Genesis 2,4b-4,26

2,4b

Op de dag dat de Heer God aarde en hemel maakt.
5 En iedere wilde plant is er nog niet op aarde
en ieder veldgewas is er nog niet,
want de Heer God heeft het nog niet laten regenen op de aarde
en een mens is er niet om de aarde te dienen.

1. Dit nieuwe verhaal doet alsof het vorige niet verteld is: er zijn nog geen planten en er groeit nog niets. Daar worden twee redenen voor aangegeven: het heeft nog niet geregend en er is nog geen mens om de aarde te dienen. Er is alleen een vochtige damp, een "eigenlijk niks". De mens verschijnt nu vlug in het verhaal. Waar blijft de regen. Bij nader toezien blijkt die niet nodig. De tuin wordt omgeven, omspoeld door rivieren. Den ben je, zoals in Mesopotamië en Egypte, minder afhankelijk van de regen.

2. Nieuw is ook "Heer".Tot nu toe sprak de tekst alleen over God, in het hebreeuws elohiem, afgekort als El. We komen die naam tegen in Elija (Mijn El is Ja), Gabriel (gabber, vriend van El), Nathanael (El geeft), Emmanuel (te midden van ons El). Elohiem-El is de meer algemene, de meer "filosofische" naam voor de Godheid.
"De Heer" in het hebreeuws de vier letters J-H-W-H, de naam die alleen de hogepriester uitspreekt in de Tempel op Grote Verzoendag. Kortom en anders: de naam die niet uitgesproken wordt. In het nederlands kan men dit aangeven als G-d. Afgekort zegt men bij dé naam JH, Ja of Jo. Denk aan Elija (mijn El is Ja), JoChannan (Grieks: Johannes, De heer is genegenheid, dezelfde naam als Channanja-Annanias), Joseef (Jozef, moge de Heer er aan toevoegen).
Het tetragram (vier letters, de "Godsnaam in vier letters") is meer praktisch. Dat verraadt de aard van het verhaal. Een boer praat over en vanuit zijn land.
De naam G-d wordt veelal gebruikt in samenhang met het verbond.
Vaak ligt er de relatie: Elohiem - recht en gerechtigheid, het oordeel; G-d - betrokkenheid, begrip, vergeving vaak ook.

3. Bij "regen", moet je niet denken aan onze nederlandse of vlaamse vertrouwdheid met regen. We spreken in dit verhaal over een streek ten oosten van de Middellandse Zee. Waar geen rivieren zijn is regen essentieel. Daarom bidt de synagoge ook vanaf Loofhuttenfeest (als de laatste oogt binnen is) om regen, dwz om vruchtbaarheid voor het land.

4. Dienen is het eerste woord dat in dit verhaal de relatie met de aarde aangeeft. In het vorige verhaal was dat heersen.

5. Damp, vocht, aangezicht van de aarde. Dat is het "voor de hand liggende". Wie zien de klei en de grote boetseerder (vgl Jeremia 18).

6 En damp stijgt op uit de aarde en bevochtigt het aangezicht van de aarde.
7 En de Heer God vormt de mens stof van de aarde,
en Hij blaast hem de levensadem in zijn neusvleugels,
en zo wordt de mens een levend ziel.
8 En de Heer God legt een tuin aan in Eden in het oosten,
en daarin plaatst Hij de mens die Hij gevormd heeft.
9 En de Heer God laat groeien uit de grond elke boom,
aantrekkelijk om te zien en goed om van te eten.
En midden in de tuin de boom van het leven
en de boom van de kennis van goed en kwaad.

6. Als die mens gevormd is blaast God zijn adem, de levensadem, in de neus van Adaam, de mens, (uit de adamaah, de akker. Mischien moet je vertalen: de aard-ige uit de aarde, of de akkerling uit de akker. De mens en zijn land close, horen dicht bij elkaar.

7. Adem, geest, het zachte heen-en-weer van de ademhaling hoort daar bij. In-spiratie (spiritus - latijn - is geest). De adem wordt ingeblazen in de neusvleugels. Die adem is de finishing touch.

