Ondanks een oogst
van vijf hoofdstukken: het Evangelie van Johannes heeft nog niet zoveel
verhalen verteld. Johannes zoekt het blijkbaar niet in de hoeveelheid
ontmoetingen en incidenten. Hij is meer van de lange duur. Hij komt
met meer uitgewerkte verhalen en neemt daar de tijd voor lijkt het wel,
tijd voor het verhaal, tijd ook voor ons. In zekere zin is dat ook logisch.
Leven is tijd.
Wat hebben we tot nu toe?
Bij de Jordaan staat
Johannes bijna te wachten tot zijn hoge woord er uit kan, zijn getuigenis
- zijn 'ik sta erbij en ik kijk ernaar'. Johannes poneert zijn getuigenis
wanneer Joden uit Jerusalem priesters en levieten uit Jerusalem
sturen. De volgende dag zie hij Jezus naar hem toekomen en Johannes
wijst bijna als vanzelf de twee van zijn leerlingen die bij hem staan,
op het lam Gods. Dat lam zal het kwaad van de wereld -
of het kwaad dat de wereld is, - dragen. Let wel. Hier staat
hetzelfde werkwoord als in 5,8.11. De strekking zou kunnen zijn: 'Als
je zo met elkaar omgaat! Moet je zien wat ervan komt!' (Volg Pilatus
in zijn theater van de onschuld, 19,5!)
Daartoe aangespoord gaan die twee leerlingen van Johannes achter Jezus
aan om bij Hem te blijven. Die leerlingen vinden op hun beurt leerlingen,
in het eerste hoofdstuk tot en met Nathanael. Met de boeken in zijn
handen komt Nathanael, wellicht stotterend, woorden te kort.
Kana, Kapernaum,
Jerusalem, de Tempel, het Huis van de Vader. De leerlingen horen in
het huis van Mijn Vader hun eerste notoire taak: zij zullen zich
herinneren. Dat 'bij de tijd blijven' door zich te herinneren -
het woord zich herinneren wordt niet genoemd, maar de tekst lijkt daarop
gebaseerd - speelt wellicht ook voortdurend een ernstig te nemen rol
in het gesprek in de Paasnacht met Nicodemus?
Daarna brengt Johannes wie hem volgt naar het hoge ogen gooiend gesprek
in Ainoon en Salim. De aanleiding blijkt een discussie te zijn
over de reiniging, met de vriend van de bruidegom. Reiniging
brengt je door de zeldzaamheid van het woord als vanzelf spoorslags
naar de zes stenen kruiken met water in Kana en herinnert daarmee
ook naar de doop in de Jordaan. Daarmee toegerust lijken we voorbereid
te zijn voor het volgende verhaal, het gesprek bij de bron en de vrouw
uit Samaria. Over het water zal dat gaan. Van water dat je moet putten
wil je te drinken hebben, naar het water dat 'Hij die met je spreekt'
je geeft en dat in je binnenste opspringt tot levend water. Dit verhaal
zoekt een crescendo bij de hoofdman die opklimt naar Kana omwille
van zijn doodzieke zoon in Kapernaum. De tekst geeft overigens
niet 'een hoofdman'. De tekst noemt hem tis basilikos, iemand koninklijk.
Diens Zoon zal leven, dank zij het vertrouwen van Zijn Vader.
Daarop volgt in
de logica van Johannes blijkbaar als vanzelf het verhaal over iemand
mens in Jerusalem. Het is een zieke mens, iemand die bij de vijver
bij de schaapspoort niet verder komt of kan, en die straks, na de interventie
van Jezus en zijn gehoorgeven aan, zal wandelen met het bed dat hem
draagt. Maar het wordt ook een genezingsverhaal dat bijna direct, als
ware dat vanzelfsprekend en natuurnoodzakelijk, gevolgd wordt door de
veroordeling ter dood (5,18). Alsof in die samenhang een spoor van redelijkheid
te vinden is.
Het zijn nog te weinig verhalen lijkt het om er toe te doen. Het is
alsof er een zekere haast achter zit nu dat ene zeldzaam verhaal komt
dat zich naast Kana en Kapernaum in Galilea gaat afspelen.
Aan de overkant! Al die mensen! Ze zullen toch ook moeten eten!
