Nog toe te spitsen tekst (210401)

Het onderwerp van de verhalen over Jezus

Een overzicht & inleiding


Hoofdstuk 1: Een geschiedenis

Een voorstelling die naïef, al te naïef kan zijn.

Over Joden en Christenen, over waarheid, macht & misbruik.
Een begin

Voor de meeste mensen in het Westen rond het einde van het tweede millennium, is spreken en denken over Jezus wellicht argeloos. De indruk die men vanuit zijn kindertijd over Hem heeft is vaak kinderlijk onschuldig. De verhalen vertellen over een Jezus die in de regel een aardig man is. Misschien is hij ietwat onpraktisch, niet helemaal van deze wereld, maar zou dat moeten? Hij lijkt niet uit op eigenbelang. In een tijd van graaien - verantwoorde economie, de bomen groeien immers niet de hemel in - en voor kinderen is zo’n bijzonder mens een verademing: iemand die oog voor mensen heeft en die nog dromen durft dat het beter wordt. Misschien zelfs iemand op wie je zou willen lijken.

Jezus uit de oude verhalen van onze herinnering, blijkt het oorspronkelijke en het eigene, het echte in de mens te zoeken. Wanneer je Hem gelooft is een mens eigenlijk goed. Hij zegt zaken als: je moet je ogen open houden, leer het goede te kiezen, leert van mij[1] en zeker ook van vogels en van bloemen[2], en, je hoeft niet zo bang te zijn want uiteindelijk is God Onze[3] Vader[4], een goede vader. God in de verhalen van Jezus is iemand van wie je leren kunt, wat vader-zijn betekent. Hij is bij je[5], op je betrokken, en Hij durft je ook los[6] te laten, te laten gaan. Hij ís er ook wanneer je bij Hem wilt komen. Hij ziet dan zelfs, een en al betrokkenheid, naar je uit[7].
Christenen en Joden

Bij nader toezien is Christen-zijn ook: stappen of leven in een merkwaardige geschiedenis. Immers: niet alleen christenen hebben over Jezus gehoord. Ook Joodse mensen is dat in de loop der eeuwen niet ontgaan. Dat kan ook niet. Uiteindelijk zijn deze verhalen begonnen in de Joodse gemeenschap.

Alle verhalen over Jezus spelen zich af in een concrete wereld met alle geconditioneerdheid van dien. Het is een Joodse wereld[8] zoals die, dromend van Jerusalem, beleefd wordt in Galilea en in Jerusalem, 2000 jaar geleden. Alle ontmoetingen en alle woorden spelen zich af in de Joodse wereld van die dagen.

Een naam is niets meer en minder dan een naam, een aanduiding. Die aanduiding is nooit neutraal of waardevrij. Een naam heeft betekenis, be-tekent de kwaliteit van een relatie. Joden, jehoediem, de mensen van Judea, het gebied van Jehoedah, is een naam om te noemen, een naam zoals er zo velen zijn. En zoals steeds, in de mond van tegenstanders wordt een naam een negatieve aanduiding, een diskwalificatie, ook al is het de aanduiding van een volk[9]. Soms ook worden de leiders van en volk in het leven van iedere dag met de naam aangeduid[10], of van degenen die zich zo presenteren of aldus beschreven[11] worden. Je moet dus altijd oppassen. Namen gebruik je gemakkelijk vaag of verkeerd.

Joden spelen - zeker op het eerste gehoor[12] - in de verhalen over Jezus een vaak opmerkelijk negatieve rol. Op een of andere manier willen ze niet naar Hem willen horen lijkt het wel. Maar ook deze indruk hoeft niet met de feiten overeen te stemmen. Het kan ook de onhandige en ongelukkige weergave zijn van het verdriet over het klaarblijkelijke uiteen gaan van de Joodse en de Christelijke gemeenschappen in die eerste eeuwen, met alle onbegrip en onvermogen van dien. Velen in en rond de kerken van Europa menen eeuwen later eeuwenlang, Joodse mensen die afstandigheid, die eigen identiteit[13] kwalijk te moeten nemen. Afschuwelijke verhalen over de vervolging van Joodse mensen blijken inherent aan de geschiedenis van het christendom.

In de tijden van die vervolgingen blijkt men te vergeten dat Jezus een Joodse man is, levend in een door en door Joodse wereld van Bijbelse beelden en Bijbelse taal. Een enorme reserve.
Christenen en Christenen

Ook Christenen horen in de loop van de geschiedenis niet alleen over Jezus. Vaak nemen Christenen het andere Christenen kwalijk, dat zij anders zijn. Sociale of politieke tegenstellingen worden onder de noemer van ‘het ware geloof’ uitgevochten, Met het groeien van nabijheid gaat men ook het verschil voelen. Zie de geschiedenis van Europa: het blijkt de natuurlijkste zaak van de wereld zoals groepen christenen menen te kunnen of te moeten omgaan met andere groepen christenen. Kerk en Staat geven niet alleen leven aan de mensen in de zin van ‘mogelijk maken’ - ze nemen het ook, op vaak wrede wijze.

In de geschiedenis van Europa spelen het gezag, de waarheid en het recht een merkwaardige rol. Waarheid en het recht blijken steeds het bezit van de heersende, tot voor vrij kort in de regel min of meer feodale[14] of feodaal heersende machten. De niet machtigen moeten afzien of eten genadebrood. Denk aan oude teksten die reppen van Wiens brood men eet diens taal men spreekt tot en met cuius regio illius et religio[15].
Een constante factor

Het Christendom gaat bijna 2000 jaar geleden uit: rond de Middellandse Zee, naar en over Europa en van daaruit over heel de wereld[16]. In al die grotere en kleinere samenlevingsverbanden is langzaam maar zeker hetzelfde lied gezongen, een zekere eenheid gegroeid, opgelegd, ontstaan.

In de loop van de geschiedenis wordt voortdurend gediscussieerd over de draagwijdte en betekenis van het geloven en over de betekenis van de waarheid van het geloof, ook voor het doen en laten van mensen. Kennelijke eenzijdigheden of wat als zodanig geïnterpreteerd wordt, wijst men af. Zo groeit er dogmatiek en moraal, kerkelijke leer. In de ontwikkeling door al die generaties heen blijft een factor constant[17]: het Christelijke geloofsdenken met al zijn varianten ontwikkelt zich zonder een gesprek op niveau met Joodse leraren[18]. Hier en daar zijn er wel gesprekken, zelfs zoiets als goede verhoudingen, maar dat wordt nooit een algemene houding, blijft een uitzondering. Structurele goede relaties met Joodse mensen lijken als het ware onmogelijk, niet nodig, zelfs onzinnig en gevaarlijk. De steen die de bouwlieden verworpen hebben, is hoeksteen geworden[19]. Wat Christenen onder leiding van de diverse gedaanten van hun gezag vrij vanzelfsprekend begrijpen, begrijpen Joden duidelijk niet. Blijkbaar is daar sprake van een domheid en een negativiteit waarmee je als fatsoenlijk Christen niets te maken wilde hebben. Wat zou je van Joden kunnen leren?

Niet dat deze agressiviteit het algemene beeld voortdurend bepaalt. De soep wordt meestal niet zo heet gegeten. Toch: een incident hoeft niet vaak te gebeuren om desastreus te zijn. Wat diep in de herinnering[20] ligt kan soms, plotseling, naar aanleiding van ‘zo maar iets’, ‘van niks eigenlijk’, volop levend zijn met alle catastrofen van dien. Oude vooroordelen sluimeren steeds[21] totdat zij wakker worden. Daarom is het noodzakelijk dat er betere informatie[22] gegeven wordt.
Hetzelfde anders

Het Joodse milieu is voor veel mensen een gesloten wereld. Er wonen immers niet meer zoveel Joodse mensen in Nederland. Velen zijn geassimileerd; hun Jood-zijn heeft zo te zien geen religieuze betekenis meer. Een kleine groep is religieus. Ze zijn dan liberaal of orthodox. Bij Joodse mensen is ‘alles’ anders[23] - kleding en voedsel, tot en met de berekening van tijden en feesten! Andere tijden, andere gewoonten, andere vanzelfsprekende woorden.

Voor Christenen die gemakkelijk hun geloof kunnen verwoorden liggen de zaken traditioneel vrij simpel: Abraham is onze vader, de vader van de gelovigen. Jozef die als een slaaf naar Egypte wordt verkocht door zijn broers, is onze Jozef. Dat wij (Christenen en Joden) dan impliciet broers zouden zijn[24] ..., daar rekenen wij niet op.

Het Oude Testament is voor veel Christenen - als die er behalve bij de Psalmen en de teksten over de komende of lijdende verlosser tenminste iets bij voelen - een soort sommenboek. Het ‘Oude Testament’ kondigt de komst van de verlosser aan[25]. Welnu, de verlosser is inmiddels gekomen. Met die uitkomst is de som overbodig geworden. Wat is die verlossing dan? ... ‘Jij stelt rare vragen’.
Waarheid of een taal

Christenen rond het midden van deze eeuw[26] leven met Jezus of met de verhalen of (beelden van, gevoelens over) Hem[27] zelf. Voor Katholieken zijn de bijbel-verhalen in de regel een inkleding of aanduiding van echt menselijke grondwaarden. Bijbel-verhalen gaan over zaken als:'Vergeet de mensen met wie je leeft niet, ga een beetje goed met elkaar om, trek wat meer tijd uit voor God in je leven'. Protestanten lijken anders met die verhalen om te gaan. Zij zijn voortdurend bezig met wat er staat en wat dat eigenlijk betekent. Katholieken rond het midden van de XX-ste eeuw begrijpen Protestanten niet. Hoe kun je je los maken van de moederkerk? Hoe kun je, alsof dat mogelijk is, voor jezelf beginnen? Heb je niets anders te doen dan alsmaar druk in de weer te zijn met je eigen opvattingen over wat de Bijbel eigenlijk bedoelt.

Protestanten zijn opmerkelijk ‘bijbel-vast’. Ze beroepen zich voortdurend op typische teksten uit de Schrift. Voor Katholieken hoeft het niet zo moeilijk. De Bijbel geeft de bijbelse geschiedenis[28], een soort bijkomende, algemeen-christelijke[29] ontwikkeling, goed voor schoolmeesters en kruiswoordpuzzelaars. Dan weet je een beetje hoe een en ander in elkaar zit. Dat de Westerse (Latijnse, Romeinse en in het spoor daarvan Reformatorische) en de Oosterse (Koptische, Armeense, Syrische, maar bij ons meer bekende Grieks en Russisch Orthodoxe) liturgie een en al bijbel is, beseffen katholieken van rond het midden van de XXste eeuw niet of nauwelijks. Desgevraagd zouden wij gezegd hebben dat dit voor ons gevoel min of meer toevallig was.

