©Jan Engelen, 1999 Herten

 

BASISPLAN 2000

 

door Dr. Jan C.M. Engelen
docent katechese/katechetiek

(Oorspronkelijke titel: Krenten in de pap)
Basisplan voor katechese en katechetiek
een oriëntatie binnen het kader van het raamplan "godsdienst/levensbeschouwing" (r.k.)

Binnen het vakgebied katechese en katechetiek op een pabo spelen inzichten uit vakgebieden als pedagogiek, didactiek, psychologie en sociologie uiteraard een rol van betekenis. Daarnaast verdient de inbreng van filosofie, hermeneutiek, theologie, judaica en exegese evenwel ook aandacht. Het heeft er de schijn van dat in het landelijk overleg de inbreng uit die laatste vakgebieden onvoldoende gehonoreerd is. Dat klemt te meer, omdat daarin het eigene van het vak aan de orde komt. Verderop zal dit toegelicht worden.

Betrokkenen en belangstellenden binnen en buiten de hogeschool ipabo vinden in BASISPLAN 2000 een verantwoording. Aan de orde is de vraag: "Welke motieven hebben geleid tot deze opzet voor katechese op de hogeschool IPABO?"

Katechese (inclusief katechetiek, de meer didactische benadering van zoiets als katechese) is één van de vakgebieden aan de hogeschool ipabo in amsterdam en alkmaar. Het is het basisvak voor het gedeelte van de opleiding dat leidt tot het diploma godsdienst/levensbeschouwing (r.k.).

De hoofdtekst geeft de geschiedenis en de beslissende overwegingen. De discussie of toelichting vindt meestal plaats in de voetnoten. De noten zijn pas bij tweede of derde lezing relevant.

sjavuot / wekenfeest : het feest mattan tora, van het geven van de tora

pinksteren, het voltooien van de eerste oogst, de geboorte van de kerk

© 2000, Jan C.M Engelen, Herten

Ipabo Amsterdam/Alkmaar


 

Situatie

Een geschiedenis

De tijd gaat op de loop met vormen en waarden. Christenen verstaan en beleven hun geloven anders[1] dan kerken en musea laten zien. Natuurlijk was alles vroeger[2] anders, maar wat is alles en wat betekent anders[3]?

   Traditioneel houdt katechese zich bezig met wat katholieken of christenen behoren te weten. Bijna nooit wordt gesproken over (verschil tussen) hoofd- of bijzaken, over inhouden, pedagogische concepten of didactische mogelijkheden. Katechese gaat over het geloof – over wat er in het kerkgebouw gebeurt en daaromheen[4]. Over de grote feesten, de kerkelijke gebruiken, regels en normen.

   Halverwege de afgelopen eeuw gebeurt er iets[5]. Geloven wordt een kwestie van verwoording en verantwoording, van zin. De gelovige gaat op zoek naar het zinvolle, het functionele. Welke zin dat bewustwordingsproces heeft blijft in de regel buiten beschouwing[6].

Katechese en pastoraal worden vaak met elkaar verward ten gunste van pastoraal - zonder die naam te gebruiken. Menig katecheet op pedagogische academies is halverwege de vorige eeuw op weg gegaan om te zoeken naar een katechese die voor zoveel mogelijk aanstaande onderwijsgevenden aanvaardbaar kan zijn. Onderling overleg leidt onder druk van de tijd uiteindelijk tot de nieuwe naam[7] godsdienst/levensbeschouwing. Het raamplan ’95 legt de veranderingen vast, motiveert, beschrijft en legt uit. Kiezen en delen[8] probeert lijnen aan te geven.

   De term godsdienst/levensbeschouwing zou een betere omschrijving bieden voor wat het vakgebied katechese wil. Motief voor die verandering van naam (ingevoerd tussen 1995 en ’99) zou zijn: een betere aansluiting bij en vertolking van onze tijd en samenleving. Velen tot wie de katechese op een katholieke, interconfessionele of oecumenische school zich richt, zouden sinds de jaren zeventig strikt[9] genomen geen gelovigen[10] meer zijn. Katechese is reflectie op het eigen[11] geloven[12]. Wanneer mensen eigenlijk[13] niet geloven[14], kun je hen geen katechese geven. Bij gebrek aan inhoud is de overweging helder. Daarom heeft de hoofdstroom van katechese op de Nederlandse Pabo’s zich nu vast laten leggen op godsdienst/levensbeschouwing. Dat zou een meer algemene  bedding[15] zijn. De achter liggende gedachte is helder: iedereen heeft toch een opvatting over leven. Leven is leven en geloven is geloven. Over die zaken is een gesprek mogelijk. Daar kun je mee omgaan in leerprocessen. Dat noemen we godsdienst/levensbeschouwing.

De gang van zaken van katechese/katechetiek naar godsdienst/levensbeschouwing levert wel een probleem op. Wanneer de kern niet vast staat, wanneer het vanaf het begin over alles moet gaan is dat een vervaging. Vervaging komt duidelijkheid niet ten goede. Is er sprake van vervaging? Die vraag is niet moeilijk wanneer men de term godsdienst/levensbeschouwing met realiteitszin bekijkt of werkelijkheidswaarde geeft. Levensbeschouwing garandeert een breed spectrum. Het voorvoegsel godsdienst legt de relatie met het kerkelijk verleden. Heel het panorama van de levensbeschouwingen inclusief de behoefte aan expressie en het pulseren van de eigenheid wordt minstens virtueel inhoud van het vakgebied. Alles wat in dit opzicht denkbaar[16] is kan er voortaan bij horen, kan hoofdzaak zijn. Dat lijkt niet leerzaam, alles.

   Alles is misschien een beetje veel voor van huis uit katechese. Wellicht moet de beschrijving van het vakgebied[17] bescheiden een beperkte keuze maken en die keuze verantwoorden. Misschien moet je eerst maar eens iets om te beginnen noemen. Waar zou je mee kunnen beginnen? Kun je aangeven waarom je daar[18] bijvoorbeeld begint? Misschien kom je zo de verantwoording van je binding[19] op het spoor.

Verandering van naam betekent ook een verandering van inhoud. Daar hoort onderzoek bij. Wat goed, belangrijk, praktisch en fundamenteel  is moet vaak[20] eerst ontdekt worden, opnieuw en nu pas echt. Het waardevolle doet zich vaak pas achteraf gevoelen. Wat moet je doen om een blinde vlek te zien? Wat organisch is valt niet op. Het hoeft zich niet te presenteren of poneren. Het goede is niet natuurlijk vanzelfsprekend. Het goede[21] is geen deel van het hier en nu. Het komt niet van mij. Ik ben alleen adres. Ik kan ontvankelijk zijn[22]. Het goede komt van verder dan van nature[23]. Om te kunnen beginnen zul je het moeten zoeken.

Geloven

Wanneer het over katechese gaat mag op een ook confessioneel georiënteerd instituut als de Interconfessionele Hogeschool IPABO de vraag zijn: geloven,wat is dat? Deze vraag kan op voorhand – als het ware los van iedere context - gesteld[24] worden. De beantwoording kan niet zonder context. In feite bestaat de vraag (Wat men geloven noemt, wat is dat?) niet buiten de taal. Ook niet buiten de tijd. Wil geloven betrouwbaar aan de orde komen dan hoort de vraag (wat is geloven? bijvoorbeeld) in een wereld van verhalen thuis. Die wereld zullen we enigermate tot zijn recht moeten laten komen. Wij nodigen je daartoe uit. Wij vragen geen stelligheid. Wij vragen een open, positieve houding en een actieve studie-inzet. De hogeschool heeft die openheid hoog in het vaandel. Wanneer het over confessie[25] gaat is ieder op zijn/haar wijze betrokkene.

   De vraag Wat is geloven? stelt steeds minstens een dubbele vraag. Ze vraagt naar een inhoud en ze vraagt naar volgens jou. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat jij zegt: “Geloven is …”, maar dat anderen zich niet herkennen[26] in wat jij geloven noemt, of dat jij je niet herkent, - nog niet, in ieder geval nu niet – niet herkent in wat je denkt dat zij geloven noemen. Een zekere onzekerheid[27] is hier kenmerk van het ware.

   Wat is geloven[28]? Wat is een constante in de geschiedenis van al die mensen die zichzelf gelovig noemen of die door anderen zo begrepen zijn?

Geloven is om te beginnen zoiets als vertrouwen. Daarom is er met geloven is iets bijzonders aan de hand. Hoewel ik verantwoordelijk blijf voor het eigen doen en laten, de oorsprong van mijn geloven ligt uiteindelijk niet in mij[29] maar in de ander. Geloven hangt ten nauwste samen met de mogelijkheid om de ander als ander, als niet ik, zelfs als mij wezenlijk vreemd[30], niet van mij, toe te laten. Het anders zijn van de ander gaat mij vooraf, doet de ruimte ontstaan en maakt mij tot degene die ik[31] ben.