Dat ligt voor de hand in de eenzaamheid, in de woestijn. De natuur wil
daar geen bron voor 'brood is leven' te zijn. Welke stukken wil Johannes
nu op het bord zetten om daarna met Jezus definitief naar Jerusalem
te vertrekken. Te beginnen met de laatste oogst, het Loofhuttenfeest,
en ook nog een puntje voor het Winterfeest zullen we dan uiteindelijk
naar het derde en laatste Paasfeest van Johannes te gaan.
6.1
Brood, koning. 6,1-15.
Na dit alles. Een nieuw verhaal schuift zich tussen het voorafgaande
'in Jerusalem' en het volgende, weer 'in Jerusalem'. Jezus gaat weg
naar de overzijde. Een verhaal van de overzijde komt daarmee
ook naar ons toe. Je kunt dat tekstgedeelte eenvoudig geografisch verstaan.
Maar bij overzijde zou je ook kunnen denken: dat wat nu volgt
ligt niet in het verlengde van hier en nu. Het is zelfs nog sterker!
Peran 'aan de overzijde' citeert ook 1,28, een plaats die nog
meer nadruk krijgt door de herhalende verwijzing in 3,26. Hoofdstuk
6 zal die overzijde sterk benadrukken: 6, 1.17.22.25.
Omwille van de tekenen
volgt hem een grote menigte. Het verhaal zal nog terugkomen op
dat zien van de tekenen. Tegelijk wordt (wellicht ook voortbordurend
op het werk van de synoptici) ook aangegeven, dat we 'te zien' zullen
krijgen.
Als Mozes - dé
leraar - gaat Jezus de berg op. Hij gaat zitten te midden van Zijn leerlingen.
Als Hij gaat zitten te midden van de leerlingen, kun je weten: het onderricht
gaat beginnen. Alles is gereed voor De Leraar en Zijn Leerlingen.
Wat Johannes ons nu over zijn Jezus (Wiens leerling, volgeling, hij
is) gaat vertellen, over Diens 'vlees' en 'bloed', die les,dat onderricht,
zal nu verbonden worden met Pasen (4).
Als Hij zijn ogen opslaat (5)' vermoeden we al de situatie die ons zo
vertrouwd is gegeven de verhalen over Het Laatste Avondmaal die de synoptici
ons geven. Maar het staat er anders. Er staat niet dat hij zijn ogen
opslaat naar de Vader. Het is meer alsof hij inkeert, opziet en ademhaalt
en rond zich heen kijkt. Hij ziet al die mensen naar Hem toe komen.
Wat moet Hij nu? Wie is Hij voor hen? Wie of wat kan Hij voor hen zijn?
Waar denkt hij volgens Johannes aan?
Het is bijna onthutsend,
zo nuchter en praktisch. Zoals bij de Samaritaanse vrouw de vraag eenvoudig
klinkt: Geef mij te drinken (4,7) zo horen we nu de voor de hand
liggende vraag: waarvandaan zullen we brood kopen? Dat is de
openingszet. De vraag gaat naar Filippus, om hem te toetsen,
let wel 'tot klinken te brengen'.
Filippus, zo hoorden
we hem tegenover Nathanael (1,45), weet van Mozes en de Profeten.
En wanneer Nathanael daar aan het begin nog aarzelt en zich niet gewonnen
lijkt te geven, zegt Filippus: Kom en zie (46). (Hetzelfde ide,
zie leidt in 1,29 en 36 tot het lam Gods.)
Gaan we in op zijn uitnodiging en gaan we mee, het verhaal in. Om te
zien.
We horen, weer nuchter
en pragmatisch, dat er veel volk is. Maar 200 denariën, blijkbaar
een grote som geld, is voor zoveel mensen niet voldoende. Er is dus
echt een massa volk aanwezig. Andreas en Simon, ook getuigen van het
eerste uur (1,41) hebben wel een 'noodoplossing', maar dat lost de nood
niet op. Een handje vol broodjes en twee visjes is hier ook 'niet alles'.
Kortom: de situatie is duidelijk een van overmacht. En goede raad is
duur. En Jezus speelt bijna dat Hij niet weet wat Hij te doen heeft.
