Mijn Wegen, mijn weg, een autobiografie
1942-20xx

ISBN 9 7894 6448 018

home

Hoofdstuk 2

De lagere school 1948

Vouwen
Je gaat naar school om te leren. Op de kleuterschool leer ik: ik kan niet vouwen. Zuster Catherine, een lang zwart habijt met rechts, aan de ceintuur om haar middel met daaraan een grote rozenkrans, en een witte vierkante kap om haar hoofd, ziet op de kleuterschool al heel snel dat ik het niet goed doe. Zij heeft er woorden voor. Paula is mijn buurmeisje in de kleuterklas. Ons dorp is bijna helemaal katholiek, maar Paula is protestant en kan wel vouwen. Zij luistert naar de zuster. Zij legt haar blaadje papier keurig op het tafeltje, legt de puntjes netjes op elkaar en gaat daar zorgvuldig met de nagel van haar duim of vinger overheen. Bij haar komt een scherpe lijn tevoorschijn, terwijl ik intussen mijn papier hoor scheuren. Dom, dom, dom. Ik heb het te vouwen papiertje in de lucht gehouden en ga er dan met mijn nageltjes overheen. Ja, dan gaat het dus fout! Met de nagels van mijn duim en wijsvinger maak ik de scherpe vouw te scherp en mijn papier scheurt. Voor mij is het verschil tussen katholiek en protestant al vroeg duidelijk. Protestanten luisteren goed en zijn goed in vouwen. Maar zuster Catherine zegt: 'Zie je wel,

vijf jaar 1946/7

Jantje!' Hoe ze weet dat ik het verkeerd heb gedaan? 'Zie je wel!?' Ik weet niet eens dat er iets te zien is. Ik doe wel mijn best, maar ik doe mijn best verkeerd. Dat bestaat ook.
Hoe kan ik weten dat er zoiets als een methode bestaat om te vouwen en dat je dat moet leren? Het is natuurlijk ook niet alleen mijn schuld. Het papier is veel te dun, budgettair zo goed als neutraal papier. Vliesdun. Nog net een velletje. En zie het dan maar eens te redden. 'Zie je wel, Jantje!' Ja, ik zie het. Paula kan het wel. Al vroeg achtervolgt de waarheid mij.
De zusters op de kleuterschool en later de juf en de meesters op de grote school zijn in mijn ogen geleerden. Ze weten alles en kennen alles. Wat ik mis, zij weten en kunnen het. Ze hebben het op voorraad. Ze hebben ons ook nooit verteld dat ze dat geleerd hebben want dat soort dingen vertel je natuurlijk nooit. Joodse mensen zeggen: als je de naam van je leraar noemt breng je de verlossing dichterbij. Hoezo dat? Als je de naam van je leraar noemt, dan zeg je ook dat je het zelf ook geleerd hebt, en dat is weer een bemoediging voor je leerlingen. De meester of juf heeft het ook geleerd, misschien kan ik het dan ook leren. Dat is bemoedigend. Wat ze ons zo van de koude grond leren vind ik vaak best wel verwarrend. Moeilijke dingen zijn voor hen zo gewoon. Hoe kan dat? Als kennis zo gewoon is, hoe kun je het dan leren wanneer het voor jou niet gewoon is?


Lezen leren

Zes jaar. Eerste klas van de Grote School. Ik heb net leren lezen. Op mijn bank ligt De Kleine Apostel. Kan het zijn dat die twee of vijf cent kostte, twee of vijf cent voor de missie? Het is een vroom blaadje. Dat kun je zien want er staan ook zwarte mensen op en die helpen wij met ons zilverpapier. De juf heeft 'de kleine apostel' laten uitdelen, vlak voor 12 uur. Kunnen we het meteen mee naar huis nemen. Ik probeer wat ik geleerd heb.



mei 1949


Ik lees. Oo, oo, ie, t. Oowiet. Er staat duidelijk ooit maar ik lees oowiet. Ik snap niet hoe dat komt, maar bij mij …, ik krijg die w niet weg. Oowiet. Als jongetje van bijna zeven begrijp ik dat leren en lezen echt een opgave is. Daar komt heel wat bij kijken, zeker als je dingen leert die eigenlijk niet kunnen. Wat moet je dan? Hoe los je dat op? Mam zegt dat ik mijn best moet doen. Dat doe ik ook. Maar het gaat niet. En hoe moet dat, 'je best doen'? Ik blijf dat moeilijk vinden want ik weet niet wat 'je best' is. Hoe wil je dat dan doen? Het is net zoiets als kinderen krijgen. Allemaal geheimen. Je best doen.
Er komt een nieuwe jongen in de klas. Hij blijkt twee achternamen te hebben, een gewone en een echte, die van zijn moeder en die van een of andere man. Nooit eerder van gehoord. Die jongen is geboren terwijl zijn moeder nog niet getrouwd was. Ik dacht dat de ooievaar alleen maar bij getrouwde mensen kwam. Die pikt de vrouwen in hun been en dan moeten ze een paar dagen in bed liggen. Had die ooievaar zich dan vergist? Een paar dagen later spelen we op een zandplek met een paar grote jongens. We maken een hut van stokken en zand tegen de heuvel. Een van de grotere jongens zegt in vertrouwen tegen me, dat kinderen uit je piemeltje komen. Dat kan helemaal niet! Hoe kan daar nou een kindje uit komen? Dat gedoe met een piemeltje en zo - is er een zo? - zie ik echt niet zitten. Dat is trouwens zonde. Ik begrijp het niet. Het houdt het me niet echt bezig, maar het is wel verwarrend. En de jongen die het vertelde keek zo ernstig toen hij het zei.
Later komt er nog een nieuwe jongen in de klas. Hij spreekt heel anders. Hij komt uit Holland. Hij komt hier op school omdat zijn vader redacteur is geworden bij Het Limburgs Dagblad in Heerlen. Ik weet niet eens dat zoiets bestaat, een 'redacteur'. Ik ken alleen maar mijnwerkers, en de dokter en de apotheker uiteraard. O ja, er zijn natuurlijk ook bakkers, slagers en groenteboeren. De bakker en de melkboer komen dagelijks aan huis met paard en wagen. De groentenboer komt twee keer per week.
Dat probleem van oowiet doet zich helemaal niet voor, blijkt later. Het is gewoon ooit, zoals in ooievaar. Dat woord ooievaar (typisch, in het enkelvoud!) is ons bekend. Een ooievaar is een wondervogel. Je ziet hem nooit en toch komt hij regelmatig langs. Typisch dat een ooievaar een hij is!
Op zekere dag stopt het autootje van vroedvrouw in de straat. Ze stapt uit, zwaait haar koffertje uit haar auto en roept breeduit lachend naar de kinderen die dat vertrouwde gezicht wel kennen: 'Daar komt de ooievaar'. We hebben goed opgelet. We hebben niets gezien van een ooievaar en toch is er later een kindje.
Op school zijn klassen van veertig kinderen of meer normaal. Alles op school moet zijn tijd hebben en het duurt heel lang. Alleen de kinderen van apotheek Moussen en Jantje van de burgemeester zijn vlugger. Die krijgen 's middags bijles, en ze slaan natuurlijk de tweede klas over. Het zijn al vroeg geleerde kinderen.

Juffen en meesters
De zusters van de kleuterschool, later de juf van de eerste en de meesters van de andere klassen verrichten wonderen. De meester van de derde leert ons cijfertjes te lezen alsof het muziek is: 1 is do, 2 is re en 3 is mi. Als er een punt achter staat moet je langer zingen, en bij twee punten nog langer. Er lopen krullen om de cijfers heen. Dat heeft met de melodie te maken zegt meester Vinke van de derde, of met harder en zachter. Allemaal knap bedacht!
De derde klas, ik ben net negen, is een bevoorrechte klas. Achter in de klas, ik zit achterin, dus direct achter mijn rug, heb je een houten wand en daarachter zit de zesde klas. Dat is de klas van meester Jacobs. Meester Jacobs ziet er uit als een wijze uil met zijn grote bril. Hij is het hoofd van de school. Terecht. Als je zo kijkt moet je wel hoofd zijn!

