WOORD, LEVEN, LICHT BIJ JOHANNES

De kwaliteit van het woord
De media brengen alles binnen handbereik. De wereld ligt voor het grijpen. Een van de oudste tactieken is weer opnieuw en meer actueel: pak, grijp en begrijp. Wie heeft komt niet te kort in het leven. Uiteindelijk gaat het over bezit, materieel of geestelijk. Hebben. Weten. Kennis is macht. Taal - woord en beeld - is daarvan een illustratie. Het schijnt de enige zekerheid bij al het vergaan dat de tijd onafwendbaar naderbij brengt.
Het leven is evenwel tijd en duur. De spanning van de afstanden overbruggen wij in taal. Taal in de zin van spreken, brengt ons bestaan wezenlijk dichterbij. Door de taal leven we te midden van de dingen, samen met anderen. Door de taal zijn we, brengen we dat en hoe wij leven ter sprake. Dit gaat door tot in de intimiteit van het vertrouwen dat wij geloven noemen.
Wij zijn geneigd om te hebben en te verzamelen. Wij zouden wel willen weten waar het evangelie, Johannes bijvoorbeeld, over gaat. Wie dat weet, moet het duidelijk en verstaanbaar zeggen. Haal de sluier van de onwetendheid weg, dan kunnen we waarheden delen en geloof vermenigvuldigen.
Maar de tekst van het evangelie is geen versleutelde collectie hebbedingetjes. Het evangelie volgens Johannes geeft precies weer hoe Johannes zijn eigen geheim benadert.

eind 15e eeuw

Het evangelie belichaamt het mysterie dat het evangelie bezielt. De tekst laat zichtbaar worden wat onzichtbaar blijft. Dat is de kwaliteit van het woord: het communiceert. Het woord reikt bij wijze van spreken aan wat het te vertellen heeft en komt daarbij zichzelf als tekst voortdurend te hulp. Niet als collectie feiten maar als proces legt het evangelie zichzelf uit, als een geheel van delen die delen in het geheel. Het geheim is het gebeuren in de tijd van het spreken of lezen: verstandhouding waarin wij en de tekst voor elkaar beschikbaar zijn. Waarheid is hier een daad van genegenheid, steeds maar ten dele aanwezig, even, behoedzaam, breekbaar. Waarheid is geen kwantiteit, geen bezit. Waarheid is spaarzaam en bescheiden. Als de liefde zelf.

Al aan het begin van het evangelie - wanneer iedereen in Jeruzalem met Pesach de bevrijding uit de slavernij viert - reinigt Jezus volgens Johannes de tempel. Hij maakt in wat hun/ons heilig is, ruimte voor wat hem heilig is, voor de intimiteit van zijn eigen heiligheid. Voor de leerlingen heeft die tempelreiniging en de daarop volgende discussie een duidelijk gevolg. Waarschijnlijk zouden wij aan dit gevolg niet denken. De leerlingen gaan zich herinneren. Wat? Zij herinneren zich dat en wat geschreven staat. De herinnering maakt de boeken open. Alsof Jezus volgen – leerling zijn – zoiets betekent als mee lezen, met de boeken op tafel. Je moet mee lezen, mee luisteren, mee wikken en wegen, vergelijken en, wie weet, meegaan. Wat je leest en wat Jezus doet, stemt volgens de leerlingen wonderlijk met elkaar overeen. Woord, daad en boek getuigen van en voor elkaar. Zij roepen elkaar op en staan voor elkaar in.

Johannes komen wij alleen op het spoor door hem te lezen en te herlezen, door hem te horen en opnieuw te horen. Tastenderwijs. Alleen door de tastatuur van de tekst komen wij in contact met wat Hij (Jezus) of hij (de tekst, Johannes) te zeggen heeft. Dat contact is altijd iets van het moment, iets dat nu gebeurt of niet.
We kunnen veel met bijbelteksten. De geschiedenis van de exegese laat dat zien. We kunnen de tekst inzetten voor reconstructies van de oude gemeenschappen waarin het evangelie volgens Johannes ontstaan is. We kunnen de tekst redigeren en reconstrueren naar veronderstelde achtergronden of bedoelingen. We kunnen de tekst in stukken hakken om bronnen en andere complicaties op het spoor te komen of een beter evangelie te schrijven, een betere tekst te maken. Het geweld in commentaren op (teksten van) het Johannesevangelie is soms verbijsterend. Het is ermee als met de lichamen van tallozen in de vorige eeuw of al die eeuwen daarvoor. Miskend, misbruikt op vele wijzen, vernietigd. Maar dat wil niet zeggen dat mensen geen mensen zijn, of teksten geen teksten. Zij delen hun wonderlijke wijze van bestaan. Ze zijn aanwezig en afwezig, een open en gesloten systeem tegelijkertijd. Geen open boek, maar een mogelijkheid om tot gesprek en contact te komen. Bij een evangelie heet dit lezen of horen. Peinzen mag ook, of stil zijn. De woorden het woord geven.

Het evangelie volgens Johannes lezen betekent nauwelijks een confrontatie met feiten. Het zal niet zo zijn dat de lezer straks weet wat hij nu nog niet weet. Lezen, binnengaan in de spiritualiteit of materialiteit van een tekst, is niet zoiets als het sprokkelen van hout. Het is veel meer voelen dat hout en gras bijvoorbeeld, niet hetzelfde zijn. Ze voelen anders, geuren anders, kleuren anders. Geest bijvoorbeeld is een wonderlijk bijbels woord. Van het begin af aan houdt de geest van God de woeste en lege aarde en de verduisterde hemel op een of andere exclusieve manier toch bij elkaar. Wat uiteindelijk verteld gaat worden, is al in de eerste woorden aan het werk, zoals voor wie een film kent, heel de film al in de eerste beelden aanwezig is. Nauwelijks begonnen - bijbels gesproken altijd opnieuw begonnen - is alles eigenlijk al verteld. Maar ook wanneer het verhaal uit is, weet de lezer of toehoorder niet alles. Wat zou immers dit alles moeten wezen? Wanneer het verhaal gelezen is, weet je waar het over gaat. Ouder en wijzer geworden blijkt dat je eerder nog maar weinig begrepen had. Nu kun je echt beginnen.

