3. De inschrijving van de zonen:

Theuth, Hermes, Thot, Nabû, Nebo

 

“De universele geschiedenis vervolgt zijn loop. De al te menselijke goden die Xenofanes had afgezet waren teruggebracht tot de rang van poëtische ficties, maar men beweerde dat een van hen, Hermes Trismegistus, een verschillend aantal boeken had gedicteerd (volgens Clemens van Alexandrië 42, volgens Jamblicus 20 000 en volgens de priesters van Thot, die dezelfde is als Hermes 36 525). Alles van de wereld was daarin beschreven. Fragmenten van deze denkbeeldige bibliotheek, verzameld of aaneengesmeed vanaf de IIIe eeuw, vormen wat wij het Corpus hermeticum noemen …” (Jorge Luis Borges, The Fearful Sphere of Pascal)

 

“Een gevoel van angst voor het onbekende betrok de vermoedheid, angst voor symbolen en voortekenen, voor de havikachtige man wiens naam hij droeg, die uit zijn gevangschap opvloog met uit wilgetak gewoven vleugels, voor Toth, de god van de schrijvers die met een riet op een tablet schreef en die op zijn smalle ibis-hoofd de puntige maan droeg.”(James Joyce, A Portrait of the Artist as a Young Man.)

 

“Een andere school verklaart dat alle tijd al voorbij is en dat ons leven alleen maar de herinnering is of de schemerige, ongetwijfeld vervalste of verminkte weergave van een niet meer te hernemen proces is. Een andere, dat de  geschiedenis van het universum – en daarbinnen onze levens en ook de kleinste details van onze levens – een geschrift is, geproduceerd door een ondergeschikte god, om te kunnen communiceren met een demon. Een andere, dat het universum te vergelijken is met die geheimschriften waarin alle symbolen niet dezelfde waarde hebben …” (Jorge Louis Borger, Tlön, Uqbar, Orbis Tertius.)

 

Wij wilden hier alleen maar een begin maken met de idee, dat de spontaneïteit, vrijheid en fantasie die Plato toegekend is in de legende van Theuth, in feite bewaakt en beperkt wordt door strikte wetmatigheden. De organisatie van de mythe is onderworpen aan dwingende regels. Deze voegen zich aaneen tot een systeem. Het zijn regels die zich soms intern laten kennen, binnen dat wat we empirisch kunnen afbakenen als “het oeuvre van Plato” (enkele daarvan zullen we aanwijzen), als de “Griekse cultuur” of “taal”, soms extern, “vanuit een vreemde mythologie”. Plato heeft daarvan niet simpel geleend, en niet geleend wat enkel een simpel gegeven is: de identiteit van een personage, Thot, de god van het schrift. We kunnen in feite niet spreken over lenen, tenzij wanneer we van elders weten wat dit woord hier zou kunnen betekenen, dat het geleend is, dat wil zeggen, dat het een externe en contingente[1] toevoeging is. Plato heeft zijn verhaal moeten aanpassen aan de wetten van de structuur. In zijn meest algemene vorm zijn dat de wetten die tegenstellingen bepalen en geleden. Woord/schrift, leven/dood, vader/zoon, meester/knecht, eerste/tweede, wettige zoon/wees-bastaard, ziel/lichaam, binnen/buiten, goed/kwaad, eerst/spel, dag/nacht, zon/maan, enz. Deze tegenstellingen bepalen op dezelfde wijze en met dezelfde samenstellingen de Egyptische, Babylonische en Assyrische mythologieën. Er bestaat geen twijfel. Er zijn er ook andere regels. Wij hebben niet de bedoeling of de mogelijkheden deze hier neer te zetten. Omdat onze interesse uitgaat naar het feit dat Plato niet alleen een eenvoudig element heeft ontleend, zetten we derhalve het probleem van de feitelijke genealogie en de empirische, effectieve communicatie tussen culturen en mythologieën tussen haakjes[2]. We willen enkel de interne en structurele noodzaak aangeven die alleen dergelijke communicatie en iedere eventuele infectie van mythemen[3] mogelijk gemaakt heeft.

Plato heeft natuurlijk niet geschreven over Theuth als persoon. Er wordt hem geen enkel kenmerk toegeschreven, noch in de Faidros, noch in de zeer korte toespeling in de Filebus. Daar ziet het tenminste naar uit. Maar wanneer men er vaker naar kijkt zal men moeten erkennen dat zijn situatie, de inhoud van zijn spreken en zijn daden, de samenhang tussen de themata, de concepten en de elementen die betekenis aanbrengen en waarin hij zijn inbreng naar voren brengt, dat alles bij elkaar zet de lijnen neer van een zeer markant figuur. De structurele analogie die een en ander in verband brengt met de andere goden van het schrift, op de eerste plaats met de Egyptische Thot, kan niet gedeeltelijk of totaal het gevolg zijn van lenen, noch van toeval of verbeelding van Plato. En hun invoeging Tegelijkertijd is de gelijktijdige invoering van dit alles zo strikt en zorgvuldig in de systematiek van Plato’s filosofie[4] binnen gebracht, dat dit bij elkaar brengen van mythologie en filosofie op een dieper liggende wetmatigheid wijst.

