6.1 Naar de overzijde van de zee.
Jezus op de berg met zijn leerlingen.
Pasen is nabij. De grote schare en het brood.

 

Ondanks een oogst van vijf hoofdstukken: het Evangelie van Johannes heeft nog niet zoveel verhalen verteld. Johannes zoekt het blijkbaar niet in de hoeveelheid ontmoetingen en incidenten. Hij is meer van de lange duur. Hij komt met meer uitgewerkte verhalen en neemt daar de tijd voor lijkt het wel, tijd voor het verhaal, tijd ook voor ons. In zekere zin is dat ook logisch. Leven is tijd.
Wat hebben we tot nu toe?

Bij de Jordaan staat Johannes bijna te wachten tot zijn hoge woord er uit kan, zijn getuigenis - zijn 'ik sta erbij en ik kijk ernaar'. Johannes poneert zijn getuigenis wanneer Joden uit Jerusalem priesters en levieten uit Jerusalem sturen. De volgende dag zie hij Jezus naar hem toekomen en Johannes wijst bijna als vanzelf de twee van zijn leerlingen die bij hem staan, op het lam Gods. Dat lam zal het kwaad van de wereld - of het kwaad dat de wereld is, - dragen. Let wel. Hier staat hetzelfde werkwoord als in 5,8.11. De strekking zou kunnen zijn: 'Als je zo met elkaar omgaat! Moet je zien wat ervan komt!' (Volg Pilatus in zijn theater van de onschuld, 19,5!)

Daartoe aangespoord gaan die twee leerlingen van Johannes achter Jezus aan om bij Hem te blijven. Die leerlingen vinden op hun beurt leerlingen, in het eerste hoofdstuk tot en met Nathanael. Met de boeken in zijn handen komt Nathanael, wellicht stotterend, woorden te kort.

Kana, Kapernaum, Jerusalem, de Tempel, het Huis van de Vader. De leerlingen horen in het huis van Mijn Vader hun eerste notoire taak: zij zullen zich herinneren. Dat 'bij de tijd blijven' door zich te herinneren - het woord zich herinneren wordt niet genoemd, maar de tekst lijkt daarop gebaseerd - speelt wellicht ook voortdurend een ernstig te nemen rol in het gesprek in de Paasnacht met Nicodemus?

Daarna brengt Johannes wie hem volgt naar het hoge ogen gooiend gesprek in Ainoon en Salim. De aanleiding blijkt een discussie te zijn over de reiniging, met de vriend van de bruidegom. Reiniging brengt je door de zeldzaamheid van het woord als vanzelf spoorslags naar de zes stenen kruiken met water in Kana en herinnert daarmee ook naar de doop in de Jordaan. Daarmee toegerust lijken we voorbereid te zijn voor het volgende verhaal, het gesprek bij de bron en de vrouw uit Samaria. Over het water zal dat gaan. Van water dat je moet putten wil je te drinken hebben, naar het water dat 'Hij die met je spreekt' je geeft en dat in je binnenste opspringt tot levend water. Dit verhaal zoekt een crescendo bij de hoofdman die opklimt naar Kana omwille van zijn doodzieke zoon in Kapernaum. De tekst geeft overigens niet 'een hoofdman'. De tekst noemt hem tis basilikos, iemand koninklijk. Diens Zoon zal leven, dank zij het vertrouwen van Zijn Vader.

Daarop volgt in de logica van Johannes blijkbaar als vanzelf het verhaal over iemand mens in Jerusalem. Het is een zieke mens, iemand die bij de vijver bij de schaapspoort niet verder komt of kan, en die straks, na de interventie van Jezus en zijn gehoorgeven aan, zal wandelen met het bed dat hem draagt. Maar het wordt ook een genezingsverhaal dat bijna direct, als ware dat vanzelfsprekend en natuurnoodzakelijk, gevolgd wordt door de veroordeling ter dood (5,18). Alsof in die samenhang een spoor van redelijkheid te vinden is.

Het zijn nog te weinig verhalen lijkt het om er toe te doen. Het is alsof er een zekere haast achter zit nu dat ene zeldzaam verhaal komt dat zich naast Kana en Kapernaum in Galilea gaat afspelen.
Aan de overkant! Al die mensen! Ze zullen toch ook moeten eten! Dat ligt voor de hand in de eenzaamheid, in de woestijn. De natuur wil daar geen bron voor 'brood is leven' te zijn. Welke stukken wil Johannes nu op het bord zetten om daarna met Jezus definitief naar Jerusalem te vertrekken. Te beginnen met de laatste oogst, het Loofhuttenfeest, en ook nog een puntje voor het Winterfeest zullen we dan uiteindelijk naar het derde en laatste Paasfeest van Johannes te gaan.

6.1 Brood, koning. 6,1-15.
Na dit alles. Een nieuw verhaal schuift zich tussen het voorafgaande 'in Jerusalem' en het volgende, weer 'in Jerusalem'. Jezus gaat weg naar de overzijde. Een verhaal van de overzijde komt daarmee ook naar ons toe. Je kunt dat tekstgedeelte eenvoudig geografisch verstaan. Maar bij overzijde zou je ook kunnen denken: dat wat nu volgt ligt niet in het verlengde van hier en nu. Het is zelfs nog sterker! Peran 'aan de overzijde' citeert ook 1,28, een plaats die nog meer nadruk krijgt door de herhalende verwijzing in 3,26. Hoofdstuk 6 zal die overzijde sterk benadrukken: 6, 1.17.22.25.

Omwille van de tekenen volgt hem een grote menigte. Het verhaal zal nog terugkomen op dat zien van de tekenen. Tegelijk wordt (wellicht ook voortbordurend op het werk van de synoptici) ook aangegeven, dat we 'te zien' zullen krijgen.

Als Mozes - dé leraar - gaat Jezus de berg op. Hij gaat zitten te midden van Zijn leerlingen. Als Hij gaat zitten te midden van de leerlingen, kun je weten: het onderricht gaat beginnen. Alles is gereed voor De Leraar en Zijn Leerlingen.

Wat Johannes ons nu over zijn Jezus (Wiens leerling, volgeling, hij is) gaat vertellen, over Diens 'vlees' en 'bloed', die les,dat onderricht, zal nu verbonden worden met Pasen (4).
Als Hij zijn ogen opslaat (5)' vermoeden we al de situatie die ons zo vertrouwd is gegeven de verhalen over Het Laatste Avondmaal die de synoptici ons geven. Maar het staat er anders. Er staat niet dat hij zijn ogen opslaat naar de Vader. Het is meer alsof hij inkeert, opziet en ademhaalt en rond zich heen kijkt. Hij ziet al die mensen naar Hem toe komen. Wat moet Hij nu? Wie is Hij voor hen? Wie of wat kan Hij voor hen zijn? Waar denkt hij volgens Johannes aan?

Het is bijna onthutsend, zo nuchter en praktisch. Zoals bij de Samaritaanse vrouw de vraag eenvoudig klinkt: Geef mij te drinken (4,7) zo horen we nu de voor de hand liggende vraag: waarvandaan zullen we brood kopen? Dat is de openingszet. De vraag gaat naar Filippus, om hem te toetsen, let wel 'tot klinken te brengen'.

Filippus, zo hoorden we hem tegenover Nathanael (1,45), weet van Mozes en de Profeten. En wanneer Nathanael daar aan het begin nog aarzelt en zich niet gewonnen lijkt te geven, zegt Filippus: Kom en zie (46). (Hetzelfde ide, zie leidt in 1,29 en 36 tot het lam Gods.)
Gaan we in op zijn uitnodiging en gaan we mee, het verhaal in. Om te zien.

We horen, weer nuchter en pragmatisch, dat er veel volk is. Maar 200 denariën, blijkbaar een grote som geld, is voor zoveel mensen niet voldoende. Er is dus echt een massa volk aanwezig. Andreas en Simon, ook getuigen van het eerste uur (1,41) hebben wel een 'noodoplossing', maar dat lost de nood niet op. Een handje vol broodjes en twee visjes is hier ook 'niet alles'. Kortom: de situatie is duidelijk een van overmacht. En goede raad is duur. En Jezus speelt bijna dat Hij niet weet wat Hij te doen heeft.

