Het nu volgende verhaal is
eigenlijk 'een op zich staande tekst' binnen het Johannesevangelie. Sinds de
derde, vierde eeuw staat hij op deze plaats. Is de tekst van Johannes? Of is
hij van Lucas? Daarover gaan discussies maar bestaat geen overeenstemming. Ma
de tekst kan wel op zijn eigen wijze het voorafgaande samenvatten.
In het 7e hoofdstuk wordt Jezus door de leiders van het volk veroordeeld, en
zij veroordelen ook het volk 'dat de Torah' niet kent. Nicodemus brengt in herinnering
wat de Torah vraagt wanneer je een mens meent te moeten veroordelen, maar hem
worden enkel verwijten gemaakt.
'De vrouw' is in de Schriften
vaker een beeld van het volk. Daar komt nu bij, dat in dit verhaal meer aan
de hand is dan 'een vrouw die zich verkeerd gedragen heeft'.
Het zal in dit verhaal gaan over Jezus, over de vrouw en de Torah. De omstaanders
en eisers willen een veroordeling.
Daarnaast mag ook gezegd worden dat vrouwen in het evangelie van Johannes vaker
een beter begrip hebben van de richting die het verhaal uitgaat dan 'de anderen'.
Dat zelfde zie je ook in de eerste twee hoofdstukken van Exodus.
7,53 En zij begeven zich ieder naar zijn huis.
8,1 Maar Jezus vertrekt naar de Olijfberg.
2 In de ochtend gaat Hij weer naar de tempel
en het hele volk gaat naar Hem toe
en terwijl Hij zit,
leert Hij hun.
3 De schriftgeleerden en de farizeeën
brengen een vrouw die op heterdaad betrapt is,
en ze zetten haar in het midden.
4 Ze zeggen Hem: Leraar, deze vrouw is op heterdaad betrapt.
5 In onze Torah heeft Mozes ons bevolen dergelijke vrouwen te stenigen.
Maar wat zeg Jíj?
6 Dit zeggen ze om Hem te toetsen
want ze willen Hem aanklagen.
7 Maar Jezus buigt zich naar beneden
en schrijft met zijn vinger op de aarde.
En als ze Hem blijven vragen, richt Hij zich op
en Hij zegt hun:
wie van jullie zonder zonde is moet als eerste een steen werpen.
8 En zich nog eens bukkend schrijft Hij weer op de aarde,
9 Maar als ze dat horen beginnen ze weg te gaan, vanaf de oudsten, een voor een, en Hij blijft alleen,
en de vrouw staat in het midden.
10 Dan richt Jezus zich op en Hij zegt haar:
vrouw, waar zijn ze?
Heeft niemand je veroordeeld?
11 En zij antwoordt: Niemand, Heer.
En Jezus zegt haar: Ik veroordeel je ook niet.
Trek op, en zondig van nu af aan niet meer.
Ze begeven zich, ieder, naar
zijn huis maar Hij gaat naar de Olijfberg. Die geografische notitie brengt wel
ruis in het verhaal, roept herinnering op aan wat straks komen gaat. Verder
lijkt het een verhaaltje van niks. Elf verzen. Maar daarin staat wel de wereld
van dit verhaal stil, of op zijn tenen. Alhoewel: de wereld? Ja, toch: het hele
volk gaat in het voorafgaande naar Hem toe terwijl Hij naar de Tempel gaat om
daar te leren. De tekst onderstreept dat door breed neer te zetten: Hij gaat
zitten om te leren.
Dit verhaal lezend komen we als het ware binnen in 'Jezus Leert'. Het moet opvallen
dat Hij om te beginnen en ook verderop eigenijk niet praat. Hij, Jezus, bukt
zich in feite alleen maar. Hij bukt zich zelfs twee keer.
De concordantie kan je naar
Jeremia brengen. Vanaf 7,38 spreekt hij zeker ook een woordje mee in de tekst.
Jeremia 2,9 en volgenden. Ik zal met jullie een rechtsgeding voeren ... heeft
ooit een volk goden verruild? En dat zijn toch geen goden, maar mijn volk heeft
zijn eer verruilt voor wat niet baat ... Mij, de bron van levend water hebben
zij verlaten om zichzelf bakken uit te houwen, bakken met breuken die geen water
houden ... Wat heb je naar Egypte te gaan om het water van de Nijl te drinken
... Wat heb je naar Assyrie te gaan om het water van de Eufraath te drinken.
Jeremia staat in het tweede deel van Johannes 7 als context en decor, zelfs
als getuige bij uitstek op het toneel.
Wanneer Jezus zich de tweede keer bukt en op de aarde schrijft, licht ook Jeremia
17,12 op. Zetel van gewicht, heerlijkheid, hoog van het begin (denk aan
"opgaan naar" Johannes 7,8.10), plaats van onze heiligheid, hoop
van Israel, Heer. Alleen die U verlaten zullen beschaamd worden, die weggaan
worden op de aarde geschreven, want zij hebben de bron van levend water, de
Heer, verlaten.
De zeker oude traditie die Johannes 7,53-8,11 na Johannes 7,51 gelezen heeft,
wekt de indruk Jeremia 17,12v. te kennen.
Terwijl heel het volk naar
Hem toe gaat en Hij is gaan zitten om te leren, breken schriftgeleerden en de
farizeeën de kring. Ze brengen een vrouw die op heterdaad betrapt is, en
ze zetten haar in het midden.
