De kwaliteit van het woord
De media brengen alles binnen handbereik. De wereld ligt voor het grijpen. Een
van de oudste tactieken is weer opnieuw en meer actueel: pak, grijp en begrijp.
Wie heeft komt niet te kort in het leven. Uiteindelijk gaat het over bezit,
materieel of geestelijk. Hebben. Weten. Kennis is macht. Taal - woord en beeld
- is daarvan een illustratie. Het schijnt de enige zekerheid bij al het vergaan
dat de tijd onafwendbaar naderbij brengt.
Het leven is evenwel tijd en duur. De spanning van de afstanden overbruggen
wij in taal. Taal in de zin van spreken, brengt ons bestaan wezenlijk dichterbij.
Door de taal leven we te midden van de dingen, samen met anderen. Door de taal
zijn we, brengen we dat en hoe wij leven ter sprake. Dit gaat door tot in de
intimiteit van het vertrouwen dat wij geloven noemen.
Wij zijn geneigd om te hebben en te verzamelen. Wij zouden wel willen weten
waar het evangelie, Johannes bijvoorbeeld, over gaat. Wie dat weet, moet het
duidelijk en verstaanbaar zeggen. Haal de sluier van de onwetendheid weg, dan
kunnen we waarheden delen en geloof vermenigvuldigen.
Maar de tekst van het evangelie is geen versleutelde collectie hebbedingetjes.
Het evangelie volgens Johannes geeft precies weer hoe Johannes zijn eigen geheim
benadert.

Het evangelie belichaamt het mysterie dat het evangelie bezielt. De tekst laat zichtbaar worden wat onzichtbaar blijft. Dat is de kwaliteit van het woord: het communiceert. Het woord reikt bij wijze van spreken aan wat het te vertellen heeft en komt daarbij zichzelf als tekst voortdurend te hulp. Niet als collectie feiten maar als proces legt het evangelie zichzelf uit, als een geheel van delen die delen in het geheel. Het geheim is het gebeuren in de tijd van het spreken of lezen: verstandhouding waarin wij en de tekst voor elkaar beschikbaar zijn. Waarheid is hier een daad van genegenheid, steeds maar ten dele aanwezig, even, behoedzaam, breekbaar. Waarheid is geen kwantiteit, geen bezit. Waarheid is spaarzaam en bescheiden. Als de liefde zelf.
Al aan het begin van het evangelie - wanneer iedereen in Jeruzalem met Pesach de bevrijding uit de slavernij viert - reinigt Jezus volgens Johannes de tempel. Hij maakt in wat hun/ons heilig is, ruimte voor wat hem heilig is, voor de intimiteit van zijn eigen heiligheid. Voor de leerlingen heeft die tempelreiniging en de daarop volgende discussie een duidelijk gevolg. Waarschijnlijk zouden wij aan dit gevolg niet denken. De leerlingen gaan zich herinneren. Wat? Zij herinneren zich dat en wat geschreven staat. De herinnering maakt de boeken open. Alsof Jezus volgen – leerling zijn – zoiets betekent als mee lezen, met de boeken op tafel. Je moet mee lezen, mee luisteren, mee wikken en wegen, vergelijken en, wie weet, meegaan. Wat je leest en wat Jezus doet, stemt volgens de leerlingen wonderlijk met elkaar overeen. Woord, daad en boek getuigen van en voor elkaar. Zij roepen elkaar op en staan voor elkaar in.
Johannes komen wij alleen op het spoor door hem te lezen en te herlezen, door
hem te horen en opnieuw te horen. Tastenderwijs. Alleen door de tastatuur van
de tekst komen wij in contact met wat Hij (Jezus) of hij (de tekst, Johannes)
te zeggen heeft. Dat contact is altijd iets van het moment, iets dat nu gebeurt
of niet.
We kunnen veel met bijbelteksten. De geschiedenis van de exegese laat dat zien.
We kunnen de tekst inzetten voor reconstructies van de oude gemeenschappen waarin
het evangelie volgens Johannes ontstaan is. We kunnen de tekst redigeren en
reconstrueren naar veronderstelde achtergronden of bedoelingen. We kunnen de
tekst in stukken hakken om bronnen en andere complicaties op het spoor te komen
of een beter evangelie te schrijven, een betere tekst te maken. Het geweld in
commentaren op (teksten van) het Johannesevangelie is soms verbijsterend. Het
is ermee als met de lichamen van tallozen in de vorige eeuw of al die eeuwen
daarvoor. Miskend, misbruikt op vele wijzen, vernietigd. Maar dat wil niet zeggen
dat mensen geen mensen zijn, of teksten geen teksten. Zij delen hun wonderlijke
wijze van bestaan. Ze zijn aanwezig en afwezig, een open en gesloten systeem
tegelijkertijd. Geen open boek, maar een mogelijkheid om tot gesprek en contact
te komen. Bij een evangelie heet dit lezen of horen. Peinzen mag ook, of stil
zijn. De woorden het woord geven.
Het evangelie volgens Johannes lezen betekent nauwelijks een confrontatie met feiten. Het zal niet zo zijn dat de lezer straks weet wat hij nu nog niet weet. Lezen, binnengaan in de spiritualiteit of materialiteit van een tekst, is niet zoiets als het sprokkelen van hout. Het is veel meer voelen dat hout en gras bijvoorbeeld, niet hetzelfde zijn. Ze voelen anders, geuren anders, kleuren anders. Geest bijvoorbeeld is een wonderlijk bijbels woord. Van het begin af aan houdt de geest van God de woeste en lege aarde en de verduisterde hemel op een of andere exclusieve manier toch bij elkaar. Wat uiteindelijk verteld gaat worden, is al in de eerste woorden aan het werk, zoals voor wie een film kent, heel de film al in de eerste beelden aanwezig is. Nauwelijks begonnen - bijbels gesproken altijd opnieuw begonnen - is alles eigenlijk al verteld. Maar ook wanneer het verhaal uit is, weet de lezer of toehoorder niet alles. Wat zou immers dit alles moeten wezen? Wanneer het verhaal gelezen is, weet je waar het over gaat. Ouder en wijzer geworden blijkt dat je eerder nog maar weinig begrepen had. Nu kun je echt beginnen.