Het is dicht bij Pesach, het feest van de Joden. Jezus gaat de berg op v.3. In v. 15 zal hij uitwijken, alleen, naar de berg. En dat allemaal terwijl Pasen nabij is, het feest van de Joden. Pasen, het feest van vrijheid en bevrijding. Bijna onwillekeurig denk je aan Mattheüs 5 waar Jezus de menigte ziet en de berg op gaat, de leerlingen naar hem toekomen en hij begint te leren over het koningschap van de hemelen. En wij zijn ook vertrouwd met Mattheüs 3,2 nabij is het koningschap van de hemelen. En we hoorden Nathanael een serie namen noemen die uitloopt op Jij … koning van Israël. Levinas schrijft in een van zijn Talmoed lessen dat het de eerste taak van de koning is, ervoor te zorgen dat 'zijn mensen' te eten hebben.

Jezus gaat de berg op, in v.3 en v.15 met het bepalend lidwoord. Hij gaat daar (als een leraar) zitten te midden van zijn leerlingen... Jezus opgang, zijn opgaande beweging, maakt die berg tot de berg, minder een geografisch dan een theologisch hoogtepunt. Volgens alle regelen die bij die berg (Mt 5,1-2) horen zouden wij nu verwachten dat Jezus zijn mond opent en begint te spreken. Maar het tegendeel is waar.
Misschien omdat Pasen het feest van de Joden nabij is wordt nu de vraag gesteld 'vanwaar zullen wij broden kopen'? In het Grieks van Johannes wordt niet gevraagd hoe zullen we broden kopen, maar bij Johannes luidt de vraag 'vanwaar' zullen wij kopen.
Johannes gebruikt dat intrigerende woord 'vanwaar'.
Johannes zegt er ook nog bij dat Jezus dit zegt om hen op de proef te stellen.
Door de vraag zo te stellen vraagt Jezus zijn leerlingen niet of er een bakker in de buurt te vinden is.

Jezus zetelt zoals een leraar zetelt. Hij stelt die vraag om zijn leerlingen iets te leren, zeker nu Pasen, het feest van de Joden nabij is, en zeker als Jezus zich naar de overkant begeven heeft, de grenzen van het veelbelovende land te buiten gegaan.
Nog eenmaal in de woestijn, dat gebied van beproeving, dat gebied waar het volk heeft moeten en mogen leren, dat zij niet enkel leven van brood alleen, maar van alle Woord dat uitgaat uit de mond van God. Alle Woord. Als we zo over de tocht door de woestijn mogen peinzen, als we gaan leren er zo over na te denken, hoe gaat dan dit wonderlijke woord van Jezus klinken: 'vanwaar'? Hoe worden onze blikken en onze harten naar de hemel gericht, en hoe kan zo gepreludeerd worden op brood uit de hemel … (over) onze tocht tezamen … de gezamenlijkheid van het volk, in eendracht gericht op de verwerkelijking van Gods beloften?

De suggesties van Filippus en Andreas bieden niet veel ruimte, maar dat is zo te zien geen probleem. Laat de mensen gaan zitten. Er is daar veel gras, zoals er ook veel menige is. Hij leidt hen naar grazige weiden, Psalm 23. Ook in die psalm is er de duisternis van de dood uiteindelijk geen overval. Het lijkt erop dat we met een reguliere maaltijd te doen hebben. De vader spreekt de zegenbede uit en deelt uit, de broden en de visjes. Hij dankt, hij deelt uit. Niemand reageert. Er gebeurt niets uitzonderlijks. Alleen, wanneer iedereen klaar is moeten ze wat over is verzamelen. Niets mag verloren gaan - zoals niemand van hen die de vader Mij gegeven heeft verloren mag gaan (10,28).
Twaalf korven brood, mogelijk ook een aanduiding voor het volk dat uitverkoren wordt voor het meer dan brood alleen dat komende is.

De mensen zien het teken, ze herkennen de profeet. Maar Jezus weet dat ze willen komen. Ze zullen hem willen pakken om hem koning maken, broodkoning. Maar niemand kan Hem roven uit de hand van de vader (10,29). En koning zullen ze Hem maken, maar dan aan het kruis. Hij wijkt uit, alleen, gaat de berg op.

6.2. Over de zee. 6,16-21
Als Jezus zich teruggetrokken heeft, de berg op, zijn er nog het volk en de leerlingen. Het is intussen laat geworden. De leerlingen nemen een besluit, of, ze doen wat voor hen voor de hand liggend is. Ze zoeken hun bootje op en gaan naar de overkant , naar Kapernaum - naar die plaats waar de zoon van iemand koninklijk ernstig, ten dode toe, ziek was. Jezus is in dit verhaal nu, nog niet naar hen toe gekomen. Hij moet dus nog komen. Hoe komt hij dan? Dat zal blijken niet eenvoudig te zijn.

Terwijl zij oversteken wordt het helemaal donker en het begint te stormen. Nee: een grote storm wordt opgewekt. Jezus loopt over de zee. Zij zien Hem. Zien en herkennen Hem. Ze vrezen. Maar Hij zegt dat dat niet hoeft. Hij is het.
Ze willen Hem aan boord nemen. Daarop krijgen zij als het ware terstond vaste grond onder hun voeten. De grond waar ze naar op weg waren. Het is hun bereidheid. Hij is het en zij nemen hem aan boord en dan zijn ze 'thuis'.

6.3. De volgende dag,
de menigte en het brood uit de hemel. 6, 22-40.

Opnieuw worden de stukken op het bord gezet. Nu is de menigte is aan zet. Er is geen ander bootje is geweest, zien ze. En ze zien of hebben ook gezien, dat Jezus niet met Zijn leerlingen is overgestoken. Dan zijn er nog die andere bootjes uit Tiberias. Er wordt zorgvuldig gekeken, lijkt het. En we horen verkort, ook nog even het essentiële verhaal over het delen van het brood voor al die mensen, toen Hij de zegenbede uitsprak. Ze gaan de bootjes in, naar Kapernaum, om Hem te zoeken. Wat moeten of willen ze met Hem? Rabbi noemen ze hem. Leraar. Alsof ze willen dat de eerder begonnen les verder gaat. Wanneer ben jij hierheen gekomen?
Jezus antwoordt met grote nadruk. Amen, amen. Anders gezegd: waar en betrouwbaar is het. De tekst vertelt niet meer over iets dat gebeurt. Jezus zegt (6,35.59). Zijn woorden zullen gaan klinken alsof het er op aan komt, alsof je anders of echt naar Hem moet luisteren.

Zij hebben de tekenen gezien maar het brood en de visjes zien zij niet als een teken. Ze willen aan het zien voorbij. Ze willen Hem want Hij heeft hun hónger gestild. Maar voor dat de honger stillende brood is Jezus niet. Dat is al in 4,34 aan de orde. Zijn de eerste honger stillende brood, dat wat Hem voedt, is de wil van de vader doen. Dat voedsel, de wil van de Vader doen, is voor Hem het voedsel dat je naar eeuwig leven voert.

Het echte brood uit de hemel heeft twee kenmerken: het daalt uit de hemel en het geeft eeuwig leven. Deze twee gegevens kernmerken bij Johannes ook Jezus. Weer noemt Jezus zich de zoon van de mens. Brood, het manna in de woestijn, en alles wat uitgaat uit de mond van de Heer verwijst sinds Deuteronomium 8,3 naar elkaar. Maar het lijkt erop dat de menigte niet verder wil of kan dan brood dat de honger stilt. In 4,13-14 zien we hetzelfde naar aanleiding van het water. Nu gaat het over het brood dat de Zoon van de mens zal geven.

