Johannes 4


4.1. Dorst hebben bij de bron


We hebben nog maar drie hoofdstukken van Johannes gelezen maar je voelt een duidelijke urgentie. Johannes dingt naar je hand, vraagt je beslissing en instemming. Maar de keuze die hij biedt is naar het inzicht van Johannes eigenlijk geen keuze. Want de keuze is: ja of nee, dat wil zeggen alles (vertrouwen) of niets (niet vertrouwen). En wie kiest er nu voor 'niets', wie kiest voor de leegte en de chaos. Maar de keuze voor alles zal wel terugkomen in het verhaal dat nu volgt (25.29.39).

Nu de Heer weet dat de farizeeën gehoord hebben dat Jezus meer leerlingen maakt en doopt dan Johannes - ook al doopt Jezus zelf niet maar Zijn leerlingen - verlaat Hij Judea en gaat hij weg naar Galilea. Daar zal het komende verhaal zich gaan afspelen in Samaria, in Sychar. Als lezer hoef je je niet te buigen voor historische en geografische bijzonderheden met betrekking tot dit gebied of deze stad. Het zou best kunnen dat het verhaal zelf de informatie zal geven die we nodig hebben om dat wat komen gaat te volgen. Gezien de namen komen we in een zeer Bijbels landschap. Er is alle ruimte voor namen, ervaringen, verwikkelingen en inzichten, voldoende gesprekspunten ook. Waarom zou het verhaal niet zelf kunnen vertellen wat het nodig heeft!


Samaria wordt naar het zich laat aanzien bijna toevallig bereikt, nebenbei. De inleiding van deze nieuwe episode vertelt dat de verhouding met de farizeeën uit Jerusalem voor Jezus te moeilijk lijkt te worden. Een groeiend aantal sympathisanten volgt Hem en velen laten zich door Hem dopen! Ze laten zich door Jezus dopen, door Zijn leerlingen, alsof dat in dit geval hetzelfde is. Jezus' identiteit blijkt in dit verhaal een vloeiende, zich delende identiteit te zijn. Hij vertrekt uit Judea en vertrekt weer naar Galilea. Er staat niet dat Hij weggaat uit Judea. Hij vertrekt.
Twee keer neergeschreven. Het lijkt niet gemakkelijk te zijn zich zo los te moeten maken. Weer. Je herinnert je Kana en Kapernaum. Hij moet doortrekken door Samaria. Deze mededeling zet de deur open naar wat nu komt. We krijgen eerst een lang intermezzo. De draad van de reis naar Galilea zal pas in 4,43 weer opgenomen worden. Letterlijk 'intussen' krijgen we eerst een verhaal uit het tussengebied, een verhaal dat om ruimte vraagt in Samaria.


De details in de aanzet van het verhaal zijn typisch. Het zijn psychologische of fysieke bijzonderheden waar Johannes niet in uitmunt. Jezus is vermoeid van de reis. En dan de hitte van de dag, het zesde uur. Alsof dat het 'wel wat willen drinken' ondersteunen moet.
Bijna gereed voor de volgende zet gaat Jezus afwachtend op de rand of bij de put zitten. Thyen wijst op een mogelijke verwijzing naar Exodus 2, wanneer Mozes het opgenomen heeft voor iemand van zijn volk tegen een ander van zijn volk door de schuldige gechanteerd wordt. "Wil je mij soms ook (dood')slaan zoals je die Egyptenaar gedood hebt! Mozes vlucht naar Midjan, Exodus 2,. En niet 'door ervaring wijs geworden' zal hij het daar weer opnemen voor wie het slachtoffer dreigt te worden, de dochters van Rehuël. Zijn daad van bevrijding leidt ertoe dat hij daar door Reuël als huisgenoot worden opgenomen. Elementen uit dat verhaal kunnen hier in Samaria, mede de kleuren bepalen.


Samaria, Sychar, gebied, bron, water. De naam Jacob, de Bijbellezer kan hem ook kennen als Israël (Genesis 22,26-31) - de naam Jacob horen we hier twee keer vallen, namelijk voor en na het noemen van de naam Jozef, de broer die door zijn broers bedreigd wordt. (Wanneer ze hem in de put hebben gestopt gaan ze zitten om brood (zie Johannes 4,8.31vv. We komen daar nog.) te eten).
Het is het zesde uur. Wat de lezer als voorkennis geacht wordt te weten is verteld. Wie geeft het teken het verhaal uit of aan te pakken? Mogen we bij het zesde uur denken aan de betekenis van het zesde uur op 'Goede Vrijdag' bij de synoptici, wijst de tekst al op Pilatus (18,14) of volstaat hier de constatering van het zesde uur met al zijn licht, tegenover de nacht met Nicodemus (3,2), de Paasnacht. Dat is bij Johannes de nacht waarin Jezus vertelt dat de Vader de Zoon niet naar de wereld stuurt om haar te veroordelen, maar om haar te bevrijden (3,17).


Dat Jezus meer leerlingen krijgt en doopt dan Johannes lijkt bij de farizeeën niet in goede aarde te vallen. Zijn ze bang dat Jezus het van Johannes overneemt? Die toevoeging bij dopen is interessant. Johannes schrijft er uitdrukkelijk bij dat Jezus zelf niet doopt maar zijn leerlingen. Ook al doopt hij niet, hij doopt. Hij zal dopen met de Heilige Geest (1.33) maar daar is hier nog geen sprake van. Ook in 7,39 is die Geest nog niet gekomen. Het is niet onwaarschijnlijk dat de tekst hier ook al aangeeft dat Hij de Geest geeft (19,30). En wellicht speelt op de achtergrond ook Marcus 10,38-39 en Lucas 12,50 mee. Maar hoe het ook zij, Johannes heeft nu in ieder geval ook geschreven dat Jezus doopt.

'Leerlingen verwerven en dopen' valt bij de farizeeën niet in goede aarde. Daarom verlaat Hij Judea en gaat Hij naar Galilea. Bethsaïda (1,44) en Kana (2,1.11) hebben Galilea al binnen bereik gebracht. Maar het is ook een feit dat naast voor een moment de Jordaan, de kleuren van Jerusalem tot nu toe het Evangelie domineren. Bij de synoptici is Jezus de eerste helft van het Evangelie actief in Galilea. Daarna wordt het Pasen en vertrekt Jezus naar Jerusalem, definitief. Het lijkt erop dat voor Johannes Galilea eigenlijk een verder weg en eigenlijk vrij onbekend gebied is, zoals al eerder in de Joodse geschiedenis, een vluchtplaats voor de mensen uit Jerusalem (met als bijna wezenlijk kenmerkt het heimwee naar die stad).