Intussen moge duidelijk geworden zijn dat Christen-zijn te maken heeft met het Boek van Alle Verhalen. Dit Boek reikt de taal en de beelden aan waar de mens die voor God in alle stilte[30] staat zich op beroepen mag - die haar of hem gegeven wordt door alle kerkelijke, menselijke vaak al te menselijke formaliteiten heen.
Hoofdstuk 2: Wie is die Jezus over wie het steeds weer gaat?

Een vraag en de voor de hand liggende antwoorden.

Maar wat wil dat zeggen?

Wie is Jezus? lijkt voor christenen een voor de hand liggende vraag. Een voor de hand liggend antwoord blijkt: 'De zoon van God'. Vraag je wat dat betekent, dan zal men je verbaasd aankijken. Dat weet toch iedereen! Ben je 'van je geloof gevallen?', of ben je ook zo'n modern mens die of dat zichzelf te slim vindt om te geloven? Blijkt je vraag serieus en welgemeend, niet kwaadaardig of gemeen, dan zal men je opnieuw verbaasd aankijken, stil worden, en merken ... dat men het eigenlijk zelf niet weet.

Goed, proberen we het opnieuw. Wie is Jezus? Misschien weet iemand nog een ander antwoord. Misschien zegt men wel: 'De verlosser'. Maar ook van dat woord zal men niet zo gemakkelijk een verantwoording[31] kunnen geven.

Wanneer het over Jezus gaat, blijft de vraag:‘Wie is Jezus?’[32]. Een goed[33] mens. Dat zou een verlossend[34] antwoord kunnen zijn. Maar daarmee is het griezelige, het verontrustende, het un-heimische[35] van de vraag niet verdwenen.
Een bijzonder mens

Je zegt:’Jezus is een bijzonder mens’. Wat zegt deze uitspraak? Wat zijn mensen? Wat zijn bijzondere mensen? Zijn bijzondere mensen opmerkelijke feiten. Is het bijzondere gebaseerd op de eigen waarneming? Zijn bijzondere mensen zo zeldzaam dat deze de absolute uitzondering is? Aldus wordt een vraag aangereikt. Tegelijk is er de vraag om een toelichting.

Zijn wij, - mensen, - exemplaren, edities van die ene soort 'de mens'? Zijn wij allemaal heruitgaven, reproducties van die ene? Ieder kan deze vraag beantwoorden op haar/zijn eigen wijze - waarom niet? Maar volgens Gen 1 is er een absoluut verschil. Bij planten en dieren merk je in Genesis 1 iets van biologische scholing. Planten en duren zijn gemaakt naar hun aard, soort bij soort. Bij laat ons mensen maken (Gen 1,26) gaat het anders. Niet de soort is het model. Volgens het verhaal, - volstrekt uniek voor bijbelse literatuur - wordt de mens geschapen naar Gods beeld op Hem gelijkend[36], zonder andere weerga dan God zelf. Hoe zou je God kunnen zien[37]? Dan moet je volgens Genesis 1 in ieder geval niet omhoog[38] kijken. De verbondenheid met God berust niet op erfelijk bepaalde en bepalende genen. Die verbondenheid is een kwestie van taal, van spreken en ‘van horen zeggen’, van zich gezeggen laten en doen alsof er iets gezegd is[39]
Een Naam en de Verhalen

Hoe men het ook wendt of keert, uiteindelijk kan men die Jezus over wie het steeds gaat alleen in verhalen tegenkomen. Jezus is een verhaal, een serie verhalen, meerdere bundels verhalen. Daarbij dient men te bedenken dat ‘de Naam en de verhalen’ minstens twee verschillende opties bij elkaar houden. De meest gangbare, bekende is: ‘In verhalen wordt over Hem verteld’. De betekenis daarvan is: al die verhalen proberen Hem uit te leggen. In de volgende paragraaf zal die draad opgenomen worden. In die verhalen over Jezus komen echter ook - en dit is het eerste, het meest elementaire en primaire - de verhalen van Jezus naar voren. Daar, in die verhalen van Hem, blijkt dat Hij, Zijn Naam, Jezus, garant staat voor een reeks verhalen waarin Hij zich uitspreekt, waaruit Zijn betrokkenheid en inzet, toeleg, blijkt. Bijvoorbeeld: Zijn betrokkenheid op de manier waarop G-d koning[40] is, op Jerusalem de stad van de grote koning...[41], op de Tempel waar Hij dagelijks is om er te leren[42], op de vergeving[43] die de broederschap[44] draagt en schraagt. En je mag het niet uitsluiten. Wat mag je niet uitsluiten? Het zou kunnen zijn, dat onze context, onze wereld met haar beelden en haar taal, niet de eerste of beste bedding is voor de verhalen van Jezus. Wellicht dienen we, willen we verstaan waar Hij naar taalt, enige vertrouwdheid te hebben met de taal uit Zijn wereld en tijd.

De naam Jezus is een handreiking. Hij vertolkt de traditie, - opent, verwoordt en verantwoordt haar als een uitzonderlijk[45] leraar, opent de wereld van verhalen waar Hij als kind[46] van Zijn tijd en wereld van leeft. Heel de luister van dit aloude verhaal is aan de orde wanneer de verhalen over hem daar zo goed als nieuw over vertellen.
M'ssiach, Mesias, Christus: Gezalfde, d.w.z koning

De verhalen van het apostolisch[47] getuigenis proberen Jezus een naam, een predicaat[48] te geven en uit te leggen wat de betekenis of functie van dat predicaat is. Al die namen/ predicaten[49] worden samengevat in dat ene woord, vaak als het ware toegevoegd aan zijn naam: Christus. Voor velen is die toevoeging een onderdeel van zijn naam geworden, vanzelfsprekend: Jezus Christus. De naam Christus is evenwel geen zogenoemde soort- of eigennaam, geen familienaam. Wat dan wel?
Christus is een gelatiniseerd, oorspronkelijk grieks woord; crhstoV [chrèstos, modern grieks christòs], een voltooid deelwoord, afgeleid van het werkwoord craomai [chraomai]: zalven, insmeren, opsmeren[50]. Christus/chrèstos is oorspronkelijk een weergave van het hebreeuwse m’sjiach. M’sjiach betekent ‘gezalfde’. Het is een technische term om een koning aan te duiden.
Hoofdstuk 3: De M’ssiach

Van M’sjiach naar Christus, de geschiedenis en werking van een naam

en de wereld die daarachter schuilt, enkel en in verhalen thuis.

Een verhaal voor als je niks[51] meer hebt.
Een vermoeden, een milieu

Jezus is de Chrèstos. In het grieks van de LXX is Chrestos de weergave van M’sjiach. De uitdrukking ‘mijn M’sjiach kom je voor het eerst tegen in Jes 45,1. De grieken hadden moeite met de einduitgang ach Zo ontstaat de verbastering Messias[52], gezalfde. De naam M'sjiach is in die dagen en in die omgeving de vertolking van een vermoeden[53], een verwachting[54]. Die dagen, dat wil zeggen ongeveer 2000 jaar geleden; die omgeving is een Joodse omgeving.
De bezetting

In die dagen is het land bezet door de Romeinen. Rome is bezig de wereld haar dictaat[55] als beschaving op te leggen. Aldus brengt Rome[56] vele volkeren en culturen op een of andere wijze bijeen.

Uit de relaties tussen volkeren en groepen in onze dagen kunnen lezers van vandaag weten hoe belangrijk tijdens wat als bezetting beleefd wordt, de levensvisie, de eigen overtuiging of cultuur (identiteit)[57] is. In de Joodse omgeving van de Jood Jezus is het eigene op een vergelijkbare wijze belangrijk.
Een identiteit van verhalen

Israël stelt als politieke macht niet veel voor. Het is, mondiaal gezien een handje vol mensen. Rond 1000 jaar voor het begin van de christelijke jaartelling is Israël gedurende een korte tijd een koninkrijk. De koningen zijn Saul, David, en Salomo[58]. Daarna is het afgelopen. De nu nog volgende koningen in Noord en Zuid[59] (Samaria en Jerusalem) zijn over het algemeen gedoog-koningen. Zij zijn even lang en evenzeer de baas als de grootmachten het toestaan en zij schatting betalen.

De oostkant van de Middellandse Zee kent als heel de 'beschavings'- geschiedenis, een lange traditie van slavernij en bevrijding, ballingschap en verlossing. De archeologie maakt ons wat dat betreft steeds meer tot getuigen.

De Joodse cultuur is niet zozeer een beschaving van gebouwen en beelden. Zij bestaat in feite vooral uit verhalen[60] en wat daar in de loop der eeuwen over gezegd is. De leraren - de leiders van het volk - houden zich in de loop van al die eeuwen bezig met de vraag, hoe kunnen die verhalen het leven van elke dag kunnen inkleuren, vorm-geven. Verhalen vertolken het agglomeraat dat wij menen aan te kunnen duiden met een woord als 'identiteit'. Verhalen vertellen zolang er vertellers of lezers zijn, mensen die herkennen of beginnen te vermoeden.

Bij verhalen moet je niet op de eerste plaats denken aan wat opgeschreven is. De verhalen zijn wat verteld wordt[61]. Het geschrevene is oorspronkelijk slechts een geheugensteun, een hulpmiddel voor de verteller. Met het verloop van de tijd groeit de wereld van verhalen. Het gecompliceerde van een alsmaar groter wordende wereld blijkt. De (opgeschreven) verhalen vertalen dat het geheugen verder gaat dan het zich heugen kan[62].

Verhalen houden het verleden zo levend als het heden, de verwachting hoog. Het - wat wij zouden noemen - historisch bewustzijn is groot in Israël. Men kent veel verhalen en er is veel te vertellen. Er hoeft maar iemand een vraag te stellen..

Leiders van het Joodse volk zijn nooit vooral politici of generaals. Die proberen wie de trom mag roeren of trachten datzelfde roer om te laten gaan. Regelmatig smeden enkelingen of groepjes samen, met of tegen elkaar. Zij sluiten zich aaneen of proberen verdragen met andere volkeren tegen weer andere. Het bloed kruipt[63] waar het niet gaan kan. Lijkt ieder spoortje redding - al is het maar voorlopig - niet bruikbaar? Het gaat een tijdje goed, dan komt de rekening. Pijn, bloed en tranen blijken het gevolg.