Er is iets geheimzinnigs met de meester van de zesde, met meester Jacobs. Tijdens de oorlog heeft hij in Buchenwald gezeten, in het kamp. Kamp? Ja. In het concentratiekamp! Hij was gijzelaar. Gijzelaar, wat is dat? Vreemd. Je hebt niks gedaan en zit dan toch vast in een soort gevangenis.
Wij van de Sint Jozefschool weten in 1951 allemaal: meester Jacobs heeft in die oorlog vreselijke dingen gezien, zo vreselijk dat hij daar nooit over praat. 'Het was te erg', is alles wat hij ons daar, drie jaar later, over vertelt wanneer ik in de zesde zit. Dan is het 1954. Meester Jacobs in het kamp! Maar hij kan, dat hoor ik in de derde al, wél viool spelen. Dat is echt kunst.
Ik weet niet wat een viool is. Ik heb nog nooit een viool gezien. Een accordeon, en trommels en fluiten. Dat wel. Er is zelfs een hele fanfare op Schaesberg (dat tegenwoordig Landgraaf heet). Maar een viool kennen wij niet. Er is nog geen televisie en in onze films komen wel de Dikke en de Dunne voor, en cowboys op paarden met lasso's en dappere honden en zo, maar geen viool. Ik ken het geluid van een viool ook niet. Op de radio luisteren we nooit naar zoiets. Een viool, zingend hout. Er zitten snaren op die kunnen trillen en dat maakt dan dat neuriënd geluid.
Meester Jacobs kan viool spelen. Hij speelt altijd als de zesde zangles heeft. Wij in de derde zijn dan stil aan het werk. We maken meestal sommen. Ik denk dat onze meester Vinke de muziek ook mooi vindt. Je kunt het goed horen door die houten wand. 'Daar heb je de appeltjes van oranje weer. Sinasappelen zoek ze zelf maar uit'. Vrolijke muziek.
Wat ik wel bijna zeker weet: muziek heeft vaak met verdriet te maken. Meester Jacobs is in Buchenwald geweest. Voor mij hoort dat bij hem. Daarom speelt hij zo mooi.
Hij leert ons later ook dat je van geel en blauw, groen kunt maken. Met plakkaatverf. Het is iets nieuws. Plakkaatverf is heel iets anders dan waterverf. Het komt uit een tubetje, als tandpasta. We moeten van meester Jacobs een bordje meebrengen, een bordje van 'kop en schotel' als het kopje kapot is. Iedereen heeft thuis wel een bordje over. Dan kunnen wij met plakkaatverf schilderen! Als je er een beetje meer water bij doet wordt de kleur dunner. Daar heb je geen wit voor nodig. Er zijn dus meer mogelijkheden! Op mijn eerste schilderijtje staat een oranje lampionplant. Nog nooit geien. Physalis leer ik later. Ook iets waarvan je niet kunt weten dat het bestaat! Drie lampionnen aan het hout van de tak. Als ik ze in het najaar bij de bloemist zie staan neem ik ze graag mee naar huis. Weer probeer ik ze te schilderen. Dat is niet zo simpel, al die nuances in het licht. Dat zou ik eigenlijk ieder jaar moeten oefenen.
Meester Jacobs neemt ons in vertrouwen. Hij is een echte meester. Hij is een getuige. Ik heb hem nooit boos gezien. Je ziet aan hem dat hij wijs is. Hij kijkt naar ons, en als iets lukt hoor je hem met een glimlach zeggen: zie je wel! Zo horen we, muisstil, ogen dicht, zelfs een keer in de klas een speld vallen.
Alleen mijn schrijven. Ik kan het echt niet. Het is geen onwil of niet je best doen. Later weten we, het is die fijne motoriek. Een beetje moeilijk voor het grote en wat dik jongetje dat ik dankzij de Sanatogen (mager oorlogskindje, kalkgebrek) ben. Extra eiwitten en kalk. Mijn botten zijn niet te breken. En dan zo'n friemelpen! Hoe houd je zoiets vast als je vingers zweten?
Februari 53, de watersnoodramp. In de bioscoop zien we tijdens het journaal de onthutsende beelden. Op school tekenen we met potlood grijze watervlakten waar daken uitsteken op ons papier, met daarop mensen, grijzige schimmen. En laatste topjes van de bomen. Koeien drijven met hun poten omhoog op het water. Ik hoor nu nog de stem van de nieuwslezer op de radio. Hij zegt plechtig die lange naam: Goeree-Overflakkee. Na die lange naam rust de stem even, en dan zegt hij wat daar gebeurd is. Geen idee waar het is, maar het is dáár op een kaart, op Goeroe-Overflakkee, een langgerekt eiland, een soort kop met een lijf in het rampland Zeeland en Zuid-Holland. Ons historisch en geografisch bewustzijn wordt door het onheil van die dagen wakker gemaakt. Dit zal later als wij groot zijn in de geschiedenisboekjes staan¸ zeggen we tegen elkaar.
Dat gevoel van historiciteit wordt nog groter wanneer in maart drie-en-vijftig Stalin sterft. Mijn vriend Michael kan ook goed tekenen. Hij tekent de dode Stalin in zijn kist. Je ziet hem niet. Het deksel zit erop. Zijn snor steekt uit!


Vroeger
Mijn plannen voor mijn toekomst zijn altijd hetzelfde. Ik wil alleen maar pater worden. Dat woord pater klinkt mij volstrekt vertrouwd. Met zijn Gelderse achtergrond zegt mijn vader altijd poater. In Leenhof had je paoters. Dat waren Monfortanen. (Hun kleinseminarie was in Schimmert.)
Mijn vader is na zijn eerste jonge jaren, opgegroeid in Leenhof. In Leenhof had je geen pastoor zoals bij ons. Leenhof vinden wij thuis eigenlijk meer echt. Zo voel ik dat ook. Het kerkje is huiselijker. En in Leenhof heb je ook het kapelletje. Leenhof heeft geen pastoor maar een 'pater Rector'. Dat is net zoiets als een pastoor maar anders. Ik weet niet wat het betekent, maar pater is voor mij meer ingetogen, minder functionaris, dichter bij de mensen.
Het kapelletje op de heuvel in Leenhof, achter de kerk, is een overtuigende, altijd beschikbare plaats van rust. Boven de ingang is een schild uitgekapt in steen. Daar staat op: Flos Carmeli, bloem van de Carmel. Een kapelletje dus voor Onze Lieve Vrouw van de Berg Carmel. Dat is een naam die bij mij blijft hangen. De ouders van mijn vader wonen in Leenhof. Oma zal de eerste dode zijn die ik zie. Zij wordt in Leenhof begraven, niet zo ver van het kappelletje, aan de voet van de heuvel. Dat is 1954. Ik ben dan 12.

Bijna elke zondag ga ik met pap in Leenhof naar de kerk. Dat is 10 minuten bergaf lopen. Als we na de mis naar buiten komen zet opa altijd zijn hoed plechtig op zijn hoofd. Dan kijkt hij mij aan en zegt: 'Zo, dat hebben we weer verdiend.' Hij is al vroeg bezig hoog in de hemel te komen. Opa zal oud worden. Hij heeft nooit ondergronds op de mijn gewerkt. Ik zal bij hem zijn wanneer hij in 1967 toch nog onverwacht sterft. Tante Rika, opa's enige dochter bij wie hij zijn laatste jaren inwoont, vraagt me of ik het goed vind dat zij even een paar boodschapjes haalt nu ik er ben. Mijn opa en ik zijn dus alleen, met zijn tweeën. Hij slaapt. Ik zit in mijn pij naast hem, bidt de rozenkrans. Daar ben ik net weer mee begonnen. Hij ademt rustig. Dan opeens, een moment van aarzeling, adem, stilte. Opa is de enige mens die ik zie doodgaan. Ik zit naast hem, kijk naar hem. Zo sterf je dus. Het is op geen enkele wijze beangstigend. De stilte is echt een moment.
Oma is op zondag allang naar de kerk geweest. Terwijl opa naar de Hoogmis gaat is zij aan het koken. In het huis van opa en oma wordt 's zondags na de Hoogmis altijd gekaart. Opa, denk ik achteraf, doet eigenlijk altijd zijn best om van zijn zonen te winnen. De broers kaarten met hun vader als vaklui. Roken hoort daarbij. Oma schenkt koffie. Ik krijg ook een kopje koffie. 'Asjeblieft meneer Jansen', zegt ze dan. Mijn koffie is een beker cacao. Later komen daar pepermuntjes bij. 'Even kijken of ik nog wat heb. Ja'. Toevallig altijd wel.
Ome Antoon, de jongste bruur van mijn vader, is niet getrouwd. (De mannen praten, letterlijk van huis uit, altijd Gelders met elkaar. Althans wij noemen dat zo.) Oom Antoon heeft een pick-up. Regelmatig moet een nieuw naald in de kop van het muziekarmpje gestoken worden. Dat die naald geen pijn doet in de keel van de meneer of mevrouw die zingt, en hoe zo'n man op tijd weet dat hij weer moet zingen! Dat zijn problemen die mij al vroeg bezig houden. De wereld van de grote mensen is een wereld vol geheimen.