Het woord
Het geheim van Johannes is in feite onthutsend eenvoudig. Let op de inzet. Let
op wat je hoort. Het woord! Zijn verhaal zal van begin af aan gaan over het
woord. Maar je moet dat wel goed, op de wijze van deze tekst, verstaan.
Het woord is niet wat wij alfabetisch geordend in onze woordenboeken tegen komen.
Het woord van Johannes is niet het gedrukte of geschreven woord. De Bijbel de
Schrift noemen, is in feite een onbijbelse benadering van de zaak. Het woord
in de traditie van het bijbelse woord, is het klinkende woord. Het is de klank
en weerklank die je hoort wanneer iemand aan het woord is. Ook de spanning van
de ademhaling hoort daar bij, en de zich verdelende energie die aandacht vraagt,
die je meeneemt.
Wat wij gaandeweg de Schrift zijn gaan noemen, heet in bijbelse kringen vanouds
de mikra, wat je hoort wanneer je leest of wanneer voorgelezen wordt in de stilte
van de gemeenschap die gehoor zoekt, die naar worden zoekt. ‘Versta je
wat je leest?’ Zó lezen en horen is het hart van de gemeenschap.
Daar wordt de gemeenschap het volk van het woord, door God, door Zijn Woord
gebouwd. Dat is vanouds de liturgie in de ware zin van het woord, het bouwen
van de gemeenschap, van Gods Eigen Huis, waar God het midden van is.
Om te beginnen is er het woord (1, 1). De Naardense vertaling (2004) durft hier
te lezen: Sinds het begin - is er het spreken. Het gaat niet om het gesprokene.
Het gaat niet over alles wat over deze teksten beweerd is. Het gaat niet over
de interpretaties en het grote gelijk. Het gaat over de stem die de stilte nu,
al lezend, verbreekt. Niet wat wij er van maken doet er toe, maar wat klinkt
wanneer iemand leest wat gehoord wil worden. Het woord klinkt, is stem (zie
10, 3.4). Dat klinkende woord maakt wie hoort tot gemeenschap rond het woord,
tot degenen die van omhoog, uit de verhalen, uit het horen geboren worden. (In
Johannes 3, 3.7 en 31 geeft het Grieks hetzelfde woord. Nicodemus verstaat het
anders. Hij begrijpt ‘wederom’. Johannes heeft het over ‘van
omhoog’, van boven, vanuit de verhalen geboren worden.)
Het klinkende woord is de essentie, het wezen van de gemeenschap. Wezen is hier
werkwoord. Zo zijn we, zo, in de ban van het woord. Zo is het woord leven, volop
klank. Het ent zich op wat ons tot mensen maakt en mens laat zijn. Leven. In
dat leven, dat gesproken worden en laten spreken (denk aan de eerste taal in
het verhaal, er zij licht, Genesis 1, 2) is licht voor ons, voor mensen. Het
doet ons zien en opzien.
Woord, leven en licht zijn niet drie dingen naast elkaar. Leven en licht zijn
andere namen voor het woord. Het woord trilt van leven. Daar gaat het licht
op en wordt oriëntatie mogelijk.
Lezen
Proberen we nog eens dichterbij te komen. Hoe weinig weet je nog waar je kijken
moet wanneer een tekst je massief overvalt! Kijk nog eens. Lees een tweede keer.
Het gaat niet over krantenkoppen of over wat vertalers er boven gezet hebben.
Probeer niet meteen te ordenen of te plaatsen.
Wanneer het over teksten gaat, beginnen we iets merkwaardigs te ontdekken. Je
moet, om te kunnen lezen wat er staat, ook enigermate weten wat er staat. Tegelijkertijd
is er het gevaar dat je te vlug leest wat je denkt dat er staat. De rest, dat
is hier wat er eigenlijk staat, is vreemd. Ongewild schrijf je de tekst betekenissen
toe. Het blijkt moeilijk om informatie buiten het gangbare op te nemen. Wat
je vaker gehoord hebt, doet zich bekend voor. Zo levert bijbelse literatuur
vaak alsmaar hetzelfde beeld op, binnen het welles-nietes van het gebruikelijke.
Alsof het oog, de mens, geen behoefte heeft aan iets dat nieuw is, anders. Wil
het oor alsmaar hetzelfde horen om te kunnen blijven zitten waar het zit, om
niet te hoeven veranderen (met alle moeite die dat met zich mee brengt). Is
kennis sedentair?
Wie bijbels luistert, moet steeds weer opnieuw horen. Hoor Israël de Heer
is onze God, de Heer is één (Deuteronomium 6, 4). De Heer, onze
God, komt niet dichterbij in het belijden, maar in het horen. Voortdurend wil
het aloude verbond zo goed als nieuw zijn. Niet met onze vaderen heeft de Heer
dit verbond gesloten, maar met ons, zoals wij hier, heden, allen in leven zijn
(Deuteronomium 5, 3). Ook het aloude en vertrouwde is pas een woord wanneer
het nieuw is, zo goed als nieuw, wanneer mijn ervaring zich ordent naar mijn
horen en tastend zoekt naar begrip (Johannes 20, 24-28). Niet om te pakken.
Niet om te hebben. De brandende struik in de woestijn vraagt (Exodus 3, 5) om
afstand. Zo ook de ark die voor hen uit gaat (Jozua 3, 4).
Heeft een tekst als Johannes dan iets nieuws te melden? Dat is alleen te achterhalen
door opnieuw te gaan lezen, door anders te gaan lezen.
Drie aanwijzingen wil ik geven om vanuit een andere houding te gaan lezen. Drie
regels om meer naderend te kunnen lezen. Je moet afstand bewaren om dichterbij
te kunnen komen. Alleen afstand maakt nabijheid mogelijk. Drie pogingen reik
ik aan om het verhaal meer het voortouw te laten nemen. Drie vluchtheuvels voor
als het te druk of te veel wordt onderweg. Om je vaart even in te houden.
1. In lagen lezen
Johannes is de enige evangelist die eigenlijk maar een paar verhalen geeft.
De tekst bestaat uit enkele meer uitgewerkte teksteenheden. In de regel zijn
het vlotlopende verhalen. Maar altijd ook lopen deze verhalen zichzelf voor
de voeten. Dialogen ontwikkelen zich eigenaardig, generen zich niet voor een
eclatant verborgen agenda.