De god Thot heeft natuurlijk meerdere gezichten, meerdere tijperken en meerdere verblijfplaatsen[5]. Het in elkaar vervlochten zijn van de verhalen waarin over hem verteld wordt, dient men niet te veronachtzamen. Toch komen er overal varianten te voorschijn, zwaar neergezet met stevige trekken. Men is geneigd te zeggen dat zij de blijvende identiteit van deze god in het pantheon aangeven, ware het niet zo dat, zoals we nog zullen gaan zien, het zijn rol is, precies te werken aan de subversieve verwijdering van plaats die de identiteit in het algemeen heeft, te beginnen met die van het theologisch hoofdrol[6].

Wat zijn de hoofdlijnen wanneer je probeert de structurele overeenkomst op te stellen tussen de Platoonse figuur en de andere mythische figuren die een rol spelen bij de oorsprong van het schrift? Het duiden van deze trekken heeft niet enkel de bedoeling iedere betekenis vast te leggen die een rol speelt in het spel van de thematische tegenstellingen zoals we die daarnet op een rij gezet hebben, hetzij in de dialoog van Plato, hetzij in een algemene beschrijving van de mythologieën. Het zal ook toegang moeten bieden tot de algemene problematische verhouding tussen mythemen en filosofemen is die ten grondslag ligt van de westerse logos. Dat wil zeggen tot een geschiedenis liever van de geschiedenis – die in zijn geheel geproduceerd wordt in de filosofische differentie[7] tussen mythos en logos,  die daar blindelings in op gaat alsof zij daarin natuurlijke en evident, in haar element is.

In de Faidros is de god van het schrift dus een ondergeschikt personage. Hij is een tweede, een technocraat zonder  beslissingsbevoegdheid, een ingenieur, een ervaren en knappe dienaar. Het is hem toegestaan voor de koning der goden te verschijnen. Deze wil hem wel ontvangen om hem te raadplegen. Theuth presenteert de koning, de vader en god die spreekt en bevelen geeft met zijn van zon vervulde stem, een technè en een farmakon.  Wanneer hij zijn oordeel heeft laten horen, wanneer hij het van boven heeft doen neerdalen, wanneer hij dus tegelijkertijd voorschrijft het farmakon te laten vallen, zal Theuth niet antwoorden. Aanwezige krachten willen dat hij op zijn plaats blijft.

Heeft hij niet dezelfde plaats in de Egyptische mythologie? Daar is Thot ook een verwekte god. Hij noemt zich vaak de zoon van de god-koning, van de god-zon, van Ammon-Ra: “Ik ben Thot, de oudste zoon van Ra[8]”. Ra (de zon) is de god die schepper is, en hij verwekt door tussenkomst van het woord[9]. Zijn andere naam, de naam waarmee hij in de Faidros wordt beschreven, is Amon. De algemeen aanvaarde betekenis van die naam is: de verborgene[10]. We hebben hier dus een verborgen zon, vader van alle  dingen, die zich laat vertegenwoordigen door het woord.

De figuratieve eenheid van deze betekenissen – het woord als macht, de schepping van het zijn en het leven, de zon (dat wil ook zeggen: het oog), het zich verbergen komt samen in wat we zouden kunnen noemen het de geschiedenis van het ei of het ei van de geschiedenis. De wereld is geboren uit een ei. Meer precies, de levende schepper van het leven van de wereld is geboren uit een ei: de zon werd dus eerst gedragen in een eierschaal. Dat verklaart meerdere trekken van Amon-Ra: hij is een een vogel, een valk (Ik ben de grote valk die uit zijn ei gekomen is”). Maar als oorsprong van alles is Amon-Ra ook de oorsprong van het ei. Soms wordt hij afgebeeld als de zonnevogel die uit het ei geboren wordt, soms als de oorsprong-vogel, de drager van het eerste ei. In dat geval, en ook omdat de macht van het woord één is met de scheppingsmacht, spreken sommige teksten over “het ei van de grote kakelaar”. Het heeft geen enkel zin hier de triviale en filosofische vraag te stellen over “de kip en het ei”, over wie logische, chronologisch of ontologisch het eerste is, oorzaak of gevolg. Op deze vraag antwoorden enkele sarcofagen schitterend: “O Ra die in uw ei bent.” Voegen we er aan toe dat het ei een verborgen ei[11] is, dan hebben we het systeem van deze betekenissen tot stand gebracht en geopend.