Zingen
In Leenhof hebben ze rond 1952 een prachtig jongenskoor, de Leender Koralen. Kun je een mooiere naam bedenken? Ik mag voorzingen. Maria die zoude naar Bethlehem gaan, mijn handen strak achter mijn rug. Ik voel de intensiteit nog. De pater speelt piano - ook al te mooi om waar te zijn - en ik mag zingen. Het lied dat uit de kerkruimte terug galmt, speelt zich voor mijn ogen af als een film. Het is volop zomer maar ik voel de kou en de rijp op de daken. Zie de ijspegels hangen. Ik word aangenomen en zal er nog van horen. Mijn eerste echte rol in de kerk. Maar het gaat niet door. De pater wordt overgeplaatst en ik weet niet wat er met het koor gebeurd is. Korte tijd later krijg ik in Schaesberg in onze kerk gelukkig een nieuwe kans. Er komt een jongenskoor bij ons kerkkoor. Dat is ongeveer ook de tijd dat de televisie in de winkel komt.

'Bij Rozenboom staat een televisie in de etalage!' 1951! We gaan natuurlijk meteen kijken. Op een vierkant grijzig schermpje ter grootte van de voorkant van een schoenendoos, zie ik een tractor met iets erachter riet snijden. Een regelmatig ruisend mes of zo scheurt langs de stokken. Die vallen om. Suikerriet. Geen idee wat het is en nog nooit gezien, maar het is gewoon suikerriet.
Je kunt om de etalage heen lopen en ik doe dat natuurlijk ook want ik weet iets van bewegende beelden. Bij mijn vriend Michael hebben ze thuis een filmprojector. De film zit op een rolletje dat met een paar elastiekjes verbonden is met een slingertje. Als je daar nu gelijkmatig aan draait zie je de film met de beweeglijke beelden op een laken dat aan de muur hangt. Het is een beweeglijke straal licht, zoals je dat in de bioscoop of in het patronaat, het buurtgebouw bij de kerk, kunt zien als daar een film gedraaid wordt.
Ik kijk nu bij Rozenboom persoonlijk na, of er niet toevallig ergens een lichtstraal op de televisie schijnt. Maar er is niets te zien. Het beeld komt echt uit het kastje zelf en je kunt direct kijken. Een paar dagen later ga ik terug. Ik zie iemand op die televisie piano spelen. Hij kan het heel goed, want zijn handen schieten regelmatig over elkaar heen, de rechter over de linker en weer terug. En het klinkt feestelijk. Zoiets vergeet je nooit meer. Die grote wereld, en wat sommige mensen kunnen!

Verdwenen en weg
Leenhof en de paters. De kerkgebouw staat er in 2002 nog steeds, maar is dan alleen nog kerk van buiten. Kunstenaars hebben de ruimte goedkoop kunnen kopen en hebben er hun atelier van gemaakt. De Lourdesgrot die tijdens mijn jeugd nog schuin achter de kerk staat, is dan ook afgebroken en op het kerkhof neergezet, heb ik gehoord. Op dat kerkhof, vooraan, liggen ook een paar paters begraven. Mijn vader kent deze mensen allemaal. Iedere naam is voor hem iemand aan wie hij persoonlijke herinneringen heeft. Het graf van oma is er niet meer. Ik weet wel nog waar het was. Haar begrafenis was heel druk. De stoet was vooraan al in de kerk en vertrok tegelijk nog bij het rouwhuis. Het graf uit 1954 is er allang niet meer. Dat van opa is ook verdwenen. Alsof de eeuwige rust hier op aarde erg tijdelijk is. Gezien de eeuwigheid van extreem korte duur.
De kapel op de berg staat er nog steeds. Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel, een kapelletje langs de weg van Heerlen naar Schaesberg. Als je vanuit Heerlen met de trein naar Landgraaf gaat en je kijkt net buiten Heerlen linksaf, zie je het kapelletje, niet te missen, vooraan op de heuvel staan. In de meimaand komen daar ook in 2021 nog altijd veel mensen. Het is een plaats van vrede en rust. In alle stilte en zonder ophef kan ieder mens daar terecht. De kapel is eeuwen geleden gebouwd door de bewoners van het kasteel waarvan de resten rond 1950 nog aan de andere kant van de heuvel staan. Het Boereschlot, is er dan nog. Een deel ervan is boerderij. In de gracht eromheen zitten in het voorjaar koelkoppe. Dat heeft meester Jacobs ons geleerd. Het zijn net visjes met staart en dikke kop. Maar het worden kikkertjes. Het klopt allemaal.
In de zomer groeit achter het bos, tussen het bos en het Boereschlot, koren. Tussen de groene maar later ook geler wordende aren, zie je de altijd blauwe bloemen. Dat zijn echt korenbloemen, zo blauw als het kleed van Maria in de kapel. Je kunt het graan als het rijp is echt proeven. Dan proef je wat je krijgt als je het koren maalt. Daar kun je brood van bakken. Dat de leerlingen die achter Jezus aan door het korenveld lopen dat ook doen, verbaast me niks. Die graankorrels hebben een geheimzinnige, zomers-warme, aardse geur. Goed proeven. Van de aar zelf kan mijn vader een soort fluitje maken. Je hoort maar één toon, maar hij doet het.

Mijn vader
Mijn vader kan alles. Fietsenbanden plakken, schoenen repareren, een kapot strijkijzer weer aan de praat krijgen. Hij laat meikevers uit bomen vallen door met zijn voet op de stam te stampen. Alleen lezen. Dat kan hij wel maar hij doet het nauwelijks. Sport in de krant houdt hem niet bezig. Politiek al helemaal niet. Daar heeft hij niks mee. Het ontgaat hem en gaat aan hem voorbij. Niet dat hij een soort anarchist is. Zeker niet! Maar waarom zou je in de politiek vertrouwen moeten hebben? Dat is toch echt een deur verder dan zijn zeer praktische en concrete leven, onder en boven de grond. Eén keer heeft hij meegelopen met een demonstratie van mijnwerkers. Het was een staking, uitgeroepen door de vakbond. De plaatselijke leiders van die vakbond staan langs de weg de demonstrerende mannen uit te lachen. Zo heeft hij dat gevoeld. Hij is toen uit elke organisatie gestapt, zelfs uit het zangkoor. En hij zong zo graag! Nieuws is voor mijn vader het plaatselijke nieuws. Dat vertellen de mensen elkaar wel en daar hoort hij bij. Daar heeft hij geen krant voor nodig.

Mijn moeder
Mijn moeder leest veel. Stapels boeken, iedere week. Als de kinderen naar bed zijn leest ze. Soms, in de zomer, ook overdag, buiten op de bank. Ik weet als tienjarige precies wat ze gelezen heeft. Ik zoek zelf haar boeken uit. Ik mag in Schaesberg twee keer per week drie of vier boeken voor haar halen, en drie of vier voor mij. Rijkdom, al die boeken. Ze zijn alleen niet allemaal zo leuk als de omslag doet vermoeden.
Zelf lees ik al snel alles wat los en vast zit. Letters zijn voor mij gemaakt. Ik moet ze lezen. Als ik een beetje groter ben ga elke morgen naar de kerk met mijn missaal. Ik volg het Latijn. De meeste teksten ken ik uit mijn hoofd. De betekenis staat ernaast afgedrukt. Ik wil erbij zijn en ik wil er alles van weten.
Ik kan me niet herinneren dat ik naar de kerk moest. Maar ik ga vrijwel van jongst af aan elke dag en meestal alleen. Ik ben in de regel ook vroeg uit mijn bed. Ik maak de kachel aan: een oude krant, wat houtjes en als die behoorlijk branden de kolen erop. Als ik een ruim half uur later thuis kom is het huis lekker warm. Soms bak een dan een pannenkoek voor mezelf. Dat mag ik van m'n moeder.