De Samaritaanse vrouw, komt water putten. Jezus vraagt haar: geef mij te drinken. Want zijn leerlingen zijn weggegaan naar de stad om broden te kopen. Waarom wordt dat hier gezegd? Wordt hier nu al aandacht gevraagd voor die leerlingen?. Terwijl zij water komt putten en Jezus haar te drinken vraagt - is zijn vragen voor haar een nog ongehoorde en niet vermoede manier om water te putten? Dat zal dan moeten blijken, - zijn de leerlingen op weg om brood te kopen. Daarmee worden wij nu al geattendeerd op het gesprek dat ontstaat wanneer zij terugkomen en zich verwonderen zonder daarvan een spoor te laten blijken. Daarmee maakt de tekst nu al ruimte voor de les die blijkbaar hier geleerd moet worden, naar aanleiding van Zijn dorst terwijl zij op de achtergrond al op weg is om op het zesde uur water te komen putten. Blijkbaar wil ook dit verhaal over het water meer bieden dan een bericht over een dorstige Jood uit 'het dagblad van Sychar'. Wat speelt zich hier bij de bron van vader Jacob uiteindelijk af? Wat is er aan de hand?


De vrouw, aangesproken, windt er geen doekjes om. Hoe kun jij als Jood mij te drinken vragen terwijl ik een Samaritaanse vrouw ben! Want Joden en Samaritanen gaan niet synchroon. Ze gaan niet door een deur.
Jezus vangt haar opmerking wel op, maar werpt de bal onverwacht ver terug. Als jij zou weten van de gave Gods en wie het is die jou te drinken vraagt, je zou het hem vragen en hij zou jou levend water geven. Alleen hier in het Evangelie staat dat woord gave. (Zie overigens wel ook 3,15 en 4,42.)

Wat Jezus haar zegt draait het hele verhaal om. Van vrager (zie ook 20,28) wordt Hij schenken, gever (zie ook 20,30). Hij zou je levend water geven. We hoorden al van al dat water bij Ayin en Salim (3,23). Levend water vinden we alleen hier en in 7,37-39. Rivieren van levend water uit zijn binnenste!). Omdat de vrouw het woord herhaalt (4,10.11) mag het woord meer aandacht vragen. Hem, in de Griekse tekst niet meewerkend voorwerp (aan Hem), maar lijdend voorwerp - zoals in het Franse me voici. Alsof je Hem kunt vragen. (Denk aan het Rorate coeli. … et nubes pluant iustum). En Hij zou je levend water schenken. Is zij, zo ver als zij gekomen is, daar dan aan toe? Aan levend water? Of gaat dat aanbod haar vragen te boven? O bestaat dat, eigenlijk meer vragen dan je vraagt. (Wat weet je van je eigen honger of dorst. Een mens kan meer vragen dan je kunt vragen.) We zullen het zien, maar haar antwoord is opvallend nuchter en praktisch. Je hebt niet eens een emmer en de put is diep.
Het Griekse woord voor emmer of kruik is een zelfstandig naamwoord, afgeleid van het werkwoord voor putten uit vers 7. Zij zegt met eigen woorden zoiets als; 'Je hebt niet eens gereedschap en dat heb je bij deze put wel nodig. Hij is diep.' Zijn aanbod slaat volgens haar nergens op. En of men nu in het Samaria van Johannes als vanzelfsprekend aan onze vader Jacob denkt of niet, die naam grijpt in ieder geval terug naar 4,5-6. Jacob heeft aan Jozef de landstreek en de bron gegeven. Jacob heeft ons de put gegeven en heeft er zelf uit gedronken, hij en zijn zonen en zijn kudde. Op dat (door drie groepen gedronken) water gaat Jezus in. Dat water neemt de dorst niet weg, want iedereen krijgt toch weer dorst, maar ieder die drinkt uit het water dat ik hem of haar geef, hij of zij zal nooit meer dorst krijgen, maar het water dat ik hem of haar geef zal in hem of haar een bron worden met water dat opspringt tot leven.
Zo wonderlijk als het klinkt, de vrouw is niet onder de indruk. Ze blijkt en blijft nuchter en praktisch. Het lijkt haar best wel een idee! Heer, geef mij dat water, dan krijg ik nooit meer dorst en ik hoef niet meer naar hier te komen om te putten. En Hij zegt haar: ga, roep je man en kom naar hier (15-16).

De vrouw wil dat water dat leeft, dan hoeft ze niet meer hierheen te komen. Daarom zegt Jezus haar: breng je man hierheen. Het gaat dan niet meer over een materieel voordeel, maar om een leven dat na alles wat ze beleefd heeft, beantwoorden zal aan haar diepste aspiraties ( Zumstein,151). Zij vat haar geschiedenis kort samen. Jezus zegt haar dat ze naar waarheid antwoordt en hij geeft er zijn toelichting bij. Voor de vrouw betekent het eenvoudig, dat haar gesprekspartner iemand is die weet, die op de hoogte is. Heer, ik zie dat jij een profeet bent (19). En zij begint verschil of onderscheid te maken. Van Joodse man (9) naar Heer (15).

Zij ging terug naar vader Jacob. Hij gaat terug naar haar 'hier en nu'. Met Profeet maakt ze het boek open. Om te beginnen: haar boek. Ik heb geen man. Jezus zegt haar: Je hebt waarachtig gesproken. En zij gaat vanuit de Torah (onze vader Jacob) naar de Profeten. Ik zie dat je een profeet bent. Onze Vaderen tegenover jullie. Hebben die Vaderen iets te maken met de vijf mannen? Dat zal een vraag blijven. Maar tegenover dat meervoud brengt Jezus het uur in.
Onze vaderen tegenover jullie gaat over bidden en over deze berg tegenover Jerusalem. Daarop doet Jezus een persoonlijk beroep: Geloof me vrouw. Dat me staat er in de Griekse tekst uitdrukkelijk bij. Het uur komt. Maar eerst komt er een soort intermezzo. Daarin wordt gesauveerd en zeker gesteld: het heil, vrijheid en bevrijding, komt uit de Joden. Het uur komt en dat is nu, dat zij die waarachtig zijn, in waarheid zijn, in Gods genegenheid zijn, de vader zullen aanbidden in Geest en in waarheid. Dat zijn de mensen die God zoekt, die Hem vereren. God is geest en wie Hem vereert moet Hem vereren in Geest en waarheid. 'Geest', mag je zeggen: betrokkenheid door en door?