Het ondergeschikt zijn van Thot, van deze ibis, de oudste zoon van de oorsprongs-vogel, wordt op meerdere wijzen gekenmerkt. In de leer van Memphis bijvoorbeeld, is Thot door de taal de uitvoerder van het scheppingsproject van Horus[12]. Hij draagt de tekenen van de grote god-zon. Hij interpreteert hem als zijn woordvoerder. Evenals zijn griekse gelijke, Hermes, over wie Plato nooit spreekt, krijgt hij de rol toebedeeld van de goddelijke bode, van de bekwame middelaar, de vindingrijke die subtiele genoeg is om te stelen en weg te nemen. De god (van de) signifiant[13]. Wat hij moet uitspreken of vormen in woorden heeft Horus reeds gedacht. De taal waar hij de bewaarder en secretaris van is representeert dus alleen maar. Zij moet aldus de boodschap, een reeds gevormde goddelijke gedachte, een besloten besluit doorgeven[14]. De boodschap is niet, maar representeert alleen het absoluut scheppende moment. Het is een tweede en secundair woord. En wanneer Thot meer te maken heeft met de gesproken taal dan met de schrift, hetgeen zelden gebeurt, dan is hij niet de auteur of de absolute aanvang van de taal. Integendeel, hij introduceert het verschil[15] in de taal en men schrijft hem de oorsprong van het veelvoud aan talen toe[16]. (Later, terugkerend naar Plato en de Philebus, zullen we onderzoeken, of de differentiatie een tweede moment is, en of dit secondair zijn niet het grafeem doet oprijzen als de oorsprong en de mogelijkheid van de logos zelf. In de Philebus wordt Theuth inderdaad genoemd als de auteur van het verschil, van het verschil in de taal, niet van de veelvoud van talen. Maar wij geloven dat deze twee problemen in de wortel niet te scheiden zijn.)

Als god van de tweede taal en van het verschil in taal kan Thot alleen de god van het scheppende woord worden door naamsverandering, door een historische verplaatsing en soms door een geweldadige omwenteling.

Substitutie brengt Thot op de plaats  van Ra, zoals de maan op de plaats van de zon komt. Zo wordt de god van het schrift degene die Ra aanvult, die hem een toevoeging geeft en die hem tijdens diens afwezigheid of wanneer hij echt verdwenen is vervangt. Dat is de oorsprong van de maan als supplement van de zon. Het nachtlicht vervangt het daglicht. Het schrift vervangt het woord. “Op zekere dag zei Ra terwijl hij in de hemel was: “Laat Thot voor mij verschijnen. En hij werd terstond voor hem geleid”. De majesteit van deze god zei tot Thot: “Ga op mijn plaats aan de hemel staan, wanneer ik voor de gelukkigen in de lagere regionen schijn … Jij komt in plaats van mij, jij bent mijn vervanger, en zo zal men je noemen: Thot, de vervanger van Ra”. Daarna verschenen er allerlei dingen dank zei het spel van de woorden van Ra. Hij zei tot Thot: “Ik zal zorgen dat jij met je schoonheid en je stralen de twee hemelen omarmt (ionh) – en zo werd de maan geboren (ion). Daarna, zinspelend op het feit dat Thot als plaatsvervanger van Ra een beetje tweederangs positie inneemt: “Ik zal zorgen dat jij grotere dan jezelf stuurt (hôb)– en zo werd ibis (hib) geboren, de vogel die Thot is[17].

Deze substitutie vindt plaats als enkel een spel van sporen of supplementen, of anders gezegd, opereert binnen de orde van het zuivere supplement. Geen enkele werkelijkheid, geen enkele absoluut externe verwijzing, geen enkel transcendente betekenis komt deze substitutie afgrenzen, beperken of beheersen. Je kunt deze substitutie “waanzinnig” noemen, want zij blijft binnen het element van de taalkundige veranderingen eindeloos doorgaan met het aandragen van substituten, en substituten van substituten. Deze ontketende keten[18] ontbreekt het niet aan geweld. Deze “linguïstieke” “immanentie” is nooit begrepen wanneer men haar ziet als vreedzaam element van een fictieve oorlog, van een woordspel zonder offensieve bedoelingen, in tegenstelling tot een of andere polemos die zich in de “werkelijkheid” zou afspelen. Niet in een omgeving waar woordspelen vreemd zijn neemt Thot ook regelmatig deel aan de complotten, aan trouweloze intriges, in manoeuvres die de macht willen grijpen, tegen de koning gericht. Hij helpt de zonen zich te ontdoen van de vader, de broers zich te ontdoen van de broer die koning geworden is. Nout is door Ra vervloekt. Ze beschikt over geen enkele datum, heeft geen dag op de  kalender, om een kind geboren te laten worden. Ra heeft haar de tijd versperd. Zij heeft geen dagen om kinderen geboren te laten worden. Thot heeft ook rekenmacht over het instellenen het verloop van de kalender. Hij voegt vijf bijkomende dagen toe. Die toegevoegde tijd stelt Naut in staat, vijf kinderen te krijgen: Haroeris, Seth, Isis, Mephtys en Osiris, die later koning zal worden in plaats van zijn vader Geb. Tijdens de regering van Osiris (koning-zon) zal Thot, die ook zijn broer[19] was, “de mensen initiëren in de schone letteren en de kunsten”. Hij “schiep het hiërogliefen schrift om het hen mogelijk te maken hun gedachten vast te leggen[20]”. Maar later neemt hij deel aan een complot van Seth, de jaloerse broer van Osiris. De beroemde legende over de dood van Osiris is bekend. Door een list wordt hij opgesloten in een kist ter grote van zijn lichaam. Na heel wat omzwervingen wordt hij teruggevonden door zijn vrouw Isis terwijl zijn lichaam in stukken gesneden en in veertien delen weggegooid is. Isis vindt ze allemaal terug met uitzondering van de fallus die opgegeten is door een Oxiringus vis[21]. Dat hindert Thot niet, zich met een zeer behendig en vergeetachtig opportunisme te handelen. Als een gier ligt Isis op het lijk van Osiris. Zo verwekt ze Horus, “het kind met de duim in de mond”. Hij zal de moordenaar van zijn vader aanvallen. Deze, Seth, rukt het oog van Horus uit en beroofd Seth van zijn testikels. Wanneer Horus zijn oog kan terugkrijgen, biedt hij het zijn vader aan die weer tot leven komt en zijn potentie terug krijgt – en dit oog is ook de maan, Thot zo men wil. Tijdens het gevecht heeft Thot de vechtenden gescheiden en als god-arts-medicijnenman-magiër heeft hij hen hun wonden dichtgenaaid en hen genezen van hun blessures. Later, wanneer oog en testikels weer op hun plaats zijn, vindt er een proces plaats. Thot keert zich tegen Seth wiens kompaan hij eerder was, en bevestigt het woorden van Osiris als waar[22].