Het is dicht bij
Pesach, het feest van de Joden. Jezus gaat de berg op v.3. In v. 15
zal hij uitwijken, alleen, naar de berg. En dat allemaal terwijl Pasen
nabij is, het feest van de Joden. Pasen, het feest van vrijheid
en bevrijding. Bijna onwillekeurig denk je aan Mattheüs 5 waar
Jezus de menigte ziet en de berg op gaat, de leerlingen naar hem toekomen
en hij begint te leren over het koningschap van de hemelen. En
wij zijn ook vertrouwd met Mattheüs 3,2 nabij is het koningschap
van de hemelen. En we hoorden Nathanael een serie namen noemen die uitloopt
op Jij
koning van Israël. Levinas schrijft in een
van zijn Talmoed lessen dat het de eerste taak van de koning is, ervoor
te zorgen dat 'zijn mensen' te eten hebben.
Jezus gaat de berg
op, in v.3 en v.15 met het bepalend lidwoord. Hij gaat daar (als een
leraar) zitten te midden van zijn leerlingen... Jezus opgang, zijn opgaande
beweging, maakt die berg tot de berg, minder een geografisch dan een
theologisch hoogtepunt. Volgens alle regelen die bij die berg (Mt 5,1-2)
horen zouden wij nu verwachten dat Jezus zijn mond opent en begint te
spreken. Maar het tegendeel is waar.
Misschien omdat Pasen het feest van de Joden nabij is wordt nu de vraag
gesteld 'vanwaar zullen wij broden kopen'? In het Grieks van Johannes
wordt niet gevraagd hoe zullen we broden kopen, maar bij Johannes luidt
de vraag 'vanwaar' zullen wij kopen.
Johannes gebruikt dat intrigerende woord 'vanwaar'.
Johannes zegt er ook nog bij dat Jezus dit zegt om hen op de proef te
stellen.
Door de vraag zo te stellen vraagt Jezus zijn leerlingen niet of er
een bakker in de buurt te vinden is.
Jezus zetelt zoals
een leraar zetelt. Hij stelt die vraag om zijn leerlingen iets te leren,
zeker nu Pasen, het feest van de Joden nabij is, en zeker als
Jezus zich naar de overkant begeven heeft, de grenzen van het veelbelovende
land te buiten gegaan.
Nog eenmaal in de woestijn, dat gebied van beproeving, dat gebied waar
het volk heeft moeten en mogen leren, dat zij niet enkel leven van brood
alleen, maar van alle Woord dat uitgaat uit de mond van God. Alle Woord.
Als we zo over de tocht door de woestijn mogen peinzen, als we gaan
leren er zo over na te denken, hoe gaat dan dit wonderlijke woord van
Jezus klinken: 'vanwaar'? Hoe worden onze blikken en onze harten naar
de hemel gericht, en hoe kan zo gepreludeerd worden op brood uit
de hemel
(over) onze tocht tezamen
de gezamenlijkheid
van het volk, in eendracht gericht op de verwerkelijking van Gods beloften?
De suggesties van
Filippus en Andreas bieden niet veel ruimte, maar dat is zo te zien
geen probleem. Laat de mensen gaan zitten. Er is daar veel gras,
zoals er ook veel menige is. Hij leidt hen naar grazige weiden, Psalm
23. Ook in die psalm is er de duisternis van de dood uiteindelijk geen
overval. Het lijkt erop dat we met een reguliere maaltijd te doen hebben.
De vader spreekt de zegenbede uit en deelt uit, de broden en de visjes.
Hij dankt, hij deelt uit. Niemand reageert. Er gebeurt niets uitzonderlijks.
Alleen, wanneer iedereen klaar is moeten ze wat over is verzamelen.
Niets mag verloren gaan - zoals niemand van hen die de vader Mij gegeven
heeft verloren mag gaan (10,28).
Twaalf korven brood, mogelijk ook een aanduiding voor het volk dat uitverkoren
wordt voor het meer dan brood alleen dat komende is.
De mensen zien het
teken, ze herkennen de profeet. Maar Jezus weet dat ze willen komen.
Ze zullen hem willen pakken om hem koning maken, broodkoning. Maar niemand
kan Hem roven uit de hand van de vader (10,29). En koning zullen ze
Hem maken, maar dan aan het kruis. Hij wijkt uit, alleen, gaat de berg
op.
6.2.