8. De mens heeft om mens te zijn een plek nodig. Vgl. Ik ben ER. Zonder ER (plaats) ben je nergen, als er geen plek voor je is ... De mens in de tuin.

9. Het oosten heeft iets geheimzinnigs. Oriënt, het opgaan van de zon, "vanwaar het licht". De verhalen over Abram/Abraham dateren, komen, uit het oosten. Tegenover het Oosten is het Westen, de occident, waar de zon ondergaat, het rijk van de dood. (De koningsvallei in Egypte met de koningsgraven, ligt op de westelijke oever van de Nijl, tegenover Luxor. "Het Westen" is niet alleen het romantische Avondland, maar ook het morbide land van ondergang en dood.

10. God ontpopt zich als een decorbouwer. De bomen schieten de grond uit. En meteen hoor je: er is iets met bomen.

11. Twee bomen worden binnen het geheel aangewezen. De boom van het leven, of de boom die het leven is, waar een mens van leeft, wat voor je staat als een huis, en de boom van de kennis. Dan gaat het over goed of kwaad. Daar schijnt een onderscheid tussen te bestaan. Het lijkt er op dat een mens kan kiezen en dat het daar op aan komt.

10 En in Eden ontspringt een rivier om water te geven aan de tuin;
vandaar wordt hij verdeeld en het worden vier hoofd-stromen.
11 En de naam van de eerste is Pison,
deze stroomt om heel Chawila heen, waar goud is.
12 En het goud van dat land is voortreffelijk;
en ook balsemhars en edelstenen worden er gevonden.
13 En de tweede heet Gichon, deze stroomt om heel Kus heen.
14 En de derde heet Chiddekel, deze loopt in het oosten van Assur.
En de vierde is de Eufraat.

11. Is de Pison de Ganges, die grote rivier ver weg? Gichon is ook de naam van een bron in Jerusalem. Kusj is een land tzv Egypte. Is die rivier de Nijl? Chiddekel is de Tigris. Dat lijkt vast te staan.

15 En de Heer God neemt de mens
en brengt hem in de tuin van Eden
om die te dienen en te bewaren.
16 En de Heer God gebiedt de mens:
‘Van elke boom van de tuin mag je vrijuit eten,
17 maar van de boom van de kennis van goed en kwaad
daarvan mag je niet eten,
want op de dag dat je daarvan eet, zul je sterven.’

12. Dienen en bewaren. Daar staat de mens voor.

13. Twee bomen. Die van het leven, of: de boom die het leven is, en de boom van de kennis, de boom die kennis is. Daarbij gaat het over "goed en kwaad". Daar zou een onderscheid tussen zijn. Is dat dan zo? We gaan het zien. We gaan ook ziedn wat daarbij aan de orde is.

18 De Heer God zegt:
‘Het is niet goed voor de mens alleen te zijn.
Ik maak voor hem een hulp hem tegenover.’

14. Dit is ongewoon spannend. Nu wordt iets aande orde gesteld wat tot nu toe nog niet genoemd is. Alleen heet "Niet goed". Iets om, wanneer je Adam bent, in je oren te knopen. Zowel de betekenis van "niet goed" als die van "alleen" is in het verhaal nog niet besproken.

15. Wat er ook gebeuren gaat, wat nu komt is something quite different, iets ongehoords. Twee zaken worden over de nieuwe opgemerkt. Het eerste is: "een hulp". Die ander is dus geen concurrent, rivaal, wolf maar een hulp! Een helper is in ieder geval geen afbreker. En die hulp krijgt een vrij exact choreografie. De plaats is: "hem tegenover".
[[Treurig is de goedbedoelde - ook dat nog! - "vertaling" die bij hem past. Alsof die ander een jas is die eerst wel en daarna niet meer past en gedumpt kan worden.]]
De ander is van "woord en wederwoord", "stem en tegenstem", van aangezicht tot aangezicht.
Bijbelse solidariteit is ook niet: "schouder aan schouder" - dan kan er niemand meer langs - maar "van aangezicht tot aangezicht". Als iemand dan langs wil zie je die ander altijd in je ooghoek en kun je een stap naar voren of naar achteren zetten om plaats te maken.