Als vervanger die de koning, de vader, de zon, het woord kan verdubbelen, als degene die zich alleen maar onderscheiden als zijn representant, zijn masker, zijn herhaling, kan Thot hem ook natuurlijk helemaal vervangen en zich meester maken van diens attributen[23]. Hij wordt toegevoegd als essentieel attribuut van waar hij aan wordt toegevoegd en waar hij bijna niet van te onderscheiden is. Hij verschilt van het goddelijk woord of het licht alleen als de openbarende van het openbaarde. Nauwelijks[24].

Maar voor de gelijkstelling die de vervanging zou zijn, en de machtsgreep, wanneer men dat zo mag noemen, is Thot wezenlijk de god van het schrift, de secretaris van Ra en de negen goden, de hierogramaat[25] en de hypomnetograaf[26]. Door nu precies duidelijk te maken, zoals we nog zullen zien, dat de schrift als farmakon goed is voor de hypomnesis (zich zeer opnieuw herinneren, verzameling, in bewaar geving) en niet voor het mnèmè (het levende, kennende geheugen) veroordeelt Thamous het schrift in de Faidros. Het heeft weinig waarde.

In de latere perioden van de Osiriscyclus is Thot ook de schrijver en de boekhouder van Osiris. Hij wordt, vergeet dat niet, gezien als zijn broer. Thot wordt er voorgesteld als voorbeeld en patroon van de schrijvers die in de kanselarijen van de farao’s zo belangrijk waren: “Als de zonnegod de universele meester is, dan is Thot diens eerste functionaris, zijn vizier, degene die altijd naast hem staat op de bark[27] om hem te rapporteren[28]. “Meester van de boeken” wordt hij, om ze te bewaren, om ze te beschrijven, om daarin verslag te doen en de voorraad te bewaken, de “meester van de goddelijke woorden”[29]. Zijn vrouwelijke gezel schrijft ook: haar naam, Seshat, betekent zeker degene die schrijft. “Als “meesteres van de bibliotheken” registreert zij  de uitgaven van de koningen. Zij is de eerste godin die kan schrijven, die de namen van de koningen kan schrijven op een boom in de tempel van Heliopolis, terwijl Thot de jaren telt op een staaf met knopen. En er is ook de scène van de Koninklijke naamsverlening, weergegeven op de reliëfs van talloze tempels: de koning zit onder een persea-boom terwijl Thot en Seshat zijn naam schrijven op de bladeren van een heilige boom[30]. En die van het oordeel over de doden: in de onderwereld, tegenover Osiris, schrijft Thot het gewicht op van het hart van de dode[31].

Want het spreekt vanzelf, de god van het schrift is ook de god van de dood. Vergeet niet dat in de Faidros ook de uitvinding van het farmakon verweten wordt, het levende woord te vervangen door het levenloze teken, te doen alsof je de vader (die leeft en bron van leven is) van de logos kunt passeren, en vanuit zichzelf niet meer antwoord te kunnen geven dan een beeld of een levenloos schilderij, enz. Thot is in alle cycli van de Egyptische mythologie voorzitter van de organisatie van de dood. De meester van het schrift, van de getallen en de berekeningen, schrijft niet alleen het gewicht op van de dode zielen, hij zal eerst de dagen hebben moeten tellen van het leven, hij heeft de geschiedenis becijferd. Zijn cijferkunst dekt ook de gebeurtenissen waar de goddelijke biografie uit bestaat. Hij is degene die de duur van het leven van de goden en de mensen meet[32]”. Hij gedraagt zich als de chef de protocol van de begrafenis en hij is vooral belast met de aankleding van de dood.