Het woord
Het geheim van Johannes is in feite onthutsend eenvoudig. Let op de inzet. Let op wat je hoort. Het woord! Zijn verhaal zal van begin af aan gaan over het woord. Maar je moet dat wel goed, op de wijze van deze tekst, verstaan.
Het woord is niet wat wij alfabetisch geordend in onze woordenboeken tegen komen. Het woord van Johannes is niet het gedrukte of geschreven woord. De Bijbel de Schrift noemen, is in feite een onbijbelse benadering van de zaak. Het woord in de traditie van het bijbelse woord, is het klinkende woord. Het is de klank en weerklank die je hoort wanneer iemand aan het woord is. Ook de spanning van de ademhaling hoort daar bij, en de zich verdelende energie die aandacht vraagt, die je meeneemt.
Wat wij gaandeweg de Schrift zijn gaan noemen, heet in bijbelse kringen vanouds de mikra, wat je hoort wanneer je leest of wanneer voorgelezen wordt in de stilte van de gemeenschap die gehoor zoekt, die naar worden zoekt. ‘Versta je wat je leest?’ Zó lezen en horen is het hart van de gemeenschap. Daar wordt de gemeenschap het volk van het woord, door God, door Zijn Woord gebouwd. Dat is vanouds de liturgie in de ware zin van het woord, het bouwen van de gemeenschap, van Gods Eigen Huis, waar God het midden van is.
Om te beginnen is er het woord (1, 1). De Naardense vertaling (2004) durft hier te lezen: Sinds het begin - is er het spreken. Het gaat niet om het gesprokene. Het gaat niet over alles wat over deze teksten beweerd is. Het gaat niet over de interpretaties en het grote gelijk. Het gaat over de stem die de stilte nu, al lezend, verbreekt. Niet wat wij er van maken doet er toe, maar wat klinkt wanneer iemand leest wat gehoord wil worden. Het woord klinkt, is stem (zie 10, 3.4). Dat klinkende woord maakt wie hoort tot gemeenschap rond het woord, tot degenen die van omhoog, uit de verhalen, uit het horen geboren worden. (In Johannes 3, 3.7 en 31 geeft het Grieks hetzelfde woord. Nicodemus verstaat het anders. Hij begrijpt ‘wederom’. Johannes heeft het over ‘van omhoog’, van boven, vanuit de verhalen geboren worden.)
Het klinkende woord is de essentie, het wezen van de gemeenschap. Wezen is hier werkwoord. Zo zijn we, zo, in de ban van het woord. Zo is het woord leven, volop klank. Het ent zich op wat ons tot mensen maakt en mens laat zijn. Leven. In dat leven, dat gesproken worden en laten spreken (denk aan de eerste taal in het verhaal, er zij licht, Genesis 1, 2) is licht voor ons, voor mensen. Het doet ons zien en opzien.
Woord, leven en licht zijn niet drie dingen naast elkaar. Leven en licht zijn andere namen voor het woord. Het woord trilt van leven. Daar gaat het licht op en wordt oriëntatie mogelijk.

Lezen
Proberen we nog eens dichterbij te komen. Hoe weinig weet je nog waar je kijken moet wanneer een tekst je massief overvalt! Kijk nog eens. Lees een tweede keer. Het gaat niet over krantenkoppen of over wat vertalers er boven gezet hebben. Probeer niet meteen te ordenen of te plaatsen.
Wanneer het over teksten gaat, beginnen we iets merkwaardigs te ontdekken. Je moet, om te kunnen lezen wat er staat, ook enigermate weten wat er staat. Tegelijkertijd is er het gevaar dat je te vlug leest wat je denkt dat er staat. De rest, dat is hier wat er eigenlijk staat, is vreemd. Ongewild schrijf je de tekst betekenissen toe. Het blijkt moeilijk om informatie buiten het gangbare op te nemen. Wat je vaker gehoord hebt, doet zich bekend voor. Zo levert bijbelse literatuur vaak alsmaar hetzelfde beeld op, binnen het welles-nietes van het gebruikelijke. Alsof het oog, de mens, geen behoefte heeft aan iets dat nieuw is, anders. Wil het oor alsmaar hetzelfde horen om te kunnen blijven zitten waar het zit, om niet te hoeven veranderen (met alle moeite die dat met zich mee brengt). Is kennis sedentair?
Wie bijbels luistert, moet steeds weer opnieuw horen. Hoor Israël de Heer is onze God, de Heer is één (Deuteronomium 6, 4). De Heer, onze God, komt niet dichterbij in het belijden, maar in het horen. Voortdurend wil het aloude verbond zo goed als nieuw zijn. Niet met onze vaderen heeft de Heer dit verbond gesloten, maar met ons, zoals wij hier, heden, allen in leven zijn (Deuteronomium 5, 3). Ook het aloude en vertrouwde is pas een woord wanneer het nieuw is, zo goed als nieuw, wanneer mijn ervaring zich ordent naar mijn horen en tastend zoekt naar begrip (Johannes 20, 24-28). Niet om te pakken. Niet om te hebben. De brandende struik in de woestijn vraagt (Exodus 3, 5) om afstand. Zo ook de ark die voor hen uit gaat (Jozua 3, 4).

Heeft een tekst als Johannes dan iets nieuws te melden? Dat is alleen te achterhalen door opnieuw te gaan lezen, door anders te gaan lezen.
Drie aanwijzingen wil ik geven om vanuit een andere houding te gaan lezen. Drie regels om meer naderend te kunnen lezen. Je moet afstand bewaren om dichterbij te kunnen komen. Alleen afstand maakt nabijheid mogelijk. Drie pogingen reik ik aan om het verhaal meer het voortouw te laten nemen. Drie vluchtheuvels voor als het te druk of te veel wordt onderweg. Om je vaart even in te houden.