God is Geest (24). Alsof de vrouw met dit geluid vertrouwd is, zo stemt zij in. Ik weet Heer dat de Messias komt. En wanneer Hij komt zal Hij ons alles geheel en al vertellen. En daar geeft Jezus zijn stem aan. Ik ben. Hij die met je spreekt. Wijst Jezus hier simpel op zijn borst om te zeggen: 'dat ben ik!' Ik denk het niet. Ik denk dat Jezus deze vrouw die tot in de kern van haar bestaan blijkt aangesproken, tot en met ik weet Heer dat de Messias komt, direct confronteert met de oerervaring, voor-ervaring die Mozes heeft tegenover de struik die in brand staat maar niet verbrandt. Ik ben, ik zal zijn, je zult zien dat ik er ben. Het geheim van dat visioen is: God spreekt (Exodus 3,14). En niet alleen dat, maar: God spreekt met jou (Exodus 3,11-12).
Daarop komen zijn leerlingen. Ze zien het tafereel maar niemand zegt iets. De vrouw laat haar kruik in de steek. Ze gaat naar de stad en vertelt het de mensen. Kom, zie de mens die mij alles verteld heeft. Hij moet wel de Messias zijn. En het dorp loopt leeg en ze zetten in op Hem. Maar let op dat blijkbaar alles beslissende woordje alles. Het komt nog terug. Maar het verhaal wordt hier even stilgezet.

Even verlaten we het verhaal. Zijn leerlingen worden nu de leerlingen. Rabbi eet. Ze noemen hem hun leraar. De les die Hij hun vandaag zal geven ligt bijna voor de hand. Ze zijn weggegaan om eten te kopen (4,8). De leerlingen zijn bezig met eten. Geef ons heden ons brood voor vandaag (Mattheus 6,11). De vrouw was gekomen om water te putten en Jezus wilde wat te drinken krijgen. Jezus gaat de leerlingen vertellen waar Hij zijn voedsel vandaan haalt en wat Zijn brood is. Dat moeten ze weten en kan hen niet onbekend zijn. Begrijpen en kennen of weten zij dat inderdaad niet? Zou iemand Hem te eten geven of gegeven hebben? In het voorafgaande maakten we de reis van 'gewoon water' tot 'water dat in je een bron wordt'. Nu zal het gaan over alledaags, gewoon brood, gewoon leven, tot leven om te doen wat degene die Mij zendt behaagt en Zijn wil te volbrengen. Grote stappen worden gezet om dit op het spoor te komen.

(Eten en drinken zijn une totalilté bipolaire (Girard I,149). Wil een mens leven dan zijn eten en drinken de basisvoorwaarden. Tegelijk zijn eten en drinken niet alleen een aanduiding voor zaken betreffende de spijsvertering. Ze brengen ook mensen samen en bewaren verhalen. Girard geeft t.a.p. in noot 1 een fraaie collectie. Die brengt je door heel de Bijbelse literatuur. Volgens mij is het belangrijk daar oog voor te hebben. Ik geef de hele lijst. Gn 24,54; 25,34; 26,30; Ex 24,11; 34,28; Ex 32,6; Dt 9,9.18; 29,5; Richt 9,27; 19,4.6.21; Ruth 3,3.7; 1Sam 3-,11.12.16; 2Sam 11,11; 12,3; 1Kon 1,25; 4,20; 13.8.9.16.17.19.22 (bis).23; 19,6.8; 2Kon 6,23; 7,8; 9,34; 1Kron 12,40; 29,22; Neh 8,11.13; Tob 7,14; 8,1.20; Jud 12,11.19; Est 4,16; Job 1,4.13.18; Pred 2,24; 5,17; 8,15; Jes 22,13 (bis); 36,12; Jer 16,18; 22,15; Ez 39,17.19; Dan 1,12; Zach 7,6 (bis); Mt 6,31; 11,18; 24,38; Lc 5,30; 7,33.34; 10,7; 12,29.45; 13,26; 17,8 (bis).27.28; 22,30; Jh 6,53; Hand 9,9; 10,41; 23,12.21; 1Cor 9,4; 10,7.31; 11,22,26.27.28; 15,32.

We zijn in een nieuwe tijd gekomen (Thyen 271). Er is als nieuw te oogsten, nog ongezien. De een zaait, de ander maait. Maar er is wel een 'maar!' Want de oogst maakt de zaaier en de maaier als het ware tijdgenoten in het gebeuren. Sla de ogen op. De velden staan wit van de oogst. Ik stuur jullie om te oogsten. Betekent dit nu dat Jezus zijn leerlingen uitstuurt om te preken enz.? Er zijn redenen om dit niet waarschijnlijk te achten. Het is gewoon nog niet zover. Maar ik denk dat die eerste 10, 11 hoofdstukken, afgezien van de ontwikkeling van de pijnlijke verhoudingen tot de upperten van Jerusalem, zich ook bezig houden met het ontvouwen van het grondplan: 'wat is en wat betekent het, leerling van Jezus te zijn'. Dat leerplan begint met 'op Hem gewezen worden door de betrouwbare getuige', je laten zeggen, vragen stellen, en zien waar hij verblijft (1,39) tot en met delen in de verhalen vanouds, zich herinneren, enz. Hier wordt daaraan toegevoegd: oogsten wat Hij zaait. (Als een van degenen die de oogst binnenhalen mag je zeker ook de vrouw uit Samaria gedenken die in Jezus de Messias ziet en haar hele dorp oogst, meeneemt. De mensen willen het nu zelf ook zien en horen.)
Misschien is dit wel het programma van de reis door Samaria, dorst hebben en te drinken vragen, toegang krijgen tot alles wat er voor jou toe doet, de bron aanspreken die je geboden wordt, ook in jezelf, de wil doen van degene die je hoe dan ook stuurt, maar vooral: zelf willen zien, zelf willen horen, zelf gaan in het spoor van de grote oogst die trekt en aandacht vraagt.

