gaat het, Mijn Zoon – uit het slavenhuis.
En als Herodes gestorven is trekt Jozef en zijn volkje op naar het land Israël. Jezus van Bethlehem wordt Jezus van Nazareth – een naam die Matteüs aanbiedt met de klank van een godgewijde.

1 januari - Nieuwjaar – Heilige Maria, moeder van God (Dag van de vrede)
Numeri 6, 22 – 27
Psalm 67
Galaten 4, 4 - 7
Lucas, 2, 16 – 21

51-2008
Vroeger was dit de dag van de besnijdenis van de Heer. Jezus krijgt een naam en wordt opgenomen in het verbond van Abraham. De kerk heeft er voor gekozen het feest van Maria’s moederschap te vieren. ‘De moeder van de Heer’ is de uitdrukking van Elisabet: ‘Vanwaar overkomt mij dit, dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt!’ Uitroep, verbazing, in ieder geval grenzeloze verwondering. Welke diepten peilend hebben deze vrouwen elkaar aangezien als deze woorden klinken?
Eigenlijk weten we met Kerstmis nog steeds niet wat zich in de duisternis van de nacht afspeelt. Pas op de achtste dag worden wij volledig op de hoogte gebracht. Op de achtste dag wordt het pasgeboren jongetje een kind van Abraham, een kind van het verbond, kind van God. Het krijgt zijn naam. Naam is roeping. Daar is verwachting geïnvesteerd. Je-hosjoea: de Heer bevrijdt.
De woorden die wij spreken (geleerd, gehoord hebben) vertolken de betekenis, geven de richting aan waar wij het zoeken mogen. De woorden uit de priesterzegen vertolken de opgang van de zon op een nog prille zomermorgen. De warmte van die stralen bespelen het tafereel rond de kribbe. Die warmte houdt tot diep in de winter. ‘Moge de Heer de glans van zijn aangezicht over u spreiden en moge hij u genegen zijn.’ Als dat je overkomt zie je uitgestrekte, geopende handen. De handen van iemand die moeder geworden is.

54 - 2011
- Ook in de synagoge wordt deze tekst uiteraard gelezen. Tijdens de priesterzegen staan de cohaniem vóór de gemeenschap, de handen uitgespreid geheven, het hoofd en de armen bedekt door de witte gebedsmantel. De gemeenschap staat met gebogen hoofd tegenover hen, en de woorden klinken. Wat zijn dat voor woorden? Is het een opsomming, zoals vroeger op de markt? Je kreeg “dit”, “en dat, en daar nog wat van en dát ook”, en: “dat allemaal voor een daalder”? Of is het meer iets noemen wat onbenoembaar is, over zegenen dat behoeden of bewaren is? En vooral ook: er zijn voor. De glans van Zijn gelaat die zich over je uitspreidt – denk aan het licht van de dag die begint en alles wakker maakt met kleuren die opleven. Is dat Zijn genegenheid? Als God je (zo) ziet, is dat de vrede die nooit stuk kan?
- Elohem jechannenoe. Iedere Jan zal glimlachen bij die woorden. Hier staat waar je naam van afgeleid is: Heer wees ons genegen. Zegen ons. Moge zijn aangezicht lichten naar ons toe. Want wat betekent dat? Het betekent dat “jouw weg” op aarde bekend moge worden. Wat is die weg? Jouw bevrijding. Interessant is de wending van de derde persoon naar de tweede, zodra Zijn aangezicht licht geworden is.
- God heeft zijn zoon vanuit zichzelf weggestuurd … opdat. Dat vanuit zichzelf wegsturen is heel concreet: geworden uit een vrouw, geworden onder en binnen de invloed en zeggingskracht van de Tora. Vrouw en traditie leveren hier dienstbaarheid op, zo je wilt slaven. Maar heel de complicatie is gericht op de nieuwe werkelijkheid als van onze vader.
- Opnieuw voegen we ons bij de herders. Dat wil de evangelielezing van vandaag. Alles verlaten we om bij hen te zijn en hun verhaal. Zo vinden we Maria en Jozef en hun kindje. Een sprankelend levendig woord noemt hem brefos . Je hoort aan het griekse woord het klank nabootsende geluid van het kleintje in zijn bakkie. Maar hun verhaal, het verhaal van de herders, zal verder gaan dan wat je ziet. Er komen andere woorden bij, woorden van een hemelse verteller voor heel het volk. Over een verlosser, een bevrijder, een redder. Een Messias in de stad van David. Grote woorden klinken. Als zij weggaan, die herders, zien we Maria, peinzend over de woorden die gezegd zijn, laatste woorden, eerste woorden.
Op de achtste dag word de boorling opgenomen in het verbond. Het is een joods verhaal, een joods jongetje, met een joodse naam die verlossing, bevrijding spelt: De Heer bevrijdt, Je-hosjoea. Het oude verhaal over onze bevrijding is zo goed als nieuw.


Openbaring van de Heer
Jesaja 60, 1 – 6
Psalm 72
Efeziërs 3, 2 - 3a. 5 - 6
Matteüs 2, 1 – 12

51-2008
Als een droom begint deze zondag met de woorden van Jesaja – een tekst die je niet langzaam genoeg kunt lezen. De tekst droomt van vrede, van zeldzaam diepe vreugde. Daar komen ze, je zonen en je dochters naar Jeruzalem de stad van de grote koning. En in het spoor van de kinderen komen ze van overal, met goud en wierook.
Zonder twijfel kent Matteüs dit verhaal. Hij gebruikt het om ons in Jeruzalem met de woorden van de profeet naar Betlehem te keren, naar de stad van het nieuwe begin, de stad van David.
Wanneer donkere wolken boven Jeruzalem de sterren doven krijgen de woorden van de profeet hun betrouwbaarheid vanouds. In Betlehem is iets nieuws begonnen.
Zij, de wijzen, keren langs een andere weg terug. Herodes zal straks woedend blijken. Hij laat niet met zich spotten en brengt de kinderen van Betlehem om. Het lijdensverhaal klinkt daarin al mee. Jezus zal wel met zich laten spotten. Dan zijn we in de buurt van het einde van het evangelie.
De wijzen, keren langs een andere weg terug. Als je dit kind gezien hebt, ga je anders terug dan je gekomen bent.

54 - 2011
- Sta op. Onwennig misschien, een beetje pril nog, sta je op. Laat je licht schijnen of korter: Licht! Doe wat het licht doet en laat zien! Want! Gekomen is jouw licht. De glorie van de Heer is over jou opgerezen. Over het woest en leeg van de aarde in Genesis 1 is het licht, de eerste dag, de stem van de Heer die spreekt opgegaan. Wat in alle duisternis de doorslag geeft (dat is de betekenis van het woordje kabood, vertaald met glorie. Dat wat zwaarte heeft, wat van doorslaggevende betekenis is), een woord dat de stilte verbreekt, dat onze oren op steeltjes zet. Wat geeft Jesaja dan te horen? Vrede komt van alle zijden voor een wereld waarin mensen samen komen om elkaar te vieren nu leven een oriëntatie heeft, een richting, een lichtpunt.
- God verschijnt Salomo wanneer hij koning wordt. Hij mag kiezen wat hij wil. Hij kiest een horend hart. Hij kiest de wijsheid. De psalm bidt tot God: geef de koning wijsheid. Zie wat dan gebeurt, zie de vreugde die het brengt, zie hoe dat terecht komt bij de arme, de ongelukkige, de misdeelde en de zwakke. Wijsheid. Onze wereld schreeuwt er om. Wat is wijsheid?
- Wat heeft Paulus in Efese te zoeken? Wat moet Paulus met de Efesiërs? Dat zegt hij vandaag. Het gaat daarbij over wat Paulus als de kern van zijn nieuwe identiteit ziet: Gods genegenheid die mij met het oog op jullie gegeven is. Door openbaring is hem de kennis van het geheim gegeven. Welk geheim? Dat de volkeren (heel de wereld) medeleden en mededeelgenoten van de Beloften zijn. (Emmanuel Levinas heeft een bundel gepubliceerd onder de titel: “Op het uur der volkeren”, wanneer het uur van de volkeren gekomen is, wanneer de wereld ook meedoet, nu de tijd van de wereld gekomen is, nu “de wereld” zijn partijtje mee gaat blazen. Waar gaat dat over? Gods beloften gaan over heel de wereld, kath’holon ton kosmon. Van die uitdrukking stamt het woord katholiek. Beperkt je de reikwijdte van dit woord door een toevoeging, bijvoorbeeld westers katholiek, of Rooms, dan is het wellicht ipso facto niet meer katholiek. Dan ontbreekt de oikumenè.)
- Als het een evangelie is, en als dit het verhaal over de Messias is, dan zal het toch over Jerusalem moeten gaan. Dan zal het inderdaad over Jerusalem moeten gaan, maar een Jerusalem dat je binnen komt via Bethlehem en David. Jerusalem zal zich de jongste van Bethlehem moeten gedenken. Herodes zal daar geen ander belang aan hechten dan: “Weg met hem”.
De wijzen komen blijkbaar van buiten, zijn niet thuis in het goede boek en moeten vragen naar de weg die het mogelijk maakt, de koning die geboren is te vinden. De weg is te vinden wanneer de boeken op tafel komen. De wijzen gaan die weg. Zij aanbidden. Zij geven de geschenken. Zij gaan langs een andere weg terug.

Doop van de Heer
Jesaja 42, 1 - 4. 6 – 7
Psalm 29
Handelingen 10, 34 - 38
Matteüs 3, 13 – 17

51-2008
Als een droom begint deze zondag met de woorden van Jesaja – een tekst die je niet langzaam genoeg kunt lezen. De tekst droomt van vrede, van zeldzaam diepe vreugde. Daar komen ze, je zonen en je dochters naar Jeruzalem de stad van de grote koning. En in het spoor van de kinderen komen ze van overal, met goud en wierook.
Zonder twijfel kent Matteüs dit verhaal. Hij gebruikt het om ons in Jeruzalem met de woorden van de profeet naar Betlehem te keren, naar de stad van het nieuwe begin, de stad van David.
Wanneer donkere wolken boven Jeruzalem de sterren doven krijgen de woorden van de profeet hun betrouwbaarheid vanouds. In Betlehem is iets nieuws begonnen.
Zij, de wijzen, keren langs een andere weg terug. Herodes zal straks woedend blijken. Hij laat niet met zich spotten en brengt de kinderen van Betlehem om. Het lijdensverhaal klinkt daarin al mee. Jezus zal wel met zich laten spotten. Dan zijn we in de buurt van het einde van het evangelie.
De wijzen, keren langs een andere weg terug. Als je dit kind gezien hebt, ga je anders terug dan je gekomen bent.
over Mijn Zoon, van wie ik houd. Ons aanbevolen van al zo hoge van al zo ver.

54 - 2011
- Graag, bijna te gretig leest de kerk al wekenlang de profeet Jesaja. Teksten over de bitterheid van het bestaan en de niet te pijlen vreugde die vrijheid en vrede aanreiken. Zie, mijn knecht, mijn uitverkorene. Dat zijn de woorden waarmee Jesaja de beminde beschrijft, Israël, de Messias, Gods mensenkind, misschien wel zichzelf. Woorden om op te rapen en te bekijken. Kun je zoiets weggooien? Iemand die het geblesseerde niet kapot maakt, die heelt, die opricht? Die het recht opricht en gerechtigheid geschieden laat? Eindelijk vrede. Zo zou je toegesproken willen worden.
- Een psalm met een adres: de kinderen van God. Zij krijgen de uitnodiging de Heer hulde te brengen. Daarbij gaat het over glorie en macht, over de roem van zijn naam, om de schoonheid van zijn heiligheid die je huiveren doet of stil maakt. Na die inleidende woorden komt het eigenlijke onderwerp: de stem van de Heer. Alsof het water, de zee, het geweld van de natuur en het breken van de ceders van de Libanon spreken. Alsof wat je ziet en hoort taal is, alsof het heden de stem van de Heer is.
- De jongste kerk in Jerusalem kent Petrus gezag toe. Hij spreekt namens de gemeenschap. De woorden boeten aan actualiteit niets in: voor God is er geen onderscheid des persoons. Iedereen die er wat van probeert te maken ziet Hij voor vol aan, telt voor Hem. Voor hem of haar verkondigt de Messias Jezus de boodschap die goed doet, de vrede die ons allen op doet leven, vertrouwen geeft.
- Uit Galilea naar de Jordaan: Jezus. Een volkomen open verhaal. We zien en zullen zien, hoe coördinaten worden verzet: Johannes wil Jezus tegen houden. Ik moet door jou gedoopt worden en jij komt naar mij! Maar Jezus spreekt tegen hem met hetzelfde werkwoord dat de verteller straks gebruikt waan de duivel hem laat gaan (4,11): laat gaan. Want het gaat niet over wat Johannes wil, maar over het vol maken, het vervullen van alle gerechtigheid. God zal laten zien hoe de woorden geschieden in Mijn Zoon. Hij kind van zijn liefde.


Tweede zondag door het jaar
Jesaja 49, 3. 5 – 6
Psalm 40
1 Korintiërs 1, 1 - 3
Johannes 1, 29 – 34

51-2008
De bevrijding uit de ballingschap, strikt particulier, immers de bevrijding van Israël uit de Babylonische Ballingschap, toentertijd, neemt in de verwerking door Jesaja mondiale proporties aan. De dienaar van de Heer, iemand als Mozes, zal niet alleen de rest van Israël terugbrengen, maar zal een licht voor de volkeren zijn. Licht maakt het kunnen zien mogelijk. Langzaam maar zeker gaan zien, inzien, herkennen.
Genade en vrede zegt Paulus die als apostel tot de volkeren gezonden is. Genade, genegenheid, merken dat er iemand is die naar je omziet, dat je niet alleen bent. En hoe merk je dat? Vrede, in vrede, tevreden zijn. God in het scheppingsverhaal durven nazeggen dat het goed is.
In zijn eerste hoofdstuk mobiliseert Johannes alles wat hij in huis heeft om Johannes het woord te geven. Hij ziet Jezus naar zich toekomen en herkent in hem het paaslam. Het lam zal de gebrokenheid van het slavenbestaan op zich nemen, zal alles en allen heel maken. Het water van de Jordaan waar Johannes in doopt markeert het spoor van de bevrijding, de intocht in het veelbelovende land.
De geest die hemel en aarde verzoent – ze horen toch bij elkaar, zie Gen 1, 1-2 – verbindt hemel en aarde. Jezus wordt in het verhaal van Johannes een plaats, een plek waar je terecht kunt. Nu gaat het gebeuren!

54 - 2011
- De tekst van Jesaja zou een voortzetting kunnen zijn na het uitspreken van het Sjema, Hoor Israël de Heer is onze God. Door die woorden uit te spreken maakt de mens zich in het horen van de woorden die je zelf zegt, tot het Israel van de Schrift. Je mag je scharen achter de woorden die hier klinken: Hij zegt mij, mijn dienaar ben jij, Israël, in jou zal ik mij verheerlijken. In het weggelaten vers geeft de profeet aan dat het een gelopen race lijkt. Maar dat is niet waar. God is zijn recht en beloning. Daarop klinkt de uitspraak van de Heer die mij vanaf de schoot heeft gevormd om dienaar te zijn voor Hem … Alsof de profeet hier diep adem haalt, moed haalt. Niet alleen voor Israël, maar ook om en licht te zijn voor al de volkeren, opdat mijn bevrijding (Jesjoea-ti)er zal zijn, tot de uiteinden van de aarde. En ieder die dit hoort wordt mede opgenomen in dit onmogelijk te overziene plan van de Heer: om licht te zijn, begin van de schepping. En nu! (vers 5)
- Uit de gevangenschap gehaald, uit de klei waar je voortdurend uitglijdt. Eindelijk heb je een vast stuk rots onder je voeten gekregen. En het hoogste geschenk blijkt: je hebt mijn oren voor je stem ontsloten. God is een stem voor mij geworden, Iemand die (mee-)spreekt. En mijn reactie is enkel dankbaarheid.
- In de komende weken zullen we te gast zijn in Korinthe om de brief aan de christenen aldaar mee te lezen. Paulus presenteert zichzelf. Hoe omschrijft hij zichzelf? Hoe spreekt hij de mensen van zijn gemeenschap aan? De afstand tussen hem en “zijn” mensen lijkt overbrugd door achting en eerbied.
- De volgende dag ziet hij Jezus komen. Het zijn de woorden van Johannes. Wij horen wat hij ziet: “het lam van God”. Daarmee komen we onmiddellijk in Exodus 12,3. Alsof Pasen op handen is. Alle gebrokenheid zal het lam op zich nemen. Hij zal het gaan mogelijk maken. Hij is degene wiens gaan aan mij vooraf gaat. Dat kan duiden op leerling zijn, leerling worden. Johannes is komen dopen opdat Hij zichtbaar zou worden voor Israël. De geest (van Genesis 1) daalt neer over Hem en maakt Hem tot een plaats waar je kunt verblijven. Dat is het getuigenis van Johannes.

Derde zondag door het jaar
Jesaja 8, 23b - 9, 3
Psalm 27
1 Korintiërs 1, 10 - 13. 17
Matteüs 4, 12 – 23
51 - 2008
Een liturgisch A-jaar wil Matteüs lezen, maar met de feestdagen lukt dat alsmaar niet. Vandaag lijkt het zover. Vandaag komen we bij Matteüs. Tot vlak voor het echte begin waarover de volgende week meer. De tekst klopt op de deur.
Zebulon en Naftali markeren de grens. Wil je nog een beetje binnen blijven dan kun je niet verder gaan. De grensgebieden worden buitenposten, springplanken, heimweeplaatsen. Licht gaat op in duisternis. Zo gaat Jesaja zich te buiten aan tekst.
Als dat zo is, vraagt Paulus zich af voor het aangezicht van de grote havenplaats Korinte, kan er dan nog plaats zijn voor onenigheid? Het evangelie, het verhaal van de/het goede, is een plaats van eenheid, gaat over alle begrenzing, beperking en vermindering heen.
Na alles over Jezus Betlehem (Maria, Jozef en de wijzen) en Jeruzalem (Herodes), na het wegschuiven van de grendels bij de Jordaan en in de woestijn die Judea is (van Judea – niet alleen genitivus objectivus maar wellicht ook subjectivus gezien de angst die boven Jeruzalem hangt): nu is het zo ver! De grensposten (Zebulon en Naftali) worden gemobiliseerd. Woorden over dood en leven, over licht en duisternis. Straks zullen zij het geheim van de verrijzenis kunnen duiden.
Leerlingen worden weggevist van bij het Meer van Galilea. Het verschijnen van Jezus en zijn roepen betekent voor de aanstaande leerlingen een eenvoudige interruptie van hun vanzelfsprekende alledaagse herhalingen. De eersten die gevonden worden zijn broers. ‘Hij zag twee broers, Simon en Andreas, zijn broer.’ Twee keer word dat woord gehoord: broers. Het evangelie begint in het geheim van de broederschap. Zij zullen volgen. Wat dat betekent? Zij zullen de vader verlaten, het schip verlaten (Hangen daar de namen van Abraham en Noach? Gaan we terug naar het begin vanouds?).
Jezus begint als leraar. Zijn leer: het verhaal over het koningschap van God. God is geen koning als de farao die het moet hebben van slaven drijven. Het koningschap van God wil vrede, heil en genezing. Bevrijding (hosjoea!).
Met de lezingen van vandaag in de oren weet je dat het goed wordt. Maar wat goed wordt, wat het goede is, dat zal allemaal nog gespeld moeten worden.

54 - 2011
- De tekst van Jesaja 9 heeft ook al geklonken in de Nachtmis (zie boven). Alleen een fragment uit de laatste regel van hoofd stuk 8 is voorafgaand toegevoegd. Daarin wordt de geschiedenis, wat er aan de hand was - en wellicht ook is – samengevat. De rampspoed was nog ver weg, tot het land van Zebulon, het land van Naftali, de noordelijke grensgebieden, meer ook naar de (Middellandse) zee toe, over de Jordaan, het gebied gelil hagoyim, omgeven door de volkeren. Gelil doet denken aan Galilea, vanouds het heimweeland. Heimwee naar Jerusalem en alles waar die naam voor staat. Het volk dat voortgaat in de duisternis, ze zullen zien een oor gadol. Ook die letters kunnen licht werpen op Galilea. Een groot licht. Hoe, in duisternis en dood, te spreken over de vreugde van de oogst?
- Het lijkt een gedicht. Tussen de Heer en mijn bevrijder, beiden in het hebreeuws één woord, staat het tweede woord: mijn licht (‘oori). Dat woord lijkt (in een schrift van enkel medeklinkers) zeer op ‘ira’: zou ik vrezen. Als de Heer mijn bevrijder is, in wezen mijn licht, wie zou ik dan vrezen! Als je bij God thuis, kind aan huis mag zijn! Het lijkt het geheim van de Messias. Zijn “Onze Vader”-geheim.
- Twee keer achtereen noemt Paulus de naam broers. Enigheid zou er moeten zijn, onenigheid is er. Partijschap en partijgangers. En het zou meten gaan over de Messias en diens Goede Verhaal.
- Als hij hoort dat Johannes is overgeleverd wijkt hij uit naar Galilea. Daarmee wordt de Jordaan verlaten. Johannes overgeleverd, Jezus uitgeweken. Het centrum is verlaten. Kfar Nahum, het dorp van de troost wordt een plaats, in de grensgebieden van Zebulon en Naftali, Galilea, door de volkeren omgeven, waar de wereld, niet Israël, te dringen staat. We horen de woorden van Jesaja die straks, wanneer Matteüs ten einde loopt (hoofdstuk 27 en28) ook klinken zullen, over het duister, de dood, het zitten (tegenover het graf) en het licht. Leerlingen zullen daar broers blijken te heten. Hier, waar het verhaal aan zijn begin toe is, worden die leerlingen gevonden. Broederschap blijkt hier niet een herhaling van Genesis 4. Er is een alternatief dat zich uittekent in lijnen van navolging. Volgen, leerling zijn. Heel Galilea wordt een gebied om in rond te gaan, lerend, het goede verhaal van God die koning is vertolkend, en alle leed van eenzaamheid (het is niet goed voor de mens om alleen te zijn – Genesis 2) en ziekten genezend. Wat dit voor verhaal gaat worden. Nog steeds aan het begin van Matteüs mag dit, moet dit de vraag zijn.
Met de lezingen van vandaag in de oren weet je dat het goed wordt. Maar wat goed wordt, wat het goede is, dat zal nog gespeld moeten worden.


Vierde zondag door het jaar
Sefanja 2, 3; 3, 12 – 13
Psalm 146
1 Korintiërs 1, 26 - 31
Matteüs 5, 1 - 12a

51-2008
Ootmoed is het rijmwoord van de eerste lezing. Moeten we ons klein maken? Zoals dat 50 jaar geleden zo gemakkelijk gezegd werd: Je moest bescheiden zijn? Is dat het? Het hoofd buigen. Sefanja ziet dat anders. Geen onrecht doen, geen onwaarheid spreken, niet meer bedriegen. De samenleving van de bevrijden is een wereld van rust en vrede, van tijd en genegenheid. Dat ziet Sefanja voor ons.
Jezus gaat de berg op. Het lijkt het verhaal van Mozes en de Sinaï, de berg van het verbond. Op de berg brengt Jezus bij wijze van spreken (Koningrijk der) hemel(en) en aarde (die zij zullen beërven) bijeen. De troostende geest smeedt hen als goede buren aaneen. Er zullen geen tranen meer zijn, maar recht zal geschieden voor wie daar naar hongeren en dorsten. Brood en wijn als tekenen van de niemand uitsluitende vrede. Geen rozengeur, geen maneschijn. Groeien doet soms pijn, veel pijn.
Gerechtigheid: het geschieden van het woord. ‘Uw wil geschiede’, nog steeds geen verleden tijd.

54 - 2011
- Sefanja, door God verborgen (omdat Hij je beschut tegen het kwaad). Het is de tijd van de profeet Jeremia. Zoekt de Heer, zoekt de gerechtigheid, zoekt de ootmoed. Waar de politiek zoekt naar wat indruk maakt, naar macht, naar het heil zoeken bijvoorbeeld bij wapenen – voor de profeet zal het gaan om daden die spreken van recht, van dulden. Wat over zal blijven na de komende dagen van rampspoed (in de tekst de Assyriërs) is een klein gemaakt, arm volk, dat recht doet. De profeet weet hen te noemen.
- Brood voor wie honger heeft, vrijheid voor de gevangenen, gerechtigheid voor de verdrukten. Wees en weduwe richt hij op. De hier bezongen God lijkt zich werkelijk in te zetten voor emancipatie, bevrijding. De kerk als broedplaats voor vrijheid en bevrijding. Als dat zou kunnen.
- Misschien een beetje merkwaardig, maar hoe situeer je roeping? Is dat zoiets als een woordbel uit een strip die boven je, achter je aan zweeft, of is het meer toegesproken worden, uitgenodigd, van verre erbij geroepen, dichterbij, erbij gehaald? En daar zij bij aangetekend: roepen is ook de technische term in het hebreeuws voor lezen, steeds luidop lezen. Stem van een die roept: stem van iemand die leest, die met de Tora bezig is. Geroepen worden kan ook betekenen: als het ware door het boek gelezen worden, bijvoorbeeld: geïnspireerd worden. Opzien naar, zich verwonderen. Daar geeft Paulus de woorden voor.
- Voordat de woorden klinken wijst alles er op, dat we bij de berg van het verbond komen, dat de stem zal klinken van omhoog. Dat onderricht geboden wordt. Het verbond is niet de codering of verbalisering van een relatie maar in de leer gaan. Nu het Goede Verhaal (het evangelie) wil beginnen beklimt Jezus de berg, de leerlingen achter hem aan. Hij ziet de leerlingen aan. Vanuit die motivatie begint Jezus te spreken.
Wat ben je er gelukkig aan toe wanneer je … Dat is het contact dat Hij met zijn leerlingen legt, van regel tot regel. Om te beginnen met de armen, degenen die zich niet beroepen op hun eigen macht en kracht. De zijnen zijn niet de doe het zelvers, maar de mensen die zich beroepen op de Geest van God die alles tot aanschijn brengt. Voor hen is het gegeven, de belofte, dat God koning is enkel toezegging, volop toekomst. Over hoe God koning (vv. 3 en 10)is gaan de eerste woorden, over mensen die alles zetten op en verwachten van de gerechtigheid, het geschieden van Gods Woord. (Zie Matteüs 6,10.)

Vijfde zondag door het jaar
zondag 6 februari 2011

Jesaja 58,7-10
Psalm 112
1 Korintiërs 2,1-5
Matteüs 5,13-16

54 - 2011
- De hongerigen, de zwervers, de naakten: keer je niet af. Je licht, je genezing, je gerechtigheid: de glorie van de Heer. Bidden: verhoren; roepen: antwoorden. Uit je midden verwijderen, je hart openen, de mistroostige verzadigen: licht in de duisternis, de nacht zo helder als de middag. Zo spreekt de Heer. De poëzie van de tekst is extreem sociaal en door en door religieus. We herkennen wellicht de zorg voor onderwijs, de zorg voor de zieken, de zorg voor de armen. Eeuwenlang was dat de wijze waarop mensen rond en in de kerken zorg droegen voor de samenleving. Ligt daar niet ook vandaag een plicht. Kerkelijke organisatie komt op voor de armen, Zijn armen, met wie Hij zich identificeert.
- Het licht maakt de vrome weldadig, barmhartig, rechtvaardig. Zie Exodus 34,6. Hij wordt iemand in wie God herkenbaar is. Hij doet zoals God doet: hij deelt, is eerlijk, en tegenslag houdt hem niet tegen.
- Paulus legt zijn kaarten op tafel. Hij heeft zijn mensen in Korinthe niet gewonnen door geleerdheid of retoriek. Hij heeft enkel de Geest van God het woord willen geven zodat de mensen zouden kunnen steunen op de betrouwbaarheid van Gods woord, op de Messias Jezus en Zijn kruis.
- Zout geeft smaak aan het eten en conserveert, maar zout op het zand maakt het vuurtje dat je daar aansteekt warmer en lichter. Nomaden in de woestijn doen het nog. En zie hoe mooi de tekst als het ware intern rijmt: zout van de aarde, licht van de wereld. De stad op de berg waar het verbond een feest is. Ondanks wat zich ook afspeelt in de actualiteit of op de coördinaten van de wereldbol, Jerusalem is allereerst Mokum in de Schriften, met alle gezichten waarmee een mens te voorschijn kan komen, gezien wordt. Een brandende lamp. Die verstop je niet onder de korenmaat. Is de korenmaat niet uit op koren op je molen? Op brood op de plank? Nog voor je het uitspreekt is het woord goed een citaat. Met het woord goed hoor je God in Genesis 1 kijken naar de werken van Zijn handen.


Zesde zondag door het jaar
zondag 13 februari 2011
Wijsheid Jezus Sirach 15,15-20
Psalm 119
1 Korintiërs 2,6-10
Matteüs 5,17-37


54 - 2011
- Jezus Sirach is de naam die de wijsheden van de eerste lezing draagt. Hij lijkt een milde oude heer langs de kant van de weg of in de kring rond het vuur. Zijn woorden wegen hij het leven van iedere dag. Wat God gebiedt is als vuur, is als het water. Je kunt er je aan warmen, het kan je dorst lessen. Zo kun je kiezen voor het leven van iedere dag. Daar kom je tegen wat groot is, en machtig. Een uitnodiging. (Wanneer de auteur God ziet als iemand die naar je kijkt, die je ziet – welk beeld heeft hij dan voor ogen? Welk zien ziet hij?)
- Psalm 119 is als een zee, een heel alfabet vol schommelende verzen die zich verdringen om ook maar enigermate in de buurt te komen van wat het geheim van de bijbelse taal is, Gods Woord aan wie er zich mee in laat. Hem zoeken … opdat mijn wegen recht mogen zijn … laat mij mijn weg zien.
- Wanneer het in de kerk gaat over de wijsheid, dan gaat het niet over wat niemand in pacht kan hebben, de wijsheid van de wereld of van de machten die de dienst uitmaken. Nee, de wijsheid van Paulus is dat wat God van begin af aan koestert opdat wij geheel en al tot ons recht zouden komen. Het gaat over het geheim van de tijd, van ons bestaan. Wij hebben daar geen woorden voor, geen vermoeden van.
- Wat kan het vervullen van de wet en de profeten anders betekenen dan de woorden woorden laten zijn en je houden aan je woord? Hoezo “je woord”? Bijbels, op bijbelse wijze lezen, betekent immers dat je min of meer hardop leest. Je hoort jezelf lezen, je hoort dat en hoe je jezelf de wet leest. Door hardop de Tora te lezen vertolk je de Schriften, leen je je stem aan het gebeuren, spreek je namens de tekst, ben je letterlijk pro-fètès, een voorspreker, iemand die spreekt namens. Zo is ook het verhaal van Jezus goed vertolkt steeds opnieuw een ontmoeting met Hem, een welkom, een warm woord, een verkennen van en uitzien naar hoe het verder kan, anders of beter kan. (Volwassen zijn betekent in de bijbelse traditie dat je, wanneer de gemeenschap samenkomt (syn-agoo), uitgenodigd wordt om te komen voorlezen. Je wordt voor vol aangezien. Je stem mag klinken. Bijbels lezen kan daarom eigenlijk niet paternalistisch zijn. Het is nooit zogenaamd “gezag”, dat de waarheid bewaakt. Geen feodale verhoudingen. Bijbels gesproken is er maar een probleem: de verhouding tussen broers (zie Matteüs 1,2; 28,10 – zie hoe de laatste geadresseerden in 28,7 en 8 genoemd worden).