Koningen en generaals dragen de bijbelse geschiedenis[64] in ieder geval niet verder. Beter te schuilen bij God dan te vertrouwen op mensen (Ps 118,89) klinkt mens-onvriendelijk. Voor wie de tekst leest gaat hetgeen geschreven is verder open. Het verhaal wordt duidelijk: Beter te schuilen bij God dan te vertrouwen op macht, op prinsen en edelen.
In verhalen thuis

Op alle denkbare manieren is God is anders, is beter een soort levens- en overlevingslied geworden. Staatsmanschap, politiek, lieden die een betere wereld uit de grond - vol ruines - proberen te stampen, vinden in de loop van de geschiedenis van de bijbelse litteratuur weliswaar steeds bijval en steun, maar ze worden ook vanuit de tweede natuur, de van de verhalen, sceptisch bekeken.
Verhalen houden in de loop der eeuwen het volk, of wat daar van over is, bijeen. Vertellers gevraagd. Wie met verhalen om kan gaan zet die verhalen in het leven van elke dag aan het werk. Zonder te weten wat en hoe, in die verhalen wordt herkenbaarheid geboden. Wij beginnen onze wereld en ons zelf te ‘begrijpen’. In die verhalen[65] figureren en functioneren wijzelf met alles wat ons al dan niet geweten bezig houdt. Door het andere te verkennen, verkennen wij ook onszelf. Je kunt je er min of meer op toeleggen, de verhalen als de taal van elke dag te leren kennen. Soms schiet je begrip zelfs zo te kort, dat je met het drogen van je tranen wel zult moeten. Verhalen kunnen de beleving van zichzelf, de ervaring van de ander, de groep of de samenleving, vormen, ondersteunen, enigermate verhelderen of toegankelijk maken. Taal is geen natuurderivaat. Zij ontstaat uit behoefte en verlangen. De vertellers, mensen die iets te vertellen hebben, zijn in de loop van de Joodse geschiedenis de echte leiders[66]. Zij dragen de geschiedenis verder en laten alles - wat is alles? - opnieuw beginnen.
Hoofdstuk 4: Bij de Jordaan

Het keerpunt, de aangever, een handjevol woorden

& een hemelse variant die er toe doet.
Opnieuw

Voor de reflectie is het begin altijd dat wat eerder was. Voor het begin van wat begonnen is komen we altijd te laat. Hoogstens kunnen we het begin opnieuw spelen. Bijbels gesproken kunnen dan alleen verhalen naar voren komen: verhalen die min of meer gekend zijn, over de slavernij en de bevrijding, over de ballingschap, de droefheid en de verwachting, over Jeremia en zijn wanhoop, over Jezus op weg naar Jerusalem, en figuren als Mozes, de Profeten, de instemmende stemmen van de Geschriften of de gelijkenissen en de wonderlijke verhalen tijdens het volgen. Alles wat zij te vertellen hebben noemen we het Boek, meer precies de TeNaCh[67] en in navolging daarvan het Getuigenis opnieuw[68]. As en het compendium van dit geheel is de Tora .

Wanneer het volk bij de Jordaan aangekomen is begint in de Traditie van de TeNaCh, de Tora, opnieuw. Waar ligt de Jordaan en wat begint daar?
De Jordaan en Johannes

De Jordaan is de rivier tussen de Tora en de Profeten in. De belofte, in het verhaal vlak voor de Jordaan tegenover Jericho, het veelbelovende land, zal nu open gaan in de vervulling. De woorden van al zo hoge van alzo ver zullen open gaan in ruimte om te leven. Bij de Jordaan begint Genesis opnieuw. Bij de Jordaan begint in het boek Jozua[69] ook de litteratuur van de Profeten. Bij de Jordaan beginnen ook de Geschriften. Zie aan Psalm 1. Tenslotte begint bij de Jordaan ook het Getuigenis Opnieuw (‘Nieuwe Testament’).

Binnen de litteratuur van het Nieuwe Testament markeert en personifieert de overgang tussen Tora en Profeten door Johannes. Drie van de vier[70] evangeliën noemen hem de Doper.
Johannes

Johannes doopt bij de Jordaan[71]. Hij staat op een unieke manier midden[72] in en te midden van oude verhalen. Hij staat er niet zomaar. Hij staat te preken. Over ommekeer. Wie hem hoort blijkt van hem te moeten horen dat er een andere keer[73], een andere oriëntatie bestaat en mogelijk is. Een andere wending dient gekozen te worden, moet of mag worden. Want!

Wie Johannes hoort mag proberen zijn leven te veranderen, want er is iets anders. Koningschap hoeft niet op de wijze van de over de ruggen van anderen heen[74]. Het kan ook op de wijze die blijkbaar alleen in Gods naam mogelijk is. Hoe mag dat zijn?
Het koning-zijn van God

Nauwelijks is bij Markus het spreken begonnen of er is sprake van het opnieuw instellen van richting. De oriëntatie kan beter. Het motief daarbij is het 'koninkrijk der hemelen'. Hemelen is in de tekst een synoniem voor G-d, uit eerbied voor de Naam. G-d is immers niet 'voor de hand liggend', ligt niet voor het grijpen, is onttrokken aan onze greep. Het koninkrijk der hemelen gaat over het koninkrijk Gods.

Bij 'koninkrijk' gaat het niet over een grondgebied dat bij een koning hoort. Aan de orde is het koning-zijn van God, de manier waarop hij koning is, wil zijn, als koning herkenbaar is: niet op de manier van de Pharao, niet over de kromgebogen ruggen van slaven heen, maar als koning van de vrijheid en de bevrijding. God is de Heer (Je) die bevrijdt (Hosjoea). Zo wil de naam Jehosjoea, in het grieks ihsouV (jèsoes) verstaan worden.

God is koning. Het koning-zijn van God is geen natuurlijk proces, geen automatisme of ipso facto. Dragers worden gevraagd om zich te laten breidelen, te beperken en in te tomen door het juk van dit koningschap te dragen, het juk van de geboden, van wat Hij geboden heeft. Is er een die het juk van het koningschap draagt[75]? Jerusalem[76] zal het weten. Niemand, Jood noch Heiden, zal daar kunnen zeggen: Wij wisten het niet. Jerusalem zal Hem zien komen, zachtmoedig[77] de stad intrekken in uiterste[78] solidariteit, gezeten op een ezel, het jong van wie het juk draagt (Mt 21,5 vgl 11,29). Hosjeanna zal men roepen: kom nou toch met je hosjoea, met je (God is) bevrijding!
Als Elia

Na de korte uitroep[79] over ommekeer blijkt er oog voor Johannes. Zijn kleding[80] blijkt een open boek. Kleed en gordel identificeren (1 Kron 1,8) Elia[81]. De naam Elia is een Fundgrube.

Elia is de Vader van de profeten, ofwel: de samenvatting van de profeten. Zijn leven is: Mozes uitleggen, een weg maken. Welke weg? De synoptici zeggen de heer-lijke weg. Volgens psalm 1 is dat de weg van de rechtvaardige[82].
De rechtvaardige, de weg

De rechtvaardige bewaart[83] de Tora. Je bewaart de Tora niet in een kast, maar door haar te doen. In je gedrag maak je al dan niet zichtbaar hoe dat gaat: leven aan de hand van de Tora. Hoe gaat dat dan?

Mal 4,6 reikt de procedure aan. De weg van de ommekeer begint bij de vaderen. Waar leidt die weg naar toe? De goede richting op. Wat is de ‘goede richting’? Waar moet een mens die ‘wat wil’ het volgens deze verhalen zoeken? waar willen deze verhalen ‘het’ van hebben?
De oriëntatie

Bijbels gesproken willen de verhalen maar één kant op, een richting uit, namelijk naar het veel-belovende land, meer precies naar Jerusalem. Wie Mattheüs 3 of Markus 1 leest kan nu ook begrijpen, dat Jerusalem als eerste bij de Jordaan is om zich opnieuw op Jerusalem te laten oriënteren, zich opnieuw af te laten stemmen - stem van een die roept[84]. Jerusalem moet en wil als eerste van een beter, van het echte Jerusalem weten.

Wanneer de naam Johannes in het evangelie van Johannes nog niet gevallen is, komen priesters en schriftgeleerden[85] uit Jerusalem naar Johannes met de vraag: Wie ben je? Waar zijn ze in Jerusalem bij Johannes mee bezig? Wat willen ze? Waarom meteen vragen naar de identiteit? Wat spant in Jerusalem de verwachting[86] hoog? Het eerste wat Johannes inbrengt is ‘de Messias’. Hij zegt:’Ik ben de Messias niet’. Daar mee is onkennenderwijs[87] aangegeven waar het volgens Johannes[88] over zal gaan. Zo ‘ik ben het niet’ zeggen, noemt Johannes een belijdenis (Jo 1, 20: en hij belijdt en hij ontkent niet en hij belijdt).
Alles

Aldus blijkt bij eerste oriëntatie al direct, wat de hoofdzaken zijn. Genoemd is de Tora gedragen door een of twee namen: Mozes en de Profeten. Genoemd zijn ook de Weg, het Land, Jerusalem. Genoemd is ook wat niet meer zal zijn, wat definitief verleden tijd is geworden, de slavernij en de ontkenning van mensen. Genoemd is ook het definitieve alternatief: bevrijding en vrijheid. De God van deze verhalen presenteert zich als werkelijk bestaande alternatief, als broederschap die bestaat in het verbond. De weg daarheen, de weg van de Heer (uit het duister naar het licht) daar naar toe leidt door de woestijn.[89]

Hoofdstuk 5: Jezus van Galilea - 1

Uit Galilea naar de Jordaan, mijn kind
Uit Galilea naar de Jordaan

Jezus komt uit Galilea[90] naar de Jordaan, naar Johannes, om zich te laten dopen. Deze zin overstijgt de mededeling boven ieder denkbaar niveau. Het gaat hier niet meer over een mededeling. De Jordaan is immers niet op de eerste plaats een geografische aanduiding. Voor alles is het een herinnering. De Jordaan is de plaats waar de woestijn van veertig jaren over gaat in de droom van het veelbelovende land. Zal het dan toch waar zijn! Aan het einde van de Tora begint de Tora opnieuw. Om te beginnen, bij wijze van begin, aan het hoofd. Na die eerste zin is de kop eraf, het verhaal begonnen.
Hemel en aarde

Om te beginnen: dank zij wat de tekst scheppen[91] noemt horen hemel en aarde bij elkaar. Ze zijn een paar apart, aan elkaar gewaagd dank zij de woorden die hen van aanvang af aan bijeenhouden. Dat er daarna een kink in de kabel komt, zelfs het vermoeden duidelijk wordt van een voorlopig nog niet te peilen catastrofe, moge duidelijk zijn. De aarde nu ... De aarde alleen is woest en leeg[92]. We alle eenheid, alle droom en vermoeden van vrede. Maar die treurnis blijkt prematuur te zijn. Nog is het verhaal niet uit. Het begint nog maar pas. En de geest van God zweeft boven de wateren. Nog is het niet voorbij. Er komt nog meer. Zo mag het licht figureren als eerste gestalte van hoe het toch verder gaat.
De Jordaan

De Jordaan is de markering aan het einde van de Tora. Men zal terug moeten naar het begin. Zo, op weg naar het begin, komt Jezus uit Galilea naar de Jordaan. Geen mededeling. Het gaat er niet over dat hij komt. Zijn komen is al ingekleurd, nader bestemd. Johannes heeft immers reeds geklonken. Zijn dopen staat onder de macht van de woorden Keert om want nabijgekomen is Gods koningschap. Zo komt Jezus uit Galilea om zich te laten dopen[93].