Let wel: ze brengen een vrouw die op heterdaad betrapt is. Die daad kan niet
zo heet zijn als de lezer misschien aanvankelijk denkt. Wanneer die daad zo
heet zou zijn, dan zou zij ook aangebracht worden met de betreffende man. Daar
is geen sprake van. Alhoewel. Bij de schriftgeleerden en farizeeën gaat
Jezus ook niet vrij uit. En overspel is een profetisch woord voor 'afgodendienst'.
Daarmee wordt het een ander verhaal. En wat zij verkeerd doet heeft ook iets
van de kleuren van de misdaad waarvan Jezus beschuldigd wordt.
Zij zeggen wat er aan de hand is, doen het probleem uit de doeken en dwingen Hem de veroordeling uit te spreken. Dan zal blijken dat Hij niet zo aardig is als de goede gemeente om Hem heen meent. Volgens Mozes moet zij gestenigd worden. Nu jij. Wat zeg Jij! Ze willen hem toetsen, tot klinken brengen. Om hem linksom dan wel rechtsom te kunnen pakken. Maar Hij zegt niets. Hij bukt zich enkel en schrijft met zijn vingers op de aarde. Zij blijven aandringen en Hij bukt zich weer. En schrijft weer. Zich oprichtend zegt Hij dan: wie zonder zonde is, hij werpe de eerste steen. Als ze dat horen. Hier het cruciale woord horen. Niet alleen omdat het geloof uit het horen is zoals Paulus in Romeinen 10,17 memoreert, maar ook dient de leze zich er hier terdege van bewust te zijn dat het voorschrift voor elke dag luidt: Hoor Israel, de Heer is onze God, de Heer is één. Zij horen en weten blijkbaar nu van 'behoren'. Ze gaan weg, te beginnen bij de oudsten.
(Die eerste steen zou gegooid moeten worden door de aanklager. Als de klacht nergens op gebaseerd is dan is de aanklager een valse getuige. En zijn valse getuigenis maakt hem ipso facto tot moordenaar.)
Hij blijft alleen. Even ben
je geneigd te denken dat al het volk ook verdwenen is. Maar zij staat in het
midden. In het Johannesevangelie is het midden de plaats van Jezus, exclusief.
Denk aan midden onder U staat Hij die jullie niet kennen (1,26), en één
links, één rechts en Hij in het midden (19,18), om definitief
te worden in 20,19. Daar gaat Hij als de boom des levens in het midden staan
om aan zijn leerlingen te zeggen dat de vrede op hen rust. Zij zullen die vrede
moeten dragen, uitdragen, laten geschieden en waar maken, om dan ook zelf 'in
vrede' te zijn.
Nu staat Jezus daar met de vrouw in het midden.
Er is niemand meer die haar veroordeelt, Hij veroordeelt haar ook niet. Hij nodigt haar uit onderwerp van het werkwoord optrekken en te kiezen voor een leven in de binding van het verbond. Misschien geeft dit de meer moralistisch ingestelde lezer weer goede moed, maar bedenk ook wat 'zonde' is. Zonde is dat wat het verbond op het spel zet, ontkent, negeert, afbreekt. De vrouw kan gaan zal weten dat leven betekent: 'verbonden zijn'.
Een klein tafereel, een icoon. Het 'dwingt de lezer' de goede kant op.
Johannes 8,12-59
8.12 Weer spreekt Jezus tot hen. Hij zegt:
Ik ben. Het licht van de wereld.
Wie Mij volgt loopt niet rond in het duister maar hij heeft het licht van het leven (dat leven is).13 De farizeeën zeggen Hem: Jij getuigt over Jezelf. Je getuigenis is niet waar.
14 Jezus antwoordt en zegt hun: Ook wanneer Ik over mezelf getuig, mijn getuigenis is waar(achtig)
want ik weet waar Ik vandaan kom en waar Ik heen ga.
Maar jullie weten niet waar Ik vandaan kom of waar Ik heen ga.
15 Jullie oordelen naar het vlees. Ik oordeel niemand.
16 En wanneer Ik oordeel, dan is mijn oordeel waar(achtig),
want Ik ben niet alleen, maar Ik en Degene die Mij zendt, de Vader.
17 En in jullie Torah staat geschreven dat het getuigenis van twee mensen waar is.
Ik ben degene die voor zichzelf getuigt
en de Vader Die Mij zendt is getuige voor Mij.
19 Dan zeggen ze Hem: waar is jouw Vader!
Jezus antwoordt: jullie kennen Mij niet en ook mijn Vader niet.
Als jullie Mij zouden kennen, zouden jullie ook mijn Vader kennen.
20 Deze woorden zegt Hij bij de schatkamer, lerend in de tempel.
Niemand grijpt Hem want zijn uur is nog niet gekomen.
In 7,52 zeggen de overpriesters en de farizeeën, dat er uit Galilea geen profeet komt. Maarmee gaan zij wel voorbij aan de profeet Jona. Volgens 2Kon 14,25 komt Jona uit Gath-Hefer, een plaatsje in Beneden-Galilea, ongeveer 5 mijl van Nazareth. Volgens Pirke de R. Eliezer XXXIII is hij het kind van een weduwe in Sarepath. Volgens T.J.Sanhedrin 11,8 is Jona de zoon van Amithai een emmese nabi, een ware profeet. (Amithai wil in de midrasj ook gelezen worden als zoon van de waarheid.)