- In het gesprek met de Samaritaanse vrouw (hoofdstuk 4) zijn binnen enkele
regels vraag en aanbod omgekeerd. Wie wil wat? Wat is er in de aanbieding? Wat
is de vraag? Wie vraagt wat?
- Ook de blindgeborene in hoofdstuk 9 vraagt niets! Alles overkomt hem. Van
doofstomme wordt hij iemand die zich wel moet verantwoorden.
- En bruidegom en bruid vervoegen zich in Kana (hoofdstuk 2) niet bij Jezus
met een dringende vraag nu de wijn ontbreekt. Voor die vraag biedt de tekst
een andere hulpverlener.
Naast de vlotte dialogen is er meer aan de hand. De verhalen worden soms op
het irritante af, onderbroken door meer theoretische, betogende, uiteenzettende,
toelichtende of motiverende stukken. Dat zijn fragmenten, tekstbrokken in de
manden van de eigen context. De eigen zinnigheid van Johannes leeft zich uit
in extra leesruimte, tussendoor. Blijkbaar kan dat niet anders. Een pro memorie
of ter herinnering. Extra tekst. Heilige reserve staat stil bij waar het verhaal
over gaat. Het probeert tot een duiding te komen. In die duiding komt op vele
wijzen het onbewuste (het steeds terugkerende, zich opdringende voor-begrip)
van de tekst aan de orde.
De eerste aanwijzing is daarom: probeer te lezen alsof je niet terstond alles
moet kunnen plaatsen. Probeer of je in fasen of lagen kunt lezen. Sla de betogende
gedeelten om te beginnen over. Je kunt daar later op terug komen. Een van de
bijzondere kwaliteiten van een tekst is: hij loopt niet weg. Je kunt terugkoppelen.
Laat vervolgens de vragen komen. Klop als het ware op de tekst om het weefsel
losser te maken. Wat staat er? Leg er een blad papier bij. Schrijf een paar
regels over, probeer of je een schema vindt. Zijn er woorden die terugkomen,
die zich aandienen? Leg een paar woorden vast. Of vergelijk je tekst eens met
andere vertalingen. Herschrijf in mindere of meerdere mate. Lees hardop –
dat vraagt meer tijd en geeft meer tijd. Dan kom je vanzelf opnieuw, wellicht
iets meer vanuit de tekst, bij de tekst terug.
2. Afstand nemen van de tekst
Het evangelie volgens Johannes is op de eerste plaats het verhaal van, daarna
een verhaal over. Het is het verhaal van degene(n) die wij Johannes noemen.
Hij vertelt. Johannes ‘belichaamt’ degene die als verhaal in het
midden tastbaar (20, 27) wordt én onaanraakbaar (20, 17). Johannes vertelt
een verhaal over Jezus die hij gevonden heeft, die hem gevonden heeft, zoals
hij hem gevonden heeft en hoe hij hem vindt. Onderwerp en lijdend voorwerp zijn
in deze inwisselbaar. Dankzij Thomas weten we dat proberen mag. Tasten, zo verlegen
als voelen kan zijn.
Het evangelie is een verhaal over gezien zijn, over begrijpen en proberen te
zeggen – het verhaal over een fascinatie met alle stilte van dien, sprakeloosheid.
Denk dus niet dat we in het evangelie te maken hebben met berichtgeving die
wij aan de regels van bijvoorbeeld de journalistiek zouden kunnen toetsen.
Oncontroleerbaar wil niet zeggen dat het verhaal onwaar is of onbetrouwbaar.
De waarheid is de onmiskenbare fascinatie die de tekst drijft. De betrouwbaarheid
van het evangelie is het blijvende en duurzame karakter van de hier gevonden
trouw (12, 13-16). Het definitieve karakter van deze woorden is zijn plaats,
het verblijf van zijn woord. Zijn Woord. Zie de kennismaking in Johannes 1,
46-51.
Aan de orde blijkt: zoeken en vinden. Over vinden en gevonden worden. Over zien
dat je gezien bent. Gekend en begrepen. Mozes en de Profeten als vindplaats
voor Jezus, als vindplaats voor Nathanael. Meer dan weten is hier horen geboden.
Wie vertelt? Wie of wat geeft de tekst stem en instemming? In kringen bepaalt
de concentratie afstand die nabijheid is en omgekeerd. De tekst vraagt om een
eigen, nauw luisterend lezen, meegaan, volgen – zich aansluiten bij de
tekst en het groeiende, steeds meer groeiende verhaal. Het wordt het verhaal
van een liefde die nog steeds nieuw blijkt, die steeds ook aan het begin staat.
Anders gezegd: het biografische van Johannes beschrijft Jezus, beschrijft Johannes,
beschrijft ook, op de tast, ieder die nu probeert te lezen. Want van wie zijn
de woorden die daar staan wanneer ze een beetje los komen, over komen? Hoe melden
ze wat ze te zeggen hebben? Van welke nadering geven zij acte de présence?
De tweede aanwijzing is dus afstand van de tekst leren nemen. Probeer eens anders
te vragen. Niet wat staat er?, maar hoe staat het er? Waarom zo? Probeer (samen
met anderen) het eigenaardige van de tekst op het spoor te komen. Ontwikkel
je creativiteit in het beantwoorden van vragen. Het gaat er niet om uit de tekst
te komen. De beweging is anders. Het gaat er om in de tekst te komen. Alleen
dan geeft de tekst geleidelijk aan meer antwoord op je vragen die, op afstand
blijvend, steeds meer zullen komen. Ook vragen stellen moet je leren. Lezen
wordt dan iets anders dan het consumeren van een tekst.
3. Een leespauze inlassen
De derde aanwijzing is al bij het begin verborgen aan het werk, maar wordt verderop
in het evangelie belangrijk. Jezus zegt bij Johannes: ‘Ik ben het licht’
(Johannes 8, 12). ‘Ik ben de weg’ (Johannes 14, 6). In de regel
worden deze korte regels geïnterpreteerd als een uitspraak van Jezus over
zichzelf. Hij vertelt wie hij is. ‘Ik ben …’ Maar misschien
is er een andere mogelijkheid. Misschien moeten we in deze woorden ‘is’
niet verstaan als een koppelwerkwoord met een predikaat. Misschien plakt Jezus
in deze teksten geen etiket op zichzelf. Kun je die woorden dan anders verstaan?