Soms neemt de dood de plaats in van de schrijver. Binnen de ruimte van dat tafereel komt de plaats van de dood toe aan Thot. Op de muren van een piramide kan men de hemelse geschiedenis van een dode lezen. “Waar gaat hij dan naar toe?, vraagt een grote stier die hem bedreigt met zijn horens” (in het voorbijgaan dienen we vast te stellen dat de stier een andere naam voor Thot is als nachtelijk vertegenwoordiger van Ra, “de stier tussen de sterren”). Hij gaat vol vitale energie naar de hemel om zijn vader te zien, om Ra te aanschouwen”,  en het vreesaanjagende schepsel laat hem langs.” (De dodenboeken die in de kist bij het lijk werden neergelegd, bevatten in het bijzonder de formules die hem zouden moeten toestaan “weg te gaan naar de dag” en de zon te zien. De dode moet de zon zien, de dood is de voorwaarde om deze situatie van aangezicht tot aangezicht te kunnen zien. Denk aan de Faidon.) God de vader ontvangt hem in zijn bark, en “het gebeurt zelfs dat hij zijn eigen hemelse schrijver afzet en dat hij de dode op diens plaats laat zitten, zodat hij oordeelt, bevoegd beslissingen neemt, en zijn opdrachten geeft aan iemand die groter is dan hij zelf[33].De dode kan ook gemakkelijk geïdentificeerd worden met Thot, “hij wordt heel gemakkelijk god genoemd; hij is Thot, de sterkste van de goden[34]”.

De hiërarchische tegenstelling van de zoon tegenover de vader, van de onderdaan tegenover de koning, van de dood tegenover het leven, van de schrift tegenover het woord, enz., voltooit zijn systeem op een natuurlijke wijze door de tegenstelling van dag en nacht, van Westen en Oosten[35], van de maan en de zon. Thot, de “nachtelijke vertegenwoordiger van Ra, de stier tussen de sterren[36] , is naar het westen gekeerd. Hij is de god van de maan door zich met haar te identificeren of door haar te beschermen[37].

Het systeem van deze kenmerken bewerkstelligt een originele logica: de figuur van Thot wordt geplaatst tegenover zijn ander (vader, zon, leven, woord, oorsprong of oriënt, enz.) maar dit gebeurt door hem aan te vullen[38] of te vervangen. Hij wordt toegevoegd en tegenover gesteld, herhalend of plaats innemend. In dezelfde  beweging neemt hij zijn vorm aan, en verkrijgt hij de vorm van precies dat waartegen hij zich verzet en in de plaats waarvan hij komt[39]. Daarmee komt hij van nu af aan ook te staan tegenover zichzelf, gaat hij door voor zijn tegendeel en wordt deze god-boodschapper wel een god van de absolute bemiddeling tussen tegengestelde zaken[40]. Als Thot een identiteit zou hebben – maar hij is nu net de god van de niet-identiteit – dan zou hij deze coincidentia oppositorum[41] zijn waar we weldra opnieuw bij zullen terug komen. Door zich te onderscheiden van zijn ander imiteert Thot hem ook, maakt hij zich tot diens teken en vertegenwoordiger, gehoorzaamt hij hem, maakt hij zich conform aan hem, vervangt hij hem, indien nodig met geweld. Hij is dus de ander van de vader, de vader en de subversieve beweging van de plaatsvervanging. De god van het schrift is dus tegelijkertijd zijn vader, zijn zoon en zichzelf. In het spel van de verschillen kan men hem geen vaste plaats toekennen. Listig, niet te pakken, gemaskerd, smeder van complotten, iemand die zijn spelletje weet te spelen, als Hermes. Hij is geen koning en geen vazal. Hij is veeleer zoiets als een joker, een beschikbare mogelijke betekenis, een neutrale kaart die het spel speels maakt.

Deze god van de verrijzenis is minder geïnteresseerd in het leven of in de dood, dan aan de dood als herhaling van het leven en het leven als herhaling van de dood, aan het ontwaken van het leven en het weer opnieuw beginnen van de dood.  Dat is ook de betekenis van het getal waarvan hij de uitvinder en eigenaar is. Thot herhaalt in de optelling van het supplement: de zon vervangend is hij een ander dan de zon en hetzelfde als de zon; anders dan het goede en hetzelfde als het goede, enz. Door altijd de plaats in te nemen die niet van hem is en die men evengoed de plaats van de dood kan noemen, heeft hij geen plaats of eigen namen. Zijn eigenheid is het niet-eigene, het vloeiend niet bepaald zijn dat de substitutie en het spel mogelijk maakt. Spel. Daar is hij ook de uitvinder van. Plato zelf brengt dat in herinnering. We danken hem de dobbelstenen (kubeia) en het tric-trac (petteia) (274d). Hij is de bemiddelende beweging van de dialectiek waarbij hij deze tegelijk ook imiteert en het door deze dubbele ironie voor altijd verhindert, zich in een of ander doel of eschatologische wiedertoe-eigening  uiteindelijk te voltooien. Thot is nooit aanwezig. Nergens verschijnt hij in persoon. Geen enkel er-zijn hoort hem als eigen toe.

Al zijn daden worden gekenmerkt door deze  instabiele ambivalentie. Deze god van het rekenen, van het becijferen en van de rationele wetenschap[42] is ook de heerser over de occulte wetenschappen, over de astrologie, en de alchemie. Hij is de god van de magische formules die de zee rustig maken, van de geheime verhalen, van de verborgen teksten: archetype van Hermes, god van het cryptogram maar niet minder van de grafiek.