Water is in de bijbelse literatuur niet de vloeistof die ons toestroomt als we de kraan open draaien. Water beslist in het Midden Oosten over leven en dood. (Zie ook Genesis 26,15-25.) En brood is niet alleen wat je spijsvertering op gang brengt. Het is ook (teken van) je leven.

Het wonder dat de vrouw uit Sychar overkomen trekt velen over de streept. Hij heeft mij alles verteld. Let wel: dat alles is niet wat je op de grote Universiteiten en Hogescholen of in het leven van elke dag kunt leren. Alles is alles wat er voor haar toe doet, wat voor haar alles is. Hij moet bij hen blijven en blijft twee dagen, en gaan nu in Hem geloven, op hem vertrouwen omdat ze Hem zelf gehoord hebben. Hij is degene die de wereld vrij maakt.

Misschien is dit ook de plek om die eerste woorden van Johannes (1,1-4) interpreterend te hernemen:
Om te beginnen is er het spreken geheel en al met God verbonden ... in Hem is leven en dat levenis een licht voor de mensen. Denk aan: we hebben zelf gehoord en wij weten ... (4,42).

4.2. Iemand koninklijk en zijn met de dood bedreigde zoon

43 Na twee dagen gaat hij vandaar weg naar Galilea
44 want Jezus heeft zelf getuigd dat een profeet in zijn eigen stad geen eer heeft. 45 En wanneer hij naar Galilea gaat ontvangen de Galileeërs hem
want ze hebben alle tekenen gezien die hij in Jerusalem in het feest gedaan heeft, want ook zij zelf zijn naar het feest gegaan.
46 hij komt nu weerom naar Kana van Galilea waar hij water wijn maakte.
En er is een koninklijk iemand wiens zoon in Kapernaum ziek is.
47 Deze heeft gehoord dat Jezus uit Judea naar Galilea gekomen is
en hij gaat uit naar hem en
hij vraagt af te dalen en zijn zoon te genezen
want die was bijna aan het sterven.
48 Jezus dan zei hem:
Wanneer jullie de tekenen en wonderen niet zien hebben jullie geen vertrouwen.
49 De koninklijke (man) zei tot hem: 'Heer, daal af voordat Mij zoon sterft!'
50 Jezus zei hem: 'Trek op, je zoon leeft.'
De mens vertrouwt het woord dat Jezus hem spreekt en hij trekt op.
51 En terwijl hij naar beneden gaat komen zijn knechten hem tegemoet
en ze zeggen dat zijn zoon leeft.
52 Daarop vraagt hij hen het uur waarop hij beter geworden was.
Daarop zeggen zij hem:
gisteren op het zevende uur heeft de koorts (het vuur) hem verlaten.
53 En de vader weet
dat dat het uur is waarop Jezus hem zei: 'Je zoon leeft',
en hij vertrouwt en heel zijn huis.
54 Dat doet Jezus als teken wederom terwijl hij uit Judea naar Galilea komt.


Commentaren zijn geneigd 4,43-45 als een intermezzo te zien. De tekst heeft hier dan enkel een choreografische of geografische betekenis. Maar het zou kunnen zijn dat in 'boven en beneden' toch meer in schuilgaat. Denk aan woorden als vertrouwen of willen ontvangen.
Wanneer Hij in Galilea komt ontvangen de mensen hem met open handen, want ze hebben alles gezien wat hij in Jerusalem gedaan heeft tijdens het feest want ze zijn zelf ook opgetrokken naar het feest.

Alles wat hij gedaan heeft. Het lijkt zinvol erop te wijzen dat hier niet staat: 'alle tekenen' of: 'alle wonderen'. En het is ook goed om te zien, dat dit hetzelfde alles is als dat wat de Samaritaanse vrouw toeschrijft aan de Messias: Hij zal ons alles vertellen (4,25.29.39). Zouden de Galileeërs gemotiveerd worden door dezelfde verwachting en ervaring als de Samaritaanse en haar volk? Maar hoe dat ook zij, terwijl al dan niet de verwachtingen hooggespannen zijn komt Jezus wederom binnen in Kana in Galilea waar hij (door de dienaren die doen wat de moeder zegt en door de moeder die zegt wat de dienaren moeten doen) van water wijn maakt. Blijkbaar moeten we ons dit wel herinneren. Water en wijn. We zijn vertrouwd met 'water en bloed' (19,34) in omgekeerde volgorde: bloed en water (uit zijn zijde). En Jerusalem fungeert bij dat alles als plaats en decor. Decor voor wat? Dat moet nog komen.


Zij komen naar het feest (4,45), hij komt wederom naar Kana … beladen door herinnering over water en wijn. Nu is daar iemand koninklijk.
Commentaren zijn hier snel geneigd te zoeken naar een hofbeambte, een functionaris aan een of ander koninklijk hof. Wie het opschrift boven het kruis kent ('eens geschreven blijft geschreven'), weet dat een koning geen hoveling hoeft te zijn.


In 4,46 zien we iemand koninklijk, zoals we in 3,1 een mens zien en zo aanstonds in 5,4 iemand mens zullen zien. Hij is er reeds. En hoe? Hij is er omdat hij gehoord (vgl 'woord'!) heeft. Dat horen - we horen nogmaals de hele reis van Judea naar Galilea - is voor hem doorslaggevend. Daarom komt híj omhoog naar Jezus die blijkbaar ook opgegaan is. Hij is ook naar Kana opgegaan om Jezus te vragen: daal af! (4,47.49). De koninklijke iemand vraag Jezus (die hier nog steeds niet met name genoemd is,) af te dalen, want! Hij vraagt af te dalen, want hij heeft een zoon die genezing zeer behoeft. Die Zoon staat zelfs op het punt van sterven.