Zevende zondag door het jaar
zondag 20 februari 2011
Leviticus 19,1-2. 17-18
Psalm 103
1 Korintiërs 3,16-23
Matteüs 5,38-48

54 - 2011
- Bijbelse theologie wil zich niet bezig houden opsommen en catalogiseren van waarheden om te denken en waarheden die je moet doen, maar met het werk dat iedere dag te doen is. Omdat God heilig is moeten wij dat zijn. Heiligen: apart zetten, onderscheiden, onderkennen, om tot zijn recht te laten komen. Dat je heilig bent betekent niet dat insiders een gouden kroontje boven je hoofd zien. Het is veeleer praktisch. Jij bent iemand apart, niet een van de velen maar zelf iemand. Dat betekent om te beginnen bij het begin, bij jou begin: je vader en je moeder. Heb oog voor hen. Typisch dat de officiële lezing dat niet laat horen. Gelukkig mogen we wel horen dat broederschap geen kreet voor de biertafel is, maar een zeer nuchter programma.
- Mijn ziel, alles wat in mij is – vandaaruit de Heer te prijzen, aan te roepen, te noemen bij zijn naam. Je houding tegenover God, zo lijkt de psalm te beweren, is bijna voor-oorspronkelijk, re-creatief. Maar let op de woorden. Het zijn woorden zijn die ik tot mijzelf zeg, om mijzelf tot de orde te roepen, bij de les te houden. Daarmee kan ik niet en daartoe mag ik waarschijnlijk ook niet anderen verplichten. Alleen mijzelf.
- Een vrouw met een klein kind met speelgoed op een smalle straat. Ik rem om rustig te rijden. Ik zie hoe haar gelaat zich ontspant, een glimlach. Blijkbaar is zij er niet van overtuigd dat voor iedereen een kind, als een mens, volstrekt heilig is, apart, bijzonder, een uitzondering. Weet je dan iet dat een mens Gods tempel is? Als iemand zich aan Gods heiligheid vergrijpt dan zal die zich tegen hem of haar richten. Theologie is eigenlijk misschien wel uiterste wellevendheid. Noblesse oblige, adel die verplicht.
- “Oog om oog, tand om tand”, is een woord dat menig spreker lijkt te kennen., een woord ook dat in de regel verkeerd verstaan en verkeerd toegepast wordt. Als dit een algemene regel is, dan is hij toch niet algemeen. Het moet opvallen, dat de tekst zich beperkt tot het aangezicht, tot jij die mij ziet. Hij begint waar de ander “ontspringt”, waar ogen mij aanzien. De tekst heeft dan ook niets van doen met: “Ik krijg je wel! Ik zal je betaald zetten! Met gelijke munt!”
Volgens de leraren betekent oog om oog twee dingen. 1. Wanneer jij, ook als het een ongeluk is, niet met voorbedachten rade, de ander berooft van de mogelijkheid in zijn levensonderhoud te voorzien, dan moet je daar voor opkomen. Een soort “sociale zekerheid” zonder de tussenkomst van premies en banken. Wettelijke aansprakelijkheid avant la lettre. 2. Pas op dat je in je woede niet verder gaat dan jou is aangedaan.
De mijl halverwege de pericoop brengt ons naar Simon van Cyrene. De laatste regel geeft geen onmogelijke eis. Het herinnert ons er aan dat de eigenschappen van God volgens de joodse traditie op de eerste plaats betekenen: een opdracht aan de mens. Of beter: aan mij. Wanneer ik zeg: God is barmhartig dan betekent dat op de eerste plaats dat ik barmhartig moet zijn. Ten overstaan van God verplicht ik niet de ander. Ik verplicht mezelf.

8e zondag door het jaar
Jesaja 49,14-15
Psalm 62
1 Korintiërs 4,1-5
Matteüs 6,26-34

54 - 2011
- Verlaten en vergeten. Daartussen in staat de toegesprokene, de beschuldigde eigenlijk ook: De Eeuwige, mijn Heer. Als iemand je zo beschuldigd is er geen weerwoord meer mogelijk. Toch weet Jesaja dan nog iets te zeggen. Het begint uiterst dicht bij huis: de moeder en haar kind. Zij moet zich wel ontfermen over de vrucht van haar schoot. Zij kan niet vergeten. En zelfs als het onmogelijk toch zou kunnen gebeuren: “Jou vergeten! Ik niet.” Alsof de betekenis van de naam, het “ ik” van God, is: “jou niet vergeten”.
- Zes keer weet Psalm 62 dat hij alleen bij God terecht kan. Van hem komt bevrijding (vers 2), van hem komt de verwachting (vers 6). Dan komen de sterke woorden: Hij mijn rots, mijn bevrijding. Mijn hoge toren kan niet verplaatst worden. Hoeveel moet je meegemaakt hebben om te ontdekken dat dergelijke woorden je bewaren?
- Verantwoording, daar lijkt het over te gaan. Christenen zijn leerlingen van de Messias, helpers van de Messias. Dat moet dus betrouwbaar gebeuren. Maar Paulus pleit voor een langer lontje. Oordeelt niet voorbarig. De Heer oordeelt en Hij doet dat op zijn eigen wijze.
- In de complicatie die leven blijkt is dit wel simpel gesteld: twee heren. Eén van beiden dien je. Beiden kan niet. Weet het evangelie dan niets van de gecompliceerdheid die aan onze motieven ten grondslag kan liggen, van bewust en onbewust bijvoorbeeld, Wat weet een mens van zijn eigen motieven? Maar het evangelie past meteen een aardige versimpeling toe: God of het geld? En dan worden vogels en bloemen programmatisch! En: elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed.


9e zondag door het jaar
Deuteronomium 11,18.26-28
Psalm 31
Romeinen 3,21-25a.28
Matteüs 7,21-27

54 - 2011
- Je hart en je ziel worden naar voren geschoven. Met andere woorden: het gaat over ik met mijn zoeken en dwalen, mijn willen, en ik op m’n ikkigst, typisch voor mij, waar ieder mij aan herkent. Wat is er met dat zoekende en trefzekere ik? God bemoeit zich daarmee. Ik zal zijn woorden moeten hechten aan mijn bestaan. Niet Hij, maar ik. Alleen ik immers kan mijzelf verplichten. Tekenen (niet op mijn arm, maar) op mijn hand en tussen mijn ogen, als richting voor mijn handen en aanwijzing voor mijn zien. (De eerste lezing van de vorige week is het begin van de profetenlezing die naar gebruik van de synagoge bij deze lezing uit Deuteronomium hoort. Het tweede deel van de eerste lezing voor vandaag is voor de synagoge een nieuwe lezing, enkele dagen of een week later.)
Waarom wordt die richting zo op mijn lijf verankerd? Omdat het er op aan komt, te kiezen. Het gaat er om je vandaag af te wenden van de weg van de andere goden die jou niet kennen, met wie je in geen enkel verband leeft.
- Het missaal geeft de eerste drie verzen na de aanhef, een regel uit vrijwel het midden en een regel uit het einde van de psalm. Daarmee kan het geheel bedoeld zijn. Het is een persoonlijk gebed, tussen jou en mij. Maar van kracht gaat het over naar genegenheid. Laat oplichten jouw aangezicht over je dienaar, maak me vrij in jouw genegenheid. “Vrij” laat in de hebreeuwse letters de naam Jezus lezen. Het hele verhaal over jou en mij wordt dan een oproep voor de, steeds wanneer hardop gelezen wordt, altijd aanwezige derden.
- Buiten de Tora is Gods gerechtigheid zichtbaar geworden, bekrachtigd door de Tora en de Profeten. Dat klinkt al heel anders dan “buiten de wet om”, dat bijna lompe traditionele vertaling. Dat is punt één. En er komt er nog een: de gerechtigheid van God door het geloof van Jezus Messias. Mocht je hier dan toch perse willen vertalen: het geloof in Jezus, dan moet je dat in ieder geval verstaan als: vertrouwen in het vertrouwen van Jezus.
- Wie is er niet voor een betere wereld? Maar de geschiedenis heeft intussen wel duidelijk gemaakt, dat niet de vroompraters de wegbereiders zijn. “… maar die doet wat mijn vader die in de hemel is wel behaagt”. Wat is er allemaal niet in Gods naam gebeurd, gedaan?
Blijkbaar gaat het niet om de profielen die je maakt of je toe-eigent. Blijkbaar gaat het niet om het imago of het beeldmerk. Hij lijkt er op dat heel iets anders er toe doet. Tenminste wanneer je zou willen dat je huis op stevige grond staat.

Aswoensdag
Joël 2, 12 – 18
Psalm 51
2 Korintiërs 5, 20 – 6, 2
Matteüs 6, 1 - 6. 16 – 18

51-2008
Het kan niet korter. Pasen is dit jaar zo vroeg op de hand dat we ons voort spoeden, de veertig dagen tegemoet. Even wat vanzelfsprekend is weg doen. Afzien. Omkeren luidt het refrein. Omkeren. Wij moeten ons omkeren naar Jeruzalem om de verwachting op het spoor te komen die daar gekoesterd wordt.
Verzoening doen is een poëtisch woord, zeker wanneer je de Griekse afkomst daarbij in het oog houdt. Poiein, doen. Een woord om te doen. Verzoenen is blijkbaar niet een woord waar je passief bij bent: het is weer goed gemaakt voor jou, zijn bent weer verzoend (geworden). Verzoenen is ook dat je jezelf weer de ruimte durft te geven, dat je weer naar buiten durft te gaan, je ogen opslaan. Weten van en geven om een betere wereld.
De rest van deze dag is bestemd voor de drie tekenen waaruit blijkt dat je weet van een betere wereld. Daar zul je drie dingen niet doen, dus drie dingen anders doen, werkelijk doen. Het eerste en het derde wordt voorgelezen in het evangelie. De tweede, de spil van de bergrede, bidden we straks, voordat we ter communie zullen gaan.
Daden van betrokkenheid zien er niet voor de goede sier. Ze zijn er voor de armen. Daar zie je het aangezicht van de vader die in de hemel is. Ook afzien van je rijkdom en daarvan geven aan wie het nodig heeft, daar zie je het aangezicht van je vader die in de hemel is. Aalmoezen en vasten zijn de paranimfen van het gebed waarin wij Jezus nazeggen: Onze Vader. Broederschap, zusterschap, de nabijheid als waren wij kinderen van een vader.
Op Grote Verzoendag staan drie werken centraal: Tsedaka, gerechtigheid, Tefilla, gebed en Tsjoewa, omkeer. In het doen van deze drie wordt Gods verborgenheid gekend. Dat is het loon van de rechtvaardige: hij openbaart in zijn werken Gods verborgenheid.

54 - 2011
- Vasten, de treurigheid voelen, berouw – het zijn bewijzen van de zekerheid dat het eigenlijk anders kan, ander moet en dat we het anders willen. Uiteraard gaat het daarbij niet om het theater, maar om het zelf beleven van de schuld. “De netten boeten” gaat niet over straf uitdelen. De visser die zijn netten boet wil een goede visser zijn. Hij verbetert zijn materiaal. Volgens Joël is dat een zinvolle onderneming, want God is genegen, betrokken, geduldig en een en al liefde. Het zijn kwaliteiten die borgen dat het wonder (opnieuw beginnen) mogelijk is.
- Iedereen die nog als kind de fameuze 60er jaren heeft meegemaakt hoort meteen een klagende melodie van psalm 51 in het latijn: miserere mei Deus, secundum magnam misericordiam tuam. De andere woorden komen dan vanzelf. Wat er ook gebeurd moge zijn, de drie-en-dertig dagen die een mens blijkbaar kunnen voorbereiden op de Goede Week wijzen op de gebrekkigheid van ons pogen en de weerbarstigheid van het leven die ons vaak parten speelt. Alles wat we anders zouden willen doen, - dat kan allen maar persoonlijk zijn, - krijgt een plaats in de oude woorden die we samen delen, die ons helpen het hoofd weer op te tillen om verder te zien.
- Zonde is het verbond ontkennen, het verbond op het spel zetten. Zonden vergeven is het aloude verbond zo goed als nieuw maken. Verzoenen, een woord dat zo mooi letterlijk te nemen is, hoeft niet alleen te ontroeren wanneer kleine kinderen het doen.
- Misschien ben je (g)een querulant, maar bij het zien van deze tekstverdeling (6,1-6, 16-18) is natuurlijk interessant wat weggelaten is. Dat blijkt de kern van het zesde hoofdstuk te zijn, het gebed van de Heer dat het ons mogelijk maakt om ons te bedienen van een adres en “onze vader”te zeggen.
Aalmoezen geven, bidden en vasten. Ben Hemelsoet zei wanneer hij de kans kreeg: “Drie zaken die je alleen maar doet wanneer je gelooft dat het anders en beter kan.”
Voor de goede beschouwer: deze teksten zijn programmatisch de kern van de woorden op de berg, de woorden van degene die aan het einde van het evangelie de gekruisigde is. Woorden van een Gekruisigde. Het slachtoffer heeft het woord – tenminste: wanneer wij dat toestaan. Zouden wij ons kunnen invoegen in de kring van de luisteraars die deze tekst behoeden en bewaren, al eeuwen lang actueel. Maar zoals zo vaak: alleen voor wie wil.

1e zondag van de Veertig Dagen
Genesis 2, 7 - 9; 3, 1 - 7a
Psalm 51
Romeinen 5, 12 - 19 of 17 - 19
Matteüs 4, 1 – 11

51-2008
Twee scheppingsverhalen zijn er. Twee verhalen waarin God orde op zaken stelt ware het niet dat deze geschenken toch een beetje ongelukkig worden uitgepakt. Na de inventarisatie van de wereld in het eerste verhaal komt nu waar het op aan komt: inventarisatie van de relatie(s). We zien God als de lieve boetseerder. En toch gaat het verkeerd.
Laat je niet misleiden door de bekendheid van het verhaal. Zie door de bladeren wel de boom in het midden, de boom van het leven en de boom van goed en kwaad. Leggen die twee bomen elkaar niet uit als woord en antwoord? De mens wordt uitgenodigd om in te gaan op de uitnodiging. Die uitnodiging wordt niet ingetrokken. Heel de bijbelse literatuur tekent voor dat groot credit.
Paulus wijst op de antiparallel: de ongehoorzame Adaam, en Jezus, gehoorzaam tot de onbegrijpelijke dood aan het kruis.
De toetsing in de woestijn. Voor toetsen (beproeven) moet je echt aan de piano of het strijkinstrument denken. Het zwarte hout onder de snaren, de plankjes van het klavier zijn de toets(en). Toetsen: tot klinken brengen, laten horen of er wat er in zit. Wanneer de tegenspeler bovenmatig Jezus in de woestijn tot klinken dwingt gaat in zijn mond de Tora open. De mens leeft van het woord van God. Hoe bitter de beproeving ook, probeer tot stilte te komen tegenover God (denk ook aan Job). En probeer niet te vallen voor de schone schijn van wat als gouden kalf, zelfbewust en zeker, in de zon te branden staat.
De weg naar Jeruzalem die naderbij begint te komen is een andere weg. Aan brood en wijn proberen we voortdurend dat op het spoor te komen.

54 - 2011
- Het aandoenlijk van dit verhaal is dat we min of meer terugkeren naar een van de kraamkamers waar de mens geboren is. Wie kent het verhaal niet? De aard-ige mens en zijn tuin in het Oosten-vanwaar-het-licht. En alles wat er groeit dingt naar je ogen.
(De tekstkeuze van de liturgen is zo aardig de schepping van de vrouw weg te laten. Dat zij mens in optima forma is mag niet gehoord worden. Dat kan toch niet waar wezen! Maar hoe deze omissie te verklaren?)
Voor de beslissende ontmoeting komen we de slang tegen, een wonderslang op poten – want straks moet hij voor straf op zijn buik zoeken naar wat hem voeden kan. De vrouw heeft niets gehoord van enig gebod. En zij heeft ogen in haar hoofd. Weet wat te kiezen. Aan hem de keuze te doen alsof hij van meer weet.
- Channeni, wees Channan voor mij. We kennen dat woord uit het oud Amsterdamse chein, meestal als gein geschreven. De tekst zet bij voorbaat al hoog in. Het kan niet mis gaan. Als God genegenheid is. Hij draagt ons en wij dragen Hem (ontferming – altijd wederzijds). Vanuit die verbondenheid moet hij weten dat wij alles van Hem verwachten. En laten we het dan meteen goed doen. Zo groot als het berouw in de tekst ook is, het is geen reden om je klein te maken. Het vertrouwen is elders gebaseerd. Is dat niet kenmerkend voor genegenheid? Opzien naar.
- De dood overkwam de antieke mens veel eerder dan de meeste mensen in onze wereld. Het was een plotseling afbreken van wat eerder alles was, een straf. Blijkbaar zag men leven als genegenheid, genade, te gast zijn bij de gastvrijheid. Maar de trouw en het vertrouwen van Jezus heeft de dood onttroond. Onbevangen ontvangen wij in Hem het leven naar God maat, eeuwig, volop.
- Het lijkt passend en rechtvaardig aan het begin van de veertig dagen mee te gaan, de woestijn in. Het evangelie nodigt degene die luistert uit. De Geest (van hemel EN aarde) neemt hem en ons mee de woestijn in. Wat je er ook over zeggen wilt: daar is geen openbaar vervoer, dat zijn geen gebaande Pasen, daar ben je overgeleverd aan wat op je afkomt, het heden. Blijvend bij Matteüs (6,11), wat mag vandaag ons dagelijks brood zijn? De tegenspeler bemoeit zich er mee, wil Jezus beproefen, toetsen, tot klinken brengen. Open gaat het boek Deuteronomium, tot drie keer toe. Je leeft niet enkel op brood. Leef bij de tijd en niet bij gratie van de aanbidding. Alleen je bevrijder zul je dienen. Het kan goed zijn dat dit ons bij het begin van de veertig dagen, te denken geeft. Wat voedt wezenlijk? Wat is je inspiratie? Waarvoor ga je door het vuur of doe je wat je doet – het klinkt minder dramatisch maar zou wel eens hetzelfde kunnen zijn.

2e zondag van de Veertig Dagen
Genesis 12, 1-4a
Psalm 33
2 Timoteüs 1, 8b-10
Matteüs 17, 1-9

51 – 2008
- Ga weg, jij, uit je land, uit je familie, uit het huis van je vader, naar het land dat ik je zal laten zien. Alles opgeven. Vreemdeling worden, zonder natuurlijke hulpbronnen, zonder het vertrouwde dak boven je hoofd. Abraham, de vader van de gelovigen. En dat alles voor een woord, voor het woord dat een totaal nieuwe wereld, een wereld van toekomst en vertrouwen, van eindelijk waar het om gaat. Het woord dat Abraham hoort. Abraham gaat niet omwille van wat hij ziet. Mens zijn voor God en broeder voor de broeder zijn. Abraham een nieuw begin omdat de stem van de eeuwige er voor hem mag zijn. Abraham hoort. Omdat hij zich aangesproken voelt en gaat, zoals God – stem die de stilte niet breekt – hem gezegd heeft.
Door ons lijden dragen wij ons deel van het evangelie. Gods kracht als Hij die bevrijdt zou daardoor zichtbaar worden. Paulus in gesprek met zichzelf om iets te duiden wat wij Gods genade noemen.
- Op de berg. Jezus in gesprek met Mozes en Elia. De toneelknecht moet voor dit verhaal het licht halen uit het verrijzenisverhaal (28, 3). Op de berg van het Verbond wordt zichtbaar waar het over gaat. Mijn zoon, mijn beminde, mijn welbehagen: hoort naar hem. Een verhaal dat hemel en aarde in rep en roer zet om uit te komen bij: hoort naar hem. Hoort naar hem zoals je ook hoort naar Mozes. Zoals je ook luistert naar Elia. Zoals Abraham luistert naar de Eeuwige.
Wanneer de leerlingen dan nergens meer zijn raakt hij hen aan. Hij zegt: ‘Je hoeft niet bang te zijn.’ Dat geldt voor alles wat dit verhaal in scène zet, tot en met dood en verrijzenis toe.

54 - 2011
- In de synagoge krijg je het gevoel dat Genesis 1-11 er eigenlijk alleen maar bij horen als een voorbereiding op het echte verhaal. Die eerste hoofdstukken doen er eigenlijk niet toe. Alles wordt anders wanneer de verteller Abraham introduceert. Nu begint na al die malen ”niet” (niet tegenover voor God, niet tegenover de broeder) EEN HEEL ANDER VERHAAL: Abraham. Hier horen we al wat straks, in Genesis 18 een verhaal apart wordt, een verhaal met toekomst. In tegenstelling tot Adam is Abraham iemand die zich gezeggen laat. Tegen hem gesproken is niet tegen dovemansoren gezegd. God spreekt en Abraham doet zoals hem gezegd is. Blijkbaar is er voor een mens een andere weg dan enkel die welke uit jezelf komt. Blijkbaar doet de Ander/ander er toe.
Gevraagd: alles opgeven. Geboden: “Wat ik je zal laten zien.” Is dat reëel? Kan de toekomst iets anders zijn dan de herhaling van het verleden? Volgens Abraham wel. Hij gaat overeenkomstig …
- Oprecht is het woord van de Heer. Hoezo? Waarom? Al zijn werk is waarheid, betrouwbaarheid, daden van genegenheid. Gerechtigheid en recht heeft zijn hart. De liefde/genegenheid van de Heer vervult geheel de aarde. Onze ziel, wonderlijk meervoud. Niet ik, maar wij wachten op de Heer. Onze helper, ons schild is Hij. De joodse traditie noemt God als Schild voor Abraham. Abraham: vader van velen.
- “Ik heb steeds, wanneer ik het evangelie lees, het gevoel dat het ook over mij gaat. Wat vind je daarvan?” Jos, 23 jaar, ongeneeslijke kanker. Zijn vraag durfde ik toen wel voorzichtig te beamen. Het is een vraag van bijna 35 jaar geleden. Ik hoor hem nog steeds als voor het eerst. (Ik, J.E.)
- Op een hoge berg. Wanneer de aarde bijna niet meer zichzelf is, maar hoogverheven. Zoals eerder bij Mozes in de Sinaï: drie gaan er mee. Het licht dat we ook kennen van het Paasverhaal spat uit dit verhaal. Mozes en Elia. Schrift en Profeten in gesprek met Hem, één met Hem. Petrus wil daar plaats voor maken: drie tenten, Loofhuttenfeest, mens zijn op aarde onder de hemel, voort-durend onderweg. Goed als Hij zo met ons gaat. Maar de ontroering van het moment lost op in: Deze, Mijn Zoon, De teerbeminde.” Wat we daar mee moeten. In het gezelschap van Mozes en de Profeten (Elia): Luister naar Hem.
Met Hem onderweg naar Pasen is hier nog veel/alles te leren – alleen maar voor wie wil.

3e zondag van de Veertig Dagen
Exodus 17, 3-7
Psalm 95
Romeinen 5, 1-2, 5-8
Johannes 4, 5-42 of 4, 5-15. 19b-26. 39a.40-42

51 - 2008
- De Uittocht, het werk van vrijheid en bevrijding, is geen vakantiereisje. Zij leidt tot de brandende vraag in de woestijn: ‘Is de Heer in ons midden of is Hij dat niet?’ Het volk dorst naar water en komt uit de bij de vraag: Is de Heer in ons midden of is Hij dat niet?
Paulus geeft daarvoor een kijkwijzer. Toen wij nog buiten het verbond leefden heeft de Messias zich voor ons gegeven. Gods genegenheid heeft hij voor ons toegankelijk gemaakt.
- Je zult maar zo van God en mens verlaten zijn dat je alleen in de hitte van de dag, wanneer er niemand is die zich buiten waagt, water gaat putten. Is het water een plaats om de Heer te vinden?
Rond het water vindt de confrontatie plaats van twee buitenstaanders: de Samaritaanse vrouw en Jezus. Uit de heftige woorden blijkt de grootse inzet. ‘Alles’. Drie keer valt dit woord in het verhaal. ‘Alles’ blijkt buitengewoon persoonlijk te zijn. Haar geschiedenis wordt de geschiedenis van heel de gemeenschap. Een gemeenschap van mensen die persoonlijk geroepen zijn, aangesproken.
Zijn er woorden die ons kunnen vinden? Die ons kunnen vatten en meenemen? Dat lijkt de onuitgesproken vraag onder de teksten van vandaag.

54 - 2011
- In de woestijn en sterven van de dorst. Niets is voor de hand liggender, niets is ook zo voortdurend verbijsterend, steeds weer ont-zettend opnieuw. Het volk in de woestijn ten einde raad. En wij horen de brandende vraag in de woestijn: Is de Heer in ons midden of is Hij dat niet? Gaat het ergens om, gaat het ergens naar toe? Of is het allemaal onzin, zinloos, zonder sens, zonder richting!
- De psalm nodig ons uit. Zing, schreeuw het uit van vreugde. Want in dat zingen vertolken we dat we gegrepen zijn door de Heer, de rots van onze bevrijding. Ballingen moeten zo gekeken hebben, over de horizon van hun vermoeden heen, naar Jerusalem, naar het Huis van de Heer met alle vreugde die dat betekent. Maar heel die samenhang beoogt een duidelijke uitnodiging: vandaag, luister toch naar zijn stem. Daar zal het hart van de gemeenschap zijn.
- Paulus kan er geen geheim van maken. Door Jezus de Messias leven wij in vrede met God. Door Hem mogen we zeker zijn van ons vertrouwen. Door Christus schenkt God ons Zijn Geest.
- Lees in ’s hemels naam – zo is hij ons toch ook gegeven, in ’s hemels naam! Dat heet Inspiratie – het hele verhaal. Het is zo prachtig, in de hitte van de dag. Iedereen blijft binnen. Alleen zij die iedereen mijden wil en daar haar redenen voor heeft, en Hij die het niet laten kan. “Geef mij te drinken?” Alleen die zin al. Hoe lees je dat voor? Hoe spreek je zo, namens Hem? geef je stem aan Zijn woorden? Zijn vraag bergt een serie themata. Het gaat dan over trouw, over de Geest, over God die naar deze wereld kijkt, over de Messias. In alle geborgenheid – binnen dit bestek kunnen zaken alleen maar aangestipt worden – heeft het te maken met hij heeft mij vertelt alles wat ik doe. Daarbij moet het woord ALLES er uit springen. Dit ALLES gaat niet over alles absoluut. Het is een privé, zeer persoonlijk alles. Het is het alles van God is groter dan je hart en Hij weet alles (1 Johannes 3,20). Zij weet zich gevonden en geeft zich gewonnen. Het wordt een massale uittocht van heel de stad. Ieder hoort zijn eigen verhaal. Alles heeft hij welgedaan.


4e zondag van de Veertig Dagen
1 Samuel 16, 1b.6-7.10-13a
Psalm 23
Efeziërs 5, 8-14
Johannes 9, 1-41 of 1.6.9. 13-17. 34-38

51 – 2008
- Een malle vertoning. Een nieuwe koning. Maar alles wat zich groot en fors aandient is het niet. David, een kind nog. Voor iemand er erg in heeft staat hij er gekleurd op te midden van zijn broers.
Kinderen van het licht lijken te herkennen aan hun oogopslag: goedheid, gerechtigheid, waarheid. Ze worden zelf licht.
- De blinde heeft geen vraag. De leerlingen vragen. Zij zoeken naar schuld. Jezus stelt daar tegenover dat wij moeten doen wat God doet. En hij gaat voor, voltooit de schepping aan deze mens die blind is van nature.
Alle anderen begrijpen niet wat er gebeurd is. Hij ook niet. Hij weet alleen dat het gebeurd is. Zijn verhaal wordt steeds korter totdat blijkt dat hij leerling geworden is van deze onbekende Leraar, dit spoor van de Hoge. Wie is, Heer?
Je hebt hem gezien en hij die met je spreekt is. Zo spreken blijkt door en door religieus te zijn. Het gaat over grenzen heen en bindt.

54 - 2011
- Een hoorn. De olie die Saul zalfde kwam uit een kruikje. De olie die David zalft komt uit een horen. Dat materiaal is veel sterker, die kruik niet stuk. Samuel, de laatste richter, moet naar boer Jesse in Beth-lechem, het Brood-Huis, om in diens huis een zoon tot koning te zalven. Het wordt een parade van de mannen broers. Maar de jongste blijkt, onwaarschijnlijk, de sterkste troeven te hebben. Hij wordt gezalfd te midden van zijn broers. Van begin af aan gaat het om niets meer of minder dan de broederschap van broers. Alsof het geen zin heeft elkaar naar het leven te staan.
- Mijn Herder is de Heer. Daaruit volgt niet: “Ik heb alles”, maar: “Mij zal het aan niets ontbreken”. Zelfs wanneer ik ga door de doodsvallei: ik vrees geen kwaad. Ik weet dat mij een tafel wacht, dat mij een beker wacht.
- Efese, havenstad, wereldstad aan de Middellandse Zee, 2000 jaar geleden. Als je dank zij je gemeenschap met God in het licht leeft, leeft dan ook als kinderen van het licht. En je weet wat de vrucht van het licht is. Ontwaakt, gij die slaapt, en Christus zal over je lichten.
- Het mag dan wel zo zijn dat de lezing lang is, maar die lezing alleen al goed voorbereiden – de lezing is de eerste uitleg! – is dan veel beter dan het verminken van de tekst. Het verhaal heeft drie bedrijven. In bedrijf 1 en 3 is Jezus aanwezig, in het 2e niet. Het is dus de vraag hoe hij daarin schuil gaat, graan in de akker van het verhaal is. Het ligt er duimendik bovenop. Die tekst gaat als het evangelie over Hem, over iemand die tot slachtoffer van hun gelijk wordt gemaakt. Het gaat over een blinde die kan zien tegenover mensen die zich distantiëren (buren, vroegere kennissen, ouders) en daardoor hem steeds meer tot onderwerp maken van zijn eigen geschiedenis die groeien moet tegen het weten van de “leiders” in. Zij weten, zij hoeven niet te leren en zeker niet van en over hem/Hem. In het spreken met iemand krijgt degene die met je spreekt in dit verhaal een extreem religieuze betekenis. Is spreken meer dan het uitwisselen van informatie? Het kan tot aanbidding leiden, tot gaan over je grenzen heen.