Voordat ik naar de kerk ga maak ik de kachel aan. Dan is het wanneer ik tegen acht uur weer thuis kom lekker warm. Vanaf mijn achtste is dat een vaste gewoonte. Mijn vader is dan net thuis van de nachtdienst en slaapt al, of is om vijf uur van huis gegaan voor de daagschiecht, of hij rust na zijn middagdienst van gisteren nog even uit. Hij was dan rond elf 's nachts thuisgekomen na acht uur ondergronds gewerkt te hebben.
Mijn vader is schiethouwer. Hij heeft de leiding bij een groepje mannen die ondergronds de gangen door de rotsen maken. Dat begint met gaten boren in de steen, ik meen ongeveer 2 meter diep. In die gaten worden staven dynamiet gedaan waar een draadje aan vastzit, hetzelfde draadje dat in die dagen ook je dynamo verbindt met je fietslichten. Het gaat over ongeveer 20 gaten in die harde steengrond. Daar wordt ook steeds een tekening van gemaakt in een werkboekje, de gaten genummerd. Al die draadjes worden gebundeld en worden aan een soort hendel vastgemaakt. Iedereen weg, minstens tweehonderd meter. Hendel induwen, grote plof, veel stof, puin ruimen. Zo maak je een gang door de rots en bereik je de volgende laag steenkool. Het zwarte goud! Wie dat woord verzonnen heeft weet ik niet, maar het is niet alles goud wat blinkt. Dat kun je aan de sterftecijfers zien.
Als je zo laat thuiskomt als hij, kun je niet 's morgens in alle vroegte de kachel aansteken. Als oudste ben ik uiteraard goed in huishoudelijke karweitjes. Ik doe dat met plezier, maak de kachel aan, bak vaak een pannenkoek, geniet van de eerste warmte en lees de krant van pagina één linksboven tot de laatste pagina, recht beneden. 'Jij verlèèst nog een keer je verstand', zegt mijn vader soms. Het werkwoord verlezen ken ik alleen van hem.

Lezen
Twee keer per week ben ik in de parochiale bibliotheek. Wanneer ik tien ben mag ik meehelpen alle boeken opnieuw te kaften. De juf van de bieb leert me hoe dat moet. Eerst het boek aan de bovenrand leggen, netjes recht, onderaan omslaan en vouwen (met je nagel. Dat heb ik intussen wel geleerd). Daarna hetzelfde met het boek aan de onderrand. De fijne motoriek is geen probleem meer. Boeken! Allemaal boeken. Zoals in de kerk waar het boek regelmatig door de misdienaar wordt opgepakt en aan de andere kant wordt neergezet. Zelfs dat verplaatsen van het boek vind ik opmerkelijk.
Wonderlijk genoeg speelt het heilige boek of beter, de Bijbel, geen enkele rol in de wereld van ons leven van elke dag. Het is een heilig boek, en dat betekent 'onttrokken', lijkt het. Van ouderen heb ik zo vaak gehoord: 'wij mochten thuis geen bijbel lezen'. Sinds ik publiceer hoor ik: 'Katholieken lezen niet'.

De kerk
In de rechter zijkapel van onze kerk zitten de jongens. Toch altijd wel zo'n stuk of dertig. In die kapel waar wij knielen staat het beeld van Sint Jozef. Hij heeft het kindje Jezus op zijn arm. In de andere hand heeft hij een staf waar bloeiende witte lelies op staan. Later zal ik leren dat daarmee wordt gesuggereerd dat Jozef van het geslacht van Aäron is, de broer van Mozes, de eerste Hogepriester. Jozef 'uit de stam van David', zou dan verbonden zijn met de priesterfamilie. Ik zal ook later leren dat Joodse priesters priester zijn omdat ze in een priesterfamilie geboren zijn. De witte lelie staat voor zuiverheid. Voor mij heeft dat alles te maken met oprechtheid en eerlijkheid. Dat bewonder ik ook in mijn vader. Als hij iemand helpen kan, doet hij dat. Het geluk dat hij zelf beleeft, deelt hij graag.
Van het ordenen van de bibliotheek ga ik naar het ordenen van de administratie in de parochie. De grote mensen die dat doen mag ik helpen. Wij kijken niet naar de gegevens. Wij voelen dat dat ons niet aangaat. Wij brengen er alleen een systeem in. Het cadeautje dat we daarvoor van kapelaan Piet Linssen krijgen is uitzonderlijk. In de Stadschouwburg van Sittard gaan we naar Madame Butterfly van Puccini. Stadschouwburg! Sittard! Opera! Drie keer een wereldervaring voor een elfjarige. Alles wat ik hoor en zie zuig ik op. Mijn eerste opera op een toneel, van helemaal uiterst links naar helemaal uiterst rechts. Zoals ik boeken lees, maar dan 'in het groot'. Zo probeer ik ook de wereld te lezen. Mijn wereld, mijn ruimte.
De evangeliekant in de kerk is links. Aan die kant is de Mariakapel. Mijn moeder steekt daar vaak een kaarsje op en dan staat ze even te bidden. Die linkerkant is dus ook de meisjes- en vrouwenkant.
Mannen en vrouwen zitten in mijn jonge jaren in Schaesberg nog gescheiden in de kerk.

Mariajaar 1952
Voor het Mariabeeld in de kapel hebben we in de parochie tijdens het Mariajaar 1952 gespaard om als parochie Maria een gouden kroon te schenken en Haar opnieuw te kronen. Ik ben dan tien jaar en ik kijk mijn ogen uit.
De hele voorkant van de kerk, de trappen naar het priesterkoor, van zuil links tot zuil rechts, is één zee van bloemen, zo'n 10 meter lang en drie meter diep, van laag naar hoog reikend. In het midden Maria, de maan onder haar voeten, de maan en de slang. Gedurende een week is er iedere avond een lof met preek. De kerk is echt vol.
Pater Hugo, een karmeliet uit Merkelbeek, niet met een superplie en een stola zoals onze parochiepriesters, maar met een prachtige witte mantel over zijn bruine pij, houdt elke avond een preek. Als hij zijn armen opheft zie je de grootse beweging van die witte mantel. Een wijds gebaar. 15 Jaar later zal hij mijn docent homiletiek (preekkunde) en welsprekendheid zijn. Hij zet zich in Limburg in voor mensen voor wie het spreken niet zo eenvoudig is. Zijn graf is nog te zien op het kleine kloosterkerkhofje tussen Merkelbeek en Amstenrade, als je het dorp uitkomt meteen links. Dat kleine kloosterkerkhofje is het enige dat over is van het klooster van de Karmelieten in Merkelbeek.