Wetenschap en magie, overgang tussen leven en dood, supplement van het kwaad en het gebrek: de geneeskunst moet het geprivilegieerde domein van Thot zijn. Alles wat hij kan komt daarin bij elkaar en is daar te vinden om het te gebruiken. De god van het schrift die het leven kan beëindigen, geneest ook de zieken. Zelfs de doden[43]. De steles van Horus op de krokodillen vertellen hoe de koning van de goden Thot stuurt om Harsiesis te genezen, die bij afwezigheid van de moeder door een slang gebeten is[44].

De god van het schrift is dus de god van de medicijn. Van de “medicijn”: tegelijk wetenschap en occult middel. Van geneesmiddel en van vergift. De god van de schrift is de god van het farmakon. Schrift wordt in de Faidros aan de koning aangeboden als farmakon, met een verontrustende nederigheid die veel weg heeft van een uitdaging.

 

4. Het pharmakon

 



[1] Tegenover contingent staat noodzakelijk. Iets kan min of meer toevallig zo zijn als het is, of het moet noodzakelijkerwijze zo zijn. Vergelijkbaar met essentieel en accidenteel, substantie of eigenschap.

[2] *(12) We kunnen hier enkel verwijzen naar de werken over de communicatie van Griekenland met het Oosten en het Midden-Oosten. Men weet dat deze frequent was. Verwijzingen en essentiële teksten over Plato, over zijn relaties met Egypte, de hypothese over zijn reis naar Heliopolis, de getuigenissen van Strabo en Diogenes Laertius, in Revélation d’Hermès Trismégiste van Festugière (deel I), Platon à Héliopolis d’Egypte, van R.Godel, les Prêtres de l’ancienne Égypte, van S.Sauneron.

[3] Zoals foneem en filosofeem, iets is dat een geluid zou kunnen zijn, respectievelijk iets waar over te filosoferen is, zo is een mytheme iets wat zoiets als een mythe zou kunnen zijn.

[4] Franse tekst: philosophèmes.

[5] Zie Jacques Vandier, la Religion égyptienne, P.U.F., 1949, met name p. 64-65.

[6] Met de waardigheid van de prins, vorst of Romeinse keizer.

[7] Derrida gebruikt hier différence, verschil, uitstel. In de weergave boven is gekozen voor diferentie omdat dit in de latere teksten van Derrida een belangrijk begrip wordt.

[8] *(14) Zie Morenz, la Religion egyptienne, 1962, p. 58. Volgens Morenz is dit een opmerkelijke formule, vanwege het gebruik van de eerste persoon. “Deze zeldzaamheid komt ons opmerkelijk voor, omdat zij vaker voorkomen in griekse hymnen wanneer daarin de Egyptische godin Isis optreed. (“Ik ben Isis”,  enz.) Het is derhalve de vraag of deze hymnen niet een buiten-Egypte liggende oorsprong hebben.”

[9] *(15) Zie S.Sauneron, a.w., p. 123: “Om te scheppen heeft de initiële god alleen maar hoeven spreken; de zijnden en de opgeroepen dingen ontstaan uit zijn stem”, enz.

[10] *(16) Zie Morenz, a.w., p. 46. S.Sauneron preciseert met betrekking tot dit onderwerp: “Wat zijn naam precies betekent weet we niet. Maar hij wordt op dezelfde manier uitgesproken als een ander woord dat “verbergen” betekent, “zich verborgen”. De schrijver hebben deze woordspeling gebruikt om Amon te omschrijven als de grote god die zijn werkelijke gestalte verbergt voor zijn kinderen. … Sommigen aarzelen echter niet nog verder te gaan. Hecateus van Abdere heeft een priesterlijke traditie ontvangen die zegt dat die naam (Amon) de term was die in Egypte gebruikt werd om iemand te noemen. Het woord amoini betekent “kom”, “kom naar mij”. En het is in feite zo, dat meerdere hymnen beginnen met de woorden Amoini Amoun … “Kom naar mij, Amon”. Alleen al de assonantie van deze twee woorden heeft priesters doen vermoeden dat tussen beide woorden een intieme ralatie bestaat – daarin een uitleg van de goddelijke naam te zien: en wanneer zij zich richten tot de eerste god … als een onzichtbaar en verborgen wezen, nodigen ze hem uit en sporen ze hem aan, terwijl ze hem Amon noemen, zich aan hen te laten zien en zich te laten ontdekken” (a.w., p. 127).  voor hen

[11] *(17) Zie Morenz, a.w. p. 232-233. De paragraaf die hier afsluit merkt op, dat de geneeskunst van Plato ook speelt in de tekst van Bataille, wanneer hij is de geschiedenis van het ei de zon van het vervloekte deel [la part maudite] beschrijft. Dit hele essai is zelf niets anders , zo zal men wel begrepen hebben, een lezing van Finnegans Wake.

[12] *(18)Zie  Vandier, a.w., p. 36: “deze twee goden [Horus en Thot] zijn verenigd in de scheppingsact. Horus vertegenwoordigt het denken, de ontvanger, en Thot is het woord dat uitvoert”(p. 64). Zie ook A. Erman, la Reglion des Égyptiens, Payot, p. 118.

[13] De betekenis verlenende god”, of “de god van het verlenen van betekenis”.

