Plaatsen en tijden bij Lucas

voor studenten Hogeschool IPABO door Jan Engelen

 

 

 1, 1    in de dagen van koning Herodes, koning van Judea

 

 1, 9    binnengaan in het heiligdom van de Heer – het volk buiten

 1,11   engel – ter rechterzijde van het altaar voor wierook

 1,22   en hij gaat naar buiten

 1,23   gaat naar huis

 

 1,26   van God naar Galilea, Nazareth

 1,38   van haar heen

 

 1,39   naar een stad van Juda (6e mnd)

 1,40   het huis binnen

 1,56   terug naar huis

 

 1,65   alle omwonenden en in heel het bergland van Judea

 1,80   verblijven in de woestijn … zich aan Israël laten zien

 

 2, 1    Keizer Augustus – heel de wereld – Quirinius landvoogd in Syrië

 2, 4    van Galilea uit Nazareth naar Judea, de stad van David, Bethlehem

 2, 6    als zij daar zijn

 2, 7    in een kribbe

 2,8     in die landstreek

 2,11   in de stad van David,

 2,15   naar Bethlehem

 2,22   naar Jerusalem

 2,25   in Jerusalem

 2,27   naar het heiligdom

 2,31   in het heiligdom

 2,32   daar

 2,39   naar Galilea, naar Nazareth

 2,41   naar Jerusalem

 2,43   in Jerusalem

 2,45   naar Jerusalem

 2,46   na drie dagen in het heiligdom

 2,51   naar Nazareth

 

3, 1-2 Tiberius, Pontius Pilatus Judea, Herodes Galilea, Filippus in Ituria en Trachonitis, Lysanias in Abilene – hogepriesterschap van Annas en Kajafas

           het woord over Johannes in de woestijn

 3, 3   de streek rond de Jordaan

 3,22  de geest over hem, een stem uit de hemel

 4, 1   van de Jordaan … in de woestijn

 4, 5   hij voert hem op en liet hem alle koninkrijken van de wereld zien

 4, 9   naar Jerusalem

 4,14 naar Galilea .. in heel die streek naar hun synagogen

 4,16 in Nazareth … sjabbes … naar sjoel

 4,23  "wat naar wij horen in Kfar Nachoem geschied is"

 4,31  naar Kfar Nachoem, een stad van Galilea, op sjabbes

 4,33  in sjoel

 4,37  zijn roem over alle plaatsen in de omtrek

 4,38  verlaat de sjoel en gaat naar het huis van Simon

 4,42 als het dag geworden is naar een eenzame plaats

 4,44  hij preekte in de sjoele

 

 5, 1   aan de oever van het meer van Gennesaret

 5,11  brengen de schepen naar het land, alles verlaten, achter hem

 5,12  in een van de steden

 5,16 uitwijkend in de woestijn (op een van die dagen)

 5,18  Farizeeën en Wetgeleerden uit elk dorp in Galilea en Judea en uit Jerusalem

 5,27  hij (levi) gaat uit

 

 6, 1   op een sjabbes door de korenvelden

 6, 6   op een andere sjabbes, binnengaan in sjoel en leren

 6,12 uitgaan om te bidden, in de nacht, op de berg

 6,17  afdalen, staan in een vlakke plaats … menigte uit Galilea en Judea en Tyrus en Sidon

 7, 1   binnengaan in Kfar Nachoem

 7,11  naar een stad die Naïn heet, een jonge man de stad uitdragend

 7,17  het woord gaat uit in heel Judea en omstreken

 8, 1   rondtrekken door stad en dorp

8.22    op een van die dagen, in een schip gaan, naar de overkant, storm op het meer

8,26  naar de landstreek van de Gerasenen tegenover Galilea

8,27 uitgaan uit de stad

8,33  langs de helling de zee in

8,35  aan de voeten van Jezus

8,37  heel de bevolking van het gebied der Gerasenen vraagt hem weg te gaan uit hun gebied … in de boot … terug

8,39  naar je huis … door de stad

9, 1   uitzenden

9, 6   van dorp tot dorp

9,11 teruggekeerd … uitwijken naar Betsaïda

9,12  we zijn hier in de woestijn

9, 28 de berg op om te bidden

9,37  de volgende dag, afdalen van de berg

9,51  zijn aangezicht vaststellen op Jerusalem

9,52  in een dorp van de Samaritanen

9,56 naar een ander dorp

10, 1   naar alle stedenen plaatsen

10,38  een dorp in (Martha en Maria)

11, 1   op een gewone plaats aan het bidden

11,53  en hij gaat uit

13,11  in een van de sjoele op sjabbes

13,22  langs steden en dorpen – voortgang naar Jerusalem

14, 1   in het huis van een overste van sjoel

17,11  bij zijn doortrekken naar Jerusalem

 

18,35  Jericho naderen

19, 1   door Jericho heen

 

19,11  nabij Jerusalem

19,28  voor het aangezicht opgaande naar Jerusalem

19,29  naderen Bethfage en Bethanië – olijvenhof

19,37 Olijfberg af

19,41  nadert en ziet de stad, hij huilt

19,45  in het heiligdom

19,47  in het heiligdom

20, 01 op een van die dagen in het heiligdom

21,37  leren in het heiligdom – overnachten op de Olijfberg

21,38  vroeg tot hem in het heiligdom

 

22, 1   Nabij het feest van de ongedesemde broden: Pascha

22, 7   de dag van de ongedesemden komt waarop het Pascha wordt geslacht

22,14  het uur geschiedt

22,39  hij gaat uit en trekt volgens gewoonte naar de berg van olijven

22,40 op de plaats aangekomen

22,41  hij verwijdert zich een steenworp afstand

22,45 hij staat op en gaat naar zijn leerlingen

22,47  hij nadert Jezus

22,54  ze voeren hem mee en binnen in het huis van de hoofdpriester

22,55  vuur in het midden van de voorhof

22,59  nadat ongeveer een uur verstreken is

22,62  hij gaat naar buiten en weent bitter

22,66 als het dag wordt … voeren hem naar het sanhedrin

23, 1   en voeren hem naar Platus

23, 7   en stuurt hem naar Herodes die in die dagen ook in Jerusalem is

23,26 als zij hem wegvoeren … het kruis achter Jezus

23,33 de schedel, en kruisigen hem daar … de een links, de ander rechts

23,38  het opschrift boven hem

23,44  omstreeks het zesde uur … duisternis over het hele land tot het negende uur … de zon verduistert

23,52  hij gaat naar Pilatus

23,53  in een linnen doek, in een graf in de rots

23,54  de dag van de voorbereiding, de sjabbes

23,55  hoe het lichaam wordt geplaatst

23,56  op die sjabbes

24, 1   op dag een van de sjabbesweek in de diepte van de dageraad  … komen zij bij het graf

24, 3   zij gaan er in

24,12  petrus loopt op het graf toe.

24,13  voort te trekken naar hun dorp, zestig stadiën van Jerusalem, Emmaüs

24,28 zij naderen het dorp

24,29  hij gaat naar binnen om bij hen te blijven

24,33  zij keren op dat uur naar Jerusalem

24,36 hij in hun midden

24,50  hij leidt hen naar buiten tot bij Bethanië

24,51  hij opgenomen naar de hemel

24,53  zij in de tempel

 

 Lucas