Wat moeten we doen om de werken van God te doen? Het wordt steeds meer de vraag in het eerste deel van het Johannes-evangelie. Zij stellen de vraag die er volgens de tekst toe doet. Wat moeten we doen om Gods werken (meervoud) te doen? Daarop antwoord Jezus. Gods werk, nu toegespitst in het enkelvoud, is: in vertrouwen gaan naar wie Hij stuurt. Daarop vragen zij Hem: wat voor teken doe je opdat wij zien en jou vertrouwen? Wat doe je? Vraag en antwoord lijken hier duidelijk te zijn, zeker wanneer je nu al denkt over Gods Woord, Gods spreken, Gods gave, degene die Hij stuurt. Een sterke zin: want het brood van God is Degene die neerdaalt uit de hemel en leven geeft aan de wereld.

Ze begrijpen het wel en ze begrijpen het niet. De menigte is eerder in het hoofdstuk getuige van Jezus die de zegenbede over het brood uitspreekt en het uitdeelt, zo gaan zij spreken over de vaderen in de woestijn, alsof dat voor hen een spiegel of een referentieruimte is, een mogelijkheid om het te begrijpen. Onze vaderen eten het manna dat hij hen te eten geeft.

Let wel: hij geeft. Wie is hier onderwerp? De tekst lijkt ervan uit te gaan dat zij Mozes bedoelen, want tot hen zegt Jezus nu: Niet Mozes.
We zouden ook terug kunnen gaan naar 1,17. Daar leest de tekst hoe Johannes het uiteindelijk 'ziet': De Torah is door Mozes gegeven geworden. Het werkwoord is hier passief. Een theologisch passief. Door de passieve vorm hoef je de Naam van God niet te noemen.
De tekst zegt op zijn manier: God geeft door Mozes! Dat is de voorzin. Daarna volgt: genegenheid en waarheid, Gods is ons genegen. Dat doet Hij, actief. Wat God doet als daad van genegenheid en trouw geschiedt door Jezus Christus.
Niet Mozes geeft jullie het brood uit de hemel, maar Mijn Vader geeft jullie het brood dat, waarachtig uit de hemel komt. Want Gods brood is Hij die neerdaalt uit de hemel en Die aan de wereld leven geeft.
Let wel: niet 'God geeft', maar 'Mijn Vader geeft'. Hier vinden we geen herhaling van de discussie uit 5,17vv. Gods brood is Hij die neerdaalt. Ik (JE) heb de indruk dat commentaren aan die scherp geprofileerde zin weinig aandacht besteden.

In de tekst is wat nu volgt wonderlijk. Ik zou vermoeden dat de problemen weer gaan beginnen, maar daar is geen sprake van: Heer, geef ons altijd dat brood! (34). Zij vragen: geef ons.
Jezus, Zijn naam staat in de tekst uitgeschreven. Hij zegt: Ik ben. De aanspraak en toezegging uit Exodus 3,14 als antwoord op de vraag: de God van onze Vaderen - wie is dat? Het is de eerste keer dat Johannes dit inzet. De eerste van de zeven keer. God is het levende brood, of het brood dat leven is. De tekst geeft aanleiding te zoeken naar wat brood vermag, waar brood voor staat en wat brood eigenlijk be-teken-t. Brood dat leven is. Leven wil Hij geven, opstaan op de jongste dag (39).
Wie naar Mij komt zal geen honger hebben, wie in vertrouwen naar Mij toe komt zal nooit meer dorst hebben. Zoals ik jullie al gezegd heb: jullie zien mij en jullie hebben geen vertrouwen.


Doen opstaan op de laatste dag (39.40) houdt bijeen: de wil van de vader is het dat ieder die De Zoon ziet en Hem vertrouwen geeft, eeuwig zal leven. Opstaan en eeuwig leven, volop, naar de maat van God. De mens leeft van dag tot dag, maar God leeft voor Mijn tijd en na Mijn tijd. Hij is eeuwig.

 

6.4. Het brood dat uit de Hemel neerdaalt - de Joden - 6,41-59.

In de tekst verandert onaangekondigd, het onderwerp van 'de menigte' (22.24) naar 'de Joden' (41). Bij Johannes zijn 'de Joden' vaak de 'mannen van gezag uit Jerusalem' (zoals wij een beetje geringschattend kunnen spreken over 'de Nederlanders!' Daarmee worden wij geen anti-Nederlanders). Deze lieden brengen in, dat zij over Jezus met betrekking tot Zijn heden en verleden alles weten. 'We kennen toch Zijn vader en moeder.' Hun protest noemt de tekst mopperen. Hetzelfde woord wordt in de woestijn gebruikt wanneer zij mopperen, morren tegen Mozes. Uit de Hemel, zoals het manna! Daar kan hier geen sprake van zijn, zeggen zij. Hoe kan Hij dat zeggen! Dat is meer een uitroep dan een vraag.

Geloof is nooit iets wat Ik opbreng. Geloof is om te beginnen niet 'ik ga ervoor'. Geloven, beter vertrouwen, is in de joodse en christelijke bijbel altijd een gave, heden en toezegging, toekomst. Het is de Vader die geeft. Hij trekt. Tegenwoordige tijd. Altijd nieuw, actueel. Niet God 'heeft' gesproken maar 'Hij spreekt'. Hij geeft het onderricht. (Het gebruik van de tijden in onze bijbelvertalingen wekt de indruk dat alles zich in de verleden tijd afspeelt. Een rabbijnse regel zegt: in de Torah is geen eerder of later.)

Geloven doe je altijd in de tegenwoordige tijd, zoals horen, zien, spreken. Zie Jesaja 54,13.
Gods gave gaat verder dan het manna in de woestijn.

Het manna in de woestijn is niet de bevrijding. Bevrijding is wat de Vader geeft. Het eten van het manna in de woestijn zal nu het eten worden van het brood dat uit de Hemel neerdaalt. Denk ook aan Amos 8,11: Honger zal Ik op aarde werpen, geen honger naar brood, en geen dorst naar water, maar om naar de woorden van de Heer te horen. Het brood is woord en spreken. Het is Hij. Hij geeft Zijn vlees voor het leven van de wereld. Eeuwig leven.

Wellicht ten overvloede maar misschien toch nog eens het volgende.
In zinnen als "Ik ben het brood dat uit de Hemel neerdaalt" moet je wellicht niet te snel lezen dat Jezus zegt: 'Ik ben A', waarbij 'A' dan het zogenoemde naamwoordelijk deel van het gezegde is, in dit geval 'het'brood dat uit de hemel neerdaalt'. Vast staat dat Ik ben eigenlijk altijd verwijst naar Exodus 3,14. Daar, in de Torah, spreekt God zich uit over zichzelf na "dé vraag van Mozes" die hem in beweging zal gaan zetten.
Mozes zegt in Exodus 3,13 tegen God: Wanneer ik bij de kinderen van Israel kom en hun zeg: de God van jullie vaderen heeft mij naar jullie gestuurd, en zij vragen mij: 'Hoe is zijn naam?', - wat moet Ik hen dan antwoorden? Want ieder mens begrijpt wel: Gisteren slaaf! Vandaag slaaf! En morgen slaaf! En wie is die God dan? Wat stelt Hij eigenlijk voor? Wat merken we als slaven daar dan van?
Daarop legt God Zijn naam uit. Ik ben die Ik ben, of Ik zal zijn die Ik zal zijn. Wie Ik ben, dat zul je merken in wat er met jóu gebeuren gaat. In Ik ben doet de tekst van Johannes als het ware 'een beroep' op De Naam van God, met inbegrip van de uitleg van die naam die daar gegeven wordt.

(Denk aan: Uw Naam worde geheiligd: Moge U of Jij God geheiligd worden. Heiligen, onderscheiden, onderkennen, om tot Zijn recht te laten komen - een compleet programma!
Maar ook een bede: Heilig Heer, Uw Naam, wees er, ook voor ons en onze wereld! Laat merken dat U er ook nog bent.)