Bij Mattheus vinden we in 4,15-16 het
citaat over "Galilea van de volkeren". Het volk dat in de duisternis
gezeten is zal een groot licht zien. Zonder de inlas van Johannes 7,53-8,11
kan 8,12 dus ook gelezen worden de voortzetting zijn van het zevende hoofdstuk:
Ik ben - het licht van de wereld.
Weer dient wellicht onderstreep
te worden dat het licht van de wereld niet als 'het naamwoordelijk deel
van het gezegde' gelezen hoeft te worden. Onontkenbaar klinkt in Ik ben
Exodus 3,14 mee, Ich werde dasein der Ich dasein werde (Buber-Rosenzweig),
de struik die Zijn eigen Licht een Stem geeft. En natuurlijk gaan de gedachten
dan ook naar Johannes 1 waarin de wordingsgeschiedenis vertolkt wordt als het
Woord, het 'licht en leven' dat Gods spreken is. En uiteraard moet je daarbij
ozien en weer als nieuw luisteren naar de ouverture, naar Genesis! En het eerste
spreken van God spreekt over het geschieden van het licht.
De tekst brengt ons nu naar de rechtzaal. Er zijn aanklagers, er is een aangeklaagde. Er is een klacht en een verdediging. Er ontstaat een discussie die uit de hand of naar de rand loopt. De farizeeën doen de openingszet. Jij getuigt over jezelf. Je getuigenis is niet waar. Is het antwoord Jezus ontwijkend of preciserend? Hij weet waarvandaan en waarheen Hij komt en gaat. Zij weten dat niet van dat 'waarheen en waarvandaan'(zie 3,31). Zij oordelen naar het vlees. Maar Hij oordeelt vanuit zijn waarvandaan en waarheen, de Vader. Wie van boven komt ... Hij en de Vader zijn Zijn getuigen. Want hoe kun je tot vertrouwen dat geloven is komen wanneer je enkel uit bent op de eer (het gewicht) van elkaar, wanneer je het gewicht van God (kabood, schittering, glorie, gewicht) die één is niet zoekt (5,44). Zo ben je ontrouw aan Mozes. Zoals Johannes al eerder noteerde: als je in Mozes vertrouwen zou hebben, dan zou je ook vertrouwen in mij hebben want over Mij schrijft hij (5,45-46). Het lijkt of blijkt een absoluut "nee" tegen een aboluut "ja"". In het achtste hoofdstuk wordt dit op zijn scherpst uitgesproken. Zij baseren zich op elkaar, Hij op waarvandaan en waarheen. Daarom oordelen zij naar het vlees, veroordelen zij Hem, maar Hij veroordeelt niemand. Zijn "oordeel" is waarheid dat wil zeggen Gods genegenheid. Over Hem getuigt Hij en de Vader die Hem zendt getuigt over Hem. Maar zij weten niet waar jouw Vader is. Als je Mij zou kennen, zou je ook mijn Vader kennen. Bij de Schatkamer speelt dit zich af, een centrale plaats in het heiligdom.
21 Hij zegt dan weer tegen hen:
Ik ga heen en jullie zullen Mij zoeken en jullie zullen sterven in jullie zonde.
Waar Ik heen ga kunnen jullie niet komen.
22 De Joden zeggen dan:
Hij gaat toch niet zichzelf doden, want Hij zegt: waar Ik heen ga kunnen jullie niet komen.
23 En Hij zegt hun: jullie, van beneden zijn jullie, en Ik, van boven ben Ik.
Jullie zijn uit deze wereld. Ik ben niet uit deze wereld.
24 Ik zeg jullie dat jullie zullen sterven in jullie zonde.
25 Dan zeggen ze Hem: Jíj, wie ben Jij?
Jezus zegt hun: wat Ik jullie vanaf het begin zeg.
26 Veel heb Ik over jullie te zeggen en te oordelen
maar die Mij zendt is waar(achtig)
en wat Ik van Hem hoor, dat zeg Ik de wereld.
27 En zij begrijpen niet dat Hij hun over de Vader spreekt.
28 Jezus zegt hun:
Wanneer jullie de Zoon van de Mens zullen verhogen zullen jullie kennen,
dat Ik ben en dat Ik niets doe uit mezelf,
maar zoals de Vader Mij leert spreek ik.
29 Die Mij zendt is met Mij.
Hij laat Mij niet alleen want Ik doe altijd wat Hem het liefst is.
Het "waarvandaan en waarheen"
blijft aan de orde. Het raadselachtige proberen zij te duiden met: "Hij
gaat toch niet zichzelf ..." Maar Jezus spreekt verder. Hij gaat heen en
Hij weet waar Hij heen gaat, maar "zij" zullen Hem tevergeefs zoeken,
want waar Ik heen ga kunnen jullie niet komen. Zij zullen sterven in
hun zonde, hun afwijzing, hun niet-kunnen. Dat is geen veroordeling want ik
veroordeel niemand. Zij zien dit niet als een veroordeling.