1. In lagen lezen
Johannes is de enige evangelist die eigenlijk maar een paar verhalen geeft. De tekst bestaat uit enkele meer uitgewerkte teksteenheden. In de regel zijn het vlotlopende verhalen. Maar altijd ook lopen deze verhalen zichzelf voor de voeten. Dialogen ontwikkelen zich eigenaardig, generen zich niet voor een eclatant verborgen agenda.
- In het gesprek met de Samaritaanse vrouw (hoofdstuk 4) zijn binnen enkele regels vraag en aanbod omgekeerd. Wie wil wat? Wat is er in de aanbieding? Wat is de vraag? Wie vraagt wat?
- Ook de blindgeborene in hoofdstuk 9 vraagt niets! Alles overkomt hem. Van doofstomme wordt hij iemand die zich wel moet verantwoorden.
- En bruidegom en bruid vervoegen zich in Kana (hoofdstuk 2) niet bij Jezus met een dringende vraag nu de wijn ontbreekt. Voor die vraag biedt de tekst een andere hulpverlener.

Naast de vlotte dialogen is er meer aan de hand. De verhalen worden soms op het irritante af, onderbroken door meer theoretische, betogende, uiteenzettende, toelichtende of motiverende stukken. Dat zijn fragmenten, tekstbrokken in de manden van de eigen context. De eigen zinnigheid van Johannes leeft zich uit in extra leesruimte, tussendoor. Blijkbaar kan dat niet anders. Een pro memorie of ter herinnering. Extra tekst. Heilige reserve staat stil bij waar het verhaal over gaat. Het probeert tot een duiding te komen. In die duiding komt op vele wijzen het onbewuste (het steeds terugkerende, zich opdringende voor-begrip) van de tekst aan de orde.
De eerste aanwijzing is daarom: probeer te lezen alsof je niet terstond alles moet kunnen plaatsen. Probeer of je in fasen of lagen kunt lezen. Sla de betogende gedeelten om te beginnen over. Je kunt daar later op terug komen. Een van de bijzondere kwaliteiten van een tekst is: hij loopt niet weg. Je kunt terugkoppelen.
Laat vervolgens de vragen komen. Klop als het ware op de tekst om het weefsel losser te maken. Wat staat er? Leg er een blad papier bij. Schrijf een paar regels over, probeer of je een schema vindt. Zijn er woorden die terugkomen, die zich aandienen? Leg een paar woorden vast. Of vergelijk je tekst eens met andere vertalingen. Herschrijf in mindere of meerdere mate. Lees hardop – dat vraagt meer tijd en geeft meer tijd. Dan kom je vanzelf opnieuw, wellicht iets meer vanuit de tekst, bij de tekst terug.

2. Afstand nemen van de tekst
Het evangelie volgens Johannes is op de eerste plaats het verhaal van, daarna een verhaal over. Het is het verhaal van degene(n) die wij Johannes noemen. Hij vertelt. Johannes ‘belichaamt’ degene die als verhaal in het midden tastbaar (20, 27) wordt én onaanraakbaar (20, 17). Johannes vertelt een verhaal over Jezus die hij gevonden heeft, die hem gevonden heeft, zoals hij hem gevonden heeft en hoe hij hem vindt. Onderwerp en lijdend voorwerp zijn in deze inwisselbaar. Dankzij Thomas weten we dat proberen mag. Tasten, zo verlegen als voelen kan zijn.
Het evangelie is een verhaal over gezien zijn, over begrijpen en proberen te zeggen – het verhaal over een fascinatie met alle stilte van dien, sprakeloosheid. Denk dus niet dat we in het evangelie te maken hebben met berichtgeving die wij aan de regels van bijvoorbeeld de journalistiek zouden kunnen toetsen.
Oncontroleerbaar wil niet zeggen dat het verhaal onwaar is of onbetrouwbaar. De waarheid is de onmiskenbare fascinatie die de tekst drijft. De betrouwbaarheid van het evangelie is het blijvende en duurzame karakter van de hier gevonden trouw (12, 13-16). Het definitieve karakter van deze woorden is zijn plaats, het verblijf van zijn woord. Zijn Woord. Zie de kennismaking in Johannes 1, 46-51.
Aan de orde blijkt: zoeken en vinden. Over vinden en gevonden worden. Over zien dat je gezien bent. Gekend en begrepen. Mozes en de Profeten als vindplaats voor Jezus, als vindplaats voor Nathanael. Meer dan weten is hier horen geboden. Wie vertelt? Wie of wat geeft de tekst stem en instemming? In kringen bepaalt de concentratie afstand die nabijheid is en omgekeerd. De tekst vraagt om een eigen, nauw luisterend lezen, meegaan, volgen – zich aansluiten bij de tekst en het groeiende, steeds meer groeiende verhaal. Het wordt het verhaal van een liefde die nog steeds nieuw blijkt, die steeds ook aan het begin staat.
Anders gezegd: het biografische van Johannes beschrijft Jezus, beschrijft Johannes, beschrijft ook, op de tast, ieder die nu probeert te lezen. Want van wie zijn de woorden die daar staan wanneer ze een beetje los komen, over komen? Hoe melden ze wat ze te zeggen hebben? Van welke nadering geven zij acte de présence?
De tweede aanwijzing is dus afstand van de tekst leren nemen. Probeer eens anders te vragen. Niet wat staat er?, maar hoe staat het er? Waarom zo? Probeer (samen met anderen) het eigenaardige van de tekst op het spoor te komen. Ontwikkel je creativiteit in het beantwoorden van vragen. Het gaat er niet om uit de tekst te komen. De beweging is anders. Het gaat er om in de tekst te komen. Alleen dan geeft de tekst geleidelijk aan meer antwoord op je vragen die, op afstand blijvend, steeds meer zullen komen. Ook vragen stellen moet je leren. Lezen wordt dan iets anders dan het consumeren van een tekst.