Alles wordt bij wijze van spreken op losse of vaste schroeven gezet. Wat wil dit verhaal aanreiken, klinken laten? Hoe maakt dit verhaal spreken over hemel en aarde weer opnieuw mogelijk? De hemel gaat open. Genesis 1 blijkt aangeboord. Opnieuw zal uitgekeken worden naar de mens. ‘Mijn zoon’ weerklinkt met alle tederheid die in het Nederlands in ‘mijn kind’ klinken kan. Alle tederheid, maar ook alle respect, alle opzien naar. ‘Mijn zoon’, - vertolkt dat niet ook de kwetsbaarheid van Abel, uitdrukkelijk het eerste kind van de rekening die broederschap heet?
Mijn zoon, mijn kind

Het kind is volgens Jozua 4,21 iemand die vragen zal: ‘Waarom liggen deze stenen daar?’- de stenen waaruit volgens Mattheüs 3,9 God (door middel van degene die antwoordt, zich verantwoordt) voor Abraham kinderen verwekt.

Mijn kind is volgens Deut 6,21 het kind (de jongste) dat tijdens de paasviering de ouder het woord zal geven door te vragen: ‘Wat zijn dat voor gebruiken en verhalen?’

Mijn kind is tenslotte degene die met de vraag waarom is deze nacht anders dan de andere nachten de paasmaaltijd laat beginnen. Deze vraag maakt het verleden tot moment van het heden.

Heinde en ver - Galilea van de volkeren (Mt 4,15) - kunnen zich nu verzamelen met het oog op de Jordaan en wat daar ter sprake wordt gebracht: het koning-schap, het koning-zijn van God.
Hoofdstuk 6: Het koning-zijn van God
Over slavernij en bevrijding.

Over het God-zijn van God. zijn koning-zijn.

Over het mens-zijn van de mens: geschapen.

Abraham bijvoorbeeld
Slavernij en bevrijding

Vanaf het begin is de bijbelse litteratuur gefascineerd, geobsedeerd door één thema, het hoofdverhaal van de Tora. Slavernij en Ballingschap blijken zodanig traumatiserend[94] dat daartegenin voortdurend - van sjabbath tot sjabbath, van Pèsach tot Pèsach, - als verzet wordt aangeheven: Wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd!
Het God-zijn van God

In de slavernij wordt duidelijk dat dít koningschap, namelijk dat van de slavendrijvers - zo te zien het enig feitelijke - als je voor een dubbeltje geboren bent dat word je nooit een kwartje - niet de enige mogelijkheid is.

Als God werkelijk God is, dan kán Hij de garantie zijn voor eeuwig-durende slavernij. Wil God werkelijk God zijn, dan moet dit zichtbaar, afleesbaar zijn aan mensen[95] die leven in andere verbanden dan dat van de macht van de sterkste of buiten de keten van de causaliteit - waarin alles Zús is omdat het daarvoor zó was en daarom, dientengevolge (alsof uit het éen het ándere volgt) nu wel Zús moet zijn.
Hét koningschap

Het koning-zijn van God is gebaseerd op het vermoeden of de zekerheid van een ander koning-schap. Een andere wereld moet mogelijk zijn. De stem in het brandende braambos[96] doet in dit verband van zich spreken, kondigt dit alternatief aan. De mens mag of zal mens zijn!
Het mens-zijn van de mens: geschapen

De bijbelse litteratuur is buitengewoon gevoelig voor de diversiteit van ‘al die mensen op deze wereld’. Men doet geen enkele poging om al die mensen - toen en nu - onder één noemer te brengen. Nergens wordt uitgelegd wat mens-zijn is. Hoogstens kom je een tekst tegen als vlees van mijn vlees, been van mijn gebeente[97] of alle vlees is als gras (Jes 40,6). Is er dan geen noemer, geen predicaat voor de mens? Kun je bijbels gesproken niet zeggen:’De mens is ... ‘?

Het eerste verhaal in de Schrift geeft wellicht toch een aanzet. Alles, planten en dieren, blijkt Hij - de God van deze verhalen - te scheppen naar hun aard. God haalt bij wijze van spreken het biologieboek uit de hemelse bibliotheek om uit te zoeken, hoe een goudvis, een treurwilg, een poes, een salamander enz. er uit moeten zien. Zij moeten aardjes naar hun vaardjes zijn - overeenkomstig aard van het beestje, zo zijn ze nu eenmaal. Bij mensen gaat dit verhaal niet meer op. Bij de mens aangekomen kent het zeven-dagen-verhaal geen aarzeling. De mens blijkt hij wezenlijk te scheppen naar Gods beeld, op Hem gelijkend (Gen 1,18).[98]
Het mens-zijn van de mens: Abraham bij-voorbeeld.

Wat mag God voor ogen staan wanneer het God over een mens? In de turbulenties van Genesis 3 tot en met 11 blijkt wat niet de bedoeling is. Adam en Eva weigeren mens te zijn voor God. Zij zoeken het zelf wel uit. Zij willen de (stem van de) ander niet. Kaïn duldt zijn broer niet naast zich. Beide verhalen vertolken het alleen willen zijn als de wortel[99] van de problematiek. Dit - eerst getekend in familiaal verband - wordt vervolgens neergezet in mondiale format: Kaïn wordt het prototype van lieden die lijden aan syndromen als ‘ieder voor zich en God voor ons[100] allen’, het zal mijn tijd wel duren’ en ‘na ons de zondvloed’. Het verlangen van Adam en Eva (‘wij zoeken het zelf wel uit’, ‘laat ons maar’, - leven zonder verantwoording) probeert de afstand tussen hemel en aarde te overbruggen met de Toren van Babel. De mens en zijn hem tegenover worden dan enkel vader en moeder van onbegrip waarin men elkaar niet en nooit meer kan verstaan. Na het uitspelen van deze kaarten in Gen 3-11 komt het alternatief: het kan werkelijk anders en het kan ook. Abraham[101] zal laten zien wat het betekent: mens zijn voor God & naaste voor je naaste zijn.

Wanneer Mattheüs zijn verhaal over Jezus begint met boek van de genesis van Jezus Messias, zoon van David zoon van Abraham, dan zullen die twee kenmerken[102] in het verhaal van Mattheüs bepalend zijn. Zij vinden hun hoogtepunt - contractie en concentratie - in het korte verhaal over de ontmoeting met Melkitsedek. De rechte sociale relatie vindt daar zijn plaats, voor God. Melkitsedek is koning in Salem. Volgens de rabbijnen is dat avant la lettre Jerusalem. Daar staan de zetels van het gerecht, daar is de koningstroon van David (Ps 122,5).
Kortom:

Een vraag als ‘wie is Jezus?’ heeft als klankkleur steeds het voorverstaan van degene die de vraag stelt. In plaats van de naam Jezus kan men experimenteel iedere andere naam invullen. De naam Jezus blijkt in onze cultuur altijd een nader omschreven ambiance mee te brengen. Hij heeft altijd al een bepaalde inkleding. Steeds sieren al enige plooien zijn gestalte.

Het is de vraag of de context van degene die de vraag aandraagt de beste draagvlak aanbiedt voor deze naam. Ben ik, wie die ‘ik’ dan ook moge zijn, de beste getuige? Bovendien.

Voorafgaand aan mijn getuigenis is er steeds de tekst. Teksten dragen Jezus aan, vormen de prétexte voor dit uitzonderlijke onderwerp dat in eerste instantie nooit het woord zal nemen. Teksten genereren iedere poging om Hem nader in beeld te brengen. Het dient daarom aanbeveling, eerst die teksten aan het woord te laten.

De teksten blijven voorafgaan aan iedere mogelijke invulling, interpretatie en explicitatie whatsoever. Zonder te willen suggereren, dat wij de teksten ooit totaal kunnen spellen - zodanig dat zij overbodig zouden kunnen zijn omdat ‘ons weten’ zou samenvallen met hetgeen geschreven staat: nooit worden de verhalen overbodig omdat zij, in deze, ook de stem en instemming van velen mogelijk maken - het lijkt aanbevelenswaardig in ieder geval minimaal iets vooraf te weten. Iedere waarde heeft zijn eigen voorwaarden, ieder stelling zijn eigen vooronderstellingen.

Wanneer het over Jezus gaat heeft Hij, zijn verschijnen, minstens het eerste recht van spreken. Dat wil zeggen: tekst geworden dragen teksten hem aan. Zij hebben een eigen reliëf, mét hun eigen implicaties. Meer nader ingevuld: steeds wanneer het over het onderwerp van het evangelie gaat is er de reserve van woorden en verhalen als: Tora, Profeten, Mozes, Abraham, Woord, Verbond, Kind en Koningschap, Hemel en Aarde, enz. Deze lijst is letterlijk onuitputtelijk. Zij wordt samengevat onder de - zoals eerder aangegeven - onhoffelijke naam ‘Oude Testament’, of misschien beter onder de naam Traditie. Zo geformuleerd hebben voorafgaande generaties hun recht van spreken niet verloren. ‘Over hun gebogen schouders heen’ kunnen wij wellicht beter vermoeden wat ons ‘om te delen’ gegeven is. Naast alles wat gezegd, vermoed, gefluisterd kan mag en moet worden zijn er blijven er de teksten, gebaar en taal - van al zo hoge, van al zo ver.


II: Om te beginnen

Hoofdstuk 1: Redresseren

Niet alles is hetzelfde, om te beginnen vier namen, mogelijke toegangen
Niet alles is hetzelfde

Nadat het voorafgaande enige beslissende lijnen heeft aangewezen die zullen blijven trekken[103] bij wat er verder ook verteld wordt - het lijkt dienstig eerst te verkennen welk spoor gevolgd zal gaan worden bij hetgeen komen gaat. Hoe zijn de wegen waarlangs toegang tot het onderwerp van dit verhaal gezocht wordt te verantwoorden? Waar dienen we in ieder geval ruimte voor te reserveren? En bovendien: waartoe deze terughoudendheid, dit schoorvoetend beginnen?

Na alle duidelijkheid van de voorafgaande eeuwen is het volgende wel duidelijk. Wij kunnen wel globaal zeggen, dat alle teksten in het Nieuwe Testament over Jezus gaan, maar daarmee worden appels, bloemstukken en tal van andere zaken bij elkaar opgeteld. Niet alles wat wij evangelie noemen is hetzelfde. De delen die wij hanteren zijn niet van gelijke orde of van gelijk belang.

