Het eigene van de bijbelse taal

 

Nemen we een onschuldig want niet bekend voorbeeld. Het lijkt af te dwalen van onze werkelijkheid. Het lijkt aanvankelijk nogal theoretisch. Toch zal het spoedig praktisch blijken.

Het evangelie van Sint Jan geeft in 7,24 een in eerste instantie globale zin. Oordeelt niet naar het aanzien maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel. Het is een beetje rare zin. Drie keer worden variaties op oordelen/oordeel gegeven. Zou het gebruik van synoniemen de verstaanbaarheid niet bevorderen. De katholieke Willibrordvertaling (1992) laat zien hoe het in beter nederlands kan. Die vertaling geeft: U moet niet oppervlakkig oordelen, maar een rechtvaardig oordeel vellen. Daar lijkt niets verkeerds aan. De strekking is duidelijk en herkenbaar. Een rechtvaardig oordeel moet niet oppervlakkig zijn. Alleen, deze interpretatie heeft niets met mededeling in Johannes 7 te maken. Lees het verhaal bij Johannes maar verder.

 

Stel je voor: je weet dat we met bijbelse informatie bezig zijn. Wat betekent in bijbelse kringen een rechtvaardig oordeel? Is er een bijbelse norm voor een oordeel? Wie zich een beetje rond de synagoge beweegt weet vanzelf het antwoord waar je anders nooit op komt. In bijbelse kringen is een rechtvaardig oordeel een oordeel overeenkomstig de Tora. Ook als wij nu nog niet weten wat dit betekent, in hetzelfde Johannes 7 komt Nicodemus[1] ons te hulp. Hij zegt: wanneer je iemand oordeelt, oordeel dan overeenkomstig de Tora.

Een rechtvaardig oordeel is een oordeel overeenkomstig de Tora. In het verhaal zijn allen het daarover blijkbaar eens. In het verhaal proberen ze zich van Nicodemus af te maken. Intussen weten we, dank zij de interventie van Nicodemus, wat een rechtvaardig oordeel is. Dan moet je iemand kennen en weten wat hij doet. Ook als wij nog niet weten wat een oordeel volgens de Tora is, iemand leren kennen en weten wat hij doet is een praktische aangelegenheid. Het vraagt tijd, respect, aandacht.

            Via een omweg komen we met meer aandacht voor het bijbels taaltegoed uit bij een onverwacht praktische aangelegenheid.

 

terug naar een meer bijbelse katechese



[1] Bijna niemand kent Nicodemus uit deze regel. Nicodemus – tweede voorbeeld – is die stiekemerd die 's nacht (Johannes 3,2) bij Jezus komt. Naderhand blijkt hij bekeerd, want hij is een van de twee die Jezus van het kruis af neemt (Johannes 19,39). Daar staat weer 's nachts. Je bent geneigd te denken: die nacht dat hij stiekem naar Jezus kwam. Maar vraag het eens anders. Nacht, welke nacht? Nicodemus, door Johannes geďntroduceerd als overste van de Joden – de mensen die in Jerusalem thuis zijn(Johannes 1,19). Mensen die in Jerusalem thuis zijn? Dat staat ook twee, drie regels boven die nacht van 3,2. In Johannes 2,23. Jerusalem, Pasen (Pesach), feest. Iedereen die ook maar een beetje thuis is in Jerusalem weet wat men in het bijbelse Jerusalem doet in de Paasnacht. Dan wordt uit en te na verteld, besproken, gevierd, gezongen en uitgelegd: Wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd. De Paasnacht is de nacht van de bevrijding. Ook voor Nicodemus. Wat is dan die bevrijding? Je kunt dat vermoeden in Johannes 7,50. De tekst wordt nooit geciteerd. In Johannes 7 wordt alles op scherp gezet om Jezus te veroordelen. Nicodemus distantieert zich daarvan. Hij beroept zich, net als de tegenstanders, op de Tora. Hij zegt: onze Tora veroordeelt een mens niet tenzij wanneer men hem kent en weet wat hij doet.