5e zondag van de Veertig Dagen
Ezechiël 37, 12-14
Psalm 130
Romeinen 8, 8-11
Johannes 11, 1-45 of 3-7. 17. 20-27. 33b-45

51 – 2008
- Ezechiël is de bijbelse stem vanuit de Ballingschap. Letterlijk vertaald geeft de tekst: “De hand van de Heer is op mij en hij trekt mij uit in de geest van de Heer …” Je hoort de hand van de Heer. Die sterke hand die hen uit Egypte bevrijd heeft. Je hoort uittrekken, van het uittrekken uit de slavernij. Maar wat is daar van over in de Ballingschap! Ezechiël maakt van die woorden vanouds woorden voor vandaag. De hand van de Heer trekt de Profeet uit en voert hem naar de vallei vol dorre beenderen. God opent de graven van de ballingen. Zijn geest zal over hen komen en het volk zal leven, zal weten wie God is. Hij is hen die hen vestigt op hun eigen grond. Op de eerste passiezondag moet dat een hart onder de riem zijn.
(De tweede lezing is door de vertaling die begrip wil aanreiken heel moeilijk geworden. Leven naar het vlees, schrijft Paulus. Omdat wij dat niet begrijpen maakt men daar van: zelfgenoegzaam leven, leven vanuit de eigen wil. Moraliteit maakt dan de dienst uit. Paulus gebruikt vlees enkel om het volstrekt andere van de geest aan te geven die levend maakt.)
- Bij het graf van Lazarus staat je hart stil. Die treurigheid. Dat tevergeefse. Maar Jezus spreekt Lazarus in het graf toe en geeft hem leven. Maak hem los en laat hem gaan. Blijkbaar is dat het volstrekte alternatief voor de dood: losmaken en laten gaan. De verbondenheid die dan ontstaat noemt Johannes geloven, vertrouwen. Grensoverschrijdend.

54 - 2011
- Toch wil de tekst de graven van voorbij openen, ons uit de graven wegvoeren. Zo zullen wij weten dat Hij de Heer is. Zijn Geest uitgestort over ons betekent leven. Zijn op je plek, op de grond die jou eigen is. Zo zul je zeker weten dat de Heer is “wat jou overkomen is”.
- Verlaten, weggeworpen, misschien ook wel door zichzelf. Uit de diepte. Uit de diepte kun je toch nog roepen. Er is een adres, een U of jij waar je terecht kunt, zeker.
Iets opmerkelijks wordt gezegd over mijn ziel. Die regel kent niet een werkwoord als “wachten op”, of “verlangen naar”. Het is veel directer: mijn ziel naar mijn Heer. Alsof dat existentie is: openheid voor de vergeving, openheid naar het licht van de ochtend, openheid voor bevrijding en daarvan willen weten.
- De kracht van de natuur is niet te begrijpen. Rond begin april is dat ook te zien: het leven dat onbekommerd enkel zoekt naar zichzelf, joyeuse force qui va (Levinas). Maar een mens is niet enkel natuur. Stel je voor dat je leven niet meer beheerst wordt door de kracht die er uit moet, maar door iemand anders, door een stem die je hoort, een stilte die je vindt, die jou vindt, en door verwondering. Gevonden worden. God die Jezus uit de doden wekt, woont in je. Alsof leven anders in elkaar zit.
- Lazarus, vriend Lazarus. “Heer, als jij hier was geweest!” We zien Hem daar staan, tegenover het graf, tegenover de dood. Hij is duidelijk aangeslagen. Alsof alles wat gebeuren gaat ook voor Hem een openbaring is. Sommigen zeggen: “Kan hij die de ogen van blinden opent, niet ook maken dat deze niet gestorven zou zijn.”
Als een getuigenis voor de mensen, opdat wij zouden vertrouwen dat God Hem gezonden heeft:”Lazarus, kom naar buiten.” Als een slachtoffer, met handen en voeten gebonden, onherkenbaar gemaakt door de doek op zijn hoofd. “Maak hem los en laat hem gaan.”
Dat doet Hij met een dode. Veel mensen die dit zien gaan in hem vertrouwen.


Palmzondag
Jesaja 50, 4-7
Psalm 22
Filippenzen 2, 6-11
Matteüs 26, 14-27, 66 of 27, 11-54

51 -2008
- De ik-figuur in de tekst van Jesaja is een wonderlijk mens. De gave van het woord betekent voor hem, dat je de mensen die geen moed meer hebben moed kunt geven. Het woord van de Heer geeft hem bemoedigingstaal. Zelfs als dat hem alles kost.
- Vernederd en vermoord. Vandaag en de dagen van deze Goede Week die komen gaan, zijn niet om uit te leggen. Ze dienen er toe, om ons stil te laten staan. Paulus zegt: gehoorzaam geworden tot de dood. Over deze ontkende mens ontfermt God zich en hij verheft hem, geeft hem een naam boven alle namen. (Zoon van Abraham – zie Gen 12, 2 – geeft Matteüs als aanhef.) Krijgt hij die naam omdat hij zich niet beroepen heeft op weten, maar op horen, op zich laten zeggen?
De Matteüs-passie laat zien dat dit niet betekent over je heen laten komen. Maar je houdt je hart vast.

54 - 2011
- Drie keer komen we in de eerste lezing De Heer God tegen. Drie keer is hij onderwerp tegenover het ik van de tekst. Hij geeft mij het spreken van mensen die leren, Hij opent mijn oor (zodat gebeuren kan wat gebeurt zonder dat ik mijn aangezicht verberg) en Hij helpt mij zodat ik niet beschaamd zal staan. Waar het onmogelijke gebeurt staat Hij bij mij, mij bij.
- Een psalm die tot de boden gaat. Meedogenloos. Meedogenloos? In de diepte van de verlatenheid krijgt de stem een andere zekerheid: over U, aan mijn broers.
- Deze week noemen wij goed. Hij die bestaat in goddelijke majesteit heeft het bestaan van een slaaf op zich genomen, is aan de mensen gelijk geworden – even kwetsbaar als wij, gehoorzaam geworden. God heeft zich over Hem ontfermt en Hem een naam gegeven boven alle namen. Hem, zijn verhaal is het heilig centrum van de stilte, deze week.
- Als alle leerlingen zijn weggelopen, als er geen leerling meer is, volgt Petrus als een vreemdeling, van verre, om de afloop te zien. Zijn nabijheid nu maakt de afstand duidelijk. “Ik ken die mens niet.” Huilend verlaat hij het evangelie, getroost door de herinnering dat hij zo gekend is, zo bemind wordt. Met alles wat het evangelie doet, het maakt ook een zeldzame liefde duidelijk.
Pilatus’ theater van de onschuld maakt duidelijk hoe makkelijk wij slachtoffers maken. Wij, allen tezamen in Jerusalem, tegenover Hem. Om ons te hervinden in de woorden van de hoofdman onder het kruis.

Witte Donderdag
Exodus 12, 1-8. 11-14
Psalm 116
1 Korintiërs 11, 23-26
Johannes 13, 1-15

51 – 2008
- Exodus 12 vertelt het verhaal over de plechtigheid volledig. Het lam apart gezet. Huiselijk. Als je met te weinig bent, nodig je naaste buren uit. Het bloed gesmeerd aan de deurpost. Leven op leven en dood. Overleven.
Paulus vertelt het verhaal dat hij gehoord heeft, over die laatste avond. Nee: over die avond waarin hij werd overgeleverd. Het brood en de beker.
- Johannes maakt het aanschouwelijk. Jezus legt zijn bovenkleren af en omgordt zich met een linnen doek. Daarmee begint het verhaal van de voetwassing. Op het einde van het verhaal trekt hij zijn bovenkleren weer aan. Daar tussenin zien wij het lichaam van Jezus die de voeten van de leerling wast. Begrijpt de leerling wat hem in deze eenvoud van gebaren aangeboden wordt?

54 - 2011
- Het is de tekst over de eerste maand. (Weet niet iedereen dat met Pasen het jaar eigenlijk begint, de aarde weer nieuw is!) Het is ook de eerste tekst waarin gesproken wordt over het lam waarmee de naam van God die bevrijdt verbonden wordt. Op de tiende dag van de eerste maand zal het lam apart gezet worden. Vier dagen later zal het de gemeenschap sterken voor de onmogelijke en onwaarschijnlijke reis naar de vrijheid die het mogelijk maakt. En wij: de lendenen omgord, stille getuigen van deze nacht van de waarheid die ons bewaart, mogelijk maakt.
- Ik zal de beker van de bevrijding opheffen. Dat is mijn dankbetuiging. Daarmee betaal ik de Heer alles terug wat hij mij gegeven heeft. De viering van de Witte Donderdag herdenkt dit gebaar en stelt het, deelt het.
- Paulus vertelt aan zijn mensen van Korinte wat hij zelf van de Heer als overlevering ontvangen heeft, bij het brood en bij de beker. Om te gedenken, opdat God de Messias gedenkt.
- Het afleggen van de kleren. Het weer aantrekken van de kleren. Daartussen zien wij het lichaam van Jezus die zich bukt, die de voeten van zijn leerlingen wast, hun gaan en hun staan. Hun gaan en staan zal van nu af aan niet meer alleen zijn. Hij is de diaken, de dienaar van hun gaan door het bestaan. Het protest van Petrus maakt duidelijk dat het over diep respect, over gemeenschap gaat, verbondenheid, intimiteit.

Goede Vrijdag
Jesaja 52, 13 – 53, 12
Psalm 31
Hebreeën 4, 14-16; 5, 7-9
Johannes 18, 1 – 19, 42

51 – 2008
- Jesaja begint ons bij voorbaat te troosten. Dat moet wel. Want het dal van minachting blijkt diep. Uit de diepte heb ik mijn zoon geroepen.
De Hebreeënbrief geeft te lezen: uit wat hij meemaakte heeft hij leren horen, leren luisteren.
- Johannes eindigt zijn verhaal in de nieuwe grafkamer. Daarmee is een bijzondere ruimte aangegeven. Nieuw. Zo nieuw. Het is voorbereidingsdag. Wat wordt er voorbereid? Wat is er na deze afloop nog voor te bereiden? De tijd is toch stil gezet.

54 - 2011
- Het begint bijna onschuldig. Over mijn dienaar die zal bloeien, die verhoogd en opgetild wordt, zeer verheven. Maar deze drie vormen van verheffing maken een mijn dienaar (Jesaja 52,13) zichtbaar die huiveringwekkend is, met een menselijkheid die niet om aan te zien is, die iedere gelijkenis met wat menselijk is ontbeert. Hoe is dit mogelijk? Die vraag brengt je bij wie de tekst ons noemt. Dit drama heeft alles te maken met wie wij zijn.
- Het is de vaste overtuiging van de leraren: God ontfermt zich over degene voor wie er niemand (meer) is. In uw hand leg ik mijn levensadem. Daarom vindt de spreker in de tekst zichzelf ook terug. Ook al geven allen om mij heen mij op, al zien zij voor mij geen toekomst meer, wat mij aangaat – stilte vraagt de tekst hier uitdrukkelijk – op jou heb ik mijn vertrouwen o Heer. In het hebreeuws zijn dat drie woorden. “Ik heb mijn vertrouwen”staat tussen “Op jou” en “o Heer”. De roepende wordt als het ware omgeven door degene die hij aanroept. In Hem vindt hij ook grafisch als het ware plaats.
Als het licht, elke dag weer nieuw: Doe oplichten uw aangezicht over uw dienaar. Dan trekt het duister weg en weet ik dat Jij, jouw liefde, mij bevrijdt. Weten dat je gevonden bent.
- Wij kunnen vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genegenheid omdat we een hogepriester hebben die zich identificeert met onze kwetsbaarheid. Leerzaam.
- Lantarens, fakkels en wapenen bepalen de richting. Jezus de Nazireeër zoeken ze. Laat dezen dan gaan. Alsof hij het gesprek en de handeling bepaalt. Dat blijft bij Johannes zo. Alsof de veroordeelde op de rechterstoel zit. De laatste woorden gaan eigenlijk over “je over elkaar ontfermen als moeder en zoon”. Zo wordt alles volbracht en geeft Hij ons Zijn Geest.


Paaswake
Genesis 1, 1 – 2, 2
Psalm 104
Exodus 14, 15 – 15, 1
Romeinen 6, 3-11
Matteüs 28, 1-10

51 – 2008
- God schept. Traditioneel wordt deze tekst altijd vertaald in de verleden tijd. Lees hem, zeker met Pasen, in de tegenwoordige tijd. Wie zegt dat Gods scheppen verleden tijd is? Dag één. Geen rangtelwoord maar uitzonderlijk hoofdtelwoord. Dag één. De dag van het licht.
Het onmogelijke gebeurt. Mozes strekt zijn staf uit over de zee en het volk trekt door de zee, maakt een weg over de zee alsof het water geen vast en zekere dood meer betekent.
Door het doopsel delen wij in de dood en verrijzenis van de Heer. Zo weegt Paulus het leven van wie leerling van Jezus geworden is.
- De vrouwen komen naar het graf. Hun weg breekt onverwacht af. De engel van de Heer. ‘Kom en zie. En ga terstond en zeg aan zijn leerlingen.’ En ze gaan naar de leerlingen. Wanneer zij terstond naar de leerlingen gaan, dan moeten zij tijdens de woorden van de engel, tijdens het angelie in het graf gegaan zijn. Daar wordt hun gaan volstrekt veranderd. Ze gaan naar de leerlingen. Een tweede interruptie volgt. Jezus zelf. Hij zegt: Ga en bericht mijn broers. Een van de geheimen van het paasverhaal van Matteüs: leerlingen worden broers.
- Het evangelie begint ook met broers (4,10-22) die Jezus volgen en die daarmee blijkbaar een luisterrijk (horen, ingaan op de uitnodiging) alternatief zijn voor broers en de bedreigde broederschap die we kennen uit Genesis.

54 - 2011
- Na alles wat gebeurd is begint het heden. God schept. Hij spreekt. Dat betekent licht. Woorden leveren herkenning. Dagen worden geteld, ruimten afgebakend. En rust wordt vastgelegd, gebiedt ons oog te hebben voor alles wat is. Heiligen: onderscheiden, apart stellen, onderkennen, om tot zijn recht te laten komen. Werkelijk: niet alles is hetzelfde. Pasen vertelt en bewijst: alles is nieuw.
- De Psalm ziet het licht worden vanuit Gods schittering, een gewaad van licht vanuit de hemel. Je merkt dat de woorden niet toereiken om te zeggen wat gezegd wil worden. Maar vanuit dit onvoorstelbare, zien we de aarde, de zee, het water boven de bergen, de bronnen en het water, struiken en vogels, dieren in het gras – heel de wereld als voor het eerst ten tonele gevoerd. Pesach/Pasen: alles is nieuw. Het heden is niet het verlengde van het verleden.
- Gedoopt worden is op een of andere wijze, mee begraven worden in Zijn dood en met Hem opstaan uit de doden. Met de Messias gestorven zijn wij bevrijd, zo je wilt probeer je zoiets te vertalen als “echt begonnen”. Deze nacht een nieuw begin van je dagen.
- Het vierde verhaal in de serie van vijf waarin Matteüs vertelt over het Pasen van zijn evangelie. We hebben een graf, een steen, verzegeld, en het leger houdt de wacht. Einde verhaal. Begin van een heel ander verhaal.
De steen rolt weg, de bewakers worden als doden. Wat gebeurt krijgt voor de vrouwen de stem om in te stemmen, en woorden van de verteller van al zo hoge: Hij is hier niet. Hij is verrezen. Komt en ziet. En gaat terstond. En vertel aan de leerlingen. En ze gaan terstond om het aan de leerlingen te vertellen. En Jezus zegt: vertel mijn broers!

Pasen
Handelingen 10, 34a.37-43
Psalm 118
Kolossenzen 3, 1-4
Johannes 20, 1-9

51 – 2008
- Petrus neemt het woord. Jezus is een verhaal geworden. Hoe gaat hij met de mensen om? Hoe gaan zij met hem om? Hoe gaat God met hem om? De leerlingen worden de getuigen van dit verhaal. Het evangelie is: het slachtoffer heeft het woord. Vergeving van de zonden: opgenomen worden in het verbond.
Ons leven is met Christus verborgen, geborgen in God.
- Maria Magdalena gaat ’s morgens vroeg, terwijl het nog donker is naar het graf. Ze ziet dat de steen is weggerold. Gaan wordt nu, een beetje minder parlementair gezegd, hollen. Ze komt bij Petrus en bij de beminde leerling. Daarmee is ook ruimte gemaakt voor wie het verhaal hoort. Want wie kan zeggen dat Hij niet van je houdt.
Het wordt een run. Daarbij scoren drie woorden hoge ogen. Graf (beter: gedenkteken), doeken, en zweetdoek. Deze drie woorden maken het mogelijk in te zoomen op de afwezige, Hij die er niet meer is. Ze begrijpen nog niet wat er geschreven staat, dat hij uit de doden is opgestaan.

54 - 2011
- Iedereen weet wat er in Judea gebeurd is, zegt Petrus. Jezus door God gezalfd, ging als een weldaad rond door Galilea. In Jerusalem wilden ze hem niet. Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt. Dat betekent: samen eten en drinken, elkaar bemoedigen en enthousiasmeren, rijp maken voor het visioen van gerechtigheid en vrede, het oude verbond zo goed als nieuw.
- Mijn hand heeft de aarde gegrondvest en mijn rechthand heeft de hemelen uitgebreid. (Jesaja 48,13). De midrasj weet dat de hemel de dood niet kent omdat Gods rechterhand haar ruimte gemaakt heeft. Diezelfde rechterhand komen we in Psalm 118,16 tegen. Die hand betekent macht en overwinning. Waarom wordt die hand twee keer genoemd? Er zijn leraren die zeggen dat, wanneer mensen doen wat God gelukkig maakt – als men dat zo al kan zeggen of schrijven – dat zij in staat zijn, Gods linkerhand te veranderen in een rechterhand. Dan komen we in de buurt van leven volop, naar de maat van God.
- De scheiding tussen het aardse, beneden en het hemels, boven, komt bij ons niet meer zo goed over, wellicht. Maar Paulus wil zoiets zeggen als: ons leven is de vegetatie voorbij. Gods taal is binnengekomen in ons vocabulaire. Wij zijn door de Messias opgenomen in Gods geheim, in leven volop.
- Het onthutsende verhaal van de paasochtend. Het begint rustig. Maria Magdalena die terwijl het nog donker is, naar het graf gaat. De steen is weggerold. Snel gaat ze naar Petrus om het te vertellen, met haar onzekerheid en haar vraag. Waar hebben ze Hem neergelegd?
Die vraag wordt een startschot voor zoiets een hardloopwedstrijd, lijkt het. De andere leerling, welke leerling? Iedere andere leerling, tot en met voor wie wil de lezer van vandaag, komt het eerst aan, geeft Petrus de voorrang. We horen over de doeken waarin het lichaam bewaard wordt, de doeken ook waarin de Tora gehuld wordt, tot en met de doek op het gelaat van de te vertolken tekst. Maar waar is Hij? Dan gaat ook die andere leerling naar binnen. Hij gelooft – want ze hadden nog niet begrepen wat er geschreven staat.

2e zondag van Pasen
Handelingen 2, 42-47
Psalm 118
1 Petrus 1, 3-9
Johannes 20, 19-31

51 – 2008
Er komt heel wat bij kijken voordat wij ons verwonderen, lijkt het wel. Maar de eenvoud die de eerste lezing hier ten tonele voert maakt je stil. De eerste christenen zijn bezig met de leer van de apostelen. Ze breken het brood en ze bidden. Onvoorstelbare dingen gebeuren. Ze zijn eensgezind en ze delen alles gemeenschappelijk. Een wondere wereld.
Een van de merkwaardige zaken die geloven met zich mee brengt is dat je je wereld op een eindeloze wijze vergroot. Door het vertrouwen dat we geloven noemen verleg je je grenzen. Niet meer jij bent de grens, maar de ander in wie je vertrouwen hebt, in wie je gelooft. Op een of andere wijze geef je het heft uit handen. Je kunt van iemand/Iemand op aan. Het woord dat Petrus in zijn brief opdiept is: barmhartigheid. Eleos, wij kennen eleison. Barmhartigheid in de Schrift is dat wat bestaat tussen de moeder en het kind dat nog niet geboren is, én omgekeerd, tussen het kind en de moeder. Betrokkenheid, wederkerige afhankelijkheid, het voor elkaar opnemen. Zo wordt God zichtbaar in Jezus die verrezen is.

Jezus doorbreekt de geslotenheid van de leerlingen die samen zijn. Hij gaat in het midden staan. Het midden is bij Johannes een spaarzaam woord. Daar komen wij steeds Jezus tegen. Het midden centreert de concentratie. Hij zegt. Jezus die verrezen is doorbreekt de geslotenheid van de leerlingen om iets te zeggen. Wat zegt hij dan? Vrede op jullie. Dat betekent: Het is jullie opdracht om te zorgen dat er, waar jullie zijn en voor zover het van jullie afhangt, vrede is; dan zullen ook jullie zelf in vrede, tevreden zijn. Vrede: dat het goed is. Scheppingstaal!

54 - 2011
- Trouw aan de gemeenschap. Het blijft een geheim, zowel die gemeenschap als de trouw daaraan. Eensgezindheid, gemeenschappelijkheid, breken en delen, zorgen dat de mensen krijgen wat zij nodig hebben. Een droom die in praktijk gebracht is, waar de humaniteit van onze cultuur in feite op ongekende wijze de vruchten van draagt, maar een droom die ook kritische vragen stelt aan wie de kerk nu is en wat zij doet, wil, zou willen.
- Dank de Heer want hij is goed, want voor altijd zijn genegenheid. Daarmee opent Psalm 118, de tekst die ook op de eerste Paasdag klinken mag. Nu zijn het ten dele andere verzen. In drie groepen worden we opgeroepen om iets te zeggen, als stammen van Israël, als zonen van Aäron, als allen die opzien naar de Heer. Wat moeten we drie maal zeggen? Want voor altijd zijn genegenheid. Dat is de ervaring die de bevrijding uit het slavenhuis samen vat bij het herstel van de tempel na de ballingschap. Wanneer de vrede en veiligheid in het land zeker is. De verworpen steen is een hoeksteen geworden
- En onvergankelijke, onbederfelijke, onaantastbare erfenis wacht ons, schrijft Petrus. Door het vertrouwen zijn wij geborgen, opgenomen in Gods kracht. Bevrijding zal je deel zijn. Wat is het doel van die bevrijding? Kun je anderen laten delen in je vrijheid?
- De tweede zondag van Pasen – wanneer het luik weer op Pasen wordt gelegd – lezen we altijd het verhaal van vandaag, het eerste einde van het evangelie volgens Johannes. Het is bij wijze van spreken de avond van die eerste dag van de week. Wanneer het begin afgesloten wordt met de opdracht op de weg naar Jerusalem te bouwen met vrede/sjalom, onder de vleugels van de geest die één maakt en de opdracht de zonden te vergeven – alsof je je mede schuldig maakt wanneer je dat niet doet! Dat alles wordt bevestigd voor ons die daar niet bij zijn met het verhaal van Tomas. Zijn twijfel maakt de geloofsbelijdenis mogelijk, of misschien beter: de verwondering, de aanbidding, de simpele waarheid van de eenheid en van gevonden zijn, mee mogen doen.

3e zondag van Pasen
Handelingen 2, 14.22-32
Psalm 16
1 Petrus 1, 17-21
Lucas 24, 13-35

51 – 2008
- Het lijkt gezien de eerste lezingen een ‘Petruszondag’. Petrus voert het woord. De eerste lezing laat horen hoe Petrus met Pinksteren een Paaspreek houdt. De strikken, anderen zeggen de barensweeën van de dood konden Hem niet vasthouden in het graf. Die uitgeleverd is ten dode is door God opgewekt geworden. De dood heeft het laatste woord niet. Pasen maakt ons allen tot getuigen van God voor wie de doden leven.
In de tweede lezing duidt Petrus ons leven als ballingschap: niet zijn waar je zou willen leven. De dingen zijn niet de wereld waarin wij zouden willen leven. Zij geven geen toekomst. Het bloed van de messias, van het paaslam, is de band die ons bindt. Daarmee gaan de gedachten terug naar de tijd van de slavernij en naar God die bevrijdt.
- Twee op weg naar een dorp dat Emmaüs heet. Een fantastisch verhaal. Zoals zo vaak: de lezer of toehoorder weet meer dan degene over wie het verhaal gaat. Ben jij de enige vreemdeling in Jeruzalem dat jij niet weet wat daar gebeurd is! De leerlingen vertellen alles. Ze vertellen zo blijkt uit alles wat zij weten dat er gebeurd is. Maar uit hun verhaal blijkt, dat zij er niets van begrijpen. Met al hun goede bedoelingen en welwillendheid blijken zij vreemdeling in Jerusalem te zijn. Want wat betekent, in Jeruzalem thuis te zijn? En hoe komen ze er achter wat in Jeruzalem werkelijk geschied is? Hun hart zal dan blijken te branden.
- Jezus die verrezen is voegt zich bij de leerlingen. Wat komt hij doen? Hij komt om de boeken op tafel te leggen en te openen. Mozes, de profeten, de geschriften.
Dit verhaal van Lucas maakt minstens duidelijk dat we nog een beetje huiswerk hebben, willen we geen vreemdeling zijn in Jeruzalem, wil daar het brood de Schriften openen.

54 - 2011
- Vandaag als eerste lezing de Pinksterpreek van Petrus. Over God die de strikken van de dood ontknoopt heeft omdat het onmogelijk was, dat de dood hem zou vasthouden. Wij zijn daarvan getuigen, zegt Petrus. Wij. Hij noemt ons in zijn taal: “Mannen broers”. Hij zou ons nu “Mannen en vrouwen, broers en zussen” genoemd hebben, want samen weten we van één vader, Zijn vader, onze vader..
- Bewaar me, behoedt me Heer, want mijn toevlucht (is) bij jou. In het hebreeuws zijn dit na de eerste twee woorden van de aanhef de eerste vijf. Een uitgestrekte hand waarmee ales is gezegd. De rest is beeldspraak. Of ontroering? In elk geval weet de psalmist dat het om niet is, gratuit, mijn goed.
- Een collega heette Daniël, een naam om jaloers op te zijn. Als God je rechter is kan niets je overkomen. Wat dat betekent zien we in God die zich over zijn zoon, door de mensen prijsgegeven en verdonkeremaand, ontfermt.
- Een evangelie als een detective met een onthutsend simpele afloop. Alles weten zij, die leerlingen op weg naar huis. Het hele verhaal kennen zij, met de uitkomst die Jezus aangegeven heeft, maar ze begrijpen er niets van. Wanneer Hij bij hen komt weten wij meer dan zij. Hoe zullen ze te weten komen wat wij weten. Twee dingen. Allereerst moeten de boeken open. Mozes, de Profeten, de Geschriften. Jezus die verrezen is doet onderweg, op de weg, de boeken open. Het heimwee en begrip dat ze voelen. Later zullen ze zeggen: “Brandde ons hart niet in ons!” Het tweede, de ontknoping, is het openen van de ogen wanneer het brood gebroken wordt.
Zij dringen aan. Blijf toch. Hij eet met hen. Als gast deelt hij het brood dat zij hem aanbieden.

4e zondag van Pasen
Handelingen 2, 14a.36-41; Psalm 23; 1 Petrus 2, 20b-25; Johannes 10, 1-10

51 – 2008
- God heeft Hem die wij gekruisigd hebben tot Kyrios/Heer en Messias gemaakt. In het verhaal maakt dit diepe indruk op het huis van Israël. De vraag is, en blijft wellicht, Wat moeten we doen? Doop en vergeving betekent het aloude verbond zo goed als nieuw maken.
Petrus fundeert zijn pastoraat. Als schapen waren wij verdwaald maar nu hebben we ons omgekeerd tot de herder, de behoeder van onze werkelijk ik. Wie is dan die herder? De kwetsbare, de weerloze, hij die zich niet verzet, die niet bedriegt, niet scheldt.
- Johannes komt tenslotte terug met beelden uit het pastorale leven. De echte herder komt door de deur. De man aan de deur laat hem binnen. De schapen herkennen hem. Niet aan wat hij zegt, maar aan zijn stem. De bron van zijn spreken is voor hen his masters voice. Hij roept hen naam voor naam en voert hen uit. Hij trekt voor hen uit. Zij volgens hem. Want zij herkennen zijn stem.
Die stem, zijn spreken, is het bindmiddel.
Dan zoomt de vertelling in. Ik ben (Ex. 3, 14 licht op!). De deur. De smalle opening in de schaapskooi is van dien aard dat de herder daar wijdbeens in gaat staan. Zo gaan de schapen onder hem door en hij telt hen, tellen zij voor hem. Hij staat boven hen, zoals de hemel boven de aarde.

54 - 2011
- De preek van Petrus tot het huis dat Israël is geen antisemitisme. Als Israël staat voor een bepaalde kwaliteit van mens zijn (Levinas), dan is het een inclusieve term. Wij mogen ons beschouwen als de mensen die ook naar Petrus luisteren. De lezing slaat zijn speech over maar geeft wel de slotzin: Jezus die wij gekruisigd hebben, God heeft Hem tot Heer en tot Messias gemaakt. Die woorden maken een verpletterende indruk, dat wil zeggen: blijkbaar moet en kan het anders! Wat moeten we doen? Praktischer kan een vraag niet wezen.
Het verkeerde geslacht moet blijkbaar een andere keer of richting zoeken. Dopen wijs op ommekeer, vergeving van zonden op kiezenvoor het verband van het verbond. En de Geest met zijn Gaven duidt de intense samenhang van hemel en aarde, samengevat in het woord “broeders”.
- Gods herderschap garandeert niet dat ik alles heb. Gods herderschap betekent hoe dan ook, dat ik niets te kort zal komen. Als hij er voor mij is, zelfs het dal van de dood kan niets wegnemen van de geur van heiligheid, het aparte en meest eigene, dat Hij mij geven zal. Dichters durven zo te dichten.
- Identificatie is, goed verstaan, een kernbegrip. Leren doen als. De leraar en de leerlingen horen bijeen, gaan samen, omdat de leerlingen willen leren in Zijn voetstappen te gaan: gaan als Hij, zien als Hij, horen als Hij, enz. Ronddwalen hoeft niet meer wanneer je een herder en hoeder gevonden hebt.
- Terwijl het voorafgaande verhaal (over zien en niet zien, weten en niet weten) komt er een rustpunt, een soort eindpunt, een perspectief. Dat wordt het visioen over de tempel als een schaapskooi. De vindingrijke weet dat je op veel manieren binnen kunt komen als je dat perse wilt. Maar of de vindingrijke een betrouwbaar iemand is. Wie door de deur binnen gaat is de herder, zelfs, de herder is de poort. Hij staat gereed wanneer de schapen binnen komen. Voor hem tellen ze. Zij herkennen hem aan zijn stem(, zijn tellen). Interessant is het effect van die vertrouwdheid: zij zullen ingaan en uitgaan en weide vinden. Exodus: ruimte.