   De ander is zodanig dat ik tegenover hem of haar geen andere woorden heb dan deze. Voor ik het weet hoor ik mijzelf erkenning uitspreken, zoiets als ik geloof in jou zeggen. Of ik zou het willen zeggen: Ja tegen jou. Ik fluister. Ik vertrouw je. Alles in mij wil jou dat toevertrouwen. Ja[32]. Door jou wordt de wereld mijn wereld, door jouw daar is dit hier mijn plaats, kan ik er zijn.

   Iedere dag in de praktijk maak je kinderen mee die dit soort woorden tegen jou, volwassene in hun wereld, op een of andere manier, al dan niet uitgesproken, zeggen.  Ze zeggen het of zouden het willen zeggen wanneer ze zouden weten hoe dat gaat, of dat zoiets als ik geloof in jou bestaat, een en al taal,  en dat je dat, bijvoorbeeld door op te kijken of te glimlachen[33] kunt zeggen nog voordat je spreekt.

   Wat dat ja-zeggen betekent, wat ja zeggen is, of jou zeggen, wat het betekent, aangesproken te worden en antwoord te willen geven, - dat hoort allemaal bij geloven, je laten afstemmen. (Zie eventueel Abraham bijvoorbeeld. Genesis 12,1.4.)

Katechese

De term katechese betekent eigenlijk zoiets als echo. Is echo niet het verkennen[34] van diepten en ruimten en gaat dit niet steeds samen met het nog bijna kinderlijke uitproberen van de mogelijkheden van de eigen stem om haar weer te laten klinken, tijd te worden, diepte? Het zal dus in de katechese niet en nooit gaan over beheersbare processen. Het gaat er niet om, verhalen in te snoeren of te beperken tot een thema of een bedoeling. Het zal er om gaan de traditie van die verhalen mogelijk te maken. We proberen de verhalen het woord te geven, aan het woord te laten komen. Gij komt van al zo hoge … ‘Gij’, de verhalen en alles wat daarin ter sprake komt, tot en met de toehoorders. Tijd en ruimte[35] van de verhalen zullen een uitnodiging aan de toehoorder zijn. De student(e) in een dergelijk leerproces is nooit object van beoordeling. Katechese is uiteindelijk de open put die om een echo vraagt, een uitnodiging tot antwoord, tot verantwoording, rond het vuur van klinkende verhalen.          

Echo, weerklank, vertolking, antwoord op een eigen inzet. Wat klinkt dan mee![36] Meetrillen[37], meeklinken en aanreiken, - al die woorden bieden een handzame, open benadering van de geheimen[38] die in het vakgebied katechese aan de orde zullen komen. Wat die geheimen zijn, welke woorden daarvoor bestaan, hoe gehoorzaam, luisterbereid, niet hooghartig maar zachtmoedig[39], flexibel, bijna verkwistend en toegankelijk ze zijn, we zullen dat nog zien[40]. Nu al wordt gesteld: er staat geen uitkomst vast. Met name wat er voor jou uit komt, dat is aan jou. Jij aan het woord[41], staat niet vast, staat nooit vast. Jij[42] aan het woord laat mij steeds opnieuw zien, antwoord zoeken  – spreken[43], zoiets als een antwoord proberen- wie die eerste persoon enkelvoud ook is.

   Op de Hogeschool IPABO Amsterdam/Alkmaar handhaven we omwille van al die beloften – je weet het nooit, het zou best wel eens kunnen[44], - en omwille van de continuïteit met het verleden, de vertrouwde naam van het vakgebied katechese en in het spoor daarvan katechetiek, de pedagogiek en didactiek rond katechese.


[1]

De wereld is veranderd, niet alleen de ingerichte, door de mens georganiseerde wereld, maar ook de wereld als veld van waarneming of geheel van betekenissen.

Wanneer de betekenissen eigenlijk niets meer betekenen heeft de mens niet meer te zeggen wat hij te zeggen heeft. Misschien moeten wij, mensen, vrouwen en mannen, nu de wereld (werkelijkheid) anders in elkaar zit, leren, anders te spreken, dus anders te kijken, ons anders te oriënteren.

De werkelijkheid blijkt steeds anders te zijn, anders te nuanceren, te benaderen, te benoemen of  te hanteren. Misschien is niet enkel onze plaats veranderd. Misschien is ook het plaatsen, het al dan niet min of meer kunnen plaatsen, veranderd. Misschien betekent kunnen plaatsen ook iets anders.

[2]

Vroeger was alles anders. In de voorafgaande zin is vroeger relatief jong. Voor oude mensen is vroeger 60 tot 80 jaar geleden. Ook aan de eerste helft van de 20ste eeuw gaat veel vroeger vooraf. Veranderen is het werkwoord van de tijd.

[3]

Betekent anders geworden niet ook op een of andere manier hetzelfde gebleven? De eenheid die de term identiteit suggereert, is niet de ieder anders-zijn uitsluitende, massiviteit van een totalitair systeem. Werkelijke eenheid is beleefde eenheid. Zij weet van verschillen, draagt en erkent ze. Eenheid bewaart verschillen, weet die te overbruggen, productief, vruchtbaar te maken. Naar mate de overeenkomsten groter en de verschillen kleiner zijn, worden de verschillen belangrijker en groter.

Voor verschil, anders zijn, het voorlopige uitstel van de identiteit, wordt in deze tekst beroep gedaan op de term différence en différance (het verschil/uitstel en het doen verschillen of uitstellen als proces, onderweg zijn) zoals dit in het reflexieve spreken is ingebracht door de Franse filosoof Jacques Derrida.

[4]

Niet toevallig staat in iedere iets oudere gemeenschap de kerk in het midden.

[5]

In de gangbare en gebruikelijke literatuur wordt dit iets beschreven als:  secularisering, het mondig of autonoom worden van de mens, de democratische tendensen, de verwereldlijking van de wereld, het anti-transcendentie-effect of de afnemende religieuze gevoeligheid. Deze kwalificaties beschikken sinds 1960 over citationele kwaliteiten. Toch mag men niet uitsluiten dat andere duidingen wellicht een meer adequate beschrijving van de huidige situatie bieden. Daarbij zou men bijvoorbeeld kunnen denken aan het anonieme universalisme van de stad, de cultuur, het werk en de wetenschap. Misschien is het niet gemakkelijk  om anders te zijn, afstand te nemen van het gangbare en dat te verwoorden. Misschien is er geen taal om de eigen cultuur, gevoeligheid of inzichten te uiten. Zie eventueel  Michel de Certeau, La culture au pluriel, (1974) nouv. Éd., Seuil, Point, 1993, p. 78 en 63.

[6]

In de katholieke gemeenschap zo lijkt het, hebben waarheid  en normen altijd hoger gescoord dan kennis. Kennen: geleerd hebben te verwoorden, leren mee te praten wanneer het over deze dingen gaat. Jezelf en het andere ter sprake kunnen brengen. Situeren, inschatten, kiezen uit alternatieven, attent bij de tijd zijn. Wanneer het vermogen om te spreken over je geloven niet ontwikkeld, wanneer er geen ruimte is voor je eigen vragen, dan is geloven altijd moeilijk, een kwestie van het goed bedoelen.

Goede bedoelingen zijn in de regel onttrokken aan de communicatie. Zij vertolken de eenzaamheid en het ontbreken van gemeenschap tussen mensen. Die gemeenschap tussen mensen die christen of katholiek zijn, heet kerk. Bijbels-theologisch heet dat ‘volk Gods’ zijn. 

[7]

Betekent een andere naam ook een andere opdracht aan de begeleidende vakdocent?

[8]

Kiezen en delen aanzet tot longitudinale planning en onderlinge afstemming van godsdienst/levensbeschouwing in het katholiek onderwijs. Advies in opdracht van het College van Bisschoppelijke Gedelegeerden voor het katholiek onderwijs. ’'s-Hertogenbosch, 1997.

[9]

Bij een dergelijk oordeel is steeds het volgende van belang: wie bepaalt de grens? Waarom wordt deze grens hier en nu getrokken? De  uitspraak (geen gelovigen) geeft een voorzet. Wat is haar opzet? Waar is zij op uit? Welk doel staat haar voor ogen? Waarom? Wanneer je thematieken uit de gangbare retoriek isoleert, blijkt het probleem niet of anders te zijn.  

[10]

De inhoud van de term geloven blijft buiten beschouwing. Wordt haar betekenis bekend verondersteld? Dat is toch naïef.

Wat voor soort denken is geloven? Bijna niemand heeft de scholing gehad om het woord geloven op reflexief niveau te kunnen plaatsen en bespreken. Tot halverwege de 20ste eeuw heeft bijna niemand in de katholieke wereld tijd voor deze vraag. Alleen priesters hebben tot dan toe enige theologische scholing gehad. Piëtistisch ingekleurde vroomheid leek belangrijker dan kennis of kunnen meepraten. (Voorjaar 1962. Het aanstaande concilie (Vaticanum II) is net afgekondigd door de nu zalige paus Johannes XXIII. Een vrome pater met veel gezag zegt oprecht, met volle overtuiging: "Het concilie is eigenlijk overbodig. Alles is geopenbaard. We weten alles al." We (mijn studiegenoten en ik) vergaten te vragen:"Wie is we?" Het kerkelijk feodalisme vierde toen nog hoogtij alsof dat zo hoorde. Toen? Wie dacht dat een vader zijn kinderen geen stenen voor brood gaf?

