|
In de rede gevallen, bij Exodus
3: 1-4 en 11-14 voor Dirk Monshouwer
(1946-2000) , Het ongerede overompel
je. Steeds opnieuw komt het voor en steeds weer is het nieuw als nooit
tevoor. Het gebeurt. Je loopt met zoveel
geweld tegen een muur van wat op je
af komt dat je niet meer verder kunt. Onontkoombaar drukt de vraag.
"Moet dat nou zo?" Voordat je het weet begin je te spreken
– alsof er een oor is dat luistert.
"Moet dat zo?"
is een zinloze vraag. Zij drukt het volstrekt onacceptabele uit van
wat zich voordoet. "Moet dat nou zo?" is geen vraag, richt
zich niet tot iet/Iets of iemand/Iemand. Zij is niet uit op informatie
en zoekt niet wat het weten waard zou zijn. Er is bijna geen waarde
meer. Wanneer er in de Tora ”geen eerder of later" is, dan is daarmee zonder meer gegeven dat de Tora niet van deze wereld is. De Tora kent in de ware zin des woords geen begin. Krijg je oog voor de Tora: altijd is zij reeds begonnen. Steeds ligt/licht zij je vóór. Woorden en letters kijken je aan, mededogen ouder dan de wereld als zoiets bestaat. Als er in de Tora geen eerder en later
is, als Abraham de Messias gezien heeft en ziet (vgl
Johannes 8,56 – voorwaar geen verleden tijd), dan is Mosjeh elk moment
degene die hij nog worden zal. Ook al mag hij als enige het land dat
de belofte(n) draagt in ogenschouw nemen, hij mag, nu Exodus 3 begint,
nog een beetje onooglijk zijn. Als het niet oneerbiedig klinkt, –
zo is het wis en waarachtig niet bedoeld –, hij mag nog een
beetje puberen [1] achter de schapen van zijn schoonvader
aan. Nog mag hij de wereld die je niet ziet en alleen maar dromen
kunt ontdekken. Zelfs achter (Exodus 3:,1)
de woestijn. Je zou zonder al te veel in de rede te willen vallen,
dus zachtjes en behoedzaam willen zeggen: "Jongen, Mozes, heb
je dan niets anders te doen? Hou op met dat
herderlijke klussen in de woestijn? Hoe nodig en noodzakelijk
pastoraal vakmanschap ook is, daar gaat het toch niet om!"
Mosjeh – zegt de synagoge, Mozes zeggen wijMosjeh is al lang geen prinsje meer. Herder is hij geworden alsof hij herder zal blijven, ook als het hem onmogelijk gemaakt wordt in het land der levenden te toeven langs de oevers van de Nijl (Exodus 2, 14v.). De schapen van zijn schoonvader zijn hem een zorg. Achter de woestijn. In Exodus Drie weet Mosjeh nog niet wat het oplevert wanneer je de schapen van je schoonvader hoedt. Hoe zou hij kunnen weten van wat nog komen gaat? "Ons blijven dus geloof, hoop en liefde maar de grootste van deze drie is de liefde" zal Paulus nog gaan schrijven aan zijn mensen in Corinthe. In de zeventiger jaren van de 20ste eeuw wordt in plaats van de liefde die de grootste is "de bestaande orde" gelezen. Geloof, hoop en liefde, maar de grootste van deze drie is de bestaande orde. Hardnekkig is het geloof dat er niets veranderen zal, dat alles hetzelfde blijft en dat het altijd zo geweest is. "Uittocht", – daar is nog nooit van gehoord. Mozes weet nog enkel dat verantwoordelijkheid die je uiteindelijk wel nemen moet wanneer er niemand anders is (Exodus 2:12) op de vlucht jaagt en de ontheemding die dat met zich meebrengt. Toch zal achteraf blijken dat hij ongeweten ook al proef aan het draaien is. Mosjeh heeft de woestijn immers al achter zich. Dan ben je al geen nieuweling meer. Dan ben je op een of andere wijze van voor alle tijden. "Woestijn"is geen fysische maar bijbelse geografie. Woestijn is geen idylle of Arcadië ook al zegt het Theologisches Wörterbuch Zum Alten Testament (IV, 664) natuurlijk terecht dat midbar ook "Weidegelände für Kleinvieh" aangeeft. Niet te min geeft TWNT dan ook nog een ongevraagd advies. De veraf gelegen weidegebieden bieden mogelijkheden om herdersromantiek te laten bloeien. Mooi is dat meegenomen. Midbar, min-dabar zeggen de leraren: vanwaar het woord. Ongehoord. De woorden maken het mogelijk om met de tekst in het oeroude verhaal mee te kijken. De ogen tasten de horizon van het vermoeden af: el har ha-elohiem. De berg Gods (Exodus 3:1). Wat kun je je daar bij voorstellen? Waar kun je als een berg tegen op zien, om je uiteindelijk neer te leggen ( Kon XIX, 4v.) bij wat niet te vermijden is en zich aan iedere waarneming onttrekt? Niet van deze wereld: de Choreev, de dorre berg in het dorre land. Mozes weet van niets. Zoals de Volksschrijver eeuwen geleden al dichtte: halleluja, niks-aan-de-handa. Achter de schapen van zijn schoonvader omdat het zo hoort. Hoe kan hij weten wat de toneelmeester in petto heeft! Een engel