Ik ben de weg, de waarheid en het leven betekent derhalve zoiets als: God, Hij die ons uit het slavenhuis bevrijdt, Hij is de weg (die naar het leven in vrijheid en bevrijding voert). Hij is waarheid, dat wil zeggen: Hij is een weldaad, een daad van genegenheid, want Hij houdt eindeloos van ons. Zo is Hij ons Leven. Hij is voor ons vlees en bloed, brood en wijn als teken van een leeven, een verbinding en eenheid die nooit vergaat (want Hij is trouw en zal nooit vergeten). "Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in Hem."
Merk hier ook het woord blijven op. De leerlingen van Johannes zoeken in 1,39 waar verblijft Jij? Verderop zal Jezus zeggen: "In het huis van Mijn Vader zijn vele (plaatsen om te) verblijven (14,2). Verblijven bij Johannes gaat over 'duurzaamheid', over 'wat duurzaam is, en voortduurt'.

Wie van dit brood eet zal eeuwig leven. Dat is de les in Kapernaum.

 

6.5. De leerlingen. 6,60-66.

60 Velen uit zijn leerlingen die Hem horen, zeggen:
dit woord is hard, wie kan Hem horen!
61 Jezus weet bij Zichzelf dat zijn leerlingen hierover mopperen.
Hij zegt hun: Ergert dit jullie?
62 Wat wanneer jullie de Zoon van de Mens zien opgaan naar waar Hij eerder was?
63 De geest maakt levend; het vlees helpt niets.
De woorden die Ik jullie zeg zijn geest en waarheid.
64 Maar sommigen uit jullie hebben geen vertrouwen.
Want Jezus weet van begin af aan
dat sommigen geen vertrouwen hebben
en wie het is die Hem zal overleveren.
65 En Hij zegt:
daarom zeg Ik dat niemand naar Mij toe kan komen
wanneer het hem niet gegeven is vanuit de Vader.
Daarom gaan veel van zijn leerlingen weg naar achteren
en zij trekken niet meer met Hem rond.


Na de menigte (6,2.22) is er de leerstrijd met de Joden (6,41). Daarna komen nu in 6,60 de leerlingen, gevolgd door de twaalf (6,66). En wellicht mag je doorlezen. In 7,3 komen zijn broers.
De kring wordt steeds kleiner. Daarom lijkt het erop dat Hij, als Hij in 7,37 (op de dag die de laatste, de grootste dag van het feest wordt genoemd) gaat staan, dat Hij dan alleen staat. Daarbij kan de lezer dan ook denken aan Jezus in het gerechtsgebouw (18,28.33), voor Pilatus.

Voor velen van Zijn leerlingen is dit woord hard. Hij weet dat ze mopperen. Dit woord brengt de actualiteit van het boek Exodus naar voren. Zoals ze tegen Mozes (5,45.46; 6,32; 7,19.22.23; 9,28.29) tekeer gaan! En Hij brengt in wat inderdaad de grote ergernis zal gaan worden, "wanneer jullie de Zoon van de Mens zien opgaan naar waar Hij eerder was". De Geest maakt levend, het vlees helpt niets. Zie 3,6. Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest. Geest, verbondenheid, en daden van genegenheid, 'God in actie' als Waarheid die verbindt. Maar als je dat niet ziet, als dat je niet meeneemt, het verhaal in!
Jezus weet dat somigen geen vertrouwen hebben, Zij willen/kunnen/zullen niet horen (zie ook 9,27). Niet enkel toen. Dit geldt zeker ook voor de actualiteit van het heden, het hier en nu.
Niet vertrouwen. Overleveren. In het enkelvoud. Wie Hem overlevert is 'in het enkelvoud'. De lezer kan meelezen. Je kunt alleen naar Mij komen wanneer de Vader geeft. Het is de vraag of je dit toelaat. Zij, die leerlingen, trekken niet meer met Hem rond.

 

6.6. De twaalf. 6,67-71.

67 Daarop zegt Jezus tegen de twaalf:
Toch niet ook jullie willen weggaan?
68 Simon Petrus antwoordt Hem:
Heer, naar wie zullen wij weggaan!
Woorden van eeuwig leven heb Jij,
en wij vertrouwen en weten dat Jij de heilige van God bent.
70 Jezus antwoordt hen: heb niet Ik jullie twaalf uitgekozen?
En uit jullie is er een duivel.
71 Dat zegt Hij van Juda van Simon Iskariot,
want die zal Hem overleveren als één van de twaalf.

Na de leerlingen noemt de tekst de twaalf. Tot nu toe is die naam nog niet door Johannes genoemd. (Thyen377. Thyen wijst er ook op, dat hier nu Petrus naar voren komt, In 6,5 en 8 zijn het Filippus en Andreas die acteren. Daar eindigt het verhaal met de twaalf korven die over blijven. Niets daarvan mag verloren gaan!). Nu horen we: "Toch niet ook jullie!"
Petrus, en dat zal van nu af aan vaker gebeuren, treedt op als dé leerling. Hij representeert de leerlingen. Maar let op. Er staat niet: Jezus antwoordt Petrus. Jezus antwoordt hen. En Petrus noemt Jezus: "de heilige van God". Alleen hier vinden we die uitdrukking. Met die woorden sluit hij nauw aan bij de woorden van Marta (in 11,27) of bij Thomas (20,28). Het antwoord van Jezus wijst op de grondslag. Hij is degene die de twaalf uitgekozen heeft. Maar dat is niet het einde van het verhaal. Immers: één van jullie! En ook dan is het verhaal nog steeds niet verteld, niet uitgespeeld. Want als begin van de overlevering noemt de tekst Juda. Wellicht mogen we hier ook weten Juda in Genesis degene is die later ook Israel genoemd wordt. De tekst voegt nu aan die naam Simon toe. Simon staat dicht bij Juda, ook wanneer die naam nader uitgelicht wordt met Iskariot. De duivel is niet degene die ervoor zorgt dat de anderen vrijuit gaan. Juda/Judas wordt veelzeggend (bijna) altijd genoemd een uit de twaalf. Zijn schuld is ahw inclusief. Een van de twaalf.

Johannes 7

7.1. In Galilea. Loofhuttenfeest. De broers/ Zijn opgaan. Waar is Hij? 7,1-13.

7,1 En na dit alles trekt Jezus rond in Galilea
want Hij wil niet rondtrekken in Judea omdat de Joden Hem zoeken te doden.
2 En dichtbij is het feest van de Joden, Skènopègia.
3 Zijn broers nu zeggen tegen Hem:
Ga weg van hier en trek op naar Judea
opdat ook je leerlingen Jouw werken zullen zien die je doet.
4 Want niemand doet iets in het verborgene terwijl hij zoekt in het openbaar zijn.
Als jij dergelijke dingen doet, laat jezelf dan zien aan de wereld!
5 Want zijn broers hebben geen vertrouwen in Hem.
6 Daarop zegt Jezus hun:
'Mijn tijd is nog niet gekomen, maar jullie tijd is altijd geschikt.
7 De wereld kan jullie niet haten maar Mij haat ze,
want Ik getuig omtrent haar dat haar werken slecht zijn.
8 Trekken jullie op naar het feest.
Ik trek niet op naar dit feest
want mijn tijd is nog niet vervuld'.
9 Dit alles zegt Hij en Hij blijft in Galilea.

10 Als Zijn broers opgaan naar het feest gaat ook Hij op,
niet openlijk, maar in het verborgene.
11 De Joden nu zoeken Hem op het feest en zeggen:
Waar is Hij?
12 En er is een gemompel over Hem in de menigte.
Sommigen zeggen: Hij is goed.
Anderen zeggen: Nee, maar Hij misleidt de menigte.
13 Maar niemand spreekt openlijk over Hem uit vrees voor de Joden.

Na dit alles. Twee woorden in het Grieks vatten heel het voorafgaande onder een noemer. Nu komt een ander, zelfs een heel ander getoonzet verhaal. Deze eerste dertien regels zijn nu zoiets als een inleiding, samengevat onder het Griekse tauta. Na tauta (7,1) na dit alles, zien we hetzelfde tauta in 7,9, alsof daarmee een passage begint en eindigt.