3. Een leespauze inlassen
De derde aanwijzing is al bij het begin verborgen aan het werk, maar wordt verderop in het evangelie belangrijk. Jezus zegt bij Johannes: ‘Ik ben het licht’ (Johannes 8, 12). ‘Ik ben de weg’ (Johannes 14, 6). In de regel worden deze korte regels geïnterpreteerd als een uitspraak van Jezus over zichzelf. Hij vertelt wie hij is. ‘Ik ben …’ Maar misschien is er een andere mogelijkheid. Misschien moeten we in deze woorden ‘is’ niet verstaan als een koppelwerkwoord met een predikaat. Misschien plakt Jezus in deze teksten geen etiket op zichzelf. Kun je die woorden dan anders verstaan?
‘Ik ben’ kunnen we (via de Septuaginta, de Griekse vertaling van de joodse, Hebreeuwse Bijbel) ook horen als een citaat. Men kan daarbij denken aan geloven zoals (7, 38 – zonder de gangbare komma tussen geloven en zoals). Geloven zoals de schrift zegt. Het gaat dan niet over geloven met ons gezond verstand of ons gelovige hart, maar over geloven op schriftuurlijke wijze. Zoals je bij het musiceren de partituur niet moet vergeten. Bijbels geloven, zoals geschreven staat. Door Ik ben te zeggen blijkt Jezus de Schriften te vertolken, en wel het verhaal over het zogenoemde brandende braambos, Exodus 3. Daar is nog iets bijzonders mee aan de hand.
Het werkwoord zijn kent in het Hebreeuws geen tegenwoordige tijd. In de Hebreeuwse tekst van Exodus 3, 14 staat dan ook een werkwoordsvorm die meer letterlijk vertaald betekent: Ik zal Zijn. De naam van God, zijn geschiedenis, presenteert zich als toekomst met alle uitnodiging die daar bij hoort. Wanneer Jezus zegt: ik ben … het licht, spreekt hij over God die als het licht zal zijn, in wiens licht hij zal gaan. In de bevrijding uit de slavernij zal blijken hoe deze God oriëntatiepunt is, princiep dat ordening mogelijk maakt, en onderscheid en zicht.
De derde aanwijzing is dus: houd na ik ben in het evangelie van Johannes even een lees-, een adempauze. Even stilstaan bij.

Deze drie praktische aanwijzingen kunnen helpen Johannes te lezen buiten het bekende tracé. Zij moeten het verhaal in het brandpunt van de aandacht plaatsen. Midden onder jullie staat hij die jullie niet kennen (1, 26). Waarom zou wie leest, beter weten? De inzet van Johannes dient alle aandacht te vragen. Aan de orde is ‘Johannes’, deze tekst.

Drie woorden om te beginnen
Zijn de ogen enigermate aan de tekst gewend? Drie woorden lichten op. Woord, leven, licht. Waarom deze drie?Waarom niet aarde, lucht, water en vuur? Waarom zijn woord, leven en licht woorden die er toe doen? Daar komt bij: dit drietal woorden dient zich bij herhaling aan.
Zijn woord, leven en licht de woorden en klanken die terecht voortdurend aandacht vragen? Kunnen zij even voor hart spelen in woorden die een lichaam willen worden, uitgeschreven taal en teken? Alleen een tekst kent in zekere zin begin en einde, en wat daar tussen uitgeschreven is. Is het mogelijk woord, leven en licht zo in stelling te brengen dat macht of kracht, gewicht of zwaarte van hen uitgaat. Kunnen deze drie woorden iets vinden van de aandacht die zij claimen?

Licht, leven, woord
Licht betekent pas iets wanneer je voelt hoe het duister je terroriseert. Licht zou dan een uitkomst zijn, zoiets als een oogopslag. Een vleugje helderheid dat evenwicht en rust brengt, overzicht en herkenning. Licht is er pas wanneer je het ziet.
Het tweede terugkerende woord is leven. Leven - kijk om je heen - is volstrekt vanzelfsprekend. Pas wanneer de dood in de buurt komt, blijkt hoe wij niet of nauwelijks van deze wereld zijn of daar in ieder geval uiteindelijk nergens thuis.
Zo komen we bij het woord. In de kakelcultuur, zo kenmerkend voor onze dagen, zijn woorden enkel decor, vulling, verpakking voor een hapje illusie. Maar een woord is iets geheel anders.

Woord van boven
Een woord wordt, als beginsel en principe, pas een woord wanneer iemand tot je spreekt, jou tot meewerkend voorwerp en onderwerp maakt. Een woord gaat pas spreken wanneer jij adres en beoogde blijkt. Het gaat jou aan, bedoelt jou. Het woord nodigt je uit, roept je op, brengt je bij de tijd. Nu jij de richting en zin van spreken blijkt, spitsen de woorden zich toe op jou. Waar komt dat woord vandaan? Wie spreekt?
De richting en afkomst van dat woord is volgens de tekst van Johannes God. Het Woord is van alzo hoge van al zo veer (vgl 3, 3.7.31). Daarom aardt het niet. Daarom wordt het door de zijnen, door Jeruzalem, niet aangenomen. Als er geen aarde is, kan zaaien niet meer. Zaaier en maaier worden alleen synchroon door de oogst, in zoiets als koren, brood om te delen. Als de aarde geen aarde wil zijn kan het zaad niet ontkiemen (12, 24), zal er geen vrucht zijn.
De vanzelfsprekende wijn van gedeelde vreugde ontbreekt om te beginnen op de bruiloft van het verbond. Gelukkig wil er iemand moeder zijn. Zij ziet het vanzelfsprekende gemis en bepleit gehoor (2, 3-5) voor het woord, dat ongehoord aanwezig blijkt. Welk antwoord is er mogelijk op de vraag: wat is er tussen mij en jou? (2, 4). Probeer eens. Tussen jou en mij kan er een gemis zijn, een ontbreken, een onvolkomenheid, of mogelijkheden die er toe doen, verbondenheid die telt. Woorden willen dan snel daden zijn. Bij zo gezegd, zo gedaan (2, 5) blijken vaten voor de reiniging wijn te bergen van een ongehoorde, messiaanse kwaliteit, wijn van voor de grondvesting der wereld bereid.