16. Adam heeft gehoord over "een hulp hem tegenover". Dat zit in zijn oren. Wat nu?
Er komt een megastunt. God gaat alles wat hij bedednken kan vormen, ohne End. Voor Adam betekent dat zijn eerste huiswerk. Hij moet aan het werk en gaat dat hele beestespul noemen. Noemen, beschrijven, definiëren. Je weet hoe hij naar dat beestenspul kijkt. In zijn oren "een hulp hem tegenover". En je zult zien: die vindt hij niet. Al die beesten zijn geen hulp hem tegenover. Pas daarna komt die ander.
Tegen de achgergrond van het gemis komt de ander te voorschijn.
Het lijkt er op dat God gespannen toeziet. Hoe zal de mens die dieren noemen.

19 En de Heer God vormt uit de aarde
elk dier van het veld en elke vogel van de hemel,
en brengt ze naar de mens, om te zien hoe hij ze zal roepen.
En zoals de mens ieder levend wezen roept,
dat is zijn naam.
20 En de mens roept heel de kudde en de vogels van de hemel, en al dieren van het veld.
Maar voor de mens:
hij vindt geen hulp hem tegenover.
21 En de Heer God laat een diepe slaap op de mens vallen,
en hij slaapt ,
en Hij neemt één van zijn ribben,
en sluit het vlees op zijn plaats.
22 En de Heer God bouwt de rib die Hij genomen heeft uit de mens tot een vrouw, en brengt haar naar de mens.
23 En de mens zegt:
‘Zij deze,
been van mijn been
en vlees van mijn vlees!
Vrouw (Iesjah, woman) zal zij heten,
want uit een man (iesj, man) is zij genomen.’
24 Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten
en zich hechten aan zijn vrouw,
en zij zullen zijn één vlees.
25 Ze zijn beiden naakt, de mens en zijn vrouw,
en ze schamen zich niet voor elkaar.

17a. Jij bent mijn rib: er zijn oosterse talen waarin dat betekent: jij bent mijn beste.
17b. Waar is die rib dan weggenomen? Dat kan alleen maar direct onder de ribbenkast zijn. Waar je het ademen van een mens kunt zien.
17c Been en vlees: even sterk en even kwetsbaar.
17d. Man, fonetisch Isj, letters AJSj. Vrouw, fonetisch Iesjah. In hebreeuwse letters ASjH. Het verschil tussen man en vrouw )in hebreeuwse letters, is JH. Ieder herkent daarin de Godsnaam. Het verschil tussen man en vrouw is God. (Dat is het kind dat al dan niet geboren is. Vgl het laatste bedrijf van E.Albee, Who is afraid of Virginia Woolf, het laatste bedrijf.)
Man en vrouw zonder God (Jotha en He) zijn ESj. Dat is vuur. Dat verbrandt en daar b lijft niets van over.

18. De man zal zijn vader en moeder verlaten (niet de vrouw!). "Één vlees", veel leraren zeggen: man en vrouw zijn één in het kind.

19. In vers 25 een simpele constatering. Wat gebeurt met die constatering?
[:aroemmiem] naakt; [:aroem] slim, sluw. (Ze wilden slim worden en bleken naakt).