Aan andere kwestie is: Wat is geloven eigenlijk? Het nederlandse woord geloven is afgeleid van het gotische galaubjan (ook herkenbaar in het engelse to believe, to love): zich hechten aan, in zee gaan met, toestemmen, houden van. Geloven heeft te maken met instemmen, herkennen, met ja zeggen voor je het weet. Geloven gaat vooraf aan mijn ik-zeggen, - zoals de taal waarin je geboren wordt. Daarom is het woord levensbeschouwing een verkeerd woord. Het probeert mijn passiviteit te verbinden met een daad van beschouwen.

 De kwaliteit van de verantwoording, het kunnen verantwoorden, - dus de kwaliteit van het onderricht (Emmanuel Levinas, Transcendance et intelligibilité, Geneve 1996, p. 11) blijft, mede onder invloed van de verlichting en haar eenzijdig beroep op de ratio, onderontwikkeld. Het meeste van geloven is krediet, reserve, te goed. Dat dient eerst betwijfeld, grondig betwijfeld, om daarna vermoed of gevonden te kunnen worden.

Waarom die grondige twijfel? Nadat het ik als het ware heel de werkelijkheid om zich heen geordend heeft, moet weer opnieuw, en nu eigenlijk voor het eerst, ontdekt worden dat het ik de wereld niet maakt. Van speler wordt het ik medespeler. Ik ontdek de ander – de ander die niet is afgeleid van mij, niet degene die ik benoem. Ik ben niet de oorsprong van de ander, kan de ander niet plaatsen (niet tot onderdeel van mijn wereld maken). De ander blijft een geheim, eindeloze voorsprong.

[11]

Het woordje eigen bepaalt blijkbaar een limiet. Er is een grens tussen wat eigen en wat niet eigen is. In een leerproces duidt iedere grens een virtuele ruimte aan. Zij kan verkend en geopend worden, toegang bieden, verder leiden. Leren voert leraren en leerlingen steeds verder dan tot waar zij gekomen zijn. Nieuwe informatie, ook in díe zin nieuw dat de geadresseerde serieus te nemen is, nuanceert wat definitief leek, laat een pad zien. Het is ermee als met de zee in Exodus 14.

[12]

Tegenover de behoefte van sommigen om hun geloven als stelligheid aan te prijzen hebben velen de neiging, hun onzekerheid, hun onbeslistheid als niet geloven te interpreteren. Is deze stelligheid terecht?  Als je zegt ik geloof wil dat niet zeggen dat God bestaat. Als je zegt Ik geloof niet wil dat niet zeggen dat God niet bestaat. Wat is God in deze uitspraken? Wat het bestaan van God? Als liefde bewezen kan worden is het geen liefde meer. Aangesproken worden onttrekt zich aan een beslissing als Ik laat mij aanspreken. Ik stel mij open voor, maar wil er sprake zijn van openheid waarin het andere anders kan zijn, dan zal het andere mij overrompelen, dan ben ik eigenlijk nergens meer. 

[13]

Wie bepaalt de grens bij het woord eigenlijk? Bij geloven hoort: ik heb niet meer alle troeven in eigen hand. Ik ben in mijn geloof het totale overzicht kwijt. Er is geen totaliteit (waar ik boven sta en die ik kan overzien) meer. Aangesproken ben ik geen spreker. Het is als het verschil tussen medewerkend voorwerp en onderwerp, grammaticaal gezien. Welke betekenis biedt het woord eigenlijk aan? Wat wordt bij die beperking als niet ter zake (bijkomstig) gediskwalificeerd, wat als belangrijk, wezenlijk?

[14]

Deze interpretatie gaat uit van de vooronderstelling, dat wij eerst Mijn vader die in de hemel is bidden en dan pas overgaan tot Onze vader die in de hemel zijt. Deze veronderstelling is strijdig met het spreken van degene die deze woorden voor ons, ons voor, heeft uitgesproken.

[15]

Het raamplan motiveert die verandering. Het doet een beroep op de rechtsbescherming die het vak in onze onderwijswetgeving door die naam geniet. Het is de vraag of  dit argument de verandering goed maakt. Zijn inhouden, argumenten en strategieën van de (geloofs)taal voldoende gewogen om de keuze godsdienst/levensbeschouwing af te dwingen of te legitimeren? Niets verzet zich er tegen om katechese te interpreteren als godsdienstonderwijs door de wet benoemd. Die wet garandeert het recht, niet de inhoud.

   Kwaliteit is een kwestie van afwegen en inschatten. Dat vergt minstens tijd en weging van argumenten. Uiteindelijk heeft die weging nooit plaats gevonden. Het belang en de (mogelijke) betekenis van de bijbelse informatie is nooit een punt van overleg geweest. Tijdsdruk heeft toevallig bestaande ‘teksten in ontstaan’ binnengehaald als officiële teksten. “’k Stond erbij en ‘keek ernaar”, zingt het bekende kinderlied. De schrijver van dit BASISPLAN 2000 is vanaf het begin bij dit overleg betrokken geweest. Toen de ontwikkeling koers zette naar godsdienst/levensbeschouwing heeft hij zich vanaf het begin tegen deze ontwikkeling verzet. Zij is nooit verantwoord. Zij blijft dus onverantwoord.

[16]

Professionele katecheten noemen het leven in de naam van het vakgebied. Hun leerplan zal zich nu zeker gaan uitstrekken tot grote delen van het leergebied van  psychologie, sociologie, cultuur- en kunstgeschiedenis, filosofie. De opleiding godsdienst/levensbeschouwing  op de katholieke pabo’s wordt een zipfile, een copy van de gangbare  vorming van de clerus tot minstens 1970, met iets meer nadruk op de wereld. Wanneer een vakgebied niet gelimiteerd is, dan is het geen gebied meer. De claim is dan totalitair, namelijk niet gelimiteerd door het eigene.

[17]

Een onschuldige vraag. Is katechese op de basisschool een wetenschap of is zij een vak, een taak, een ambt? Moet een opleiding voor onderwijsgevenden zich bezig houden met een kader waar iedere noemer, iedere vorm van bepaling ontbreekt? Of moet men een student(e) de mogelijkheid bieden, inzicht te krijgen op mogelijkheden voor katechese met kinderen van een katholieke basisschool? Let wel: niemand kan beweren dat het openbaar onderwijs niet bezig is met godsdiensten en levensbeschouwing, wanneer het tenminste echt openbaar is. Bovendien: wanneer het diploma godsdienst/levensbeschouwing en kerkelijk diploma is, wie kent de kerk deskundigheid toe op het gebied van levensbeschouwing?

[18]

Katechese heeft dus om te beginnen iets van een bepaling van plaats. De stroom van de tijd, van alles wat op ons af komt wordt even onderbroken. Als je begint zet je even alles tussen haakjes. Alles wat zou moeten zet je even stil. Zoals wanneer je een opname maakt of een test gaat doen – geluid, of beeld, of beiden. Even moet je alles los laten, los maken (abstraheren van het concrete) om concreet te worden. Iets concreets: Je maakt om te beginnen een begin. Of dat begin een goed begin is zal later blijken. Ervaring kan je doen vermoeden dat je intuïtie goed is. Ervaring is hier: geleerd hebben en over het geleerde kunnen beschikken.

[19]

Latijn: religio. In de Joodse traditie heet Genesis 22 de opheffing en binding van Isaak. Opheffen is offeren, maar ook offreren, aanbieden, afstand doen van, los laten.  Binding, kunnen sterven, overlevende zijn, leven, hoort bij de zoon (Isaak), het kind, de toekomst. Het kind is nu niet meer enkel naïef. De vader, de vorige generatie, heeft intussen geleerd wat het betekent, los te laten. Leven is niet meer het voortzetten van het voorafgaande maar een nieuw begin.

[20]

Het verschijnsel is bekend: pas wanneer je last van je voeten hebt merk je dat je voeten hebt.

[21]

Doen is vertrekken zonder terug te komen. Maar dit doen zonder terug te komen bij zichzelf verliest zijn absolute goedheid wanneer mijn werk compensatie vindt in zijn succes. Wanneer begin en einde hier op elkaar te betrekken zijn is het werk niets anders dan een berekening van kosten en baten, enkel een kwestie van rekenen. Mijn werk doet afstand van mijn daad ten gunste van de ander. Daarom hoeft de ander ook niet dankbaar te zijn. ‘Graag gedaan.’ Werken betekent ervan afzien, tijdgenoot te worden van het te bereiken doel. Handelen zonder binnen te gaan in het beloofde land. Daarom is het goede meer dan een droom zonder transcendentie. Zie Emmanuel Levinas, La trace de l’autre, in: En découvrant l’existence avec Husserl et Heidegger, Parijs: Vrin, 1967, p.191.