Jezus, nu, gevraagd, met name genoemd, gaat in eerste instantie niet in op deze vraag. Het lijkt hem dwars te zitten dat ze eerst wonderen en tekenen willen zien. Maar daarvoor is de koninklijke mens niet omhoog gekomen. Daal af vóór Mijn jongen sterft. Daarop zegt Jezus dat de man naar beneden moet gaan want je zoon leeft. En de man gaat ook zelf - blijkbaar zonder wonder of teken. Hij gaat in vertrouwen op het woord dat hij gehoord heeft. Hij hoort en gaat die afdalende weg (4,52, vgl. 1,52). Daarop komen zijn dienaren hem tegemoet. Ze zeggen dat zijn zoon leeft. En we kunnen lezen: op het zevende uur (4,53). Dat is het gevraagde uur (4,52). Dát uur wordt in 4,53 onderstreept. Datzelfde uur vinden we ook in 19,27. En zoals bekend: het zevende uur kan volgen op het zesde.


De zoon leeft. Hij blijft in het huis van de vader. Het is een soort echo op de reactie van de Samaritanen: deze is de bevrijder van de wereld (4,42). Iemand koninklijk blijkt in zijn zoon vader te zijn en een huis te hebben.


Commentaren zijn geneigd te lezen: dit deed Jezus als tweede teken, gaande uit Judea naar Galilea. In het Grieks staat deuteron sèmeion. Denk bij deuteron aan Deuteronomium. Dat betekent niet 'de Tweede Wet'. Maar het betekent ook nog eens de Wet, nog eens de Torah. De Torah wederom. Daarom hier: het teken wederom. Kana en Kapernaum bieden het teken ten principale en het teken wederom. Kana en Kapernaum zijn een soort boekensteunen. Zij houden Jerusalem, Judea en Samaria bij elkaar. Die plaatsen verwijzen naar elkaar, roepen bij Johannes elkaar op, bieden plaats, vullen elkaar aan en leggen elkaar uit. Kana heeft iets met Pasen!

5. Johannes 5
Bij de schaapspoort in Jerusalem

5.1. De verlamde en Sjabbat

5,1 Na dit alles is er het feest van de Joden en Jezus gaat op naar Jerusalem.
2 In Jerusalem is bij de Schaapspoort een vijver met vijf zuilen
die in het Hebreeuws ook Bethesda heet.
3 Daar ligt een menigte zieken, blinden, lammen en verschrompelden
[die wachten op een beweging van het water,
4 Want van tijd tot tijd daalt een engel van de Heer af in de vijver en beweegt het water.
En de eerste die in het water afdaalde wordt genezen, welke ziekte hij ook heeft.]
5 Daar is iemand mens die al 38 jaar ziek is.
6 Jezus ziet hem neerliggen en weet dat hij daar allang is.
Hij zegt hem: Wil jij gezond worden?
7 De zieke antwoordt Hem:
Heer, Ik heb niet een mens om Mij wanneer het water beweegt, in het water te werpen.
8 Jezus zegt hem: neem je bed en ga.
9 En gelijk geschiedt het dat de mens gezond is,
en hij tilt zijn bed op en gaat.
Het is sabbat op die dag
10 en de Joden zeggen tegen de genezene:
het is Sabbat en het is je niet toegestaan je bed te dragen!
11 Maar hij antwoordt:
Die Mij gezond gemaakt heeft, die heeft tegen Mij gezegd: 'Draag je bed en ga'.
12 Ze vragen hem:
'Wie is de mens die jou gezegd heeft: 'Draag en ga'?
13 Maar de genezene weet niet wie hij is,
want Jezus is verdwenen omdat er een menigte op de plek is.
14 Na dit alles vindt Jezus hem in de Tempel en hij zegt hem:
Zie, je bent gezond geworden.
Zondig niet meer opdat je niets ergers overkomt.
15 En de mens gaat weg en hij bericht de Joden
dat het Jezus is die hem gezond gemaakt heeft.
16 En daarom zitten de Joden Jezus op de hielen,
omdat hij dit alles doet op Sabbat.
17 Maar Jezus antwoordt hen:
Mijn vader werkt tot nu toe en zo werk Ik ook.
18 Daarom zoeken de Joden hem nog meer om hem te doden,
niet alleen omdat hij de sabbat opheft,
maar omdat hij God zijn eigen vader noemt,
en zich gelijk maakt aan God.

