Johannes 2, de eerste regels
Werkvertaling en enkele opmerkingen

Jan Engelen – 10-01-2011

En op de derde dag
Een bruiloft geschiedt in Kana in Galilea

En de moeder van Jezus is daar
En Jezus is geroepen en zijn leerlingen naar de bruiloft

Omdat de wijn ontbreekt
Zegt de moeder van Jezus tot hem: Wij hebben ze niet.
Jezus zegt haar: Wat tussen mij en jou vrouw?
Nog niet is gekomen mijn uur.

Zijn moeder zegt tot de dienaren: Wat hij jullie ook zegt: doet (het).

Er zijn daar liggen zes stenen vaten naar het reinigingsgebruik der Joden bevattend twee of drie metreten.

Jezus zegt hen: Vult de kruiken met water.
En zij vullen ze tot boven toe.
En hij zegt hen: schept nu en breng het naar het hoofd over de tafel.
En ze brengen het.

Wanneer het hoofd over de tafel het water proeft dat wijn geworden is,
- En hij weet niet vanwaar het is,
Maar de dienaren die het water geschept hebben weten het, -

Giotto, 1304-06
Proeven is ook een vaardigheid!


Roept de tafeldienaar de bruidegom.
En hij zegt hem: Ieder mens zet eerst de goede wijn
En wanneer ze gedronken hebben de mindere.
Jíj bewaart de goede wijn tot nu toe.

Dit doet Jezus als hoofd van de tekenen
In Kana in Galilea
En hij laat zijn beslissende betekenis zien
En zijn leerlingen wenden zich in vertrouwen tot hem.

Hierna daalt hij af naar Kapernaum, hij en zijn moeder en zijn broers en zijn leerlingen
En hij blijft daar niet veel dagen.
En dichtbij is het pesachfeest van de Joden en op naar Jerusalem gaat Jezus …

Joh 1: 35-52 - Dagen tellen.
In een programma over Schubert wijst A.Brendel een serie, op het eerste gehoor nauwelijks op te merken verbanden aan. Hij citeert Heraclitus (harmoniè aphanès phanerès kreissoon) en zegt:"Verborgen verbanden zijn vaak belangrijker dan zichtbare. Dat geldt ook voor muziek." Dat geldt zeker voor bijbelse literatuur. Zij blijft daarom een bron, oorsprong en voorsprong bij alles wat bijbels gezegd en gehoord kan worden.
"De volgende dag" (1:29) maakt de voorafgaande tot dag 1. "De volgende" van 1:29 is dan dag 2. De dag van het licht is de dag waarop Johannes Jezus aanwijst als het "lam Gods". Daarmee blijkt Johannes geworteld in Ex. 12:3. Tevens wordt daardoor als verborgen code een datum meegegeven. Het kan de 10e dag van de eerste maand zijn. Als dat zo is, dan wordt 1:35 de elfde en 1:43 de twaalfde dag van maand één. Joh. 2:1 bereikt dan de vijftiende dag van de eerste maand. Bijbels gesproken mag het dan Pasen zijn. De bruiloft vertolkt dan het Paasfeest. De feestdag van 2:13 hoeft wie leest dan niet meer te verrassen.

Joh 2 De bruiloft.
Nog los van wat boven aangereikt is bij het "tellen van de dagen", Joh 2 wil van zichzelf vertellen onder het motto "op de derde dag". Is dat een dag waarvan "al gehoord" is? Roept hij herinneringen wakker en brengt hij bij de tijd(ing) van andere verhalen die gehoord willen worden? De "derde dag" is code voor de dag waarop Abraham de berg ziet en Jona uit de grote vis gespuugd wordt. De dag waarop alles definitief wordt. De dag ook van de dubbele zegen in Gen 1 - in joodse kringen graag ook gevierd als de dag van de bruiloft, met een zegen voor bruidegom en bruid. Telt men evenwel de dagen vanaf 1:29, dan is deze derde dag ook de zevende: de dag van de voltooiing. Tenslotte is in het bovenstaande reeds uitgelegd, dat deze derde dag ook de vijftiende dag van "maand een" kan zijn: Pasen. De datum van Joh 2: 13, al vermoed in 1:29 en aangeduid in de te tellen dagen, komt derhalve niet onverwacht. (Johannes is trouwens de enige bij wie het drie keer Pasen is. Hij kan niet over Jezus Messias vertellen zonder :"Wij waren slaven in Egypte en hij heeft ons bevrijd!" De Heer bevrijdt: Je-Hosjoea.)
Het hoogtepunt van het verhaal blijkt bij navraag voor menigeen te zijn: water wordt wijn. De tekst zelf heeft daar evenwel precies geen woorden voor. De tekst vertelt wel over een vreemde bruiloft. Tegen de gangbare vertalingen of interpretaties in: dit is de bruiloft van het bekende nederlandse lied:"We hebben dorst en we krijgen niets te drinken." De moeder van Jezus is degene die het ontbrekende opmerkt:"Ze hebben geen wijn". Daarna zegt zij:"Alles wat Hij zegt moet je doen". Haar naam wordt niet genoemd. Moet men dan niet vragen:"Wie is de moeder van Jezus?"
Hoe je ook zoekt, Johannes geeft de naam "Maria" als de moeder van Jezus niet prijs. Bij Johannes is de moeder van Jezus ook een "leerplan". De "moeder van Jezus" merkt het gebrek op en zegt wat je moet doen, namelijk:"Wat hij ook zegt".
Zo vullen handen de kruiken "tot boven toe". Wie leest/hoort volgt die beweging "tot boven toe". Wat mag er in het verschiet liggen. Wat zal naar beneden komen wanneer "van boven" komt? Wie niet weet vanwaar deze drank gekomen is, proeft "prachtwijn!". De bruidegom die eerder niet bleek te weten wat hij (niet) in huis had, kan ook niet weten wie hij in huis heeft, wie hier als geroepen (2:2 eklèthè) op de bruiloft (van het lam?) verschijnt. Vanwaar die uitdagende bewering?
Het vocabulaire inzake bruidegom en bruid komt bij Johannes alleen nog ter sprake in 3:29. Onverwacht noemt Johannes zichzelf de vriend van de bruidegom (zie Joh 1:29!). Hij hoort diens stem. Als de Messias de bruidegom is, wie is dan de bruid? Nergens noemt het evangelie een meisje bij haar meisjesnaam als dochter. Alleen Sion komt daar in 12:15 voor in aanmerking.
Johannes 2 wordt als begin van de tekenen, van wat geschieden zal, terecht gelezen op de dag waarop de Heer zich laat zien, epiphania. Voor de leerlingen is er van nu af aan sprake van vertrouwen naar hem toe.

Een afdaling naar Kapernaum - met de stervenszieke zoon van "iemand koninklijk"; Galilea omlijst in Kana en Kapernaum (2:1.11; 4:46) Jerusalem en Samaria - brengt onverwacht Jerusalem onder de ogen van wie leest. Nu reeds, nog steeds bij het begin, wordt het evangelie als geheel ter sprake gebracht en wordt aangegeven wat de rol en taak van de leerlingen zal zijn. In zich herinneren worden de Schrift en het doen en spreken van Jezus synchroon gemaakt. Dit brengt nabijheid tot stand, nabijheid waar hij zich van distanciëert, die bij hem reserve oproept. Zoals zij Hem, zo Hij niet bij hen. Hij kent hen allen. Wat hebben zij "allen" dan gemeen? Aan welke gemeenschappe¬lijkheid onttrekt hij zich. Waar is zijn vertrouwen op uit? Wat is zijn crediet?