‘Evenals de Oneindige heeft het Goede geen ander. Niet omdat het Goede alles zou zijn, maar omdat het Goed is en niets aan zijn goedheid ontkomt.’ E.Levinas, Autrement qu'être ou au-delà de l'essence, Den Haag 1974, p. 13, n.7. ‘Het goede is anders dan het zijn – het houdt geen boeken bij. Het is niet als de negativiteit die dat wat zij ontkent in haar geschiedenis bewaart … Het goede is uitzonderlijk, buitengewoon – transcendent – precies vanwege die breuk met het zijn en haar geschiedenis.’ Autrement …,p. 22.

[22]

Hier ben ik. Dit simpel getuigen van eigen aanwezigheid, betrokkenheid, is kenmerkend voor Abraham, Mozes en Samuel. Het is ook te horen bij de struik die in de woestijn van Exodus 3 brandt en spreekt. Het is ook herkenbaar in woorden als onze vader, - woorden die gezegd kunnen worden, geleerd, geproefd, beproefd.

[23]

Zie naar de gelijkenis over de zaaier, Markus 4. In het verhaal blijkt een geheim (v.11). Dat geheim is op een of andere manier – zo wordt het althans door het onderwerp van het evangelie uitgelegd, v. 13 - alle gelijkenissen. De gelijkenis eindigt met als perspectief: vogels die door plaats te nemen op een tak het land en de hemel met elkaar verbinden.

[24]

Met ‘op voorhand stellen’ probeert de tekst aan te geven, dat ik wel een vraag kan stellen als mijn oorspronkelijke, eigen, in die zin ‘absolute’ vraag, maar in feite leeft de mens voorwaardelijk. Steeds bepalen condities de concrete situatie, ook mijn vragen. Ook mijn eigen vraag komt uit een context. Die context ben ik zelf, ik met mijn verleden, mijn verwachting, mijn staan in mijn eigen geschiedenis. De horizon of implicaties daarvan onttrekken zich zo goed als geheel aan mijn zogenoemde bewustzijn. Wat voor mij vandaag volstrekt zeker is – er hoeft niet veel te gebeuren of morgen begrijp ik er niets meer van en sta ik er geheel buiten. Gegevens die er echt toe doen wanneer het gaat over mij en mijn opvattingen heb ik ten dele in eigen handen, maar ten dele onttrekken ze zich ook aan mijn greep en begrijp ik ze niet. Ik begrijp alleen wat ik aan kan, wat in zekere zin op mijn maat is toegesneden en wat ik meten kan, inschatten en overzien, bij benadering. Zie Mozes en de struik in Exodus 3.

[25]

De I van Ipabo staat voor interconfessioneel. In dit  woord wordt om te beginnen de verscheidenheid van  verschillende christelijke confessies gerespecteerd en bijeen gebracht en bewaard. Confessie is historisch gezien (geloofs-)belijdenis. In onze tijd kan het woord interconfessioneel suggereren, boven de partijen  te staan. Precies dat is niet de bedoeling. Probeer confessioneel, afgezien van elke historische of sociale benadering, te verstaan als smaak van leven. Het gaat dan over de manier waarop je je, al dan niet met woorden, zou uitspreken over … of welk gevoel je hebt bij.

[26]

Alle (nog niet geformaliseerd, zogenoemd  wetenschappelijk) spreken is iets totaal anders dan het uitwisselen van codificaties en abstracties,  waarheden of feiten genaamd. Communicatie is niet het uitwisselen van informatie. Spreken is, zolang het spreken duurt, tot het laatste woord derhalve, onbeslist. Tot dit definitieve einde staan betekenissen, en bedoelingen (waar ik op uit ben) niet vast.

  Als de betekenissen niet vast staan, staat ook de betekenaar of het subject niet vast. Het subject (sub is latijn, het betekent onder; jacere betekent werpen) onder-werpt zich letterlijk, maakt zich ondergeschikt, verantwoordelijk – meer verantwoordelijk dan het ik ooit verantwoorden kan. Begrijpen of verstaan, de onzekerheid te boven komen, is niets anders dan aangesproken worden, - tweede persoon van het persoonlijk voornaamwoord worden – om daarna ik te kunnen zijn, te kunnen spreken.

‘In de kantlijnen van een niet langer te ontcijferen historische werkelijkheid  ontstond een  utopische ruimte  die zorgde voor een niet-plaats. De rede kreeg de mogelijkheid, van de wereld  teksten te maken en deze teksten weer nieuwe werelden voort te laten brengen. In die tijd ontstond aan de zijlijnen van de verschillende wetenschappen een mystieke ruimte. Dat was ook een niet-plaats. Zij werd binnen de taal gecreëerd door het voortdurend verlangen naar de ander. Het gevolg was een omkering. Uitspraken werden ontdaan van hun inhoud ten faveure van de daaraan voorafgaande vraag om te mogen spreken.’ Michel de Certeau, The Mystic Fable, Chicago: The University of Chicago Press, 1992 (Parijs 1982), p. 161.

[27]

‘Door de spanningsverhouding met het niet-weten blijft een subject een echt kwetsbaar subject. De erkenning van het niet-weten en van het verlies aan meesterschap plaatst een subject in de positie van een niet op te heffen afhankelijkheid. Maar deze niet ongedaan te maken afhankelijkheid gaat samen met een op zichzelf teruggeworpen worden. Het subject is ‘alleen’ omdat het zich verhoudt tot een oordeel, tot een betekenis die hem ontsnapt.’ Paul  Moyaert, Ethiek en sublimatie,  Over De ethiek van de psychoanalyse van Jacques Lacan, Nijmegen: Sun 1994, p.185.

[28]

‘… het geloof … dit dialectisch bijeen horen van particulariteit en dat wat haar overschrijdt en verder gaat …’ Michel de Certeau, La faiblesse de croire, texte établi et présenté par Luce Giard. Parijs: Éd du Seuil, 1987, p. 185.

[29]

In parafrase: In vrijheid en met gezag, met alle recht van spreken rondkijkend mag ik constateren dat ik jou zodanig vind dat ik moet zeggen: ik geloof in jou.

[30]

Niet-eigen.

[31]

‘Het Ik spreekt alleen wanneer het verwacht wordt (of bemind). Dat is het meest riskante dat er ter wereld bestaat … Het Ik is niet van zichzelf. Zijn mogelijkheid om te kunnen spreken hangt, zoals bij kinderen, af van een gesproken woord dat er aan vooraf gaat en de verwachting die dit met zich meebrengt. De strategie van de tekst die een volgorde aanbrengt en sprekers aanwijst (…) komt uiteindelijk aan bij het verdwijnpunt, het Ik. Aangekomen bij het Ik ontstaat spreken alleen in de naam van de ander.’ Michel de Certeau, The Mystic Fable, Chicago: The University of Chicago Press, 1992 (Parijs 1982), p. 187.

[32]

Bijvoorbeeld: ik wil juf of meester, worden – ook al blijkt dat dan onderwijsgevende te zijn, leerkracht, bijvoorbeeld op een basisschool. Door naar de Hogeschool Ipabo te komen zeg je ja tegen dit instituut. Wanneer je bij nadere kennismaking en met het verlopen van de tijd blijft, dan leg je je eerste ja uit. Je bevestigt je eerdere ja, je eerdere keuze. Het is goed. En je blijft die bevestiging vernieuwen zolang je opleiding, ja, zolang je uitoefening van je vak blijft duren.

‘Als ik “ja” zeg, dan zeg ik onmiddellijk “ja, ja.” Ik wijd mezelf toe om mijn voorafgaande toewijding de volgende seconde te bevestigen, en dan morgen, en overmorgen  … Ik beloof de herinnering te bewaren van mijn eerste “ja.”’  Jacques Derrida, Deconstruction in a nutshell, a conversation with Jacques Derrida / edited with a commentary by John D.Caputo, New York 1997, p.27.

[33]

Dit opzien of glimlachen is een spreken dat vooraf gaat aan ieder spreken. Dit spreken gaat vooraf aan alles wat gesproken wordt. Het is het gebaar dat wees welkom, gastvrijheid, vrede vertolkt. In dit spreken voor het gesprokene, is het ik weerloos, oprecht, enkel uit op wat rechtvaardig is.

[34]

Door het klinken van mijn stem gaat de ruimte klinken. Zo brengt mijn stem de ruimte, mijn taal, mijn kunnen spreken, tot klinken. Mijn stem is als de kringen op het water. Zonder water zouden er nooit kringen zijn. Zonder de kringen zou ik wellicht van het water nauwelijks weten, noch van wat mij bezig houdt. De taal, de Tora, is als water. Zoals een hert … Psalm 42. Luister ook naar het  (staande) getuigenis van het onderwerp van het evangelie in Johannes 7,38 (in de regel verkeerd vertaald): Wie in vertrouwen volgens de wijze van de Schrift  naar mij toe komt, rivieren zullen stromen uit zijn binnenste als water dat leeft. (Verkeerd? In de regel wordt dit vertaald met … geloven zoals de schrift zegt. Zoals ziet men dan als inleiding tot een schriftcitaat. Het dient evenwel het voorafgaande werkwoord geloven een modificatie mee te geven: geloven zoals de Schrift zegt, geloven volgens de Schriften. 

