5.              De apotheker (Pharmakeus)

“Want wanneer ons niets meer pijn doet hebben we ook geen hulp meer nodig. Zo wordt het op deze manier duidelijk dat het kwaad ons het kostbare en dierbare goede (tagathon) gegeven heeft. Want dat was immers het middel (farmakon) tegen de kwaal, het kwaad. Maar wanneer de ziekte onderdrukt is dan heeft het geneesmiddel geen doel meer (ouden dei farmakon). Is dat dan het goede?? … - Het lijkt er op, zegt hij, dat dit de waarheid is.” Lysis, 220c, d.  )

Maar wanneer de logos al een binnendringend supplement blijkt, is Socrates “die niet schrijft”, dan niet ook een meester van het farmakon? En verdient hij dan geen minachting als een sofist? Een pharmakeus? Een tovenaar, een heks, namelijk een gifmenger? Of een van die opgeblazen lieden die Gorgias afwijst? De draden van deze complicaties zijn bijna niet meer te ontwarren.

Socrates speelt in de dialogen van Plato vaak de rol van de pharmakeus. Deze naam is door Diotimus aan Eros gegeven. Maar het is onmogelijk in het portret van Eros niet de trekken van Socrates te ontwaren. Het is alsof Diotimus Socrates aankeek en hem het portret van Socrates voorlegde (Symposion 203c, d en e). Eros is niet rijk, niet mooi, niet fijnbesnaard. Hij brengt zijn leven door met filosoferen (philosophoon dia pantos tou biou); hij is een geducht tovenaar (deinos goes), een magiër (pharmakeus), een sofist (sophistes). Hij is een individu dat zich in geen enkele “logica” van een definitie laat vangen tenzij wanneer deze in tegenspraak met zichzelf is. Een individu met een demonische inslag. Hij is geen god en geen mens, onsterfelijk noch sterfelijk, levend noch dood.  Zijn kwaliteit is een hoge vlucht te geven “aan de hele waarzeggerij (mantikč pasa), aan de kunst van de priesters die het moeten hebben van offers en inwijdingen, bezweringen, van alle orakeltaal en magie (thusias-teletas-epoodas, manteian)”(202e).

In deze zelfde dialoog beschuldigt Agathoon Socrates. Hij wil hem beheksen. Hij heeft een vloek over hem uitgesproken (Pharmattein boulei me, o Sokrates, 194a). Het portret van Eros door Diotimus staat tussen dit citaat en het portret dat Alcibiades van Socrates geeft.

Alcibiades brengt in herinnering dat de magie van Socrates werkt door de logos zonder de hulp van een instrument. Enkel een stem. Geen accessoir. Zonder de fluit van de satyr Marsyas.

“Ik ben geen fluitspeler” zeg je. Maar dat ben je wel. Alleen op een veel wonderlijker manier dan degene over wie we het hier nu hebben. Kijk. De instrumenten die hij nodig heeft om mensen te kunnen betoveren is voor hem de klank die uit zijn mond komt […] zijn melodieën […] alleen kunnen je in hun ban brengen. Daardoor openbaren de goden of de bezweringen zich voor de mensen die dat nodig hebben. Deze melodieën zijn zelf goddelijk. Wat jou betreft: jij verschilt niet van hem. Alleen, jij doet het zonder instrument (aneu organoon). Met woorden zonder begeleiding (psilois logois[1]) bereik jij hetzelfde effect … (215c, d).”

Deze naakte stem zonder orgaan kan men niet verhinderen binnen te dringen zonder de oren dicht te stoppen als Ulysses, om de Sirenen te ontkomen (216a).

Het socratische farmakon werkt ook als een vergift, als een venijnige injectie, een slagenbeet (217-218). En de socratische beet is venijniger dan die van slangen, want zijn spoor dringen in de ziel binnen. Het socratisch woord en de gift van de slang delen in ieder geval met elkaar, dat zij binnendringen in de innerlijkheid, in het diepste geheim van de ziel en het lichaam, om zich daarvan meester te maken. Het demonische woord van deze thaumaturg[2] sleept je mee in filosofische manie en dionysische vervoeringen (218b). En werkt het niet als een slang, dan provoceert het farmaceutisch middel van Socrates een soort narcose, het verlamt je en zet je vast, zodat je er niet meer uit komt, zoals de ontlading van een sidderrog (narkč).