Geen enkele tekst in het N.T voert hetzelfde in het schild. De eerste regels van elk van de vier evangelisten komen daar open voor uit. De Brieven van Paulus - ook al onderling niet te vergelijken, - hebben nauwelijks iets van de opzet die kenmerkend is voor de Apocalyps. Ook de evangeliën hebben een andere toonzetting. Ja, zelfs de evangeliën vullen elkaar niet op of aan. Ondanks de ene naam waar zij allen vol van zijn (Jezus): iedere tekst is een eigen geleding en dient in zijn eigen articulatie verstaan te worden.
Om te beginnen I: de vier

Mattheüs, Markus, Lukas, en Johannes staan bekend onder de noemer de vier evangelisten[104]. Een evangelist in de bijbelse zin van het woord schrijft een evangelie. Een evangelie wordt verstaan als een min of meer afgerond verhaal over Jezus.
Om te beginnen I: de drie

Drie van de vier evangeliën sluiten nogal op elkaar aan omdat zij vaak gewag maken van ‘dezelfde gebeurtenissen’. Daarom noemt men Mattheüs Markus en Lukas de drie synoptici. Zij hebben samen (syn) dezelfde wijze van kijken (optiek). Johannes is een verhaal apart.
De synoptici

Bij de drie synoptici gaat Jezus uit Galilea naar de Jordaan. Daar staat Johannes te preken. Het verhaal is kort. Johannes spreekt over ommekeer en Gods koningschap. Het zou nabij zijn, de manier waarop God koning is. Het heeft zin om om te keren, om je leven anders te oriënteren, te richten en in te richten. Je kunt je leven afstemmen op de betere Oriëntatie, op Jerusalem en alles wat Jerusalem tot die stad maakt. Mensen uit Judea, Jerusalem en de Jordaanstreek komen op dit verhaal af. Zij laten zich door Johannes dopen. Onder hen is ook die ene uit Galilea. Hij laat zich door Johannes dopen. De hemel gaat open. Het gebeuren krijgt woorden van omhoog. Zoiets als: Mijn zoon, de beminde, luister naar hem. Even lijkt de geschiedenis stil te staan, houden wij de adem in. Wordt dit het verhaal dat we kennen (kunnen) uit Gen 22 - de beproeving van de vader? Maar. alsof daar geen verhaal op is: Jezus gaat terug naar Galilea. Daar treedt hij in woorden en daden in de openbaarheid om daar het verhaal te worden dat wij, lezers van vandaag, kennen. Over Jezus van Galilea, Jezus van Nazareth. Naïef wordt dit neergeschreven. Hoe kunnen we aan het begin weten dat dit straks een citaat zal blijken. Bijv. Mattheüs 21,11; Lukas 24,19 en Jo 18,5

Wanneer ongeveer halverwege het verhaal gaat Jezus naar Jerusalem. Pesach, wij zijn Pasen gaan zeggen, is dan nabij. Vlak voor het Paasfeest treedt Jezus op tegen de handel en wandel in de Tempel. Hij ziet dat als misbruik van de plaats. In feite stelt hij zich nogal streng op. De commercie speelt zich vermoedelijk af in een ruimte los van de Tempel. Een en ander blijkt evenwel de concrete aanleiding om tegen hem op te treden. Daarna is het verhaal vlug verteld.

Een oneerlijk proces geeft hem geen kans. Pilatus bekrachtigt het doodvonnis. De executie vindt plaats op zijn Romeins, met behulp van een kruis. Zijn dood blijkt volgens het verhaal het einde niet.
Het einde als een nieuw begin

De eerste christenen hebben - zo kan men gemakkelijk lezen in het evangelie - van dit alles nauwelijks iets begrepen. Zij verwachten iets geheel anders. Het evangelie maakt daar geen geheim van. Lezers van nu kunnen in de verhalen zichzelf herkennen, hun eigen begrip toetsen en bijstellen, leren.

Bij de kruisiging blijken de leerlingen ten einde raad afwezig. Zij kunnen en willen niet beweren dat zij aan Zijn verlatenheid niet debet zijn. De leerlingen in het lijdensver­haal zijn herkenbaar. Zij spreken de taal van de ontkenning. Juda(s) is in die verhalen de enige die begrijpt dat hij onschuldig bloed overgeleverd heeft.

Het verhaal over het leven van Jezus eindigt in de totale isolatie en ontkenning. Hij staat er alleen voor. Zij/wij - de anderen - doen met Hem al wat zij/wij maar willen. Zoals mensen met elkaar omgaan, zo gaan ze/we met Hem om. Daarom is dat verhaal over hem gebleven. Het is herkenbaar[105]. En het verhaal over Hem is het verhaal over ons - verbijsterend. Zo gaan we blijkbaar met elkaar om. Alsof er niets aan de hand is in deze wereld! Alsof het geweld, de ontkenning van mensen, er altijd geweest is en altijd zal zijn. `Wat was, wat is, wat komen zal' - als God.

Wanneer Jezus naar Jerusalem gaat - zo vertelt het verhaal - valt heel de wereld over Hem heen. Hij is niets en nergens meer, verwaait als het kaf in de wind. Dat is het einde van een kort en veelbelovend verhaal. Het is uit. Ten overstaan van deze dode, dit slachtoffer, kunnen we elkaar niet meer in de ogen kijken. Het had zo mooi kunnen zijn maar is een catastrofe geworden. Daar komt het verhaal over hem op neer. Zo moet men ook het verhaal over zijn volk vertellen.

In de handen van mensen zijn de geschiedenis van Jezus en de geschiedenis van het joodse volk op een dood spoor gekomen. Beide verhalen blijken dan, tegen alle verwachting in, pas aan het begin te zijn. Krachtens Gods scheppen aan het begin, als begin, horen hemel en aarde principieel bij elkaar. Wanneer vervolgens over de aarde alleen gesproken wordt, hoort men woest en leeg, duisternis over de vloed. Is dan alles tevergeefs? Is de opzet, Gods creatief initiatief, tevergeefs? Is oorlog, geweld, ontkenning, moord, chaos ... de enige realiteit, de enige werkelijkheid die telt? Wie deze vraag hardop stelt hoort de stilte. Pas daarna blijkt dat men verder dient te lezen, dat het verhaal nog maar net begonnen is.

In confrontatie, in de contramine met de bijna natuurwetmatige geschiedenis, blijkt wie wij zijn. Nu pas gaat ook blijken, wie Hij is, de God van wie alle verhalen willen spreken. Licht gaat op in de duisternis. Een nieuw verhaal is begonnen: over leven, overleven. Het kind van Abraham de vader van de `gelovigen' is Jitschaak. Men lacht beduidt die naam. Hij is de eerste overlevende.

Verhalen willen mee op weg, willen delen wat mensen beleven, willen beleven wat mensen delen. Alleen de herinnering maakt het mogelijk, feiten te accepteren (vergelijk Lukas 24,5-9).

Terwijl de lezer verwacht dat het evangelie nu alles gaat vertellen is het verhaal afgelopen. In die laatste verhalen krijgt Jezus vele namen:`die opgewekt is uit de doden', `de zoon van God', `de weg', `de Heer', `de Christus', `het licht'. Maar het verhaal is uit, verwijst hoogstens naar het begin om daar opnieuw te spreken over degene van wie het vol is. Het verhaal over Jezus kan meegelezen worden met Mozes en de Profeten. Wie dat probeert ontdekt de horizon van een klein gehouden kerkelijk verhaal eindeloos verbreed. Nooit zal men de geschiedenis van Jezus kunnen verstaan, wanneer men niet deelt in de verwachting die zijn volk kenmerkt en bijeen houdt.

Tegelijkertijd is er een vraag: Moet het verhaal over Jezus meegelezen worden met Mozes en de Profeten? Christenen hebben altijd gevonden dat dat moest - al wisten ze nauwelijks iets van Mozes en de profeten. Zij/wij hebben dat min of meer als een eis gepresenteerd. In de loop van de geschiedenis is de geloofsbelijdenis beslissend geweest over leven en dood. Wie nu leeft heeft daar geen woorden voor. Maar daarmee blijft de vraag. Moet het verhaal van Jezus meegelezen worden met Mozes en de Profeten?

Wie zal de vraag beantwoorden? Men kan hoogstens proberen, zijn of haar eigen keuze te verantwoorden. Daarmee verplicht men zichzelf, nooit de anderen. Johannes geeft in zijn verhaal over het laatste avondmaal een eigenaardig verhaal als opening. Jezus legt niet zijn leerlingen aan zijn voeten om over hen heen te lopen. Hij wast hun de voeten en noemt dat een nieuw gebod. Dat is geen interpretatie. Het is een gebaar, veelzeggend.

Wie is Jezus? Hij is om te beginnen iemand die in veel verhalen thuis is. Wie naar hem luistert is op verhalen aangewezen. Daarin wordt hij[106] uit de doeken gedaan. De kerk in het begin, In Jerusalem, heeft Hem een naam gegeven boven alle namen. Het valt christenen niet moeilijk, Jezus de Christus te noemen. Petrus heeft dat ook gedaan (Mt 16,16). Hij blijkt niet te weten wat hij zegt (16,17. 23).

Mattheüs laat Petrus van verre volgen. Zo komt hij in de aula van de Hogepriester binnen (Mt 26,58). Daar hoort hij de Hogepriester zeggen wat hij zelf gezegd heeft: Ik bezweer je bij de levende God, dat je ons zegt of je de Christus bent, de zoon van de levende God (26,63). In veel kerken wordt het vervolg van dit verhaal op een bedenkelijke wijze gelezen. Men leest: Jij zegt het. Toch reikt de griekse tekst hier onomstotelijk aan: Jij zegt het. Het zijn jouw woorden. Hoor je wat jij zegt. En de tekst vervolgt: maar ik zeg je ... Jezus spreekt over zichzelf als het kind van mensen, de zoon van de mens, iemand als adaam[107], de zoon naar wie het verlangen van de vader uitgaat. Ook dat leert Abraham, voor wie lezen wil en kan: nog steeds.

De hogepriester stelt ... ook onze vragen[108]. De tekst verwijst ons naar onze eigen woorden. En naar de daden. Natuurlijk moet dan nog alles uitgelegd worden - maar het verhaal is begonnen. En dat zou wel eens het begin kunnen zijn.
Johannes

blijkt een verhaal apart. Hij heeft niet die samenhang van via de Jordaan naar Galilea en tenslotte Jerusalem. Na de doop door Johannes[109] wijst Jezus rond de zuidkant van het Meer van Galilea de eerste leerlinge aan. Daarna gaat hij via Kana en Kapernaum direct naar Jerusalem en is het Pasen met tempelreiniging en al. Galilea omgeeft daar Jerusalem. Jo 2,13 tot 4,42 vind je tussen 2,1-12 en 4,43-54. Die twee verhalen, links en recht van de geschiedenis in Jerusalem, willen hun eigen licht laten vallen op het verhaal in het midden.

Daarna gaat Jezus via Samaria naar Galilea en weer naar Jerusalem vanwege het ‘feest der Joden’. Weer naar Galilea en weer is het Pasen nabij (Jo 6,4). In hoofdstuk 7 is het Soekkoth (Loofhuttenfeest). Jezus blijft aanvankelijk in Galilea. Daarna gaat het toch op naar het feest, naar de Tempel. In Jo 10,40-42 gaat Jezus weer terug naar het begin, naar de overzijde van de Jordaan, waar Johannes de eerste keer doopte. Velen hebben daar vertrouwen in hem.