van de Heer laat zich zien. Wonderlijk genoeg geeft de tekst hier geen "en het geschiedt". De engel die zich zichtbaar maakt lijkt als vanzelf nog bij het decor te horen. Deze engel komt ook niet "uit de hemel". De tekst zegt het niet. De tekst geeft alleen achter elkaar de Naam van de Heer, direct gevolgd door "naar hem", Mozes. De zich zichtbaar makende engel trekt Mosjeh voor het voetlicht: aan hem, naar hem toe. Hij weet nog van niets, maar dat doet er niet toe. Hij staat er al voor. Alle ogen op hem gericht. Het moge zo zijn dat de aan engelen toegedichte vleugels de hemel boven de aarde, op aarde zichtbaar maken – "over de aarde" als blijk van de aarde toch niet alleen – nu reikt de zichtbaar wordende engel van de Heer als het ware een hand naar Mosjeh. Mozes nog op afstand wordt voor de brandende sĕneeh neergezet. Het licht dat het verhaal zijn glans verleend komt niet uit de hemel. Een gloeiende gloed uit het midden van de struik bundelt en (weer opnieuw) centraliseert de aandacht. Hij ziet. En zie. Wij die nu lezen krijgen bij wijze van spreken te zien wat hij ziet. De sĕneeh gloeit van vuur, maar de sĕneeh verteert niet. De sĕneeh een niet verterend vuur. Het lijkt duidelijk dat we met de Sinai, met het Verbond en (Zijn Geheim, haar Geheim:) Het Geheim geconfronteerd worden. Exodus Rabbah (II,5) zegt: om hem moed in te fluisteren zodat hij, wanneer hij bij de Sinaï komt en de vuren ziet, daar niet bang voor zal zijn. Waarom een doornstruik? R.Joshua ben Kharchah zegt: om je te laten zien dat geen enkele plaats van God vervreemd is. Zelfs een doornstruik niet. En R.Eliëzer zegt: zoals de doornstruik de minste van alle bomen ter wereld is, zo was Jisraeel de minste en onaanzienlijke in Egypte. Een van de foutenvan de opvoeding in de "goede oude tijd" is intussen wel duidelijk. Je mocht niet nieuwsgierig zijn. Dat was onbehoorlijk en dat is, binnen de coördinaten van diezelfde goede oude tijd ook goed te plaatsen. Als alles hetzelfde is, als niets er toe doet, als er geen verschil is, het niets uitmaakt en er uiteindelijk niets nieuws onder de zon is, dan is nieuwsgierigheid puur tijd verknoeien. Als alles al gezien is, waarom zou je dan nieuwsgierig zijn! Dat nieuwsgierigheid betrokkenheid stimuleert, dat een onderzoekende houding het leren en zoeken te weten op gang brengt – vroeger leken dat overbodige noties. Onderzoekt alles behoudt het goede (1 Thes 5:21) werd gelezen met alle nadruk op de laatste drie woorden. Mozes heeft dat totalitaire trekje blijkbaar nooit meegekregen. We horen hem spreken. Mozes zegt: Ik moet me wel afwenden zodat ik dit grote dat zich laat zien zie. De midrasj poogt nog een kleine discussie. Mozes heeft vijf passen gezet. De vijfde letter van het alfabeth staat er eigenlijk te veel bij in de werkwoordsvorm waarmee Mozes zich afwent. Maar anderen weten zeker dat Mozes alleen zijn hoofd even wegdraait. Hij blijft bij zijn kudde. Zo doet een herder dat! Omdat hij toch bij zijn kudde blijft, daarom is hij in de ogen van God een ideale leider. Maar R.Isaac geeft zich rekenschap van [: sar :] in [: asoerah-nah :]. Dat woord betekent onderdrukking, nood – zoals in sarren. Exodus 2:4 zal het woord weer geven. God ziet hoe Mozes in nood verkeert, natuurlijk om de slavernij van zijn broeders die hem al die jaren niet