Indrukken opgedaan in colleges over Johannes
van
Jan Engelen

door Veronique Oladosu – van der Helm

weergegeven
en aangereikt voor lessen in diverse groepen

D34 januari 2005

 

Inhoud:

I                       DKW

II                      Een werkstuk voor 8 weken katechese

 

 

 

 

Johannes

 

 

 

 

I    DKW

        

Jan van Eyck: De aanbidding van het Lam Gods (middenpaneel)

Jan van Eyck, De aanbidding van het Lam Gods, 1432

 

Johannes wordt vaak geciteerd.

Een voorbeeld hiervan is het Lam Gods:

-          pasen: het paaslammetje

-          ook in de kunst: Lam Gods aan het kruis

 

 

Rogier van der Weyden: Braque drieluik - Maria, Jezus, Johannes de Evangelist

Rogier van der Weyden, Braque drieluik (Maria, Jezus en Johannes de Evangelist) ca. 1450

 

In de schilderkunst staan naast het kruis vaak Maria en Johannes afgebeeld.

 

 

In het Johannesevangelie spreekt Johannes alleen van Johannes de Doper.

Johannes wordt in het Marcusevangelie onthoofd (Salomé), zie H.6.

 

Indeling van Johannes:

-          Joh. 1:1 t/m 20 is een samenvatting. Alle belangrijke thema’s worden hier aangedragen. Bij vers 20 begint het verhaal.

-          Het verhaal eindigt bij Joh.20:30.

 

 

Joh. 21 is een toetje. De discipelen gaan hier vissen. Dit is in bijbelse zin levensgevaarlijk, want je kan ieder moment zinken. Myra was toendertijd een belangrijke havenstad, een tussenhalte. Jezus staat aan de oever: de beste stuurlui staan aan wal. Ze vangen 153 vissen. In het Hebreeuws kent men geen cijfers, maar letters; 153: De Kinderen Gods; zie Joh.1:12-13.

 

Aan de boorden van het meer van Tiberias vinden we een aantal belangrijke plaatsen.

Capernaum (Kfar Nahum of Nachum), gelegen aan de noordkant, was de plaats waar Jezus in de synagoge predikte. Tussen het nabij gelegen Korazim en Tiberias woonden veel volgelingen van Jezus. Ook veel discipelen kwamen uit die streek.

 

Duccio di Buoninsegna: Christus verschijnt achter gesloten deuren aan de apostels

Duccio di Buoninsegna, Christus verschijnt achter gesloten deuren aan de apostels, 1308-1311

 

Joh.20:19 Hier lezen we het eerste verhaal na het verrijzenisverhaal. Jezus staat altijd in het midden.

Hij praat, er moet nog wat verteld worden.

 

Jezus zegt twee keer: Vrede op jullie (in mijn bijbel staat: Vrede zij U):

-          op jullie rust de vrede en het is jullie taak om die te bewaren; jullie moeten de vrede dragen

-          dan zul ook jij in vrede zijn, tevreden zijn, er vrede mee hebben

 

Vrede is goed; zie het scheppingsverhaal. We hebben het goed met elkaar. Vrede heeft dus een bredere betekenis dan alleen: geen oorlog. Is dit de kern? Is dit waar het evangelie naar toe wil?

 

Je vindt dit alleen bij Johannes (niet bij Marcus, Mattheus en Lucas)

 

 

 Handschrift, God beveelt Mozes de Levieten aan te wijzen om de priesters te dienen als wachters van de Tabernakel

Joh.1: Joden horen thuis in Jeruzalem volgens Johannes. Priesters brachten in Jeruzalem offers in de tempel.

De Levieten hielpen de priesters.

 

De priester leest als 1e uit de Thora en de Levieten leven als 2e uit de Thora in de synagoge. Alsof het in de tempel is.

Cohen is een priestergeslacht.

 

 

Geertgen tot Sint Jans: Johannes de Doper in de woestijn

Geertgen tot Sint Jans, Johannes de Doper in de woestijn, 1465-1495

 

Joh.1:19-28:

beleed (+), ontkende niet (-, -), en beleed (+); drie keer zegt hij: ik ben de Christus niet.

 

Er is niets meer waard dan een mens, volgens de Bijbel.

Als je een mens vermoordt, vermoordt je een wereld.

De mens gooit Bijbels gesproken hoge Messiaanse ogen (Heilige Sacramenten).

 

Elia = de profeet = legt de Thora uit.

Dé profeet is Jesaja (Profeten, vanaf H.14). Hij wordt aangehaald tijdens Advent en is de profeet van de terugkeer uit de ballingschap naar Jeruzalem.

 

Als de Messias komt, komt eerst Elia; zie laatste regel O.T.: ‘Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt. Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban.

 

De weg van Bagdad naar Jeruzalem gaat door de woestijn.

De weg van Egypte naar Jeruzalem gaat door de woestijn.

De rechte weg is de betrouwbare weg (de weg naar vrede) die voert naar Jeruzalem.

 

 

Paolo Veronese: De doop van Jezus

Paolo Veronese, Doop van Jezus, 1528-1588

Dopen is georiënteerd worden op Jeruzalem.

 

Heilige Geest:

-          Tussen hemel en aarde. Hemel en aarde horen toch bij elkaar. ‘Ere aan God in de Hoge en Vrede op aarde.’

-          Joh.6:63: ‘De woorden die ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven.’

De woorden zijn ertussen. Alsof de verhalen de Heilige Geest zijn.

 

Marc Chagall Jacob's Dream

Joh.1:44-46: Iemand die volgens het boek is.

Iets goed = overeenkomstig de Thora.

 

Een Israëliet = een echte Jood = iemand die met de Thora bezig is. Zitten onder de vijgenboom betekent bezig zijn met de Thora. De vijgenboom geeft twee keer per jaar vrucht (net als de Thora).

 

Joh.1:52: Jacobsladder.

Ook als je weggaat, ga je niet verloren. Je neemt je plaats met je mee.

Israël = Jacob; zie Genesis 32.

 

Het ware Israël = de ware Jacob: de bruiloft te Kana.

 

Joh.2:1:

De bruiloft is op de derde dag. Dit is volgens de Joodse traditie de ideale dag om te trouwen (dinsdag). In het scheppingsverhaal Staat hier 2 keer ‘en God zag dat het goed was’.

 

-          dag 1: Elia, Jesaja ; dag 1, de dag van het licht

-          dag 2: Joh.1:29 ; de volgende dag

-          dag 3: Joh.1:35 ; de volgende dag

-          dag 4: Joh.1:44 ; de volgende dag

 

Dit hoofdstuk wordt een verhaal waar je niet omheen kunt.

Het is de 3e dag én de 7e dag.

De 7e dag, de Sabbat, voltooiing van de schepping, zaterdag, een hele belangrijke dag.

 

Joh. 1:30: Lam Gods verwijst naar Exodus 12; de 10e dag van de 1e maand. Als we dan doorrekenen valt de bruiloft op de 15e dag. 15 = pesach.

 

Een bruiloft is een verbond:

-          wat de ander doet, doe je ook

-          verbondenheid (denk aan het hapje voor je baby waarbij jij ook je mond opendoet)

-          alles is goed

-          pasen: bevrijding uit de slavernij, de mens is niet opgegeven, de mens staat er niet alleen voor

 

 

Joh.2:1: Wie is de moeder van Jezus? Zij is degene die als eerste het gebrek ziet.

Joh.2:3: ‘en omdat er geen wijn meer was’

Er is geen wijn op deze bruiloft.

Op een bruiloft hoort wijn dus dit is een vreemd verbond (het gaat niet door).

Joh.2:4: ‘vrouw wat is er tussen jou en mij?’: wat verbindt ons?

Maria zegt: ‘wat hij zegt, dat moet je doen’

 

Joh.2:1: Jezus deed dit als begin van zijn tekenen. Hierna komen geen tekenen meer. Het water wordt fantastische wijn: Messiaanse wijn voor als de Messias komt.

 

Het verhaal de bruiloft te Kana is een verhaal waarbij je denkt: wat zullen we nou hebben? Het verhaal moet eindigen in verbazing.