Onze afkomst is aarde. Uit God geboren is onzin of reikt een vraag aan. Hoe kan dat? Hoe zou je uit God geboren kunnen worden? Hoe kan wat van boven (3, 3.7.31) is, op aarde, in ons midden, als ons midden komen?
Het midden is bij Johannes altijd de plaats waar Jezus is. Dat is geen kwestie van geografisch of choreografisch toeval. Het midden is in de Tora van oudsher beschreven als de ruimte voor de tent van de ontmoeting, de tent van het getuigenis. Als het midden baant dat woord zijn weg. Als het niet in ons midden plaats vindt, waar gebeurt het dan? Zie daartoe de vraag die brandt in de woestijn: Is de Heer in ons midden of is Hij het niet? (Exodus 17, 7) Hoe is Hij in ons midden? Hoe is die weg van het woord?
Voor die duistere vraag blijkt Johannes te beschikken over licht. Hij is zelf niet dat licht, dat leven, dat woord. Hij profileert zich als getuige, als stem van een die roept. Hij roept in de woestijn: bereid de weg van de Heer (1, 23), de heerlijke weg, (14, 4-6) namelijk de weg van God die bevrijding is, daad van genegenheid en leven volop.
Johannes, de vriend van de bruidegom (3, 29), hoort het woord, hoort de stem van de bruidegom en verblijdt zich over diens stem. Hij kent die stem (10, 4) getuigt daarvan als een brandende en schijnende lamp (5, 35).
De wijze waarop Johannes nabij is markeert onze afstand. Hij vertelt wat wij niet weten, nog niet weten. Hij vertelt wat wij zonder hem niet kúnnen weten omdat wij die woorden niet hébben, niet zijn. Zoals je zonder een schilderij het schilderij niet kunt beschrijven, zoals de schilder zonder schilderij niet kan vertolken hoe hij laat zien wat hij laat zien, zoals de acteur zonder tekst – zijn voorsprong op wie toeschouwt – niets en nergens is.

God in het gebeuren
Woord, leven, licht: Johannes heeft het woord. Het woord is binnen- en buitenkant, gevoel en daad, genegenheid en daad van genegenheid. Het woord is God in het gebeuren.
Het voegwoord ‘en’ koppelt hemel en aarde in Genesis 1, 1 aan elkaar. Het onderwerp God en het werkwoord scheppen maakt de combinatie ‘hemel en aarde’ mogelijk. Hoe God schept of wat scheppen is weten wij niet. Pas op het einde van het eerste verhaal horen we: door het doen.
(Het Hebreeuwse woord asah betekent maken of doen. Probeer je het doen, of het gebeuren in het Hebreeuws te zeggen, dan bespeur je iets opmerkelijks. Asah (ASH), gebeuren, wordt Asíjah (ASJH) – het gebeuren. Voor de laatste letter van het Hebreeuwse werkwoord ASH (de he) wordt in het Hebreeuws een jota toegevoegd. Wat wij uitspreken als asíjah eindigt in het Hebreeuws met jh, de eerste letters van het tetragram, de eigen naam van God in vier letters (JHWH). God gaat zichtbaar schuil in het gebeuren. God in het gebeuren. Hoe kan dat zijn? Abraham weet hoe God mee gaat in het gebeuren. Hij gaat zoals God tot hem spreekt. Waar is het woord op uit? Waar zal het op neer komen?)

Het woord is genegenheid en waarheid. Keer op keer heeft Mozes in de woestijn, in de Tora een toonzetting van en voor het woord gegeven. De Tora, het woord dat als een kind (Wijsheid 8, 22.30; 9, 1.9) tot of bij God (pros ton theon) is, dat zich, wellicht meer adequaat en inniger, tegen God aan vleit – zoals de zoon die in de schoot van de vader is, voor wie de Vader een Thuis is en bij Wie de Vader Thuis is.
Het woord gaat als licht, verhelderend en herkenbaar, voor hem uit. Hoe doet Johannes dat? Het is nog een geheim. Het zal zichtbaar worden en tegelijk onzichtbaar blijven, zoals de Naam van God in de Tempel, de Tent (1, 14) in Jeruzalem. De tekst is van dit procédé het teken, het corpus, het geheel, het lichaam. ‘Tekst’ wil zeggen: uitspraak, articulatie, geleding, uitgeschreven gebaar. Dit is het getuigenis van Johannes! (1, 18)

Tora en Tempel
Johannes is nog niet begonnen of het gaat over het ‘tenten’ in ons midden. Dat is niet zo’n onverschillige zaak als het in de vertalingen gangbare wonen (1, 14) suggereert. De tent van het verbond is de tent van het getuigenis. Tora en Tempel komen aan de orde wanneer Johannes zijn getuigenis (1, 7.19) gaat geven. Tijdgebonden presenteren bijbelse functies en namen zich in de tekst. Zij zijn herkenbaar: joden – de mensen van Judea en omgeving -, Jeruzalem, priesters, levieten enerzijds, Messias, Elia en de profeet Jesaja vanuit de ballingschap anderzijds. Maar let op! Wie met dit verhaal joden zegt, zegt van nu af aan (1, 19) ook uit Jeruzalem. Joden zijn voor Johannes mensen die van Jeruzalem weten. Blijkbaar hoort het bij de veronderstellingen van Johannes dat de lezers en toehoorders dit weten. Zo horen wij vanaf het begin ook bij de tekst. Jood zijn is bij Johannes van Jeruzalem zijn. Een kwestie van herkenning. Zeg je joden uit Jeruzalem, dan zeg je ook priesters en levieten. Zij geven aan waar het om te beginnen over zal gaan. Over de Tempel en over de Tora. Zo kan Jezus in hoofdstuk 7 opgaan naar de wereld, naar Judea of Jeruzalem (7, 3) of opgaan naar de tempel (7, 14). Dat lijkt hetzelfde en kan anders blijken. Een zekere kwetsbaarheid is daarbij aan de orde.