Blijkbaar
Ik vind niets zo spannend als lezen. Boeken dus. En van jongst af aan is voor mij de kerk een goede plek. Ik wil al snel pater worden. Ik weet ook zeker dat ik nooit iets anders heb willen worden. Wat had dat andere kunnen zijn? Het enige dat je in de wereld van mijn jeugd kunt worden is mijnwerker. Mijn vader en zijn broers zijn allemaal mijnwerkers, net zoals de broers van mijn moeder. Een paar weken voor zijn dood vertelt mijn vader me nog dat zijn 'mogen werken op de mijn' voor hem in feite een geschenk was. Een maatschappelijk werkster van de mijn had dat op verzoek van opa en de rector van de paters van Leenhof geregeld. Wim die toen nog niet wist dat ik zijn eerste zoon zou zijn, mocht zich op de mijn melden. Hij was er blij mee. Nu kon hij tenminste wat.
Willem noemt mijn vader zichzelf, naar zijn oom, Willem-ome uit Arnhem. Mijn vader Willem klaagt nooit over zijn zware werk. Hij is ook niet zo'n prater. 'Willen de Zwijger', noemen zijn collega's hem vriendschappelijk. Zelfs als hij speciaal gevaarlijk werk moet doen klaagt hij niet. Thuis bidden we dan vuur pappa op de koel een extra gebedje. Ik weet nog dat we dat wekenlang uitdrukkelijk doen. Pappa hangt dan in een mand aan touwen in de schacht van de mijn boven dat diepe gat (800 tot 1000 meter diep) waar straks weer de liftkooien naar boven en naar beneden ijlen. Terwijl hij en enkele collegae zo hangen sijpelt het grondwater boven over hem en zijn koempels heen. De binnenkant van die schacht moet vernieuwd worden. Ik heb daar een compleet beeld van, met kleuren en geuren, al moet dat fantasie geweest zijn. Zeker is het waar, dat het daar als het ware continu regent, constant vochtig en tochtig is. Die touwen hangen natuurlijk niet stil. Het is gevaarlijk werk. Als de dag van gisteren herinner ik me de mijnramp in Marcinelle, België. Het had bij ons gebeurd kunnen zijn. Zo voelen we.
België is voor mijn gevoel heel dichtbij. De vader van mijn moeder komt uit Charleroi. Vlak daarbij ligt Marcinelle. Daar zijn op 8 augustus 1956 262 mijnwerkers omgekomen. Ook wanneer ik dan al in Merkelbeek ben, bang volgen we de berichten op de radio.
Mijn vader klaagt nooit over gevaar. Ik denk dat hij gelukkig is. Hij kan voor zijn vrouw en kinderen brood en kleren verdienen. Met zijn broers, zijn zwagers en de mannen uit de straat praat hij over de mijn, de koel.
In juli 1972 sluit de Oranje Nassau II in Schaesberg. De mijnsluiting is door Joop den Uyl in de Schouwburg van Heerlen afgekondigd op 17 december 1965. Vanaf 1972 is mijn vader gepensioneerd. Hij is dan 53 jaar jong/oud, ademt best een beetje zwaar.
Wanneer de jongere opzichters de te sluiten mijnen verlaten, vragen ze hem in 1969, of hij opzichter wil worden. Daar heeft hij geen zin in. Hij wil niet boven zijn jongens staan. Maar zijn koempels vinden dat onzin. 'Willem, jij blijft altijd Willem.' Hij heeft het vertrouwen van zijn collega's. Dan hij doet het maar. Hij verdient nu vlak voor zijn pensioen een paar gulden meer. Hij voelt zich een rijk man. En hij blijft met plezier werken. Hij mag zelfs - dat is een grote uitzondering - mij laten zien waar hij gewerkt heeft. Indrukwekkend. Wat een organisatie. Al die machines en apparaten. Hoe hebben ze die installaties naar beneden gekregen, in elkaar kunnen zetten? Die techniek! Dat alles staat daar nu, zo'n 1000 meter onder de grond, onder water.
Tegelijk met de sluiting van de mijn ON II in Schaesberg in 1973 wordt mijn vader gepensioneerd. Ik hoor hem daarna ook nooit meer over de mijn praten. Jaren later zeg ik hem dat. 'Waarom praat je nooit meer over de mijn?' 'Ja, dat is voorbij jongen,' zegt hij. Na een paar maanden wordt hem gevraagd of hij niet zou willen werken op een tennisbaan, aan de rand van de Brunsummer Hei. Dat doet hij. Hij zegt me: 'Je hebt er geen idee van hoe heerlijk het is om in de frisse lucht te werken!' Na verloop van tijd komt mamma daar zorgen voor de koffie en een praatje. Ze worden zo'n beetje de 'pap en mam van de tennisbaan'. Ze voelen zich thuis bij de mensen.
Intens tevreden is mijn vader wanneer hij twintig jaar later, in juli 1994, alsnog 20.000 gulden krijgt als ereschuld, schadevergoeding of compensatie voor zijn silicose. Kan hij zijn kinderen een vorstelijk cadeau geven. Daarna leeft hij nog drie jaar. Hij sterft aan een hartkwaal, maar dat hart had alles te lijden gehad van zijn longen. Je hebt er geen idee van wat het is om geen adem te krijgen, jongen, zegt hij die laatste maanden vaker wanneer hij, opgestaan, mij hijgend aankijkt.
Het zijn de woorden die bij de laatste zinnen horen die hij tegen mij zegt. Ik hoef maar een beetje verkouden te zijn en ik voel zíjn paniek van geen adem. Pap zegt vaak jongen tegen me.

De wereld is in de jaren 50 zo gesloten als een blik. Openers zijn er niet. Maar voor mij horen wel boeken bij die wereld, geheime bronnen. Zij maken het mogelijk om weg te komen uit mijn gesloten, platte wereld. Je hoeft ze maar open te maken en je ogen de kost te geven. Door boeken kun je ruimte vinden. Speel- en denkruimte, vermoed ik. Je komt ergens anders.
En dan de radio: nieuwsberichten, hoorspelen en veel muziek. Elke zondagmiddag om 2 uur is op de Belgische radio een opera en belcanto programma. Geen idee wat het allemaal betekenen moet, maar het is vaak mooie muziek. Daarvóór luisteren we thuis altijd eerst naar een Duitse zender. Egerländer en Tiroler muziek. In Limburg graag gehoorde muziek. Die muziek is de eigenlijke wereld van mijn ouders. De radio brengt de wereld van ver weg naar Schaesberg, naar de kleine wereld van mijn jeugd. Groter worden is het enige andere voor mij. Muziek is het begin van 'de komende wereld'. Daar voel ik mij thuis.
Nog een klein jongetje 'help' ik ook mijn vader op het land. Ik hoef niks te doen, maar mijn bíj hem zijn, af en toe een paar woorden, zijn voor hem een vorm van helpen, van niet alleen zijn. Pap heeft twee kilometer van huis aan de rand van een bos een stuk grond (gehuurd) waar hij groenten en aardappelen op verbouwt voor zijn gezin. Ik ga vaak mee, help hem op mijn manier. Dat vertelt mijn moeder mij later. Pap is dan al jaren dood. Ik was dat helemaal vergeten maar haar opmerking laat de beelden en het gevoel terugkomen. Ik zie me in het gras gehurkt zitten prutsen met stokjes en steentjes. Spelen. Terwijl hij er al zo lang niet meer is troost het me intens. Als klein jongetje had ik dus veel contact met hem. Hij kon ook alles. Toen ik tien was hoorde ik een keer met harde stem tegen mijn moeder praten. Ik dacht dat hij ruzie met haar maakte. Ik heb dat nooit gecontroleerd en het klopt ook zeker niet, maar ik neem dan afstand van hem. Pas tientallen jaren later voel ik me weer zijn zoon. Nog later vind ik niets mooier dan toevallig, opstaand in de trein terwijl het al donker is, in het raam te zien dat hij ook zo opstond. Ik ga meer van zijn gebaren in mijn gedrag herkennen. Dat doet me goed. Ik ben echt zijn zoon. Dat maakt mij blij.

Opa en oma wonen zo'n 800 meter van het landje van pap. Daar mag ik altijd een emmertje water halen voor de pas gezette koolplantjes van mijn vader. Dat karweitje maakt me groter. Altíjd meewerken in huis vind ik vervelender. 'Kwispelen' met stoffer en blik, later stofzuigen, en boenen, zelfs ramen wassen. Maar ik kan dat als de beste. Ik vind het eigenlijk leuk. Je zíet direct resultaat. Ik hoor het mijn moeder wel eens zeggen tegen een vriendin, een buurvrouw van vroeger, met wie ze een kopje koffie/troost drinkt. Maar op het land voor pappa iets doen, de plantjes water geven, dat doet me goed. Dan voel ik me echt groot. Als het werk gedaan is, zit ik altijd te lezen. Boeken lezen, bijna plank voor plank. Ik lees alles wat ik lezen kan.

Onderweg uit Heerlen naar huis op de fiets zie ik achter de ruit van een café een affiche hangen. Duits geloof ik. Matthäus Passion. Ik vraag mijn moeder wat dat is. Dat is 'iets van muziek, protestantse muziek' zegt ze. Over het lijden van Jezus.

Ik ontdek tot mijn teleurstelling ook dat lang niet alle boeken zo goed zijn als ik eigenlijk verwacht. Ik vind een serie met een ezel in de hoofdrol, een hele reeks. Mooi, zoveel boeken te lezen! Maar het eerste boek is vervelend en het tweede ook. Ik laat die ezels maar staan. Maar soms geeft een boek je meer dan waar je op hebt durven rekenen, al weet ik niet meer wat me aan die boeken fascineert of waar het over gaat. Was het misschien het feit dat al lezend het leven even anders is? Dat de wereld anders kan zijn? Ook al zoiets natuurlijk nog niet! Ik weet het niet. Arendsoog vind ik mooi, oprecht en slim. Karl May niet. Jules Verne ook niet. Ik vind dat ouderwets. Uit de oude doos. Alleen al de omslagen. O ja, de Bob Everts-serie van Willy van der Heide. Onwaarschijnlijk spannend! Het is de taal en het letterbeeld. Karl May en Jules Verne zien er ook niet uit.

rond 1952


Film

Er is in die tijd nog geen televisie. Maar ik heb geluk. Een kennis uit Leenhof neemt me mee naar de projectieruimte van een bioscoop in Heerlen. Via een buitentrap kom je op de eerste verdieping en dan is er nog een trapje. Het is een redelijke ruimte. Daar staan twee grote apparaten. Dat zijn de filmprojectoren. De voorkant, de lens die de film de zaal in (s)tuurt, komt bijna tegen de muur aan, maar daar is een raampje. Beide projectoren hebben een hoog en een laag wiel dat omwille van de ruimte ietsjes naar achteren gemonteerd is. Daar zit de filmrol op. Per film ongeveer negen rollen. Als de voorstelling begint staat de volle rol boven. Die draait door het apparaat, 24 beeldjes per seconde, en wordt opgerold op de onderste rol. In de bioscoop zie je uit de achterwand, hoog, de lichtstraal verschijnen op weg naar het witte doek om daar beeld te blijken.
Een projector draait. Na ongeveer 10 minuten verschijnt er in de zaal op het filmdoek een cirkeltje rechtsboven in beeld. De mensen in de zaal zien dat wel, maar het valt niet echt op. Voor de man die de film draait betekent het dat nu de andere projector gestart moet worden. Al vrij snel zie je heel kort nog eens hetzelfde teken. In de projectieruimte wordt dan aan een draadje getrokken waardoor één scherm voor de lens naar beneden gaat en het andere naar boven. De filmprojector met de rol die nu gedraaid is hoeft geen beeld meer te geven. De andere projector heeft het overgenomen. Een soort beeldestafette. Je geeft het beeld door. Zo blijft de film doordraaien, ononderbroken. Intussen wordt de afgedraaide film met de hand teruggespoeld en gereedgezet voor de volgende voorstelling.