 

Joh.2:11: Geloven – ge – love – n; vertrouwen is een beter woord dan geloven. In het Hebreeuws bestaat er geen woord voor geloven.

 

Marc Chagall, Jeruzalem

Joh.3:29: ‘Die de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom, die erbij staat en naar hem luistert, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de bruidegom.’

 

Johannes is de vriend en Jezus is de bruidegom.

Wie is de bruid?

De dochter van Zion.

Zion is de meisjesnaam van Jeruzalem.

Zion betekent ook onvruchtbaar.

Profeten: De onvruchtbare zal kinderen krijgen.

Jezus is de bruidegom en Jeruzalem is de bruid.

Het is een onontbindbaar huwelijk.

Niets kan komen tussen Jeruzalem en Jezus.

 

Angelus, George Millet

Joh.1:14: ‘en het woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond’

Het woord is de Thora, de Schrift.

Is vlees geworden: is kwetsbaar geworden, kan pijn lijden als een mens.

Heeft in ons midden getent – tent – tempel in Jeruzalem.

 

In de bijbel wordt op 2 manieren over de mens gesproken:

 

1.       Gen.1:26

Scheppingsverhaal in 7 dagen.

De mens is geschapen naar ons beeld als onze gelijkenis.

Als je de mens ziet, zie je God.

De mens gooit hoge ogen.

-          Inventarisatie van de wereld

-          De mens is een geweldige mens

 

2.       Gen.2:4

‘Dat is me ook een fraaie geschiedenis.’

Dit is wat er aan de hand is met hemel en aarde: ze zijn geschapen.

Het t.Tweede scheppingsverhaal is een boerenverhaal (het heeft nog niet geregend); het begint met de mens.

-          Inventarisatie van relaties

-          Deze mens weet van ontbreken-missen-tekort:

      de kwetsbare mens

 

Gen.2:18: ‘verhaal in de tuin’

Het is niet goed voor de mens dat hij alleen is’

Eva is ‘die bij hem past’; ‘een hulp, hem tegenover’; ‘een gelijke’; ‘woord en wederwoord’

Adam – adama – uit de akker; adam is neutraal.

 

Giotto. Christ Purging the Temple.

Giotto, tempelreiniging, 1304-1306

Joh.2:13-17: Tempelreiniging

3 dagen (denk aan Abraham, Jona): goede vrijdag, paaszaterdag en zondag

 

Joh.2:17: ‘en zijn leerlingen herinnerden zich, dat er geschreven is…’ : wat Jezus doet maakt voor hen het boek open.

Joh.2:22: ‘herinnerden zijn leerlingen’ ; als leerling moet je je herinneren.

Zij vertrouwen in wat er geschreven is en wat hij gezegd heeft.

 

 

 

Joh.3:1:

Nikodemus komt in de nacht.

Hij heeft blijkbaar iets te verbergen.

Joh.2:23: Nee, want is Pasen in Jeruzalem.

Het is nacht: paasnacht.

Wij waren slaven in Egypte en hij heeft ons bevrijd.

Het is een leernacht en een feestnacht.

 

Joh.3:3 Joh.3:7 Joh.3:33

Wederom is een foutief woord.

Je moet van boven geboren worden.

Uit verhalen geboren worden (zeker in de paasnacht).

 

Samaria

Joh.4

Jezus gaat van Judea naar Galilea. Dit is de vluchtplaats vanuit Jeruzalem. Hij gaat door Samaria.

 

De tempel is gebouwd op het gebied van Jeruzalem. Dit ligt in Judea.

 

Hosanna: bevrijdt ons nu eindelijk toch eens: hosjeannoe.

 

De Sadduceën zijn een tempelvolk. De Farizeën zijn toegewijd, vroom. Religie nemen zij heel serieus.

 

Joh.4:5:

De Samaritanen bestaan nog (3000 mensen). Samaritanen woonden in de bergen en hebben de Babylonische ballingschap (580 v.Chr.) niet meegemaakt. Daarom stopt bij hen de Thora bij Jozua.

 

Joh.4:10: Joden en Samaritanen gaan niet synchroon.

 

 

Joh.4:7: Het 6e uur betekent dat het twaalf uur ’s middags is. Er komt een vrouw uit Samaria. Waarom komt zij daar om twaalf uur, als er niemand is (siësta)?

 

Joh.4:10: Levend water is bewegend, borrelend water.

Wat heeft water met verbond te maken?

 

Joh.4:19:  Ik zie dat jij een profeet bent.

Geest is wat Hemel en Aarde verbindt.

Waarheid = ortho praxi = daad van genegenheid.

Messias = Hebreeuws, Christus = Grieks.

 

Joh. 4:25: Verkondigen = uitleggen.

5 mannen + nu (=6) + Jezus (=7).  Hij maakt haar tot onderwerp van zijn eigen verhaal.

 

Joh.4:26: ‘ik ben het’ ; dit kun je niet in het Grieks en Hebreeuws zeggen.

‘ik ben’; denk aan het brandende braambos.

God spreekt met Mozes: ‘ik ben wie ik ben’.

ik ben’ degene die met je spreekt, wie jou verlost is God.

De tekst geeft aan hoe een mens in zijn leven met God leeft.

God is de bevrijder.

Degene die met je spreekt.

Iedereen is uniek, een uitzondering.

Jij  betekent veel voor mij.

Jij betekent alles voor mij.

Ofwel jij bent God voor mij.

Als je God zoekt moet je niet naar de hemel kijken, maar naar elkaar kijken.

 

Joh.4:30: Ze gaan de stad uit: Exodus

Joh.4:39: Hij heeft haar het boek opengemaakt. De Messias hoort zelf God spreken.

 

HealingBlind

Joh.9:1-9:7: 1e bedrijf

Joh.9:6: ‘zalft hem dat op de ogen’ . Hij maakt hem tot gezalfde.

Er kwam iets ziende.

Siloam = gezondene.

En komt ziende: nu komt hij pas.

 

Joh.9:8-9:34: 2e bedrijf: in volgorde buren, belangrijke mensen, ouders, belangrijke mensen, het kan niet (weggestuurd).

Omstanders praten alleen maar over hem, maar vragen hemzelf niets.

Joh.9:12: ‘werd ik ziende’ ; hij zegt hier pas voor het eerst dat hij kan zien.

Joh.9:20: de ouders beginnen met ‘wij weten’

Joh.9:24: wij weten

Joh.9:33: het moet van de kant van God zijn gekomen

 

Joh. 9:35: Kan een mens groeien, meer worden dan alleen geboren zijn?

Joh.9:37: Je hebt hem gezien (toen je blind was) en het is degene die nu met je spreekt.

Spreken = het woord van God.

Sprekend met elkaar omgaan heeft religieuze betekenis. Taal bindt mensen. Taal ontbindt mensen.

Woorden zijn ons lichaam.

Woord is iets anders dan fonetisch materiaal.

 

3e bedrijf: Jullie blijven blind, want jullie zeggen wat wij zien.

 

 

Icon Of Christ The Good Shepherd

Joh.10:1 De deur naar de schaapskooi is 2 man breed. De herder staat er wijdbeens in en de schapen lopen onder hem door terwijl hij ze telt.

 

Wolk op pootjes.

De herder loopt voorop en de schapen rennen achter hem aan.

Ze kennen zijn stem, ‘his masters voice’, de klank van zijn stem.

Zijn stem is levensontsluitend.

 

Gustave Moreau, de Verschijning, (de dans van Salomé) 1876

Nieuw

 

Voor mij was het nieuw dat Johannes de Doper dezelfde persoon is als Johannes de Evangelist. Ik kende een paar schilderijen waarin Salomé zien is met het hoofd van Johannes de Doper op een schaal. In mijn belevingswereld konden zij daarom niet één en dezelfde persoon zijn. Ik moet Johannes nu dus als degene zien die zei: ‘ik stond erbij en ik keek ernaar’.

 

Verder zijn de verschillende invalshoeken steeds weer nieuw voor mij. En ik kom er dan achter dat ik nog heel weinig weet van de bijbel. Alles is zo vervlochten met elkaar. Het verbaasd mij steeds weer hoe men in die tijd al deze prachtige teksten kon schrijven.