MENON: Socrates, van horen zeggen weet ik zelfs voordat ik je ontmoette, dat jij alleen maar overal moeilijkheden vindt of maakt. Zelfs nu zie ik dat goed. Want ik weet niet welke magie jij gebruikt en met welke middelen je mij inpakt met je bezweringen, maar je hebt me zo goed betoverd dat mijn hoofd vol twijfels zit (goetheueis me kai pharmatteis kai atechnoos katepadeis, hooste meston aporias gegonenai). Wanneer je me een geintje toestaat zou ik durven zeggen dat je me door je uiterlijk eidos) maar ook door de rest, doet denken aan die grote zeevis, de sidderrog (narkč). Die verlamt ook terstond degene die dichterbij komt en hem aanraakt. Iets dergelijks heb je met mij gedaan. [Je hebt me verlamd.] Ja, mijn lichaam en ziel zijn verlamd en ik ben niet in staat je te antwoorden […] Geloof me, je hebt gelijk, niet van hier te willen wegvaren of reizen: in een vreemde stad zou je met dergelijk gedrag, weldra gearresteerd worden als tovenaar (goes) (Meno, 80a, b).

Socrates aangehouden als een tovenaar (goes of pharmakeus): dat moet nog even wachten.

Wat kunnen we zeggen over deze analogie die voortdurend het socratisch farmakon in verband brengt met het farmakon van de sofisten en die ons, door hen met elkaar in verband te brengen, voortdurend terug verwijst van de een naar de ander? Hoe kunnen we die twee van elkaar onderscheiden?

Ironie bestaat niet uit het ontwarren van zinsbegoocheling door sofisten, noch uit het oplossen van een substantie of occulte macht door analyse en vraag. Zij bestaat ook niet uit het afbreken van de kwakzalverige zekerheid van een pharmakeus die met zijn transparante rede of onschuldige logos de instantie is die niet los laat. De socratische ironie brengt een farmakon ten val door het in aanraking te brengen met een ander farmakon. Liever nog: het keert de macht om en brengt een ommekeer te weeg op het oppervalk van het farmakon[3]. Zo worden effect, act en daad bijeengebracht, en geklasseerd, zodat het eigene, de consistentie van het farmakon uit een zekere inconsistentie bestaat, een zekere oneigenheid. Deze niet-identiteit ten opzicht van zichzelf schept de  mogelijkheid, het voortdurend tegen zichzelf te richten.

In die omkering gaat het over wetenschap en dood. Wat allemaal samenkomt in een en hetzelfde beeld in de structuur van het farmakon: het is de unieke naam voor de drank waar men zich voor dient te wachten. En die men zelfs, zoals Socrates, dient te verdienen.


 II



[1] *(46) “Naakte stem, zonder opsmuk, etc.” Psilos logos is ook de zin van een abstract of van een eenvoudige bevestiging zonder bewijs (zie Theatetus, 165e).

[2] Wonderdoener, duivelskunstenaar.

[3] *(47) Ineens en/of langzaam maar zeker doet het socratisch farmakon verstijven en ontwaken, verdoven en sensibiliseren, berustigen en beangstigen. Socrates is de verlammende sidderrog maar ook het dier: denk aan de bij van Faidon (91c). Verderop zullen we de apologie open leggen punt waar Socrates vergeleken wordt met horzel. De configuratie van Socrates in het geheel kijkt op een bestiarium. Is het dan verwonderlijk dat het demonische in beeld gebracht wordt als een bestiarium? Vanuit deze zoöfarmaceutische ambivalentie en naar analogie van Socrates worden de grenzen bepaald van de anthroopos.