Die onrust in Jerusalem bevalt Jezus niet. Hij vertrekt naar Galilea. Bij Johannes lijkt dat geen thuisland. "De zijnen" dat is bij Johannes Jerusalem. Het wordt er te warm. Op naar Galilea. Om daar te komen moet hij door Samaria, de tegenwoordige Westbank. Bij Johannes kun je daar een put van naam vinden en water waar je mond van over loopt. Levend water en een totale transparantie. Helderheid. Wat wil een mens meer dan kunnen zien! Een beetje helderheid in deze stoffige wereld. Alles weten, alles kunnen delen, aanwezigheid genieten, er mogen zijn.
Galilea is bij Johannes het land dat door twee namen gedragen wordt: Kana en Kapernaum, IJver/'Bezeten zijn van' en Troostdorp. `Die twee namen binden een Bruiloft die hier tòch doorgaat en een zoon die tegen alle verwachting in tòch geneest. Luisteren en doen wat het onderwerp van het Evangelie zegt laat de derde, de hofmeester, de beste wijn proeven die iemand schenken kan terwijl hij water drinkt, maar hij weet niet waar die wijn vandaan komt, de dienaren weten dat. En die zoon? Dat is op het randje. Een troosteloze vader die van opgeven niet weten wil en daarom opgaat naar de hemel van Kana om het ten overstaan van Jezus op te nemen voor zijn stervenszieke zoon. En dan is alle angst en zorg overbodig geworden en wordt in de verbijstering van de stilte en hoop vertrouwen geboren. Het onmogelijke en onwaarschijnlijke is voor wie met Jezus van Johannes in zee gaat een begaanbare weg. Vertrouwen.
Dan is het weer Pasen. Johannes wil het eigenlijk alleen over Pasen hebben want dáár blijkt de verrassende en bevrijdende kracht van die onwaarschijnlijke God. Je zult maar slaaf zijn. Vrijheid en bevrijding bestaan dan niet. Gisteren slaaf, vandaag slaaf en morgen slaaf.
En dan toch, tegen beter weten in, komt Mozes met een alternatief, iets dat helemaal niet verstaat. Maar toch! Je kunt al die regels wel lezen alsof het allemaal waar en echt is en dan ben je klaar, maar stel je voor dat geloven een verhaal te vertellen heeft, niet een verhaal over feiten voor of na Christus, maar een verhaal over wat een mens leven laat. Vertrouwen in het hier en nu. Vertrouwen in mensen om je heen. Vertrouwen in de taal, in de verstandhouding en de betrokkenheid. Vertrouwen voor jou. Je mag er zijn. Ook jij. Een mens, een bijzonder mens. Een apart iemand.
Hert is Pasen en Jezus trekt toch naar Jerusalem. Maar zelfs het voor ons hier en nu, kleine Jerusalem, is groot. Waar moeten we zijn? Wat is hier, in Johannes 5, Jerusalem? Dat is een bad. Een redelijk grote poel water op een steenworp van de noordkant van het
Tempelgebied, omgeven door vijf zuilen, voor archeologen onvindbaar tot 1888. Een redelijk grote poel omgeven door vier zuilengangen en in twee 'baden' verdeeld door een vijfde, zuilengang in het midden. Maar laat die gevonden feitelijkheid niet wegduwen wat het verhaal vertelt. Jerusalem, bij de Schaapspoort een reinigingsbad, een Jordaan bijna waar land en leven op het land open ligt - geschraagd door de vermelde vijf zuilen van Mozes, een en al een open boek. Maar, bij dat alles zul je maar niet bij dat alles belovende, leven belovende water kunnen komen omdat je verlamd bent. Dat gevoel of inzicht kan de lezer over de drempel van het verhaal brengen. Genezing, een zegen die een droom wordt, maar ook een weldaad waar 'men' in Jerusalem geen oog voor heeft, die er, zo zal blijken, trouwens ook zeker niet mag zijn. Wat is dit voor verhaal op de tinnen van de tempel?
Dit bad bij de Schaapspoort met zijn vijf zuilengangen ligt vol ellende van allerlei soort. Zieken, blinden, verlamden, uitgedroogde mensen, maar dat alles wordt achtergrond voor één beeld. Eén gestalte vult het beeld: iemand mens. Hij is verlamd en ligt daar al 38 jaar, bijna een leven lang. Ook de tocht van 40 jaar woestijn zou 38 jaar (Deuteronomium 2,14) geduurd hebben. Veertig voor een mensenleven, min twee, om Kaleb en Jehosjoea te gedenken, de twee 'verspieders' die met een goed getuigenis over het land terugkomen (Numeri 14,6; Deuteronomium 1,36) waar de anderen met hun zware druiventrossen niet verder kwamen dan 'te groot, te zwaar, te sterk'.
Acht en dertig jaar ligt deze aan zijn lijf geketende man aan de rand van het water. Blijkbaar is er niemand die een hand uitsteekt. Jezus ziet hem daar liggenen blijkt te weten van al die tijd en hij zegt hem. Zet hier het verhaal even stil.Als Jezus hem ziet en weet heeft van zijn leven, wat zal Hij hem zeggen?
In de Griekse tekst vraagt Jezus niet. Hij zegt. Wat Hij zegt, Zijn woord, is alles waar deze man nog net over durft te dromen. Wil jij gezond worden? Hier bij deze door ellende omgeven vijver kan een vraag niet logischer en preciezer zijn. Want zelfs als je maar 'een beetje ziek' bent geldt die vraag: Wil je gezond worden. (Het onderwerp, 'jij' wordt in de tekst niet benadrukt. Alsof het een vraag 'voor de neus weg' is. De man beantwoordt de vraag. Hij heeft er al over nagedacht. Naast wat hem mankeert weet hij wat hij node mist. Heer, ik heb niet een mens die mij, wanneer het water beweegt, in de vijver gooit. Alsof hier genezen worden een hardloopwedstrijd is. Alsof een handlanger een hulp zou kunnen zijn. Maar blijkbaar is dat een logica waar Jezus geen woorden voor heeft. Hij pakt het duidelijk anders aan. Neem je bed of en ga. En de mens wordt terstond gezond en hij staat op en neemt zijn bed en gaat. Het punt van omslag, het moment waarop water wijn werd, speelt in Kana geen rol. Daar gebeurt pas bij het proeven dat er iets bijzonders aan de hand is. Hier, bij de vijver, zal het effect niet geproefd worden. Hier gaat een geheel andere kaart gespeeld worden. Maar het moment van omslag wordt exact aangegeven. De man wordt gezond. Dat is 1. En hij doet zoals hem gezegd is. Hij neemt zijn bed op en gaat. Dat is 2. Een dankwoord, of verwondering over het onwaarschijnlijke dat gebeurd is, geen woord. De man doet zoals hem gezegd is. Alsof wat hij doet voor hem heel natuurlijk is Uit zijn doen blijkt dat hij iets doet omdat hij doet wat hem gezegd is. Die tekst uit Kana herinneren we ons. Wat probeert Johannes ons in dit verhaal te vertellen?
Het is alsof je met het scherpe mes de taart opnieuw aansnijdt. Want de zaak die nu naar voren wordt geschoven is eerder nog niet aan de orde gesteld: Het is sjabbes op die dag. Sabbat, de dag van de Heer. De dag van rust (Exodus 20,8vv) en bevrijding (Deuteronomium 5,12-15). Op deze dag staak je wanneer je overeenkomstig de Schriften leeft om de mens mens te laten zijn, een schepsel als al het andere dat er is.