Alsof dat in het Evangelie volgens Johannes gewoon is, na dit alles trekt Jezus rond door Galilea. Dat wisten we toch al. Nee dat weten we niet. In het Evangelie van Johannes verblijft Jezus in de regel in Jerusalem en omgeving. Galilea is een plaats waar je kunt ontkomen aan Jerusalem en alles wat daar drukt. Dat zegt het zevende hoofdstuk dan ook onmiddellijk na de aanhef. ...in Galilea horen we want en omdat. Judea, het land van de Judeeërs is een dreigend land geworden. Daar zoeken ze Hem te doden.

De volgende regel geeft een bepaling van tijd die in het zogenoemde Nieuwe Testament uniek is. Alleen in Johannes 7,2 vinden we het Loofhuttenfeest - maar dat woord in de gangbae vertalingen noemt de Griekse tekst skènopègia. Doet dat ertoe, dat Griekse woord? Ja, dat doet er zeker toe. Skènopègia geeft acoustische ruimte, resonantie. Je hoort nu immers skènè, tent, en pègia van pegnumi, bouwen, oprichten. Wat wij met 'loofhuttenfeest' bedoelen en noemen, heet bij Johannesds het oprichten van de Tent. Johannes heeft daar al eerder over geschreven. In 1,14 vinden we eskènoosen, alsof tenten een werkwoord is, 'in tenten wonen'. En wij weten wat er met dat woord de tent in ons (midden) gebeurt. Zie eventueel 2,19.

Tijdens het Loofhuttenfeest (Leviticus 30,39-44; Zacharja 14,16-19, en wellicht ook 1Koningen 8,2; Nehemia 8,14-19), het enige Joodse feest dat volgens de Joodse traditie 'voor Israel en de volkeren is' (Israel brengt tijdens dit feest in de Tempel offers namens de volkeren) zeggen de broers tegen Jezus. Het Feest van het oprichten van de Tent is naar nu blijkt, voor Hohannes ook het feest van de broederschap, van de nabijheid als broers. Wie zijn die broers? Wie zal het zeggen? Maar hoe dan ook: de tekst noemt hen hier en nu, tijdens het oprichten van de Tent broers.
Op dit laatste feest, het feest van Israel en de volkeren, wanneer de verzoening gevierd wordt, zeggen de broers, (na de leerlingen en de twaalf de meest nabij kring rond Jezus,) dat Hij naar Judea moet gaan. Dan kunnen zijn leerlingen zien wat je doet.
Die broers blijken te vooronderstellen dat Hij zo nodig openbaar wil zijn. Zij vinden: als je dat zo nodig wil, dan moet je je aan de wereld laten zien. En de wereld hier - dan is Jerusalem de plaats to be. Mokum, min-kum, erg letterlijk vertaald 'van waar je opstaat'. We zullen verderop horen dat Hij gaat staan.

De broers hebben wat de tekst noemt geen vertrouwen in Hem'. Daarop zegt Jezus, wellicht raadselachtig voor hen: jullie tijd is alle tijd. Mijn tijd is nog niet gekomen. Het wordt dus afwachten. Wellicht wel afwachten tot 20,17 (mijn vader en jullie vader).
Hun tijd is alle tijd. Zijn tijd is nog niet gekomen (zie 2,4).
Hun wereld is de wereld. Zie 1,10, de wereld die Hem niet kent. Zie 15,18v.
Zij gaan op naar het feest. Hij gaat niet op naar het feest. De tekst moet hier zeer exact genomen worden. Want zo aanstonds gaat Jezus wel op, maar dan gaat Hij op naar het feest. Vooralsnog noteert Johannes uitdrukkelijk dat Hij in Galilea blijft. Het is ook de laatste keer dat Johannes noteert: Jezus is of verblijft in Galilea.

De broers gaan op naar het feest. Wanneer Hij dan ook opgaat, gaat hij niet 'naar het feest', maar naar de Tempel. Doet die nuancering er toe? Niet openlijk, maar in het verborgene. Dat betekent precies een onderstreping van het verschil. En in het verborgene betekent in ieder geval ook, dat er iets te zoeken valt. En wel degene over Wie het verhaal precies gaat: over Hem. De Joden zoeken Hem, niet openlijk maar in het verborgene. Ook van det zoeken blijkt niemand te (mogen of willen) weten.

Waar is Hij. Niet openlijk maar in het verborgene. Er is angst. Maar de meningen spreken voor zich: Hij is goed tegenover Hij misleidt. En dat alles in het geheim uit vrees voor de Joden. "Vrees" heerst.

 

7.2. In de tempel. Zijn leren. Mozes en de Torah.
Het oordeel en de norm. 7,14-24.

14 Terwijl het al het midden van het feest is
trekt Jezus op naar de tempel en Hij leert.
15 De Joden nu verwonderen zich.
Ze zeggen: hoe kent Hij de Schriften terwijl Hij niet geleerd heeft!
16 Jezus antwoordt hun en zegt:
Mijn leer is niet van Mij maar van Degene die Mij zendt.
17 Wanneer iemand Diens wil doet,
zal hij omtrent de leer kennen
of zij uit God is, of dat Ik uit Mijzelf spreek.
18 Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer/gewicht.
Maar wie de eer zoekt van Degene die hem zendt,
Hij is waar(achtig) en in hem is geen onrecht.
19 Heeft niet Mozes jullie de Torah gegeven?
Maar niemand van jullie doet de Torah.
Wat zoeken jullie Mij te doden!
20 De menigte antwoordt: Je hebt een demon.
Wie zoekt jou te doden?
21 Jezus antwoordt en zegt hun:
één werk heb Ik gedaan en jullie verwonderen je allen.
22 Mozes heeft jullie de besnijdenis gegeven,
niet dat zij uit Mozes is. Zij is uit de vaderen.
En jullie besnijden een mens op sabbat.
23 Maar wanneer een mens een besnijdenis ontvangt op sabbat
om de Torah van Mozes niet te schenden,
hoe kunnen jullie dan op Mij kwaad zijn
omdat Ik op sabbat een mens gezond maak!
24 Oordeel niet op 'zicht', maar oordeel het rechtvaardige oordeel.

In het midden van het feest. Hoe dan ook: we komen in de buurt van wat kennelijk een centrum is, iets dat in het midden de doorslag geeft, iets dat er geheel en al toe doet.
In het midden van het feest trekt Jezus op naar het feest en Hij leert. Het einde van deze volzin vertelt dat Jezus niet naar de Tempel gaat om mensen te ontmoeten, of "wie weet" wat "er toe doet". Tijdens dit feestelijke gebeuren dat het voltooien van de oogst en het jaar viert - 'eind goed al goed', gaat Hij op naar het feest om te leren. De Torah is dus aan de orde!
Volgens Johannes reageert het volk daar met verwondering op. Wij, de lezers van vandaag, moeten wellicht proberen die verwondering - hoe ongearticuleerd die verwondering ook moge zijn - te delen. Want delen in die verwondering leidt vanzelf tot een vraag als: waarover zijn ze (eigenlijk) verwonderd? Want wat uiteindelijk zo aardig is: precies dat wil de tekst vertellen.

Volgens Johannes verwonderen zich over een kwestie die er in heel het Evangelie toe doet: hoe kent Hij de Schriften terwijl Hij niet geleerd heeft! In zijn antwoord neemt Jezus een eigenaardige (v)oorsprong. Die sprong is te nemen door een opmerkelijk Joodse argumentatie. Mijn leer is niet van Mij maar van Degene die Mij zendt.
Om te beginnen gaat het hier over het raadsel waar het in het Evangelie, ook onuitgesproken, voortdurend over gaat, namelijk: wat is de verhouding van Jezus tot Degene die Hij steeds Zijn Vader noemt? En 'hoe kan de toehoorder of lezer daar in komen?' Maar volgens de tekst is dit een vraag die je uitermate simpel kunt beantwoorden. Wanneer iemand Diens (nl. Gods) wil doet, dan zal hij omtrent de leer kennen of zij uit God is, of dat Ik uit Mijzelf spreek. Deze funderende en fundamentele uitspraak zal leiden tot 7,24 en 51. Wij zijn naar die regels op weg. Ze komen nog. Nu is eerst aan de orde: als je doet wat God wil, dan zul je omtrent het leren van Jezus weten of dit uit God is, of uit Hemzelf.