In Schaesberg hebben we tussen 1953 en 1955 minstens drie neomistenfeesten. Het hele dorp heeft feest. Iemand uit de parochie is priester gewijd. Het ouderlijk huis wordt door de buurt bedolven onder tapijten van bloemen en 's avonds in het licht gezet door schijnwerpers. De neomist wordt op 's zaterdags afgehaald aan de rand van het dorp en naar zijn ouderlijk huis gebracht, begeleid door de fanfare. Zondagmorgen gaat dezelfde feestelijke stoet naar de kerk en is de eerste plechtige mis in de parochiekerk. Het is een compleet feest voor iedereen. Het duurt dagen. Het heilige is het heilige. Dat is goed voor mensen. Van dag tot dag is dat voor mij werkelijkheid. Voor de kerk wil ik leven. Ik weet dat ik dan niet mag trouwen en ook nooit kinderen zal krijgen. Dat laatste lijkt mij erger dan het eerste. Kinderen zijn zo echt. Natuurlijk is er wel eens wat, maar het is meestal gezellig thuis met zijn allen. Wat getrouwd zijn zou kunnen betekenen weet ik eigenlijk niet, hoef het ook niet te weten. Wat ik dan 'niet hoef' weet ik werkelijk niet. Hoe zou ik dat kunnen weten? Ik ben twaalf wanneer ik thuis wegga.


Mijn zussen en broers
Donderdagavond helpen mijn twee zussen Mien en Ina, ze zijn 1 en2 jaar na mij geboren, en ik mijn moeder. We maken het hele huis van boven naar beneden schoon. Daarna is er altijd een traktatie. Een tijdlang is dat Royco groentensoep, bereid uit water en droge poeder uit een knisperend zakje, toentertijd culinair het nieuwste. Het is een hoogtepunt in de week. We zitten simpel bij elkaar, praten en lachen wat af. Als pappa rond kwart over elf van de middagschicht thuis komt slapen we al. Vrijdag en zaterdag hoeft dan alleen een beetje stof afgenomen te worden.
Ik ben een thuisjongetje. Wat dat betreft herken ik de Bijbelse Jacob. Ik begrijp hem. Alleen, de problemen die hij met zijn broer heeft begrijp ik niet. Met mijn broers Wim en Jozef zijn er nooit problemen. Wim vindt al snel zijn eigen weg. Hij is buitenshuis volop actief, helpt de groenteboer die door de staat komt, rijdt mee, kan dan ook al vlug autorijden en rijdt de bescheiden vrachtauto met groenten en fruit twee huizen verder. Jung wat koste de eppel? Dertig cent de kilo, dreej kile vuur inne geule. Doog dan mer drie kile. Dat mensen zo weinig nadenken verbaasd hem. Wim is praktisch. Hij kan ook eerder fietsen dan ik, jaren eerder zelfs. Vlak voor hij in oktober 2013 sterft zei ik tegen hem: 'Dat jij nou zoveel eerder gaat dan ik! … Maar ja, jij kon ook eerder fietsen!' Dat roept ondanks al zijn pijn een royale glimlach op. Totdat ik als twaalfjarige thuis wegga slapen wij altijd in een bed. Samen hebben we daar ook met griep in gelegen.
Broer Jozef is acht jaar jonger dan ik. Ik herinner me hem als jong, ondernemend manneke, pittig. Maar als hij zes is ga ik thuis weg. Ik ken hem dus nauwelijks. Hij gaat moeilijkheden niet uit de weg, maakt in het leger de zwaarste trainingen mee, en brengt het ver maar hij sterft als de eerste van ons, volkomen onverwacht. Wij broers en zussen wisten zeker dat hij het langste zou leven. Hij trekt zijn rondjes hardlopen en fietst elke dag. Hij rookt en drinkt niet. Na een dag sportief trainen om zijn gezondheid te controleren bespreken ze de testresultaten. De fysio zegt: 'Alles ziet er goed uit'. Hij zegt: 'Hoe kan het dan dat ik me zo beroerd voel', en hij valt om. Zijn hart staat stil. Ik meen dat hij 46 is geworden.

Oudejaarsdag 1953-54. Over een half jaar ben ik 12. Ik mag voor het eerst opblijven! Ik sta een uur of vier oliebollen te bakken. Een specialiteit. Ik heb ook de zussen van mijn moeder geleerd hoe dat moet. Veel later, wanneer ik geen kloosterling meer ben, bak ik weer voor Jan en alleman oliebollen. Eind 2002 vraagt mijn moeder mij voor oud op nieuw oliebollen te bakken. Maar dat lukt niet meer. Zij sterft op 2 december. Wij, haar kinderen, besluiten toch begin januari in het ouderlijke huis, samen oliebollen te eten. Een afscheid.
Ik heb de olieballen gebakken, maar rond 9 uur zegt mijn moeder tegen me dat ik niet kan opblijven. 'Maar je hebt het beloofd.' 'Ja, maar het kan niet. Woedend ga ik naar bed. Zo oneerlijk!
De volgende morgen roept pappa ons wakker. We moeten een beetje rustig aan doen. Mamma is moe. Er is een zusje geboren. Stil gaan we naar beneden. Even later sta ik in de slaapkamer van mijn ouders, het wiegje aan het voeteneind van het grote bed. Ik schaam me ontzettend. Gisteravond was ik was zo boos. Later denk ik: waarom zeg je dat niet? Maar zo direct zijn wij in die dagen nog niet. Truus wordt geboren. Ik ben ik elf en een half. Over 'die dingen' spreek je nog niet met je kinderen, zo jong. Wanneer Truus anderhalf is verlaat ik het ouderlijk huis. Ik ken haar in feite alleen maar van de vakanties. Zij is altijd zo blij wanneer ik op vakantie thuis kom dat ze in die dagen bijna niet te genieten is. Hoe kun je zo blij zijn? Je bent het gewoon.

In 1955 verlaat ik, net nog 12, het ouderlijk huis. Naast mijn vader en moeder laat ik twee broers en drie zusjes achter. (Dat verkleinwoordje komt vermoedelijk door Truus die als jongste geboren is. Lenie en Paula zullen er dan nog bij komen. Ik ken hen alleen van de vakanties.) Vanaf mijn twaalfde leef ik als oudste zonder mijn broers en mijn zussen om me heen. Ik heb mij wel altijd de oudste gevoeld thuis.
Vele jaren later zal ik genieten van mijn kinderen, maar er is nu, 1954, geen haar op mijn hoofd dat hier een vermoeden van kan hebben. Dat kleine! Dat vertrouwen ook. Ik zal later ook verwonderd kijken naar de jonge kinderen van een praktijkklas, groep 1 en 2. Zo al 'zelf'. Wat een wereld, die wereld in wording. Kinderen, dat is de meest fantastische uitzondering die er is.