[35]

Tijd en ruimte – mogen die twee woorden een omschrijving van ‘de wereld’ zijn?

[36]

In het vakgebied drama of beeldende vorming komen deze zaken (leven, mens-zijn, ingaan op de uitnodiging, werken met anderen, met jezelf, met de materie) aan de orde: doen, leren, proberen, waarderen. Hoe vertel je? Hoe probeer je je stem. Hoe wegen de ogen van kinderen die naar je kijken de stilte die jij in je verhaal laat gebeuren?

[37]

De schering en inslag van de verhalen als een trampoline of als een cymbaal, de klankkast, de omsloten ruimte van bijvoorbeeld een cello of een gitaar.

[38]

De invisibilia (‘… in alles wat zichtbaar en onzichtbaar is.’ Geloofsbelijdenis van Nicea) zijn niet de dingen die onzichtbaar zijn, maar de dingen die nog niet zichtbaar zijn.

[39]

Het woord zachtmoedig functioneert in de vertalingen van Num 12,3. Het is daar dé eigenschap van Mozes. Er is niet veel kennis nodig om Mozes te mogen typeren als de leraar. Zachtmoedig is de vertolking van de kwaliteit die de bijbelse literatuur aan een leraar, aan een meester toekent, zelfs aan een koninklijke meester of een meesterlijke koning – vgl Mattheüs 21,5. Zachtmoedigheid maakt leren mogelijk. Mattheüs 11,29. Daarom zullen zachtmoedigen de aarde beërven, de toekomst breken en delen als brood. Het beërven van de aarde heeft met de toekomst te maken. Iedere dienst in de synagoge legt uit dat de toekomst van kinderen afhangt.

[40]

Op de hogeschool Ipabo liggen daartoe twee readers ter bestudering gereed. Deze readers bevatten werkteksten, ontstaan in een praktijk van 30 jaar onderwijs op katholieke en interconfessionele pabo’s in Amsterdam. Niet alle teksten zijn afgerond. Verschillende teksten blijken goed te kunnen dienen voor zelfstudie. De readers heten: Aleph en Beth. Regelmatig verschijnen herziene uitgaven.

[41]

‘De Joodse traditie is van mening dat de Tora zeventig gezichten heeft en dat een van die gezichten zou ontbreken wanneer een enkele lezer verstek laat gaan. Dat wil ook zeggen, dat de joodse traditie niet pleit voor de éénduidigheid van de tekst, of, nauwkeuriger gezegd, dat zij weet, dat ‘een enkel vers een veelvoud van betekenissen te voorschijn roept’ … Het gaat er juist om deze betekenissen door interpretatie te ontvouwen. Iedereen is geroepen tot deze taak. Ieder heeft de opdracht gekregen te studeren totdat men zelf een Sefer-Torah  (Boekrol) geworden is, totdat men zelf de betekenis kan doorgeven die men wellicht als enige heeft kunnen lezen, in de wetenschap dat ieder verantwoordelijk is voor de uiteindelijke betekenis van de tekst en dat deze geen andere is dan haar oorspronkelijke betekenis.’ Catharine Chalier, De Aartsmoeders, Sara, Rebekka, Rachel en Lea, Hilversum: Gooi & Sticht 1987, p. 10v.

[42]

‘… het oor van de ander betekent. Het oor van de ander zegt mij tegen mij en legt de autor van mijn autobiografie vast. Wanneer de ander, veel later, met een wakker genoeg oor door heeft wat ik hem of haar geadresseerd heb, toegezonden, dan heb ik mijn handtekening gezet.’ Jacques Derrida, Otobiographies, The teaching of Nietzsche and the Politics of the Proper Name, in The ear of the Other,  Lincoln: University of Nebraska Press, 1988, p. 51.

[43]

‘Daarin bestaat de macht van het woord: het kan het onveranderlijke wijzigen en de machinerie van de dode letter onderbreken. Het woord kan de pure tautologie – de letter is de letter – doorbreken en terugdringen. Het woord buigt de betrekking tot de absolute Ander (de sfinx) om tot een persoonsgebonden relatie. Spreken is de dode letter zelf het zwijgen opleggen.‘ Paul  Moyaert, Ethiek en sublimatie,  Over De ethiek van de psychoanalyse van Jacques Lacan, Nijmegen: Sun 1994, p. 121.  

[44]

Velen in en buiten de regio werkzaam die op de hogeschool Ipabo of haar voorgangers gestudeerd hebben, sloten in die zin hun opleiding en studeren voor dit vakgebied af. Daarmee zijn het geen mensen geworden die zodanig geprogrammeerd zijn dat zij hetzelfde zeggen. Ook vinden zij katechese niet gemakkelijk. Creatief zijn, nieuwe – hier en nu passende – dingen bedenken, vinden, vraagt aandacht en concentratie. Echt nadenken en iets goeds voor een ander zeggen, doen, is een veeleisend proces. Jouw studeren, ook binnen dit vakgebied, kan een wereld voor je open maken. Een wereld van verhalen, gevoelens, ideeën, beelden,  mogelijk-heden. En niemand kan jouw situaties, jouw groep bijvoorbeeld, zo bekijken, zien en inschatten als jij. Niemand kan zo voor en met deze kinderen werken als jij. Zo gezien ben jij ook een uitzondering.

  Katechese op de basisschool doet steeds een beroep op degene die op dit gebied verantwoordelijkheid voor anderen, voor kinderen bijvoorbeeld, kan dragen. In de taal van het vakgebied katechese kun je zeggen: de onderwijsgevende voor haar/zijn groep is zoiets als God in het verhaal van de Zeven Dagen. Jij moet voor deze (jonge) mensen en met hen, doen wat nog nooit gedaan is. Jouw doen hier en nu is nog nooit vertoond, volstrekt nieuw, ongehoord. Dat heet in het verhaal van die zeven dagen: scheppen. Scheppen heeft niet met zijn te maken. Het zevendagen-verhaal reikt zelf: maken/doen aan (Genesis 2,1v.).


 

2. Katechese en verhalen

Katechese op de Hogeschool IPABO wil een studerende gelegenheid bieden zich toe te rusten voor de taken van een onderwijsgevende op een katholieke, interconfessionele dan wel oecumenische basisschool. Hoe draag je verantwoordelijkheid voor de katechese of godsdienst met een concrete groep op de basisschool? Je zult met ouders of verzorgers moeten kunnen praten wanneer het over katechese dan wel katechetische vorming of opvoeding gaat. Je zult met het team overleg moeten kunnen voeren over de aanpak en opzet van de katechese als onderdeel van het schoolwerkplan. En je zult ook moeten kunnen aangeven wat het voor een basisschool betekent om katholiek[1], interconfessioneel of oecumenisch te zijn. Welke moeilijkheden[2] brengt het komen uit die traditie (dat katholieke verleden) met zich mee, welke mogelijkheden[3]? Meer specifiek zul je zicht moeten hebben op de mogelijkheden en moeilijkheden van katechese voor de kinderen[4] van een basisschool aan het begin van het derde millennium. Al deze vragen klinken mee wanneer het gaat over zoiets als katechese op de basisschool.

In een werkomschrijving zou je kunnen stellen: voor de kinderen op de basisschool betekent katechese: a) Individuele vorming; b) Sociale vorming; c)  Kennis maken met de verhalen van katholieken of christenen. A & B zijn niet exclusief voor katechese op de basisschool. Ze komen in het basisonderwijs voortdurend aan de orde. Wie verdacht is op de ontwikkeling van deze vaardigheden ziet ze ook voortdurend aan de orde in de katechese. Op een of andere wijze brengen de verhalen ons meer uitdrukkelijk[5] op een spoor van de katechese.

‘De verhalen’

In de praktijk blijkt vaak iets van paniek wanneer je beweert: Een bijbelverhaal is niet een verhaaltje met een moraaltje.  Wat is het dan? Precies dat is de vraag. Wat is een bijbelverhaal? Waar is het op uit? Wat is de betekenis[6]? Wanneer het over verhalen gaat kan men drie richtingen aanwijzen: a) wat het verhaal te vertellen heeft: het verhaal; b) de toehoorder; c) de verteller.

Bij a) wat het verhaal te vertellen heeft: het verhaal.

Wanneer ik ongeoefend ben in het luisteren naar verhalen, bijvoorbeeld alleen vertrouwd met de short stories van de strip of de videoclip, dan zal ik alleen met moeite in een verhaal van wat langere adem komen. Concentratie is buiten eten en drinken om wanneer men honger of dorst heeft, niet natuurlijk, niet eenvoudig. Vertrouwen in de mogelijkheden van het vertellen of van het verhaal evenmin.