5e zondag van Pasen
Handelingen 6, 1-7; Psalm 33; 1 Petrus 2, 4-9; Johannes 14, 1-12

51 – 2008
- De zorg voor het woord, maar ook de zorg voor de praktijk van elke dag. Hoe moet dat? Het blijkt in die tijd vrij eenvoudig. De twaalf en de leerlingen komen in vergadering bijeen en nemen een besluit. Op het einde van de lezing blijkt dat het aantal leerlingen in Jeruzalem sterk toeneemt. Zou dit in onze tijd een democratisch besluit zijn?
Ook Petrus schrijft in de tweede lezing niet geringschattend over de geloofsgemeenschap: een uitverkoren geslacht, een messiaans priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk. Let wel: uitverkoren zijn betekent: een verantwoordelijkheid meer hebben.
- In het gewoel van vele tijden en talen is een van de meest troostende en bemoedigende zinnen van Sint Jan de evangelist: in het huis van mijn vader – is dat niet om te beginnen dé manier om over de Tempel in Jerusalem te spreken! de Tempel op de berg van alle verhalen als schuilplaats voor velen. Het huis van de Vader staat in Jezus’ woorden borg voor de oecumene. Daar zijn verblijfplaatsen voor velen inclusief, bijbels gesproken, voor allen. Jezus en de Vader: hun eenheid garandeert ruimte voor velen. En hij gaat van ons weg om ons een plaats te bereiden.
- Tomas stelt nadrukkelijk de weg aan de orde. Ik ben (Exodus 3, 14). God is de weg, een en al daden van genegenheid en volop leven. Dat laat de Zoon als exegeet (Johannes 1, 18) van de Vader zien. God is niet de God van de status quo. Hij is een weg, zelfs een uitweg. Wil de waarheid – daad van genegenheid – echt zijn, dan is dat tegenwoordige tijd, dat wat hier en nu plaats vindt. En leven is altijd op weg naar het volgende.

54 - 2011
- Wat kan je meer in aanspraak nemen dan “gegrepen worden door een ideaal”, leven van een droom? En tegelijk: wat te doen wanneer een droom uit is? Alle mensen zijn ons eigen, maar sommige mensen zijn ons meer eigenen vertrouwd dan anderen. Zo staan de mensen te morren op de stoep van Petrus en de leerlingen, terwijl het christendom nog maar nauwelijks begonnen is. Het recept is moderner dan leiders in onze kerken bedenken kunnen. Particulariteit van ieder wordt gewaarborgd. Zeven oudsten (presbyteroi: priesters) worden aangesteld, een oud bijbels model om de wereld in te richten vanaf de basis en niet vanaf iets dat pretendeert de top, voorbeeld en model te zijn. De geloofsgemeenschap is blijkbaar geen zich splitsende cel te zijn zodat de (ook mondiale) kerk een kwestie van celdeling is.
- Muziek. Allen muziek kan de hoogte bereiken die nodig is om de oprechtheid en betrouwbaarheid van Gods woord weer te geven. Het is nogal wat. Hij redt ons van de dood. Hij zal ons voeden bij hongersnood. Of moeten we nog leren en elkaar proberen uit te leggen wat dit betekent?
- De kerk, het lichaam van Christus is een soort geestelijke tempel, een heiligdom dat ruimte biedt aan wie komen wil. Het materiaal van die tempel bestaat uit levende stenen. Dat zouden wij zijn. Wij geven de hoeksteen zijn plaats, zoals deze hoeksteen de muren overeind houdt. En wat moeten we met z’n allen? Wat is de functie van die tempel? Als heilige priestergemeenschap moeten we geestelijke offers brengen. Wat zou dat dan zijn? Wat zijn die offers? Het verkondigen van zijn roemrijke daden. Hij immers bracht ons uit het duister aan het licht, tot het wonderlijke licht.
- Blijkbaar is het op handen zijnde vertrek van Jezus een reden tot verontrusting. Jezus sluit aan de tafel van het laatste avondmaal daar in ieder geval met zoveel woorden uitdrukkelijk op aan. Je hoeft niet verontrust te zijn. Het vertrouwen in de Vader loopt in een parallelle beweging met het vertrouwen in Jezus, op Hem, op Zijn woorden. Je kunt hem nemen op zijn woord. Dat woord zegt nu: in het huis van mijn vader is ruimte voor velen. Voor die velen is er plaats, maakt hij plaats. Velen: het grote koor van al die verschillende mensen en volkeren is, gegeven de plaats, welkom. Tomas vraagt naar de weg. Die vraag maakt de uitleg mogelijk, dat God (Ik ben, de stem uit de struik die brandt maar niet verbrandt – Exodus 3,14) de weg is, dat Hij kiest voor waarheid en waardigheid, Zijn bevrijdende daad. Daar licht de horizon van werkelijk leven op. Filippus moet nog leren dat de mens is: zoon van Adam, zoon van God

6e zondag van Pasen
Hand. 8, 5 - 8 + 14-17; Ps. 66; 1 Petrus 3, 15-18; Johannes 14, 15-21 (A)

51 - 2008
- Filippus in Samaria. Wonderlijke dingen gebeuren. Samaria is sinds en door de Babylonische Ballingschap broeder op afstand, dus op verre afstand, dus onbemind geworden. In het evangelie van Sint Jan heten Joden en Samaritanen zelfs niet-synchroon (Johannes 4, 9). Zij leven in andere tijden en werelden. Het werk van diaken Filippus wordt voltooid door de mensen in Samaria de handen op te leggen en te bekleden met de Geest (die Heer is en het leven geeft).
- Christus heiligen in je hart. Het is een taal die ons vreemd voorkomt. Heiligen kennen wij alleen als werkwoord in het Onze Vader, een tekst die ons zo vertrouwd is dat we hem zo goed als niet horen. Heiligen: apart stellen, onderscheiden, onderkennen, om tot zijn recht te laten komen. Hoe kun je de Messias tot zijn recht laten komen? Dat blijkt heel concreet te zijn.
- De geest is ons om te beginnen bekend uit Genesis, de eerste volzinnen. Daar is de geest boven de aarde. Na woest en leeg en duisternis zijn dat de eerste geruststellende woorden na de overrompelde eenvoud van hemel en aarde dank zij Gods scheppen. De geest boven de aarde: de aarde is toch niet alleen. Psalm 51, 13 laat in een prachtige parallel zien, dat je geest mag lezen als Gods Aangezicht, God die naar deze wereld kijkt. (Vergelijk eventueel Johannes 4, 24v. Als God naar deze wereld kijkt dan durft de Samaritaanse vrouw te spreken over: de Messias komt!)
Het geheim van die eenheid is de liefde. Wat verschillend is maakt zij één.

54 - 2011
- Samaria hoort wel en niet bij Israël – wie zal het zeggen. Historisch is het o dat de bewoners van Samaria de Ballingschap gemist hebben. Dat nit gedeelde leed en daarom het missen van de profeten, maakt hen tot buitenstaanders. Filippus preekt in Samaria. Wonderen gebeuren. Blijdschap heerst in de stad. Dar levert echo’s op in Jerusalem. Waar hemel en aarde elkaar vinden hoort de Heilige Geest. Zij leggen hen de handen op.
- Het exodus-verhaal is geen particulier bezit voor één volk alleen. Israël staat hier als eersteling voor heel de mensengemeenschap. Vrijheid en bevrijding zal er voor iedereen zijn. Hij onthoudt ons zijn erbarmen niet. Dat is het grote verhaal.
- De kerk waar Petrus in zijn brief over schrijft is niet de kerk zoals wij haar kennen. Een vervolgde minderheid, een lachertje in de ogen van de wereld om hen heen. Maar wij kunnen van hem en zijn tijd leren wanneer het over geloofscommunicatie gaat. Petrus vraagt een zekere bescheidenheid en mededeelzaamheid. Zachtmoedigheid en gepaste eerbied spelen daarbij een sfeer bepalende rol, onderstreept door een geweten dat zuiver is. Dat kan een context zijn voor de verantwoording die je probeert te geven van de hoop waar je mee leeft.
- Geboden moet je misschien niet op de eerste plaats verstaan vanuit een context als ge- en verboden. Het gaat hier op de eerste plaats over hetgeen geboden wordt, de gave te bewaren, de les levend te houden. Houden van, je identificeren met (zoals wanneer je het Onze Vader bidt, Zijn woorden), bewaren wat geboden is. Door het bidden van Jezus zal de Vader een andere helper, een andere niet-alleen-later geven, hij die hemel en aarde van Genesis 1,2 af bijeenhoudt, bewaart. De woorden van Jezus geven je een ontvankelijkheid, een innerlijkheid, die anders te kwalificeren is dan door “deze wereld”. Door de liefde kom je in een andere tijd.

Hemelvaart van de Heer
Handelingen 1, 1-11; Psalm 47; Efeziërs 1, 17-23; Matteüs 28, 16-20

51 – 2008
- Veertig dagen zijn we verder, veertig dagen na Pasen. Wat doet Jezus die veertig dagen na Pasen? Volgens Lucas spreekt hij met de leerlingen over Rijk Gods, beter: over het koning zijn van God, over de manier waarop God koning is. Zoals wij bidden: uw rijk kome, de manier waarop U koning bent, laat dat zichtbaar worden te midden van ons. De Schrift leert ons: God is niet koning als de farao van het slavenland, maar als Hij die bevrijdt. In goed hebreeuws: De heer is bevrijding, Je-hosjoea. Denk ook aan Hosjeanna: wees nu eindelijk bevrijder.
- Paulus bidt voor zijn mensen van Efeze om de geest van wijsheid en opening. Men vertaalt hier in de regel openbaring, maar waarom zo’n ingepakt woord? Ont-dekking, opening, ruimte geven, uitzicht, perspectief. Waarom doet Paulus dat? We zouden dat nodig hebben om te zien hoe groot de verwachting (hoop) is waartoe hij ons roept. Er zijn meer woorden die we moeten bevragen. Uiteindelijk blijkt Paulus’ inzet: de Messias is het hoofd van de geloofsgemeenschap die zijn lichaam is, de volstrekte samenvatting en voltooiing.
- De laatste woorden van Matteüs laten zien dat hij schrijft tussen oorsprong (genesis) en voltooiing. Nu, aan het einde, brengt hij Jezus en de elf bijeen. Wie een beetje tellen kan ziet de twaalf, de zonen van Jacob/Israël. Juda en zijn broers (Matteüs 1, 2) wordt zichtbaar in Jezus en zijn broers (Matteüs 28, 10 – het geheim van Pasen). En waartoe dit alles? Ga en maakt alle volkeren tot leerlingen. Gaat het daar om, mensen tot leerlingen te maken?

54 - 2011
- Lucas heeft zijn verhaal over Jezus geschreven tot en met alles wat in Jerusalem gebeurd is. Maar de geschiedenis gaat verder en Lucas begint zijn tweede boek, te beginnen uit Jerusalem. Veertig dagen scheiden Pasen van Hemelvaart. Jezus spreekt met zijn leerlingen. Waarover spreken zij. Lucas is daar kort en helder over: over het koning zijn van God: een en al bevrijding en ontferming. Het zal vertrekken vanuit Jerusalem, en dan via Samaria over heel de wereld gaan.
- Gods koningschap – wanneer Hij zijn troon bestijgt – is grote vreugde voor alle naties, iedereen. Alleen muziek kan hier de juiste toonhoogte vinden.
- Het blijkt er voor Paulus werkelijk toe te doen: Ik smeek de God van onze Heer Jezus Messias! Smeken is geen geringe inspanning. Waar is hij op uit? Wat wil hij? Hij hoopt dat God het ons geven zal, dat wij Hem waarachtig kennen. Blijkbaar is dat waarachtig kennen iets dat nog komen moet. Blijkbaar is ons geloof geen bezit dat zoiets als rente produceert waar je op zou kunnen rentenieren, hoe groot de aanspraak van sommigen ook lijkt te zijn. Hebben wij er enig idee van wat er gaande is wanneer Christus in heerlijkheid het hoofd is van de Kerk die Zijn Lichaam is?
- De elf gaan bij Matteüs naar de berg die eerder aangewezen is. Daar zien zij hem. Daarmee zijn de elf de twaalf geworden. De aanbidding is niet massief en massaal. Daar blijft het ongewisse een rol spelen, alsof je zonder onzekerheid niet mee kunt doen aan deze verhalen, alsof je maar af moet leren dat je niet alles kunt overzien, hoeft te overzien.
Wat hun overkomen is, deze fascinatie, deze leraar, zullen zij met al hun wee en wel door moeten geven aan al de volkeren. Leerlingen gevraagd. Leerlingen in spé, maar ook op hoop van zegen. “Ik ben met jullie”, zoals ook Mozes hoorde toen hij naar de farao moest gaan (Exodus 3, 11-12).

7e zondag van Pasen
Handelingen 1, 12-14; Psalm 27; 1 Petrus 4, 13-16; Johannes 17, 1-11a

51 – 2008
- Veertig dagen zijn we verder, veertig dagen na Pasen. Wat doet Jezus die veertig dagen na Pasen? Volgens Lucas spreekt hij met de leerlingen over Rijk Gods, beter: over het koning zijn van God, over de manier waarop God koning is. Zoals wij bidden: uw rijk kome, de manier waarop U koning bent, laat dat zichtbaar worden te midden van ons. De Schrift leert ons: God is niet koning als de farao van het slavenland, maar als Hij die bevrijdt. In goed hebreeuws: De heer is bevrijding, Je-hosjoea. Denk ook aan Hosjeanna: wees nu eindelijk bevrijder.
- Paulus bidt voor zijn mensen van Efeze om de geest van wijsheid en opening. Men vertaalt hier in de regel openbaring, maar waarom zo’n ingepakt woord? Ont-dekking, opening, ruimte geven, uitzicht, perspectief. Waarom doet Paulus dat? We zouden dat nodig hebben om te zien hoe groot de verwachting (hoop) is waartoe hij ons roept. Er zijn meer woorden die we moeten bevragen. Uiteindelijk blijkt Paulus’ inzet: de Messias is het hoofd van de geloofsgemeenschap die zijn lichaam is, de volstrekte samenvatting en voltooiing.
- De laatste woorden van Matteüs laten zien dat hij schrijft tussen oorsprong (genesis) en voltooiing. Nu, aan het einde, brengt hij Jezus en de elf bijeen. Wie een beetje tellen kan ziet de twaalf, de zonen van Jacob/Israël. Juda en zijn broers (Matteüs 1, 2) wordt zichtbaar in Jezus en zijn broers (Matteüs 28, 10 – het geheim van Pasen). En waartoe dit alles? Ga en maakt alle volkeren tot leerlingen. Gaat het daar om, mensen tot leerlingen te maken?

54 - 2011
- Die eerste dagen na de Hemelvaart. Ze zijn bijeen in de zaal van het avondmaal. Die zaal, het verhaal over die zaal, wordt de kiemcel van heel de geschiedenis die zich van hieruit zal ontvouwen in de schaduw van de tafel van het avondmaal, van God met ons in Jezus Messias.
- Wie zou ik vrezen? Blijkbaar spreekt de tekst zichzelf moed toe. Als God mijn licht is! Maar een mens zou graag willen: bij Hem thuis zijn, kind aan huis zijn. Onze vader kunnen zegen, bijvoorbeeld.
- Het leven van mensen is zelden enkel een plezierreisje. Dat kan ook niet. Alles zou dan hetzelfde zijn, het zou niets uitmaken en zou geen verschil of nuancering zijn. Maar de bijna vaderlijke Petrus houdt ons voor, dat het leed en het verdriet niet alleen deel is van onze biografie, maar dat we daarmee ook treden in het spoor van de Messias en delen in zijn geheim.
- We komen in de buurt van het einde van de lange afscheidsrede. Hij slaat zijn ogen op. We horen wat Hij tot Zijn Vader zegt, wat hem ter harte gaat. De Zoon komt volledig tot zijn recht (verheerlijken, zijn volle gewicht krijgen, dijn doorslaggevende betekenis) wanneer hij de mensen het leven kan schenken naar Gods maat (eeuwig). Dat eeuwig leven is: God kennen, en Hem die Hij heeft gezonden. De woorden van Jezus volgens Johannes zoeken naar de eenheid die vader en zoon bindt in zending en het voltooien van het werk. De woorden die U mij gegeven hebt, geef ik hen. Zij nemen deze aan en zij zijn er werkelijk mee vertrouwd (kennen) dat ik van U uitga en zij vertrouwen er op dat u mij zendt.
(Het loont de moeite de vertalingen uit de obligate verleden tijd te halen. De tijd van lezen, spreken en horen, het heden, maakt het interessanter.)

Pinksteren
Handelingen 2, 1-11; Psalm 104; 1 Korintiërs 12.3b-7. 12-13; Johannes 20, 19-23

51 – 2008
- Op de eerste dag van de week. Als het avond geworden is. Nog steeds de eerste dag van de week. Nog steeds de dag die bij Johannes begint met Maria die naar het graf gaat. Het is dus vandaag Pinksteren met alles van Pasen. Dag één. De enige dag die Genesis 1 noemt met het hoofdtelwoord. Niet de eerste dag maar dag één, de uitzonderlijke dag. De dag van God spreekt, de dag van het licht. Maar het is bij Johannes, ook de dag dat de leerlingen bang bijeen zijn.
Jezus overwint die angst niet enkel door zich te laten zien. Hem zien betekent: luisteren naar wat hij zegt. Vrede op jullie. Zijn geest deelt hij over hen uit. De leerlingen mogen hemel en aarde met elkaar verzoenen door de vergeving van de zonden. Door vrede uit te dragen zullen zij zelf in vrede, te-vreden zijn.
- Pinksteren. Pentecostes. De vijftigste dag. Zeven keer zeven dagen zijn verstreken sinds pesach/pasen. De dag van de voltooiing van de eerste oogst. In de eerste lezing zijn al de leerlingen op dezelfde plaats bijeen. Vanuit de hemel breekt een hevige storm los op de aarde, op het huis waar zij gezeten zijn. Hemel en aarde zijn daar in dat huis in Jerusalem, weer één dank zij die allen die daar zijn met het vuur dat zich in tongen verdeelt en zich op ieder van hen neerzet. Let op allen en iedereen. En allen beginnen te spreken alnaargelang de geest hen te spreken geeft.
- Volgens Lukas wonen daar in Jerusalem Joden. Het zijn volgens hem vrome mensen uit alle volkeren. Heel de wereld rond dit huis en iedere weet zich aangesproken in zijn eigen taal.
Die geest zegt Paulus aan de mensen van Korinthe, maakt het lichaam met al zijn verscheidenheid één, tot een lichaam. Die geest maakt het mogelijk onze éénheid uit te zeggen in de belijdenis dat Jezus de Heer is.
Opvallend hoe vaak de woorden ieder, allen, elk, heel in deze tekst voorkomen. Het geeft het evenwicht aan tussen de gemeenschap en ieders eigen inzet en verantwoordelijkheid.
Dat alles klinkt vandaag.

54 - 2011
- De verscheidenheid van heel de wereld in Jerusalem vertegenwoordigt voor Lucas de verscheidenheid van alle volkeren van de aarde. Het spreken van Petrus is hun beginsel van eenheid, weer tot eenheid gebracht door de geest, door hemel en aarde ook één. Ieder hoort hen spreken in zijn eigen taal – dat is de indrukwekkende eenheid in alle verscheidenheid.
- Pinksteren is het feest van de eerste oogst. Het is het eerste binnen zijn. De eerste oogst maakt tastbaar dat het een goed jaar zal zijn. Alles spreekt van de geest van de Heer die over deze aarde gaat, die de schepping nieuw maakt. Een lied van in-nige tevredenheid.
- Je geloof belijden of vertolken, is volgens Paulus niet iets wat de mens eigen is. Het is de Geest die dat doet. Waarom zegt Paulus dat? Waar wil hij naar toe? Omdat de Geest volgens hem uit is op een heel wezenlijke zaak. Heel de verscheidenheid aan woorden, tongen, talen en gaven maakt de Geest tot organische eenheid, namelijk: het welzijn van allen.
- De eerste dag van de week. Die eerste dag is in Genesis een uitzondering: dag één. De dag van het licht. Nu is het de avond van die dag die niet eerder geweest is. De leerlingen hebben zich uit angst opgesloten. Jezus die verrezen is doorbreekt die gesloten cirkel. Waarom doet hij dat? Hij gaat in het midden staan? Waarom doet hij dat. Dat midden is begonnen in Johannes 1,26. Denk ook aan de boom des levens in het midden van de tuin. Hier wordt dat midden definitief. Nog een keer: waarom. Dit voortdurende vragen heeft alleen tot functie om het uitzonderlijke te onderstrepen van wat nu gebeurt. Hij zegt: Vrede op jullie. Na alles wat er gedaan en gezegd is moet Jezus die verrezen is dit er aan toe voegen. De herhaling onderstreept dit. En aan komen de woorden die het lijkt wel nooit geciteerd worden: Zoals de vader mij zendt, zo zend ik jullie. Alsof de leerlingen van Jezus niet alleen of “zo maar”komen. Alsof het mensen zijn met een missie van al zo hoge om vrede te verkondigen en vergeving. Want wie is daartoe bereid, vergeving te verkondigen!

Heilige Drie-eenheid
Exodus 34,4b-6.8-9; Psalm 166 = Daniel 3:52-56; 2 Korintiërs 13,11-13 Johannes 3,16-18

51 – 2008
- Het is Pasen in Jerusalem (Johannes 2,23). Het is nacht (Johannes 3,1). Wanneer iedereen in Jerusalem die wonderlijke uittocht uit het slavenhuis Egypte als zijn eigen verhaal beleeft, komt Nicodemus tot Jezus. De setting is duidelijk: uittocht, bevrijding. De Heer bevrijdt. In het verhaal over die nacht vertelt Johannes over de zoon van God. Hij is niet gezonden om verloren te laten gaan maar om volop te leven, niet om oordelen, maar om te bevrijden.
- Exodus 34. Vanaf hoofdstuk 32 wordt boven op de berg Sinai het verbond gesloten en verhardt beneden, aan de voet van de berg, het ongeduld en wantrouwen van het volk zich tot een gouden kalf. Hoogtepunt en dieptepunt van de geschiedenis van de bevrijding. Waar is God? Wie is God? De gefragmentariseerde lezing van vandaag geeft daarop een antwoord. Betrokken, genegen, geduldig. En Mozes bepleit: we zijn wel hardnekkig. Vergeef ons. Maak ons tot uw erfdeel.
- Het fragment uit de tweede brief aan de mensen van Korinthe geeft de woorden waarmee wij op zondag de dienst graag openen. Daarmee worden we gelijk in het gelid gesteld om die Naam, welke we in Exodus horen en die ons als redding is gegeven in Jezus, in de gemeenschap van de geest vurig ook te belijden in ons doen.

54 - 2011
- De Heer zelf roept zijn eigen naam uit. Dit roepen signeert het verhaal wanneer Mozes van de berg afdaalt met de stenen tafelen. Mozes smeekt de heer te midden van het volk te gaan want wij zijn een hardnekkig volk. Maar wellicht dienen we deze tekst niet te oppervlakkig en eenkennig moralistisch te verstaan. Het “Heer wij zijn niet waardig” klinkt van uit de innige verbondenheid van God met zijn volk. Het heeft te maken met de ervaring dat de grond waarop je staat heilige grond is. Dan ben je immers niets en nergens meer.
- Uit het loflied van de 3 jonge mannen na hun bevrijding uit de gloeiende vuuroven. Het verhaal wordt nauwelijks nog verteld. Hoe kun je ontkomen aan de zekere dood, de Ballingschap bijvoorbeeld? De ruimten zijn treffend in de tekst: het huis van uw glorie, de troon van uw koningschap, die de diepten doorschouwt, de koepel van de hemel. Vroeger konden we dat samenvatten in :”een hand boven je hoofd”.
- De lieve vrede en de liefde die enkel vrede wil, instemming. Paulus spreekt hier zeldzaam innig over genegenheid, liefde en gemeenschap.
- Het gesprek met Nicodemus, niet alleen in de nacht waarin alle katjes grauw zijn en niemand een ander ziet. Want het is de nacht van het feest, van Pasen, in Jerusalem (drie keer herhaal Johannes 2,23 in de griekse tekst in om de tijd bij ons erin te timmeren nu het verhaal in de Paasnacht in Jerusalem met Nicodemus alle ruimte krijgt. Daarmee s de context van dit verhaal meegegeven. Israël is de zoon, de eerstgeborene, die uit Egypte bevrijd wordt. Zo, in diezelfde genegenheid, geeft God Zijn Zoon. Wie in hem vertrouwen heeft zal leven naar de maat van de Eeuwige, eeuwig.

Sacramentsdag
Deuteronomium 8,2-3. 14b-16a ; Psalm 147 ; 1 Korintiërs 10,16-17 ; Johannes 6,51-58

51 – 2008
«Gedenk heel die weg ». Zonder gedenken, zonder stil te staan bij en je opnieuw te binnen brengen gaat het blijkbaar niet. De weg die je gegaan bent is de weg die God met je gegaan is. Op die weg ging het er om: (hoe) leef je met de Tora, het Onderricht, Gods Woord. Gods woord is niet van of voor studeerkamers, maar letterlijk: gaandeweg. De plaats waar je leeft is de plaats waar je leert en vanwaar je verder moet. Maar je bent niet alleen. Het manna vertolkt zijn aanwezigheid, betrokkenheid, partnerschap.
Paulus schrijft aan de mensen van Korinthe. Stad van veelheid en diversiteit. Paulus schrijft over de beker en brood van de gemeenschap die verscheidenheid tot eenheid maakt.
Ik ben … het levende brood. Het gaat hier wellicht niet op de eerste plaats over een rolverdeling waarbij Jezus het levende brood zou zijn. Ik ben brengt duidelijk Exodus 3,14 in herinnering, de stem die het leed van de wereld (slavernij) vertolkt en vertaalt in de ondenkbare zekerheid van vrijheid en bevrijding. En zoals Jezus leeft van de wil van de vader (Johannes 4,34) zo kunnen wij leven van hem, in en door hem. (Zie eventueel naar Johannes 6,63: de woorden die ik gesproken heb zijn geest en leven. De geest geven is bij Johannes leven geven.)

54 - 2011
- Ook al danken wij alles wat wij weten over het verbond tussen God en de mensen aan de taal, het lijkt er op dat dit bij velen nog steeds niet is doorgedrongen. Het wezen van God, zijn er zijn met ons, kennen wij door de taal. Die veertig jaar in de woestijn zijn draagbaar geworden, een ervaring om van te leren. De mens leeft niet van brood alleen maar van elk woord dat uit de mond van God komt. Zonder de woorden zijn we nergens.
- Het bijbelse Jeruzalem zingt over zijn mogelijkheidsvoorwaarde. God heft de poorten gegrendeld. Hij heeft je kinderen gezegend binnen je muren. Hij laat je in vrede je akkers bebouwen en voedt je met tarwebloem. Hij is degene die je koestert. Blijkbaar is dit verhaal alleen mogelijk als iets dat altijd nieuw is, ongehoord.
- De beker van de zegeningen die wij zegenen. Alsof die ontvankelijke vorm van de beker niets anders wil dan zegen opvangen en zegen verspreiden om gemeenschap te smeden dank zij het bloed van het verbond dat iedere dag zo goed als nieuw is. En het brood dat ons samen brengt met de levende Heer die midden onder ons staat en ons aaneenvoegt, één maakt.
- Probeer de zin: Ik ben het levende brood eens te lezen alsof het brood niet het naamwoordelijk deel van het gezegde is, en het werkwoord “zijn” een koppelwerkwoord is.
Ik ben brengt de ingevoerde lezer onmiddellijk terug naar Exodus 3,14. Het is e stem uit de struik die in brand staat maar niet verbrandt, die het leed vertolkt dat wereld zo vaak blijkt te zijn. Ik ben als een werkelijk alternatief. God is het levende brood, voedzaam heden. In het vlees van de mensenzoon hoeft, in de hoop dat het niet al te grof te lezen gegeven wordt, het voegwoord van niet aan te geven, wiens eigendom dit vlees is. Er kan ook gelezen worden: het vlees dat de mensenzoon is, het vlees, het leven, het kwetsbare leven, het lichaam dat sinds het evangelie al bij voorbaat getekend is door alles wat er in Jerusalem mee gedaan wordt. Geen wonder dat velen zich vrij pleiten, zich onschuldig houden. Hoe kan? Maar Zijn leven, zijn vlees en bloed blijft voor wie met Hem meegaat permanent heden.


Feest van Petrus en Paulus
Hand. 12, 1-11;
2 Tim. 4, 6+8+17-18 en
Matteüs 16, 13-19

- Zoals iedere geschiedenis is ook het begin van de kerk een tijd van zorg, leed, en droefheid geweest. In de eerste lezing is Petrus geboeid omwille van het evangelie.
Het is de dagen van de ongezuurde broden: Pasen. Herodes is koning, niet die van de kindermoord maar toch een Herodes. Petrus slaapt. Denk aan het dochtertje van Jaïrus (Lucas 8,52). De engel wekt hem op: Sta op. Het lijkt wel Pasen. Daarom ook: snel (Handelingen 12,7), omgorden, en uitgaan. Petrus beleeft in de gevangenis zijn uittocht/Pesach. (B. Hemelsoet, K. Touwen, Handelingen, Lucas ten tweede male, Boekencentrum Zoetermeer, 1997.)
- Paulus beseft onmiskenbaar dat zijn evangelie voor hem niet kostenloos zal zijn. Maar in zijn brief aan Timoteüs is hij enkel God dankbaar. Die heeft hem beschermd en zal hem ook beschermen, wat er ook gebeurd.
- Verder van Jerusalem dan Caesarea Philippi kun je niet gaan. Nog een stap en je bent weg van het land. Daar, ver weg, vraagt Jezus volgens Matteüs: Wie zeggen de mensen dat de mensenzoon is? (Let op het woord mensenzoon!) Zou hij dat niet weten? Waarom die vraag? En we horen hoe Matteüs ons te denken geeft: Johannes, Elia, Jeremia of een van de profeten. Daarmee is een ruime marge of context gegeven. De opsomming der namen lijkt neer te komen op Jeremia, de enige naam ook die genoemd is in het verhaal van de wijzen uit het oosten, Matteüs 2. Daarop volgt de toespitsing: Maar jullie, wie zeggen jullie dat ik ben? En als uit het niets komt Petrus met zijn Messias, de zoon van de levende God. Dat klinkt ontwapenend vroom. Petrus zal de sleutel krijgen van het Rijk der hemelen. Daarom zit hij in onze oude verhalen dan ook aan de hemelpoort. Maar dit is ook de Petrus die wij kennen van “Ik ken die mens niet!”
Zie dan hoe Matteüs met dit alles omgaat. Hij wijst de woorden van Petrus niet af, maar geeft er een eigen kader aan: mijn vader die in de hemel is – die heeft dit aan Petrus geopenbaard.