Nu begint het pas echt, lijkt het. De geschiedenis met Lazarus opent het definitieve verhaal. Een lange toespraak aan tafel volgt na het wassen van de voeten - een uniek verhaal van Johannes over het lichaam van Jezus. Dan is er de gevangenneming en veroordeling - al lijkt Johannes het drama te beschrijven vanuit het perspectief van het koningschap, Jezus als koning. Rond het graf is er dan de ontmoeting met Maria Magdalena.

Alleen bij Johannes maakt Jezus drie keer het Paasfeest mee. Daarom leerde men wij vroeger: het openbaar leven van Jezus duurde ongeveer drie jaar. In ieder geval: gedurende de tijd dat Jezus rondtrok om te spreken en te genezen was het drie keer Pasen. Dat kan waar zijn. Het kan ook zo zijn dat voor Johannes van meet af aan duidelijk is: zonder Pasen kun je niet over de Messias spreken. Zijn evangelie wordt geleed door de feesten.

Kort en goed: om in vogel vlucht het evangelie door te bladeren kun je over het algemeen bij de drie synoptici - afgezien van enkele eigen verhalen bij Mattheüs en/of Lukas - ongeveer dezelfde plaatjes laten zien. Bij Johannes heb je een heel andere set nodig.
De Jordaan

De vier evangelisten delen het begin bij de Jordaan[110]. Daar - voor de ingewijde aan het einde van het boek Numeri en in feite van heel de Tora, als alles, heel de Schrift, weer opnieuw aan de orde is - tillen vier handen het in die dagen allerdaagse tafereel bij de Jordaan uit de sfeer van het gewone om het, naar achteraf blijkt, tot een boek voor heel de komende tijd te maken. Voor de komende tijd. Het is in ieder geval tot aan ons toe gekomen.

Twee van de vier, Mattheüs en Lukas blijken zich genoodzaakt te zien, aan hun verhaal een avant-propos vooraf te laten gaan. Zie daartoe de tekst over Kerstmis.

Het verhaal van Jezus.

Het verhaal over Jezus is in eerste instantie steeds het verhaal van de vier die over hem getuigen. Hieronder zullen grotere en kleinere eenheden daaruit toegankelijk worden gemaakt.

© 1998. Dr.Jan C.M.Engelen. Herten/Roermond

[1] Mattheüs 11,29.

[2] Mattheüs 6,26.

[3] Dat wil zeggen: ‘Van jou en van mij.’ Daarbij mag ieder die wil 1ste en/of 2e persoon zijn. Je mag niet zeggen ‘vader van allen’, want dat is collectief, anoniem en onpersoonlijk. Het Evangelie wil persoonlijk zijn. Dat hangt samen met de kwalificatie ‘goed’ in ‘goed verhaal’ (goede boodschap, evangelie).

[4] Dan zouden wij broers en zussen zijn. Tegelijk is God dan een model voor hoe dat gaat, vader zijn. Derhalve niet: God is iemand als je vader. Wanneer je vader dan een volstrekt onacceptabel iemand als vader is, ... Het is omgekeerd: een vader (in het onderwijs: een onderwijsgevende) zou iemand moeten zijn die aan God een voorbeeld neemt - hoe vreemd en welhaast blasfemisch dat ook klinkt.
[Dove kinderen hebben - zo vertelde een dove studente, zij had vaker gezegd over geloven niets te weten - hebben een slecht ontwikkelt historisch besef. Waar een horend kind regelmatig over vroeger hoort, hoort een doof kind niets. Pas als het begint te lezen, of beelden gaat herkennen over "toen', pas dan blijkt dat de tijd niet enkel nu is. "Maar hoe wil zo'n kind dan iets aanvoelen over God? of zo" vroeg ik haar ongenuanceerd. Daar hoefde ze niet over na te denken: "Wat dat is kan een doof kind alleen leren van goede mensen, een vader of moeder, of een onderwijsgevende, of ieder die verantwoordelijkheid voor je draagt." JE, Alkmaar, 1999]

[5] Vergelijk het verhaal over de struik. De braamstruik brandt totdat iemand er oog voor heeft. Dan klinkt: ejeh asjer ejeh (Ex 3,14) - ik zal zijn, want zo ben ik: iemand die er zal zijn. Dat zijn is vlak daarvoor al ingevuld: ik ben met jou(v.12), steeds persoons-betrokken, nooit los verkrijgbaar.

[6] Zie daartoe de beroemde en in de regel niet verstane parabel Lukas 15,11-32.

[7] Vgl Lukas 15,20.

[8] Verderop zal enigermate aangeduid worden dat dit een andere context met zich meebrengt dan notaties als Frans, Duits, Engels, Romeins, Mesopotamisch. De context bij Joods is altijd litterair en praktisch, historisch. Diachroon en synchroon zijn minstens virtueel zo goed als identiek.

[9] Denk aan Pilatus met zijn denigrerende koning van de Joden (Mt 27,11).

[10] Denk aan ‘de Amerikanen’, de ‘Fransen’, of in de iets oudere geschiedenis: ‘de Spanjaarden’.

[11] Bij Johannes begint de naam Joden informatief (1,19). In Jo 7,1 zijn de Joden anderen dan ‘de schare’ (7,31).

[12] Zo lijkt ons horen geprogrammeerd, hebben eeuwen zich opgeslagen in een oordeel vooraf waarin alle informatie zogenaamd duidelijk is. Het is heel moeilijk vooroordelen te vervangen door betere informatie. Kost dat niet generaties?

[13] Naarmate men beter toeziet blijken er meer identiteiten. Niet alles is het zelfde. Ook mensen zijn zo goed als nooit aan elkaar gelijk. En je weet uit de wiskunde: appels en peren kun je wel, maar mag je niet bij elkaar optellen.

[14] Ze zijn feodaal, of ze worden volgens dat model uitgevoerd. Vergelijk het verschil in de uitoefening van macht en gezag zoals dat nu geprobeerd wordt - bijvoorbeeld in een gezin - met drie generaties geleden.

[15] Van wie het gebied (land) is, diens godsdienst heeft men ook, ofwel: je hebt de godsdienst van degene die boven je staat, de dient de God van je baas, kruipt door het stof van Wat Hem Heilig is.

[16] Heel de in de regel veroverde en gekoloniseerde wereld.

[17] Daarvandaan de voorgestelde toevoeging in de vorige voetnoot.

[18] Hebben die er dan mee te maken? Even verderop in de hoofdtekst zal dat blijken.

[19] Ps 118,22 heeft in het N.T. zeer carrière gemaakt: zie Mattheüs 21,42; Markus 12,10; Lukas 220,17; Hand 4,11; Ef 2,20 en 1Petr 22,4.7.

[20] Zie volgende voetnoot.

[21] Ze zijn onbewust. Het onbewuste is er wel, maar op de wijze van niet meer of nog niet. Het onbewuste valt buiten het heden, buiten het ‘hier en nu’ van wat beschikbaar is, buiten mijn main-tenant - waar ik de hand op kan leggen en wat ik kan vasthouden, waar ik over kan beschikken, waarmee ik me kan presenteren, waarmee ik kan laten zien dat ik er bén. Het onbewuste is niet een dingetje, een vakje van vergeten in mijn geheugen of iets wat daarop lijkt. Het is niet een donkere plek die ik kan oppoetsen om iets zichtbaar te maken. Het onbewuste is meer de dynamiek of de energie die - bijvoorbeeld zichtbaar als cursor op een monitor - de dynamiek geleidt. (Freud differentieert in de tweede topiek het onbewuste in twee met elkaar verbonden instanties: het Über-ich en het Es. Het Es is het amorfe, latente, het materiaal in een bouwput. Het Ich is zich van niets bewust, bukt zich voor het über-ich, het ideaal, het andere geïnterioriseerd als drijvende kracht. De spanning tussen die drie instanties zou een aanduiding kunnen zijn van spanning en kracht. Het ik is immers meerdere personen.)

[22] Niet alleen ‘er zitten nu betere denkdingetjes (gegevens, feiten, ideeën) in mijn hoofd’, maar vooral: ‘Ik kan er over beschikken, ik kan er mee werken’. Om het verhaal in de vorige voetnoot af te maken: van Freud is de beroemde regel: ‘Wo Es war soll Ich werden’.

[23] Daarvandaan twee regels hoger in de hoofdtekst het woord ‘assimileren’, zich gelijk maken.

[24] Al was het maar Esau en Jacob of omgekeerd.

[25] Favoriet is hier het woord ‘voorspellen’.

[26] De hier aangeduide tijd heeft betrekking op vlak voor en rond Vaticanum II, begin ‘zestiger jaren’. Het hier aangegevene beoogt geen adaequate en objectieve beschrijving. Er wordt aangegeven hoe men toen over een en ander dacht, hoe men de dingen ‘voelde’.

[27] Ook de mensen om Hem heen horen daarbij: Zijn moeder, zijn leerlingen, de heiligen.

[28] Voor de katechese betekent dit, dat men in de regel wel bijbelverhalen kent, maar dit zijn dan enkel ‘feiten’, verhalen over vroeger, ‘historisch’ in de zin van ‘echt gebeurd’. Men kent die verhalen dan niet binnen de context van andere verhalen, niet als momenten in of articulaties van het verhaal over het Verbond. Men staat dan buiten het spel van de verhalen, beelden, indrukken, woorden, uitdaging en/of uitnodiging, tot en met associatie en suggestie, inspiratie - de stem van een ander.

[29] Dat het merendeel van de bijbelse pagina’s zich bezig houdt met de Joodse geschiedenis moet de meerderheid der christenen nog ontdekken - lijkt het.

[30] Zie de 'kleine stem van de stilte' in 1 Kon 18,12.

[31] Vroeger zouden mensen er aan toegevoegd hebben:'... die ons van de erfzonde verlost heeft’. De erfzonde is dan het kwaad dat Adam gedaan heeft. Maar dat is wel een vreemd verhaal. Want God kan toch niet zoveel drukte maken om ... een appel? Welke appel? Nou, die Eva hem gegeven heeft! Heeft Eva Adam een appel gegeven? Met ongeloof zal men je aanzien. Iedereen in Nederland en België kent dat verhaal. Wie het opzoekt in Gen 3 zal merken, dat daar het woord appel niet voorkomt. (De Rabbijnen vragen:‘Waarom niet?’ Een van de antwoorden luidt:’Je zult daar geen boom op aankijken’.) Wat is nu die erfzonde? Men zal er geen antwoord op kunnen geven. Alleen vaagheden als oer-schuld. ‘We zijn of hebben allemaal wel ergens ... ‘ De erfzonde zou men misschien als volgt kunnen verstaan: Vanuit het verbond zien wat het betekent, buiten het verbond te leven.

[32] Zonder deze vraag is er geen evangelie denkbaar of heeft men daar geen boodschap aan. Zie Mattheüs 8,27; 21,10.

[33] Dit antwoord is perfect wanneer men ‘goed’ hier ziet als een citaat uit Gen 1. Zie daartoe eventueel Kol 1, 15.18.