Over de zee. 6,16-21
Als Jezus zich teruggetrokken heeft, de berg op, zijn er nog het volk
en de leerlingen. Het is intussen laat geworden. De leerlingen nemen
een besluit, of, ze doen wat voor hen voor de hand liggend is. Ze zoeken
hun bootje op en gaan naar de overkant , naar Kapernaum - naar die plaats
waar de zoon van iemand koninklijk ernstig, ten dode toe, ziek
was. Jezus is in dit verhaal nu, nog niet naar hen toe gekomen. Hij
moet dus nog komen. Hoe komt hij dan? Dat zal blijken niet eenvoudig
te zijn.
Terwijl zij oversteken
wordt het helemaal donker en het begint te stormen. Nee: een grote storm
wordt opgewekt. Jezus loopt over de zee. Zij zien Hem. Zien en herkennen
Hem. Ze vrezen. Maar Hij zegt dat dat niet hoeft. Hij is het.
Ze willen Hem aan boord nemen. Daarop krijgen zij als het ware terstond
vaste grond onder hun voeten. De grond waar ze naar op weg waren. Het
is hun bereidheid. Hij is het en zij nemen hem aan boord en dan zijn
ze 'thuis'.
6.3.
De volgende dag,
de menigte en het brood uit de hemel. 6, 22-40.
Opnieuw worden de
stukken op het bord gezet. Nu is de menigte is aan zet. Er is geen ander
bootje is geweest, zien ze. En ze zien of hebben ook gezien, dat Jezus
niet met Zijn leerlingen is overgestoken. Dan zijn er nog die andere
bootjes uit Tiberias. Er wordt zorgvuldig gekeken, lijkt het. En we
horen verkort, ook nog even het essentiële verhaal over het delen
van het brood voor al die mensen, toen Hij de zegenbede uitsprak. Ze
gaan de bootjes in, naar Kapernaum, om Hem te zoeken. Wat moeten of
willen ze met Hem? Rabbi noemen ze hem. Leraar. Alsof
ze willen dat de eerder begonnen les verder gaat. Wanneer ben jij
hierheen gekomen?
Jezus antwoordt met grote nadruk. Amen, amen. Anders gezegd:
waar en betrouwbaar is het. De tekst vertelt niet meer over iets dat
gebeurt. Jezus zegt (6,35.59). Zijn woorden zullen gaan klinken
alsof het er op aan komt, alsof je anders of echt naar Hem moet luisteren.
Zij hebben de tekenen
gezien maar het brood en de visjes zien zij niet als een teken. Ze willen
aan het zien voorbij. Ze willen Hem want Hij heeft hun hónger
gestild. Maar voor dat de honger stillende brood is Jezus niet. Dat
is al in 4,34 aan de orde. Zijn de eerste honger stillende brood, dat
wat Hem voedt, is de wil van de vader doen. Dat voedsel, de wil van
de Vader doen, is voor Hem het voedsel dat je naar eeuwig leven voert.
Het echte brood
uit de hemel heeft twee kenmerken: het daalt uit de hemel en het geeft
eeuwig leven. Deze twee gegevens kernmerken bij Johannes ook Jezus.
Weer noemt Jezus zich de zoon van de mens. Brood, het manna in de woestijn,
en alles wat uitgaat uit de mond van de Heer verwijst sinds Deuteronomium
8,3 naar elkaar. Maar het lijkt erop dat de menigte niet verder wil
of kan dan brood dat de honger stilt. In 4,13-14 zien we hetzelfde naar
aanleiding van het water. Nu gaat het over het brood dat de Zoon van
de mens zal geven.
Wat moeten we doen
om de werken van God te doen? Het wordt steeds meer de vraag in het
eerste deel van het Johannes-evangelie. Zij stellen de vraag die er
volgens de tekst toe doet. Wat moeten we doen om Gods werken
(meervoud) te doen? Daarop antwoord Jezus. Gods werk, nu toegespitst
in het enkelvoud, is: in vertrouwen gaan naar wie Hij stuurt. Daarop
vragen zij Hem: wat voor teken doe je opdat wij zien en jou vertrouwen?
Wat doe je? Vraag en antwoord lijken hier duidelijk te zijn, zeker wanneer
je nu al denkt over Gods Woord, Gods spreken, Gods gave, degene die
Hij stuurt. Een sterke zin: want het brood van God is Degene die
neerdaalt uit de hemel en leven geeft aan de wereld.