Priesters en levieten doen bij uitstek dienst in de Tempel. Als Johannes zijn evangelie schrijft, is de tempel in Jeruzalem door de Romeinen verwoest. Daarom worden priesters en levieten in de synagoge als eerste opgeroepen wanneer uit de Tora gelezen wordt. Zij brengen als eersten het woord van al zo hoge dichterbij wanneer het in ons (1, 14) om gehoor vraagt. Dat zijn de gebruiken die het hemelse Jeruzalem mede typeren.
Daarom hoeft de verwondering niet zo groot te zijn in het verhaal over Nathanael. Op de plaats die voor hem typerend is, wordt hij gevonden. Nathanael doet onder de vijgenboom wat kenmerkend is voor het ware Israël. Nathanael is bezig met de Tora. Dat zie je aan de manier waarop Filippus Jezus voor Nathanael zinvol omschrijft als over wie Mozes geschreven heeft en de profeten (1, 45). Uit Mozes en de profeten ook stammen de woorden van Nathanael (God geeft) wanneer hij zich herkend weet: Jezus is voor hem ‘leraar, kind van God, koning van Israël’ (vgl Deuteronomium 17, 18-20).
Daarom ook hoeven we in het verhaal van Johannes niet verwonderd te zijn dat er al zo spoedig wordt verteld over de verwoeste Tempel die voldoende heeft aan een termijn van drie dagen (2, 19).
De Tempel is kwetsbaar, evenals het woord. Johannes heeft het niet per ongeluk of zo maar naast elkaar geschreven in 1, 14. Het woord is vlees geworden. Het heeft zijn tent in ons opgeslagen. Dat blijft geschreven, ook al wordt sinds lang vertaald in ons midden gewoond. Het heiligste is kwetsbaar wanneer men niet rechtvaardig oordeelt, niet oordeelt overeenkomstig de Tora (zie 7, 24.51). Dat is de les van de Babylonische Ballingschap.
Is het toeval dat deze twee verhalen, over Mozes en de Profeten (2, 46vv) en over Tempel/Tent (2, 14vv) kader zijn voor het verhaal daartussen? Tora en Tempel zetten de bruiloft te Kana, de derde dag (2, 1.20), in het midden. Zo presenteren zij het verhaal over het verbond dat toch doorgaat ondanks de droefheid over het afbreken van deze tempel (2, 19). Kana, ijver betekent dat. De ijver voor uw huis die mij verteert – die mij tot een vreemdeling maakt voor mijn broers (2, 2; zie Psalm 69, 10). Een vreemdeling, iemand ‘van elders’.

God bevrijdt
De geschiedenis van het woord is niet het produceren van een wereld of een natuur. Het gaat over de geschiedenis als schepping. Het is die wonderlijk bijbelse geschiedenis die in de Paasnacht orde op zaken stelt. De geschiedenis als het scheppen van de kosmos, de orde, wordt ieder jaar in de nacht van Pesach/Pasen verteld waar mensen samen komen. Het verhaal is te groot voor één nacht. Daarom wordt het iedere week weer uitgelegd. ‘God bevrijdt’ is hoogste actualiteit. Voor die bevrijding wordt het lam (apart gezet in de struiken van Genesis 12), klaargezet voor de te verwachten trouw wanneer de Heer voorbij gaat (Johannes 9,1) in die nacht (Exodus 12). Het lam is het teken dat wij gespaard worden. Hij ziet naar ons om. Hij kent ons toch. Hij is niet vergeten. Wij waren immers slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd. De titels die aan Jezus worden gegeven illustreren dit.
Hij is het woord in de woestijn tussen slavernij en bevrijding in, de bruidegom (zie ook het vastmaken van de schoenriem, vgl. Ruth 4), het lam van God, de plaats (van de Geest; blijven 1, 33.40), de messias over wie Mozes geschreven heeft en de profeten, leraar, zoon van God, Koning van Israël, de plaats waar Jacob/Israël (de geliefde leerling) zijn hoofd neerlegt terwijl engelen opstijgen en afdalen op de zoon van de mensen.

De wereld van het woord
Als één zaak onmiskenbaar is bij Johannes dan is het de impact van Pasen. Pesach/Pasen (is er voor Johannes een verschil?) is de samenhang, de bron. Het omvattende geheel van het getuigenis van Johannes is niet de wereld van nu of toen zoals men die zou kunnen opgraven op zoek naar archeologische kennis. Het is niet een wereld zoals wij ‘de wereld’ kennen, niet een wereld die object is van historische, sociologische of filologische wetenschappen. De wereld van het getuigenis (1, 6.19) van Johannes is deze tekst. Van het begin af aan is zij onmiskenbaar gesitueerd binnen een taal, als een taal. Johannes schrijft een tekst over het woord dat vlees wordt, lichaam, geschiedenis, kwetsbaar, dierbaar. Elk woord probeert hier iets te laten zien van de luister van dit lichaam. Tempel en Tora zijn de laatste schrijnen, lijkt het vooralsnog, die dit woord dat naar de Vader toe is kunnen bevatten. Daarom komen met priesters en levieten nu mensen uit Jeruzalem vragen stellen, kwesties aandragen betreffende Jeruzalem. Tastend zoeken ze naar de Messias, naar Elia of naar de Profeet die er voor staat dat het lijden van Jeruzalem voleindigd is. Tastend bladeren woorden door Mozes en de profeten (1, 46). In die verhalen zoeken zij taal, klank, weerklank of wanklank die toch oriëntatie inkleuren. Zo worden wil of onwil, begrip of onbegrip gevonden. Woorden banen zich in eigen handschrift – couleur locale – een weg door de dialoog die geweven wordt. Alles (4, 26.29.39) wordt verkend in de wegingen en overwegingen, in de toevoegingen binnen en buiten de dialogen, rond plaatsen en tijden met het oog op: het lam, de koning, de leraar, de tempel, de spijs en de dorst, en waar te bidden, hoe te bidden, over het rechtvaardige oordeel (7, 24), het oordeel overeenkomstig de Tora (7, 51).
Het corpus van deze tekst is als weefsel een wereld van vragen en antwoorden, van mensen met een missie, van wegen die werkelijk betrouwbaar heten te zijn, een wereld van tekenen en talen naar, van overmoed, van vertrouwen dat durft en van spijkerhard afgewezen worden, maar ook een wereld van ‘en toch’, en onverwacht, van een aanbod buiten alles wat te berekenen is om. Die wereld blijkt te beginnen waar je het niet vermoedt, niet vermoeden kon. Onverwacht gezien (1, 49-50). Maar eenmaal toegesproken val je binnen de reikwijdte van woorden als midden onder u. De/het onbekende, degene van wie wij niet weten, die wij niet kennen (1, 26 en 1, 39 waar verblijft gij?), van wie wij niet weten, wordt aldus geïntroduceerd. De gelaagdheid van de te fouilleren plaatsen (20, 27) biedt wie horen of lezen wil leren een waarlijk alternatief. Zo was destijds ook voor Abraham het woord, het spreken van God, Plaats en Toekomst, Land en Zoon. In het te vertrouwen en vertrouwde woord mochten zij gaven zijn, worden.
Johannes heeft het over de geschiedenis van het woord, de Zoon van de Vader, het kind dat opgeheven wordt (Genesis 22). Zo wijst Johannes het lam ten offer aan, het lam waarvan geen been gebroken wordt. Als ware Pesach/Pasen op handen en daarmee ook het uur (12, 23). Op hem daalt de geest, deze wereld van taal, dalen al deze woorden neer (6, 63). Zij beschrijven zijn lichaam, zijn komst in het huis van de vader (7, 14), zijn lichaam van gebaar en taal, van verlangen en vervulling.