met rust laat. Mozes laat zijn herderlijk gaan interrumperen. Hij draait zich om. Hij stelt de vraag die oplicht wanneer iemand iets waarneemt: waarom? Waaromzegt Mozes. Het spel is goed in elkaar gestoken. Uitermate simpel en efficiënt. In het hebreeuws is het precies 40 woorden geleden. God ziet de kinderen van Jisraeel en Hij kent hen. Veertig woorden na kennen schuift Mozes waarom naar voeren. Als God ons kent, met ons in wel en wee verbonden is, waarom dan dit? Dat is zijn inzet. God zietMozes afgewend of moeizaam peinzend op zijn terechte waarom. God ziet hem zich afkeren. De afstand van het zien overbrugt hij met zijn stem, zijn woord. Hij roept. Wat zal God nu roepen? Dat is het probleem van het lezen. We lezen veel te vlug. Alsof we uit zijn op prooi of de bevrediging van primaire behoeften. We lezen over zo goed als bijna alles heen. Daarom krijgen we nooit genoeg en moet er alsmaar. We kunnen nog net "Amsterdam" lezen op de ANWB-borden en verder moeten we plaatjes hebben, pictogrammen of groeicijfers. Wat zal God roepen. Hoe zal hij zich richten tot Mozes? Didactisch verantwoordMozes moet wel een goede herder zijn. De algemeen didactische regel dat je aan moet sluiten bij de beginsituatie heeft God nooit hoeven leren. Hij weet dat van nature. Zo is God. "Is" moet je echt als een werkwoord verstaan. Zo is Hij met zijn betrokkenheid bezig er bij te zijn – dat zal nog blijken. God weet bijvoorbeeld: Wil ik iets duidelijk maken aan Mozes dan zal ik Mozes moeten aanspreken op "wat hij doet" en "hoe hij dat" doet. Het naadloos aansluiten bij de beginsituatie door Jezus in het verhaal van die twee die niet meer achter de feiten aanhollen en die zich hebbben afgewend om naar hun dorp te gaan (Lucas 24: 17. 19), heeft Hij niet van vreemden. De God van het brandende braambos weet natuurlijk ook dat de evangelist Sint Jan bijna voortdurend zijn licht (Johannes 5: 33. 35) zal ontsteken en opheffen (Johannes 3:14) aan en bij ik ben. Alsmaar is Johannes in de weer om te zoeken naar predikaten die ik ben kunnen uitleggen. Weg. Waarheid, Leven, Licht. Ik ben: de deur voor de schapen, de betrouwbare herder. Die echte herder stelt zijn leven (beschermend, zoals de hemel over de aarde) over (hyper) de schapen heen. Als poort ziet hij de schapen één voor één. Tellend raakt hij ze (uiteraard fysiek, lichamelijk) aan. Hij kent hen. Hoe kent Hij hen? Bij naam. God kent Als God herder Mozes roept wordt herderschap in herinnering [2] geroepen – en hoe je herder bent. Mozes, Mozes. Zou God dan ook een herder zijn? In ieder geval: Mozes (b)lijkt his masters voice te herkennen. Hoe dat kan is vooralsnog geheim. Of voelt hij zich eenvoudigweg gekend, geteld. Als God op Mozes lijkt, - als ze een beetje aan elkaar gewaagd zijn - dan weet Mozes nog wel een meesterzet. Hij speelt voor Abraham. Hij zegt: Hier ben ik (Genesis 22). Je weet dan alleen niet of Mozes Abraham citeert tegenover God (22:1) of tegenover zijn zoon zijn kind (22: 7). Maar maakt dat veel uit! Rollenspelenzijn niet enkel van vandaag. Iedere leersituatie gaat uit van je kunnen verplaatsen in anderen. Of je dat nu doet door teksten te verdelen, door wegen te zoeken door de Tora om ons bij de tijd van Mozes en zijn mensen te brengen, de kudden van zijn schoonvader. Wie is wie maakt duidelijk dat onze identiteit lang niet zo vast staat als sommige menen. Wie is wie? Wie ben ik zegt Mozes. Hij vraag het niet. Hij zegt het. Mozes wordt in een paar woorden voor een taak geplaatst die hem doet vergeten dat hij eigenlijk een haperaar is, zwaar van mond en zwaar van tong (Exodus 4:10). Voordat hij het zich realiseert brandt hij op blote voeten zijn lippen (vgl Jesaja 6: 5v.) aan de nu nog onschuldige vraag Wie ben ik? Hij had kunnen zeggen: mie anie. Maar stijlvol gebruikt Mozes het meer uitgebreide Mie anokhie. God heeft daar wel van terug. Hij zegt: Ehjeh iem-kha. Wie ben