Zonder dat wij dat bemerkt hebben heeft er een scènewisseling plaats gevonden. Jezus is van het toneel verdwenen. (Wanneer komt Hij hoe weer terug en wat gebeurt er dan - eventueel als 'uitleg' van zijn 'afwezigheid'?)
Op het toneel staan nu alleen 'de Joden', de mensen die vanaf Johannes 1 in Jerusalem thuis zijn en vanuit Jerusalem vragen mogen stellen. Zij staan tegenover 'de mens die gezond geworden is'. De man die al 38 jaar bij de poel ligt is daar al die tijd wel en niet gezien. Hij moet ter plaatse een bekende geweest zijn, en publiek figuur. Je zou dus denken: vreugde alom. Maar daar is geen sprake van!
Zonder ook maar één moment bedenktijd, zonder ook maar één opmerking over 'genezing' of zo, valt direct als een hamerslag de zin: Het is sjabbes en het is jou niet toegestaan het bed op te nemen. Het zijn in de Griekse tekst zes woorden. De eerste helft van die zin zegt: Het is jou niet toegestaan. En de tweede drie woorden in het Grieks: … op te nemen het bed. Dat bed waarop hij al 38 jaar ligt is niet 'jouw bed', maar 'het bed' geworden, niet meer persoonsgebonden 'zijn lot'. Hun opmerking lijkt dan ook niet persoonlijk bedoeld. Daar sta je dan met gebonden handen. Maar niet sprakeloos!
En hij antwoordt hen: Die mij gezond gemaakt heeft, Hij heeft mij gezegd: neem je bed en ga. Hij heeft enkel gedaan wat hem gezegd is en geholpen heeft. Maar dat doet er niet toe. Wat hem overkomen is tot en met zijn genezing is voor hen van geen belang. Ze vragen hem: wie is die man die jou gezegd heeft: neem en ga. In zijn antwoord voert de genezene drie keer de persoonsvorm voor de tweede persoon op. Het ging wel degelijk over hem. Hij is aangesproken. Iemand heeft een meer dan goed woord voor hem gehad! Maar de genezene weet niet wie het is want Jezus heeft zich losgemaakt van de grote menigte die er is.
Opeens wordt gesproken over een grote menigte. Jezus lijkt ondergedoken in die hoeveelheid. En 'de mens' weet niet wie het is die hem gezond heeft gemaakt. Je-hosjoea, de Heer bevrijd, zover is hij nog niet. Eerst kun je je niet bewegen, 39 jaar lang, en nu kan hij niet op die naam komen. En natuurlijk: jij weet ook niet wie die ander is. Die ander is immers nooit 'inhoud van je bewustzijn'. Maar 'een naam', dat is toch niet 'de ander'. Het verhaal lijkt uit te gaan van een zekere 'onmondigheid'. De mens krijgt hulp van het verhaal zelf. Daarna vindt Jezus hem in de tempel en hij zegt hem …
Voor wat een mens overkomen is hebben zíj geen goed woord over. Blijkbaar moet het op sjabbes in Jerusalem alleen gaan over wat volgens 'hen' op een welomschreven en vastliggende wijze moet. De man doet nauwkeurig verslag. Hij deed zoals gezegd, zo gedaan. Maar wie heeft dat dan gezegd?
Ja. Jezus heeft zich opgelost in de menigte. De mens die gezond geworden is kan Hem niet aanwijzen en weet niet Wie het is. Maar zoals eerder in het verhaal: "Jezus vindt hem in de tempel en zegt hem´. Wat gaat Jezus, in de menigte in de tempel hem (vindend) teruggevonden, zeggen?

Zie je bent gezond geworden. Zondig niet meer opdat je niets ergers overkomt. Dat is wel een opmerkelijke begroeting bij dit weerzien. Waarom zegt Jezus dat? Wil Jezus volgens Johannes als inbreng aanreiken dat voor Hem 'verlamd liggen langs het water' zoiets als het gevolg van zonde is? Gegeven 9,2 lijkt dat onwaarschijnlijk. De leerlingen stellen daar een vraag stellen over wat Jezus in het voorbijgaan ziet. Ze vragen: wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders, dat hij blind geboren is? Jezus wijst die vraag uitdrukkelijk af en spreekt over iets wat geheel anders lijkt.
Het is hier in het verhaal voor het eerst dat Johannes het woord zondigen inzet. Het komt in zijn Evangelie maar drie of vier keer voor (5,14; (8,11;) 9,2.3). Wat moet dat woord hier en welke betekenis kan het hebben? Het enige negatieve waar je de verlamde aan het water van kunt betichten is dat zijn klacht Ik heb niemand die mij … zou kunnen suggereren dat hij dat ook niemand vraagt of en dat ook niet van plan is (omdat het 'toch geen zin' heeft).

Het is goed mogelijk dat die '38 jaar' herinnert aan Deuteronomium 2,14 (1,24). Het is de tijd van Israels zonde (Thyen 297). De nieuwe generatie van het volk zal het land binnen gaan. (Het vermoeden van een dergelijke samenhang wordt ook ondersteund door 'oordelen' (21) en 'aanklagen' (45) die een rol spelen in het volgende tekstgedeelte.

Je zou dat woord 'zonde' - het probleem is dat zonde in onze cultuur altijd gaat over onze moraliteit - wel een plaats kunnen toekennen bij de slang in de woestijn (4,14; Numeri 21,7). Ook en leid ons niet in de beproeving - Onze Vader - wint aan betekenis wanneer je de woorden naast Exodus 17,2 leest. De 'zonde' is dan zoiets als 'het niet meer zien zitten', geen vertrouwen hebben in de beweging van 'vrijheid en bevrijding' die nu ook voor hem begonnen is.
Of gaat het bij gezond worden over: 'de gezondheid die Jezus hem geeft' (Zumstein 1,183)? Het 'ergste' dat hem kan overkomen is immers: gevangene zijn van zijn ziekte en het gevoel hebben, zeker weten, dat God wel afwezig moet zijn voor iemand die achtendertig jaar verlamd langs het water ligt. Voor hem is nu een ander verhaal begonnen.

De waarschuwing van Jezus, kan in ieder geval ook een aanwijzing zijn voor wie het verhaal leest. En wij, hoorders en lezers van het verhaal, kunnen zoals altijd met de tekst meegaan, het verhaal in.

 

5.2. Over de Vader en de Zoon,
over oordelen, vertrouwen, over het getuigenis

19 Jezus nu antwoordt en Hij zegt hen:
Het is waar en betrouwbaar zeg Ik jullie.
De zoon kan niets doen uit zichzelf, tenzij wanneer Hij de Vader ziet doen.
Want wat Hij doet, zo doet de Zoon.
20 Want de Vader houdt van de Zoon en laat Hem alles zien wat Hij doet,
en grotere werken dan deze zal Hij Hem laten zien
opdat jullie je zullen verwonderen.
21 Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt,
zo maakt ook de Zoon levend wie hij wil.
22 Want de Vader oordeelt niemand
maar hij heeft het hele oordeel aan de Zoon gegeven,
23 opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren.
Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet die Hem zendt.