Woord voor de kinderen van God
De kinderen van God zijn het adres van het verhaal van Johannes. We vinden hen in de aanhef (1, 12) en komen hen ook aan het einde van het verhaal (21, 11) weer tegen. In het Hebreeuws is het niet ongebruikelijk, woorden en letters te tellen. Telt men de medeklinkers op, de letters van benej ha-elohiem (de kinderen Gods), dan komt het getal 153 te voorschijn, het getal van de vissen.
Voordat wij met onze vragen komen, signaleert de tekst dat leerlingen van Johannes volgelingen van Jezus worden. De plaats waar hij blijft (1, 40) wordt een plaats van vele verblijven (14, 2.23). Hij de leraar, zij de leerlingen. Zien, horen en vinden worden de woorden die er in deze wereld van taal en verhalen toe doen. Uiteindelijk zal in de tempel - en/of/dat wil zeggen na zijn opstanding - blijken dat en hoe zich herinneren (2, 17.22).
‘Zich herinneren’ wordt het hoofdwerkwoord voor de leerlingen. Fragmenten tekst, schrift en woord, voegen zich in de herinnering rond zijn woorden en daden aaneen. Zoals geschreven is. Zoals ter sprake gebracht wordt, te horen gegeven. In de herinnering van de leerlingen voegen woorden en daden zich aaneen, ineen. Zij roepen elkaar op. Maar hoe kunnen wij deze opstapeling van woorden en verhalen aan? Daarom begint de tekst na het vastberaden begin rond het einde van hoofdstuk 2 opnieuw
Volstrekt duidelijk geeft de tekst de tijd aan: in Jeruzalem, tijdens Pesach, op het feest (2, 23). Geen vertaling laat deze omstandige aanduiding, eenheid van plaats, tijd en handeling, zien. Maar in Jeruzalem gaan we in het Goede Verhaal volgens Johannes in de paasnacht met Nicodemus naar het feest om opnieuw te leren hoe het begonnen is en hoe het steeds opnieuw als nieuw weer begint. Over die geboorte van omhoog, die wonderlijke geboorte uit de hemel, wanneer Israël, bevrijd uit de slavernij van Egypte, kind van God wordt.
Pesach bij Johannes zoekt naar Jeruzalem. Pesach is het feest van de oprichting der tekenen, het woord dat geschiedt, de Heer bevrijdt. Je-hosjoea, de Heer bevrijdt. Zo schrijft Johannes zijn Boek als begin om ons, vertrouwend in de naam van Messias Jezus, leven te geven (20, 31) in het woord, om Woord te worden, Leven te zijn, Licht. Al te zeer zijn dit in de slijtageslag van de tijd woorden geworden die er nauwelijks nog toe doen. Maar wat wordt aangeroerd wanneer Johannes spreekt over Woord, Leven, Licht?

Geboren uit het woord
De mens moet van omhoog geboren worden: uit God, uit de verhalen, uit de taal van dit Woord. Geboren worden vanuit de verhoogde, vanuit naar wie we staande aan de voet van het kruis opzien.
Het woord – het leven – het licht. Woord dat de stilte verbreekt, dat leeft, dat weerklinkt. Woorden zijn niet gereproduceerd of reproduceerbaar fonetisch materiaal. Woorden zijn niet ‘bla, bla, bla, etcetera’. Woorden zijn blijkbaar uiteindelijk onverwacht, onberekenbaar, onpeilbaar ook, een begin. Aangesproken, toegesproken, adres worden. Aangesproken word ik uit de anonimiteit gehaald, leer ik spreken. Mijn spreken wordt antwoord, maakt mij van tweede tot eerste persoon. Zo ontstaat wat niet eerder was: ruimte. Zonder afstand geen ruimte, zonder daar geen hier. Enkel verhalen duiden dat. Zo komen wij de God van dit verhaal op het spoor.
Wie is de God van dit verhaal? Welke taal van al zo hoge van al zo ver komt hier aan het woord en zaait zich uit als tekst zodat de velden wit staan? Het is geen ander accoord dan dat van Woorden, van Leven en Weg zijn. Leven schenken en Leven zijn, genegenheid die draagt.
Johannes maakt duidelijk en onderstreept, dat wij geen andere tijd hebben dan hier en nu, de tijd van lezen, van gezien hebben (9, 37), van horen (4, 42) en doen (2, 5-8). Uiteindelijk: de tijd van het woord, van degene die met je spreekt (4, 26-27. 50; 9, 37), die alles (4, 26.29.39) voor je blijkt te zijn.

Het geheim dat het woord is
God is het woord dat spreekt. Drie verhalen getuigen van het geheim dat het woord is. De Samaritaanse vrouw, de blinde en de schapen kunnen een duiding zijn voor het woord, het licht, het leven.