 

De volgende uitspraken spreken mij erg aan:

-          Jezus zegt bij zijn verschijning aan zijn volgelingen ‘Vrede op jullie’. De nadruk hierop vind erg inspirerend en interessant.

-          Als je een mens vermoordt, vermoordt je een wereld.

-          Jacob: ook als je weggaat, ga je niet verloren. Je neemt je plaats met je mee.

-          Sprekend met elkaar omgaan heeft religieuze betekenis. Taal bindt mensen. Taal ontbindt mensen.

 

 

 

 

II   Een werkstuk voor 8 weken katechese

 

Johannes was een tijdgenoot en volgeling van Jezus Christus. Hij stond erbij en hij keek ernaar.

 

Als je zèlf ergens bij geweest bent en een gebeurtenis hebt gezien, gehoord en ervaren, zul je een hele andere berichtgeving over die gebeurtenis hebben dan iemand die er niet bij is geweest. We gaan dit onderzoeken in de klas. Allereerst gaan we verschillende kranten bestuderen. Hoe schrijven zij over één en dezelfde gebeurtenis? Zijn er opvallende verschillen? Hoe zou dat komen? Waar halen de journalisten hun informatie vandaan? Als we erachter zijn gekomen dat berichtgeving heel verschillend kan zijn, gaan we zelf de proef op de som nemen. Ik kies een onderwerp uit waar iedereen over kan schrijven (b.v. schoolreisje of iets anders dat recent op school is gebeurt zoals b.v. kinderboekenweek of een voorstelling) en laat de klas hierover schrijven (stelopdracht). Daarna gaan we het werk van elkaar vergelijken. Waar heb jij over geschreven? Waarom vond jij dat belangrijk? In hoeverre verschilt jouw tekst met die van je klasgenoten?

 

***

 

Johannes was een tijdgenoot en volgeling van Jezus Christus. Hij stond erbij en hij keek ernaar.

 

Het leven van Jezus is in de schilderkunst op vele manieren weergegeven. In de tijd dat Jezus leefde is er echter geen afbeelding van hem gemaakt. De kunstenaars wisten dus niet precies hoe hij eruit zag. Ze konden alleen uitgaan van de informatie uit de bijbel en van de kunsttraditie. We gaan kijken hoe de verschillende kunstenaars Jezus hebben afgebeeld. Welke kenmerken komen overeen? Een baard? Donker haar? Bruine of blauwe ogen? En welke kleding had Jezus aan? Daarna gaan we schilderijen uit verschillende kunststromingen bekijken met eenzelfde onderwerp uit Jezus leven. Als je goed kijkt kun je in deze schilderijen elementen terugvinden waardoor je een beeld krijgt van de tijd waarin het schilderij gemaakt. De schilderijen zetten we op een tijdlijn. We letten ook op de details:  het landschap, de kleding, manier waarop de personen worden afgebeeld. Hulpmiddel hierbij kan b.v. het boek Kunstdetective van Anna Nilsen (Isbn 90-5461-310-6) zijn.

Als afsluiting gaan we zelf een tekening of schilderij over dit onderwerp maken. Maar dan vanuit onze dagelijkse omgeving. Bij het schilderen/tekenen moeten we letten op moderne kenmerken, zoals kleding, landschap etc. Jezus in een modern jasje.

 

***

 

Joh.20:19 Hier lezen we het eerste verhaal na het verrijzenisverhaal. Jezus staat altijd in het midden. Hij praat, er moet nog wat verteld worden. Jezus zegt twee keer: Vrede op jullie. Is dit de kern? Is dit waar het evangelie naar toe wil? Vrede is goed (scheppingsverhaal): we hebben het goed met elkaar. Vrede heeft dus een bredere betekenis dan alleen: geen oorlog.

 

Vrede is een werkwoord. Op het moment zijn de ‘respectbandjes’ op de basisschool heel populair. Het is een oranje plastic armbandje met de tekst ‘respect2all’ dat je draagt om duidelijk te maken dat je tegen agressie en geweld bent. Het bandje is van de Stichting Tegen Zinloos Geweld. Praat hierover in de klas. Wat vinden de kinderen ervan? Waarom is dit nodig, denken zij? Laat ook krantenberichten over zinloos geweld en over de meningen van VIPs over de bandjes lezen. Mogelijkheid voor een stelopdracht of drama. Breng de Stichting Tegen Zinloos Geweld (en hun eigen site: http://www.zinloosgeweld.nl/) onder de aandacht van de leerlingen. Op deze site kun je materiaal downloaden die de kinderen b.v. voor een spreekbeurt kunnen gebruiken. De Stichting heeft ook een speciaal project voor kinderen opgestart: KidsTegenGeweld. Werk in de klas rond dit thema en vraag welke kinderen geïnteresseerd zijn om deel te nemen aan een KidsTeam. Een KidsTeam moet proberen om op hun eigen wijze een steentje proberen bij te dragen rond de problematiek van agressie en 'zinloos' geweld. Zij krijgen een uitgebreid informatiepakket toegestuurd van de Stichting en krijgen informatie over landelijke activiteiten. Ook kunnen ze ervaringen uitwisselen op de speciale kindersite. Laat het KidsTeam regelmatig verslag uitbrengen in de klas.

 


 

***

 

 

Joh.1:19-28:

Johannes beleed (+), ontkende niet (-, -), en beleed (+); drie keer zegt hij: ik ben de Christus niet.

 

Maar wat weten wij wel over Johannes? In het kort: “Zijn moeder Elisabeth was al hoogbejaard bij zijn geboorte. Hij trok zich eerst terug in de woestijn (Lc. 1, 80) en begon zijn boeteprediking rond de jaren 28-29 van onze tijdrekening. Hij diende een doopsel van boetvaardigheid toe en kondigde de Messias aan, die hij in Jezus herkende. De grootheid van Johannes de Doper ligt besloten in zijn zending als voorloper van de Messias. Hij leidde een streng leven, zoals de profeten van het Oude Testament, bijzonder zoals Elias (Mt. 11, 14), maar hij overtrof allen in heiligheid. Want hij moest getuigen van het Licht (Joh. 1, 8). Aan hem openbaarde Jezus zich bij diens doop (Joh. 1, 28). Zijn persoonlijkheid wordt gemarkeerd door de strenge levenswijze die hij zichzelf oplegde en aan anderen predikte, door het vaste vertrouwen in zijn roeping als Gods afgezant en door zijn nederigheid tegenover Degene die na hem moest komen (Joh. 3, 30). Christus prijst hem dan ook als "de grootste onder de kinderen der vrouwen" (Mt. 11, 11). In de vierde eeuw was de verering van Johannes de Doper reeds overal verspreid. Het bekendste feest van westerse oorsprong is de geboorte van Johannes de Doper. Dit wordt gevierd op 24 juni (6 maanden voor de geboorte van Christus).”

 

We gaan in de weken voor 24 juni werken rond het thema: Sint-Jansfeest. Johannes werd een half jaar eerder dan Jezus geboren, op 24 juni. Deze datum valt samen met Midzomernacht (de nacht van 23 op 24 juni). Wat weten we over het feest en wat vieren we nu op precies op deze dag? Om een antwoord te krijgen op die vraag moeten we kijken naar de rol van Johannes. Hij was degene die de mensen maande tot inkeer te komen en hun houding te veranderen omdat de komst van Christus nabij was. “Komt tot inkeer”, zo sprak Johannes. Je kunt niet altijd blijven groeien, bloeien en zorgeloos genieten. Er komt een moment dat deze krachten omgewend moeten worden, naar binnen gericht, teruggehouden dienen te worden. Sint Jansdag was vroeger een algemeen erkende en goed onderhouden feestdag. In deze periode hadden de buitenmensen tijd om feest vieren. De avond ervoor werden Sint Jansplanten gerooid : Sint Janskruid, Artemisa, Verbene, Calcarie, Bijvoet, IJserkruid, Ridderspoor, allemaal planten met een bijzondere kracht. Hiervan werden Sint Janskronen gevlochten en boven de huisdeuren gehangen, als machtige tover- en liefdesmiddelen. Vooral het Sint Janskruid (Jaag-de-duivel-kruid) zou boze geesten verdrijven. Het zou behoeden tegen branden en allerlei kwalen, geplukt voor zonsopgang beschermde het tegen de bliksem, welke je rieten dak in lichterlaaie zou kunnen zetten.