24 Het is waar en betrouwbaar wat Ik jullie zeg:
wie Mijn woord hoort en vertrouwen heeft in Degene die Mij zendt,
heeft eeuwig leven
en hij komt niet tot het oordeel
maar hij steekt over van de dood naar het leven.

25 Het is waar en betrouwbaar wat Ik jullie zeg:
het uur komt en het is nu
dat de doden de stem van de Zoon van God horen
en zij die horen zullen leven.
26 Want zoals de Vader leven heeft in zichzelf
zo geeft hij ook de Zoon leven te hebben in zichzelf.
27 En Hij geeft Hem de volmacht het oordeel te maken
omdat Hij de zoon van de mens is.

28 Verwonder je niet hierover
dat het uur komt dat allen in de graven Zijn stem zullen horen,
29 en zij zullen uitgaan,
degenen die de goede dingen doen tot opstanding ten leven
en die de slechte dingen doen tot opstanding ten oordeel.

30 Ik kan niet doen uit Mijzelf.
Zoals Ik hoor oordeel Ik
en Mijn oordeel is rechtvaardig
omdat Ik niet Mijn wil zoek maar de wil van Degene die Mij zendt.

De tweede helft van hoofdstuk 5 is een betoog. Jezus antwoordt op de wijze van Johannes op de dubbele aanklacht van de autoriteiten van Jerusalem. Hij zou de sabbath niet houden en door God Zijn Vader te noemen maakt hij zich gelijk aan God.
De tekst legt in feite zichzelf uit. Je moet hem gewoon lezen, in zijn geheel en in delen, op je in laten werken. Wat wil hij Hij zeggen? En hoe zegt Hij dat?

Marc Girard geeft zoals gewoonlijk op een heldere manier de struktuur van het eerste deel van het betoog weer. Het geheel vormt een structuur van 3 inclusio's waarbinnen de verzen 24 en 25 de kern vormen: (24:) waarlijk, ik zeg jullie: wie Mij hoort ... heeft eeuwig leven ... steekt over van de dood naar het leven (25:) waarlijk, ik zeg jullie ... het uur komt ... de doden horen de stem van God en die horen zullen leven.
De eerste schil (19-30) wordt gevormd door 'de Zoon die uit zichzelf niets kan doen tenzij wanneer Hij ziet wat de Vader doet. Dat doet Hij evenzo'. 'Ik kan niets doen uit mijzelf' sluit de passage af.
In de tweede schil (20-28) laat de Vader de Zoon zien wat Hij doet ... wees niet verbaasd. Vers 28 herneemt die woorden: wees niet verbaasd..
De derde de schil (21.22.23-26) spreekt over het opstaan uit de doden, het leven laten, het niet oordelen, het oordeel dat de Vader aan de zoon geeft en het eren van de Vader en de Zoon.

In dit tekstgedeelte gaat het over de volstrekte eenheid van de Zoon met de Vader. Zonder Hem, de Vader, kan Hij, de Zoon, niets doen (4 keer in vers 19). Naast het doen gaat het in deze tweede schil over zich verwonderen. De mensen zullen zich verwonderen over wat de zoon doet - oordeel, verrijzenis van de doden - maar alsof dat allemaal heel gewoon is, zo worden ze uitgenodigd niet toe te geven aan de verwondering. Hier dichter bij de kern van het geheel komend gaat de eenheid van de Vader met de Zoon over geven: namelijk het leven, het oordeel en het gelijkelijk eren van de Zoon en de Vader.

31 Wanneer Ik getuig over Mijzelf is mijn getuigenis niet waar.
Een ander is het die over Mij getuigt
en Ik weet dat het getuigenis waar is waarmee Hij over Mij getuigt.

33 Jullie hebben gezonden naar Johannes en hij getuigt in waarheid.
34 Maar Ik neem het getuigenis van een mens niet
maar dit (alles) zeg Ik opdat jullie bevrijd worden.
35 Hij is een brandend en schijnend licht
en jullie willen je korte tijd verheugen in zijn licht.

36 Maar Ik heb een getuigenis groter dan dat van Johannes
want de werken die de Vader Mij geeft om ze tot voltooiing te brengen,
deze werken die Ik doe,
zij getuigen omtrent Mij dat de Vader Mij zendt.
37 En de Vader die Mij zendt, Hij is het die over Mij getuigt,
maar jullie luisteren helemaal niet naar Hem en jullie zien Zijn beeld niet.
38 En jullie hebben Zijn woord niet blijvend in jullie,
want wie Hij zendt, in Hem hebben jullie geen vertrouwen.

39 Jullie onderzoeken de Schriften
want jullie menen daarin eeuwig leven te hebben
en zij zijn het die over Mij getuigen.
40. Maar jullie willen niet naar Mij komen om leven te hebben.
41 Eer van de kant van mensen neem Ik niet,
42 Maar Ik ken jullie.
De liefde van God hebben jullie niet in je.

43 Ík kom in de naam van Mijn vader en jullie nemen Mij niet.
Maar wanneer een ander komt in zijn eigen naam,
hem zullen jullie nemen.
44 Hoe kunnen jullie vertrouwen terwijl je eer van elkaar neemt
maar de eer van de kant van de ene God zoeken jullie niet?

45 Meen niet dat Ik jullie zal aanklagen bij de Vader.
Jullie aanklager is Mozes op wie jullie je beroepen.
46 Want als jullie Mozes zouden vertrouwen
zouden jullie ook Mij vertrouwen
want over Mij schrijft hij.
47 Als je geen vertrouwen hebt in wat hij schrijft,
hoe kun je dan in Mijn woorden gaan vertrouwen?

Wie mag die ander zijn die over Mij getuigt (31-32)? De tekst spreekt zich daar niet nader over uit. Hij lijkt ruimte te maken voor een ander verhaal dan dat van de tegenstanders in het vijfde hoofdstuk. In tweede instantie voert de tekst als getuige Johannes op (35-36). Daarna zal de Vader getuige zijn, (36b-38), en tenslotte: de Schriften (38-47). Het zal in het geheel van het Evangelie beslissend zijn hoe 'men' met de Schriften omgaat. Tegen het einde van hoofdstuk 7 komen we daar zeker kort en krachtig op terug.

(verder uitwerken - 25/8/24)