‘Ik ben’ kunnen we (via de Septuaginta, de Griekse vertaling van
de joodse, Hebreeuwse Bijbel) ook horen als een citaat. Men kan daarbij denken
aan geloven zoals (7, 38 – zonder de gangbare komma tussen geloven en
zoals). Geloven zoals de schrift zegt. Het gaat dan niet over geloven met ons
gezond verstand of ons gelovige hart, maar over geloven op schriftuurlijke wijze.
Zoals je bij het musiceren de partituur niet moet vergeten. Bijbels geloven,
zoals geschreven staat. Door Ik ben te zeggen blijkt Jezus de Schriften te vertolken,
en wel het verhaal over het zogenoemde brandende braambos, Exodus 3. Daar is
nog iets bijzonders mee aan de hand.
Het werkwoord zijn kent in het Hebreeuws geen tegenwoordige tijd. In de Hebreeuwse
tekst van Exodus 3, 14 staat dan ook een werkwoordsvorm die meer letterlijk
vertaald betekent: Ik zal Zijn. De naam van God, zijn geschiedenis, presenteert
zich als toekomst met alle uitnodiging die daar bij hoort. Wanneer Jezus zegt:
ik ben … het licht, spreekt hij over God die als het licht zal zijn, in
wiens licht hij zal gaan. In de bevrijding uit de slavernij zal blijken hoe
deze God oriëntatiepunt is, princiep dat ordening mogelijk maakt, en onderscheid
en zicht.
De derde aanwijzing is dus: houd na ik ben in het evangelie van Johannes even
een lees-, een adempauze. Even stilstaan bij.
Deze drie praktische aanwijzingen kunnen helpen Johannes te lezen buiten het bekende tracé. Zij moeten het verhaal in het brandpunt van de aandacht plaatsen. Midden onder jullie staat hij die jullie niet kennen (1, 26). Waarom zou wie leest, beter weten? De inzet van Johannes dient alle aandacht te vragen. Aan de orde is ‘Johannes’, deze tekst.
Drie woorden om te beginnen
Zijn de ogen enigermate aan de tekst gewend? Drie woorden lichten op. Woord,
leven, licht. Waarom deze drie?Waarom niet aarde, lucht, water en vuur? Waarom
zijn woord, leven en licht woorden die er toe doen? Daar komt bij: dit drietal
woorden dient zich bij herhaling aan.
Zijn woord, leven en licht de woorden en klanken die terecht voortdurend aandacht
vragen? Kunnen zij even voor hart spelen in woorden die een lichaam willen worden,
uitgeschreven taal en teken? Alleen een tekst kent in zekere zin begin en einde,
en wat daar tussen uitgeschreven is. Is het mogelijk woord, leven en licht zo
in stelling te brengen dat macht of kracht, gewicht of zwaarte van hen uitgaat.
Kunnen deze drie woorden iets vinden van de aandacht die zij claimen?
Licht, leven, woord
Licht betekent pas iets wanneer je voelt hoe het duister je terroriseert. Licht
zou dan een uitkomst zijn, zoiets als een oogopslag. Een vleugje helderheid
dat evenwicht en rust brengt, overzicht en herkenning. Licht is er pas wanneer
je het ziet.
Het tweede terugkerende woord is leven. Leven - kijk om je heen - is volstrekt
vanzelfsprekend. Pas wanneer de dood in de buurt komt, blijkt hoe wij niet of
nauwelijks van deze wereld zijn of daar in ieder geval uiteindelijk nergens
thuis.
Zo komen we bij het woord. In de kakelcultuur, zo kenmerkend voor onze dagen,
zijn woorden enkel decor, vulling, verpakking voor een hapje illusie. Maar een
woord is iets geheel anders.
Woord van boven
Een woord wordt, als beginsel en principe, pas een woord wanneer iemand tot
je spreekt, jou tot meewerkend voorwerp en onderwerp maakt. Een woord gaat pas
spreken wanneer jij adres en beoogde blijkt. Het gaat jou aan, bedoelt jou.
Het woord nodigt je uit, roept je op, brengt je bij de tijd. Nu jij de richting
en zin van spreken blijkt, spitsen de woorden zich toe op jou. Waar komt dat
woord vandaan? Wie spreekt?
De richting en afkomst van dat woord is volgens de tekst van Johannes God. Het
Woord is van alzo hoge van al zo veer (vgl 3, 3.7.31). Daarom aardt het niet.
Daarom wordt het door de zijnen, door Jeruzalem, niet aangenomen. Als er geen
aarde is, kan zaaien niet meer. Zaaier en maaier worden alleen synchroon door
de oogst, in zoiets als koren, brood om te delen. Als de aarde geen aarde wil
zijn kan het zaad niet ontkiemen (12, 24), zal er geen vrucht zijn.
De vanzelfsprekende wijn van gedeelde vreugde ontbreekt om te beginnen op de
bruiloft van het verbond. Gelukkig wil er iemand moeder zijn. Zij ziet het vanzelfsprekende
gemis en bepleit gehoor (2, 3-5) voor het woord, dat ongehoord aanwezig blijkt.
Welk antwoord is er mogelijk op de vraag: wat is er tussen mij en jou? (2, 4).
Probeer eens. Tussen jou en mij kan er een gemis zijn, een ontbreken, een onvolkomenheid,
of mogelijkheden die er toe doen, verbondenheid die telt. Woorden willen dan
snel daden zijn. Bij zo gezegd, zo gedaan (2, 5) blijken vaten voor de reiniging
wijn te bergen van een ongehoorde, messiaanse kwaliteit, wijn van voor de grondvesting
der wereld bereid.
Onze afkomst is aarde. Uit God geboren is onzin of reikt een vraag aan. Hoe
kan dat? Hoe zou je uit God geboren kunnen worden? Hoe kan wat van boven (3,
3.7.31) is, op aarde, in ons midden, als ons midden komen?
Het midden is bij Johannes altijd de plaats waar Jezus is. Dat is geen kwestie
van geografisch of choreografisch toeval. Het midden is in de Tora van oudsher
beschreven als de ruimte voor de tent van de ontmoeting, de tent van het getuigenis.