Het doen van Gods wil is de uiting en vertolking van een steeds persoonlijke relatie.
Spreek je 'namens jezelf', dat noemt de tekst 'onrechtvaardig'. Want dan zoek je je eigen belang, je eigen gewicht. Maar als je de eer zoekt van degene die jou zendt dan is je zoeken een vorm van eredienst, van waarheid als daad van genegenheid.
Als vanzelf leidt dit tot de Torah die Mozes jullie gegeven heeft. Maar jullie doen niet overeenkomstig de Torah, want waarom zoek je Hem te doden?

Een profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik ben, zal de Heer God jullie verwekken. Naar hem zullen jullie luisteren. Juist zoals jullie de Heer jullie God gevraagd hebben op de dag van jullie samenkomst, toen jullie zeiden: Ik wil niet langer naar de stem van de Heer mijn God horen en dit grote vuur niet langer zien, opdat ik niet zal sterven. Toen zei de Heer tot mij: het is God wat zij zeggen. Een profeet zal ik voor hem verwekken uit het midden van hun broeders zoals jij. Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen en hij zal alles tot hen zeggen wat ik hem gebied. ... (Deuteronomium 18,15-18). Een context die meeklinken mag. Zie eventueel ook hoe de tekst daar verder gaat.

De menigte vindt die opmerking eigenlijk een soort onzin. Zo praat een bezetene! Want wie is er naar op zoek? Blijkbaar is dat nog niet algemeen bekend. Alhoewel. Als je leest hoe de voorafgaande regels zich inhouden over 'Jezus al dan niet in Jerusalem', en dan vervolgens leest dat zij Hem te zoeken te doden! Dat schijnt nog steeds niet algemeen erkend te zijn. Maar de menigte lijkt nu nog niet te beseffen wat Johannes eerder schijft. Niet openlijk maar in het geheim spreken zij over Hem wanneer Hij opgaat naar de Tempel.

Dit leidt tot een principiële kwestie: Één werk heb Ik gedaan en jullie verwonderen je allen. Mozes heeft jullie de besnijdenis gegeven. Niet dat zij uit Mozes is. Zij is uit de vaderen. En jullie besnijden een mens op sabbat. En wanneer een mens een besnijdenis ontvangt op sabbat om de Torah van Mozes niet te schenden, hoe kunnen jullie dan op Mij kwaad zijn omdat Ik op sabbat een mens gezond maak!

Jezus stelt aan de orde dat "jullie" een mens op sjabbath besnijden. Niet dat Mozes dat "gegeven" dan wel "opgedragen" heeft of kan hebben. Die besnijdenis is "uit de vaderen". Maar Mozes heeft die besnijdenis gegeven, geboden. En dat doen jullie ook op sjabbath. Als jullie dat op sjabbath doen, hoe kun je Mij dan veroordelen wanneer ik op sjabbath een mens gezond maak?

Deze vraag leidt tot een kort kernachtige uitspraak die wellicht als een embleem boven heel het evangelie kan hangen. Merkwaardiger dt die zin zo belangrijk is. Want de zin is zo vanzelfsprekend dat ze niet opvalt. Bovendien: een schoolmeester zou vroeger die zin afkeuren als een "slechte zin". Oordeelt niet op zicht maar oordeelt het rechtvaardige oordeel. Wij leerden vroeger dan je herhalingen moet vermijden. Drie keer het woord oordelen/oordeel in zo'n korte zin - dat is volgens de schoolmeester geen goed Nederlands. Maar het is wel extreem goed en duidelijk bijbels. Want in een Bijbeltekst onderstreept de herhaling het belang van het betreffende woord. Dat woord doet er toe.
Voor ons is en in ieder geval voor de gangbare commentaren is
het in feite een eigenlijk vrij betekenisloze zin. Want het is voor ieder vanzelfsprekend dat je "rechtvaardig" moet oordelen. En eigenlijk iedereen weet dan ook wat een rechtvaardig oordeel is. Het is eerlijk, onpartijdig, houdt rekening met alles wat in het geding is, enz.
Dat is zo. Maar!

Zïe 7,24. Zou je in Bijbelse kringen iets kunnen zeggen over "een rechtvaardig oordeel"? Wat maakt een oordeel bijbels gesproken rechtvaardig? Is er in Bijbelse kringen een exclusieve norm waaraan je kunt meten of een oordeel rechtvaardig is?
Een buitenstaander kan dat niet weten. Maar in Bijbelse kringen kan dat geen probleem zijn. Een rechtvaardig oordeel is een "oordeel overeenkomstig de Torah." Daarmee wordt het drama in het Evangelie van Johannes getypeerd. Is het oordeel over Jezus een oordeel overeenkomstig de Torah?

In alles wat ik tot nu toe gelezen heb over het Johannes-evangelie: deze zin valt niets en niemand op. In de literatuur krijgt hij nergens ook maar een spoortje aandacht. Wellicht omdat de betekenis duidelijk lijkt. Maar binnen de context van her Johannes-evangelie is voor een "buitenstaander" die betekenis beslist niet duidelijk. Wanneer je niet weet wat de Torah in het Joodse leven van iedere dag betekent, en niet weet wat de Torah te zeggen heeft, gebiedt en aanbiedt, dan valt deze zin volledig in het niet. Dat is zelfs binnen dit hoofdstuk opvallend. En het ontgaat de literatuur over Johannes, dat Nicodemus - zijnde één van hen - daar in 7,51 nu precies op insisteert, daar het punt van maakt. Die opmerking van Nicodemus in Johannes 7 wordt in de literatuur zo goed als nooit geciteerd. Daar mag Nicodemus in feite alleen "in de nacht" (welke nacht? zie boven!) en in het verhaal over de kruisafname figureren.

 

Spiegelen - terugblikken vanuit Johannes 7,24.51
Zonder aanspraak op volledigheid, maar meer als leessporen.
Hoe kun je vanuit 7,24.51 het voorafgaande ook lezen - oogsten?

De kwestie "oordelen overeenkomstig de Torah" speelt op het feest van de laatste oogst, van het feest 'wij samen', het feest van de broederschap, en ook nog tijdens het midden van het feest. Deze concentratie op tijden zou kunnen leiden tot wat grafisch "het hoogtpunt" kan zijn.

1. Het Feest van het opbouwen van de tent (Skènopègia - vgl Johannes 2,13vv. "de eerste keer Pasen bij Johannes" dreigt in het evangelie het feest van het "afbreken van de tent" te worden - ook al is daar ook reeds sprake van wat volgens de "Joden" van de tekst, onmogelijke (2,20) is. Beslissend voor Johannes is de uiteindelijk simpele vraag: leef je al dan niet aan de hand van de Torah? Doe je al dan niet overeenkomstig de Torah, al dan niet overeenkomstig het "Spreken van God". 1,1. Zie zie ook de herinnering van de leerlingen in 2,17.22.
Over die Torah spreekt Johannes vanaf 1,1. In het begin is er het Spreken. God is in de Bijbel alfabetisch!