Zij zullen sterven in hun zonde. Enkelvoud, zoals in 1,29. In vers 24 verschijnt
het woord 2 keer in het meervoud. Zo ook in v. 46. Ze
zullen de mens blind uit geboorte in 9,34 ook verwijten dat hij in zonden
geboren is. Voor hen is er veel te verwijten. Op het einde van hoofdstuk
9, bij de afwikkeling van het verhaal, zal Jezus sommigen van de farizeeën
die van mening zijn dat zij niet blind zijn, op de vraag of zij soms
ook blind zijn antwoorden: nu jullie zeggen wij zien, blijft jullie zonde -
enkelvoud.
Christenen zijn zeer vertrouwd met het woord "zonde" in het enkel-
en meervoud. Zondenvergeving schijnt in de traditie van de Kerk het hoogtepunt
van het zogenoemde Nieuwe Testament te zijn, het eigenlijke onderwerp. Het woord
zonde heeft dan in het gehoor blijkbaar vooral een morele betekenis. Tegen die
achtergrond moet het opmerkenswaardig zijn dat zonde(n), zondaar, zondig
en zondigen in de evangeliën een bescheiden rol speelt. En ook "zondenvergeving"
is op geen enekele wijze dominant in het Evangelie. Het lijkt erop dat we bij
Johannes vooral moeten denken aan de eerste plaats waar het woord geneoemd wordt,
in het enkelvoud. In 1, 29, in 'het getuigenis van Johannes', horen we: Zie
het Lam Gods dat de zonde van de wereld draagt, op zich neemt, doet verdwijnen.
(Zumstein 1, p. 77, n. 29. Hij merkt p. 289 op dat vergeving van de zonde
in het enkelvoud niet betrekking heeft op het overtreden van de Wet/Torah, maar
op het ongeloof. Het ongeloof, wanneer je geen vertrouwen hebt, dat scheidt
je van God en leidt tot de dood.)
Maar de 'tegenstanders' beginnen iets anders te vermoeden. Hij gaat toch niet zichzelf doden? Maar Jezus wijst op wat beslissend is: beslissend is van boven zijn of uit deze wereld zijn". Als je niet van boven geboren (3,3) wordt, als je niet opziet naar de slang die Mozes in de woestijn (3,14) opricht, dan zul je sterven in je stilstand, je zonden. Daarmee lijkt toch enige beweging te komen. Jij, wie ben Je? Bijna kinderlijk spreekt Jezus in het Evangelie van Johannes over Zijn vertrouwdheid met de Vader. Die Mij zendt is met Mij. Hij laat Mij niet alleen want Ik doe altijd wat Hem het liefst is.
30 Omdat Hij dit alles zegt gaan velen in Hem vertrouwen.
Hij is belangrijk stil te staan bij deze regel. Hier en in 7,31 wordt dat velen vastgelegd. Zoals ook in bijvoorbeeld Mattheus 26,27-28: wellicht moet dat velen meer gelezen worden als een democratisch, niemand uitsluitend 'allen'. Even wordt de tekst minder aggressief, lijkt het.
31 Jezus nu zegt tegen de Joden die in Hem zijn gaan vertrouwen:
wanneer jullie in mijn woord blijven zijn jullie in waarheid mijn leerlingen,
32 en jullie zullen de waarheid kennen en de waarheid zal jullie vrij maken.
Is die tekst raadselachtig? 'De waarheid
zal jullie vrij maken'. Het is wel belangrijk stil te staan bij dat woord 'waarheid'.
Simpel: gaat dat over 'denken', of over 'doen'? Philip Birnbaum wijst in A
book of Jewish concepts, (New York 1964, 1975) naar Zechariah 8,16-17: Dit
moet je doen: spreek de waarheid tegen elkaar, laat de besluiten in je rechtspraak
waar zijn en maak vrede; plan geen kwaad in jullie harten tegen elkaar en lever
je niet over aan valse eden, want ik haat al deze zaken, zegt de Heer. Waarheid
gaat meer over het daadkrachtig effect van wat je zegt, dus over wat je doet.
Het verloop van de tekst zal daar op wijzen. Als je de kinderen van Abraham
bent, doe dan ook wat Abraham doet. (Eventueel. Gastvrijheid is iets anders
dan broedermoord. En als je je beroept op kind van God zijn, doe dan zoals God
doet.)
We zien het woord waarheid in 8,31-59
drie keer in het eerste deel (32a, 32b, 40b) en vier keer in het tweede deel
(44d, 44e, 45 en 46b). Het keert in een andere vorm terug in amen, amen (hier
vertaald als 'het is waar en betrouwbaar'). (Zie eventueel ook 3,3.11 en 21.
Girard 1, p.268.)
33 Ze zeggen tegen Hem: zaad van Abraham zijn wij en wij zijn nooit slaven geweest.
Hoe kun Jij dan zeggen dat wij vrij zullen worden!
34 Jezus antwoordt:
Het is waar en betrouwbaar wat Ik jullie zeg:
ieder die de zonde doet is slaaf van de zonde.
35 De slaaf blijft niet eeuwig in het huis, de Zoon blijft eeuwig.
36 Wanneer de Zoon jullie vrij zal maken zullen jullie werkelijk vrij zijn.37 Ik weet dat jullie zaad van Abraham zijn,
maar jullie zoeken Mij te doden, want mijn woord verblijft niet bij jullie.