 

Bestudeer samen met de kinderen herbaria. Zijn er nog meer bloemen of planten die naar Heiligen zijn genoemd? Ken je eigenlijk namen van Heiligen? Bekijk een Heiligenkalender. Waarom zouden deze planten of kruiden naar Heiligen genoemd zijn? Ontdek je nog meer bijzondere namen voor planten? En welke krachten worden hen toegerekend? Ga daarna met de kinderen naar buiten. Bekijk de natuur. Welke bloemen bloeien er? Ga op zoek naar Sint Jansplanten. Bezoek een middeleeuwse kruidentuin. Waarom hadden veel kloosters en kastelen vroeger kruidentuinen? Zie ook: http://www.kerktuinen.nl

 

 

Sint-Janskruid - 
Hypericum perforatum (Foto: Paul Busselen ©)

Sint-Janskruid - Hypericum perforatum

De mythe van het de dood van Balder is misschien wel één van de best bekende in de 'kruidenwereld': Balder, de Germaanse zonnegod, was door vrijwel iedereen zeer geliefd, en alle dieren en planten hadden gezworen hem nooit een haar te krenken... Alle levende wezens dus, behalve de maretak , die hield zich op dat ogenblik afzijdig. Loki, een van de andere goden, was behoorlijk jaloers op de populariteit van Balder. Hij maakte daarom een speer van een maretak, en gaf die aan Hodir, de blinde tweelingbroer van Balder, en hielp deze zijn speer te richten. Toen deze (zonder het doel te kennen) zijn speer gooide, werd Balder dodelijk verwond. Om Balder nooit te vergeten, lieten de andere goden vervolgens het Balderkruid, het St Janskruid, uit zijn bloed ontspruiten. Als je op de bloemknoppen knijpt, komt daar trouwens het bloed van Balder uit, en als je een blaadje tegen het licht houdt, zie je de gaatjes die door de speer zijn gemaakt.

Na de kerstening werd het verhaal van Balder vervangen door het volgende. Het kruid is ontstaan uit het bloed van Johannes de doper: Salome, dochter van Pontius Pilatus, mocht van haar vader een keer een wens doen. Haar moeder Herodias fluisterde haar in om het hoofd van Johannes de Doper te vragen. Zeer tegen zijn zin deed vader dit. De dochter doorprikte vervolgens zijn tong, die haar dikwijls op haar nummer had gezet, met een haarspeld.


En soms wordt het St Janskruid een bloem die aan het lijdensverhaal van Christus herinnert: Het bloed van Christus zit in de bloemknoppen en de vijfkroonblaadjes verbeelde de vijf wonden van Jezus. De 'gaatjes' in de bladeren zijn de wonden veroorzaakt door de doornenkroon.

Een andere christelijke legende verteld dat het Sint-Janskruid zo sterk was dat het er voor zorgde dat niemand meer 'slecht' was, hierdoor had de duivel geen werk meer want hij kreeg geen slechteriken meer in de hel. Hierover heeft hij zich zo kwaad gemaakt dat hij op een gegeven dag zijn klauwen in het Sint-Janskruid heeft gezet, met als doel het te vernietigen. De gaatjes zijn de afdrukken van de klauw van de duivel. Hier komt ook uit voort dat men het Sint-Janskruid ook in de volksmond kent onder de naam "Jaagt-den-duivel", want hij heeft uiteindelijk de duivel overwonnen en is niet gestorven. Het wordt zelfs in deze tijd nog gebruikt om de duivel te weren, de oude boerenbevolking in Noord-Brabant hangt nog steevast een bosje Sint-Janskruid in de staldeuren en in de voordeur van de boerderij.

 

 

Dit plantje hoort bij mij, want mijn geboortenaam is Veronique.

 

De geslachtsnaam 'Veronica' is afgeleid van de Heilige Veronica, die met een doek het gelaat van de lijdende Christus bette, op de doek zouden de gelaatstrekken van Jezus zijn achtergebleven, met een beetje (veel) verbeeldingskracht kan men in de bloem van een aantal Veronicasoorten een menselijk gezicht onderscheiden.

 

 

 

 

 

Op talloze plaatsen in Europa worden nog op 24 juni Sint-Jansvuren ontstoken. Dit gebruik stamt uit voorchristelijke tijden. Men kende aan het vuur een reinigende werking toe en ook de boze geesten konden erdoor worden verjaagd. Sprong men door de vlammen van het vuur, dan was dat om ongeluk en ziekten te overwinnen voor het komende jaar. Om het Sint Jansvuur te ontsteken was haardvuur niet rein genoeg. Men maakte vlammen door het wrijven van hout of het slaan op stenen. Acht dagen voor Sint Jan brandde men in Vlaanderen grote bossen stro langs de straten, zodat de paarden geen koliek zouden krijgen. Houtskool van het St. Jansvuur werd bewaard als middel tegen brand. Als je over het vuur sprong kreeg je geen buikpijn. Wanneer je een takje van het Sint Janskruid in je schoen legt, kun je de volgende dag de dierentaal spreken. In de Sint Jansnacht moest de wichelroede gesneden worden en mocht de schipper niet uitvaren. De asperge mag ook na Sint Jan niet meer gestoken en de rabarber niet meer geplukt.

 

Veel gebruiken en gewoontes zijn in de tijd verloren gegaan. Ga met de kinderen op zoek naar deze oude gewoontes en gebruiken. Hoe zag een jaarkalender er in de middeleeuwen uit? Welke feesten vierden zij allemaal? Hoe kunnen wij daar achter komen? Ga met de kinderen ook kijken welke gebruiken samenhangen met de Heiligen. Bekijk een heiligenkalender. Bekijk een moderne kalender en ga na wat de achtergrond achter de verschillende feestdagen is.

 

***

 

Joh.1:52: Jacobsladder. Ook als je weggaat, ga je niet verloren. Je neemt je plaats met je mee.

Ook Jezus reisde rond. Hij nam zijn verhalen en zijn plaats met zich mee.

 

 

Als uitgangspunt voor dit thema gebruiken we de verhalenbundel ‘Alleen mijn verhalen nam ik mee’ van Sjoerd Kuyper (Leopold). Dit boek is een verzameling van sprookjes over mensen met koffers: migranten die hun geboorteland ontvluchtten. Sjoerd Kuyper haalde zijn inspiratie o.a. uit Iraanse, Vlaamse, en Vietnamese sprookjes. In zijn verhalen klampen ontheemde mensen zich vast aan het enige wat mee verhuisd kan worden: hun verhalen en de traditie. Barbaarse realiteit wordt afgewisseld met gelijklopende, al even barre situaties in aloude sprookjes. Hij kruipt in de huid van kinderen en volwassenen uit de hele wereld. Mensen die behalve de vlucht geen enkele andere uitweg meer hadden en louter toevallig in Nederland belandden. Hij probeert hun dromen, hoop en angsten weer te geven, hij vlecht hun geliefkoosde verhalen tussen hun verbannen leven van alledag door.

 

Rampen, oorlogen, geweld, wat weten de kinderen in de klas ervan? Wat heeft op hun indruk gemaakt? Over welk nieuws kunnen zij vertellen? Bespreek iedere week het nieuws met de kinderen. Waar gaat het goed en waar niet? Wat gebeurt er met de mensen en kinderen die armoede, oorlog of ellende ontvluchten? Hoe worden zij opgevangen in Nederland? Waar zijn in Nederland Vluchtelingencentra? Ook daar gaan kinderen naar school. Probeer om een keer met de kinderen een klas te bezoeken. Waarin verschilt hun school met die van jou? Maak onderling contact en onderhoud het contact b.v. via email. Bestudeer met de kinderen ook samen sprookjes. Wat is je lievelingssprookje? Waarom. Laat de kinderen hun lievelingssprookje voordragen. Drama:  het belangrijkste element uit een sprookje uitbeelden in een tableau vivant.