Negende zondag door het jaar
Deuteronomium 11,18.26-28; Rom 3,21-25a.28; Matteüs 7,21-27

51 - 2008
- Een paar woorden uit Deuteronomium. Minstens twee zaken kunnen opvallen. Op de eerste plaats. De woorden die ons gegeven zijn laten zien dat er een directe band is tussen het hart, de handen en de ogen. De samenwerking tussen ogen en handen maakt onze wereld. Het hart spreekt over de richting. Welke kant gaan wij als oog en hand op? Vervolgens: wat er gaat gebeuren kan twee kanten op. Zegen of vloek markeren de twee richtingen. Wat het hart motiveert bepaalt de kwaliteit. Laten wij ons voordat we gaan doen, iets zeggen.
- De lezing van Paulus kan alleen maar misverstaan worden wanneer je de context niet kent. De wet waarover het gaat is de Tora, de Joodse traditie als plaats van leren en leven. Binnen die traditie zoomt Paulus in op de Messias die als God oorsprong van de bevrijding is om niet.
De lezing uit Matteüs geeft ons de laatste woorden uit de rede op de berg. De reactie op de woorden bestaat niet uit fonetisch materiaal maar uit praktijk. Uit die praktijk blijkt wat je gehoord hebt, hoe je gehoord hebt. De praktijk maakt zichtbaar, welke ondergrond het huis al dan niet draagt.
- De lezing zoals deze aangegeven wordt, eindigt met de verwoesting die groot zal zijn. Wellicht dient men de versen 28 en 29 er bij moeten lezen. De geloofsgemeenschap hoort dan over de reactie van de menigten en het gezag van Jezus.

Tiende zondag door het jaar

51 - 2008
Hosea 6,3b-6; Romeinen 4,18-25; Matteüs 9,9-13
- Het fragment uit Hosea begint poëtisch wanneer je geen weet hebt van de context. De gelovige die zich wil overgeven aan God, de dageraad die zeker volgt op de duisternis van de nacht, de regen, de lenteregen. Alles met uitzicht op een goed komend jaar. Maar daarna pakt Hosea uit. Wat moet ik met je beginnen Efraïm? Het loopt uit in de tekst, welbekend uit Matteüs (9,13); vroomheid wil ik en geen offers. Misschien beter: betrokkenheid, genegenheid. Het gaat hier over een gevoel, over begaan zijn met. En let op het vervolg dat bij Matteüs niet staat maar bij Hosea wel: het kennen van God is beter dan (brand)offers. Kennen, bijbels kennen is één zijn met, door en door betrokken zijn bij. (Zie: mijn volk wordt verwoest door gebrek aan kennis – Hosea 4,6.)
- Voor Abraham betekent Gods woord dat het onmogelijke mogelijk is. Zo werd uiteindelijk, na een heel leven, tegen alle verwachting uit de dorre schoot van Sara het kind van het woord, van de belofte geboren.
- Het evangelie geeft ons vandaag de tekst waarin Matteüs zijn eigen naam schrijft. Was getekend: Matteüs! In welk verhaal schrijft Matteüs zijn eigen naam? Het is het verhaal over hem, Jezus, volgen (Zie Matteüs 8,1922.23; 9,9). In 9,9 staat volgen twee keer. Daartussen in staat het werkwoord opstaan. Matteüs staat in dit verhaal op binnen het kader van volgen, leerling worden van. En wat is het geheim? God ontfermt zich niet over de slavendrijvers in Egypte, maar over de slaven, de geknechte mensen. Voor hen is de opstanding een werkelijk alternatief, iets dat menselijkerwijs gesproken ondenkbaar is. (Farizeeën moeten weggaan om dat te leren.)
- De dode schoot zou een mooie metafoor kunnen zijn om de drie lezingen aan elkaar te binden. De schijnvroomheid, en het onvruchtbare werk van de tollenaar met daar tussenin het geloof van Abraham omtrent de dode schoot van Sara


Elfde zondag door het jaar
Exodus 19,2-6a; Romeinen 5,6-11; Matteüs 9,36-10,8

51 - 2008
- Het hebreeuws van Exodus laat ook in deze tekst beter zien waar het over gaat. Ze slaan het kamp op in de woestijn en ze slaan het kamp op tegenover de berg. Door het werkwoord (het kamp opslaan) worden de woestijn en de berg op gelijke hoogte gebracht. En dat is wel nodig ook. Woestijn is immers geen uitvergrote zandbak waar je in kunt spelen. Woestijn is waar leven schier onmogelijk is. Leven ten einde raad. En berg wijst al vooruit naar wat komen gaat, het sluiten van het verbond op de berg Sinaï.
Wanneer trekken door de woestijn een tocht van bevrijding is, hoe is dat dan mogelijk. Volgens het verhaal is dat heel duidelijk. Je bent in de woestijn niet alleen, je bent niet overgeleverd aan de elementen. Je wordt gedragen op adelaarsvleugels. Je zult zien dat je voor God alles bent. Maar doe dan ook alsof je niet alleen bent. Geef gehoor. Luister naar het woord. Dat haalt je uit je eenzame radeloosheid.
- Het woord van God komt naar ons toe, is onze toekomst. Voor Paulus is dat de messias. Nog voordat wij iets gepresteerd hebben stelt hij zich voor ons garant, gaat hij voor ons door het vuur om ons met God te verzoenen.
- De manier waarop en de motivatie geeft Matteüs. Jezus ziet de menigte. Dat raakt hem tot in zijn binnenste. Waarom? De mensen zijn voortgejaagd en afgemat, als schapen zonder herders. Blijkbaar zouden zij oogst kunnen zijn. Maar om te oogsten zijn arbeiders nodig. Hoe komt hij aan die arbeiders? Daar moeten wij God om vragen, opdat hij arbeiders stuurt. Letterlijk: uitgooit. Zo komen de twaalf, met name genoemd. Zij worden weggestuurd (apostelloo) naar de verloren schapen van het huis van Israël om te verkondigen dat Gods koningschap, de bevrijding, op handen is.
- Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. We komen dit tegen in Matteüs 3, 2 bij Johannes de Doper. In Matteüs 4,17 horen we het uit de mond van Jezus. Nu, ten derde male, horen we het als opdracht aan de leerlingen.
Johannes, Jezus en de leerlingen in hetzelfde perspectief van een koninklijk en priesterlijk volk ( lezing 1 ) en in het perspectief van bekering uit de verlorenheid (tweede lezing)

Twaalfde zondag door het jaar

Jeremia 20,10-13; Romeinen 6,12-15; Matteüs 10,26-33
- Jeremia is volstrekt geïsoleerd. Ontzetting alom. Maar wat iedereen ook tegen hem doet, hun opzet zal niet gelukken. Want de profeet weet dat uiteindelijk God het voor hem zal opnemen.
Uit de brief aan de Romeinen wordt het gedeelte gelezen waarin Paulus mediteert over Adam en de Messias. Adam luistert niet. Zo is de zonde en de dood in de wereld gekomen. Maar Adam is ook het beeld van degene die komen zou. De messias luistert. Hij is de grote gave van Gods genegenheid, genade.
- Het lijkt er op dat het leven van de leerling van het evangelie heel iets anders is dan het leven dat de onze media ons voorhouden. De gelovige lijkt voortdurend bedreigd. De lezing van vandaag werkt dat ook een beetje in de hand. Maar wanneer we op de kleintjes, op de woorden letten, dan is het misschien toch mogelijk anders te horen.
- De verzen 26-31 worden bijeen gehouden door vreest niet. Wij denken dan meteen aan: weest niet bang. Maar vrezen horen we in het evangelie ook altijd wanneer duidelijk begint te worden dat Jezus de Messias is. En onderschat niet het woordje niet dat Matteüs er aan toe voegt.
- Het lijkt er op dat de leerling van het evangelie niet bang hoeft te zijn. Volgens Jezus zoals Matteüs hem beschrijft telt God zelfs de haren op ons hoofd. Wij hoeven ons niet in te dekken. Wij staan er niet alleen voor. Wie Jezus’ spreken niet afwijst zal hij ook niet afwijzen ten overstaan van de Vader. Maar het is een keuze. Ontkennen is ook mogelijk.
Het woord : “Vrees”zou vandaag de rode draad kunnen zijn. Dat is duidelijk te herkennen bij Jeremia en bij het evangelie. Paulus zegt dat we in deze ene mens-godszoon geen vrees meer hoeven te hebben. Hij is immers gaan staan op de plaats van onze diepste verlorenheid. De eerstgeborene van geheel de schepping.

Zondag 29 juni 2008
Dertiende zondag door het jaar
2Koningen 4,8-11.14-16a; Romeinen 6,3-4.8-11; Matteüs 10,37-42
51 - 2008
- Gastvrijheid is een heilige deugd. Het tweede boek van de Koningen neemt ons mee naar een blijkbaar gewoon gebeuren. Elisa wordt uitgenodigd om te eten bij een welgestelde vrouw. Hij komt voortaan steeds bij haar eten. In overleg met haar man wordt er een ruimte gemaakt voor Elisa. Hij mag weten dat hij altijd welkom is. Blijkbaar is Elisa overrompeld door zoveel goedheid. Kunnen we dan werkelijk niets voor haar doen? Pas na die uitroep blijkt de armoede van deze welgestelde vrouw. Er is geen zoon, geen kind, geen toekomst. De knecht roept haar. Zij blijft in de deuropening staan. Daarmee wil het verhaal uitdrukkelijk terug naar Genesis 18. Drie engelen zijn daar op bezoek bij Abraham. Sara staat in de deur, achter het doek. Zij moet lachen wanneer zij hoort dat er een kind komt. Daar is ze te oud voor. Dat horen we deze vrouw niet doen.
De vrouw heet in onze vertalingen voornaam of welgesteld. Het verhaal noemt haar letterlijk een grote vrouw. Vermoedelijk gaat het niet over aanzien. Vermoedelijk gaat het over iemand als de grote vrouwen uit Genesis die het huis van Israël gebouwd hebben. Zij is iemand die een glas water aanreikt – zie derde lezing.
- In het gangbare spraakgebruik van gelovigen is de doop opgenomen worden in de gemeenschap van de christenen, een welkom aan de nieuwe mens. Paulus vestigt de aandacht op iets wat veel verder gaat. De doop begraaft ons in de dood van Jezus en doet ons met hem mee opstaan. Wij zijn gestorven voor de zonde en leven in Jezus Messias voor God.
- Matteüs geeft een tekst die steeds weer pijn doet. We willen vader of moeder, zoon of dochter niet afwijzen om Hem waardig te zijn. Maar weer mag de mogelijkheid niet uitgesloten worden geacht dat het niet gaat over ons, maar dat hij zijn motivatie laat zien aan ons. De natuurlijke banden hoeven geen banden te zijn voor het leven dat ons overvalt. Leven zoals hij het volgens Matteüs voor zich ziet (zijn kruis opnemen) brengt een beweging van identificatie op gang die zijn weerga niet kent.
En onderschat de beker koud water niet. Één middag in de zon van het Midden- Oosten zal in het kleine gebaar van een beker koud water een groots geschenk zien. Daaraan proef je wat het loon van een rechtvaardige zien, van iemand die Gods woord bewaart, vertolkt, zichtbaar maakt. (Eventuele toelichting: een echte vriend laat zien wat het woord vriend betekent. Daar wordt je stil van.)


14e zondag door het jaar
Zacharja 9,9-10; Psalm 145; Romeinen 8,9.11-13; Matteüs 11,25-30
51 – 2008
- Zacharia gaat open. Het gaat over jubelen en juichen. En twee keer horen we het woord dochter. Sion is de meisjesnaam voor Jerusalem. Al het verrassende, het volstrekt niet vanzelfsprekende klinkt daarin mee. Waarom al die ophef, die vreugde? Omdat de koning komt! En wat voor koning. Iemand die zich identificeert met wie de last (het juk, Matteüs 11,29) draagt. Alle oorlogstuig ruimt hij op om plaats te maken voor de vrede.
Onze zorg, zo wil Paulus, is blijkbaar niet op de eerste plaats voor onszelf te zorgen. Gods geest maakt een heel nieuw begin(sel) in ons. Hij maakt ons tot broers en zussen.
- Matteüs spreekt over deze dingen, en vanuit de lezing zoals die vandaag wordt aangegeven is het niet op te maken wat deze dingen zijn. In het voorafgaande tekent zich een discussie af die duidt op volkomen misverstand. De mensen willen niet naar hem horen. Is dat dan zo moeilijk?
- Blijkbaar niet. Kinderen begrijpen het. En dan krijgen wij opnieuw te horen waar het eigenlijk over gaat bij Matteüs. Wat de vader aan de Zoon geeft is allereerst de bekommernis om degenen die vermoeid en belast zijn. Zoals hij de lasten draagt (het juk) zo kunnen wij dat ook. Wij kunnen van hem leren want hij is zachtmoedig. Zachtmoedig is het woord dat dé kwaliteit van een leraar samenvat. Denk aan geduld, zich identificeren met, de leerling voorop stellen, meeleven, je kunnen inleven.
Bij nederig moet je niet denken aan de oude vermaningen om nederig te zijn, je plaats te kennen. Misschien is vernederde belangrijker, de vermoeide, de belaste.
Door met hem mee te dragen kun je een juk voelen dat je niet neerdrukt. Zijn juk is chrèstos, Het betekent hier licht, geschikt, gemakkelijk te gebruiken. Maar dit woord roept ook Christus op, de griekse naam van de Messias.
De logge zelfzucht van de tweede lezing tekent zich scherp af tegen de vreugde, de dankbaarheid en de lichtvoetigheid van de eerste en derde lezing.

54 - 2011
- Bij Zacharja kan het vandaag niet op. Jubel en juich, dochter van Sion, dochter van Jerusalem. Wat mag er dan wezen? Je koning komt tot je. En meteen dringt de uitleg en betekenis daarvan zich op. : rechtvaardig, zachtmoedig, nederig. Dat betekent: weg met de paarden – hier beeld van de oorlog en het geweld. Zijn koningschap is een en al vrede.
- De tekst zegt: Een loflied van David. Koning David bezingt zijn God en koning. Dat wil hij altijd doen. Want God is voor hem genegen en betrokken, hij is geduldig en goedgunstig. Hij steunt wie dreigt te vallen, hij richt de gekromde op. Wat een koning! Iemand die zo vertolkt waar zijn hart op uit is.
- Paulus zet het leven in het vlees tegenover het leven in de geest. Die geest is de geest van God die in de tempel woont, maar, Zo zegt Paulus, ook huist in de mens. Ware dat niet zo, dan heb je de geest van Christus niet in je en kun je ook niet van hem zijn. Misschien is het niet gelukkig hier te vertalen zoals gebeurd is: uw bestaan wordt niet beheerst door de zelfgenoegzaamheid, maar door de geest. Zo’n omschrijving is wel zeer vrij, suggereert te weten dat de gelovige volgens Paulus in ieder geval niet zelfgenoegzaam is. Het gaat Paulus niet om een moraliteit. Aan de orde is een heel ander levensprinciep: de geest die leven doet en doden leven laat.
- Alsof we terug van weggeweest zijn. Na al die zondagen uit Johannes of fragmenten gekozen bij de feesten, zo vallen we nu midden in de lezingen voor het A-jaar, Matteüs. De leerlingen van Johannes zijn bij Jezus geweest met de gekerkerde vraag: Ben jij degene die komen moet of hebben wij een ander te verwachten? Wie wil kan zich scharen bij die leerlingen en in de tekst horen hoe Jezus Jesaja citeert. Maar het wort een hoofdstuk met pijn over het onbegrip, het niet willen horen. Dat loopt uit in de regels die wij vandaag te horen krijgen: De God van de hemel en de aarde heeft dit alles verborgen voor de wijzen en verstandigen om het te openen voor de kinderen. Het geheim van de Vader en de Zoon. Hij nodigt ons uit om dichterbij te komen en van hem te leren, want hij is zachtmoedig. Sinds Numeri 4 is dit de kwaliteit, het kenmerk van de leraar. Hoe zou je dit woord meer hedendaags vertalen? Welke kwaliteit maakt iemand tot leraar bij uitstek?

15e zondag door het jaar
Jesaja 55,10-11; Psalm 65; Romeinen 8,18-23; Matteüs 13,1-23

51 – 2008
- De lezing uit Jesaja is een lezing vol vertrouwen. De samenhangen zijn vertrouwd, water, groen, zaad, oogst, brood. Zo gaat het ook met het woord van God. Het blijft niet zonder vrucht.
- Onvermoeibaar is het toekomstperspectief. Ons leven valt niet samen met het heden. En hoezeer de tijden ook gekenmerkt worden door het lijden, al dat leed weegt volgens Paulus niet op tegen de heerlijkheid die ons te wachten staat. Want God is een heel ander verhaal dan slavernij en klein houden. Dat geldt niet alleen voor de schepping en de natuur. Ook wij die de eerstelingen van de geest hebben ontvangen, wachten volgens Paulus op de bevrijding van ons leven, ons lichaam.
- De gelijkenis van de zaaier bevat de geheimen van de manier waarop God koning is. Wie heeft zal gegeven worden, wie niet heeft, ook wat hij heeft zal hem ontnomen worden. Het is een zin die vaak misverstaan is. Probeer eens: wie heeft, begrip bijvoorbeeld. Je hoeft je niet bij voorbaat gewonnen te geven, je hoeft niet alles te weten. Groeien is het woord, tijd nemen en geven. De mooie aarde is niet gebaseerd op weten en hebben, maar op horen en verstaan, vrucht dragen en schenken.
Deze teksten staan boordevol toekomst. Het geeft reden tot lachen. Jitzjak, Isaac en wat lezen we van hem: Hij oogstte honderdvoudig in het vreemde land der Filistijnen (Gen. 26,12)

54 - 2011
- Wij kennen dat niet of nauwelijks, de regen als troost. Maar met het blik van een kenner spreekt de profeet over de regen, de hemel en de aarde, het “doorvochtigen” (NBG), het vruchtbaar maken , het ontspruiten en zaad worden, oogst. De troost van de samenhang en de betrouwbaarheid . Dat is het woord van de Heer. Het zal doen wat mij behaagt.
- Een boer, verliefd op zijn land, verliefd ook op degene die het land zo geeft. De plukjes woorden zijn als penseelstreken op een warm schilderij.
- Het is een oude tekst, dit fragment uit de Romeinen. En wij zouden het nooit zo zeggen. Maar het lijden en de verwachting die ons in deze woorden tegemoet treden komen ons bekend voor. Bevrijding moge een feit zijn, het blijft ook dat wat op ons toekomt.
- Uit het vertrouwde (huis) gaat hij zitten bij de zee. Het land houdt daar op, maar de mensen komen naar hem toe. Vanaf het bootje vertelt hij vele zaken in gelijkenissen. Vele, vaak met de betekenis van alle. Over het water klinkt op een of andere manier het hele verhaal. Daarom in gelijkenissen. Immers alles is niet te vertellen tenzij voor de goede verstaander. De zaaier, de zoon van de vader (Zie Isaak in Genesis 26). Na alles wat verkeerd gaat is er volop oogst.
Wie heeft, begrip bijvoorbeeld, zal gegeven worden. Wie niet heeft, begrip bijvoorbeeld, wat hij nog heeft zal hem ontnomen worden.

16e zondag door het jaar
Wijsheid 12,13.16-19; Psalm 86; Romeinen 8,26-27; Matteüs 13,24-43

51 – 2008
- Afgoden bestaan niet. Dat lijkt maar zo. Er zijn vele zaken waar velen alles voor doen. Waar mensen alles voor doen, dat zijn goden. De bijbelse God hoort thuis te midden van de goden. Maar er is één verschil. De (af)goden willen gediend worden. God wil dienen. Hij kan er niet tegen dat de mens geknecht en onderdrukt wordt. Hij wil niets anders dan dat de mens mens kan zijn, zelf kan staan. Hij zorgt voor de mens. Zijn oordeel maakt de mens vrij en verantwoordelijk. Dat is de schepping als nieuw. Daar kan een rechtvaardige een vriend van mensen zijn, daar is opnieuw beginnen mogelijk.
- Wanneer het er om gaat, mens voor God en broed/zus voor de mens naast je te zijn, dan hoef je daarvoor niet te vertrouwen op je eigen mogelijkheden en kracht. Paulus wijst ons op de geest (het geheim van hemel en aarde toch één – zie Genesis 1,2). Die geest is geen premie of beloning voor een prestatie. Het is andersom: hij komt onze zwakheid te hulp.
- Alsof Matteüs onder druk staat: in een snel tempo krijgen we vandaag drie parabelen te horen, mét, op verzoek van de leerlingen, uitleg over de eerste. Het zijn parabel over het koning zijn van God. Hoe is God koning? Wat is typerend voor de manier waarop Hij koning is? Blijken zal dat hij dat op een andere manier doet dan de farao die koning is ten koste van de mensen, over de ruggen van de onderdrukten heen. Kijken we eerst naar parabel twee en drie.
De tweede parabel is ons zeer vertrouwd. Het mosterdzaad dat iemand in de akker zaait. Het is een wonderlijk zaad. Toevertrouwd aan de aarde groeit het uit tot een superboom die plaats biedt aan de vogels des hemels. Toevertrouwd aan de aarde verbindt hij hemel en aarde.
De tweede parabel spreekt over het zuurdeeg. Een beetje is voldoende om het geheel te doordringen.
De eerste parabel omgeeft als tekst en als uitleg deze twee. De knechten in het verhaal hebben wellicht de ijver die wij zouden hebben. Haal het opkomende onkruid weg. De Heer van de akker oordeelt daar anders over.
Interessant is de zon in het koningschap van God. Het geeft te denken wat daarover verteld wordt.

54 - 2011
- Wijsheid zet hoog in. Er is geen God voor wie God zou moeten waarmaken dat hij niet onrechtvaardig is. Hij die over de macht beschikt spreekt met veel zachtheid zijn oordeel uit, bestuurd met goedheid. Hij leert ons dat een rechtvaardige een vriend van mensen is. Hij stemt de mens hoopvol omdat hij, waar fouten gemaakt worden, de kans van inkeer, ommekeer biedt.
In de joodse traditie zijn de eigenschapen van God op de eerste plaats een opdracht aan de mens. God is goed wil allereerst zeggen: het is mijn opdracht goed te zijn. Zou je mogen zeggen: Woorden over God hebben zin, worden gemunt, wanneer zij de richting van ons gaan, onze gang, bepalen?
- Wees mij genegen Heer,want U roep ik iedere dag (Psalm 86,3). Hoe kan de zanger van deze psalm dit zingen? Dat reiken de woorden van vandaag aan. God is goed, vergevend, volop betrokken voor ieder die hem aanroepen.
- Waar wij zwak zijn komt de geest tussen beide. En hij die de harten doorgrondt weet waar de Geest op peilt. Want op de wijze van God is hij er voor de heiligen die niet opgaan in huis en haard en goed, maar die weten van het geheim van de Geest, dat Hemel en aarde toch één zijn (Genesis, de eerste regels).
- Praktische wijsheid. Geen onkruid er uit trekken. Je zou het goede graan mee uit kunnen trekken. Ten tijde van de oogst zullen tarwe en onkruid apart gebundeld worden. Vervolgens de gelijkenis van het mosterdzaadje. Het kleinste zaad zal als boom, hemel en aarde met elkaar verbinden. Voor de vogels is daar alle plaats. Tenslotte komt uitdrukkelijk de uitleg en onderstreping van de eerste gelijkenis. Daardoor komt het verhaal over het kleinste zaadje in het midden te staan. Alsof daar te vinden is waar het om draait.

17e zondag door het jaar
1Koningen 3,5.7-12; Psalm 119; Romeinen 8,28-30; Matteüs 13,44-52
51 – 2008
- De eerste lezing vertelt over de jonge Salomo, nog helemaal aan het begin van zijn koningschap. In een droom mag hij kiezen wat zijn hartje begeert. Volgens de vertaling is dat een opmerkzame geest. Het hebreeuws zegt hier: een horend hart. Daarmee blijkt hij iemand te zijn voor wie het woord betekenis heeft. Salomo is in het verhaal iemand die zich wil laten gezeggen. Daarmee wordt hij ook iemand als Abraham.
- Het is bekend: volgens de bijbelse literatuur is de mens te midden van al wat is een grote uitzondering. De mens is niet als de planten en de dieren soort bij soort geschapen (naar hun aard). De mens is een uitzondering. Hij is geschapen naar Gods beeld, op hem gelijkend. Maar hoe is dat dan. Waar kan ik naar kijken wanneer ik iets van God wil zien? De ander vertolkt volgens het verhaal om te beginnen het eigene van God. En Paulus schrijft over de Messias: de eerstgeborene onder vele broeders. (Velen is in bijbelse taal in de regel een aanduiding van democratisch allen. Niemand moet, iedereen mag.)
- Het koning zijn van God - “uw koningrijk kome”- komt vandaag nog drie keer ter sprake. Om te beginnen gaat het twee keer over hoe mensen reageren op de koningschap. Hoe ga je om met wat voor jou een schat in een akker is, een kostbare parel.
Opmerkelijk is de plaats waar de bozen gevonden worden. De vinger schiet nog altijd graag uit wanneer het gaat over het aanwijzen van de boze. Jezus bij Matteüs heeft een andere vindplaats: uit het midden van de rechtvaardigen. (De heilige oorlog poogt vanouds de ernst aan te geven waarmee een mens zijn leven ter hand probeert te nemen.)
Oude en nieuwe zaken haalt de Heer des huizes uit zijn voorraad. Nieuwe dingen die oud zijn en oude dingen die nieuw zijn.

54 - 2011
- Salomo is de nieuwe koning. Wat voor iemand zal hij zijn. Hoe wil het verhaal hem -droom mag hij kiezen, een wens doen. We horen waar hij niet voor kiest, we horen ook zijn optie: een horend hart. Het hart is de mens die richting zoekt en van richting weet. Een horend hart wil gesouffleerd worden door de stem in het gebeuren.
- God – en dat is typisch voor de bijbelse literatuur – laat zich kennen door zijn woord. Hij geeft ons zijn woord en is op zijn woord te nemen. Daarom ziet de psalmist het als zijn opgave, trouw te zijn aan dat woord. Dat woord is hem alles. Hij dankt God voor zijn leven omdat voor hem Gods woord tijd van leven is.
- Wij weten! Stellig is Paulus. Hij heeft het over degenen die van God houden. Voor hen zal God alles laten meewerken tot het goede. Geroepen, kennen – een zijn met – bestemmen tot. Tot mensen die gelijkvormig zijn aan de icoon van Zijn Zoon, de eerstgeborene onder vele broers. En zie de reeks werkwoorden die volgen in dat spoor.
- De rechtvaardigen zullen stralen als de zon in het koninkrijk van hun vader, zegt de laatste regel voor de gelijkenissen van vandaag. De glans van die zon wordt meegenomen naar de schat die in de akker verborgen is. Weet niet ieder wat je in zo’n geval te doen staan. Zie dat die akker van jou wordt en breng de schat aan het licht. Diezelfde glans gaat ook mee wanneer we die kostbare parel vinden. Het is een toespitsing ook. In de akker de schat, temidden van de mooie parels die ene schitterende. En in al dat licht glinstert ook de oogst van de visvangst. Daar wordt onderscheid gemaakt, definitief onderscheid.
Als je deze zaken verstaat ben je als de Schriftgeleerde. Hij laat zien dat nieuwe dingen ook oud zijn, en dat oude zaken ook zo goed als nieuw zijn. Wellicht gaat het er ook om, bij de tijd (van het onderricht) te zijn en te zoeken naar dat ene, de Ene.

18e zondag door het jaar
Jesaja 55,1-3; Psalm 145; Romeinen 8,35.37-39; Matteüs 14,13-21

51 – 2008
- Al die verhalen over water gaan misschien, denk aan het watermanagement, wel weer actueel worden. Maar halverwege de vorige eeuw, toen de pompen in de wijken net waren afgeschaft en ieder huis zijn eigen kraan had, waren het moeilijke teksten. Maar er zijn landen en landschappen waar water alles is (wat ontbreekt). God de Heer zegt door de mond/hand van Jesaja dat hij water heeft, wijn en melk en brood. Komt, luistert naar mij en gij zult leven.
- De liefde van God waarui wij niet kunnen wegvallen kan je ook zien als het levende water van het woord van God uit Jesaja. Waarom wordt het Woord van God vergeleken met water? Omdat het water stroomt van hoog naar blaag en blijft rusten op het diepste punt. Zo blijft het Woord van God pas rusten bij hen die klei zijn, nederig, vernederd. In het evangelie krijgt dat gestalte in Jezus die innerlijk met ontferming is bewogen op die eenzame en woeste plaats.
- Velen weten nog wel dat Jezus spreekt over Jerusalem als de stad waarvan geen steen op de andere zal blijven. Toch trekt hij solidair met die stad in Jerusalem binnen. Hij verbind zijn lot met het hare. Paulus spreekt op dezelfde wijze over God. “Wie zal ons scheiden ooit?” Niets en niemand kan ons scheiden van God. Hij blijft absoluut solidair, houdt zich aan het verbond.
- In de lezing zoals het lectionarium deze geeft, vaart Jezus in die tijd in een bootje naar de overkant. In je bijbel kun je zien dat hij dat bootje ingaat omdat hij gehoord heeft. Wat heeft hij dan gehoord? In de voorafgaande regels is gesproken over de moord op Johannes de Doper. Dreiging sluipt het verhaal binnen. Onder die dreiging gaat Jezus scheep naar een eenzame plaats. Voor de menigte is dat geen probleem. Ze volgen hem te voet (alsof ze over het water lopen!). Aan de overkant zijn ze er al en hij ontfermt zich over hen.
Pas tegen de avond komen de leerlingen. Ze willen iets regelen.
De zegenbede spreekt over brood dat Gij (God) uit de aarde hebt doen uitgaan. Hetzelfde uitgaan dat ook gebruikt wordt bij het uitgaan uit de slavernij. Het brood is teken van wat wij kunnen delen nu de dreiging toeneemt. En allen worden verzadigd.