[34] De Kerstnacht spreekt velen aan. Een kind charmeert, zeker wanneer het een kerstkind is, enkel ontroering belooft en verder zo goed als nergens toe verplicht. De geboorte van een bijzonder mensenkind doet goed. Gaat het dan over Jezus, of gaat het over de eigen behoefte aan ontroering?

[35] Het is een vraag, of kan een vraag zijn, die je buiten zet, namelijk buiten het vanzelfsprekende. Het kan dus een vraag zijn die je uit je tent lokt, uit je huis haalt - een soort exodus-vraag. (Vgl Gen 15,5: Hij leidt Abraham naar buiten.)

[36] Volgens de Septuaginta, de griekse vertaling van de TeNaCH, zijn wij iconen van God. Ieder van ons, stuk voor stuk, is bijzonder. In de klassieke dogmatiek is ieder mens een creatio separata, een schepping apart, een aparte schepping.

[37] Vgl Jo 1,18.

[38] Hetzelfde is ook van toepassing voor het onderwerp van het evangelie. Zie Hand 1,9-11.

[39] Hét voorbeeld is hier Abraham. Daarom heet Abraham ook de vader van de gelovigen. Je vindt het verhaal in Gen 12,1-4. God zegt tegen Abraham ... dan gaat Abraham zoals de Heer tot hem spreekt.

[40] Vgl: Uw Rijk kome.

[41] Mattheüs 5,35.

[42] Namelijk Tora. Vgl Mattheüs 26,55, Jo 7,10.

[43] Is vergeving niet zoiets als ommekeer en toewending naar degene die vergeving krijgt? Degene die vergeeft keert zich af van zijn betrokkenheid op zichzelf, ziet af van zijn eigen belang, om zich in te zetten voor het belang van de ander.

Bekend is, hoe het woord broers klinkt na Hij is opgewekt (Mt 28,6 en 7, gevolgd door 28,10. Bij Johannes heeft de ontmoeting met Maria als tegoed: ‘Ga naar mijn broers’ Jo 20,17. Hier is ook de vergeving van de zonden gekoppeld aan: Hij gaat in het midden staan, blaast de geest over hen. Jo 20,23).

[44] Bekend is, hoe het woord broers klinkt na Hij is opgewekt (Mt 28,6 en 7, gevolgd door 28,10. Bij Johannes heeft de ontmoeting met Maria als tegoed: ‘Ga naar mijn broers’ Jo 20,17. Hier is ook de vergeving van de zonden gekoppeld aan: Hij gaat in het midden staan, blaast de geest over hen. Jo 20,23). Bij Mattheüs moet je hiervoor terug naar de beker van het nieuwe verbond tot vergeving van zonden Mattheüs 26,28.

[45] Vgl Jo 7,15!

[46] Vgl het iteratief zoon van de mens.

[47] De leerlingen uit de verhalen over Jezus, worden aan het einde van het verhaal uitgezonden om de verhalen te vertellen en anderen tot leerlingen te maken. Uitzenden is in het grieks apostelloo. Zo ontstaat het woord apostelen. Het zijn gezondenen, mensen met een missie.

[48] Het predicaat is de aanduiding van een begrip. Dat begrip kan een kwalificatie zijn:’Dit is zó’. Die beschrijving kan gebaseerd zijn op elementen van de werkelijkheid, en wel zodanig, dat velen met deze observatie zullen instemmen. Als het erover gaat of iets rood of groen is, dan zal het in de regel niet moeilijk zijn, tot overeenstemming te komen. Bij blauw en groen ligt dat anders, zeker wanneer de kleuren dichter bij elkaar komen.

Een predicaat kan ook een verstaan zijn, een anticiperen van mogelijke betekenis, een min of meer onderlegde intuïtie. ‘Begrijp ik je goed wanneer ik denk dat jij dit een echte film vindt?” Het begrip hier is vervolgens onderwerp van verdere uitleg, verificatie.

[49] Namen noemen, leren spreken. Leren te ‘zeggen wat iets is’, is niet alleen ‘denkdingetjes’, woordjes leren. Veelmeer is het: leren die woorden te gebruiken.

[50] Denk aan de warme dagen, bijvoorbeeld aan een strand, of denk aan de vettigheid die je bij koud droog weer op je huid moet smeren. Dat is goed voor je vel, dan kun je er weer tegen. De zalving brengt als effect met zich mee, dat je er gekleurd op staat. Zie 1 Sam 10,1 Saul; 1 Sam 16,13 David.

[51] Als je je nergens meer op beroepen kunt, als je je niet meer kunt verdedigen. In die zin moet je het woord arm verstaan in wat ben je er gelukkig aan toe wanneer je arm van geest bent, want dan hoort de manier waarop God koning is jou toe (interpreterende weergave van Mattheüs 5,3).

[52] Deze naam wordt in de Nederlandstalige liturgie gebruikt.

[53] Een ‘nog niet’. Een spoor uit het verleden dat toekomstmogelijkheden heeft, ‘heden’, ‘hier en nu’ worden kan.

[54] Resten verleden - ervaring, het vroegere bewaard, als uitrekking van de tijd, als ruimte voor reflectie, als adempauze, als anticipatie van wat, gezien het verleden, als toekomst mogelijk blijkt.

[55] Dit is bijvoorbeeld nog te herkennen aan het gegeven, dat het Romeins Recht de basis vormt voor het Europeesche en Westerse recht. Ook is het te herkennen aan de betekenis van de Romaanse bron voor de westerse talen.

[56] Als schakel in de traditie van de macht. Daarbij kun je denken aan: Assyrië, Babylon, Perzië, Griekenland, Rome, Rome-Constantinopel, het Westen tegenover het Oosten. (De techniek in ‘onze’ handen die ons in de positie manoeuvreert van ‘wij’ tegenover degenen die niets kunnen.)

[57] Zijn mensen niet altijd taal, d.w.z. woorden en beelden, identificatiemogelijkheid?

[58] Dit is het ‘Groot-Israël’ waar sommige politiek rechtse groeperingen in het Israël van vandaag naar menen te moeten streven.

[59] Het Noorden, bij de latere Profeten vaak Israël genoemd, eindigt bij de verwoesting door de Assyriërs in 721 voor de gangbare jaartelling. De hoofdstad van het Noorden was Samaria. Het Zuiden, Judea genaamd, ontspring de dans. Na drie dagen beleg vertrekkende Assyriërs weer. In 587 wordt Jerusalem veroverd en verwoest door de Babyloniërs.

[60] Mondelinge en schriftelijke traditie. De laatste is de TeNaCh, de eerste is de Talmoed en alle verdere commentaren. De mondelinge traditie is mondeling. Zij mag oorspronkelijk niet opgeschreven worden. Waarom niet? Wat opgeschreven is ligt vast, heeft de schijn van onveranderlijkheid, eeuwigheid. Kenmerkend voor de traditie is de kneedbaarheid. Vgl. Jo 14,2.

[61] Miqra, wat geroepen, verteld wordt, wat weerklinkt. Miqra is de Joodse term, in plaats van 'de Schrift'.

[62] Men zou, in termen van J.Derrida kunnen zeggen: de grammatologie gaat vooraf aan de fonologie of logica. (Vgl. ‘L’écriture est la veille de la parole.’ De la grammatologie, Parijs 1967, p. 339)

[63] In tegenstelling tot het gangbaar spraakgebruik. Deze uitdrukking plaatst kruipen tegenover gaan. Waar het gaan niet meer mogelijk is wil men het met kruipen proberen.

[64] Let wel: bijbelse geschiedenis is niet wat bijbels gebeurd is, maar wat er bijbels gesproken aan de hand is, wat er gaande is - hoe de dingen gaan.

[65] Ook muziek, grafische kunsten en theater zijn vormen van verhalen. Zij reproduceren fragmenten (niet het geheel, maar het geheel toegankelijk) van de werkelijkheid zonder daarin op te gaan. De verdubbeling die aldus ontstaat biedt ruimte voor interpretatie. Alleen afstand maakt nabijheid mogelijk en omgekeerd.

[66] De profeten en in hun spoor de leraren. Daarbij geeft niet een opinie, maar de Tora de doorslag. Vgl Jo 7,48-51.

[67] TeNaCh is een Joodse naam voor wat Christenen te gemakkelijk het Oude Testament noemen. Het gaat bij die naam over de drie hoofdafdelingen van de Schriftelijke Traditie, de drie hoofddelen van ‘de Schrift’: Tora, Profeten en Geschriften.

[68] Misschien een beter woord dan Nieuwe Testament.

[69] LXX: IHSOUS (jèsoes)

[70] Alleen in Jo wordt Johannes niet genoemd ‘de doper’. Johannes kan daar altijd een vraag zijn: de doper, de apostel/evangelist? De schilderkunst heeft daar weet van. Er bestaat menig schilderij waarop we de gekruisigde zien met onder het kruis zijn moeder en de geliefde leerling (vgl Jo 19,26v). De geliefde leerling is dan afgebeeld met een kemelharen mantel, als ware hij Johannes bij de Jordaan.

[71] Op de wijze van schipper mag ik overvaren: met de Tora in de hand kom je aan de overkant.

[72] De Jordaan, aan het einde van Deuteronomium (zelfs al aan het einde van Numeri - Deut is een herhalingscursus: nog eens de Tora) en in het begin van Jehosjoea/Jozua. Mozes mag de Jordaan niet over, hij sterft nadat hij Het Land gezien heeft. God begraaft hem. Wie Mozes zoekt kan niet in een momument, tenzij in het monument van de Tora. Ook wanneer wij ‘Mozes horen’ zien we het land maar zijn we in de Tora.

[73] Keer, wending, richting. Fr.: sens. Die Franse betekenis is ons vertrouwd via non-sens.

[74] Het oude liedje van de Pharao.

[75] Ps 24,3: Wie mag beklimmen de berg van de Heer, wie mag er staan in zijn heilige stad?

[76] Heel Jerusalem is bij Mattheüs al geschrokken met ‘koning’ Herodes. De vraag ‘waar is de geboren koning der Joden’ was al voldoende om dit schrikken te bewerkstelligen. (Mt 2,2-3)

[77] Als Mozes, dé leraar (Num 12,3).

[78] Jerusalem is immers de stad waarvan geen steen (op de andere) zal blijven (Mt 24,2). Het is de door God opgegeven stad. Opgegeven, want God zal er zelfs geen stenen kunnen vinden om voor Abraham kinderen te verwekken (Mt 3,9). In uiterste solidariteit met díe ‘gods-onmogelijke stad’ zal Jezus die stad intrekken om daar Gods koningschap en trouw te vertolken. Dit feest wordt op Palmzondag gevierd.

[79] De tekst laat Johannes kéruttoo, roepen, trompetten. Wat hij uitstoot heet kerugma. Van Dale geeft: Kerugma: heilsboodschap, essentie van de prediking betreffende Gods verlossend werk in Christus.