Het verhaal in het paradijs bij Chagall

Genesis 3

1 En de slang is listig boven elk dier dat de Heer God gemaakt heeft.
En hij zegt tot de vrouw:
‘Werkelijk! Heeft God gezegd
je moet niet eten van elk boom van de tuin?’
2 En de vrouw zegt tegen de slang:
‘Van de vrucht van de boom van de tuin mogen we eten.
3 Maar van de vrucht van de boom in het midden van de tuin
heeft God gezegd:
daar zul je niet van eten en je mag hem niet aanraken, of je zult sterven.” ’
4 En de slang zegt tegen de vrouw:
‘Je zult niet stervend sterven!
5 Want God weet dat op de dag jij daarvan eet
je ogen open zullen gaan,
en je zult worden als God,
kennend goed en kwaad.’
6 En de vrouw ziet
dat de boom goed is om van te eten
en dat hij een lust is voor de ogen,
en de boom is aantrekkelijk om er wijs door te worden.
En ze plukt een vrucht
en zij eet;
zij geeft ook aan haar man bij haar,
en hij eet.
7 En geopend worden de ogen van beiden
en zij weten dat ze naakt zijn.
En ze vlechten vijgenbladeren en maken voor zich schorten.

8 En ze horen de stem van de Heer God
die in de tuin wandelt
in de adem van de dag.
En hij verbergt zich, de mens en zijn vrouw
van voor het aangezicht van de Heer God
te midden van de bomen van de tuin.
9 En de Heer God roept de mens
en vraagt hem:
‘Waar ben je?’
10 En hij antwoordt: ‘Ik hoorde je stem in de tuin,
en vreesde
want ik ben naakt.
En ik heb me verborgen.’
11 En Hij zegt:
‘Wie heeft je gezegd dat je naakt bent?
Heb je gegeten van de boom waarvan ik je geboden heb niet te eten?’
12 En de mens zegt:
‘De vrouw die je gegeven hebt aan mij om met mij te zijn,
zij heeft mij gegeven van de boom,
en ik heb gegeten.’
13 En de Heer God zegt tot de vrouw:
‘Wat is dit dat jij gedaan hebt?’
En de vrouw zegt:
‘De slang heeft mij verleid, en ik heb gegeten.’
14 En de Heer God zegt tot de slang:
‘Omdat je dit gedaan hebt,
vervloekt ben je onder alle kudde en onder alle dieren van het veld!
Op je buik zul je gaan en stof zul je eten
alle dagen van je leven!
15 En vijandschap sticht Ik
tussen jou en de vrouw,
tussen jouw zaad en haar zaad.
Hij zal jouw kop bedreigen, en jij zijn hiel!’
16 En tegen de vrouw zegt Hij:
‘Ik zal zeer vergroten de last van je zwangerschap:
met pijn zul je kinderen baren.
Naar je man zal je verlangen uitgaan, en hij zal over je heersen.’
17 En tegen de man zegt Hij:
‘Omdat je hebt geluisterd naar de stem van je vrouw
en gegeten hebt van de boom die Ik je geboden had:
de aarde zal vervloekt zijn omwille van jou!
In pijn zul je van hem eten,
alle dagen van je leven.
18 En distels en doornen zal hij voortbrengen voor je,
en je zult eten van het gewas van het veld.
19 In het zweet van je aangezicht zul je brood eten,
tot je terugkeert naar de grond, waaruit je bent genomen:
want stof ben je, en tot stof keer je terug.’

20 En de mens noemt zijn vrouw (Chawwah) Eva,
omdat zij de moeder is van alle levenden.
21 En de Heer God maakt kleren van huiden voor de mens en zijn vrouw
en kleedt hen ermee.
22 En de Heer God zegt:
‘Zie de mens is geworden als één van ons in het weten van goed en kwaad.
Laat hij niet zijn hand uitstrekken
en ook van de boom van het leven plukken en eten
en voor eeuwig leven!’
23 Daarom stuurt de Heer God hem uit de tuin van Eden,
en moet hij de aarde gaan dienen waaruit hij genomen is.
24 En Hij verdrijft de mens uit de tuin,
en aan de oostkant van de tuin van Eden plaatst Hij de cherubs
en de vlam van het wentelend zwaard,
om de weg naar de boom van het leven te bewaren.