2. Waar verblijf je? vragen in 1,38 de twee leerlingen (het getuigenis van twee is betrouwbaar) van Johannes aan degene die zij Leraar gaan noemen. Waar houd je je op? Waar ben je mee bezig?
Het geheim van van die plaats kan wellicht opgespoord worden aan de hand van de introductie van Filippus die door Jezus op weg naar Galilea uitnodigd wordt met: "volg mij". Wie degene is die hier uiteindelijk uitnodigt kun je horen in de uitnodiging van Filippus aan Nathanael: Over wie Mozes geschreven heeft en de Profeten, Hem hebben wij gevonden. Mozes en de Profeten - de Torah! Waarom zegt hij dat tegen Nathanael? Omdat "zitten onder de vijgenboom" de toegewijde manier van spreken is over "bezig zijn met de Torah".
M.a.w. Zij zeggen tegen Nathanael: Waar jij over leest, wat jij studeert, waar je mee of van leeft, Hem hebben wij gevonden. Kom en zie! (Vgl Johannes 9!)
3. Als Zijn uur gekomen is zegt Zijn moeder - die we later ook onder het kruis tegenkomen - tijdens de moeilijke bruiloft in Kana, (moeilijk, want volgens de Griekse tekst ontbreekt de wijn!): Wat Hij jullie ook zegt, dat moeten jullie doen. Zo vullen zij de stenen kruiken voor de reiniging tot boven toe. Als die vullende handen weer naar beneden komen blijkt tijdens het proeven, het water onvoorstelbaar fantastische wijn te zijn.
4. Het zou goed kunnen zijn, mag in ieder geval niet uitgesloten worden geacht, dat Jezus terughoudendheid (2,24) niet gaat over een algemeen wantrouwen, alsof Hij bijvoorbeeld de moraliteit of ethiek van mensen niet vertrouwt. Die terughoudendheid zou ook kunnen spreken over wat in de woestijn tegenover Mozes, schering en inslag lijkt te zijn. ("En leidt ons niet in de beproeving" zou wel eens kunnen betekenen, niet "God stel mij niet op de proef" maar - zie Exodus 17,7 - meer zoiets als "help ons dat wij U niet op de proef stellen, niet wantrouwen". Het Onze Vader is minstens een tekst die spreekt over eindeloos vertrouwen in God!)
5. "Alles". De Messias die ons volgens de vrouw uit Samaria "alles" zal vertellen - kan dat iets anders zijn dan dat Hij God het woord geeft, "de Torah vertolkt"!
6. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer en niet de eer van Die hem zendt (vgl 20,21). Zie 7,15.

 

7.3. Zij en Hij. Die mij gezonden heeft. Nog niet zijn uur. 7,25-30.

25 Sommigen dan van de mensen uit Jerusalem zeggen:
is Hij niet Die ze zoeken te doden?
26 En kijk: Hij spreekt openlijk!
De leiders kennen toch niet waarlijk dat Hij de Christus is!
27 Maar van Hem weten we vanwaar Hij is.
Maar wanneer de Christus komt weet niemand vanwaar Hij is.
28 En dan schreeuwt Jezus in de tempel het uit en Hij leert en zegt:
En jullie kennen Mij en jullie weten vanwaar Ik ben.
Maar Ik kom niet uit mezelf.
(Het is de waarachtige die Mij stuurt, die jullie niet kennen.)
29 Ik ken Hem
want van de kant van Hem ben Ik en Hij stuurt Mij.

30 Daarop zoeken ze Hem te grijpen
maar niemand kan zijn hand op Hem leggen want zijn uur is nog niet gekomen.
31 Maar uit de menigte stellen velen vertrouwen in Hem
en ze zeggen:
Wanneer de Christus komt,
Hij zal niet meer tekenen doen dan Hij doet.

Sommigen van de mensen uit Jerusalem. Wat vooronderstelt de tekst gegeven deze overgang? Het gaat over het oordeel, over de Torah en over Mozes. En natuurlijk, binnen die toegespitste samenhang, over Jezus. Hij spreekt openlijk! Er is dus niet enkel de massieve agressie en/of onderdrukking die maakt dat ieder die een beetje weet hoe de wind waait, zijn of haar lippen gesloten houdt. Hij spreekt openlijk. Het lijkt erop dat "ze" niet meer zoeken Hem te doden. Er is dus een opening geconstateerd! Dat gezegd zijnde moet er een stilte vallen.

Het door hen veronderstelde accoord, want Hij spreekt openlijk - daar is wat Hem betreft voor die sommigen wel een vraag. We weten waar Hij vandaan komt. En van de Messias weten we niet waar Hij vandaan komt! Tussen enerzijds wel en anderszijds niet, gaat daar iets schuren! En er is geen hoofdstuk in het Evangelie waarin zo regelmatig het woord christus wordt gebruikt (De la Potterie in La vérité dans Saint Jean I en II, Analecta Biblica 73-74). Alsof we in de buurt van de laatste zetten van dit drama komen en het nu zoeken is naar het slotpleidooi. Het zal erom gaan spannen.

Van deze weten we waar Hij vandaan komt. Daar heeft Johannes strikt genomen nog niets anders over verteld dan midden onder U staat Hij die jullie niet kennen (1,26). Nu schrijft Johannes: En jullie kennen Mij en jullie weten vanwaar Ik ben. Maar Ik kom niet uit mezelf. (Het is de waarachtige die Mij stuurt, die jullie niet kennen.) 29 Ik ken Hem want van de kant van Hem ben Ik en Hij stuurt Mij. Dit schreeuwt Jezus in de Tempel lerend. Hier is bijna of feitelijk de Torah, Gods spreken, aan het woord is. Dat spreken is door en door aan God gebonden. Zie 1,1.

 

7.4. De overpriesters en de farizeeën. De dienaren. 7,30-36.
32 De farizeeën horen de menigte dit alles over Hem mompelen
en de overpriesters en de farizeeën sturen dienaren uit om Hem te grijpen.
33 En Jezus zegt:
Nog korte tijd ben Ik bij jullie en Ik ga heen naar Degene die Mij stuurt.
34 Jullie zullen Mij zoeken en niet vinden
want waar Ik ben kunnen jullie niet komen.
35 Dan zeggen de Joden tegen elkaar:
'Waarheen wil Hij optrekken dat wij Hem niet zullen vinden!
Hij wil toch niet naar de diaspora van de Grieken optrekken en de Grieken leren!
36 Wat is dit voor woord (spreken) dat Hij zegt:
jullie zullen Mij zoeken en niet vinden?
En: waar Ik ben kunnen jullie niet komen?

Dienaren worden uitgestuurd met een duidelijke opdracht. Ze moeten Hem grijpen. Ik ga heen naar wie mij stuurt. Zij zullen Hem zoeken en niet vinden wanneer Hij heengegaan is. De opmerking komt wellicht onverwacht maar het is Zijn reactie op het zenden van de dienaren om Hem te grijpen. Die dienaren worden met hun welomschreven opdracht gestuurd door de overpriesters en de farizeeën. Die actie is reactie op het gemompel van de menigte. Maar daarmee stellen zij Hem ook centraal in de tekst.

Die dienaren, uitgezonden om Hem te grijpen, worden onmiddellijk geconfronteerd met een sprekende Jezus, expliciet met name genoemd. Hij spreekt over een korte tijd die komende is. Nog een korte tijd zal Hij bij hen zijn. Hoezo dat? Ik ga heen naar degene die Mij stuurt. Dan zullen jullie Mij zoeken en niet vinden. Hoezo dat? Ik ga heen naar een plaats waar jullie niet kunnen komen. Is dat een raadsel of is het dat niet? Het is misschien wel een rimpel in het tafelkleed, maar dat strijken zij snel glad. Hij wil toch niet naar de diaspora van de Grieken optrekken? Toch niet hen leren? Op zich is dit misschien wel een interessante tekstsnede. Johannes spreekt niet over de Grieken als de niet-Joodse wereld, maar over de Joden die uitgezaaid zijn in de wereld van de Grieken. Dan echoën zij wat hen bevreemdt, dat spreken van Hem, over zoeken en niet vinden en Zijn op een plaats zijn waar zij niet kunnen komen.
Daarmee is de laatste dag, de grote van het feest, aan de orde. Wat is de tijding van dit feest over het oprichten van de Tent op zijn hoogtepunt?

 

7.5. De laatste dag. 7,37-44.

37 Op de laatste, de grote dag van het feest
staat Jezus
en Hij schreeuwt
en zegt:
Wanneer iemand dorst heeft, kom naar Mij en drink.
38 Wie in vertrouwen op de wijze die de Schrift zegt, naar Mij toe komt:
rivieren zullen uit zijn schoot stromen met levend water.
39 Dit zegt Hij over de Heilige Geest
die (de mensen die) op Hem vertrouwen zullen ontvangen.
Want de Geest is er nog niet
want Jezus (heeft zijn uiteindelijke zwaarte nog niet) is nog niet verheerlijkt geworden.
40 De mensen uit de menigte nu die deze woorden horen zeggen:
Hij is waarlijk de profeet!
41 Anderen zeggen: Hij is de Christus.
Maar er zijn er ook die zeggen:
de Christus komt toch niet uit Galilea!
42 Zegt de Schrift niet dat de Christus komt uit het zaad van David,
en uit Bethlehem, de stad van David?
43 En zo ontstaat er door Hem in de menigte een verdeeldheid.
Sommigen willen Hem grijpen, maar niemand legt de handen op Hem.