54 - 2011
- O jullie allen die dorst hebt, komt tot de wateren. En genereus aanbod wordt gedaan aan wie dorst heeft en geen geld. Komt kopen zonder geld en zonder prijs. Komt om te horen opdat je ziel leeft. De bijbelse ziel is geen princiep, maar de mens zoals hij gekend en herkend wordt: typisch jij. Leven in het verbond is altijd persoonlijk – zoals Shaffy zong: “niet zonder jou!”
- De verzen uit de psalm die ons vandaag te zingen worden aangereikt hebben een opmerkelijk accent: voor iedere mensen, … voor elk die hem aanroept, voor elke die oprecht tot hem bidt. Het gaat om iedereen en ieder is een, apart, individueel en bijzonder, geldt voor God als absoluut.
- De last moet wel zeer op Paulus drukken – verdrukking, angst, vervolging, enz., – maar zijn overtuiging is even absoluut zeker! Niets kan ons losscheuren van de liefde van God, die liefde die is in Messias Jezus, onze Kyrios, onze Heer.
- In die tijd voer Jezus in een boot … Zo vrijblijvend presenteert Matteüs zijn verhaal van vandaag niet. Gehoord hebben wijkt hij vandaar uit … Het is het uitwijken waar Jozef mee begonnen is toen hij met het kind en zijn moeder. Het uitwijken dat spelen blijft totdat Hij definitief begint aan zijn reis naar Jerusalem. Dat uitwijken wordt gemotiveerd door gehoord hebbend. Wat heeft Hij dan gehoord. Het voorafgaande verhaal is het verhaal over de moord Johannes en zijn leerlingen die hem begraven. Johannes, voorloper in leven en overgeleverd worden, in leven en dood. Dat gehoord hebbend wijkt hij uit naar de overkant, naar een woestijn-plek. Maar de menigten hebben het ook gehoord en de steden lopen leeg achter hem aan. Als hij aan land komt grijpt een diep gevoel hem aan. De krachtelozen (alleen hier gebruikt Matteüs dit woord) geneest hij. Wordt nog uitgelegd wat dit betekent? Daarop komen de leerlingen. Nuchter wijzen ze er op dat het tijd is. Stuur de mensen naar huis. Alsof zij niet gehoord hebben over de moord op Johannes. Geef hen te eten! Wat wil je met vijf broden en twee vissen. Maar het gaat niet over op een warme avond een hapje buiten eten. Hij zegent en deelt. Je kunt delen. Dan wordt je verzadigd en blijft er ook over, voor zovelen.

19e zondag door het jaar
1Koningen 19,9a.11-13a; Psalm 85; Romeinen 9,1-5; Matteüs 14,22-33

51 – 2008
- In die dagen bij de eerste lezing zijn de dagen van uiterste radeloosheid voor Elia. Koning Achab, geïnspireerd door zijn vrouw Jezebel, wil Elia doden. Elia vlucht de woestijn in, ver, tot bij de berg Horeb, de berg van God (Sinaï).
Het verhaal vertelt zichzelf. Een opmerking. Het suizen van de lichte bries is een interpreterende vertaling. Meer correct lijkt te zijn: de kleine stem van de stilte. God is niet is het grootse van geweldige landschappen en natuurverschijnselen. Voor Elia is God in de kleine stem van stilte. Alleen wie daar oren voor heeft merkt het op.
- Paulus spreekt over zijn pijn die niet ophoudt. Daarmee spreekt hij over zijn broeders en de Messias. Tegenover hen belijdt hij zijn vertrouwen in de Messias.
Jezus dwingt de leerlingen voor hem uit te gaan over de zee. Hij blijft achter, gaat de berg op, bidt en is daar alleen. Diep in de nacht gaat hij naar de overkant, over de zee.
Talloos zijn de grapjes over lopen over de zee. Die grapjes geven aan hoe onmogelijk dit gebeuren eigenlijk is. Dat moge zo zijn, de bijbelse traditie ziet dat anders. God maakt een weg over de zee in Exodus 14,21. De Septuaginta laat hier de zee (weg)gaan . Het lopen over het water is een paasverhaal. Ook Matteüs voert dit in zijn pen. Daarom hebben de leerlingen er geen woorden voor, tenzij uiteindelijk Zoon van God.
-Drie aangevochten mensen : Elia en Paulus vanwege hun volk, vanwege Israël. De leerlingen en Petrus in het bijzonder vanwege hun ongeloof. Eigenlijk dreigen zij alle drie in de grond te zakken

54 - 2011
- Enkele beelden laten ons zien hoe Elia zijn grootste moment beleefd. Voor zijn leven gevlucht naar de Sinaï. God zal zich aanhem laten zien. Elia staat stil voor de ingang van de spelonk. Al het natuurgeweld dat zich voor hem afspeelt, het is God niet. Tenslotte is er de stilte, het hebreeuws zegt iets dat je vertalen mag als de kleine stem van de stilte. Dan bedekt Elia zijn gelaat met een doek.
- Geef ons uw bevrijding. Het hebreeuws laat hier de letters zien die ook in de hebreeuwse naam van Jezus verschijnen. Zodat je mag proberen te lezen: geef ons uw Jezus. Als genegenheid en daden van genegenheid (waarheid) samen gaan, als gerechtigheid en vrede elkaar kussen!
- Drie keer zet Paulus aan: a) ik spreek de waarheid, b) ik lieg niet, c) mijn geweten waarborgt mij. Waarom die zware inzet? Omdat het gaat over Israël. Alles zou hij willen geven voor zijn broers en stamverwanten. Zij zijn immers onderwerp van openbaring en bevrijding. Van hen zijn de aartsvaders en de Messias naar het vlees, de gezegende. Daar zit wat Paulus betreft zijn grootste pijn. Daar weet hij geen weg.
- Hij dwingt de leerlingen in de boot naar de overkant te gaan en het volk om naar huis te gaan. Zo blijft het toneel van de tekst voor Hem alleen. Wat gebeurt er? Hij klimt de berg op om in het zijne te bidden. Zo valt de avond en is hij alleen. De dood, de maaltijd, het wegsturen, omhoog gaan, bidden – dat alles komt samen in dit alleen zijn.
De leerlingen hebben het moeilijk met die nacht. Tegen het einde, in de vierde nachtwake, komt hij naar hen toe wandelend over de zee. Voor de leerlingen is dat niet geruststellend. Zij menen een spook te zien. Petrus wil ook over het water gaan. Jezus roept hem, maar gaandeweg verliest hij het vertrouwen en wint de zwaartekracht het. Heer, als jij het bent wordt nu Heer red mij, Kyrie eleis of in het hebreeuws Jehosjoea. En al die verwarring en verbijstering eindigt in In waarheid, jij bent Gods zoon. (Daarop komen weer de mensen uit de buur die hem herkennen en ze komen met alleen die ziek zijn om enkel de zoom van zijn gewaad te mogen aanraken – zoals nu nog in de synagoge de Tora-rol aangeraakt wordt aan de zoom van het kleed dat haar bedekt. Alsof het onderricht gaat beginnen.)

20e zondag door het jaar
Jesaja 56, 1 + 6 – 7- Psalm 67; Romeinen 11, 13 - 15 + 29 – 32; Matteüs 15, 21 - 28

51 - 2008
- Hoe gaat God om met vreemdelingen die zich bij hem aansluiten om hem te dienen? Hij neemt brengt hen naar zijn heilige berg. Je hoort impliciet de verwijzing naar opgaan. Zoals uit de slavernij, op naar het land, of zoals uit het land, op naar de tempel, of, zoals wij het kennen in Omhoog de harten. Gods huis is exclusief inclusief: een huis van gebed voor alle volkeren.
- In de brief aan zijn mensen in Rome wordt Paulus persoonlijk. Hij laat zien wat hem bezig houdt. (De term heidenen is eigenlijk, gezien de connotaties die wij er aantoekennen, niet goed. Het gaat hier over de volkeren, over de mensen die van Abraham, Isaak en Jacob niet weten. De volkeren, heel de wereld, het woord kath’holon ton kosmon, katholiek komt daar vandaan.)
- Het leidt geen twijfel: volgens Matteüs gaat de zorg van de Messias allereerst uit naar de verloren schapen van het huis van Israël. Daar komt die vrouw uit Kanaän met haar zorg, haar deerlijk bezeten dochter. Het is alsof Jezus haar zelfs niet hoort. De leerlingen zien dat als een afwijzing, terecht! Stuur haar weg, dat zeurende mens! Hij probeert dat nog. (Let er op: Matteüs schrijft hier de naam van Jezus niet neer. Die komt pas weer te voorschijn in vers28!) Maar hij interpreteert wat zij doet als vertrouwen, jouw groot vertrouwen. In de woorden die hij gebruikt herkennen we woorden uit het Onze Vader, blijkbaar ook exclusief inclusief.
- Anders gezegd: Het gaat over de vreemdeling, vervreemding. Het is toch in het hart van het onderricht geschreven in Lev. 19,33: Heb uw naaste lief, want je bent zelf vreemdeling geweest. Dat moeten kerk en synagoge goed weten als ze spreken over hun verhouding. We zijn gebonden aan een God die ons vreemdelingschap wil opheffen. In het evangelie komt dit op bijzondere manier tot uiting. Die vrouw belijdt Jezus als zoon van David en doet een beroep op zijn ontferming. Waar weet zij dat van? Waar haalt zij dat vandaan? Zo vreemd is zij dan toch ook weer niet met het getuigenis van Mozes en de profeten. Misschien heeft zij wel gestudeerd in godsdienstwetenschappen. Het aardige is dat die vrouw ook helemaal niet beledigd is door de woorden van Jezus. En die lijken er niet om te liegen. Die vrouw zegt: Ik ben een vreemdeling, maar ik eis helemaal geen hoofdplaats aan tafel op . Laat mij maar lekker ronddartelen. Past beter bij mij. Maar ik heb wel recht op hetzelfde brood van ontferming. Ik mag toch wel een graantje meepikken. Jullie hebben niet het alleenrecht op Gods ontferming. Toch een profetes.

54 - 2011
- Recht en gerechtigheid zijn gevraagd om Gods heil en gerechtigheid te openbaren. De vreemdelingen die zich bij Gods volk aangesloten hebben horen er ook bij. Want mijn Huis zal een bedehuis voor alle volkeren zijn.
- Vanuit de oude Egyptische kunst kennen velen de afbeelding van de uitgestrekte vleugels van de adelaar als beeld van de opgang van de dag. Vaak zie je er de zon ook in afgebeeld. De dag is de overwinning van duisternis en dood. … zegen ons en laat ons het licht zien van uw aangezicht. Opdat Uw wegen gekend mogen zijn en alle volkeren zullen juichen omdat de Heer rechtvaardig is. Als God de wereld regeert betekent dat gerechtigheid.
- Paulus als leraar. Hij wil motiveren. Hij is er trots op, apostel van en voor de niet-joden, de volkeren te zijn. Hij is daar trots op om zijn joodse broers tot na-ijver te prikkelen. De volkeren hebben van Israël mogen leren wat bevrijding (uit de slavernij) betekent, nu mag Israël van de volkeren leren dat God betrokken is – dat Hij het werk van zijn handen niet laat varen, en dat Hij geen berouw krijgt over zijn daden van genegenheid, zijn roeping.
- Tyrus en Sidon in het tegenwoordige Libanon, ver weg van Jerusalem. Dan is daar die Kananese vrouw met haar dochter. Hij reageert niet, alsof er niets tegen hem gezegd is. Hij praat allen me zijn leerlingen die het maar lastig vinden, dat mens! De vrouw doet evenwel alsof haar geantwoord wordt. Het brood voor de kinderen is niet voor de honden. Daar is een Jezus aan het woord die we eigenlijk helemaal niet kennen. Maar zij laat zich niet kennen is wat een duidelijke afwijzing is. De honden eten immers de kruimels. Uw wil geschiede. Hij spreekt haar aan zoals hij de Vader aanspreekt in het Onze Vader.


Maria tenhemelopneming
Apocalyps 11, 19a + 12, 1 - 6a + 10ab; Psalm 45; 1 Korintiërs 15, 20 – 26; Lucas 1, 39 – 56

51 – 2008
Waarom alleen Apocalyps 19a? Waarom niet de rest van dat vers? De tempel van God die in de hemel is gaat open en zichtbaar wordt de ark van het verbond in zijn heiligdom. In de litanie van Maria is een van de namen waarmee wij de moeder van God aanroepen: ark van het verbond. Het hemelse geweld dat daarna volgt roept de herinnering op aan het sluiten van dat verbond aan de voet van de Sinaï (Exodus 19,16). Maar het wordt overgeslagen.
De tempel van God gaat open. Aan de hemel wordt een teken zichtbaar: de Vrouw met de zon, de maan en 12 sterren. (Zie Gen 37,9: de droom van Jozef!) Maar alles wat dat oproept aan verwachting wordt bedreigd door de draak die het kind verslinden wil. Met een ijzeren staf (Psalm 2,7, tegen de koningen van deze aarde!) zal hij alle volkeren weiden. Maar nog is het niet zover. De vrouw vlucht de woestijn in. En Johannes vervolgt in zijn in zijn Open Boek (Apocalyps): Nu is gekomen … Alle oren spitsen zich.
Uit de Brief aan de Christenen van Korinthe beschrijft Paulus de grote samenhangen. Door één mens is de dood in de wereld gekomen, door één mens zullen de doden
opstaan. Als alle negativiteit onttroond is zal de Messias laten zien dat God koning is.
Lukas neemt ons mee naar die eerste dagen, wanneer Maria weet wat er gaande is: dat zij een zoon zal krijgen evenals haar hoogbejaarde nicht Elisabeth. De ontmoeting van die twee vrouwen markeert zoiets als het einde der tijden, het nieuwe begin. Hoe God inbreekt in de loop der dingen en hoe verwachting dichterbij brengt wat onmogelijk en onwaarschijnlijk lijkt. Te midden van de vrouwen zegent God jou.
Maria zingt haar Magnificat, haar loflied over de Heer die groot is omdat hij protsers en pralers die de dienst uitmaken onttroont en de geringen verheft, de hongerigen overlaadt met gaven. In wat deze vrouwen gebeurt onderkent Maria hoe God in barmhartigheid voor altijd Abraham gedenkt. Zo maakt Lukas wie dit verhaal hoort, tot getuigen van een verwachting die onwaarschijnlijk is.

54 - 2011
- De tempel, de ark – de tekst gaat snel naar binnen toe. De tempel gaat open, de ark wordt zichtbaar. Dan gaan de ogen omhoog: een teken aan de hemel. De vrouw, de zon, de maan, de sterren. Een vrouw in barensnood. Een draak staat gereed. Maar kind wordt naar God gebracht, de vrouw naar de woestijn. En de aanklager is er niet meer. Alleen de kracht en het koningschap van God en de macht van Zijn Gezalfde.
- Hofliturgie. De koningin getooid met goud uit Ofir. Vergeet alles wat was want de toekomst begint nu: uw schoonheid wekt de liefde van de koning.
- De opstanding uit de doden, pragmatisch gezegd, dat de dood niet het laatste woord heeft maar God, onttrekt zich aan onze waarneming, maar Paulus denken is daardoor absoluut gevormd. Door Adam kwam de dood, door de nieuwe Adam het leven. Zoals Israël de eerstgeborene is die de farao moet laten gaan, zo moet de dood de messias als eerstgeborene laten gaan. In zijn spoor volgen allen die bij Hem horen, opgewekt is uit de doden.
- Met spoed reist Maria naar een stad in Judea. Maar nog is het niet zover dat die stad haar naam krijgt. Eerste krijgen we andere namen. Maria, Zacharias, Elisabeth en de kinderen die in verwachting als verwachting gedragen worden. Elisabeth noemt haar de gezegende onder de vrouwen, de moeder van mijn Heer. Ook Johannes die Jezus zal aanwijzen, begint hier, al vroeg, met zijn werk. Tot twee keer toe horen we: het kind springt van vreugde op in haar schoot. Dat gebaar omgeeft de woorden van Elisabeth. Maria zingt daarom haar ingetogen lied over haar God en Zijn volk, zijn trouw.
- Alles wat volgens de Tora gedaan kan en moet worden is gedaan. Zo keren zij terug naar Galilea, naar Nazareth. Jaarlijks wordt met Pesach de afstand tot Jerusalem overbrugd, totdat hij het kind van het gebod of het kind van de genegenheid geworden is, bar mitswah. Dan blijkt zijn huis de dingen van mijn vader te zijn. Dat zij, zijn ouders, dat niet begrijpen. Dat is geen verleden tijd. Het is meer een permanent heden. Voortduren zal dit kind op een nauwelijks te peilen wijze hen voorgaan. En als ze hem vinden vertelt het verhaal al eeuwenlang, dat hij luistert en vragen stelt. Allen om Hem heen zijn er getuige van dat daaruit, en uit zijn antwoorden, zijn verstand blijkt. Alsof dit hemelse feest ons uitnodigt mee te gaan en te horen. Na dit verhaal zal het verhaal van Lukas echt gaan beginnen, in de woestijn, bij de Jordaan, bij Johannes.

21e Twintigste zondag door het jaar
Jesaja, 22,19-23; Psalm 138; Romeinen 11,33-36; Matteüs 16,13-20

51 – 2008
- Vanuit Egypte weten we van de graven van grote hovelingen. Jesaja vertelt over Shebna terwijl die bezig is in de hoogte een graf voor zichzelf uit te houwen (Jesaja 22,15-16). Wat en wie ben je eigenlijk dat je dit hier doet? Van alles wat je hebt en bent blijft niets meer over. Daar begint de lezing van vandaag: Ik zal jou verstoten en Eljakim de zoon van Hilkia op jouw plaats zetten. Hij zal een vader zijn voort de mensen van Jerusalem en Juda. Hij zal de sleutel op zijn schouder dragen. Het moge zo zijn dat een sleutel in die tijd groot was en op de schouder gedragen werd, tegelijk geeft het aan dat het hebben van de macht niet een luxezaak is. Het is werk. Het gewicht van de werk keert weer in de zetel van gewicht, bij ons vertaald als erezetel.
- Paulus voor het geheim dat God is. Hoezeer wij ook híer zijn, God is altijd dáár, voorsprong en oorsprong van alles wat wij aangaande hem naar voren menen te kunnen brengen. Paulus weet uiteindelijk niet meer naar voren te brengen dan een lied.
- Verder van Jerusalem dan Caesarea Philippi kun je niet gaan. Nog een stap en je bent weg van het land. Daar, ver weg, vraagt Jezus volgens Matteüs: Wie zeggen de mensen dat de mensenzoon is? (Let op het woord mensenzoon!) Zou hij dat niet weten? Waarom die vraag? En we horen hoe Matteüs ons te denken geeft: Johannes, Elia, Jeremia of een van de profeten. Daarmee is een ruime marge of context gegeven. De opsomming der namen lijkt neer te komen op Jeremia, de enige naam ook die genoemd is in het verhaal van de wijzen uit het oosten, Matteüs 2. Daarop volgt de toespitsing: Maar jullie, wie zeggen jullie dat ik ben? En als uit het niets komt Petrus met zijn Messias, de zoon van de levende God. Dat klinkt ontwapenend vroom. Petrus zal de sleutel krijgen van het Rijk der hemelen. Daarom zit hij in onze oude verhalen dan ook aan de hemelpoort. Maar dit is ook de Petrus die wij kennen van “Ik ken die mens niet!”
Zie dan hoe Matteüs met dit alles omgaat. Hij wijst de woorden van Petrus niet af, maar geeft er een eigen kader aan: mijn vader die in de hemel is – die heeft dit aan Petrus geopenbaard. En dan komt de tekst die wij kennen uit de Sint Pieter in Rome. De binnenkant van de koepel geeft deze woorden: Jij bent Petrus, enz. De lezing van vandaag houdt daarmee op. Volgende week zal blijken hoe Matteüs daarmee verder gaat.

54 - 2011
- Sebna is de hoogste ambtsdrager aan het hof van de koning. Hem kan en zal niets overkomen, tot in zijn dood toe. Dat heeft hij zelf geregeld. Hoog in de heuvels heeft hij een hem waardige laatste rustplaats laten uithouwen. Hij zal er voor eeuwig goed bij liggen. De profeet zegt iets anders. Hij zal hem als een steen weggooien. Niets zal overblijven van Sebna’s arrogante majesteit. Eljakim zal hem opvolgen. Eljakim zal zijn waar Shebna niet aan toe kwam. Hij zal een vader zijn voor de mensen van Jerusalem en voor het huis van Juda. Hij zal de sleutel van het huis van David dragen. Wat hij opent blijft open, wat hij sluit blijft gesloten. Een beeld suggereert kracht en vasthoudendheid: een spijker vastgeslagen op een stevige plek.
- Deze psalm van David zingt met grote innigheid. Volstrekt thuis weet de psalmist zich bij God in zijn heiligdom. Hij luistert, Hij doet wat Hij zegt, hij geeft altijd nieuwe moed. Hij laat niet varen wat het werk van zijn handen is.
- Alsof Paulus aan een afgrond staat: niet te peilen rijkdom van Gods wijsheid en kennis, ondoorgrondelijk, onnaspeurlijk, niet te kennen. De woorden van Paulus maken duidelijk dat Hij er geen woorden voor heeft wanneer het gaat over God. Dat mogen de mensen van Rome van hem weten.
- Wie zeggen de mensen is de mensenzoon? Dat lijkt nog een onschuldige vraag. Dan kun je nog wat proberen. Maar daarna klinkt het toegespitst: Wie ben ik volgens jullie? Dan moet je wel te voorschijn komen. Good old Peter blijkt daar niet veel moeite mee te hebben. Bij hem liggen de beste kleren gereed voor zijn vriend en leraar wanneer hij zover is: Jij bent de Messias, de zoon van de levende God. Dat klinkt heel vroom, het is oprecht en vol overtuiging. Maar volgende week zal blijken dat hij er in ieder geval totaal niets van begrepen heeft.
En toch! Toch is dat geen reden om hem niet tot kroongetuige te maken van wat gebeuren gaat. Toch zal hij de sleutels dragen en de steenrots zijn. Maar dát Jezus en hóe hij de Messias is, daarover is het laatste woord nog niet gezegd. Dat blijft een groot geheim.

22e zondag door het jaar zondag
Jeremia 20, 7 – 9; Psalm 63; Romeinen 12,1 – 2; Matteüs 16, 21 - 27

51 – 2008
- Jeremia tot het uiterste toe. Het begint met verleiden. Ik ben bezweken. Hij moet wel. De woorden willen, moeten, zullen er uit. Maar ieder lacht en schampert om hem. En als hij zelf niet meer wil, dan laait er een vuur in mijn hart, dan brandt mijn gebeente. Jeremia kent geen rust, is zichzelf nooit meer.
- De brief aan de Romeinen van Paulus is natuurlijk niet een tekst om tussen de bedrijven door te lezen. Het kleine fragmentje van vandaag kan nauwelijks iets van inspiratie vertolken. Het sluit hoogstens aan bij wat je al weet, vermoedt of kent. Je hoeft het eigenlijk niet te horen om te weten wat je als mens moet doen. Toch is dat een vraag.
De tekst spreekt over wat zich in de tempel afspeelt. Er is sprake van offergave en eredienst. Voor kerkgangers suggereert dat een kerkelijke, liturgische context. Maar Paulus spreekt over een andere context. Hij heeft het over een levende offergave. Dat zou Genesis 22 in gedachtenis kunnen roepen, Isaac, het levende offer. Isaac die zich volgens de leraren ook niet onttrekt aan wat Abraham doet.
De geestelijke eredienst uit de vertaling geeft een verkeerde handreiking. Logikè, staat daar in het grieks, letterlijk logisch, met de logos, het woord samenhangende. Woord en antwoord, zo je wilt verantwoording. Dat zou dan een eredienst zijn: antwoord op een woord dat uitnodigt, dat roept – zoals we daarnet bij Jeremia hoorden. Je moet, zo zegt Paulus, je gedrag niet koppelen aan het schema’s die we kennen van de wereld zoals die zich elke dag aan ons presenteert. Je moet een nieuwe vorm zoeken, een die past bij de vernieuwing van je inzicht.
- Petrus overstelpt Jezus’ vraag met het hoogste woord: Jij bent de Messias, de zoon van de levende God. Nu hoeft er niets meer gezegd te worden. De kaarten zijn geschud. Daar eindigde het verhaal de vorige week. Vandaag blijkt Jezus toch iets toe te voegen aan de woorden van Petrus. Hij begint uit te leggen wat de belijdenis van Petrus betekent. Hij zal naar Jerusalem gaan opdat daar gebeuren kan wat gebeuren zal. Hij onttrekt zich niet. Maar Petrus ziet dat anders. Hij neemt Jezus ter zijde om de weg naar Jerusalem te versperren. Hij denkt op zijn wijze logisch, niet overeenkomstig de logos van de Schriften (zie hierboven - logikè). En Jezus zegt Petrus wat leerling zijn betekent. Ga terug, achter mij. De leerling is de volgeling, niet een Satan. Geen tegenstrever. Een volgeling op de weg naar Jerusalem, de weg van het kruis. De weg van het woord dat een uitnodiging is om na te volgen en mee te gaan, te dragen.

54 - 2011
- Een profeet is geen hoogwaardigheidsbekleder. Het is meer een bezetene. Iets of iemand heeft zich in hem vastgebeten, een heilig moeten. Je verleidt me en ik bezwijk. Je bent me te sterk. Ik kan niet op tegen jou. Dit betekent dat de profeet voortdurend buitengesloten wordt, als een verstotene geldt. De verdwazing die koning is in Israël komt op zijn hoofd neer. Hij is een schande, een outcast. En zegt Jeremia: als ik me eraan probeer te onttrekken dan vlamt het op in mij. Hij is zonder verweer.
- Ook van David. Het droge land schreeuwt om regen. Zo dorst mijn ziel en hunkert mijn hart. Ik koester mij onder Uw vleugels. Mijn ziel is aan U verkleefd. Eenvoudige, herkenbare, maar ook doordringende taal vertolkt het mateloos verlangen van de psalmist die vandaag reflecteert op de woorden van Jeremia.
- Na de overstelpende geloofsontroering van de vorige week blijft en nog alleen dit over: wijd je toe aan God als een levend aanbod. Wat betekent dat dan? Hoe kan ik mij aan God aanbieden? Stem je gedag niet af op de hanen en de hennen, op het aanzien en de macht van alles wat zich als dienbaar opwerpt. Dienen is weten van een geheel andere eredienst, van een geheel ander inzicht. Daarbij blijkt aan de orde: de kunst om uit te maken wat goed is, wat zeer goed en wat volmaakt.
- Wat betekent het dat Jezus de Messias is? Petrus had daar met zijn Messias de zoon van de levende God blijkbaar een idee van, maar Jezus stelt daar tegenover dat Hij naar Jerusalem moet gaan en daar veel te lijden zal hebben van de oudsten, de overpriesters en de schriftgeleerden. Ze zullen niet veel van hem overlaten. Petrus, weer bij zinnen, weet, dat hij dat niet bedoeld heeft. Hij neemt Jezus ter zijde maar krijgt te horen wat de plaats van de leerling is:achter mij. Zijn gezonde verstand heeft niets te maken met Uw wil geschiede. Je leven verliezen om zijnentwille. Wat is dat, zijnentwille je leven verliezen?


23e zondag door het jaar zondag
Ezechiël 33, 7 – 9; Psalm 95; Romeinen 13, 8 – 10; Matteüs 18, 15 - 20

51 – 2008
- De Bijbelgedeelten uit de profeten worden in de zondagse liturgie vaak ingeleid met: Zo spreekt de Heer. Zoek je het dan, zoals vandaag, in Ezechiël op, dan blijkt zo niet de Heer, maar zo de keuze van de kerk te spreken. Ze begint op een manier waar je even van schrikt, zeker wanneer je, wat eigenlijk hoort, hardop leest. Wanneer je de tekst direct leest, zeg je wat in de vertaling klinkt als: En jíj, zoon/kind van Adam, jíj mensenkind, menszoon. Alsof je eigen stem jóu aanspreekt nu je deze tekst leest en hoort. Wat is er dan met mij? Wat moet ik? Wie wil wat? Het blijkt, dat ik een wachter ben. Ik ben aangesteld als een bewaker. Israël is in de bijbelse traditie ook een naam voor de mensen, het volk. Voor wie wil: een inclusieve term. Ieder mag zich toegesproken weten.
Een echo mengt zich hier in de tekst. Ezechiël heeft van Cain geleerd. Ik ben wel mijn broeders hoeder.
- Bemin je naaste, de mens naast je. Die is als jij. Alles klinkt daar in mee over “ook slaaf in Egypte”, ook aangewezen op degene die zich over hem of haar ontfermt, iemand die er wil zijn voor hem of haar. Blijkbaar is liefde meer dan bloemetjes en bijtjes. Paulus zegt: je bent het elkaar schuldig.
- Als je broeder zondigt. Zondigen is niet op de eerste plaats stout zijn, niet doen wat niet mag. Het heeft te maken met oriëntatie, met voorbijgaan aan de richting, aan wat je beoogt. Maar wat is dan het doel? Denkend aan Onze vader zou dat al wel enigermate duidelijk kunnen zijn. Het heeft te maken met volk, ons, wij met zijn allen. Zonde is dat wat het verbond op het spel zet, negert, ontkent.
Straffen betekent bij ons een al dan niet pedagogisch verantwoorde tik geven. Hier, in de tekst van Matteüs kom je de ware aard van het woord tegen: herinneren aan de broederschap. Elkaar en de gemeenschap stelselmatig afbreken: zo doen we dat niet. Alles kapot maken blijkt vaak te betekenen: wat we met elkaar delen, wat ons dierbaar is. Dat is op een of andere manier alles.