Als het midden baant dat woord zijn weg. Als het niet in ons midden plaats vindt,
waar gebeurt het dan? Zie daartoe de vraag die brandt in de woestijn: Is de
Heer in ons midden of is Hij het niet? (Exodus 17, 7) Hoe is Hij in ons midden?
Hoe is die weg van het woord?
Voor die duistere vraag blijkt Johannes te beschikken over licht. Hij is zelf
niet dat licht, dat leven, dat woord. Hij profileert zich als getuige, als stem
van een die roept. Hij roept in de woestijn: bereid de weg van de Heer (1, 23),
de heerlijke weg, (14, 4-6) namelijk de weg van God die bevrijding is, daad
van genegenheid en leven volop.
Johannes, de vriend van de bruidegom (3, 29), hoort het woord, hoort de stem
van de bruidegom en verblijdt zich over diens stem. Hij kent die stem (10, 4)
getuigt daarvan als een brandende en schijnende lamp (5, 35).
De wijze waarop Johannes nabij is markeert onze afstand. Hij vertelt wat wij
niet weten, nog niet weten. Hij vertelt wat wij zonder hem niet kúnnen
weten omdat wij die woorden niet hébben, niet zijn. Zoals je zonder een
schilderij het schilderij niet kunt beschrijven, zoals de schilder zonder schilderij
niet kan vertolken hoe hij laat zien wat hij laat zien, zoals de acteur zonder
tekst – zijn voorsprong op wie toeschouwt – niets en nergens is.
God in het gebeuren
Woord, leven, licht: Johannes heeft het woord. Het woord is binnen- en buitenkant,
gevoel en daad, genegenheid en daad van genegenheid. Het woord is God in het
gebeuren.
Het voegwoord ‘en’ koppelt hemel en aarde in Genesis 1, 1 aan elkaar.
Het onderwerp God en het werkwoord scheppen maakt de combinatie ‘hemel
en aarde’ mogelijk. Hoe God schept of wat scheppen is weten wij niet.
Pas op het einde van het eerste verhaal horen we: door het doen.
(Het Hebreeuwse woord asah betekent maken of doen. Probeer je het doen, of het
gebeuren in het Hebreeuws te zeggen, dan bespeur je iets opmerkelijks. Asah
(ASH), gebeuren, wordt Asíjah (ASJH) – het gebeuren. Voor de laatste
letter van het Hebreeuwse werkwoord ASH (de he) wordt in het Hebreeuws een jota
toegevoegd. Wat wij uitspreken als asíjah eindigt in het Hebreeuws met
jh, de eerste letters van het tetragram, de eigen naam van God in vier letters
(JHWH). God gaat zichtbaar schuil in het gebeuren. God in het gebeuren. Hoe
kan dat zijn? Abraham weet hoe God mee gaat in het gebeuren. Hij gaat zoals
God tot hem spreekt. Waar is het woord op uit? Waar zal het op neer komen?)
Het woord is genegenheid en waarheid. Keer op keer heeft Mozes in de woestijn,
in de Tora een toonzetting van en voor het woord gegeven. De Tora, het woord
dat als een kind (Wijsheid 8, 22.30; 9, 1.9) tot of bij God (pros ton theon)
is, dat zich, wellicht meer adequaat en inniger, tegen God aan vleit –
zoals de zoon die in de schoot van de vader is, voor wie de Vader een Thuis
is en bij Wie de Vader Thuis is.
Het woord gaat als licht, verhelderend en herkenbaar, voor hem uit. Hoe doet
Johannes dat? Het is nog een geheim. Het zal zichtbaar worden en tegelijk onzichtbaar
blijven, zoals de Naam van God in de Tempel, de Tent (1, 14) in Jeruzalem. De
tekst is van dit procédé het teken, het corpus, het geheel, het
lichaam. ‘Tekst’ wil zeggen: uitspraak, articulatie, geleding, uitgeschreven
gebaar. Dit is het getuigenis van Johannes! (1, 18)
Tora en Tempel
Johannes is nog niet begonnen of het gaat over het ‘tenten’ in ons
midden. Dat is niet zo’n onverschillige zaak als het in de vertalingen
gangbare wonen (1, 14) suggereert. De tent van het verbond is de tent van het
getuigenis. Tora en Tempel komen aan de orde wanneer Johannes zijn getuigenis
(1, 7.19) gaat geven. Tijdgebonden presenteren bijbelse functies en namen zich
in de tekst. Zij zijn herkenbaar: joden – de mensen van Judea en omgeving
-, Jeruzalem, priesters, levieten enerzijds, Messias, Elia en de profeet Jesaja
vanuit de ballingschap anderzijds. Maar let op! Wie met dit verhaal joden zegt,
zegt van nu af aan (1, 19) ook uit Jeruzalem. Joden zijn voor Johannes mensen
die van Jeruzalem weten. Blijkbaar hoort het bij de veronderstellingen van Johannes
dat de lezers en toehoorders dit weten. Zo horen wij vanaf het begin ook bij
de tekst. Jood zijn is bij Johannes van Jeruzalem zijn. Een kwestie van herkenning.
Zeg je joden uit Jeruzalem, dan zeg je ook priesters en levieten. Zij geven
aan waar het om te beginnen over zal gaan. Over de Tempel en over de Tora. Zo
kan Jezus in hoofdstuk 7 opgaan naar de wereld, naar Judea of Jeruzalem (7,
3) of opgaan naar de tempel (7, 14). Dat lijkt hetzelfde en kan anders blijken.
Een zekere kwetsbaarheid is daarbij aan de orde.
Priesters en levieten doen bij uitstek dienst in de Tempel. Als Johannes zijn
evangelie schrijft, is de tempel in Jeruzalem door de Romeinen verwoest. Daarom
worden priesters en levieten in de synagoge als eerste opgeroepen wanneer uit
de Tora gelezen wordt. Zij brengen als eersten het woord van al zo hoge dichterbij
wanneer het in ons (1, 14) om gehoor vraagt. Dat zijn de gebruiken die het hemelse
Jeruzalem mede typeren.
Daarom hoeft de verwondering niet zo groot te zijn in het verhaal over Nathanael.