Ze begrijpen het
wel en ze begrijpen het niet. De menigte is eerder in het hoofdstuk
getuige van Jezus die de zegenbede over het brood uitspreekt en het
uitdeelt, zo gaan zij spreken over de vaderen in de woestijn, alsof
dat voor hen een spiegel of een referentieruimte is, een mogelijkheid
om het te begrijpen. Onze vaderen eten het manna dat hij hen te eten
geeft.
Let wel: hij
geeft. Wie is hier onderwerp? De tekst lijkt ervan uit te gaan dat
zij Mozes bedoelen, want tot hen zegt Jezus nu: Niet Mozes.
We zouden ook terug kunnen gaan naar 1,17. Daar leest de tekst hoe Johannes
het uiteindelijk 'ziet': De Torah is door Mozes gegeven geworden.
Het werkwoord is hier passief. Een theologisch passief. Door de passieve
vorm hoef je de Naam van God niet te noemen.
De tekst zegt op zijn manier: God geeft door Mozes! Dat is de voorzin.
Daarna volgt: genegenheid en waarheid, Gods is ons genegen. Dat doet
Hij, actief. Wat God doet als daad van genegenheid en trouw geschiedt
door Jezus Christus.
Niet Mozes geeft jullie het brood uit de hemel, maar Mijn Vader geeft
jullie het brood dat, waarachtig uit de hemel komt. Want Gods brood
is Hij die neerdaalt uit de hemel en Die aan de wereld leven geeft.
Let wel: niet 'God geeft', maar 'Mijn Vader geeft'. Hier vinden we geen
herhaling van de discussie uit 5,17vv. Gods brood is Hij die neerdaalt.
Ik (JE) heb de indruk dat commentaren aan die scherp geprofileerde zin
weinig aandacht besteden.
In de tekst is wat
nu volgt wonderlijk. Ik zou vermoeden dat de problemen weer gaan beginnen,
maar daar is geen sprake van: Heer, geef ons altijd dat brood! (34).
Zij vragen: geef ons.
Jezus, Zijn naam staat in de tekst uitgeschreven. Hij zegt: Ik ben.
De aanspraak en toezegging uit Exodus 3,14 als antwoord op de vraag:
de God van onze Vaderen - wie is dat? Het is de eerste keer dat Johannes
dit inzet. De eerste van de zeven keer. God is het levende brood, of
het brood dat leven is. De tekst geeft aanleiding te zoeken naar wat
brood vermag, waar brood voor staat en wat brood eigenlijk be-teken-t.
Brood dat leven is. Leven wil Hij geven, opstaan op de jongste dag (39).
Wie naar Mij komt zal geen honger hebben, wie in vertrouwen naar Mij
toe komt zal nooit meer dorst hebben. Zoals ik jullie al gezegd heb:
jullie zien mij en jullie hebben geen vertrouwen.
Doen opstaan op de laatste dag (39.40) houdt bijeen: de wil van
de vader is het dat ieder die De Zoon ziet en Hem vertrouwen geeft,
eeuwig zal leven. Opstaan en eeuwig leven, volop, naar de maat van God.
De mens leeft van dag tot dag, maar God leeft voor Mijn tijd en na Mijn
tijd. Hij is eeuwig.
6.4.
Het brood dat uit de Hemel neerdaalt - de Joden - 6,41-59.
In de tekst verandert
onaangekondigd, het onderwerp van 'de menigte' (22.24) naar 'de Joden'
(41). Bij Johannes zijn 'de Joden' vaak de 'mannen van gezag uit Jerusalem'
(zoals wij een beetje geringschattend kunnen spreken over 'de Nederlanders!'
Daarmee worden wij geen anti-Nederlanders). Deze lieden brengen in,
dat zij over Jezus met betrekking tot Zijn heden en verleden alles weten.
'We kennen toch Zijn vader en moeder.' Hun protest noemt de tekst mopperen.
Hetzelfde woord wordt in de woestijn gebruikt wanneer zij mopperen,
morren tegen Mozes. Uit de Hemel, zoals het manna! Daar kan
hier geen sprake van zijn, zeggen zij. Hoe kan Hij dat zeggen! Dat is
meer een uitroep dan een vraag.