54 - 2011
- Ezechiël kent het veelbelovende land en Jerusalem alleen maar van horen zeggen. Hij is opgegroeid in de ballingschap en totaal vergroeid met de verwachting. Hij is tot wachter gemaakt voor het huis Israël. Hij zal zijn stem verheffen wanneer gevaar dreigt. Het eerste gevaar dreigt de agressor. Hem moet de profeet – de mensen-zoon – waarschuwen. Doet hij dat niet dan zal God zijn bloed van hem opeisen. Maar als de boze zich niets aantrekt van het woord van de mensen-zoon dan zal hij sterven terwijl de mensen-zoon zijn ziel redt.
De boze kan zich omkeren.
- Met de regels van deze psalm begon en begint het dagelijks koorgebed. De regels nodigen ons uit ruimhartig mee te gaan in de woorden die het bidden dragen. Want ook vandaag is zijn stem in het gebeuren te horen. Vergeet Massa en Meriba niet.
- Houden van de mens die naast je is – blijkbaar moet je dan uit je schulp komen. Niet begeren, niet echtbreken, niet doden, niet stelen, dat alles is van je naaste houden. Bemin de naaste die is als jij, ook iemand die uit de slavernij bevrijd is. Adel verplicht.
- De broederschap luistert nauw want ze komt dichtbij. En als het niet lukt dan zijn er anderen die mede getuigen kunnen zijn om het belang van deze broederschap de onderstrepen en te steunen. En let wel: concrete daden hier en nu zijn ook concrete daden voor de eeuwigheid. Gedane zaken nemen geen keer. En waar twee of meer in mijn naam …


Kruisverheffing
Numeri 21,4-9
Filippenzen 2,6-11
Johannes 3,13-17

Kruisverheffing op zondag. Menige kloosterorde begint of begon op deze dag met de grote vastentijd, alsof deze dag de eerste vooraankondiging van het lijden, sterven en verrijzen van Jezus herdacht. Op 14 september van het jaar 320 zou de moeder van Keizer Constantijn, Helena, in Jerusalem het kruis van Christus gevonden hebben. Daarom is daar ter plekke de Verrijzeniskerk, midden in de oude stad van Jerusalem gebouwd en ingewijd.
- De tocht door de woestijn is een tocht op leven en dood geworden. Voortdurend is het volk moedeloos en moet Mozes het volk meenemen. De klacht tegen de Uittocht wordt alsmaar groter. Heb je ons uit Egypte gevoerd om ons te laten sterven in de woestijn! Vurige slangen stuurt de Heer op hen af. (Vurig, saraf waarvan wellicht serafiem is afgeleid.) Het volk komt naar Mozes en Mozes bidt voor het volk. In opdracht van God moet hij een vurige slang van koper maken. Wanneer het volk daarnaar opziet zal het genezing vinden. De leraren zeggen: door op te zien herinnerden zij zich de verhevenheid van God.
In het hebreeuws zijn de letters ook cijfers. Nachasj, slang en Masjiach, Messias hebben dezelfde letterwaarde. Zo is er een verbinding tussen de eerste en de derde lezing.
- In het evangelie zien we herhaalde malen dat ze/we met Jezus op de loop willen gaan als de man die alles kan. Zoon van God is bij wijze van spreken het hoogste dat over hem gezegd kan worden. De verhalen corrigeren dat. Jezus spreekt over zichzelf bij voorkeur als de zoon van de mens, de zoon van Adam, het mensenkind – alles nog voor zich, een en al kwetsbaarheid. Omdat hij zich vernederd heeft God zich over hem ontfermt en hem verheven, hem een naam gegeven boven alle namen.
- Vergeet het wit tussen de hoofdstukken, De traditie voert dat pas in de 15e eeuw in. Nu zie je duidelijk: het is Pasen, het is feest in Jerusalem (zie Joh 2, 23). Het is nacht (3,2). Nicodemus komt dus niet als een stiekemerd naar Jezus, maar in de Paasnacht. Jezus de leraar, Nicodemus de leerling. Van omhoog (vanuit de hemel, vanuit de verhalen) geboren worden kan Nicodemus blijkbaar niet verstaan. Hij hoort: opnieuw geboren worden. Maar Jezus corrigeert hem (Joh. 3,3.7.31): van omhoog, uit het horen, uit de verhalen geboren worden. Het opgeheven worden van de zoon van de mens. Denk ook aan Gen 22, de opheffing van Isaak. Die opheffing maakt mogelijk, hem te vertrouwen. In dat vertrouwen kan de mens eeuwig leven, leven naar de maat van God, als iemand die bevrijd is.


24e zondag door het jaar zondag
Sirach 27, 30 - 28, 7; Psalm 103; Romeinen 14, 7-9 ; Matteüs 18, 21 - 35

51 – 2008

54 - 2011
- Wat wanneer je je helemaal sluit rondom jezelf als heerlijk en zelfgenoegzaam middelpunt? Je hoeft nog alleen af te rekenen met je tegenstanders en als dat niet snel genoeg lukt blijf je treuren en zeuren. Theater en literatuur worden gevuld met dit soort karikaturen. Zij lijken zo herkenbaar.
Hoe kun je dat leren: vergeef ons onze schuld zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven (hebben)? Ofwel: zoek je te leven in verbondenheid met de Allerhoogste? Vergeef dan je naaste naast je.
- Het diepst van je wezen wil tot uiting komen bij de woorden van de psalm . Welke woorden komen daar, getuige de tekst, over en weer? Vergeven, genezen, van ondergang redden, je omringen met gunst en erbarmen. Het diepste van je wezen zou dat kunnen zijn: Hij die je vindt is blij om en met je.
- Het zijn zinnen die sinds de begrafenis van bisschop Bekkers in het getuigen van ouderen geschreven zijn. Wij leven en sterven voor God onze Heer. Aan hem behoren wij toe. Woorden om bij stil te staan. Blijkbaar kun je zo je leven beleven.
- Broederschap en vergeving, horen die twee bij elkaar. Blijkbaar is die broederschap super gevoelig, wanneer mijn broer iets tegen mij misdoet. Vraagt Petrus hier ook een beetje naar de grondslag van de broederschap die bij wijze van spreken in Matteüs 28, (7. 8 en zie dan 10!) ter sprake komt. Op een of andere wijze gaat solidariteit verder dan wat berekenbaar is. Zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven. Die onberekenbaarheid gaat zover dat de Heer in de gelijkenis op de plaats van de mededienstknecht blijkt te staan. Wat hem overkomt, overkomt Hem. En de woorden van het definitieve oordeel blijken je eigen woorden (alles, schuld) te zijn.

25e zondag door het jaar zondag
Jesaja 55, 6 – 9; Psalm 145; Filipensen 1,20c - 24 + 27a; Matteüs 20, 1 - 16a

51- 2008
- Je moet God zoeken in zijn gevonden kunnen worden, hem roepen in zijn nabij zijn. Blijkbaar is God niet een open boek dat je zo kunt lezen. Blijkbaar hoort het zoeken er bij, zoals het vinden. Roepen, de Schrift gebruikt dit woord ook voor lezen, steeds hardop. Hardop lezen wat ons draagt, dat is de boeken openen en Hem zoeken nu hij gevonden kan worden. Omkeren, terugkeren. God zal zich over de mens ontfermen. Zijn boekhouding is niet met het oog op een dreigende afrekening. Hij is uit op betrokkenheid en vergeving. Het alteruisme van de hemel is voor een monomane wereld niet navolgbaar.
- Paulus in de gevangenis. Betekent dit voor hem het einde. Zal hij in zijn veroordeling Christus verheerlijken/ Of zal hij blijven leven en zo kunnen werken voor het evangelie. Hij weet het niet. Maar in ieder geval staat hem een samenleving voor ogen waarin het goede verhaal van en over de Messias herkenbaar is.
- De werkers van het 11e uur. In menig gesprek blijkt dat mensen dit oneerlijk vinden. Wie maar één uur gewerkt heeft krijgt evenveel als wie de hitte van de dag verdragen heeft. En het zou best kunnen dat het oneerlijk is. Waarom zouden wij het beter weten dan de mensen over wie het verhaal vertelt? Wordt hier niet uitgelegd hoe wij huis houden? Wat de wet (nomos) van ons huis (oikos) is, onze economie? In het Rijk der hemelen gaat het anders. Aan het einde van het verhaal blijkt ieder mens voorwerp te zijn van Gods eindeloze liefde. Typisch dat dat zo’n harde les is.
Omdat niemand ons gehuurd heeft. Gaat het ook over het koninkrijk Gods vanaf Abraham. De werkers van het laatste uur zijn daar gelijk aan die van het eerste uur. Het zou kunnen dat kerk en synagoge gelijke kinderen van Abraham zijn.

54 - 2011
- Zoeken en roepen. In nu hij gevonden kan worden moet je hem zoeken. Het heeft zin, het kan. En je kunt je tot hem richten want de afstand tot Hem is nabijheid. De afstand tussen hemel en aarde is voor ons een onoverbrugbaar verschil, maar sinds Genesis 1 zijn die beide plaatsen, en zijn ook God en mens elkaar nabij.
Daarom kun je wat nergens toe leidt achter je laten. Als je tot die Heer terugkeert zal hij zich over je ontfermen zoals een moeder (of vader) zich over een kind buigt. De gelijkhebberigheid en het afrekenmechanisme dat menselijke verhoudingen soms kenmerkt, kent Hij niet. Hij is daarvan mijlenver weg. De hoge hemelen en zijn hoge wegen zijn “Zijn betrokken nabijheid”.
- Wanneer God voor jou de allerhoogste is, en je prijst Hem iedere dag, wie of wat prijs je dan? Wie of wat is er dan voor jou om te prijzen. Met andere woorden: waar zou je je door willen laten leiden. Daar heeft de psalm woorden voor: vol liefde en betrokkenheid, uitermate geduldig en goedgunstig, bezorgd voor iedere mens, barmhartig, heilig. Wanneer je God daarom prijst krijg je wel veel te doen.
- “… hetzij door mijn leven, het zij door mijn dood …” Blijkbaar gaat het over alles, of over dat wat “wat dan ook”, bepaalt. In leven of dood gaat het volgens Paulus over de Messias, over “bij Hem zijn” of “bij Hem”zijn – en bij zijn mensen zijn, opdat zij zich zouden mogen verheugen over hun vertrouwen. En hij beveelt aan: gedraag je overeenkomstig de waarde van het Evangelie, het Goede Verhaal dat tot je gekomen is.
- Staan ze zich te verdringen op die markt? Hoe staan ze daar? Welke selectie maakt de heer van de wijngaard? Het zijn allemaal zaken waar het verhaal zich niet over uitlaat. Het maakt blijkbaar niets uit. Hij gaat vroeg in de morgen om te huren. Hij wordt het met de mensen eens over het salaris en stuurt hen naar zijn wijngaard. Datzelfde gebeurd rond het 3e, 6e en 9e uur, zelfs nog rond het 11e uur, vlak voor het sluiten van de markt. Die laatsten waren gehuurd door niemand en de Heer van deze wijngaard heeft daar moeite mee. Komt en ze gaan. Niets aan de hand. Totdat er uitbetaald wordt. Te beginnen bij de laatsten. Die krijgen meteen de hoofdprijs die met de eersten afgesproken was. En nadat de rijen afgewerkt zijn blijken die eersten hetzelfde te krijgen als die van het 11e uur – alsof de hitte van de dag geen extra greep op hen gehad heeft! Dat levert gemor op in de geleden en brengt een vreemde dialoog op gang. Vreemd, omdat het einde te denken geeft: Zijn jullie kwaad omdat ik goed ben?


26e zondag door het jaar zondag
Ezechiël 18, 25 – 28; Psalm 25; Filipensen 2, 1 - 11 of: 2, 1 – 5; Matteüs 21, 28 – 32

51 – 2008
- Hoezo zou de weg van de Heer niet recht zijn? Wat brengt Ezechiël ter sprake? Als een rechtvaardig kwaad doet, zouden dan zijn goede daden van vroeger niet meer tellen? En omgekeerd, als je berouw krijgt, zou je dan niet meer gestraft moeten worden voor je verkeerde daden? Er is dus eigenlijk geen maat. Ezechiël zegt dat beloning of straf geen kwestie van voor wat hoort wat of boontje komt om zijn loontje zijn. Wanneer je spijt hebt van het goede dat je gedaan hebt, dan zul je zeker sterven. Daarbij gaat het niet over biologie. Je plaatst je buiten de gemeenschap, buiten het leven. En de tekst is daar vrij kort over. Veel meer aandacht is er voor degene die berouw krijgt van het verkeerde. Tot inzicht komen, omkeren, zal lijden tot werkelijk leven. Het is voor ons moeilijk te verstaan, maar de joodse traditie zegt: wie binnen het verbond leeft, leeft, ook wanneer hij gestorven is.
- De samenstellers van de liturgische lezingen laten de lezing van twee weken geleden terugkomen. Nu blijkt dat de verheven woorden over Jezus die zich vernedert en die als vernederde verheven wordt door God, bedoeld zijn als een pleidooi voor het leven in en bewaren van de gemeenschap. De ander gooit in de omgang met elkaar blijkbaar hoge, bijna messiaanse ogen.
- Het is de vraag of de lezing uit Matteüs wel zo aangenaam is. Het verhaal over de twee broers gaat er in als koek. Natuurlijk, die jongen die nee zegt maar toch doet wat zijn vader hem vraagt, die doet de wil van zijn vader. Dat is toch geen discussie waard! Maar dan wordt het heel serieus. Dat moet ook wel, want nog een paar hoofdstukken en we zijn bij het lijdensverhaal van Matteüs. Het gaat er op aan komen. Jezus heeft de Tempel schoon geveegd. Ze vragen hem naar zijn gezag. Waar komt dat vandaan. Waar is het op gebaseerd? Maar ze schijnen niet in het antwoord geïnteresseerd, daarop dit verhaal.
Johannes is gekomen op de weg van de gerechtigheid, maar jullie hadden daar geen vertrouwen in. Maar degenen die jullie afschrijven hadden daar wel oren naar. Zelfs toen jullie dat zagen maakte het jullie niets uit. Bijna ademloos eindigt daarmee het verhaal. Een open einde. Ja zeggen en nee doen, zou je dat niet kunnen of willen omdraaien. We zijn uitgenodigd.
Een vader had twee zonen: Isaak. De twee zonen: Esau en Jacob. Esau, de eerstgeborene, had ja moetenzeggen maar hij verachte de verantwoordelijkheid van de eerstgeborene. Hij stierf van de honger. Jacob zegt eigenlijk ook nee, als zal schaden en schande hem leren hoe ja te zeggen.

54 - 2011
- De vaderen hebben onrijpe vruchten gegeten en de tanden der kinderen zijn bot geworden. Met die woorden opent Ezechiël 18. Blijkbaar kunnen zij niet verhapstukken wat hen overkomt. Ze zeggen dat de weg van God niet correct is – luister dan toch huis van Israël! Wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn rechtvaardigheid dan zullen zijn eerdere daden hem niet vrij pleiten. Het gaat niet om wat je gedaan hebt. Aan de orde is wat je doet. Keer je om, weg van je onrecht, dan zal dat je zeker niet meer deren. Je zult leven. Ik zal je een nieuw hart maken en een nieuwe geest. Hart is de richting die ik zoek. (Heb het lev eens, wanneer je er op uit bent om dát te doen … Geest is de intensiteit: hoe ben je bezig.
- Elke dag heeft zijn eigen licht, is origineel en nieuw. De psalmist maakt zijn raam open, begroet het licht, begroet zijn God, de bezorgde, de barmhartige, de rechtvaardige.
- Als het zo is, schrijft Paulus, dat vermaning en bemoediging, dat gemeenschap van Geest, dat hartelijkheid en mededogen iets zeggen, laat dan jullie eenheid en eensgezindheid de bekroning zijn. Kijk eens hoe die woorden in de tekst staan. De “gemeenschap van de Geest” wordt gevleugeld door 2 keer 2 woorden. Daarbij gaat het over leraar en leerlingen, maar ook om werkelijk menselijke verhoudingen waarin je elkaar niet kleineert of de wind uit de zeilen neemt. De Messias Jezus laat immers een heel ander beeld zien van wat bij uitstek menselijk is.
- Een volstrekt onnozel verhaal. Het gaat over een vraag die geen vraag is. Een vader vraagt zijn zoon iets te doen. De eerste zegt “Ja” en doet het niet, de tweede zegt “nee” en doet het wel. Wie doet de wil van de vader? Maar gegeven het voor de hand liggende antwoord maken de toehoorders die ingaan op de vraag zich tot adres van: Tollenaars en prostituees gaan eerder Gods Rijk binnen dan jullie. Dan sta je toch wel even te kijken. En als je nog komt tot een “Hoezo?”, dan krijg je de uitleg. Jullie hebben niet geluisterd naar Johannes maar zij wel. En als je ziet hoe zij je voorgaan in de ommekeer dan trek je je er nog helemaal niets van aan ook!
De hogepriesters en de oudsten van het volk zijn in dit verhaal de geadresseerden. Kan dat te denken geven of doet het er niet toe?


27e zondag door het jaar zondag
Jesaja 5, 1 – 7; Psalm 80; Filipensen 4, 6 – 9; Matteüs 21, 33 - 43

51 – 2008
- Het lied van mijn vriend en zijn wijngaard – een van de teksten die in je geheugen blijft hangen: de sfeer, de inzet. Wat alles belooft ontaardt in teleurstelling en bitterheid: omheining weg, kaalgevreten, muren stuk, platgetrapt. Poëzie ontaardt in catastrofe – hoe is het mogelijk!
- Onbezorgd klinkt nogal zorgenloos, nonchalant bijna. Toch zal Paulus dat niet bedoelen. Je hoeft niet bang te zijn, niet opgesloten in je onzekerheid. De gelovige heeft een adres, hij of zij kan terecht. Bidden, vragen en, vergeet niet, danken. De vrede zal je deel zijn. En als die rust er is, dan kun je ook je aandacht richten op wat je aandacht terecht vraagt. Paulus heeft daar veel woorden voor.
- Jezus vertelt het verhaal van de wijngaard. Iedereen weet wat er komt, alle oren gespitst. Het favoriete verhaal. Dan komt de wending. De heer vertrekt en laat zijn wijngaard aan anderen. Ten tijde van de oogst stuurt hij dienaren. Van dan af aan gaat alles verkeerd. Wanneer uiteindelijk de zoon komt wordt die omgebracht. Hij is immers de erfgenaam! Het woedende publiek weet precies wat ze met die misdadigers in de wijngaard moeten doen. In die emotionele betrokkenheid komt de verbijsterende vraag: Hebben jullie dat nooit gezien in de Schriften – de steen die de bouwlieden hebben afgekeurd is de hoeksteen geworden. De heer heeft dat bepaald en het is wonderlijk in onze ogen. Is dat wonderlijk in onze ogen? Tegen hen die smalend staan langs de weg van Jezus naar Jerusalem zegt Jezus volgens Matteüs: Gods koningschap zal jullie ontnomen worden en gegeven worden aan een volk dat de vruchten wel opbrengt. Let wel: niet “aan een ander volk”, maar “aan een volk dat de vruchten opbrengt.”

54 - 2011
- Een populair lied. Het lied over mijn vriend en zijn wijngaard. Iedereen kent het, iedereen weet wat er gebeurt, de toeleg, de onverschilligheid. Hoe kun je toewijding volhouden wanneer het werk alleen maar tevergeefs blijkt, frustra? Maar de schrik slaat er in wanneer de wijngaard het huis van Israël is. Hij hoopte op het betrachten van recht. Het werd enkel het verkrachten van recht.
- Wet – zeker in de bijbelse literatuur – van WETen. Het gaat over wat een mens weten mag en weten kan. Wat God ons te weten aanbiedt, wat de geschiedenis ons leert, of nog beter, wat je geschiedenis jou leert in het spoor van de woorden. Onderricht, leren, taalverwerving, woorden vinden. Zijn menselijke verhoudingen niet uiteindelijk zeer talige en taalgevoelige gegevens? Het woord van de Heer is eerlijk en blijft waar, voor mijn tijd en na mijn tijd, eeuwig – de” tijd” van God.
- Als je veel te dragen hebt, en iedereen die niet van gisteren is heeft dat, hoe kun je je dan door Paulus laten aansporen om “niet bezorgd” te zijn? Paulus maakt daar een punt van. Blijkbaar is het een belangrijke of dringende vraag. Maar hij schrijft dat het eigenlijk vrij eenvoudig is. Leg alles wat je bezig houdt voor aan God. Zijn vrede zal dan je hart en je gedachten behoeden. Dan sta je er niet allen voor. Paulus heeft veel namen voor het goede. Zoekt naar wat edel is, wat rechtvaardig, … enz.
- De kortste verbinding tussen twee punten is een rechte lijn, maar die bestaat alleen in de wiskunde of op de tekentafel. Mensen en menselijke verhoudingen zijn niet zo kort aangebonden. Het selecte gezelschap rond Jezus is daarom select, omdat een bonte menigte zich om Hem verdringt. Waar Hij het middelpunt is doet de veelheid van het voortdurend verschillen en anders zijn er toe. Het vertrouwen van Jezus is uitermate sociaal.


28e zondag door het jaar zondag
Jesaja 25,6-10a; Psalm 23; Filippenzen 4,12-14.19-20; Matteüs 22,1-14

51 – 2008
- De berg Sion wordt een gastheer voor heel de wereld. De sluier over de volkeren en over de wereld zal hij verscheuren. Er zal geen dood meer zijn. De berg Sion is een plaats van uitgelezen spijzen en goede wijnen, gastvrijheid voor iedereen. Iedereen zal zien: dit is het. Een waar visioen, puur toekomstmuziek. Een goed jaar, een goed wijnjaar.
- Wanneer in uw gemeenschap de tweede lezing gelezen wordt dan bent u vandaag de laatste keer te gast bij Paulus die ons zijn brief laat lezen aan zijn mensen van Filippi. Hij kan best tegen een stootje en is wat gewend. Maar hij dankt de mensen die hem geholpen hebben. De laatste zin is pittig. Letterlijk en tegelijk parafraserend: Mijn God zal alles wat je nodig hebt vullen met zijn rijkdom in de doorslaggevende betekenis die Jezus Christus heeft. Een zin om vaker bij terug te keren en te overwegen.
- Een koning geeft een bruiloft voor zijn zoon die trouwt, maar de genodigden komen niet. Dat bestaat niet. Dan moet het een koning zijn die eigenlijk geen koning is, die niets begrijpt van zijn mensen. Of omgekeerd. Hij kan er niet bij dat zij zich zo gedragen nu het over zijn zoon gaat. Dat die afgewezen koning kwaad reageert begrijp je wel. Hun stad in brand. Het moet een van de beelden zijn die Matteüs nooit meer van zijn netvlies krijgt: de stad in brand. Jerusalem. Onmogelijk ontredderd. Maar dan!
De bruiloft gaat zeker door. Alles wat op straat te vinden is wordt uitgenodigd en blijkt te komen. Ook die ene. Zonder bruiloftskleed. Gevraagd naar het hoe verstomt hij. Zoals de stad brandt, zo wordt hij gebonden naar buiten geworpen.
Er is weinig aandacht voor de zoon die trouwt. Alle aandacht blijft hangen bij die ene die naar buiten geworpen wordt.
Een van de commentaren zegt: de bruiloftsgasten krijgen ook de feestkleding bij de deur. Deze heeft dat blijkbaar geweigerd. Het is een gast die geen gast wil zijn. Geroepen zijn is dus niet alleen passief. Je moet blijkbaar ook weten dat je gekozen bent. Adel verplicht.
Er zijn ook suggesties die zeggen: het heeft te maken met Grote Verzoendag. Op die dag loopt men in witte kleren. Deze niet. Hij kleedt zich niet met verzoening, stelt zich daarbuiten. “Waartoe ben je gekomen?” – zoals ook Judas gevraagd wordt.

54 - 2011
- De Heer van de hemelse machten zal voor alle volkeren op deze berg … We horen over een droom van een maaltijd op de berg. Uitgelezen voedsel, belegen wijnen. Het doek dat de volkeren en de naties aan het gezicht onttrekt wordt weggenomen. De dood is er niet meer. Tranen worden gedroogd. Wij zullen ons verheugen in zijn jesoea, zijn bevrijding.
- Vers water, groen gras en blije gezichten, meer heeft een mens niet nodig vertelde me ooit een gids van Wadi Musa in het zuiden van Jordanië. Zeker als je die aarde daar en elkaar aanziet. Dan weet je op een of andere manier ook dat Hij, God, onze herder is, mijn herder is. Wat er ook gebeurt, dan kom je niet te kort.
- Een beetje stoer, Paulus vandaag. Niets is aan hem voorbij gegaan. Hij weet wat armoede is, en wat overvloed. Hij is volledig ingewijd. Je hoeft het hem niet uit te leggen. Maar de mensen van Filippi hebben er goed aan gedaan hem te helpen “in mijn moeilijkheden”. Het zal wel over concrete ondersteuning gaan, maar zou het ook zo kunnen zijn, dat hij zich realiseert, dat zij voor hem oor wilden zijn, oog, adres?
- Het is een verhaal voor de hogepriesters en de oudsten van het volk. Een opmerkelijk verhaal. Je zult maar koning zijn en een bruiloft hebben en allen die je uitnodigt komen niet! Ook de geuren en kleuren die een toelichting geven bij de uitnodiging helpen niet. Ieder van de genodigden gaat zijns weegs of vergrijpt zich aan de dienaren. Blijkbaar wil men niets weten van die koning. Totdat de kruispunten van de wegen een vindplaats voor mensen worden. Maar ook dan blijft: adel verplichtend. Wat mag dat bruiloftskleed zijn (als kleren de man maken).

29e zondag door het jaar zondag
Jesaja 45, 1 + 4 – 6; Psalm 96; 1 Tessalonicensen 1, 1 - 5b; Matteüs 22, 15 - 21

51 – 2008
- Cyrus zijn gezalfde. De Perzische koning Cyrus is de enige die in de Verhalen Vanouds gezalfde, Messias, wordt genoemd. Wat maakt hem tot Messias? Hij maakt een einde aan de (Babylonische) Ballingschap. Cyrus is in dienst genomen om het volk te bevrijden en terug te laten gaan naar Jerusalem. Zie daartoe eventueel ook 2 Kronieken 36,22-23. Dat zijn de laatste woorden uit de Tenach volgens de joodse wijze van lezen. Wij zouden daarna kunnen doorlezen Matteüs 1,1: Boek van de wording van Jezus Messias … Cyrus de gezalfde baant de weg naar die andere gezalfde.
- Paulus, Silvanus, Timoteüs. Namen worden genoemd. Het gaat om persoonlijke verhoudingen. Mensen kennen elkaar. Denken aan Tessalonica betekent voor hen denken aan geloof, hoop en liefde. Maar deze woorden komen niet alleen. Geloven betekent daden van geloof. Houden van betekent zich inzetten, steeds weer en hopen betekent niet aflaten. De hoop is een soort plaats waar je verblijven kunt, terecht kunt. Geloof, liefde en hoop zijn drie gezichten van wat in alle verschillen constant is, namelijk antwoord geven op de stem van het goede verhaal over Jezus de Messias.
- Velen zijn geroepen, weinige uitverkoren. Daarmee eindigde de lezing vorige week. Wat doen de leiders van het volk nu? Om Jezus in hun val te laten lopen verzinnen ze een vraag. Daarmee sturen ze hun leerlingen samen met de Herodianen naar Jezus. Farizeeën en Herodianen zijn het met elkaar eens wanneer het er over gaat hem te pakken. Is het geoorloofd belasting te betalen? Ja is fout en nee is fout. Jezus is aan zet. Hij maakt van hun verbaal geweld een theater. Wat probeer je mij te toetsen (tot klinken brengen)? Laat me een munt zien voor de belasting… Van wie is dit de icoon en het opschrift? Er is dus een beeld aan de orde, en zoals geschreven is. Beeld van de keizer (tegenover beeld van God). Welk pro-gramma stelt welke norm? De historische situatie wordt niet ontkend. Maar naast dit alles moet je God geven wat Hem toekomt en dat ben je zelf, geschapen naar Gods beeld.

54 - 2011
- Wat voor ballingen in Babylon ondenkbaar was gebeurt: Babylon is niet meer. Cyrus de koning van de koningen, de koning van de Perzen overwint Babylon. En de ballingen mogen terug. Cyrus is de eerste die de Messias genoemd wordt, de koning die bevrijdt. God neemt de koning der koningen in dienst omwille van zijn volk. Opdat zij van waar de zon opgaat tot waar de zon ondergaat weten, dat er niemand is naast mij, Ik ben de Heer en er is geen ander.
Het zou hier om meer kunnen gaan dan enkel om een interpretatie van een historische gebeurtenis. De conclusie van deze tekst kan ook van toepassing zijn op wat ons bedreigt. Wat ons bedreigt en verlamt is God niet, heeft het laatste woord niet.
- Het is altijd het oude liedje, maar dat is altijd zo goed als nieuw. Anders kun je niet zingen, klanken en woorden vinden en daar je stem aan geven, vertolken. God is God, niet de Goden. De Goden stellen niets voor en hebben niets in te brengen. Zij vragen alleen maar en bieden geen enkele ruimte. “Scheppen” moet volgens de hoge standaard van de echte wetenschap tegenwoordig “scheiden” of “afscheiden” betekenen. Wordt daarmee zoiets bedoeld als “ruimte bieden”? “plaats maken”?, zoals wezenlijk en alternatief gebeurde toen het volk onder Gods sterke arm uit Egypte toog, opgetogen. Eindelijk vrij – een nieuw lied.
- Paulus aan zijn mensen in Tessalonica. Een aanhef in grote innigheid. Het is een gemeenschap in God de Vader en in de Heer Jezus Christus. Denken aan die gemeenschap is voor Paulus: denken aan hun vertrouwen dat zo zichtbaar is in hun daden, hun niet aflatende genegenheid en de verwachting die bij hun stand houdt. Het evangelie was voor hen niet enkel de woorden die zij hoorden, maar ook de manier waarop zij daarop reageerden, met instemming en overtuiging.
- De pericoop van vandaag is al halverwege wanneer eindelijk het brood op tafel komt: Wat denk je? Is het geoorloofd aan de keizer belasting te betalen of niet? Daarbij moet je dan wel bedenken dat de keizer in het verhaal niet de minister van financiën is, maar de keizer van Rome, de grootbaas van de onderdrukking. Mag je als een vrije jood die God dagelijks dankt voor zijn bevrijding – altijd nieuw – heulen met de vijand? Twee antwoorden zijn mogelijk en beide antwoorden spelen de tegenstanders van Jezus in dit verhaal in de kaart. (De belastingmunt die je volgens hen eigenlijk niet mag betalen, blijken zij onmiddellijk bij de hand te hebben!)
Voor Jezus blijkt de logica niet de formaliteit van het toepassen van regels. Het is geen kwestie die je op je vingers kunt natellen. Het gaat over wat/wie je kunt zien en over wat zien eigenlijk is. Is er naast de keizer iemand anders “aan te zien” wanneer je mensen niet naar de ogen kijkt? (En: niet allen munten dragen een beeld. Volgens Genesis 1 zijn er meer beelddragers in deze wereld.)