Op de plaats die voor hem typerend is, wordt hij gevonden. Nathanael doet onder
de vijgenboom wat kenmerkend is voor het ware Israël. Nathanael is bezig
met de Tora. Dat zie je aan de manier waarop Filippus Jezus voor Nathanael zinvol
omschrijft als over wie Mozes geschreven heeft en de profeten (1, 45). Uit Mozes
en de profeten ook stammen de woorden van Nathanael (God geeft) wanneer hij
zich herkend weet: Jezus is voor hem ‘leraar, kind van God, koning van
Israël’ (vgl Deuteronomium 17, 18-20).
Daarom ook hoeven we in het verhaal van Johannes niet verwonderd te zijn dat
er al zo spoedig wordt verteld over de verwoeste Tempel die voldoende heeft
aan een termijn van drie dagen (2, 19).
De Tempel is kwetsbaar, evenals het woord. Johannes heeft het niet per ongeluk
of zo maar naast elkaar geschreven in 1, 14. Het woord is vlees geworden. Het
heeft zijn tent in ons opgeslagen. Dat blijft geschreven, ook al wordt sinds
lang vertaald in ons midden gewoond. Het heiligste is kwetsbaar wanneer men
niet rechtvaardig oordeelt, niet oordeelt overeenkomstig de Tora (zie 7, 24.51).
Dat is de les van de Babylonische Ballingschap.
Is het toeval dat deze twee verhalen, over Mozes en de Profeten (2, 46vv) en
over Tempel/Tent (2, 14vv) kader zijn voor het verhaal daartussen? Tora en Tempel
zetten de bruiloft te Kana, de derde dag (2, 1.20), in het midden. Zo presenteren
zij het verhaal over het verbond dat toch doorgaat ondanks de droefheid over
het afbreken van deze tempel (2, 19). Kana, ijver betekent dat. De ijver voor
uw huis die mij verteert – die mij tot een vreemdeling maakt voor mijn
broers (2, 2; zie Psalm 69, 10). Een vreemdeling, iemand ‘van elders’.
God bevrijdt
De geschiedenis van het woord is niet het produceren van een wereld of een natuur.
Het gaat over de geschiedenis als schepping. Het is die wonderlijk bijbelse
geschiedenis die in de Paasnacht orde op zaken stelt. De geschiedenis als het
scheppen van de kosmos, de orde, wordt ieder jaar in de nacht van Pesach/Pasen
verteld waar mensen samen komen. Het verhaal is te groot voor één
nacht. Daarom wordt het iedere week weer uitgelegd. ‘God bevrijdt’
is hoogste actualiteit. Voor die bevrijding wordt het lam (apart gezet in de
struiken van Genesis 12), klaargezet voor de te verwachten trouw wanneer de
Heer voorbij gaat (Johannes 9,1) in die nacht (Exodus 12). Het lam is het teken
dat wij gespaard worden. Hij ziet naar ons om. Hij kent ons toch. Hij is niet
vergeten. Wij waren immers slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd. De titels
die aan Jezus worden gegeven illustreren dit.
Hij is het woord in de woestijn tussen slavernij en bevrijding in, de bruidegom
(zie ook het vastmaken van de schoenriem, vgl. Ruth 4), het lam van God, de
plaats (van de Geest; blijven 1, 33.40), de messias over wie Mozes geschreven
heeft en de profeten, leraar, zoon van God, Koning van Israël, de plaats
waar Jacob/Israël (de geliefde leerling) zijn hoofd neerlegt terwijl engelen
opstijgen en afdalen op de zoon van de mensen.
De wereld van het woord
Als één zaak onmiskenbaar is bij Johannes dan is het de impact
van Pasen. Pesach/Pasen (is er voor Johannes een verschil?) is de samenhang,
de bron. Het omvattende geheel van het getuigenis van Johannes is niet de wereld
van nu of toen zoals men die zou kunnen opgraven op zoek naar archeologische
kennis. Het is niet een wereld zoals wij ‘de wereld’ kennen, niet
een wereld die object is van historische, sociologische of filologische wetenschappen.
De wereld van het getuigenis (1, 6.19) van Johannes is deze tekst. Van het begin
af aan is zij onmiskenbaar gesitueerd binnen een taal, als een taal. Johannes
schrijft een tekst over het woord dat vlees wordt, lichaam, geschiedenis, kwetsbaar,
dierbaar. Elk woord probeert hier iets te laten zien van de luister van dit
lichaam. Tempel en Tora zijn de laatste schrijnen, lijkt het vooralsnog, die
dit woord dat naar de Vader toe is kunnen bevatten. Daarom komen met priesters
en levieten nu mensen uit Jeruzalem vragen stellen, kwesties aandragen betreffende
Jeruzalem. Tastend zoeken ze naar de Messias, naar Elia of naar de Profeet die
er voor staat dat het lijden van Jeruzalem voleindigd is. Tastend bladeren woorden
door Mozes en de profeten (1, 46). In die verhalen zoeken zij taal, klank, weerklank
of wanklank die toch oriëntatie inkleuren. Zo worden wil of onwil, begrip
of onbegrip gevonden. Woorden banen zich in eigen handschrift – couleur
locale – een weg door de dialoog die geweven wordt. Alles (4, 26.29.39)
wordt verkend in de wegingen en overwegingen, in de toevoegingen binnen en buiten
de dialogen, rond plaatsen en tijden met het oog op: het lam, de koning, de
leraar, de tempel, de spijs en de dorst, en waar te bidden, hoe te bidden, over
het rechtvaardige oordeel (7, 24), het oordeel overeenkomstig de Tora (7, 51).
Het corpus van deze tekst is als weefsel een wereld van vragen en antwoorden,
van mensen met een missie, van wegen die werkelijk betrouwbaar heten te zijn,
een wereld van tekenen en talen naar, van overmoed, van vertrouwen dat durft
en van spijkerhard afgewezen worden, maar ook een wereld van ‘en toch’,
en onverwacht, van een aanbod buiten alles wat te berekenen is om. Die wereld
blijkt te beginnen waar je het niet vermoedt, niet vermoeden kon. Onverwacht
gezien (1, 49-50). Maar eenmaal toegesproken val je binnen de reikwijdte van
woorden als midden onder u. De/het onbekende, degene van wie wij niet weten,
die wij niet kennen (1, 26 en 1, 39 waar verblijft gij?), van wie wij niet weten,
wordt aldus geïntroduceerd. De gelaagdheid van de te fouilleren plaatsen
(20, 27) biedt wie horen of lezen wil leren een waarlijk alternatief. Zo was
destijds ook voor Abraham het woord, het spreken van God, Plaats en Toekomst,
Land en Zoon. In het te vertrouwen en vertrouwde woord mochten zij gaven zijn,
worden.