Verhalen[7] hebben het vermogen heel verschillende mensen bijeen te kunnen brengen. Wie niet van verhalen houdt blijft gevangen in het eigen verhaal. Er is niets anders.  Zonder verhalen[8] heb je geen boodschap aan het stof van onze dromen, aan de mogelijkheden van mensen, de kwetsbaarheid en gevoeligheid, aan het onvermoede perspectief ook. Verhalen verdubbelen mij op een merkwaardige wijze. Nooit val ik met mijzelf samen. In een verhaal heeft steeds een ander het woord. Lukt een verhaal, dan kom ik op verhaal. Het maakt mij tot getuige[9] van waar het vol van is. Het haalt mij erbij, maakt mij tot betrokkene. Het verhaal doet dat met volzinnen en woorden. Het heeft en is niets anders. De woorden zullen gewikt en gewogen moeten worden, tot in hun uithoeken en stille vermoeden. Wat brengen zij mee? Waar staan ze voor? En bovenal: hoe kunnen zij klinken? Oefen[10] de klank, de intonatie, de kleuren van je stem. Hoe passen de zinnen het best op je lippen wanneer jij het verhaal vertelt? Hoe komt de tekst voor dit gehoor tot zijn recht?

Bij b) de toehoorder.

De verteller maakt de toehoorder tot tijdgenoot van het verhaal. De luisteraar wordt meegenomen het verhaal in, krijgt de rollen van deze geschiedenis te spelen. Sympathie en antipathie, maar ook nieuwsgierigheid of het gevoel ‘dit is iets heel anders’ bepaalt hoe je instapt. In het verhaal kom je hetzelfde anders tegen. Onverwachte accenten, woorden, blijken mogelijkheden of vergrotingen. Zo verken je mogelijkheden voor het eigen, achteraf gezien steeds nauwelijks nog gekende, ik. Anderen vergaat het ook zo. Voor de toehoorder is het verhaal een uitstapje, een rondreis door of langs[11] waar je (nog) geen verhaal voor hebt, waar je geen deel van uitmaakt, waar woorden nog voor jou aan het licht moeten komen, waar je eerst proeven of proberen moet.

Buiten het verhaal om kun je niet vertellen wat het verhaal te vertellen heeft. Buiten het verhaal om heeft het verhaal geen tekst, geen verhaal[12].  Verhaal en verteller brengen de toehoorders bijeen, maken er zoiets als een volk[13] van. Iedereen maakt min of meer hetzelfde mee, ieder op zijn/haar eigen wijze, met haar/zijn eigen mogelijkheden en kwaliteiten. Verhalen kunnen mij woorden geven waar ik eerder sprakeloos[14] was.

Bij c) de verteller.      

De verteller gaat voor de toehoorders uit zoals het verhaal voor de verteller. Z/Hij moet heel de ruimte van de tekst verkennen, proeven[15]. Alles moet gedaan worden om de toehoorders in het verhaal binnen te laten komen en rond te laten kijken. Is Z/Hij geen geboren verteller, er kan op dit gebied veel geleerd worden. Behalve verteller kun je ook een geïnspireerde gids zijn. Je bent dan al eens binnen geweest, hebt ervaring met deze ruimte. Binnen de katechese mag de betekenis van die vertrouwdheid niet onderschat worden.

   De verteller draagt om te beginnen het gewicht van heel het verhaal. Wil of moet hij vertellen – tussen beiden kan best wel eens geen verschil zijn, zoals bijvoorbeeld bij de profeten[16] – dan is het verhaal zijn/haar opdracht. De verteller moet zichzelf tot een zo goed mogelijk instrument maken  Hij/zij moet alle akkoorden van het verhaal tot zijn/haar inzet maken. Alle geuren en kleuren van het verhaal moeten hun gang kunnen gaan, hun werk (als verhaal) doen in zijn/haar werk (vertellen). De verteller wordt zo lang het verhaal duurt, zijn of haar verhaal.

   Een verteller kan over deze kwaliteiten beschikken door zijn vertel- en verhaalervaring. Je moet eigenlijk zo vertrouwd zijn met het verhaal en met je toehoorders (een[17] van hen) dat je het publiek als een instrument kunt bespelen. Het luisteren (horen) van de toehoorders maakt de geoefende verteller tot verteller[18]. De akoestische ruimte opent, bepaalt de dimensies van het verhaal.

   Binnen de werkomschrijving voor katechese bepalen de verhalen de eigen optiek. Typerend voor de katechese zijn ‘de verhalen’. Welke verhalen?

   Met de verhalen wordt bedoeld: de verhalen[19] waarmee katholieken of christenen zich in de loop van de geschiedenis bezig houden. Christenen zijn mensen die met verhalen leven, verhalen over en verhalen van. Welke verhalen dragen dit? Welke verhalen illustratief zijn gebleken voor christenen[20] kun je lezen in teksten en afbeeldingen[21], horen in het theater, op de podia en op menig wit doek of grijs scherm. Zinsneden daaruit kom je tegen in het Nederlands en in heel de westerse literatuur. De bron van die verhalen wordt wekelijks en dagelijks vertolkt in en rond synagogen en kerken. Het is de bijbelse literatuur[22].

Interpreteren

Tussen de regels door traceren verhalen uit de bijbelse literatuur voor ieder die aan een half woord voldoende heeft, hoe wij[23] met elkaar, met onze wereld en met onszelf omgaan. Verhalen zetten sporen uit – latente elementen. Als poëzie, verbeelding of vermoeden spreken zij het onbewaakte van het aanvoelen aan. Het spoor is een bijproduct, een toegift, zo maar, herkenbaar in mensen en verhalen.  Mensen en verhalen bewaren[24] de tijd, levend en duurzaam.

Bijbelse literatuur brengt de verhalen terug tot elementaire vormen. Zij doet dit vanuit haar eigen kwaliteit. Zij kan dat ook, omdat elk verhaal alle verhalen veronderstelt. Een bijbelverhaal komt nooit alleen. Het brengt altijd andere verhalen met[25] zich mee, voorafgaande en volgende, of waar het aan doet denken. Nooit is er niets meer te vertellen. Altijd: “De volgende keer meer.” Daarom verliest een bijbelverhaal zich niet in psychologische of sociologische contexten. Het is gemakkelijk herhaalbaar, als een ritueel. Het reikt een basis aan, herkenbaarheid.

   Het verhaal deconstrueert de complexe structuren van menselijke verhoudingen en geeft er een zekere eenvoud aan. Leerprocessen gericht op herkenning, maken het geheel van de bijbelse literatuur in delen[26] toegankelijk. Zo wordt door het werk van de verteller herkenning en vereenzelviging[27], identificatie mogelijk. Identificatie brengt mij bij de tijd van het verhaal om mij daarna (als nieuw) terug te laten komen bij mij zelf.

   Bijbelse literatuur kan als iedere literatuur, vindplaats van mensen worden. Mensen en menselijkheid, herkenbaarheid, mededeelbaar maar ook kunnen zwijgen of besluiten niets te zeggen. Verantwoordelijkheid of verantwoordelijkheid mogelijk makend respect. Het is nogal wat, mens zijn op een aarde[28] van zoveel verhalen, onder de hemel[29]  van al die verhalen[30].

Voor-waarden

Basisplan 2000, het leerplan katechese en katechetiek op de Ipabo, veronderstelt dat je wilt leren werken met verhalen. Steeds weer als voor het eerst moet je leren kijken naar de wereld om je heen, naar de kinderen voor je. Je moet zelf kunnen luisteren naar wat je verhaal te vertellen heeft. Dat is een creatief proces. Het kost energie en tijd. Het verhaal moet voor jou een echt verhaal worden. Je moet in staat zijn met je toehoorders mee te luisteren naar jouw verhaal. Het basisplan gaat ervan uit, dat je dat al een beetje kunt en dat je dat ook aan het leren bent. Dat je de mogelijkheden van je stem verkent, de diepte en de hoogte, de volheid en het fluisteren. Ook de methodiek van een vakgebied als drama op de Hogeschool Ipabo zal je zeker helpen, de verteller in je aan te spreken. Het zou wel eens kunnen dat vertellen de grondvorm van de samenleving is, de basis en de inhoud derhalve ook van het onderwijzen. Is vertellen of luisteren niet een praktische en pragmatische invulling van gastvrijheid[31]!

   Het basisplan krenten in de pap gaat er ook van uit dat je ervaring hebt met kinderen tussen vier en twaalf jaar op de basisschool en dat je je verder ontwikkelt in het als leerkracht van een basisschool omgaan met kinderen van die leeftijd. In het begin speel je dat. De kinderen zeggen ook ‘juf’ of ‘meester’ tegen je. Daarna probeer je het, verken je je mogelijkheden en doe je het, je kwaliteiten en repertoire uitbreidend. En van proberen ga je naar plannen, anticiperen op, kiezen uit mogelijkheden, reflecteren op je ervaring, evalueren en leren van je ervaring en van de vraag en het aanbod dat kinderen zijn.