We komen in de buurt van in feite de enige regel uit dit hoofdstuk waar de literatuur over het Evangelie van Johannes zich eindeloos mee bezig heeft gehouden. Wie in mij gelooft zoals de Schrift zegt, stromen van levend water zullen vloeien uit zijn binnenste. De discussies houden zich vooral bezig met "het citaat". Zoals de Schrift zegt wordt doorgaans in de literatuur over Johannes gezien als een inleiding op een schriftcitaat. Het zou dan gaan over zoiets als een Schriftbewijs. Alleen, voortdurend is hier het probleem dat het eventuele citaat niet als citaat bestaat. Er worden dan wel geitenpaadjes gevonden om er toch zoiets als een citaat van te maken. Maar het succes van die pogingen wil nooit landen. Grammatologisch of contextueel gezien is een en ander vrij duidelijk.

Maar laat ons kijken naar de feiten van de tekst. In het Evangelie van Johannes slaat zoals veertien keer op het voorafgaande werkwoord (1,23; 5,23; 13,34, 14,27; 15.10.12; 17, (2.) 11.14.16.22.23; 19,40). Op de overige plaatsen vind je: "En zoals ...", "zoals ... zo", "zoals ... ook", 'zoals ... ook Ik". Nemen we dit gegeven serieus, dan spreekt de tekst over geloven zoals de Schrift zegt, over schriftuurlijk of Bijbels geloven. Ofwel: niet geloven in het verlengde van je eigen moraal, dogmatiek, geschiedenis, in je eigen overtuiging, zienswijze of ervaring, maar over geloven of, wellicht beter, vertrouwen op Bijbelse wijze. Dan moeten de Boeken open om ons denken te souffleren of te voeden. Lezen is bijbels gesproken altijd samen lezen. Dit democratische karakter van het Bijbel leen doet er dan toe. Het gaat dan niet over een standpunt of visie, maar over wat en hoe geschreven is, of beter, wat "klinkt" tijdens de lezing. Simpel gezegd: Johannes maakt er geen geheim van dat het "optreden", het doen en spreken van Jezus gemotiveerd wordt door zoals geschreven is, of door Mozes en de Profeten.

Albertus Magnus (van rond 1200 tot 1280), (Enarrationes in Johannem, Opera Omnia 24, Parijs 1890, p. 316) citeert Chrysostomus. Deze wil van deze woorden een citaat maken om zo schriftuurlijk te onderstrepen wat volgt. Maar Albertus is van mening, dat je er beter van uit kunt gaan dat het hier gaat over het modum credendi in Christum, over de wijze waarop je gelooft in Christus.

Het is de laatste, de grote dag van het feest. Jezus staat. Dat staan van Jezus is curieux. Hij staat alleen hier zal straks, bij Pilatus, weer gebeuren. Wij krijgen te horen waar Hij volgens Johannes op de laatste, de grote dag, voor staat.
De stromen van levend water betreffen de Geest. Wanneer de Samaritaanse hoort dat degenen die God aanbidden in Geest en waarheid zullen aanbidden, dan weet zij: Ik weet Heer dat de Messias komt. Wanneer Hij komt zal Hij ons alles laten weten (4,25). Of, zoals Ben Hemelsoet Psalm 51,13 placht te citeren: verwerp mij niet van voor Uw Aangezicht en neem uw Geest niet van mij weg. De Geest is God die naar deze wereld kijkt.

Nog niet verwijst naar alles wat nog komen moet in het Evangelie. Daarop reageert de menigte.

 


7.6. De dienaren, de overpriesters en de farizeeën, en Nicodemus. 7,45-52.

45 De dienaren komen naar de overpriesters en de farizeeën en die zeggen hun:
waarom brengen jullie Hem niet?
46 De dienaren antwoorden: Zo heeft een mens nog nooit gesproken.
47 De farizeeën antwoorden hun:
zijn jullie soms ook misleid?
48 Er is toch niemand uit de leiders Hem gaan vertrouwen, of uit de farizeeën?
49 Maar dit volk dat de Torah niet kent! Vervloekt zijn zij.

50 Nicodemus die eerder in de nacht naar Hem toe is gekomen, een van hen, zegt tot hen: 51 Onze Torah veroordeelt een mens niet
tenzij wanneer men eerst naar hem luistert en kennis neemt van wat hij doet.
52 Zij antwoorden en zeggen hem:
ben jij niet ook uit Galilea?
Onderzoek (de Schriften)
en zie dat er geen profeet uit Galilea wordt opgewekt.
53 En ze trekken op, eenieder naar zijn eigen huis.

De dienaren die gezonden zijn om Hem te grijpen komen blijkbaar terug met lege handen. Zij nemen alleen het spreken van Jezus mee. De autoriteiten willen dat niet horen.
De dienaren hebben een verklaring voor hun lege handen: Zo heeft een mens nog nooit gesproken. De reactie van de overheden op derze woorden is helder"zijn jullie soms ook misleid! En mocht deze reactie de lezer doen opzien in verwondering dan geven zij een motivatie voor wat zij waarom een misleiding noemen. Niemand uit de leiders of uit de farizeeen vertrouwt Hem. Alleen dat achterlijke volk dat de Torah niet kent. Hier wordt de tekst het scherpst geslepen. Zij hebben Jezus allang veroordeeld, dat is gebaseerd op hun inzicht. Andersdenkenden, dat stomme vok dat de Torah niet kent. Dat is waar het over gaat, over het al dan niet kennen van de Torah, al dan niet oordelen overeenkomstig de Torah. En in deze is hun standpunt voor hen zelf helder. Alleen is daar Nicodemus, een van hen. Het citaat 7,51 wordt in de literatuur over Johannes nooit becommentarieerd. Het is glashelder en wordt daarom met een zwaai weggeveegd. Nicodemus zou ook een stomme zijn. En er komt volgens hen geen profeet uit Galilea.

Geen profeet uit Galilea. Dat kun je alleen maar zeggen als je Jona vergeet. Volgens de Talmud Jerushalmi Sukkah 5,1 geschiedt het woord van de Heer tot Jona Ben Amitai (Zoon van de waarheid?) wanneer hij het uitgeiten van het water meemaakt op Soekkoth in het Heiligdom in Jerusalem.

Gezien 2 Koningen 14,25 magmen zeggen dat Jona afkomstig is uit Gat-Hachefer. Volgens Pirke de Rabbi Eliezer XXXIII is hij het kind van de weduwe uit Saraphath. Volgens T.J. Sanhedrin 11,8 is Jona de zoon van Amithai, een emmese nabi, een ware profeet. M.Zlotowits, Jonah, (New York 1978.p. 78) wijst in een toelichting op Jona 1,1 ben amatai, zoon van de waarheid. Lees in Johannes 7,18. 26. 28. 40 hoe beslissend het woord waarheid in Johannes 7 is.

Voor 'rechtvaardig oordelen' zie bijv. Deuteronomium 1,16v en Leviticus 19,15vv.

Galileeër presenteert vanzelf Galilea. Er zou geen profeet zijn of opgewekt uit Galilea. Wij kennen Mattheüs 4,12v die Jesaja 8,23; 9,1 citeert. Galilea van de volkeren. Het volk dat in duisternis zit zal een groot licht zien. En voor hen die gezeten zijn in het land en de schaduw van de dood zal een groot licht opgaan. Daarmee zet de tekst van Johannes in op de voortzetting in Johannes 8,12 vv. Johannes 7,53-8-11 is in de loop van de traditie gezien als deel van het Evangelie van Johannes. We zullen dit verhaal hier lezen. Op een eigen manier sluit het aan bij het voorafgaande.