 

 

 

Hierna gaan we verder met dit thema aan de hand van het boekje ‘Vraag maar’ van Antje Dam (Lemniscaat). Het is een boekje dat je kunt gebruiken om met de kinderen te filosoferen. Er staan vragen in, zoals:

-          Waar op de wereld woon jij?

-          Waar weet jij helemaal zelf de weg?

-          Waar zou je vannacht het liefst slapen?

-          Heb je wel eens heimwee gehad?

-          Wat hebben je grootouders je over hun kindertijd verteld?

-          Wat voor grappige dingen vertellen je ouders over jou als baby?

-          Welk verhaal kun jij vertellen?

 

-          Waar op de wereld woon jij? Jezus woonde in een land dat veroverd was door de Romeinen. Waar op de wereld woon jij? Hoe is het hier? Hebben we het hier goed? Waarom? Zijn er ook dingen die je minder leuk vindt? En hoe is het op andere plekken in de wereld?

 

-          Waar weet jij helemaal zelf de weg? Jezus reisde veel rond. Maar sommige streken en steden kende hij heel goed. Waar weet jij helemaal zelf de weg? Ga je b.v. zelf al eens alleen naar de winkel? Of mag je al alleen naar school komen? Welke wijken in de buurt ken je heel goed en welke minder? Waarom is het fijn om je omgeving goed te kennen en is het voor sommige mensen moeilijk om te verhuizen, hun vertrouwde omgeving achter te laten? Teken een plattegrond van de straten die je kent.

 

-          Waar zou jij vannacht het liefst slapen? Waarom daar? Waarom is die kamer zo fijn? Bij wie slaap je dan? Heb je er fijne dromen? Teken je bed en je slaapkamer met speelgoed.

 

-          Heb jij al eens heimwee gehad? Wanneer was dat? Waarom had je heimwee? Hoe voelde je je toen? Wat deden je ouders of verzorgers om je te troosten?

 

Vervolgens gaan we ons verdiepen over de rol van verhalen in het leven van mensen. Sommige verhalen komen steeds terug in een familiegeschiedenis. Ze gaan vaak ook een eigen leven leiden. Ikzelf had een oma die een hele dag kon vertellen en het ene verhaal was nog mooier en interessanter dan het andere. Ik ging daar graag naar toe. Wat hebben jouw grootouders je over hun kindertijd verteld? Welke verhalen vond jij het mooiste? 

 

Je kunt met de kinderen meedoen aan het project ‘Oma’s Tijd’ van het Amsterdams Historisch Museum. Het kleuterproject Oma's tijd is speciaal ontwikkeld voor de eerste groepen van het primaire onderwijs en wordt begeleid door een museumdocent. De kinderen ontdekken wat er allemaal anders was in oma's tijd. Zo luisterde je naar de radio en moest je een telefoonnummer draaien. Samen met de handpoppen Jan Klaassen en Katrijn bezoeken de kinderen het museum op een speelse manier. Daarna gaan ze actief met voorwerpen uit oma's tijd aan het werk en ervaren de verschillen tussen toen en nu.

 

Maar ook jouw eigen leven bestaat ook uit verhalen.

We gaan een verhalenboek samenstellen voor ieder kind.

 

 

Mijn verhalenboek

Het verhaal van mijn leven

 

 

-          Voorop schrijven we in mooie letters je naam.

 

-          Het boek begint met een foto van je vader en moeder.

 

-          En dan natuurlijk: een babyfoto.

 

-          En misschien heb je nog een geboortekaartje. Wat stond erop? Wat vonden je ouders belangrijk?

Wat voor grappige dingen vertellen je ouders of verzorgers over jou als baby? Schrijf dit naast je foto.

 

Laat de kinderen de babyfoto’s van elkaar bekijken. Ze moeten raden welke babyfoto bij wie hoort. En benoemen in hoeverre diegene veranderd is. Je kunt dit in spelvorm doen in de kring. Vervolgens plakt ieder kind haar babyfoto in haar verhalenboek.

 

-          Hierna gaan we kijken wie er allemaal bij je familie horen. Laat de kinderen van thuis een familieportret meenemen. Laat enkele familieportretten zien. Een trouwfoto is erg geschikt. Vraag steeds wat voor soort foto het is. Wie staan er allemaal op? Laat de kinderen zelf bedenken wie er op de foto te zien zijn. (Bruid en bruidegom, broers en zussen, vaders en moeders, opa's en oma's.) Vraag de kinderen wie er allemaal bij een gezin horen. (Vader, moeder, broer en zus.) Vraag daarna wie er buiten het gezin nog meer bij de familie horen. Opa, oma, oom, tante, neef en nicht.) Als het ter sprake komt, kunt u de kinderen ook de aangetrouwde familie laten benoemen. (Zwager, schoonzus, schoonzoon, schoondochter, schoonvader, schoonmoeder.) Laat nu alle kinderen kort vertellen wie ze zijn en welke familieleden ze hebben. Ze doen dat door zowel de familierelatie als de naam te noemen. Bijvoorbeeld: mijn familie bestaat uit mijn broer Dennis, mijn zus Cathy, mijn papa Joost, mijn mama Desiree, mijn oom Sjaak, mijn tante Nellie, mijn neef Bart en mijn nichtje Wendy. Laat de kinderen daarbij iets noemen wat ze typerend voor dat familielid vinden. (Elke zondag bij oma op bezoek, oudste zus leest altijd voor, enzovoort.) Speel tot slot met de kinderen het familiespel. De kinderen moeten om de beurt een vraag over hun familie beantwoorden. Begin eenvoudig met vragen als: hoe heet jouw oudste broer? Hoe heet je tante? Gaandeweg kunt u de vragen lastiger maken zoals: hoeveel neefjes heb jij? Op deze manier krijgen de kinderen spelenderwijs een helder inzicht in hun eigen familierelaties. Zo nodig herhaalt u wat een bepaalde familierelatie inhoudt.

 

-          In de bijbel zijn familierelaties en je voorouders belangrijk. Er staat vaak (X, de zoon van …). Er zijn trouwens culturen waar dat andersom is (x, de dochter van). Wij gaan een stamboom maken. Allereerst moeten we opschrijven wie er allemaal op komen te staan. Bovenaan komt je eigen naam. Naast je naam de naam van je zusjes en broertjes. Eronder: vader, moeder. Tantes en ooms. En daaronder opa’s en oma’s. Vraag je ouders om je mee te helpen. Plak ook de foto’s van de personen ernaast. Duik in oude familiefotoboeken. Tot hoever kun je gaan? Dan moeten de soort boom bedenken die je wilt gebruiken. We bestuderen bomen en vormen van bomen. Vormen van bladeren. Welke boom past bij jouw familie. Bevo-opdracht: teken de boom met bladeren met hierin verwerkt jouw familiestamboom.

 

Jan Mostaert, De boom van Jesse, 1485, olieverf op paneel, 89 x 59 cm, Rijksmuseum Amsterdam

 

De afstamming is voorgesteld als een echte boom. Die boom ontspruit aan Isaï, ook wel Jesse genoemd, de vader van David. Op de takken zitten de twaalf koningen van Juda, allemaal gekleed in kleurrijke middeleeuwse kledij. Onderaan zit koning David. David speelde harp, zo vertelt de bijbel, vandaar dat hij altijd met een harp wordt afgebeeld.

Boven in de boom zit Maria met het kindje Jezus op haar schoot. De non links was de opdrachtgeefster en de mannen links en rechts zijn misschien de profeten Jesaja en Jeremia.

 

 

 

 

-          Ken je verhalen uit je familie? En bij wie horen die dan? Vooral op feestjes komen die verhalen boven tafel. Let er eens op. De foto’s (die opgeplakt mogen worden) of kopieën plakken we in het boek en we schrijven de verhalen bij de goede persoon. Het mogen ook anekdotes zijn.