30e zondag door het jaar zondag
Exodus 22, 20 – 26; Psalm 18; 1 Tessalonicensen 1, 5c – 10; Matteüs 22, 34 - 40

51 - 2008
- Je moet van de naaste houden als van jezelf – die tekst is in ons geheugen ingeslepen. Vandaag is die gravure bij te stellen. Je moet van die naaste houden want die is net als jij vreemdeling in Egypte geweest. God heeft hem evenzeer de vrijheid gegeven als jou. Hem is hetzelfde overkomen als jou. Hij is evenzeer op bevrijding aangewezen als jij. En niet alleen de naaste! Ditzelfde ben je ook de vreemdeling schuldig. Zoals God op jou betrokken is, zo moet jij proberen tegenover de ander te zijn. Halt dein Genosse lieb dir gleich (M.Buber).
- Paulus is heel gelukkig met Tessalonica. Hij heeft de fakkel doorgegeven en zij hebben zijn inzet van hem overgenomen. Zo geven zij de inspiratie door en wordt hun inzet een lopend vuur, een nieuw begin. Leven is niet enkel de rest van hetzelfde.
- Farizeeën en Sadduceeën, zijn het als oost en west nooit met elkaar eens. Nu nemen ze het voor elkaar op. Samen willen ze Jezus toetsen, tot klinken brengen. Als de Sadduceeën niet verder komen nemen de Farizeeën het over: Meester, wat is het grootste gebod in de Tora? Als de leraren combineert Jezus daarop twee teksten uit de Tora (Deuteronomium 6,4 en Leviticus 19.8). Die zetten beide in met Je zult houden van. Zo leggen ze een relatie tussen degene van wie je zult houden. Zult. Meer toekomst dan gebod wellicht.
Je zult houden van God, en, je zult houden van de naaste. Die twee lijken niet alleen symmetrisch, maar ook synoniem. Ze zijn als linker en rechthand. Samen staan ze voor hetzelfde werk.

54 - 2011
- Als je zelf vreemdeling bent geweest, dan weet je wat dat betekent. De vreemdeling onderdruk je niet. Ook mensen die niemand hebben die zich over hen ontfermt, weduwen en wezen, doe je geen onrecht. God stelt zich garant voor hen.
Ook geen misbruik maken van iemands nood: geen rente vragen. En de mantel van de arme in onderpand gegeven zul je voor de avond valt terug moeten geven. Het is alles wat hij heeft om zich te bedekken. Omdat het God pijn doet dat te zien moet je de arme helpen.
- Alleen als je weet dat vrijheid geen natuurlijk goed is, dat vrijheid je geschonken is, dat iemand om je geeft, alleen dan kun je God danken voor de vrijheid die Hij je geeft. Dat is niet “eens gegeven blijft gegeven” maar een gave die steeds te aanvaarden is – zoals je ook niet eet en daarna nooit meer honger hebt. Wanneer in je vrijheid ook God een plaats heeft, heb jij ook een plaats bij Hem, kan Hij je plaats zijn, en jij bij Hem “op je plaats”. Er zijn veel woorden die dit wederzijdse gebeuren in beeld brengen: rots, bevrijder. (Wie is de koning die God zegent?)
- Het verhaal over de geloofsgemeenschap in Tessalonica is gaan rondzingen door Macedonië. Het verhaal over hun vertrouwen bleek allerwegen aandacht te trekken. Tessalonica klampt zich niet meer vast aan de schijnzekerheid van goden die er niet toe doen. Bij hem wordt weer zichtbaar: mens zijn voor God is naaste voor je naaste zijn en leven met de verwachting die de Messias is.
- Wanneer je speelt met het voorafgaande verhaal kun je ook proberen: “Hoe kan er in alle veelvoud éénvoud zijn?” Want veelvoudig en veelvuldig zijn de levenden. “Welnu,” besluit Jezus daar tot verwondering van de vele aanwezigen: “God is niet een God van de doden maar van de levenden.” Het vervolg van dit verhaal kan ook zoiets als de resonantie zijn, de katechese (=echo) van deze stelling.
De Farizeeën komen bijeen en één van hen vraagt Hem… Eerste opmerking: als zij bij elkaar komen hoort Hij daar blijkbaar ook bij. En blijkbaar speelt daar nog steeds de vraag naar het éénvoud. Meester, wat is het grootste gebod? Is dit een vraag die hoort bij het in beeld brengen van de grote en de kleine geboden? Of is het de vraag naar de kern? Voor Jezus blijkt het dit laatste te zijn. De vraag waar alles op neer komt. Een vraag met verticale en horizontale dimensies. Zoals het kruisteken: van boven naar beneden met het uitzicht op de mensen die naast je staan – die ook uit Egypte bevrijd zijn, zoals jij.

31e zondag door het jaar
Maleachi 1, 14b - 2, 2b + 8 – 10; Psalm 131; 1 Tessalonicensen 2, 7b - 9 + 13; Matteüs 23, 1 - 12

51 – 2008

54 - 2011
- Het is een citatenlezing die de samenstellers van het leesrooster ons geven, een serie aanklachten die feitelijk neerkomen op: “Adel verplicht”. Als je in dienst staat van de Allerhoogste, besef dan ook dat je in dienst staat van de Allerhoogste. Als je je niet bekommert om de luister van Gods naam, dan vervloek ik de zegeningen die je gegeven zijn, dan maak je je zelf belachelijk. Als je elkaar bedriegt ontheilig je het verbond dat met onze vaderen gesloten is.
- De verhouding met God in beeld gebracht: een kind dat rust op de schoot van zijn of haar moeder. Zo zou Israël (in de Talmoed geen aanduiding van een volk maar van een bepaalde kwaliteit van mens zijn, schrijft Levinas in een van zijn Talmoed-commentaren) bij God een schuilplaats kunnen vinden.
- Priester zijn voor de allerhoogste betekent ook “dat hoogste” van je verwacht mag worden. Je zult moeten leren te horen en je te bekommeren om de glorie van Zijn Naam. Als je dat niet doet, dan verandert je zegen in een vloek. De ontrouw van de priesters betekent verguizing en smaad voor de gemeenschap. Als God de mens geschapen heeft, waarom bedrieg je dan elkaar?
- In het hebreeuws is de letter Lamed (L) de grootste letter. Er zijn leraren die dit volstrekt niet verbaast. Het leren is het grootste, met meest menselijke dat er is. Geen mens zou er te oud voor zijn.
Groot is de catastrofe wanneer blijkt dat de leraren alles doen behalve leren, wanneer blijkt dat hun daden hun woorden ontkrachten, wanneer mensen gebogen gaan onder de lasten die zij hun opleggen, wanneer hun heiligheid enkel schijn is. Jezus volgens Matteüs pleit er voor, dat wij allen één Meester hebben en dat wij zelf allen broeders en zusters zijn, zoals we in feite ook maar één vader hebben, “onze vader”. En als in een voetnoot klinkt dat wat eigenlijk vanzelfsprekend is: leraar zijn betekent dienaar zijn.

Allerheiligen woensdag
Apokalyps 7, 2 - 4 + 9 – 14; Psalm 24; 1 Joh. 3, 1 – 3; Matteüs 5, 1 - 12a

51 – 2008
- Apocalyps, het Open Boek, het Troostboek van Johannes. Wat de woorden ons voorhouden is louter bedrijvigheid. De wereld dreigt te vergaan. Vier engelen is de macht gegeven de aarde en de zee schade toe te brengen. Nu komt er een engel uit het Oosten, uit vanwaar het licht, met een zegel. Het zegel van de levende God. Getallen worden gemoed, grote getallen, uit Israël en uit de volkeren. Hoe verschillend ook, eenstemmig zeggen ze: God zij dank.
- In de tweede lezing gaat Johannes uit van de liefde die de Vader ons betoont heeft. Die liefde heeft de geloofsgemeenschap geïsoleerd in die zin, dat de wereld (uit op eer, macht, gezag, geld, roem, en noem maar op, alsmaar meer) hen niet begrijpt. Dat een mens een kind van God is – blijkbaar is dat uitzonderlijk en extreem. En in alle nuchterheid, het is waar. Als een mens een kind van God, heilig in Gods ogen, en je hebt daar weet van, dan kun je er niet alles meer mee.
- Wat ben je er gelukkig aan toe wanneer je. Zoiets betekent zalig zijn. Let op de kleintjes, op de woorden die het tafereel inleiden. Hij ziet de menigte. Daarop gaat hij de berg op. Hij gaat zitten. De leerlingen komen naar hem. Hij opent de mond en het onderwijs begint. Jezus op de berg als leraar. Het is de voortzetting van zijn eerste zelfs spreken in het evangelie van Matteüs. Zijn eerste woorden waren een herhaling van de woorden van Johannes. Zijn eerste eigen tekst was: … laat nu begaan, want zo moet alle gerechtigheid worden vervuld. De zaligsprekingen lijken een voortzetting, uitleg en weerklank van die tekst (zie Matteüs 5,6.10).
Jezus aan het woord. De woorden die je hoort zijn de woorden ook waarop wij hem nemen en waarop hij gepakt is. Jezus die gekruisigd is: hier horen wij waarom, waarop.
Hemel en aarde – zoek de woorden op in de tekst – horen we niet in een regel bij elkaar. Ze zijn uit elkaar geschreven. Tussen beide woorden in staan de treurenden. Als de geest de trooster is, dan weten we dat de opgegeven aarde (De aarde is woest en leeg, duisternis over de vloed) toch niet alleen is. De treurenden worden getroost. Daar gaat hij voor. Om zichtbaar te maken dat deze wereld hem door en door ter harte gaat.

54 - 2011
- De tekst laat ons meekijken met wat Johannes ziet. Waarom niet lezen in de tegenwoordige tijd: “Ik Johannes, zie …. En hij roept”. De tekst maakt ons tot deelgenoot van het visioen. Voor de rampspoed van de laatste dagen zullen eerst de dienaren van God getekend worden met het zegel op hun voorhoofd. De getallen geven dan menigte aan die niet meer te benoemen zijn, uit de stammen van Israël en uit alle volkeren. Het Lam in het midden. Voor die in de witte gewaden vraagt een van de oudsten extra aandacht. Dat zijn de mensen uit de grote verdrukking die hun gewaden gewassen hebben in het bloed van het lam.
God maakt tenslotte in Genesis 3,21 de kleren voor Adam en Eva, alsof hij daarmee de schepping voltooid. Zoals de deurposten in Egypte waren bestreken door het bloed van het lam, zo zijn die kleren voor de mensen uit de grote verdrukking nu gewassen in datzelfde bloed.
- De regels uit Psalm 24 geven: de aarde. De aardschijf is op het water gegrondvest, vastgelegd op de zee. Dan gaat het over het beklimmen van de berg. Het is niet aan de orde hier aandacht te besteden aan de veronderstelde en primitieve aardrijkskunde van de tekst. De uitgestrektheid van het water verraadt eerder de wankelmoedigheid van het bestaan dat mensen vaak ervaren. Zo ben je overal, zo ben je nergens meer. En de grenslijn tussen in en out ontbreekt zo vaak. Tegelijk geeft deze taal ook het vertrouwen in Jerusalem, in de Tempel. En ook dat blijft niet bij een geografisch georiënteerde verklaring van de samenhang. Die wordt gevonden in wie de berg van de Heer op mag gaan – ook in de zin van “wie mag dat zijn?” De tekst heeft daar worden voor en zet daarmee neer wat normatief is voor het volk, in ieder geval voor de Messias.
- De woorden uit de brief van Johannes zijn woorden aan een tafel waar mensen als vanzelf bij elkaar horen en volstrekt niet aan elkaar of aan anderen hoeven uit te leggen hoe ze bij elkaar horen.
- Zoals je de kern van Matteüs 5-7, het Onze Vader, steeds weer als nieuw voorbij kunt laten komen, zo kun je ook de aanhef van Matteüs 5 steeds weer langs laten komen. De woorden zijn niet te peilen.
Het begin is niet zo moeilijk. Het begint geeft choreografische aanwijzingen, niet alleen horizontaal maar zeker ook vertikaal. De ruimte tussen hemel en aarde wordt immers verkend. Jezus en zijn leerlingen. Hij ziet de menigte en gaat de berg op en daarna bevinden we ons – zelfs wanneer het over velen gaat – in het ook steeds kleine gezelschap van de intimi dat zelfs een mondiale kerk eigenlijk is.
En dan, wanneer het onderricht begint, komen ze. We horen de woorden waar “ze” hem op gepakt hebben, de woorden van de gekruisigde. Mensen zoals Hij. De armen die zich nergens op laten voorstaan en zich enkel op Gods geest beroemen. De treurenden. De zachtmoedigen. Zachtmoedigheid is het kenmerk van de leraar. Waaraan herken je een goede leraar. Dat betekent zachtmoedig. Misschien is dat de rol van de kerk in onze wereld, niet die van de betweter maar die van de zachtmoedige, die als Jezus de mensen meeneemt naar waar Hij vol van is.

(Een kortere bijdrage, eventueel te gebruiken op de voorafgaande zondag)

Allerzielen (eventueel zondag)
Jesaja 25, 6a + 7 – 9; Psalm 23; Apokalyps 21, 1 - 5a + 6b – 7; Lucas 23, 44 - 46 + 50 + 52 + 53 + 24, 1 - 6a
51 – 2008
- De Heer zal de dood voor altijd vernietigen. Dat is een droom. De berg Sion wordt een gastheer voor heel de wereld. De sluier over de volkeren en over de wereld zal hij verscheuren. Na alle geweld en verdriet zal er een grote thuiskomst zijn. De berg Sion wordt een plaats van uitgelezen spijzen en goede wijnen. Iedereen mag weten dat zij/hij welkom is. Een waar visioen, puur toekomstmuziek.
- Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De zee bestaat niet meer. Voor mensen uit het Noorden van Europa, langs de zee, is dit een merkwaardig woord. In de bijbelse literatuur is de zee niet die grote plas langs het strand. De zee is gekend uit het Exodusverhaal, levensgevaarlijk. De zee, een ruimte waar de begaanbare grond zoek is, is het beeld van de wis en zeker dreigende dood. Zij zal niet meer zijn.
En daar komt de heilige ruimte, de heilige Stad, Jerusalem, Bruid van God. Hier woont God te midden van de mensen.
- Ieder huisje heeft zijn kruisje. Deze uitdrukking maakt duidelijk dat de geschiedenis leed en verdriet gemakkelijk identificeert met het lijden en sterven van Jezus. Met alle vragen en raadsels: de dood heeft het laatste woord niet. Wat verrijzenis ook moge betekenen, de dood heeft het laatste woord niet, maakt de geschiedenis niet ongedaan, laat intact wat wij met elkaar beleven, over de grens van de tijd heen.

54 - 2011
- Wat wij er ook van zeggen, wat mensen er ook over menen te weten, voor Jesaja staat vast: God heft het laatste woord, hij is het laatste onderwerp, hij zal uiteindelijk de dingendoen die blijven. Waar mag je dan aan denken? De sluier over de volkeren en de doek over de naties zal hij verscheuren. Ongekende helderheid zal komen. En wat is er dan te zien? Hij richt een maaltijd aan voor gasten, hij vernietigt de dood. Hij wist de tranen. En let op: de mensen zullen spreken over ons, over Onze God.
- Kijkt Psalm 23 terug naar de vorige lezing
- Dat vergankelijkheid eigen is aan onze wereld, weet Johannes. Maar er is meer. De constante in heel die vergankelijkheid is voor Johannes de levende God. Hij bekommert zich om zijn mensen, en om alles die zich om Hem bekommeren, de mensen die komen uit de grote verdrukking. De komst van de Heer is vrijheid en bevrijding. Die lijn wordt doorgetrokken tot het einde.
- De lezing neemt ons mee naar de laatste momenten van Jezus en zijn graf in het evangelie van Lucas. Wij horen van de zorgvuldigheid, tot en met het rusten overeenkomstig de Tora. Nooit werd een sabbat zo volmaakt beschreven. Dan komt er die volgende dag, de eerste van de week. Wat zoek je de levende bij de doden? Alsof het leven verder gaat dan ons gevoel.

(Een kortere bijdrage, eventueel te gebruiken op de voorafgaande zondag)

32e zondag door het jaar
Wijsheid 6, 12 – 16; Psalm 63; 1 Tess. 4, 13 - 18 of: 4, 13 – 14; Matteüs 25, 1 - 13

51 – 2008
- Je staat altijd even stil bij wat wijs is. Wijsheid is niet normaal of vanzelfsprekend. Het is eerder een uitkomst, iets waar je van op ziet. Een klein lied over de wijsheid.
- Of de dood bestaat is een grote vraag. Het thema, de dood, is op de eerste plaats altijd verbonden met iemand die sterft of gestorven is. In de regel is dat iemand uit je nabijheid, een vriend, een geliefde, iemand die je dierbaar is. Wanneer iemand gestorven is blijf het lang stil in je. Nooit zal de ander meer naar je kijken, iets tegen je zeggen. Onherroepelijk.
Paulus zegt op zijn manier dat de mensen die gestorven zijn niet uit het Boek des Levens zijn geschrapt. Integendeel.
- Het verhaal van Matteüs is zo populair geworden dat een eenvoudige lezing haast niet meer mogelijk is. Geconfronteerd met dit verhaal zijn wij bijna natuurlijk sociaal. We vinden het maar niks dat de meisjes die wel olie hebben, nog te beroerd zijn om dat met de anderen te delen. “Het mocht eens niet genoeg zijn voor ons”, vinden wij maar banaal egoïstisch. We vergeten dat hier horen en doen aan de orde is. Horen zonder doen zou wel eens niet horen kunnen zijn.
Het verhaal staat in Matteüs 25. Het is het laatste hoofdstuk voor de Matteüs’ passie. Het gaat dus niet op de eerste plaats over ons. Langzaam maar zeker dienen de ogen te gaan in de richting van het onderwerp van het Evangelie. We moeten ons voorbereiden op wat komen gaat. Vraag is: hoe bereid je je voor? Blijkbaar is dat een ernstige zaak. Wat je vergeet kun je proberen te herstellen maar de tijd staat niet stil.
Het geroep horen we in Exodus voor het eerst vanuit de slavernij (Exodus 3,7 en 9). Het volk schreeuwt het uit. Daarna horen we het geroep bij de dood van de eerstgeborenen (Exodus11,6; 12.30). Daar is het midden in de nacht. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat in dit verhaal over waakzaamheid Exodus meespreekt, een verborgen toon die straks dominant wordt. Vrijheid/bevrijding.

54 - 2011
- Wat is wijsheid? Is of biedt die vraag een weg naar dit woord? Is wijsheid slimmigheid? Je kans zien en die pakken? Of is wijsheid juist dat wat uitsluitsel geeft, helderheid, zicht, samenhang. Wijsheid lijkt in iedere geval minder ik-gericht, denkt meer vanuit wat ons bijeen houdt. Het woord is misschien wel sociaal. Wijsheid, een goed woord. Wie dat zoekt zal het vinden. Het biedt zich zelfs aan nog voordat je het zoekt. Op een of andere manier zal de wijsheid jou vinden, zegt deze oude tekst.
- Het moge zo zijn dat de gelovige geborgen is bij God, maar dat wil niet zeggen dat de mens niet weet wat honger en dorst is. Het mogelijke gemis maakt de gerborgeneheid zo bijzonder. Want “uw genegenheid telt mij meer dan mijn leven … Ik koester mij onder uw vleugels.”
- Voor God leeft een mens, ook wanneer Hij gestorven is. Voor ons is dat moeilijk te denken, maar dat is niet zo wonderlijk wanneer wij van mensen afscheid hebben moeten nemen. Wij moeten eerst met de pijn van het missen geconfronteerd worden. Maar wanneer de Heer komt zullen wij de doden in geen geval voorgaan, schrijft Paulus peinzend aan zijn mensen in Tessalonica.
- Het verhaal van Jezus dat vandaag door Matteüs verteld wordt heeft niet als bedoeling dat wij goed op onze olievoorraad moeten letten. Dan had Jezus die verhaal niet hoeven vertellen. Maar een verhaal vertelt tussen de bedrijven door altijd meer, en zet ook de toehoorders te kijkt, maakt hen zichtbaar voor zichzelf. De oliehandel in dit verhaal is geconcentreerd op de bruidegom. Bijbels gesproken moet je dan altijd op je hoede zijn. Het zal over meer gaan dan over een contract dat straks op de burgerlijke stand gesloten wordt. Met Pesach leest de synagoge het Lied der Liederen, het hoogste lied, over bruidegom en bruid. De bruidegom zou God, of “de Messias” kunnen zijn en de tijd van het verhaal zou wel eens Pasen kunnen zijn. Dat het door in Matteüs 25 met het oog op Matteüs 26-28 al over gaat mag niet verbazen. Het schreeuwen in de nacht (midden in de pericoop) is in de nacht voor de uittocht de ontzetting over de dood van de eerstgeborenen. Het is de nacht van de paas-haast, de nacht van de bevrijding. Dan moet je bij de tijd zijn. Niet op je zaakjes passen betekent dan: niets weten van het volstrekt verrassende dat de Heer in de (Paas-)nacht is, geen idee hebben van de bevrijding waar Hij mee komt.

33e zondag door het jaar zondag
Spreuken 31, 10 - 13 + 19 - 20 + 30 – 31; Psalm 128; 1 Tessalonicensen 5,1 – 6; Matteüs 25, 14 - 30 of: 25, 14 - 15 + 19 - 20

51 – 2008
- Hoe bekend ook, onverwacht is dit lied over de sterke vrouw. Wat is een sterke vrouw? Martin Nijhoff ziet haar in zijn moeder, aan het roer, bij Zaltbommel.
De Heer vrezen. Het woord godvrezende is bij ons bekend. Dat heeft te maken met respect voor God, eerbied. Bekend is de regel: Maar de vroedvrouwen vrezen God. Ze doen niet wat de koning van Egypte van hen gevraagd heft. Zij laten de jongetjes leven.(Exodus 1,17). God vrezen betekent leven laten. Wat is dat: laten leven. Dit oude lied maakt het enigermate concreet.
- Waakzaam zijn. Niet: doen alsof je (van) niets weet.
- Je moet woekeren met je talenten. Het is een aanwijzing tot leven die ontleent lijkt aan het verhaal van Matteüs dat we vandaag horen. Menig schooljaar werd daar vroeger graag mee geopend. Ook met minder talent kun je verder komen. Zelfs dat éne talent moet je niet begraven. Toch: beter lezen kan geen kwaad.
De eerste en de tweede knecht spreken identiek. De derde heeft een eigen verhaal. Heer, ik weet dat jij een hard mens bent. Jij oogst waar je niet gezaaid hebt. Jij brengt bijeen vanwaar je niet hebt uitgezet. En bang weggegaan heb ik je talent begraven in de aarde. Die knecht begint terstond te spreken over wat hij weet. Die heer die hard is, die het onmogelijke verwacht. Die harde heer maakt hem tot een graf graver. Hier is wat van jou is. Hij doet alsof hem niets gegeven is.
Ton Naastepad leerde: de vijf boeken van Mozes, een verdere concentratie op Wet en Profeten, tenslotte de Messias. Hem begravenis alles begraven.
Dat wat de knecht als niets beschouwt, wordt hem ontnomen. Ieder die heeft. Begrip bijvoorbeeld. Gevoel. Fantasie. Energie. Een beetje durf. Ieder die voldoende heeft om over de drempel die hij zelf is heen te komen.

54 - 2011
- Een sterke vrouw, een echte vrouw die haar zaken en taken aan kan. Haar schoonheid is niet haar decor. Wie zij is kun je zien aan wat zij doet en laat. Dat maakt haar onmiskenbaar tot een sterke vrouw. Aldus worden niet alleen de verhoudingen tussen mensen geduid, maar ook de verhouding tussen Israel en zijn God. Als Israel niet meer de oude Jacob is maar het nieuwe Israël, als het oude Jerusalem weer het meisje Sion wordt, dan zal in de poorten van haar stad weer over haar en haar Heer gesproken worden.
- “Hoe gaat het?” Zoals een mens door het leven gaat, dat is zijn of haar weg, zijn of haar way of live. Als je de weg van de Heer gaat zul je de vrucht van je arbeid eten. Zal er tevredenheid en voorspoed voor je zijn. Als olijftakken rond je stam je kinderen. Zo ziet de Psalmist zichzelf en Jerusalem.
- Mensen lijken er aan gewend. De geboorte is iets van vroeger, lang geleden. De dood is in de regel iets van later, ooit eens. Maar geboorte en dood zouden ook wel eens kunnen spreken over wat hier en nu gaande is, of ik er nu zijn kan, of ik zoiets als een weg en mogelijkheden voor me zie. Kan ik iets doen of mag ik iets verwachten? Toekomst lijkt immers als vanzelf een moment, de voorkant van het heden te zijn.
De Heer komt om te beginnen en bij voorbaat niet “ooit eens”. Hij is een moment van het heden. Zoals het licht van de dag.
- Het vermoeden mag bestaan dat het verhaal over de talenten niet gaat over: je moet woekeren met je talenten. Het zou ook wel eens kunnen gaan over die man die niets ziet in het vermogen van zijn Heer. Die eigenlijk ook niets ziet in zijn Heer.
De Heer van dit verhaal is een routenier. Nu hij naar het buitenland moet is gauw beslist dat hij zijn goed kwistig uitdeelt met het ritme van vijf, drie en één. Als snel blijkt een groep van de begenadigden te hebben leren rekenen. Dat die van drie en vijf talenten daarmee aan het woekeren gaan is duidelijk. Behalve een prijzende Heer zijn daar geen verdere woorden over. Maar één talent is “eigenlijk” niets. Zijn Heer is een harde Heer. Die oogst waar hij niet gezaaid heeft. Maar van dit wonderlijke vermogen van zijn Heer is die man met dat ene talent niet onder de indruk. Hij stopt het in de plaats waar uiteindelijk alles naar toe moet, de grond in. Maar hij blijkt buiten de waard gerekend te hebben.

Christus, koning van hemel en aarde
Ezechiël 34, 11 - 12 + 15 – 17; Psalm 23; 1 Korintiërs 15, 20 - 26 + 28; Matteüs 25, 31 – 46

51 – 2008
Het woord heelal is dermate abstract dat het in de bijbelse literatuur niet gevonden kan worden. Er lijkt daarom geen grond voor deze naam. Vermoedelijk zal bedoeld worden dat Jezus de Messias is, de koning. Hemel en aarde zijn daarbij betrokken. Wie min of meer regelmatig met de kerk door de tijd meetrekt weet waar het dan over gaat.
- Over een koning die zijn kudde zoekt, die naar zijn dieren omziet. Als ze verstrooid zijn of afgedwaald ziet hij naar hen om. Hij zal zijn schapen weiden. Hij zal hun rust geven. Ik zal hun recht doen. Hoe doet denken aan een icoon in Ma’oulah, een kerk van Armeensche Christenen in zuid-west Syrië, vlak boven de noordgrens van Libanon. Aan de tafel van het laatste avondmaal zit Jezus daar op de hoek, voor de kijker links, voor de tafelgenoten rechts. Hij zit op de hoek. Hij is immers de dienaar. Dan is het handiger om op de hoek te zitten. Het is een voorstelling van zaken die in het westen onbekend lijkt.
- Door Adam is de dood gekomen, door de Messias het leven. Adam antwoordt niet. De Messias geeft antwoord. Dat leven is de opstanding uit de wis en zekere dood. Antwoord kun je alleen maar geven wanneer je over je eigen begrenzing heen gaat. Paulus zegt: zo wordt God alles in allen.
- Wereldliteratuur is de lezing uit Matteüs. Over een zeldzame koning. Een koning die honger heeft en dorst, die gevangen is en ziek. Een koning die wanneer je hem op zijn woord geloofd niets en nergens is. Wanneer hij zich tot de anderen voor hem richt weet hij van te eten gekregen hebben, te drinken. Hij weet dat naar hem omgezien is toen hij ziek was, toen hij gevangen zat. Je vraagt je af wat dit voor koning is. Uiteindelijk bepaalt dit hoe het gaan zal: hoe heb je je opgesteld tegenover de minsten van de mijnen? Uiteindelijk blijkt dit koningschap exclusief inclusief.
Opvallend is: er wordt gesproken over de gezegenden van mijn vader, maar niet over de vervloekten van mijn vader. Breukelman zei: deze vader heeft geen vervloekten.

54 - 2011
- Als het mag, een beetje grappig. Niet: ik zoek mijn kudde op, maar: ik bezoek mijn herders. Terwijl het over de schapen gaat. Het gaat om de schapen, zelfs nadrukkelijk: mijn eigen schapen.
God presenteert zichzelf in deze tekst. Hier ben ik, ik zoek mijn kudde en ik zal rekening met haar houden. God is niet onverschillig. Voor hem is niet alles en iedereen (uiteindelijk) hetzelfde. Integendeel. Het verschil telt, Hij nuanceert. (Daarom is zijn tijd de eeuwigheid, eeuwigdurend anders, voortdurend heden en steeds volstrekt nieuw – maar dat tussen haakjes.) God zoekt zijn kudde uit en houdt rekening met het verschil, met wat er toe doet. Valt de kudde uiteen in verstrooidheid, Hij zal naar hen omzien. Verdwalen ze door mist en door nevel, Hij zal hen weiden. Als een echte herder zal hij hen de zorg geven, niet de zorg “die nodig is”, maar die ze nodig hebben. Steeds persoonlijk zal Hij hen tot hun recht laten komen.
- Mijn Herder. Niet: “Ik heb alles”, maar “Ik kom niet te kort”. De taal van de psalmist is niet die van de grootspraak, maar van iemand die weet dat hij gevonden is en die daarover ontroerd is: “Jij nodigt mij aan je tafel!”.
- Wanneer je weet dat in het joodse ochtendgebed het ontwaken uit de slaap ervaren wordt als het opstaan uit de dood, dan begrijp je dat de oude kerkelijke neiging, dit soort teksten alsmaar te lezen in de richting van “het einde ter tijden”, in feite tamelijk eenkennig is. Je zou minstens kunnen overwegen of Gods koningschap, en dus het koning zijn van de Messias, niet evenzeer iets zegt over ons zoals wij hier heden allen in leven zijn. De eerste dood die vernietigt wordt is, dat de mens eigenlijk niets en nergens is, nergens toe dient en niets voorstelt. Wanneer het Open Boek ons aanziet met zijn “zoals geschreven is”, is er een ander heden mogelijk dan “ooit eens”?
- Een wonderlijke koning. Hij is te vinden te midden van de hongerigen. Hij is dorstig. Hij is de vreemdeling. De kerk heeft dat altijd geweten. In de 19e en begin 20ste eeuw vind je de scholen en ziekenhuizen in de buitenwijken. Voor mensen naar wie niemand omkijkt. Zij zijn het huiswerk van de kerken. Dat wil – nu de verbindingen mondiaal geworden zijn - niet zeggen dat de mensen van de kerken als taak hebben, alle leed van de wereld op te lossen. De snelle beeldbereikbaarheid van de media suggereert dat, maar “overal” kan nooit de opdracht geweest zijn. Overal is te weinig van aangezicht tot aangezicht. Onze taak is niet “alle plaatsen”, maar “waar wij leven”.
Wij zijn de messias niet. Maar wij weten dat zijn programma voortdurend huiswerk blijft, ook in een groeiende wereld. Niet heel de wereld. Ondanks de suggestie van concreetheid mag je je afvragen of “heel de wereld” wel bestaat. Zij is in ieder geval niet benoembaar.

Jan Engelen