38 Wat Ik bij de Vader zie, zeg Ik, maar wat jullie van de vader horen doen jullie.
39 Ze antwoorden en zeggen Hem: Onze vader is Abraham!
En Jezus zegt hun: Als jullie kinderen van Abraham zijn, doe dan ook de werken van Abraham.
40 Maar jullie zoeken Mij te doden,
een mens die jullie de waarheid spreekt die Hij van God hoort.
Dat heeft Abraham niet gedaan.
41 Jullie doen de werken van jullie Vader.
Dan zeggen ze Hem: wij zijn niet uit ontucht geboren, een Vader hebben wij, God.
42 Jezus zegt hun:
Als God jullie Vader was zouden jullie ook van Mij houden,
want van God ben Ik uitgegaan en gekomen.
En Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij zendt Mij.
43 Waarom verstaan jullie mijn taal niet?
Omdat jullie mijn woord niet kunnen horen.
44 Jullie zijn uit de vader de duivel en jullie willen de begeerten van jullie vader doen!
Hij is de mensendoder vanaf het begin.
En hij staat niet in de waarheid omdat in hem geen waarheid is.
Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit zichzelf want hij is een leugenaar en daar de vader van.
45 Maar omdat Ik de waarheid spreek hebben jullie geen vertrouwen in Mij.
46 Wie van jullie kan Mij een zonde toeschrijven!
Wanneer Ik waarheid spreek, waarom hebben jullie dan geen vertrouwen in Mij!
47 Wie uit God is hoort de woorden van God.
Daarom horen jullie niet, want jullie zijn niet uit God.
48 De Joden antwoorden en zeggen Hem:
Zeggen wij niet terecht dat jij een Samaritaan bent en dat je een demon hebt!
49 Jezus antwoordt: Ík heb geen demon, maar Ik eer mijn Vader en jullie eren Mij niet.
50 Maar Ik zoek mijn eer niet.
Hij is degene die zoekt en oordeelt.
51 Het is waar en betrouwbaar wat Ik jullie zeg:
wanneer iemand Zijn woord onderhoudt, hij zal voor eeuwig de dood niet zien!
De slaaf blijft niet eeuwig in het huis, de zoon blijft eeuwig (35). De argumentatie is bijna nuchter en praktisch. De zoon hoort bij 'het huis'. De knecht is daar enkel tijdelijk, voorlopig, zo lang het duurt. Tegenover hun 'dood ... dood' stelt Jezus: Wie zich houdt aan Zijn woord, aan het woord van de Vader, hij zal voor eeuwig de dood niet zien. Dat lijkt wel bijna de bom doen barsten. Abraham gestorven, de profeten gestorven. Wie denk je dat je bent! Ben jij soms meer dan Abraham! Wederom leidt dat tot Zijn belijdenis. 52 De Joden zeggen Hem dan:
Nu weten wij dat Jij een demon hebt.
Abraham is gestorven en de profeten.
En jíj zegt: wanneer iemand mijn woord onderhoudt zal hij de dood niet proeven in eeuwigheid.
53 Ben Jij soms groter dan onze vader Abraham die gestorven is.
En ook de profeten zijn gestorven!
Tot wie maak Jij jezelf!
54 Jezus antwoordt:
wanneer Ik Mezelf gewicht toeken, dan is mijn gewicht niets.
Het is mijn Vader van wie jullie zeggen dat Hij onze God is die Mij gewicht toekent.
55 En jullie kennen Hem niet, maar Ik ken Hem.
Wanneer Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken zou Ik een leugenaar zijn.
Maar Ik ken Hem en zijn woord onderhoud Ik.
56 Abraham jullie vader heeft er zich op verheugd mijn dag te zien
en hij heeft die gezien en zich verheugd.
57 De Joden zeggen tegen Hem: Jij bent nog geen vijftig jaar en Jij hebt Abraham gezien!
58 Jezus zei tot hen:
Het is waar en betrouwbaar,
Ik zeg jullie, voor Abraham geschiedde ben Ik.
59 Maar ze rapen stenen op om (die) op Hem te gooien.
Maar Jezus verbergt zich en Hij gaat weg uit de tempel.
Abraham heeft mijn dag gezien
en zich verheugd. Dat kan niet. Je bent nog geen vijftig!
Op welke dag heeft Abraham zich verheugd? Dat kan alleen de dag van Isaak zijn.
De naam Isaak wordt in het evangelie van Johannes niet genoemd. zoekplaatje.
Wie is in het evangelie "de zoon van de vader".
Stenen liggen blijkbaar voor het oprapen. Maar Jezus verbergt zich en gaat weg
uit de Tempel. (Alsof hij voor hen niet weg is gegaan.)
Terwijl hij weggaat begint Johannes 9.
Johannes
9
In het voorbijgaan de genezing
van de mens uit geboorte blind.
9,1 En voorbijgaande ziet Hij een mens blind uit geboorte
2 En zijn leerlingen vragen Hem.
Ze zeggen: Rabbi, wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders, dat hij blindgeboren is?
3 Jezus antwoordt: hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet,
maar opdat de werken van God in hem zichtbaar zullen worden.
4 Wij moeten de werken doen van die Mij zendt zolang het dag is.
Er komt een nacht dat niemand kan werken.
5 Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van/voor de wereld.