Geloof is nooit
iets wat Ik opbreng. Geloof is om te beginnen niet 'ik ga ervoor'. Geloven,
beter vertrouwen, is in de joodse en christelijke bijbel altijd
een gave, heden en toezegging, toekomst. Het is de Vader die geeft.
Hij trekt. Tegenwoordige tijd. Altijd nieuw, actueel. Niet God 'heeft'
gesproken maar 'Hij spreekt'. Hij geeft het onderricht. (Het gebruik
van de tijden in onze bijbelvertalingen wekt de indruk dat alles zich
in de verleden tijd afspeelt. Een rabbijnse regel zegt: in de Torah
is geen eerder of later.)
Geloven doe je altijd
in de tegenwoordige tijd, zoals horen, zien, spreken. Zie Jesaja 54,13.
Gods gave gaat verder dan het manna in de woestijn.
Het manna in de woestijn is niet de bevrijding. Bevrijding is wat de
Vader geeft. Het eten van het manna in de woestijn zal nu het eten worden
van het brood dat uit de Hemel neerdaalt. Denk ook aan Amos 8,11: Honger
zal Ik op aarde werpen, geen honger naar brood, en geen dorst naar water,
maar om naar de woorden van de Heer te horen. Het brood is woord
en spreken. Het is Hij. Hij geeft Zijn vlees voor het leven van de wereld.
Eeuwig leven.
Wellicht ten overvloede
maar misschien toch nog eens het volgende.
In zinnen als "Ik ben het brood dat uit de Hemel neerdaalt"
moet je wellicht niet te snel lezen dat Jezus zegt: 'Ik ben A', waarbij
'A' dan het zogenoemde naamwoordelijk deel van het gezegde is, in dit
geval 'het'brood dat uit de hemel neerdaalt'. Vast staat dat Ik ben
eigenlijk altijd verwijst naar Exodus 3,14. Daar, in de Torah, spreekt
God zich uit over zichzelf na "dé vraag van Mozes"
die hem in beweging zal gaan zetten.
Mozes zegt in Exodus 3,13 tegen God: Wanneer ik bij de kinderen van
Israel kom en hun zeg: de God van jullie vaderen heeft mij naar jullie
gestuurd, en zij vragen mij: 'Hoe is zijn naam?', - wat moet Ik hen
dan antwoorden? Want ieder mens begrijpt wel: Gisteren slaaf! Vandaag
slaaf! En morgen slaaf! En wie is die God dan? Wat stelt Hij eigenlijk
voor? Wat merken we als slaven daar dan van?
Daarop legt God Zijn naam uit. Ik ben die Ik ben, of Ik zal zijn
die Ik zal zijn. Wie Ik ben, dat zul je merken in wat er met jóu
gebeuren gaat. In Ik ben doet de tekst van Johannes als het ware
'een beroep' op De Naam van God, met inbegrip van de uitleg van die
naam die daar gegeven wordt.
(Denk
aan: Uw Naam worde geheiligd: Moge U of Jij God geheiligd
worden. Heiligen, onderscheiden, onderkennen, om tot Zijn recht
te laten komen - een compleet programma!
Maar ook een bede: Heilig Heer, Uw Naam, wees er, ook voor ons
en onze wereld! Laat merken dat U er ook nog bent.)
Ik ben de weg,
de waarheid en het leven betekent derhalve zoiets als: God, Hij
die ons uit het slavenhuis bevrijdt, Hij is de weg (die naar het leven
in vrijheid en bevrijding voert). Hij is waarheid, dat wil zeggen: Hij
is een weldaad, een daad van genegenheid, want Hij houdt eindeloos van
ons. Zo is Hij ons Leven. Hij is voor ons vlees en bloed, brood en wijn
als teken van een leeven, een verbinding en eenheid die nooit vergaat
(want Hij is trouw en zal nooit vergeten). "Wie Mijn vlees eet
en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in Hem."
Merk hier ook het woord blijven op. De leerlingen van Johannes
zoeken in 1,39 waar verblijft Jij? Verderop zal Jezus zeggen:
"In het huis van Mijn Vader zijn vele (plaatsen om te) verblijven
(14,2). Verblijven bij Johannes gaat over 'duurzaamheid', over
'wat duurzaam is, en voortduurt'.
Wie van dit brood
eet zal eeuwig leven.
Dat is de les in Kapernaum.