   Het basisplan gaat er van uit, dat jíj bezig bent met wat jíj nodig hebt voor je ontwikkeling als onderwijsgevende op een basisschool. Alles wat daarbij komt kijken en wat jij nodig hebt. Je moet verder ontwikkelen waar je goed in bent. Ook moet je actief gaan ontwikkelen waar je moeite mee hebt. Je moet leren je eigen creativiteit in te zetten in je als onderwijsgevende omgaan met kinderen. Dat alles veronderstelt dit basisplan.

   Aan alle ontwikkelde en te ontwikkelen kwaliteiten voegt dit leerplan toe. Er komt een boek bij, een oud, heilig, eindeloos gespeld en nog steeds niet of nauwelijks gelezen boek. Daarbij moet je heilig verstaan naar de betekenis die dit woord binnen de cultuur van het boek heeft. Het is afgeleid van het werkwoord heiligen. Heiligen is een werkwoord. Het betekent: apart stellen, onderscheiden, onderkennen, laten wegen, tot zijn recht te laten komen. Je begrijpt: in het bijbels hebreeuws is eigenlijk ieder mens heilig. Daarom moet je er alles aan doen om een goed onderwijsgevende te worden.

   Er komt een Boek bij. Dat zal moeten open gaan. Het zal laten zien wat het inzake humaniteit, het missen en het verlangen te vertellen heeft.

 


[1]

Een basisschool binnen een kleine gemeenschap op het platteland zal de kenmerken van die gemeenschap ook als school laten zien. Toch zal ook die school terdege beseffen dat de greep van de media de positie van die school binnen de cultuur en daarmee de cultuur en het programma van de school verandert. Ook deze school zal in de bepaling van haar onderwijs en opvoeding in toenemende mate dienen om te kunnen gaan met verschillen. Op een stadsschool of een school binnen een verstedelijkte kultuur zullen de kenmerken van die pluriformiteit ook binnen de school en in de katechese zichtbaar zijn.

Wanneer vandaag een school zich open wil stellen voor kinderen en ouders uit andere, minder vertrouwde culturen, dan mogen bestuur en team zich realiseren, dat het verhaal van Abraham bijvoorbeeld, niet toevallig te kenmerken is als een verhaal waarin gastvrijheid in alle opzichten een rol van doorslaggevende betekenis speelt. Daarmee hoeft de identiteit van die school niet ontkend of gerelativeerd te worden. Misschien zal zij zich anders presenteren.

De aanwezigheid van anderen maakt de vraag naar het eigene urgent. Waaruit blijkt dat? Wat kan en wil de school als katholieke, interconfessionele of oecumenische school voor kinderen en hun ouders betekenen? 

[2]

Denk aan het steeds te verwerken verleden. Denk ook aan vermeende autoriteiten die zich met vermeend gezag op vermeende waarheid beriepen om hun vermeende onderdanen te verplichten – zij, de autoriteiten, meenden daartoe het recht, ja, omwille van het belang van de hen toevertrouwden zelfs de plicht te hebben – ‘hun’ volk te verplichten tot hun vermeende, vaak in ieder geval religieus begrepen waarheid. Had het gezag niet het alleen-vertonings-recht wanneer het over de belangrijke dingen des levens ging? Denk buiten de psychologische contexten ook aan de gang van de geschiedenis van Europa (in en buiten Europees grondgebied). Rond het jaar 2000 realiseert de kerk zich dat haar geschiedenis niet enkel zegen is. De vraag na al die jaren is: hebben wij als kerk van dat verleden geleerd? Wat doen we met wat onze geschiedenis ons leert?

[3]

Hoe te duiden dat de Messias een heel ander verhaal is? Hoe laat je zien dat het, wanneer God koning is niet gaat over het obligate miskennen en klein houden van mensen? Hoe kun je uitleggen waar vrede voor staat? Wat betekent het dat de mens geschapen is, of geroepen? Hoe kun je zorgen delen, samen verantwoordelijkheid dragen en vieren over de grenzen van het vergeten of ‘uit je dak gaan’ heen?

[4]

Dit onderwerp (wanneer het over de Messias gaat, waarover gaat het dan?) klemt. Velen kunnen niet meer horen, welke roep er van het evangelie uit gaat. Waarom kunnen zij dat niet horen? De kwaliteit van de kerkelijke verhoudingen - het kerkelijke verleden speelt daarin een dramatische rol - is in deze bepalend. Het komt buiten de sfeer thuis en op school maar zelden voor, dat kinderen een milieu kunnen vinden waarin zij iets kunnen horen over waar de verhalen vol van zijn. Ouders willen best hun kinderen iets over deze dingen laten leren, maar zij weten niet wat. Dat is hun ook nooit geleerd.

De rol van de katholieke school aan het begin van het derde millennium is voor de kerk (volgens Vaticanum II ‘Gods volk onderweg’) belangrijker dan bijvoorbeeld een halve eeuw geleden. Of een nieuw kerugma, nieuw naar vorm, maar wellicht ook nieuw naar inhoud, een kans van slagen biedt of mogelijk is? Dat zal bepaald worden door de vraag, of de kerk meer  te bieden heeft dan zijn problematische zelf. Kan het bijvoorbeeld zichtbaar worden, dat mensen er niet enkel toe dienen dan ‘om toegesproken te worden’?

Met kerugma wordt verkondiging bedoeld. Kerugma is het antwoord op de vraag: waar gaat het eigenlijk over? Wat wil er verteld worden? Waar is het verhaal ‘van al zo hoge van al zo veer’ op uit? Kerugma leidt tot koinonia, gemeenschap, en nodigt uit tot diakonia, dienst. Deze drie kerntaken worden weergegeven met een grieks woord. Grieks is de taal van het zogenoemde Nieuwe Testament – het getuigenis opnieuw van het aloude verbond.

Kerugma, koinonia en diakonia zijn de drie traditionele taken van de kerk. Deze oude woorden zeggen: wanneer mensen er zijn voor elkaar, wanneer zij een beetje het gevoel hebben, bij elkaar thuis te zijn, dan ontstaat verbondenheid in de praktijk. Een woord als ‘dienst’ gaat over zoiets eenvoudigs als tot je dienst. Gemeenschap (koinonia) en dienst (diakonia) zoals dat zichtbaar wordt in een school kan men verstaan als het uitproberen van wat het betekent om een katholieke, christelijke school te zijn. Nergens buiten de Europese cultuur wordt de uitoefening van je werk etymologisch in verband gebracht met het werkwoord roepen, alsof je beroep een roeping is.

[5]

De term meer uitdrukkelijk is hier weloverwogen gekozen. Individuele en sociale vorming in de katechese zijn niet secundair of bijkomstig. Goede woorden – woorden/verhalen die ruimte bieden, die een begin mogelijk maken – boeken resultaat voor mensen en kinderen, individueel en als gemeenschap. Individuele en sociale vorming kan men, in het spoor van de verhalen, impliciete katechese noemen. De ander respecteren kan men kwalificeren als een humane en als een religieuze kwaliteit. Het menselijke en het religieuze leggen elkaar uit, leunen tegen elkaar aan, ondersteunen elkaar.

  Misschien proberen de verhalen een gehoor te creëren waarin mensen er mogen zijn, mensen, in alle personen van het persoonlijk voornaamwoord. Door het woord horen kom je bijbels gesproken in literair en cultuurhistorisch opmerkelijk gezelschap. Zie Deut 6,4.

[6]

Betekenis van een verhaal, betekenis van woorden. ‘Wat is de betekenis van een woord? Een woord is inderdaad een teken. Maar waarvan? Van een concept (‘begrip’), een voorstelling in ons brein, volgens De Sausure. Maar dat verplaatst eenvoudig het probleem. Is dat woord/concept ‘talig’ of is het ‘buitentalig’.  … De enige uitweg is de verwerping van het begrip ‘betekenis’ in de zin die de theorie daaraan gaf … Wanneer een taal een systeem is, dan hoeven we het systeem niet te verlaten; wij kunnen dat trouwens niet eens. Het is voldoende de plaats van ieder element te bepalen ten opzichte van de andere elementen. Waar het om gaat zijn zaken als opposities, identificaties, verbindingen, associaties binnen een taal en in het bijzonder binnen een tekst. … Hoe functioneert een woord/begrip te midden van andere woorden/begrippen. Hoe verbindt de taal het met andere woorden/begrippen.’ Rochus Zuurmond, De vertaler als theoloog en hermeneut, in Interpretatie, 7, maart(1999)pp. 14v.   

[7] Denk hierbij niet alleen aan het verhaal als vertelling, maar ook aan bijv. film.

[8] …  vertelling … een kunst van het spreken… Michel de Certeau, L’invention du quotidien I, Arts de faire, Nouv. Éd., Gallimard 1990, folio essais 146, p. 124.