De Samaritaanse
Het is niet normaal om rond het middaguur water te gaan putten, ook niet in Samaria (4, 4). Geen mens put water in de hitte van de middag, tenzij wanneer…
Wanneer je het wel weet, wanneer je geen woorden meer hoeft te horen. Je wilt met rust gelaten worden. Alleen zijn. Maar wat gebeurt er in het verhaal wanneer straks het woord in haar een bron van woorden wordt? Zij gaat naar de stad. Ze haalt er iedereen bij. Allen vinden herkenning in haar verhaal. Daardoor horen zij Jezus zelf. Wat is het geheim?
De vreemdeling vraagt haar te drinken (4, 7 vgl 19, 28). Dan draait hij vraag en aanbod om. Hij blijkt haar alles (4, 26.29.39) te vertellen. Wie is degene die alles vertelt? Alles wat een mens nodig heeft, is dat iemand als de Messias? In het gesprek ligt die vraag voor de hand, zinnig en dubbelzinnig tegelijk. Wie is hij?
Ik ben. God is (Exodus 3, 14). Die met jou spreekt. Niet ik spreek, maar ik spreek met jou. Het woord, zijn woord, brengt haar waar ze alsmaar niet wilde zijn, niet kon zijn – geeft haar het woord. Alles! Woorden van een profeet, van iemand die de Tora uitlegt en daardoor God dichterbij brengt zodat je ziet dat en hoe Hij naar deze wereld kijkt (Psalm 51, 13!). Alles heeft hij haar verteld. Niet alles, absoluut. Maar alles dat haar alles is, wat voor haar alles is, haar verborgenheid en haar aan het licht komen. Na haar exodus zal de stad zeggen: wij hebben hem zelf gehoord. De binding is gemeenschappelijk, een en al water dat leeft.

De blinde
De geboren blinde. De vader en moeder blijken zich terug te trekken met: ‘of iemand … wij weten het niet. Hij moet zelf maar spreken, hij heeft de leeftijd’. Maar wat zou hij moeten zeggen? Wanneer hij na zijn wassingen in de Siloam in het verhaal op verhaal komt, zegt hij om te beginnen niets. De wereld om hem heen twist over ‘hij is het niet, hij is het wel’. De geboren blinde spreekt dan opmerkelijke exodus-taal: Ik ben, ik zal zijn. Wat heeft God met hem te maken of hij met God? Wat is dat voor vreemde identificatie – alsof wij doen wat hij doet, alsof we dat moeten of kunnen?
Alles wordt in dit verhaal overhoop gehaald. De mens, het lijdend voorwerp van Jezus die ziet (9, 1), moet onderwerp worden. Hij laat ons zien wat hij ziet en hoe hij ziet. Als Jezus hem (de mens uit 9, 1) aanspreekt op de zoon van de mens, vraagt hij ‘wie is?’. Hij staat gereed met zijn vertrouwen. Wonderlijk precies blijkt de aanduiding van tijd: je hebt hem gezien. Alsof de tijd van zijn blind-zijn de tijd van het zien was. Dat is toch niet meer in te halen, dat is toch voorbij? Blijkbaar niet. De sprekende met jou, hij is. De Griekse woorden laten zien over wie het gaat: ‘Met jou’. Het woord (de sprekende … hij is) omgeeft het onderwerp van het verhaal, de mens die uit genesis blind is, aan wie de zoon en zijn leerlingen het (scheppings-)werk voltooien: eindelijk gevonden, laat hij zich vinden. Woorden bieden helderheid, kunnen licht zijn. Die met je spreekt, maakt de wereld open en laat je vertrekken vanuit je er nog niet zijn, je verleden.
Spreken is niet het uitwisselen van informatie. Misschien is het zoiets eenvoudigs als gevonden worden, gezien.

De schapen
Alsof er alle tijd is, zo laat Johannes 10 je kennis maken met het leven op aarde onder de hemel. We zien een schaapskooi. Stenen, opgeworpen om de wilde dieren buiten te houden. Het is een bescherming waar misbruik van gemaakt kan worden. Ook rovers komen over stenen heen. Dan wendt de verteller zich tot de deur, de vanzelfsprekende in- en uitgang. Voor de schapen blijkt de deur vooral de plaats van de herder. De echte herder doet hen, de schapen, uitgaan en weide vinden. Hij betekent voor hen in de werkelijke zin van de woorden: eten, drinken en verder gaan.
Hij, de herder, is voor hen de deur. In de opening van de muur staat hij wijdbeens. Zij lopen onder hem door. Hij legt zijn hand op hen, telt hen. Voor hem tellen ze. Zij kennen hem. Zijn stem is hun door en door vertrouwd. Niet zijn thematieken. Ze herkennen hem niet aan de inhoud die hij ter sprake brengt. Zijn stem is alles. Wat er voor hen toe doet is dat beetje groen dat gras zou kunnen heten en de zekerheid dat hij er voor hen is. Uitgaan betekent plaats kunnen vinden, ‘weide vinden’.
Buiten. Op de rand van de woestijn. Stof waait op. Al die zich verdringende schapen. Zijn stem geeft hun de ruimte. Die gestalte in de muur waar zij onderdoor kunnen om naar buiten te gaan, is hun hemel. Hij, zijn leven, spant zich over hen heen als een uitspansel, een hemel. Hij gaat hen voor. Voor hen.

Opnieuw gaan horen
Onze taal is doorleefd van beelden, herinneringen, associaties. Onze beelden zijn doortrokken van verhalen, van woorden die je bij blijven. Beelden hechten zich. Gebaren geven te denken. Handen ontfermen zich over je. Woorden doen ontwaken.
Misschien moet je als predikant eerst je verhaal overschrijven. Dan lees je langzamer. Je ervaring en herinnering gaan, meer toevallig, binnen in het geheel van de woorden. Je tekst wordt taal en beeld: woord, leven, licht. Alleen zo krijgen lezers en toehoorders gemeenschap met de tekst. Zo verzamelt het bijbels tegoed onze verhalen. Een groot geheim. Gemeenschap, communio. Vanuit verbondenheid opnieuw gaan horen. Het woord.

JAN ENGELEN
catecheet en exegeet
Wessel Ilckenstraat 19 1066 GX Amsterdam
janengelen@outlook.com

Aanbevolen oriënterende litteratuur:
- K. Deurloo, Exodus en Exil, Kleine bijbelse theologie, deel 1, Kok, Kampen, 2003;
- K. Deurloo met E. van den Berg en P. van Midden, Koning en Tempel, Kleine bijbelse Theologie, deel 2, Kok, Kampen, 2004.