Een momentje praktijk
In het kader van praktijkbegeleiding zit ik achter in een grote klas vol 4- en 5-jarigen. Een studente geeft een les. Een van de beetje ouderen komt naar me toe, snijtandjes weg, een fietsenrek. Hij kijkt me aan. 'Wie bennu? Bennu de vader van de juf?' (stagiaire). 'Nee, ik ben niet de vader van de juf'. Stil. Nadenken. 'Ben U de friend van de juf?' 'Nee, ik ben niet de vriend van de juf.' 'Wie ben U dan?' Ik leg mij vinger op mijn lippen en wenk hem dichterbij te komen. Dat doet hij. Ik zeg: 'Luister'. Stilte. 'Ik ben de meester van de juf.' Stilte. Hij kijkt me verwonderd aan. 'De mééster van de juf!' 'Ja, de meester van de juf. Kom hier.' Hij komt. Ik zeg hem; 'Niet verder vertellen maar weet je hoe dat heet?' Indringend kijkt hij me aan. Hij schudt zijn koppie. Nee, dat weet hij niet. Ik zeg: 'Je kent toch Grover en Supergrover?' Ja, die kent hij wel. Glimlach. 'Nou, je hebt een juf en een meester. Ik ben Supermeester.' Vol ontzag kijkt hij me aan. Hij fluistert, dit grootse bezwerend, en mompelt: 'Supermeester!' De kinderen om hem heen herhalen dit wonder. 'Supermeester.' Ik zeg: 'Ga nu maar weer gauw zitten.' Hij stapt bedachtzaam weg en mompelt voor zich uit: 'Supermeester!' Ik zeg hem nog: 'Niet tegen de anderen vertellen.' Maar de kinderen om hem heen wegen zijn woord mee: 'Supermeester!'
Veel meer dan bij volwassenen gaat bij een kind de wereld open, is de wereld meer komend dan heden. Later zal ik leren dat kinderen 'moeilijk' kunnen worden en het moeilijk kunnen hebben wanneer ze groeien. En je moet van je eigen kind leren dat het niet zo eenvoudig is, een ander mens een ander mens te laten zijn, zeker als het je kind is. Ik begrijp Abraham wel. Het is moeilijk, je los te maken van je kind en je kind te laten gaan om zelf te kunnen zijn.

Hoe komt het dat ik zo jong van huis ga? Dat is naïef en eenvoudig. Ik wil pater worden. Dan mag ik niet trouwen, maar, in alle kinderlijke eenvoud en onnozelheid, dat vind ik niet zo erg. Het mag gewoon niet. Ik neem dat voor kennisgeving aan. Dat niet mogen trouwen iets (iets? alles!) te maken heeft met op afstand blijven, altijd afstand bewaren - voor mij als twaalfjarige is dat geen begrip. Er zijn best meisjes die ik leuk vind, heel leuk zelfs, maar ik heb anders gekozen. Ik onderzoek ook nooit wat leuk betekent wanneer het over een meisje gaat.
Eens, rond september 1960, 18 jaar oud, of jong, heb ik een brief geschreven. Mijn hoofd op hol, dodelijk verliefd, dacht ik. Maar wat moet ik ermee? Op weg naar de brievenbus gooi ik de brief weg. Niet in de brievenbus. Ik verscheur hem. Hij belandt in de prullenmand. Ik wil wat anders. Voor mij is dat ook kiezen: voortdurend gewoon 'nee' voelen en 'nee' zeggen. Dat ik dat minder tegen anderen maar vooral tegen mezelf zeg - ik ben niet in staat dat op te merken. In vrome boekjes lees ik dat je je wil moet je oefenen. Dat is niet gemakkelijk als je eigenlijk niks te willen hebt. Ik oefen.


Voorjaar 54.
Broeder Aufried komt langs. Hij spreekt me aan. Broeder Aufried is een karmeliet. Hij is de bedelbroeder, later leer ik collectebroeder. Dat is een kloosterbroeder die langs de huizen van de mensen gaat om te collecteren voor het klooster. Twee keer per jaar komt hij lang en met elke kleine gave is hij blij. Dat straalt hij uit. Zijn ogen lichten op. Hij is een vriendelijke man. 'Mensen als jij kunnen wij goed gebruiken', zegt hij in de loop van het gesprekje. Mag hij mijn naam opschrijven? Dat mag gerust. Ik vind het zelfs fijn. Ik heb altijd pater willen worden. Een paar weken later komt de rector van het Brocarduscollege in Merkelbeek op bezoek. Hij praat ook even met mij, maar het is vooral een gesprek met mijn vader en moeder. Naderhand wordt me duidelijk dat het voorlopig allemaal niet door kan gaan. We hebben thuis simpelweg het geld niet. Mijn ouders gaan wel mee in de keuze voor mijn toekomst en ze stemmen daar ook mee in. Ik mag van hen naar de paters, maar er zijn meer kinderen en meer zorgen. Het kan niet.
In de families van mijn vader en moeder ben ik de enige die pater wil worden. Heerooms of tantes die zuster zijn komen bij de familie Engelen en de familie Schoeters, allebei grote Limburgse families, niet voor.

Op school verandert niets. Ik ben zoals altijd geen opvallende leerling. Ik kan wel vrij goed mee, reken prima. Tekenen en schrijven zijn merkwaardig genoeg voor mij moeilijk. Mijn handschrift is zo onzeker. Mijn fijne motoriek ontwikkelt zich wat langzamer, maar dat feit is dan nog niet als kennis genoteerd. Als je slecht schrijft ben je niet vlijtig genoeg. Helder.
De meester van de vijfde klas heeft de vreemde didactische opvatting dat je met een 4 of 5 voor schrijven naar voren moet komen en bukken. Tien slagen met een liniaal voor een 4, vijf voor een 5. Ik moet vaak naar voren komen. Wanneer ik vijftig ben ontdek ik bij kalligrafeerlessen dat ik eigenlijk een vaste hand heb. Mijn vader had ook een stevig, scherp gebeiteld handschrift. Maar als tienjarige ben ik daar nog te jong voor.
Gymnastiek is voor mij absoluut vreselijk. We doen gelukkig nauwelijks iets aan rekstokken, ringen of bruggen, maar het is allemaal eng. De brug en de rekstok doet trouwens pijn. Wanneer ik rond mijn tiende wellicht door extra kalk te nemen (oorlogskindje) ook in de breedte begin te groeien ga ik op gym. Beide beentjes op de grond vind ik prima. Ik sloof me uit met mijn te zware lijf, maar al dat zweverige of slingerende gedoe bekoort mij geenszins.
De gymclub doet natuurlijk ook mee aan wedstrijden. Zo kom ik als tienjarige 'al' bij Furentela in Voerendaal, helemaal aan de andere kant van Heerlen, 6 km van huis. En we gaan zelfs een keer met twee bussen naar Weert, 'boven, heel dicht bij Holland'. Voor mij bijna het andere eind van de wereld, 60 km van huis. Er is een bijzonderheid: onderweg gaat de bus kapot, in Susteren. Dan gaan we daar alvast naar de parochiekerk van de Heilige Zwentibold. Het is tenslotte een zondagmorgen. Na de mis is ook de bus weer klaar en kunnen we verder naar het gymconcours, in Weert.


Als je dan rond de twaalf bent in Schaesberg
Een enkeling van mijn klas gaat naar de HBS. Dat heeft waarschijnlijk te maken met familie en status. Twee klasgenoten willen priester worden. Arnold is het geworden. Hij gaat naar Rolduc. In mijn filosofietijd correspondeer ik veel met hem. Hij weet in moeilijke dagen mijn hoofd op te heffen. Twee klasgenoten willen meester worden. Op onze school is het zo: echte intellectuelen worden priester of meester. Wie niet zonder een meisje kan, zo zeggen we dat, wordt meester. Er zijn er niet veel die naar de MULO gaan, want bijna iedereen zal op de mijn gaan werken. Voor mij is die mijn nooit een optie. Nu ik niet naar de paters in Merkelbeek kan, ga ik naar de MULO. Meer Uitgebreid Lager Onderwijs. Waarom? Dat weet ik niet. Wel weet ik in die tijd zeker dat ik nooit pater zal worden. Het kan gewoon niet.
Om priesters te worden moet je naar Rolduc, het klein seminarie van het Bisdom Roermond. Om pater te worden kun je naar Schimmert. Dan word je Montfortaan, zoals de paters van Leenhof. Maar mij trekt die verre Carmel van het kapelletje bij Leenhof. Dan had ik naar Merkelbeek moeten gaan, maar dat gaat niet. Wij hebben thuis met zes kinderen het geld niet. Simpel.
Onze Lieve Vrouw van de Berg Carmel is mij van jongs af aan bekend. Flos Carmeli staat op het schild boven de ingang van het kapelletje in Leenhof. Paters Karmelieten komen in onze kerk ter assistentie wanneer er later op de ochtend een begrafenis of huwelijksmis is. Die paters hebben altijd een witte capuchon op het kazuifel en ze strekken na de consecratie hun handen uit 'om de kruisdood van Christus te gedenken'. Om karmeliet te worden moet je naar Merkelbeek.
Ik heb er absoluut geen zin om later op m'n eentje op een pastorie te zitten. Ik ben mensen om mij heen gewend en wil mensen om me heen. Ik wil naar Merkelbeek. Merkelbeek wordt voor mij zoiets als de hemel, - waar je naar zou willen verlangen. Maar het gaat niet. We kunnen het ons thuis niet permitteren. Dertig jaar later vraag ik mijn moeder wat ik wilde worden toen ik op de MULO zat. Ze zegt: 'Jij zei altijd: 'Laat mij maar worden wat jullie willen.' Ik had daar inderdaad geen enkel idee over.