Genesis 4

1 En mens kent zijn vrouw Eva;
zij wordt zwanger en baart Kaïn en zij zegt:
‘Verworven heb ik een man met de Heer.’
2 En ze voegt er aan toe te baren zijn broer Abel.
Abel wordt schaapherder en Kaïn landbouwer.
3 En het geschiedt na verloop van dagen
dat Kaïn van de vrucht van de aarde een offer brengt aan de Heer.
4 Ook Abel brengt een offer,
de eerstgeborene van zijn kudden van zijn vetste.
De Heer ziet naar Abel en naar zijn offer
5 en naar Kaïn en naar diens offer ziet hij niet.
En Kaïn ontbrandt
en zijn aangezicht valt.
6 De Heer zet tot Kaïn:
‘Waarom ben je woedend, en waarom is je aangezicht gevallen?
7 Is het niet zo: als je het goede doet is je aangezicht opgetogen.
Maar als je het goede niet doet,
dan loert de zonde als belager aan je deur,
en naar jou gaat zijn verlangen.
Zult jij hem de baas zijn?’
8 En Kaïn zegt tot zijn broer Abel.
En het geschiedt wanneer zij in het veld zijn.
En Kaïn staat op tegen Abel zijn broer en hij doodt hem.
9 En de Heer zegt tegen Kaïn:
‘Waar is Abel je broer?’
En hij zegt:
‘Ik weet niet.
Ben ik de hoeder van mijn broer, ik?’
10 En Hij zegt:
‘Wat heb je gedaan?
De stem van het bloed van je broer schreeuwt tot Mij uit de aarde!
11 En nu
vervloekt ben jij uit de aarde
die zijn mond opende om het bloed van je broer uit jouw hand te ontvangen!
12 Als jij de aarde dient:
zij zal haar kracht niet geven aan jou.
Een vluchteling en een zwerver zul je zijn op de aarde!’
13 En Kaïn zegt tegen de Heer:
‘Te zwaar is de straf voor mij om te dragen.
14 Zie, je drijft mij vandaag weg van het aangezicht van de aarde
en van jouw aangezicht zal ik verborgen zijn.
Een vluchteling en een zwerver zal ik zijn op de aarde,
en het zal geschieden:
iedereen die mij vindt zal mij doden.’
15 En de Heer zegt hem:
‘Daarom, ieder die Kaïn doodt, zal zevenvoudig gewroken worden!’
En de Heer zet een merkteken op Kaïn,
om te voorkomen dat ieder die hem ontmoet hem zal doden.
16 En Kaïn gaat uit van het Aangezicht van de
en hij vestigt zich in het land Nod,
ten oosten van Eden.
17 En Kaïn kent zijn vrouw;
en zij wordt zwanger en baart Henoch
en hij bouwt een stad,
en noemt de naam van die stad als de naam van zijn zoon Henoch.
18 En Henoch verwekt Irad.
En Irad verwekt Mechujaël;
En Mechujaël verwekt Metusaël,
en Metusaël verwekt Lamech.
19 Lamech huwt twee vrouwen;
de ene heet Ada, de andere Silla.
20 En Ada baart Jabal;
hij wordt de stamvader van allen die in tenten wonen en kudden hebben.
21 Zijn broer heet Jubal;
hij wordt de stamvader van allen die de harp en de pijp hanteren.
22 En Silla
ook zij baart Tubal-Kaïn,
de smeder van alles wat snijdt,
van brons en ijzer bewerken.
En de zuster van Tubal-Kaïn heet Naäma.
23 En Lamech zegt tot zijn vrouwen:
‘Ada en Silla, hoor mijn stem.
Vrouwen van Lamech, hoor mijn spreken!
Word ik gewond, dan dood ik een man;
krijg ik een schram, dan neem ik een kind.
24 Want als Kaïn zevenvoudig gewroken wordt,
Lamech zevenenzeventig-voudig!’

25 En Adam kent wederom zijn vrouw;
zij baart een zoon en noemt hem Set.
‘Want’, zegt ze,
‘God heeft mij een andere nakomeling geschonken in de plaats van Abel,
want hij is door Kaïn vermoord.’
en hij noemt hem Enosj.

Dan begint men de naam van de Heer aan te roepen.