Johannes heeft het over de geschiedenis van het woord, de Zoon van de Vader,
het kind dat opgeheven wordt (Genesis 22). Zo wijst Johannes het lam ten offer
aan, het lam waarvan geen been gebroken wordt. Als ware Pesach/Pasen op handen
en daarmee ook het uur (12, 23). Op hem daalt de geest, deze wereld van taal,
dalen al deze woorden neer (6, 63). Zij beschrijven zijn lichaam, zijn komst
in het huis van de vader (7, 14), zijn lichaam van gebaar en taal, van verlangen
en vervulling.
Woord voor de kinderen van God
De kinderen van God zijn het adres van het verhaal van Johannes. We vinden hen
in de aanhef (1, 12) en komen hen ook aan het einde van het verhaal (21, 11)
weer tegen. In het Hebreeuws is het niet ongebruikelijk, woorden en letters
te tellen. Telt men de medeklinkers op, de letters van benej ha-elohiem (de
kinderen Gods), dan komt het getal 153 te voorschijn, het getal van de vissen.
Voordat wij met onze vragen komen, signaleert de tekst dat leerlingen van Johannes
volgelingen van Jezus worden. De plaats waar hij blijft (1, 40) wordt een plaats
van vele verblijven (14, 2.23). Hij de leraar, zij de leerlingen. Zien, horen
en vinden worden de woorden die er in deze wereld van taal en verhalen toe doen.
Uiteindelijk zal in de tempel - en/of/dat wil zeggen na zijn opstanding - blijken
dat en hoe zich herinneren (2, 17.22).
‘Zich herinneren’ wordt het hoofdwerkwoord voor de leerlingen. Fragmenten
tekst, schrift en woord, voegen zich in de herinnering rond zijn woorden en
daden aaneen. Zoals geschreven is. Zoals ter sprake gebracht wordt, te horen
gegeven. In de herinnering van de leerlingen voegen woorden en daden zich aaneen,
ineen. Zij roepen elkaar op. Maar hoe kunnen wij deze opstapeling van woorden
en verhalen aan? Daarom begint de tekst na het vastberaden begin rond het einde
van hoofdstuk 2 opnieuw
Volstrekt duidelijk geeft de tekst de tijd aan: in Jeruzalem, tijdens Pesach,
op het feest (2, 23). Geen vertaling laat deze omstandige aanduiding, eenheid
van plaats, tijd en handeling, zien. Maar in Jeruzalem gaan we in het Goede
Verhaal volgens Johannes in de paasnacht met Nicodemus naar het feest om opnieuw
te leren hoe het begonnen is en hoe het steeds opnieuw als nieuw weer begint.
Over die geboorte van omhoog, die wonderlijke geboorte uit de hemel, wanneer
Israël, bevrijd uit de slavernij van Egypte, kind van God wordt.
Pesach bij Johannes zoekt naar Jeruzalem. Pesach is het feest van de oprichting
der tekenen, het woord dat geschiedt, de Heer bevrijdt. Je-hosjoea, de Heer
bevrijdt. Zo schrijft Johannes zijn Boek als begin om ons, vertrouwend in de
naam van Messias Jezus, leven te geven (20, 31) in het woord, om Woord te worden,
Leven te zijn, Licht. Al te zeer zijn dit in de slijtageslag van de tijd woorden
geworden die er nauwelijks nog toe doen. Maar wat wordt aangeroerd wanneer Johannes
spreekt over Woord, Leven, Licht?
Geboren uit het woord
De mens moet van omhoog geboren worden: uit God, uit de verhalen, uit de taal
van dit Woord. Geboren worden vanuit de verhoogde, vanuit naar wie we staande
aan de voet van het kruis opzien.
Het woord – het leven – het licht. Woord dat de stilte verbreekt,
dat leeft, dat weerklinkt. Woorden zijn niet gereproduceerd of reproduceerbaar
fonetisch materiaal. Woorden zijn niet ‘bla, bla, bla, etcetera’.
Woorden zijn blijkbaar uiteindelijk onverwacht, onberekenbaar, onpeilbaar ook,
een begin. Aangesproken, toegesproken, adres worden. Aangesproken word ik uit
de anonimiteit gehaald, leer ik spreken. Mijn spreken wordt antwoord, maakt
mij van tweede tot eerste persoon. Zo ontstaat wat niet eerder was: ruimte.
Zonder afstand geen ruimte, zonder daar geen hier. Enkel verhalen duiden dat.
Zo komen wij de God van dit verhaal op het spoor.
Wie is de God van dit verhaal? Welke taal van al zo hoge van al zo ver komt
hier aan het woord en zaait zich uit als tekst zodat de velden wit staan? Het
is geen ander accoord dan dat van Woorden, van Leven en Weg zijn. Leven schenken
en Leven zijn, genegenheid die draagt.
Johannes maakt duidelijk en onderstreept, dat wij geen andere tijd hebben dan
hier en nu, de tijd van lezen, van gezien hebben (9, 37), van horen (4, 42)
en doen (2, 5-8). Uiteindelijk: de tijd van het woord, van degene die met je
spreekt (4, 26-27. 50; 9, 37), die alles (4, 26.29.39) voor je blijkt te zijn.
Het geheim dat het woord is
God is het woord dat spreekt. Drie verhalen getuigen van het geheim dat het
woord is. De Samaritaanse vrouw, de blinde en de schapen kunnen een duiding
zijn voor het woord, het licht, het leven.
De Samaritaanse
Het is niet normaal om rond het middaguur water te gaan putten, ook niet in
Samaria (4, 4). Geen mens put water in de hitte van de middag, tenzij wanneer…
Wanneer je het wel weet, wanneer je geen woorden meer hoeft te horen. Je wilt
met rust gelaten worden. Alleen zijn. Maar wat gebeurt er in het verhaal wanneer
straks het woord in haar een bron van woorden wordt? Zij gaat naar de stad.