6 Terwijl Hij dit zegt, spuugt Hij op de grond
en maakt Hij modder van het speeksel en Hij zalft de modder op zijn ogen.
7 En Hij zegt hem: ga je wassen in de vijver Siloam (dat gezondene betekent).
Hij gaat weg en hij wast zich en hij komt ziende.
Johannes 9 wordt een merkwaardig verhaal
wanneer je na het eerste werkwoord, voorbijgaan het laatste werkwoord
in de Giekse tekst let: blijven. Het verhaal spreidt zich uit tussen
voorbijgaan en blijven. Wat in het voorbijgaan blijft.
Tot het Vernieuwingsfeest in 10,22 speelt de tekst zich af onder de titel Loofhuttenfeest,
skènopègia, het bouwen van de Tent-feest. Het Loofhuttenfeest
is een licht-feest is (zie Leviticus 23,25 vv. en denk aan Johannes 8,12, Nu,
hier: 9,5). Het verhaal over een blindgeborene vindt binnen deze samenhangen
zijn plaats.
Voorbijgaande. Het woord Hebreeër is van dit werkwoord (Èber: Ayn, Beeth, Reesj) afgeleid. Daarnaast kennen we het voorbijgaan van de Heer ook als Pesach, Pasen (Exodus 12,27). En het is eigenlijk wel merkwaardig dat de commentaren geen woord besteden aan dit, binnen het Evangelie slechts één keer voorkomende woord, voorbijgaan.
Voorbijgaande ziet Hij. De snelle inzet van het werkwoord zien brengt choreografisch ook het scenario van Exodus 3 even, in het voorbijgaan, dichtbij: zien en kijken, bezien. Die struik daar brandt en verbrandt niet. In Johannes 9 ziet Hij een mens blind uit geboorte, tuflos ek genetès. Iemand die niet ziet van begin af aan. Het woord genesis dringt zich dan ook op. Exodus en Genesis. (Genesis 1, van begin af aan sprekend van licht.) Voorbijgaande heeft Hij oog voor hem. En de leerlingen, Zijn leerlingen. Ze vragen naar wat en hoe Hij ziet. Zij zoeken een verklaring. "Hij of zijn ouders". Blijkbaar is voor hen wat hier natuurlijk is niet natuurlijk. Daar moet een beschuldigende vinger achter zitten. Wie heeft gezondigd? Wanneer je dit tafereel laat spelen zie je als begin van het verhaal twee bewegingen. Jezus beweegt in de richting van de mens uit geboorte blind. De leerlingen distancië ren zich van hem met een steeds groter wordende boog. Maar Jezus gaat niet in op hun verooordelende zienswijze. In de wereld van dit verhaal gaat het over geheel iets anders: Opdat de werken van God of het werken van God in hem zichtbaar zullen worden. Dat wordt het uitgangspunt van dit nieuwe, o zo praktische en tegelijk uitzonderlijke verhaal. Het werken van God, in de taal van Johannes, het werken van degene die Mij zendt. Die zending, dit zo gezonden zijn, levert vanaf Johannes 2 altijd problemen op.
Wij moeten de werken doen van Wie Mij zendt. Dat is de inzet. Dat staat op het spel. Dat gezegd hebbend vertelt het verhaal dat Jezus op de grond spuugt, daarmee zoiets als klei maakt en dat op de ogen van de blinde wrijft. De tekst gebruikt zelfs het woord 'zalven', zodat de mens blind uit geboorte een gezalfde wordt. Heel dit tafereel speelt zich zonder een vraag af en leidt enkel tot de opdracht: Ga heen en was je in de Siloam/Gezondene. Er staat niet bij dat hij daarna terug moet komen. Hij komt wel, maar niet "terug". Er is geen directe reactie op het gebeurde. We horen ook niets over vreugde of opwinding. Hij komt waar hij niet eerder was, lijkt het. Dat komen zal deze mens op eigen initiatief doen, blijkbaar. De hemel gaat boven hem open, maar ook: in omtrekkende bewegingen breekt de hel langzaam maar zeker los.
8 De buren dan en de mensen die hem eerder zagen, hij was een bedelaar, zeggen: zat hij niet te bedelen?
9 Sommigen zeggen: hij is het.
Anderen zeggen: nee, maar hij lijkt op hem.
Hij zegt: Ik ben!
10 Daarop zeggen ze hem: hoe zijn dan je ogen geopend geworden?
11 Hij antwoordt: De mens die Jezus heet maakte modder en zalfde mijn ogen.
En Hij zei mij: ga je wassen in de Siloam.
Weggegaan en gewassen zie ik.
12 En ze zeggen hem: Waar is Hij?
En hij zegt: Ik weet het niet.
De mensen kennen hem als degene die leeft door zijn handen op te houden. Zat hij niet te bedelen? Ja, dat zat hij. Anderen zeggen dat hij alleen maar op hem lijkt. Daarop treedt hij naar voren met ik ben. Daarmee wordt meer gezegd dan het ontkennen van enkel afwezig-zijn. Bellen willen zelfs rinkelen in die korte uitspraak. Te beginnen met Exodus 3, zoals zo vaak in het evangelie. Denk maar aan Ik ben - de weg - de waarheid - en het leven. Zelfs niet genoemd verlenen deze woorden toetsen en tinten in dit verhaal. "Je wilt toch niet zeggen ..." Wik en weeg, kijk zelf.