ik? Ik ben met jou. Dat antwoord – Mozes had het kunnen weten maar hij heeft het zeker niet verwacht – tekent de meester en de Meester. Vanaf nu staat dit vast: Mozes is niet meer los verkrijgbaar. Heb je het over Mozes, dan heb je het over zijn Heer en Herder. Voor Mozes zal er altijd de stem zijn, hem tegenover, een woord tot hem. Een woord als blijk van herkenning, dat is begin en einde: Aleph en Tau. Aleph en Tau vormen het vierde woord [: eeth :] in Genesis. Zodra daar het eigenlijk niet te begrijpen onderwerp bij het even niet te begrijpen woord scheppen klinkt, geeft de tekst eeth [3] . In het Grieks wordt dat Alfa en Omega (Apocalyps 22: 13). Het is het voortdurende begin. Het is ons onttrokken. Alleen God weet blijkbaar – dat zal dan blijken – wat dat betekent. Ik ben er ook nogzegt hij, zeer in parafrase, in Exodus 3,14, als laatste bijdrage. Daarmee is het geheim van zijn presentie op tafel gelegd. Het is steeds, ddidactisch gesproken, een moeilijke te omschrijven omschrijving. Het probleem van de parafrase Ik ben er ook nog voor Ejeh asjer ehjeh is dat je die zin minstens op twee manieren kunt uitspreken. Het kan de taal van bijvoorbeeld een meester of juf zijn tegen een kind dat niet zo goed durft omdat het niet weet wat, enzovoorts. "Ik ben er ook nog" probeert dan het eerste schaap over de dam op het droge te trekken. Het kan ook de taal van de dreiging zijn. Dat is hier beslist niet bedoelt. Ik ben er ook nog maakt je stil. Even verstilt het lichaam, stokt onopvallend de ademhaling. Daarna voel je de lucht van Genesis 2 naar binnen komen. Op hoop van zegen. NawoordOf Wat ik op wilde schrijven, Dirk. Gaandeweg wordt duidelijk dat een vader zijn of een leraar, of mens, eigenlijk een groot geheim is. Geldt dat niet voor alle woorden waarin we zoiets als een rol, een status aanduiden? Een van de met status, situatie en gesitueerd zijn samenhangende geheimen, duidt de schrift met het nabijheid en betrokkenheid aanreikende woord broeder-schap. Ben Hemelsoet maakte jou en mij tot zoiets als broers. Ben las – aren lezen, woorden oogsten – de woorden die hem voor bleven zo, dat hij ons bij elkaar bracht. In een artikel dat hij lang geleden alleen begonnen is had het geheim daarvan een beetje aan het licht moeten komen: Psalm 133. Ook een broer kan een leraar zijn. Dat is mij gebleken. Dat blijkt nu weer. In de traditie van de leraren van Israel bestaat een regel die zegt: wie de naam van zijn leraar noemt brengt de verlossing dichterbij. Dirk Monshouwer. Zo is dat. Ik teken daarvoor: Jan Engelen (18 september 2000). Dit artikel is als een ter nagedachtenis
gepubliceerd in Liturgisch Centrum, Taal in Schrift en Eredienst,
Opstellen voor Dirk Monshouwer, Hilversum, NZV,
2001. Dirk Monshouwer is
geboren op 26 december 1946. Op 9 oktober 2000 is hij gestorven. [1] Volgens de traditie begint Mezes in de buurt van de tachtig te komen: veertig jaar Egypte, veertig jaar woestijn voor de exodus en veertig jaar met het volk onderweg. Maar waarom zou jeugd de leeftijd die "óver-" gaat en van voorbijgaande aard is. Levinas suggereert dat jeunesse zou kunnen zijn humanité de l'homme, het mens zijn van de mens. (Sans identité, in: Humanisme de l'autre homme, Montpellier: Fata Morgana 1972, p. 101) [2] Herinnering, het gedenken, is op een of andere wijze de essentie. Zie Exodus 3: 6; Johannes 2: 17. 22. Essentie dient met te verstaan als tegenwoordig deelwoord van esse, zijn. Zie eventueel E.Levinas, Autrement qu'être ou au-delà de l'essence, Den Haag, Nijhoff, 1974, p. 3, n.1. "Le terme essence – que nous n'osons pas écrire essance – désigne l'esse distingué de l'ens – le processus ou l'événement d'être – le Sein différent du Seiendes." [3] In feite praepositie voor de accusativus. Voor de midrasj doet dat er niet toe. Het hoge woord scheppen is er uit. Dat is de eerste en de laatste letter van al ons spreken: Hij. |