 

-          Wie is voor jou op het moment de belangrijkste figuur in je leven? Dat mag familie zijn. Maar ook een kennis. Een held. Een artiest. Een vriendje of vriendinnetje. Brieven zijn een momentopname. Ze leggen je gedachtenwereld bloot. Stelopdracht: laat de kinderen een brief schrijven aan de persoon die voor hen belangrijk is. Ze mogen zelf bedenken wat ze aan deze persoon willen schrijven. Let wel op een goede opbouw: datum, plaats, aanhef etc. Laat de kinderen de brief versieren. Ze mogen ook zelf het adres op de envelop schrijven en we gaan met z’n allen naar de brievenbus om de brieven te versturen. Voordat we dat doen heb ik wel een kopie van de brief gemaakt. Die komt in ons verhalenboek. En als de kinderen antwoord krijgen komt dat er natuurlijk ook bij.

 

-          Laat de kinderen een voorwerp meenemen, naar aanleiding waarvan zij een verhaal gaan vertellen. Dat kan een waar gebeurd verhaal zijn. Maar het mag ook deels waar zijn en deels niet. Als het maar een mooi verhaal is, met begin, middenstuk en glorieus einde. We zitten in groepjes en vertellen aan elkaar ons verhaal. Je luisteraars moeten raden of het verhaal echt gebeurd is of niet. Stelopdracht: de kinderen schrijven het verhaal in hun verhalenboek. Ik verbaas mij er altijd over hoe scherp het geheugen van kinderen is. Zij weten vaak na 1 of 2 jaar precies te vertellen wat je dan en dan gedaan hebt (terwijl ik het zelf dan allang vergeten ben). Maak gebruik van deze gave.

 

-          Het meest ideale is als het verhalenboek in de klas blijft en met het kind meegroeit gedurende de basisschool. Met foto’s, herinneringen, verhalen. Je kunt een vast tijd in de week reserveren waarop de kinderen mogen werken aan hun verhalenboek. Laat ook regelmatig iemand een verhaal voordragen in de klas. Hele mooie verhalen kunnen verwerkt worden in b.v. een poppenkastverhaal of toneelstukje.

 

Introduceer een kettingverhaal in je klas :

Ik vertel regelmatig voor het slapen gaan een verhaalt aan mijn kinderen. Doen jullie ouders dat ook? Welke verhalen vertellen ze? Mijn verhalen gaan vaak over kabouter Pollewop. Hij beleeft allerlei avonturen. De avonturen hebben vaak iets te maken met hetgeen mijn kinderen die dag beleeft hebben. Maar hun belevenissen krijgen bij kabouter Pollewop fantastische, avontuurlijke proporties. Hij kan ook met de dieren praten. En reist over de hele wereld om andere kabouters te helpen. Het wordt een kettingverhaal waar in principe nooit een einde aan hoeft te komen.

Introduceer een kettingverhaal in je klas. Hoofdpersoon kan b.v. Pluk uit de taalmethode zijn. Of een fantasiefiguur, die b.v. in een muizenholletje bij de klas woont. Laat het verhaal groeien en laat de kinderen meedenken. Wat zal hij nu weer gaan weer beleven? Koppel zijn belevenissen aan de lessen, thema’s en seizoenen waarbij je hoofdfiguur de grote centrale rol speelt. Laat de kinderen de hoofdfiguur tekenen. Beeld hem af in de verschillende episodes van het verhaal. Hoe leeft hij? Hoe ziet zijn huis eruit? Wat eet hij? Maak het een figuur van vlees en bloed en laat hem alles meebeleven wat de kinderen in je klas ook beleven.

 

***

 

Joh.4: Jezus gaat van Judea naar Galilea. Dit is de vluchtplaats vanuit Jeruzalem. Hij gaat door Samaria.

 

Aardrijkskunde: Israel is een bijzonder land. Het is smal en langgerekt en kent van west naar oost drie landschappen: de kustvlakte, het westelijk bergland en de slenk van el Ghor. Het zuidelijke gedeelte van Israël wordt gevormd door de Negev-woestijn, die de helft van het land beslaat. Veel landschappen op een relatief klein gebied, want Israel is maar ongeveer half zo groot is als Nederland. Israel kent ook maar liefst 4 klimaten. Jezus reisde door al deze verschillende landschappen. Bestudeer samen met de kinderen de eigenschappen van deze landschappen.  Benoem ook het klimaat, de planten en dieren die er voorkomen. Kijk in de atlas waar deze landschappen/klimaten nog meer op de wereld te vinden zijn.

 

Johannesbroodboom

De naam johannesbrood verwijst naar de profeet Johannes de Doper. Deze profeet zou tijdens zijn verblijf in de woestijn grotendeels van sprinkhanen hebben geleefd. Diverse kenners zijn echter van mening dat deze 'sprinkhanen' in feite de peulen van de johannesbroodboom waren. In het Engels heet de boom dan ook wel locust tree (sprinkhaanboom) en de peulen locust beans (sprinkhaanbonen). Het toeval wil dat de johannesbroodboom in werkelijkheid één van de weinige bomen is die zelfs niet door sprinkhanen wordt bezocht, mogelijk omdat de taaie leerachtige bladeren veel looistoffen bevatten. Ook het varkensafval (de 'draf' of de 'schillen') dat de 'verloren zoon' in de bekende bijbelse gelijkenis wenste te eten, zou betrekking hebben op resten van johannesbroodpeulen.

De zaden van de Johannesbroodboom als gewichtseenheid

Reeds in de klassieke oudheid was bekend dat de zaden van de johannesbroodboom buitengewoon weinig variatie in afmetingen en gewicht vertonen. Het gewicht varieert tussen 197 en 216 milligram. Om die reden werden deze zaden als gewichtseenheid gebruikt voor juwelen, goud en edelstenen. Bedenk hierbij dat er nog geen algemeen aanvaard gewichtssysteem was. Ons huidige grammenstelsel dateert pas uit het einde van de 18de eeuw. In het Midden-Oosten stonden de zaden bekend als karaat (van het Arabische kirat, dat mogelijk weer is afgeleid van het Griekse keration). Sinds 1907 is het karaat als gewichtseenheid gestandaardiseerd, en op exact 200 milligram gesteld (één gram is dus vijf karaat). Het gewicht van edelstenen wordt ook nu nog in karaat uitgedrukt. De gewichtseenheid karaat moeten we niet verwarren met het karaat uit de goudhandel. Daar is het een indicatie van het goudgehalte in legeringen.

 

 

 

***

 

Joh.4:10: Levend water is bewegend, borrelend water.

 

Onderzoek met de leerlingen het fenomeen water. Water is belangrijk. Je bestaat zelf voor het grootste gedeelte uit water (60%) . Een mens kan ongeveer 30 dagen zonder eten maar slechts 3 dagen zonder water. Nederland is een waterland. Bij leerkracht.nl is een hele lessenserie hierover te vinden.

 

Voor de onderbouw:

 

Het gebruik van water
Kinderen gebruiken elke dag water. Maar water heeft veel meer functies dan ze dagelijks ervaren. De kinderen inventariseren waar water allemaal voor wordt gebruikt.

 

Op zoek naar water in de buurt
In elke omgeving in Nederland zijn een of meer wateren te vinden. De kinderen maken een excursie langs het water in de buurt.

 

Een watertekening
Water heeft diverse functies. Het wordt gebruikt als drinkwater, voor de scheepvaart, om te recreëren enzovoort. De kinderen maken een tekening over het gebruik van water.

 

Groep 3-4:

 

Een woordveld rond het begrip 'water'
Water maakt een wezenlijk deel uit van ons leven. Het wordt voor verschillende doeleinden gebruikt. De kinderen maken een woordveld rond het begrip 'water'.

 

Versjes en liedjes over water
Er zijn veel verschillende versjes en liedjes over water. Over het spelen aan het strand, het varen op zee en het leven van de vissen. De kinderen luisteren naar versjes over water en zingen liedjes die over water gaan.

 

Een regenmeter
In ons land regent het vaak. Maar hoeveel regen valt er eigenlijk? De kinderen meten hoeveel regen er valt.

 

Groep 5-6:

 

De waterkaart van Nederland
Nederland is een echt waterland. Dat is goed te zien op de natuurkundige kaart van Nederland. De kinderen bekijken de kaart van Nederland en zoeken op wat voor wateren er zijn.

 

Een waterlandschap schilderen
Veel Nederlandse schilders hebben waterlandschappen gemaakt. De kinderen bekijken schilderijen van waterlandschappen in Nederland en schilderen zelf een waterlandschap.