13 Ze brengen hem naar de farizeeën, de eerder blinde.
14 Het is sabbat op de dag dat Jezus modder maakte en zijn ogen opende.
15 Weer vragen hem ook de farizeeën hoe hij ziet.
En hij zegt hun: hij legde modder op mijn ogen, en Ik waste me en Ik zie.
16 Sommigen uit de farizeeën zeggen:
Hij is niet een mens van de kant van God, want Hij houdt de Sabbat niet.
Maar anderen zeggen: hoe kan een zondig mens dergelijke tekenen doen?
En er ontstaat een scheuring onder hen.
17 Dan zeggen ze weer tegen de blinde: Wat zeg jíj over Hem, dat Hij van jou de ogen geopend heeft?
En hij zegt: Hij is een profeet.
Het is sabbat op die dag. We komen dus
ook in de geuren en kleuren maar ook de problemaiek van Johannes 5, bij de vijver
in Jerusalem.
Ze brengen hem. Met dit werkwoord nodigt Jezus zijn leerlingen uit, op
te staan van de laatste tafel (14,31). Maar Jezus wordt met dit werkwoord ook
naar Annas (18,13) en Kajafas (18,28) gvoerd. En Pilatus schuift met dit werkwoord
Jezus als een pion van binnen naar buiten in het decor van zijn paleis (19,4.13).
De buren en die hem van vroeger kennen brengen de mens blind uit geboorte
op een nogal bedenkelijke manier met een werkwoord dat te denken geeft naar
degenen die blijkbaar 'er toe doen', de farizeeën. Die hebben simpel de
vraag hoe hij ziet. Het is een weggemoffelende vraag. Alsof 'zijn zien'
alleen op hem gebaseerd kan zijn, terwijl dat van begin af aan in dit verhaal
duidelijk niet zo is. Daarop komt deze 'aangebrachte' met zijn eigen woorden.
Hoe ziet hij wat hem gebeurd is?
18 Maar de Joden geloven omtrent hem niet dat hij blind was en ziet,
en daarom roepen ze de ouders van de weer ziende.
19 En ze vragen hun: is hij jullie zoon van wie jullie zeggen dat hij blindgeboren is!
Hoe kan hij dan nu zien?
20 Zijn ouders antwoorden en zeggen:
wij weten dat hij onze zoon is en dat hij blindgeboren is.
21 Maar hoe hij nu ziet weten we niet.
Of iemand van hem de ogen geopend heeft weten wij niet.
Vraag het hem zelf. Hij heeft de leeftijd.
Laat hem spreken over zichzelf.
22 Dat zeggen zijn ouders omdat ze bang zijn voor de Joden,
want de Joden zijn met elkaar overeengekomen,
dat wanneer iemand zou belijden dat Hij de Christus is,
hij uit de synagoge gezet zou worden.
23 Daarom zeggen zijn ouders: hij heeft de leeftijd, vraag het hem.
Hun perceptie van zijn verleden, 'blind zijn' en zijn tegenwoordigheid, 'zien', lopen niet synchroon. Daaeom worden de ouders geroepen. Er zijn twee vragen. Is dit jullie zoon van wie jullie zeggen ... ? En: : "Hoe kan hij dan nu zien?" Op de eerste vraag antwoorden de ouder onomwonden. Maar hoe hij nu ziet? Dat moeten ze aan die jongen zelf vragen. Hij is oud genoeg om over zichzelf te praten. Het blijkt een ontwijkend antwoord te zijn. Ze zijn bang. Ze willen niet het gevaar lopen, uit de gemeenschap (syn-agoo) verstoten te worden. Daarom, vraag het hem. zeggen ze dat zo volgens Johannes. Hij heeft de leeftijd. Hoe genereus ze hem ook oud genoeg verklaren, er zit ook iets in van afstand nemen, niet je vingers brangen. Een motief dat verderop ook zijn werk zal doen.
24 En dus roepen ze de mens die blind was voor de tweede keer en ze zeggen hem:
Geef eer aan God!
Wij weten dat Deze Mens zondig is.
25 En hij antwoordt: Of Hij zondig is weet Ik niet.
Eén ding weet ik: blind zijnde zie ik nu.
26 Dan zeggen ze hem: wat heeft Hij jou gedaan? Hoe heeft Hij jouw ogen geopend?
27 Hij antwoordt hun: Dat heb Ik jullie al gezegd en jullie horen niet.
Wat willen jullie nog eens horen?
Zijn zij uit op een dispuut? Of willen ze hem alleen maar ..., ja wat eigenlijk? Hij klink wel gezagdvol: Geef eer aan God. Dat eisen ze, alsof dit de woorden zijn waar zij zich ook aan zullen houden. Eer aan God geven begint met hun weten, een woord dat nu wel dominant blijkt te worden. Wij weten dat Deze Mens zondig is! Hoe ze dat weten is blijkbaar geen vraag. Maar de vroeger blinde wekt de indruk scherp te zien. Of Hij zondig is weet ik niet. Eén ding weet ik: blind zijnde zie ik nu. Hoe heeft Hij dan jouw ogen geopend. Dat verhaal is al verteld. Maar er komt een scherpe toevoeging. Jullie horen niet. Wat willen jullie nog eens horen. En dan, ofwel naief, of wel met de vinger op wat een draaipunt zou kunnen zijn. Jullie toch niet ook ...