De mulo
Ik ga naar de MULO. Was het daar vroeger de Schoolstraat? Later wordt de straat genoemd naar het eerste hoofd van die Mulo: de Swagemakersstraat. Ik heb daar goede herinneringen aan. Niet meer een meester voor het hele jaar, maar elke les een andere leraar! Ik denk dat het inspirerende leraren waren. Wiskunde bijvoorbeeld, een tovenaar. Hij komt somber kijkend, een beetje mank lopend, de klas binnen, gooit met een soort slingerbeweging zijn aktetas op het bureau en zucht: 'Wat ik nou weer heb!' Hij kalkt het bord vol met cijfers en strepen. 'Een onmogelijke opgave!' Zuchtend gaat hij midden in de klas staan, tussen ons in. Hij kijkt naar het bord. Je ziet hem peinzen. Dan een zucht, zijn hoofd omhoog en hij zegt: 'O ja. Moet je kijken'. Hij doet een paar eenvoudige dingen op het bord en het hele probleem is een fluitje van een cent geworden. Wellicht had hij het over (a+b)(a-b) en varianten. Maar voor mij het is een superieure stunt. Hij is de eerste leraar die duidelijk maakt dat moeilijke dingen best makkelijk kunnen zijn. Wiskunde, een pracht vak! Alles is regelmatig en overzichtelijk. Dat gevoel zal bij mij blijven tot het einde van het gymnasium. Zelfs wanneer ik jaren later filosofie studeer geef ik nog een jaartje bijles wiskunde aan een vijfde klas HBSb'er uit Gorinchem die het moeilijk heeft met wiskunde, over cosinus en tangens en zo. Les geven, helpen leren, leuk werk.
In de gymles moeten we natuurlijk ook regelmatig een serie rondjes hardlopen. Op een gegeven moment roept de meester: 'Halt!' Zuchtend staan we stil. 'Hoe lang hebben we gelopen', vraagt de meester. Ik schat 4 minuten. Het lijkt wel veel langer, maar het is ook het hollen dat vermoeiend en vervelend is, dus het zal minder zijn. Vier minuten! Ik blijk de enige te zijn die dat goed heeft. 'Dan moet je heel nuchter zijn', zegt de meester. Blijkbaar ben ik dat. Afstand doen van je gevoel maakt je nuchter. Ik begin te vermoeden dat zoiets bestaat.
De leraar Engels geeft ook Godsdienst. Soms doet pastoor Tummers van het Eikske dat. Hij adviseert ons naar de film De Mantel (The Robe) te gaan. Een film die indruk maakt. Victor Mature speelt Demitrius de slaaf. Je zou zo sterk, zo verliefd en zo trouw willen zijn. Maar in de regel geeft meneer Pennings, de leraar Engels, ook de godsdienstles. Bij hem zit er meer, ja wat is het? Misschien samenhang of structuur. Ik ken die woorden dan nog niet. Meneer Pennings weet in elk geval wat hij ons vertellen of leren wil. Daar heb ik de overigens welwillende pastoor nooit op betrapt.

Maart 1954.
Ik ben nog geen 12. Er drukt bezorgdheid op ons huis. Oma Leenhof, de moeder van mijn vader, heeft een hersenbloeding gehad. Ze is niet 'bij kennis'. We kennen in die tijd woord coma nog niet, vermoed ik. 'Oma kan niet meer beter worden', zegt mijn moeder. De rector van Leenhof, een pater monfortaan, heeft ook gezegd dat het heel erg is. 'Die paters zijn halve dokters', zegt mijn moeder. Het duurt acht dagen. Op 8 maart 1954 sterft oma. Mamma komt het ons vertellen terwijl we voor het avondeten aan tafel zitten. Dat oma gestorven is verwondert me niet. De grote mensen hadden al gezegd, dat het zou gebeuren. Twee, drie uur later, in bed om te gaan slapen, voel ik me diepongelukkig. Ik realiseer me opeens, dat ik haar stem nooit meer zal horen, dat ze nooit meer naar me zal kijken. Vooral dat ze nooit meer naar me zal kijken! Ik huil heel lang, val huilend in slaap. Daarna huil ik nooit meer, tot 1973, wanneer mijn eerste kind, een meisje geboren is.
Tien dagen later zou oma 65 geworden zijn. Ze was altijd zo lief. De begrafenisstoet is in mijn herinnering eindeloos. Veel mensen kennen haar en houden van haar. Hendrina Engelen-Vermeulen. De eerste dode die ik zie. Ik ben nog geen 12. 's Middags spelen we met de neefjes en nichtjes aan de rand van het bos en vlak bij het kerkhof, dicht bij het graf. Dat blijkt oneerbiedig te zijn. Ik ben nog volstrekt een kind.

Een jaar later, 1955. Het zal februari zijn. Ik ga naar tante Rika, de zus van mijn vader, in Leenhof, zo'n 400 meter de heuvel af. Een auto stopt naast me: de pater van Merkelbeek! Door het open raampje vraagt hij, of ik hem nog ken. Ja, ik herinner me hem zeker nog. We praten met elkaar. Hij vraagt me ook of ik nog altijd naar Merkelbeek zou willen. Niets liever dan dat, maar ja! Hij gaat naar mijn ouders. Als ik drie kwartier later thuis ben zijn ze daar nog met elkaar aan het praten. Vader en moeder vragen me of ik nog altijd naar Merkelbeek wil. Ik zou niets liever willen. Echt willen. Ik ken dat gevoel verder niet, alleen hier. Dan is het goed. In mei mag ik beginnen met het laatste trimester VK, voorbereidende klas. Maar ik ben nu eerst uitgenodigd voor de studentendag. Dat valt min of meer samen met Carnaval, in Merkelbeek. Het blijkt een geweldig feest. Al die vrolijke jongens. Erwtensoep met pannenkoeken. Vliesdunne pannenkoeken. Stapels. De broeders in de keuken van het klooster hebben die gebakken!
Zes weken later fiets ik op de vroege ochtenden van de Goede Week naar Merkelbeek. Dat is heen drie kwartier 'bergaf', terug een uur 'bergop', door de Brunssummerheide. Ik ga er naar de donkere metten in de kloosterkerk. Ik zit op de eerste rij in de zo goed als lege kerk en kan de gebeden en gezangen van de kloosterlingen in het koor goed volgen want een van de fraters is naar me toegekomen. Hij geeft me een brevier. Hij legt me uit wat er gebeurt en waar ik het in het boek kan vinden. Als jongetje hoor ik erbij. Dat voelt goed. De teksten en hun betekenis zeggen me nog niets, maar moet dat? Wat betekent het als je iets begrijpt? Hoe luister je? Kun je de sfeer horen? Die stilte en het zingen, met alle droefheid die in de klaagzangen te horen is! Het is een wereld waar ik in wil zijn.
Mijn vader koopt een kartonnen koffer. Zoiets hebben wij nog nooit in huis gehad. Daar verdwijnen mijn kleren in. Op 5 mei 1955, nog net geen 13, vertrek ik naar Merkelbeek. Ik besef helemaal niet, dat ik daarmee definitief het ouderlijk huis verlaat. Voortaan, dat wil zeggen de eerste 6 jaar, kom ik alleen tijdens de schoolvakanties thuis. Daarna zal ik vier jaar lang helemaal niet meer thuiskomen, tenzij wanneer er iets zeer bijzonders is.

Twaalf jaar ben ik.
Omdat ik het zo graag wil, brengt mijn vader mij naar Merkelbeek. Ik verlaat mijn ouderlijk huis. Definitief. Ik ben helemaal vergeten dat afscheid te voelen. Wanneer 28 jaar later mijn oudste dochter twaalf wordt, zie ik aan haar hoe volstrekt en weerloos jong je dan nog bent. Het maakt me verdrietig. Maar de twaalfjarige die in 1955 naar Merkelbeek gaat voelt dat niet.


Voor het eerst in mijn leven slaap ik in een eenpersoonsbed. De eerste ochtend val ik eruit. Mijn lijf is zo'n smal bed ook niet gewend. Als dat zo elke dag gaat! Maar het gebeurt nooit meer. Het lijf is meer onderwerp en leert meer dan je weet dat je leert.

home