[14] *(19) Zie Morenz, a.w., p. 46-47; Festugière, a.w., p. 70-73. Thot, de bode, is bijgevolg ook de hermeneus. Naast talrijke anderen is dit een van de trekken waardoor hij op Hermes lijkt. In diens boek analyseert Festugière dit in hoofdstuk IV.

[15] Différence.

[16] *(20) J.Černy citeert een hymne tot Thot die als volgt begint: “Gegroet, jij, Thot de maan, die de taal van alle verschillend hebt gemaakt.” Černy dacht dat dit document uniek was, maar hij merkt ook op dat Boylan (Thot, The Hermes of Egypt, Londen 1922) een analoge papyrus (“jij die de taal doet verschillen of onderscheidt van land tot land”) citeert (p.184) en nog eens (p. 197) (“jij die de taal van ieder vremd land anders maakt”) . Zie Černy, Thot as Creator of languages, in The Journal of Egyptian Archeology, Londen, 1948, p. 121 v., S.Sauneron, la Différenciation des langues d’apres la tradition égyptienne, Bulletin de l’Institut français d’Archéologie orientale du Caire, 1960.

[17] *(21) A.Erman, a.w., p. 90-91.

[18] Van elkaar opvolgende en vervangende betekenissen.

[19] *(22) A.Ernan, a.w., p. 96.

[20] *(23) J.Vandier, a.w., p. 51.

[21] *(24) a.w., p. 52.

[22] *(25) A.Erman, a.w., p. 101.

[23] Eigenschappen, kwaliteiten, dat wat hem toegeschreven wordt.

[24] *(26) Zo kan de god van het schrift de god van het scheppende woord worden. Het is een structurele mogelijkheid die te maken heeft supplementaire statuut en de logica van het supplement. Dat kan men ook beschouwen als een evalutie van de geschiedenis van de mythologie. Met name Festugière doet dit: “Toch is Thot niet tevreden met zijn tweede rang. In de tijd waarin de Egyptische priesters hun cosmologiën maakten en waarin iedere de locale bedienaar de hoofdrol wilde toekennen aan de god die hij vereerde, werkten de theologen van Hermoplis, voortgekomen uit de Delta en Heliopolis, aan een cosmogonie waarin de hoofdrol was toebedeeld aan Thot. Thot kende als magiër de macht van de geluiden die, uitgesproken op de juiste toon, onherroepelijk het juiste effect bewerkten. Door stem, woord en meer nog, incanteren moest Thot de wereld scheppen. Zo wordt de stem van Thot scheppend: zij vormt, schept. Door zelf te condenseren, materie te worden, wordt hij een zijn. Thot wordt geïdentificeerd met zijn ademhaling. Alleen het uitblazen al laat alle dingen ontstaan. Het is niet uitgesloten dat deze speculaties uit Hermiopolis enige gelijkenis laten zien tussen de logos van de Grieken – tegelijk Woord, Rede, Halfgod - hebben geboden – en de sophia van de Joodse Alexandrijnen; misschien zijn de priesters van Thot zelfs al voor de christelijke tijd, beïnvloed door het griekse denken, maar dit kan niet bevestigd worden” (a.w., p. 68).

[25] De schrijver van het heilige of heilige schrijver, en de schrijver van wat onthouden dient te worden, de geheugensteunschrijver.

[26] *(27) t.a.p., zie ook Vandier en Erman, a.w., passim.

[27] Zonneschip.

[28] *(28) Erman, a.w., p. 81.

[29] T.a.p.

[30] *(30) Vandier, a.w., p. 182.

[31] *(31) Vandier, a.w., p. 136-137; Morenz, a.w., p. 173; Festugière, a.w. p. 68.

[32] *Morenz, a.w. p. 47-48.

[33] *(33) A. Erman, a.w., p. 249.

[34] *(34) a.w., p. 250.

[35] Van Avondland en Morgenland.

[36] *(35) a.w., p. 41.

[37] *(36) Boylan, a.w., p. 62-75; Vandier, a.w., p. 65; Morenz, a.w., p. 54; Festugière, a.w., p. 67.

[38] Supplement zal in J.Derrida, De la Grammatologie (1967) een belangrijk keerwoord worden. Toevoeging, aanvulling, vervanging.

[39] Met andere woorden: De figuur van Thot wordt degene die zij vervangt.

[40] Is dit een toespeling op Genesis 15,12. Abraham trekt daar in de nacht door de tegenover elkaar liggen stukken, onheilspellend.

[41] Het samenvallen van de tegenstellingen.

[42] *(37) Morenz, a.w., p. 95. Een andere gezel van Thor is Maät, godin van de waarheid. Zij is ook “de dochter van Ra, de meesteres van de hemel, zij die de beide landen regeert, het oog van Ra die zijn gelijke niet heeft”. A. Erman schrijft in de pagina die hij haar wijdt in het bijzonder: “Men kent haar als teken, God weet waarom, een veer van de gier toe”(p. 82).

[43] *(38) Vandier, a.w., p. 71. Zie vooral ook Festugière, a.w., p. 287v. Daar zijn talrijke teksten bijeengebracht over Thot als de uitvinder van de magie. Een van hen begint op een manier die onze bijzondere belangstelling opwekt: “Formule om te reciteren voor de zon: Ik ben Thot, de uitvinder en schepper van zeven en de letters, enz.”(p.292).