Ze haalt er iedereen bij. Allen vinden herkenning in haar verhaal. Daardoor
horen zij Jezus zelf. Wat is het geheim?
De vreemdeling vraagt haar te drinken (4, 7 vgl 19, 28). Dan draait hij vraag
en aanbod om. Hij blijkt haar alles (4, 26.29.39) te vertellen. Wie is degene
die alles vertelt? Alles wat een mens nodig heeft, is dat iemand als de Messias?
In het gesprek ligt die vraag voor de hand, zinnig en dubbelzinnig tegelijk.
Wie is hij?
Ik ben. God is (Exodus 3, 14). Die met jou spreekt. Niet ik spreek, maar ik
spreek met jou. Het woord, zijn woord, brengt haar waar ze alsmaar niet wilde
zijn, niet kon zijn – geeft haar het woord. Alles! Woorden van een profeet,
van iemand die de Tora uitlegt en daardoor God dichterbij brengt zodat je ziet
dat en hoe Hij naar deze wereld kijkt (Psalm 51, 13!). Alles heeft hij haar
verteld. Niet alles, absoluut. Maar alles dat haar alles is, wat voor haar alles
is, haar verborgenheid en haar aan het licht komen. Na haar exodus zal de stad
zeggen: wij hebben hem zelf gehoord. De binding is gemeenschappelijk, een en
al water dat leeft.
De blinde
De geboren blinde. De vader en moeder blijken zich terug te trekken met: ‘of
iemand … wij weten het niet. Hij moet zelf maar spreken, hij heeft de
leeftijd’. Maar wat zou hij moeten zeggen? Wanneer hij na zijn wassingen
in de Siloam in het verhaal op verhaal komt, zegt hij om te beginnen niets.
De wereld om hem heen twist over ‘hij is het niet, hij is het wel’.
De geboren blinde spreekt dan opmerkelijke exodus-taal: Ik ben, ik zal zijn.
Wat heeft God met hem te maken of hij met God? Wat is dat voor vreemde identificatie
– alsof wij doen wat hij doet, alsof we dat moeten of kunnen?
Alles wordt in dit verhaal overhoop gehaald. De mens, het lijdend voorwerp van
Jezus die ziet (9, 1), moet onderwerp worden. Hij laat ons zien wat hij ziet
en hoe hij ziet. Als Jezus hem (de mens uit 9, 1) aanspreekt op de zoon van
de mens, vraagt hij ‘wie is?’. Hij staat gereed met zijn vertrouwen.
Wonderlijk precies blijkt de aanduiding van tijd: je hebt hem gezien. Alsof
de tijd van zijn blind-zijn de tijd van het zien was. Dat is toch niet meer
in te halen, dat is toch voorbij? Blijkbaar niet. De sprekende met jou, hij
is. De Griekse woorden laten zien over wie het gaat: ‘Met jou’.
Het woord (de sprekende … hij is) omgeeft het onderwerp van het verhaal,
de mens die uit genesis blind is, aan wie de zoon en zijn leerlingen het (scheppings-)werk
voltooien: eindelijk gevonden, laat hij zich vinden. Woorden bieden helderheid,
kunnen licht zijn. Die met je spreekt, maakt de wereld open en laat je vertrekken
vanuit je er nog niet zijn, je verleden.
Spreken is niet het uitwisselen van informatie. Misschien is het zoiets eenvoudigs
als gevonden worden, gezien.
De schapen
Alsof er alle tijd is, zo laat Johannes 10 je kennis maken met het leven op
aarde onder de hemel. We zien een schaapskooi. Stenen, opgeworpen om de wilde
dieren buiten te houden. Het is een bescherming waar misbruik van gemaakt kan
worden. Ook rovers komen over stenen heen. Dan wendt de verteller zich tot de
deur, de vanzelfsprekende in- en uitgang. Voor de schapen blijkt de deur vooral
de plaats van de herder. De echte herder doet hen, de schapen, uitgaan en weide
vinden. Hij betekent voor hen in de werkelijke zin van de woorden: eten, drinken
en verder gaan.
Hij, de herder, is voor hen de deur. In de opening van de muur staat hij wijdbeens.
Zij lopen onder hem door. Hij legt zijn hand op hen, telt hen. Voor hem tellen
ze. Zij kennen hem. Zijn stem is hun door en door vertrouwd. Niet zijn thematieken.
Ze herkennen hem niet aan de inhoud die hij ter sprake brengt. Zijn stem is
alles. Wat er voor hen toe doet is dat beetje groen dat gras zou kunnen heten
en de zekerheid dat hij er voor hen is. Uitgaan betekent plaats kunnen vinden,
‘weide vinden’.
Buiten. Op de rand van de woestijn. Stof waait op. Al die zich verdringende
schapen. Zijn stem geeft hun de ruimte. Die gestalte in de muur waar zij onderdoor
kunnen om naar buiten te gaan, is hun hemel. Hij, zijn leven, spant zich over
hen heen als een uitspansel, een hemel. Hij gaat hen voor. Voor hen.
Opnieuw gaan horen
Onze taal is doorleefd van beelden, herinneringen, associaties. Onze beelden
zijn doortrokken van verhalen, van woorden die je bij blijven. Beelden hechten
zich. Gebaren geven te denken. Handen ontfermen zich over je. Woorden doen ontwaken.
Misschien moet je als predikant eerst je verhaal overschrijven. Dan lees je
langzamer. Je ervaring en herinnering gaan, meer toevallig, binnen in het geheel
van de woorden. Je tekst wordt taal en beeld: woord, leven, licht. Alleen zo
krijgen lezers en toehoorders gemeenschap met de tekst. Zo verzamelt het bijbels
tegoed onze verhalen. Een groot geheim. Gemeenschap, communio. Vanuit verbondenheid
opnieuw gaan horen. Het woord.
JAN ENGELEN
catecheet en exegeet
Wessel Ilckenstraat 19 1066 GX Amsterdam
janengelen@outlook.com
Aanbevolen oriënterende litteratuur:
- K. Deurloo, Exodus en Exil, Kleine bijbelse theologie, deel 1, Kok, Kampen,
2003;
- K. Deurloo met E. van den Berg en P. van Midden, Koning en Tempel, Kleine
bijbelse Theologie, deel 2, Kok, Kampen, 2004.