Levinas (Frans-Joods filosoof 1907-1995) schrijft: ‘Le langage n’est pas signifiant parce qu’il procéderait d’un je ne sais quel jeu de signes sans sens; il est signifiant parce qu’il est la proclamation kerygmatique, identifiant ceci en tant que cela.’ Taal heeft geen betekenis omdat zij afkomstig is uit een of ander spel van tekenen die geen betekenis hebben; zij heeft betekenis omdat zij ‘verkondigende afkondiging’ is. Zij identificeert dit als dat. (Langage et proximité, in En découvrant l'existence avec Husserl et Heidegger, Paris 1967, p 221. Verhelderend kan ook zijn: ‘L’identification est kerygmatique. Le dit n’est pas simplement signe ou expression d’un sens: il proclame et consacre ceci en tant que cela ... dans un ouï-dire, dans un déjà dit, ... doxa, déjà dit, fable, epos où se tient le donné dans son théme.’ De identificatie is een kerugmatisch gebeuren. Het gezegde is niet eenvoudigweg een teken of de uitdrukking van een betekenis. Het gezegde proclameert, consacreert dit als dat ... , een ja-zeggen, bevestigen in een ‘reeds gezegd’, opvatting, uitgesproken, fabel, epos, verhaal waarin het gegeven opgaat in een thema. Autrement qu'être ou au-delà de l'essence, Den Haag 1974 p. 45v.

Wanneer het spreken kerugmatisch is, dan is spreken persé een getuigenis.

[80] Kleding is een gangbaar verschijnsel. Wordt het ‘vanzelfsprekende’ toch genoemd, dan kan er iets mee aan de hand zijn.

[81] De naam is een geloofsbelijdenis. El-i-jah: God / van mij / JHWH, de Heer. Zo kan men Mattheüs 27,47 ook verstaan.

[82] Ten onrechte zet de NBG-1951 vertaling boven Psalm 1: de twee wegen. Neemt men de tekst letterlijk, dan gaat het over een weg. De andere weg is een on-weg. Denk daarbij aan weer en onweer, ding en onding: een niet-weg, een weg die niet bestaat, die nergens toe leidt.

[83] Aldus kun je bijv. Lukas 23,47 verstaan.

[84] In het bijbels taalgebruik is roepen ook de technische term voor Tora lezen. De stem vertolkt het Boek. Dan is het zoeken naar Jerusalem, naar de Tempel en de Messias begonnen.

[85] Priesters, de cohaniem, en de levieten hebben een funktie a) in de Tempel (onderscheid maken tussen rein en onrein, offers brengen en zegenen) en b) in de synagoge (worden respectievelijk als eerste of als tweede opgeroepen om te lajenen, voor te lezen uit de Tora.)

[86] Bijv. Jo 7,12: Hij is goed. Goed betekent bij Johannes overeenkomstig de Tora.

[87] Wanneer iemand zegt:’Ik wil niet vervelend zijn, maar ... ‘ dan weet hij/zij blijkbaar dat hetgeen komen gaat vervelend lijkt/is.

[88] Welke Johannes? De Doper? De Evangelist? Johannes is het enige evangelie waarin degene die doopt (inderdaad, wel het werkwoord) niet ‘de doper’ heet. In de schilderkunst kom je daarom bij een schilderij over de kruisiging vaak onder het kruis naast een klassieke vrouw (de moeder van Jezus) een man in een haren mantel gekleed tegen. De oude exegese weet, Johannes kondigt de Messias aan, is de prodromos, prodromos, de wegbereider. Daarmee heeft een dergelijk schilderij een vergelijkbare functie als het verhaal. Het wil de toeschouwer voorgaan op de weg (van de inkeer en ommekeer).

[89] Ba-midbar. Dit is een fonetische weergave van ‘in de woestijn’ in het hebreeuws. Volgens sommige rabbijnen dien je hier te lezen: ba-min-dabar, d.w.z. vanwaar het woord.

[90] Heel Judea en heel Jerusalem presenteren zich volgens Markus bij Johannes. Mattheüs voegt daar heel de Jordaanstreek aan toe. Jezus is de enige uit Galilea.

[91] Het enige werkwoord in de Tora waarvan alleen God onderwerp is. Met betrekking tot dit werkwoord heeft Hij ‘alleen-vertonings-recht’ .

[92] Tohoe wabohoe: alleen nog in Jer 4,23. Uit elkaar geplaatst is het nog te vinden in Jes 34,11. Vermoedelijk is het erbij horende beeld (zie Jer 4,23) de veroverde en verwoeste Stad.

[93] Markus geeft min of meer letterlijk: om zich door Johannes te laten dopen naar de Jordaan toe. Wat is in die richting dan mee-gegeven? Wat kan de Jordaan in petto hebben? Aan het einde van de Tora begint de Tora opnieuw, als nieuw.

[94] Het leven van de geest speelt zich af op aarde, te midden van de mensen; de wonde van de slavernij in het land Egypte bepaalt mijn leven als mens. E.Levinas, in Judaïsme, in Difficile Liberté, Parijs 1976 (2), p. 44.

[95] Imm-anoe-eel: te midden van - ons - God. Vgl Num 2,2. Zie daartoe eventueel ook dé beproeving in de woestijn: Is de Heer in ons midden of is hij dat niet - eerder ! dan ?, Ex 17,7.

[96] Ex 3. Terdege heb ik gezien, ik heb gehoord, ik ken ... ik ben met jou ... ik ben er ook nog! (Je toekomst hoeft niet perse je verleden te zijn!).

[97] Gen 2,23. De Adaam min adamah (de aard-ige uit de aarde, of, de akker-ling uit de akker - zie je hoe die woorden op elkaar willen rijmen!) spreekt dan over zijn weerga, zijn hem tegenover - van aangezicht tot aangezicht! Zijn gelijke! Even sterk en even kwetsbaar ‘als ik’!

[98] De mens is geschapen naar Gods beeld, op Hem gelijkend. Daarom ook zijn alle eigenschappen van God op de eerste plaats (het Jodendom wil graag eerst praktisch zijn, dan pas theoretisch of speculatief) opdrachten voor de mens. ‘God is goed’ betekent volgens deze leesopvatting op de eerste plaats: ‘Het is mijn opdracht, goed te zijn.’ (Mijn, want in een gezelschap van volwassenen kunt alleen jezelf de wet, de torah, voorhouden.) Zo kun je ook die anders wondelijke, ja onmogelijke zin Mattheüs 5,48 verstaan.

[99] Ook de pharao van de slavernij dult de ander niet naast of tegenover zich tenzij als slaaf.

[100] Vergeet niet: Kaïn is zeer religieus. Dat blijkt wel. Hij is de eerste die een offer gaat brengen. Het is zíjn initiatief. Abel gaat alleen maar mee. Gen 4,3.

[101] Abraham gaat met het woord. Lot, de neef die voor broer (vgl Gen 13,8) speelt, voor naaste, gaat zijn eigen weg. Wanneer het leed dat wereld heet hem overkomt en hij als gevangene is weggevoerd, zal Abraham daar ‘oor’ voor hebben en het voor hem opnemen. Hij bevrijdt Lot. God betekent voor Abraham bevrijding. Daarom zal hij het in Gen 18 ook opnemen voor Sodom en Gomorra. Bij die gelegenheid zal Abraham leren dat niet alles kan. Het houdt een keer op.

Na de bevrijding van Lot komt Abraham zijn gelijke tegen in Melki-tsedek, mijn koning is gerechtigheid. Hij is de koning van Salem (Sjalom - vrede). Daarmee gaat voor het eerst het raam open op Jerusalem. Wat het betekent dat God koning is zou men, zoals hierboven blijkt, kunnen aflezen aan Abraham.

[102] Deze twee oriëntaties zijn in Gen 3-11 (bij Adaam en Chawwah en Kajien en Hèvel) en zijn ze in familiaal verband en daarna (bij de generaties van voor de vloed en bij de bouwers van de toren) mondiaal verdonkeremaand. Abraham laat zien wat dat betekent, tegenover God en tegenover Lot.

[103] Zoals een pijnlijk been of een litteken. Het zou goed kunnen dat het voorafgaande voor wie leest minstens in beginsel meer helderheid biedt aan het verhaal dat men vinden kan in Gen 32,22-32.

[104] Vanuit Ez 1,10 worden de evangelisten afgebeeld met een teken. Mens (Mt vanwege de menselijke afstamming), Leeuw (Marcus: hij verbleef te midden van de wilde beesten (Mk 1,13); denk aan de leeuw van S.Marco - Venetië), het Rund (Lukas, begint met het offer in de tempel) en de Engel (vanwege de ijle hoogte van de bespiegeling waarmee Johannes begint).

[105]Even herkenbaar als het onpeilbare leed van vrouwe Jerusalem in haar verlatenheid die Klaagliederen prijsgeeft: Als God haar minnaar is, hoe heeft Hij die stad - ja, zelfs in al haar ontrouw - dan dit, de totale verwoesting, kunnen aandoen!

[106]Zijn lichaam, wie hij is.

[107]Adaam min adamah, de aard-ige uit de aarde, of de akker-ling uit de akker. De mens en land horen al bij elkaar nog voor de akker genoemd is.

[108]B.Hemelsoet, Marcus, Verklaring van een bijbelgedeelte, Kok, Kampen 1977, p. 54.

[109] In het Johannes-evangelie heet Johannes die doopt nooit ‘Johannes de Doper’. Bij wijze van spreken weet je niet, welke Johannes Jezus doopt. Johannes en de moeder van Jezus introduceren Jezus. Dat doen ze aan het begin (Jo 1 en 2) en onder het kruis. Daarmee wordt geen geschiedenis gereconstrueerd. Daarmee wordt een verhaal verteld, over Jezus, links en recht geflankeerd door Maria en Johannes. Daarmee is hun verhaal nog niet uit. Want Maria heet bij Johannes altijd de moeder van Jezus. Bij Johannes moet en mag je altijd vragen:’Wie is de moeder van Jezus?’ Zij merkt in Kana het gebrek op (‘geen wijn’) en zij zegt:’Wat hij jullie ook zegt, doet dat’ (Jo 2,1-5). Tenslotte staat zij onder het kruis. Daarmee is aangegeven wie de moeder van Jezus volgens Johannes is (vgl Markus 3,33-35). Johannes is in hetzelfde evangelie ook aangeduid met ‘de leerling die Jezus liefhad” . Wie is de leerling die Jezus liefhad? Laat de eerste leerling komen die zegt:’Van mij hield hij niet.

Johannes en Maria dragen Jezus aan. Daarom vind je in de oude kerken Jezus vaak afgebeeld met links en rechts Maria en Johannes. Daarom ook werden veel oude kerken naar Maria en Johannes genoemd. Daarom tenslotte werden tot ongeveer 1960 veel kinderen Maria (Mia, Ria, Mirjam) en Johannes (Jan, Hans, Johan, Ans) genoemd.

[110] Mattheüs 3, Markus 1, Lukas 3, Jo 1.