[44]*(39) Vandier, a.w., p. 230. De cryptografie, de magische geneeskunst en de figuur van de slang zijn overigens in een wonderlijk populair verhaal met elkaar verweven. G.Maspero heeft dat beschreven in les Contes populaires de l’ Égypte ancienne. Het is het verhaal van Satni-Chamois met de mummies. Satni-Champois is de zoon van een koning. “Hij brengt zijn tijd door met rennen door de metropolis van Memphis om er de  boeken te lezen geschreven in het heilige schrift en de boeken van het dubbele huis van het leven. Op zekere dag maakt een edelman hem belachelijk. – Waarom lach je over mij? De edele zegt: - Ik lach niet over jou; maar kan ik mezelf tegen houden wanneer ik moet lachen. Jij ontcijfert hier geschriften die geen enkele macht hebben. Als je werkelijk een geschrift wilt lezen dat macht heeft, moet je met mij meekomen. Ik zal je naar de plaats laten gaan waar het boek is dat Thot eigenhandig geschreven heeft en dat je onmiddellijk zal plaatsen beneden de goden. Er staan twee formules in. Als je de eerste reciteert zul je de hemel betoveren, de aarde, de wereld van de nacht, de bergen, de wateren. Je zult begrijpen wat de vogels van de hemel en de reptielen zeggen wanneer zij er zijn. Je zult de vissen zien want een goddelijke kracht zal hen laten opstijgen tot het oppervlak van het water. Wanneer je de tweedeformule leest zul je, ook wanneer je in het graf bent, de vorm terug krijgen die je op aarde had. Ook zul je zelf de zon zien opgaan aan de hemel. Je zult zijn rondgang zien, de maan en de vorm die zij heeft wanneer zij verschijnt.” Satni zegt: “Bij mijn leven. Zeg me wat je wenst en ik zal het je geven. Maar breng me naar de plaats waar dat boek is.” De edele zegt tegen Satni: “Het boek in kwestie is niet van mij. Het is midden in de necropolis, in de tombe van Nenoferkeptah, , de zoon van koning Minebtah … Let er op dat je dit boek niet van hem weg neemt, want hij zal het je laten terugbrengen, met een vork en een stok in zijn hand, en een gloed die zijn gelaat  verlicht …”Diep in de tombe komt er licht uit het boek. De dubbelen (beelden, afbeeldingen) van de koning en zijn familie zijn bij hem “uit kracht van het boek van Thot”. … Dit alles herhaalde zichzelf. Nenopherkeptah had reeds de geschiedenis van Satni geleefd. De priester had hem gezegd: “Het betreffende boek ligt midden in de zee van Coptos in een ijzeren kist. De ijzeren kist ligt in een bronzen kist. De bronzen kist in een kist van kaneelhout. De kaneelhouten kist in een ivoren kist. De ivoren kist in een zilveren kist. De zilveren kist in een kist van goud en in de gouden kist ligt het boek [ is dit een fout van de schrijver? Bij mijn eerste lezing heb ik het aangetekend. In een latere editie van Maspero stat de notitie: “De schrijver heeft zich vergist in de opsomming. Hij had moeten zeggen: de ijzeren kist wordt omsloten … enz. (Een onderwerp waaruit de logica van de inclusie blijkt.)] En er is een schoe (ten tijde van Prolemeus was dit gelijk aan 12000 koninklijke el. Een el was 0,52 meter) vol slangen, allerlei soorten schorpioenen en reptielen rond de kist waarin het boek ligt. Een onsterfelijke slang heeft zich gekruld rond de betreffende kist.” Na drie pogingen doodt de onvoorzichtige held de slang, drinkt hij het boek opgelost in beer en zo verwerft hij onbegrensde kennis. Thot gaat naar Ra om te klagen en te zorgen voor de zwaarste straffen.

   Noteren we tenslotte, voor de Egyptische Thot te verlaten, dat er, behalve een griekse Hermes, een opmerkelijke overeenkomst is met de personage van Nabu, de zoon van Marduk. In de Babylonische en Assyrische mythologie is “Nabu essentieel de god-zoon, en, dezelfde als Marduk die de plaats van zijn vader verduistert, Ea. Op dezelfde wijze zien we ook Nabu de plaats van zijn vader Marduk tot zich trekken”. (Les Religions de Babylonie et d’Assyrie, door E.Dhorme, P.U.F., 1945, p. 150v.) Marduk, de vader van Nabu, is de god-zon, Nabu de “heer van het riet”, “schepper van het schrift”, “drager van de tabletten met de lotgevallen van de goden”. Soms gaat hij door voor zijn vader en ontleent hij aan hem als symbool de marru. “Een gewijd voorwerp van koper in Susa gevonden, voorstellend ‘een slang die in zijn mond een soort blad heeft’” waarop, zo merkt Dhorme op, de inscriptie staat “marre van Nabu” (p.155). Zie ook les Dieux et le Destin en Babylonie,  door M.David, P.U.F., 1949, p. 86 v.

   Een voor een kan men de punten van overeenkomst spellen tussen Thot en Nabu (Nebo in de bijbel).