 

Het gevecht tegen overstromingen (internet)
Nederland heeft altijd een gevecht moeten leveren tegen het water. Om overstromingen te voorkomen heeft men ingrijpende beslissingen moeten nemen. Denk maar aan het inpolderen van de Zuiderzee en het Deltaplan. De kinderen zoeken op internet naar informatie over de Zuiderzeewerken en de Deltawerken.

 

Groep 7-8:

 

Leven in en rond het water
Water en leven zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat is heel goed te zien aan het leven dat zich in en rond het water afspeelt. De kinderen gaan op zoek naar wat er allemaal in en rond het water leeft.

 

'Als het water stijgt'
In de geschiedenis van Nederland zijn verschillende overstromingen voorgekomen. Soms leidde dat tot veel slachtoffers zoals bij de overstroming van 1809. Daarover gaat het verhaal waarnaar de kinderen luisteren.

 

Weetjes over water op internet
Over water is van alles te vertellen. De kinderen bezoeken een website waar allerlei weetjes over water te vinden zijn.

 

 

Water is bijzonder. Kinderen spelen er graag mee. Bestudeer samen de eigenschappen van water: stoom (damp, wolken), water, ijs, ijskristallen. Iedere ijskristal is uniek. Bestudeer de waterkringloop. Borrelend water, bewegend water. Een heel leuk boek om mee te werken is ‘Het begin van de zee’ van Annemarie van Haeringen (ISBN 9025835848). De hoofdpersoon in dit boek is Kofi. Hij wil de zee schilderen. Maar hoe? Kofi weet niet waar de zee begint. Hij gaat met de boot van zijn vader op zoek. Steeds meer mensen varen mee. Ze willen allemaal weten waar de zee begint. Uiteindelijk vindt Kofi het begin van de zee met de hulp van een oude man die hem erop wijst dat de wolken het begin van de zee zijn. Deze oude man lijkt een beetje op Noach. Hij heeft allemaal dieren bij zich. Op de eerste bladzijde zie je schilderijen van de zee. Op de laatste bladzijde schilderijen van wolken.

 

 

 

 

 

***

 

 

Joh.4:   God spreekt met Mozes: ‘ik ben wie ik ben’.

‘ik ben’ degene die met je spreekt, wie jou verlost is God.

De tekst geeft aan hoe een mens in zijn leven met God leeft.

God is de bevrijder.

Degene die met je spreekt.

Iedereen is uniek, een uitzondering.

Jij  betekent veel voor mij.

Jij betekent alles voor mij.

Ofwel jij bent God voor mij.

 

We hebben het verhalenboek en hebben de relaties met familie onderzocht. We komen erachter dat er veel verschillen zijn. Dat begint al bij de babyfoto’s: Iedereen is uniek, een uitzondering. We gaan ons lichaam en onszelf bestuderen, onderzoeken. Wat maakt jou uniek. We gaan ons persoonlijke paspoort maken: een boekje met allerlei gegevens over jezelf.

 

 

Mijn persoonlijke paspoort

 

-          Voorop gaan we in mooie letters (b.v. in kalligrafie) je eigen naam zetten

 

-          Blz.1: We maken een portret van elkaar. We zitten in tweetallen tegenover elkaar. Eerst geef ik uitleg over de wijze waarop een portret (verhoudingen van het gezicht, manier van arceren etc.) gemaakt moet worden. En daarna gaan we tekenen. Let op de details: een sproetje hier, orenlelletje vast aan het gezicht of niet, wenkbrauwen lopen in een boogje of recht etc. De details maken ons bijzonder, uniek, een uitzondering. Als verwerking bekijken we het werk van elkaar. Kun je herkennen wie hier getekend is? Waarom?

 

-          Blz.2: Natuurkundeles: Meet jezelf maar. In circuitvorm gaan de kinderen onderzoek doen. Je lengte, gewicht, armbreedte, handbreedte, handomtrek, longinhoud, reactiesnelheid, schoenenmaat, alles gaan we meten en noteren op een formulier. Resultaten gaan we verwerken in een grafiek (rekenen).

 

-          Blz.3: We maken we een vergroting van onze vingerafdrukken. Druk je duim op de inktstempel en daarna op het papier. Bekijk de patronen goed en probeer deze op een ¼  A4 na te tekenen. Op de rest van het blad tekenen we de omtrek van je hand. Kijk naar de lijnen in je handen. Sommige mensen geven betekenis aan deze lijnen. Vergelijk je handen eens met die van je vader en moeder. Zie je overeenkomsten? En vergelijk het met je medeleerlingen. We tekenen de lijnen binnen de handomtrek. Verwerking: in hoeverre verschilt jouw vingerafdruk met die van je klasgenoten? Welke patronen herken je?

 

-          Blz.4: Een tekening van je ogen. Je vingerafdruk is uniek. Maar ook je iris. Niemand heeft dezelfde als jij. Daarom vind je op sommige vliegvelden nu de irisscan i.p.v. het paspoort. Kijk goed in een vergrotende spiegel en kijk naar de kleur van je ogen, de patronen, stippen. Omschrijf je iris. Probeer er een tekening van te maken. Hier kun je een natuurkundeles over de werking van ogen aan koppelen (in circuitvorm).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

-          Blz.5: ‘ik ben wie ik ben’  Wie ben jij? Wat maakt jou uniek? We gaan elkaar omschrijven op het gebied van karakter, aard. We trekken lootjes. Je moet degene die je getrokken hebt omschrijven m.b.v. karaktertrekken of iets specifieks waardoor je die persoon goed kent. Het moet een lijstje worden, dus niet maar 1 zinnetje. b.v. hij helpt altijd als ik een som niet goed snap, hij kan goed voetballen, hij speelt graag met …. Het mag alleen positief zijn. We lezen de lootjes in de klas voor en raden wie er bij de omschrijving hoort. De omschrijvingen doen we in het boek.

 

-          Blz.6: ik ben wie ik ben’  Het heden. Maak een lijst van dingen die echt bij jou horen. Het wordt een ABC lijst die opgevuld wordt met  alles dat echt bij jou hoort: hobby’s, kleding, boeken die je leuk vindt, vriendjes waar je graag mee speelt, speelgoed…. B.v. a is voor action man, b is voor basketbal, c is voor chocola etc.

 

-          Blz.7: ‘ik ben wie ik ben’   Wie je bent is een opsomming van je verleden, je heden en je toekomstverwachtingen. Wat verwacht jij van je toekomst? We gaan in de klas een klein project starten rondom beroepen. We bespreken de beroepen die de kinderen kennen. Wat doen je ouders, verzorgers, deed je opa of oma, doen je ooms en tantes? Wat vind je er leuk of minder leuk aan. Ook gaan we beroepenalmanakken kijken. Welke beroepen vinden de kinderen interessant. Waarom? Indien mogelijk maken we een aantal excursies: naar het postkantoor, de politie, de brandweer, de bakker, dokter. Erop uit, praktijkervaring, voor kinderen heel belangrijk en waardevol. Wat moeten deze mensen doen? Hoe ziet hun werk eruit? Maak gebruik van de ouders. Misschien zijn zij bereid om wat te komen vertellen over hun beroep. We sluiten het project af met een stelopdracht waarin de kinderen opschrijven wat zij verwachten van hun toekomst. Niet alleen qua beroep, maar ook b.v. waar ze graag willen wonen, of ze een vrouw/man en kinderen willen, wat ze graag zouden willen doen.

 

-          Vroeger hadden edelen, ridders, koningen en koninginnen, hun eigen wapenschild. Dat schild hoorde bij hun familie. Maar ook bepaalde beroepen hadden een schild Zij waren verenigd in een gilde. Denk aan het goud- en zilversmidgilde, schuttersgilde, chirurgijnsgilde, koopmansgilde en weversgilde. Eerst gaan we verschillende wapenschilden bestuderen. Wat betekenen ze? Vaak staat er ook een religieuze verwijzing in. Zowel de kleur, tekens als afbeeldingen hebben betekenis. Daarna gaan we zelf een wapenschild ontwerpen. Bedenk welke kleuren, patronen en tekens bij jou en/of je familie horen.

