volgens Johannes
20:1-31 Johannes' verhaal[1] op de ochtend van de eerste dag van de week blijkt
in pentimento geschreven. Eerdere lijnen uit de Schrift worden opnieuw
geschreven, overgeschreven, opnieuw bepaald. Wie enigermate vertrouwd is met
gebaar en taal van de synagoge onderkent hoe Johannes, deze tekst, werkt met de
voorgegeven, voor hem vanzelfsprekende, voor degenen die niet vertrouwd zijn met
elementaire zaken uit de synagogale traditie enkel "ver gezocht". Het is dag één, dé dag. Nog is het donker. Welk licht kan in dit duister
schijnen? Maria van Magdala gaat naar het graf. Graf of gedenkteken? Mnèmeion
zegt de tekst in het grieks. Mag daar de betekenis van het werkwoord in doorklinken?
Mnemeion is dan een plaats die de
herinnering bewaart, die het heden
toegankelijk maakt met het eerdere, met dat wat verleden en derhalve enigermate
vertrouwd is, ge- en bekend. Maria kan niet verder komen dan de herinnering. Of
toch? De steen (vgl 11:38,39,41) is al weggenomen. Wie heeft genomen? `Wie?' is
het onderwerp. Deze vraag spreekt heel deze geschiedenis, al het gebeurde en gebeuren
(vgl 1:2) tot nu toe aan. Welk woord maakt dit `nader te bepalen' toegankelijk
voor enig verstaan? Is `Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald', zei ze.
`Wisten we maar waar ze hem gelegd hebben!' het laatste woord? Alsof Johannes niets
anders te doen heeft. Er volgt een beschrijving van zoiets als een wedstrijd hardlopen.
Tussendoor valt voortdurend de naam die de begraaf-plaats noemt, en er wordt aan
toegevoegd: doeken, doeken, zweetdoek, doeken. Welke afwezigheid, welke eerdere
(vgl Joh. 1:30; 8:58) aanwezigheid roepen zij op? Vertrouwdheid met de
liturgie van de synagoge kan connotatief wijzen op de gebruiken rond het omgaan
met de Torah. Welk geheim wordt hier uit de doeken gedaan? ... de schrift ...
dat hij moest opstaan uit de doden. Maria. Alle vragen verstommen bij haar huilen. Zij vertolkt de afwezigheid
en het gemis waarin de leerlingen nabestaanden zijn geworden. Maria buigt zich.
Zij ziet twee engelen in kleding die aandacht vraagt. Het is het feestgewaad van
de synagoge. Ook de plaats van de engelen is wel aangegeven: hoofd en voeten.
Tussen begin en einde is `de plaats waar'. De voetwassing heeft Petrus duidelijk
gemaakt, waar het om beginnen is. Wat huil je? Tot een beter verhaal zijn
de engelen niet ingezet. We horen de klacht van
Maria. Dat is voldoende om haar te laten omkeren. Zij ziet haar gemis maar weet
niet dat de man van de tuin Jezus is. Maria en Jezus in de tuin. Wie
zoek je? Van `wat' naar `wie' blijkt de leerweg. Hoe zal zij weten dat Hij
het is? De naam, haar naam (vgl 10:14) vertolkt een wereld, een samen-gaan waarin
mensen weten hoe zij gekend zijn (vgl Joh. 10,3). Ook in dit verhaal brandt de
struik van de Naam die `horen, zien en kennen' vertolkt (Ex 3). De boom in het midden
mag men niet aanraken. De Tora is de boom des levens (Spreuken 3,18). Jezus die
verrezen is: het woord. Maria wordt (anggelloesa) voor de leerlingen de
engel van dit verhaal. In de versen 19-23 wordt de geslotenheid doorbroken. Hij staat in het
midden om vrede (de synagoge zingt Psalm 19:8.9; 29:10 en 18:31) wanneer de
naam genoemd is van wie uit de Tora zal lezen) te zeggen, vrede op jullie.
`Jullie' doorbreekt elke beperktheid. Mits goed te verstaan gegeven kan ieder
hier toegesproken worden. Op wie hier aangesproken wordt rust de verplichting
van de vrede. Dat is de gave van de vrede, de geest die hemel en aarde tot één
maakt. Een week later (20:26). `Beloken Pasen'. Thomas activeert de geadresseerden die in 7:33-34 toegesproken worden door zijn vraag in 14:5. Hij wordt daar de man van de weg die in 1:23 begint, de weg door het midden (1:26; 19:18; 20:19.26). Het is de weg van de Heer (1:26 - 20:28). Zo is alles geschreven: opdat jullie gaan geLOVEn of blijft geLOVEn. |