Toch niet ook jullie willen Zijn leerlingen worden!
28 En ze bespotten hem en zeggen: jíj bent een leerling van Hem!
Maar wij zijn leerlingen van Mozes!
29 Wij weten dat God met Mozes spreekt maar van Hem weten wij niet vanwaar Hij is.
30 De mens antwoordt en zegt hun:
Dat is nu wel verwonderlijk. Jullie weten niet waarvandaan Hij is en Hij heeft mijn ogen geopend.
31 We weten dat God niet hoort naar zondaars,
maar als iemand God vreest en zijn wil doet, naar hem hoort Hij.
32 Het is nog nooit gehoord dat iemand de ogen opent van iemand die blindgeboren is.
33 Als Hij niet van de kant van God zou zijn, kon Hij niets doen.
34 Ze antwoorden en zeggen hem: helemaal in zonden ben je geboren en jij leert ons!
En ze werpen hem naar buiten.
... toch niet ook Zijn leerlingen
worden - zo naief als een vraag kan zijn. Maar ze bspotten hem. Alleen
hier gebruikt Johannes dit werkwoord. De spot is: Jij bent een leerling van
Hem! Zij zijn leerling van de andere kant denken ze. Van Mozes. Voor hen
is duidelijk dat God met Mozes spreekt. Maar waar Hij vandaan is weten wij
niet. God spreekt met Mozes. blijkbaar is dat zijn "waarvandaan",
het waarvandaan van Mozes. En dat weten zij van Hem niet.
De vroeger blinde heeft hierop een nogal nuchter aandoend commentaar. Tegenover
hun weten en niet weten stelt hij zijn weten. God hoort volgens hem niet
naar zondaars. Maar wanneer iemand Godvrezend is - (zie Exodus 1,17,
"God vrezen" is "leven
laten") - doet wat Hem wel behaagt, naar hem hoort Hij staat volledig
in zijn recht. Als hij niet van de kant van God (waarvandaan!) was dan
kon Hij niets doen. Daarmee wordt de man in drie streken afgechreven. Hij
is helemaal (wat een autobiografisch aandoende nadruk!) in zonden geboren; hij
meent hen te kunnen leren; en ze werpen hem buiten.
35 Jezus hoort dat ze hem naar buiten hebben gegooid
en hem vindend zegt Hij hem:
heb jij vertrouwen in de Zoon van de Mens?
36 Hij antwoordt Hem en zegt: en wie is Hij, Heer, zodat Ik in vertrouwen naar Hem toe kan gaan.
37 Jezus zegt hem: en je hebt Hem gezien, en Die met je spreekt, Hij is.
38 Daarop zegt hij: ik vertrouw Heer,
en hij vereert Hem.
Alsof Jezus bij dit hele verhaal tussen
de coulissen heeft meegeluisterd. Hij vindt hem en vraagt naar zijn vertrouwen
in de mensenzoon - de zoon van Adam. Presenteert Johannes Hem als Abel?
Maar dergelijke vragen spelen blijkbaar geen rol. Heb jij vertrouwen. Wie
is Hij, Heer, dat ik in vertrouwen naar Hem toe kan gaan.
In Jezus antwoord zitten drie werkwoorden die er toe doen. 1. Je hebt Hem
gezien. Een tijdsaanduiding die eerder begint en nu voortduurt. 2. Die
met je spreekt. Denk aan Johannes 1,1: om te beginnen, als begin is er
het spreken. Spreken is bij Johanes religieus heden. (De tegenpartij spreekt
niet. Zij weet, en nogal veel, met nogal drastische gevolgen.) 3. Hij is. Alsof
Jezus nu over zichzelf in de derde persoon spreekt en zo verborgen Ik ben
zegt.
Maar ook: opeens wordt de uitdrukking 'de Zoon van de Mens' naar voren geschoven,
mensenzoon, mensenkind, kind van Adam/mens (Abel?). Tegelijk lijkt het erop
dat de mens uit 9,1 in confrontatie met dit verhaal opeens de trekken van Abraham
heeft, zelfs 'een zoon' heeft, en zo, bijbels gesproken, 'iemand' is 'die toekomst
heeft'. Ik vertrouw, Heer. En hij vereert Hem. Alsof hij gaat met het woord
dat hem toekomst geeft .
39 En Jezus zegt:
tot een oordeel ben Ik naar deze wereld gekomen
opdat wie niet zien zullen zien en de zienden blinden worden.
40 Die bij Hem zijn uit de farizeeën horen dat alles en ze zeggen Hem:
toch niet ook wij zijn blinden?
41 Jezus zegt hun:
Als jullie blind zijn, hebben jullie geen zonden,
maar nu jullie zeggen: 'Wij zien', blijft jullie zonde.
Wonderlijk simpele omkering. Wie niet
ziet zal gaan zien en zienden zullen blind worden. De farizeeën die dit
horen zeggen: wij zijn toch niet ook blind! En Hij? Nu jullie zeggen 'wij
zien', blijft jullie zonde.
Het is niet te veel gezegd dat het woord zonde niet primair een morele
betekenis heeft. Het is meer het gedrag van iemand die zich koest houdt met
het kinderliedje: blijf zitten waar je zit en verroer je niet, want er komt
iemand aan ...
home