 

 

Wapen Witte van Haamstede

 

 

***

 

Joh.9: De blindgeborene. Sprekend met elkaar omgaan heeft religieuze betekenis. Taal bindt mensen. Taal ontbindt mensen.

 

Ik heb gewerkt bij een Adviesbureau voor psychologisch onderzoek. Eén van de psychologen was blind. In de pauze aten we altijd samen en hier heb ik de kracht van woorden leren kennen. Als je niets zei, wist hij niet eens dat je er was. Maar door te spreken, met woorden, kon je met elkaar omgaan, kreeg hij een beeld van je, werd er een verbinding gemaakt.

 

Drama: We gaan onze zintuigen oefenen. Doe je ogen dicht en luister naar je omgeving. De eerste keer gaan we ons concentreren op de geluiden in de klas zelf. De tweede keer gaan we ons concentreren op de geluiden buiten het lokaal. Wat valt je op? Wat hoorde je niet toen je nog rondkeek? Lijkt het niet alsof je veel meer hoort, je oren veel beter werken, nu je niets meer ziet?

Hoe zou dat zijn voor blinden? Welke zintuigen werken bij hun beter?

In het gymlokaal kun je de volgende oefening doen: Een kind mag twee houten stokjes nemen. Een andere kind krijgt een blinddoek om. Het kind met de stokjes gaat op een bepaalde plek in het lokaal staan en tikt zachtjes met de stokjes. De ‘blinde’ probeert m.b.v. zijn gehoor naar de blinde toe te lopen. Of je kan 1 kind geblinddoekt in de kring laten zitten met een pittenzakje. Alle andere kinderen moeten heel stil zijn. Laat een ander kind heel zachtjes opstaan en naar de geblinddoekte toe lopen. Hij moet proberen het pittenzakje te pakken zonder dat de ander hem hoort. Als de geblinddoekte hem aanwijst, is hij af.

 

Maak een zintuigenhoek.

Welke zintuigen hebben we? Ga je zintuigen testen. Horen, zien, voelen, proeven, ruiken. Zet allerlei proefjes klaar waarmee de kinderen zichzelf kunnen testen.

-          Horen: een luisterhoek met c.d.’s van vogeltjes die zingen, geluiden van de natuur, potjes gevuld met zaadjes/rijst etc. waar je mee kan rammelen, muziekinstrumenten etc.

-          Zien: Hoe ver kun je zien en hoe dichtbij. Hang een bord op van de oogarts en laat de kinderen dit onderzoeken. Let een boek neer met hele kleine tekeningetjes. Kun je de details onderscheiden?

-          Voelen: Voelboek, wat voelt ruw aan, wat zacht, wat korrelig? Zet doosje klaar waar de kinderen hun hand in moeten steken en moeten raden wat er inzit.

-          Proeven: Kun je zoet proeven, zuur, zout, bitter?

-          Ruiken: Zet restjes parfum neer. Wat ruikt lekker en wat niet. Kun je de geur omschrijven? Zet ook b.v. fotorolletjes met kruiden en andere dingen die een specifieke geur hebben neer. Herken je de geur? Wat is het?

 

 

***

 

Joh.10: De goede herder. De deur naar de schaapskooi is 2 man breed. De herder staat er wijdbeens in en de schapen lopen onder hem door terwijl hij ze telt.

 

Liedje: Lammetje.  
Lammetje lammetje lammetje,
kom er eens over mijn dammetje.
Lammetje zoet, lammetje klein,
wil je wel mijn vriendje zijn?

 

Gen. 24: ‘En God zeide: Dat de aarde voortbrenge levende wezens naar hun aard, vee en kruipend gedierte en wild gedierte naar hun aard; en het was alzo… En God zag dat het goed was.

In Jezus’ tijd waren er veel schaapherders. Zijn alle lammetjes hetzelfde of zijn er verschillen? Bekijk foto’s van lammetjes. Op eerste oog lijken ze allemaal op elkaar. Maar als je goed kijkt zijn er ook verschillen. De een heeft wat grotere oren dan de ander. Dat lammetje heeft wat vlekjes. Deze heeft hogere poten dan die. Zouden ze ook verschillende karakters hebben? Vaak heeft een schaapherder 1 schaap of lammetje dat zijn favoriet is. Heeft een dier een karakter? Hoe is dat bij huisdieren?

 

 

 

 

 

 

 Lees samen met de kinderen het uitvouwboekje lammetje.

 

Probeer met de kinderboerderij te regelen dat er een lammetje in de klas kan komen. Laat de kinderen het lammetje goed observeren en benoem samen met de kinderen de verschillende onderdelen van het lammetje.

De verschillende delen van het lammetje:

-          Je kan zien dat de kop van het lammetje dik is. Dit komt omdat de beenderen van de kop erg dik zijn. Schapen en soms ook lammetjes kunnen enorme kopstoten geven met hun kop! Dit is mogelijk omdat de beenderen erg soepel zijn door de luchtblaasjes erin.

-          Het lammetje heeft kleine, korte oortjes. Welke kleur hebben de oortjes binnenin?

-          De neus is vochtig. De lammetjes kunnen heel goed ruiken. Welke vorm heeft het neusje?

-          De ogen hebben een ovale, horizontale pupil en het lammetje kan heel goed zien: meer dan 1 km ver! Heeft het lammetje ook wimpers?

-          Hetgeen wat je het meest doet denken aan het schaap, is de wol. De wol is eigenlijk de kleding van het lammetje. Deze kleding beschermt het lammetje tegen de koude. Hierdoor kan hij gemakkelijk een temperatuur van -20°C verdragen. Voel eens aan de wol. Voelt het zacht of hard? Ruik er ook eens aan.

-          Het lammetje heeft 2 tenen of hoeven aan de voet. Die tenen worden beschermd door een stevige hoornlaag. 

-          Familie schaap: het mannelijk schaap wordt 'ram' genoemd; het vrouwelijk schaap noemt men 'ooi'; en een jong schaapje heet 'lam'.

Laat na het bezoek van het lammetje de kinderen het lammetje natekenen.

 

Drama: De klas is de kudde schapen. We zitten midden in het lokaal en doen alsof we veilig in onze schaapskooi zitten. Hoe doet een schaap, hoe loopt hij, hoe klinkt hij? Eén schaapje ontsnapt stiekem en beleeft allerlei benarde avonturen. Hij komt een wolf tegen (de wolf kijkt hongerig en gemeen, hoe kijk je dan?), hij struikelt over struikgewas (hoe beeld je dit uit, blijft b.v. je pootje haken?), wordt achterna gezeten door een vos. Kan de klas nog meer avonturen bedenken? Het schaapje wordt tenslotte gered door de herder. We spelen dit stukje een paar keer. Let vooral op de expressie (angstig, gemeen, hongerig, bang en tenslotte blij als hij gered wordt).

 

De herder loopt voorop en de schapen rennen achter hem aan.

Ze kennen zijn stem, ‘his masters voice’, de klank van zijn stem.

Zijn stem is levensontsluitend.

 

ik ben wie ik ben’  Taal spreken doe je met je stem. We hebben bij het persoonlijke paspoort gekeken naar allerlei aspecten van ons ik waarin wij uniek zijn. Maar ook je stem is uniek.

 

Ken je de stem van je medeleerlingen? Laat een kind geblinddoekt zitten in de kring. Een andere leerling gaat achter haar staan en zegt een woord: b.v. superformiweldigeindefantacolosachtig. Wat viel je op aan de stem?

 

Daarna gaan we luisteren naar opnames van verschillende stemmen. Herken je iemand? Zangers, opera, nieuwslezers etc. Wat valt je op aan hun stem? Welke zangstemmen kennen we (sorpraan, bas etc). Ook leuk is het om stemmen op te nemen van leraren van de school. Kunnen ze de stem herkennen? Neem ook eens de stem van de leerlingen zelf op. Laat hun daarna hun stem terugluisteren. Wat valt je op? Spreek je hard of zacht? Ben je duidelijk te verstaan of niet? Heb je een accent? Valt het je op dat jouw stem uniek is?