[9]

In feite is dit de struktuur van bijvoorbeeld de eucharistieviering. Het basisverhaal is steeds: Jezus, die avond voor zijn lijden en dood. Hij neemt het brood en de beker en reikt dat zijn leerlingen aan. Hij zegt hen iets. In het verlengde van dat verhaal is de liturgie een heilig rollenspel. De aanwezigen gaan mee het verhaal in, worden (de) leerlingen. Studenten op de Ipabo speelden het in een open opdracht met de volgende woorden. Wanneer je een beetje begrepen hebt waar het mij om begonnen is, neem dan dit brood, deel het met mij en met elkaar en doe ook zo. Dit is mijn bestaan. Hier ben ik. Neem en eet … en drink.

[10]

Beperk je in het begin vooral tot de eerste regels. Lees die bijvoorbeeld met accenten op steeds weer een ander woord. Zo maak je het verhaal los van je eerste indruk. Kijk eens onder het woord verhaal of vertellen in het register van ‘Het geschenk van de woestijn. R.Deen, Fr. Houtzager, Een geschenk van de woestijn, Amsterdam: Echelon 1995.

[11]

Wanneer kinderen voor het eerst van hun leven in Parijs zijn geweest ... Nog lange tijd, en eigenlijk van nu af aan voor altijd, is Parijs Parijs! geworden. Alsof die stad iets eigens kan zijn, iets vertrouwds.

[12]

Buiten het schilderij heeft de schilder niets om te laten zien, niets gemaakt. Buiten de muziek is er van dit te vertolken opus geen noot te horen. Iemand vroeg Beethoven wat een sonate betekende. Beethoven ging zitten en begon opnieuw te spelen.

[13]

Binnen dit spoor kan men vele richtingen uitgaan. Enkele daarvan worden hier aangereikt.

a. Het Joodse volk met zijn feesten en verhalen. ‘Wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd’ wordt elk jaar met de viering van Pesach, het paasfeest, zo actueel als deze dag. De slavernij is een verzamelnaam voor het lot, mensen aangedaan die nog steeds nauwelijks, bijna niet, zelf kunnen leven omdat anderen vinden dat ze moeten bukken, krom staan, lasten dragen. Het exodusverhaal en het ongedesemde brood (matses) maakt de deelnemers aan de seideravond (de avond van het paasverhaal) tot mensen die bevrijd, verlost worden. Wat dat ook moge betekenen, steeds is het hoe dan ook een beetje concreet, zeker die avond. Al was het maar door een beetje oog voor elkaar te hebben en de ander er te laten zijn. Als je een ander een beetje de ruimte geeft, doe je als God in het verhaal van bevrijding en schepping. In het gedrag van mensen van vandaag blijkt dat oude verhaal springlevend, zo goed als nieuw, meer dan een flard herinnering.

b. Binnen het ritueel, de cultuur, is elk gebaar vaak een verhaal, een knooppunt en verzameling betekenissen. Het zijn steeds weer mogelijkheden om te vragen of om uitleg te geven als daar vraag naar is. Heel die struktuur van verhalen is onbewust of sluimerend. Steeds kan zij herkend worden, actueel blijken, nog meer betekenis blijken te hebben dan je eerst dacht, nog weer meer genuanceerd te zijn, nog rijker, voller, veelbelovender.

  Zo gezien geeft het verleden het apparaat om het heden en dat wat komend is te kunnen verstaan en blijken de eerdere ervaringen nog fundamenteler en veelzeggender. Ook: hoe goed ‘goed’ eigenlijk is moet je vandaag ontdekken. De ervaring van gisteren was gisteren, dat is voorbij. Het is niet meer. Vandaag is alles nieuw – als ik er bij ben in ieder geval voor mij.

c. Ook de beeldtaal (denk aan reclame) is de taal van een kort, duidelijk en compleet verhaal. Onopgemerkt, verborgen, doet zij in stilte haar werk. Zij spreekt alsof ze je eigen taal is, je eigen stem, je eigen, moeilijke, verlangen. Suggestief, liefst voorkritisch, geeft zij zich. Je hebt wat aangeprezen wordt nodig. Je hebt er toch ook recht op.

d. Liturgie: laos/volk, [:toergein:]/onderhouden. Het volk oefenen in volk-zijn.

e. Volk: hierbij moet je denken aan steeds concrete groepen. Dat kan een klas zijn, een dorp, een kerk, een gemeente, een fanclub, een politieke beweging. Duidelijk is, dat hier ook de minderheids- en meerderheidscultuur bij hoort. Ook bewegingen als:’Weg met …’ of ‘Du bist nichts, dein Volk ist alles’ – nazitaal. Binnen die groepen kan de kritische instantie belangrijk zijn. Daarom is het permanente leren zo belangrijk.

f. Denk aan de mogelijkheid van een verhaal als motivatie. Een verhaal kan kinderen de last van de dag gemakkelijk laten opnemen, motiveren voor het schoolse werk.

[14]

Bijvoorbeeld in de katechese, over de God van die verhalen en over zijn mensen.

[15]

Let op. Het verhaal is ook: het verhaal als ruimte, het verhaal als tijd. Het verhaal geeft mij een ruimte die ik buiten het verhaal om niet zou kennen. Zo ook de tijd. Wellicht is op deze manier ha olaam habah (de komende wereld, de wereld van de messias, van de vrede) soms ook nu al deel van deze wereld. Daarover gaat het sjebeth achiem gam jachad van Psalm 133, als broers en zussen ook één te zijn – bij wijze van spreken steeds. 

[16]

Uitleg van de Tora.

[17]

Met Kerstmis bijvoorbeeld wordt het verhaal van die ene het verhaal van allen. Is het vrijblijvend, de vrede enkele uren te laten duren?  Is het vrijblijvend, of een wonder?

[18]

Ook een goed ‘les’ in de ‘praktijk’ is het gevolg van de samenwerking van student en groep. Wanneer je als praktijkbegeleider zegt, dat het een goede les was, dan zegt menig student onmiddellijk: ‘De kinderen deden ook zo goed mee!’

[19]

Verhalen zijn vertellingen. Ook de geschreven teksten (bijbel, rol, later boek) zijn alleen geschreven met het oog op de vertolking, het voorlezen, reciteren. Maar zo je wilt: ook gewoonten, gebaren, gebruiken, rituelen en afbeeldingen, zelfs woorden zijn vertellingen. Je kunt vragen naar de bedoeling ervan, de betekenis, oorsprong of zin. Een heel verhaal zal je tot antwoord (verantwoording) dienen.

Een kleuterboek dat de waarde van verhalen goed illustreert is het boekje van Leo Leonni, Het muisje Frederik.

[20]

Het woord christen wordt hier bedoeld in de zin van leerlingen van de Messias. Messias is de Griekse verbastering (opgenomen in het Nederlands taalgebruik) van het Hebreeuwse M’sjiach. Het is een technische term. Hij betekent: Gezalfde. Daarmee wordt de koning bedoeld. Het hebreeuwse M’sjiach wordt in het Grieks vertaald met Chrèstos. In het Latijn is dat Christus geworden.

[21]

In beelden en beeldjes, in fresco’s, schilderingen, glas-in-lood ramen, in gebouwen, mozaïeken, tapijten en in lichaamstaal.

[22]

Wanneer je voor je gevoel te weinig van bijbelverhalen weet: het is niet moeilijk dit tekort in eerste instantie bij te werken. Neem ‘Woord voor Woord’ (K.Eijkman) of ‘Dromen van vrede’ (Bouwhuis, Evenhuis). Wie wil kan zich daarna verder oriënteren. Nog zijn er (mensen? boeken?) die de wereld van deze cultuur kunnen openen.

[23]

Dit is een democratisch meervoud. Wie zich betrokken voelt mag meedoen. Open.

[24]

Zij bewaren wat gebeurd is en gebeurt. Verhalen sterven niet zolang iemand zich herinnert. Zij maken het verleden en de verwachting, tot bestand van het heden. Het duidelijkst zie je dat bij feesten. Met Kerstmis wordt Jezus geboren. Vanuit dit korte verhaal kun je reflecteren over zoiets als een begin. Wat is het dragende beginsel van dit begin? Waar komt de aanspraak vandaan? Wat is de oorsprong van de betekenis? Waar is zij op uit? Waar wil zij ons hebben?

[25]

Bijvoorbeeld: Jezus gaat naar Jerusalem. Bij zo’n verhaal willen steeds andere verhalen over Jezus en over Jerusalem mee verteld worden. Wie is dat, die Jezus? Wat is dat, Jerusalem? Hoe en waarom zou je naar Jerusalem gaan? Jerusalem staat bekend als de plaats waar iemand vraagt: Vriend, waartoe ben je gekomen? Het is ook de plaats waar stenen (tafelen) kunnen spreken. Zoveel verhalen. Bijvoorbeeld over David die naar Jerusalem gaat. Of over Abraham die volgens de traditie naar de berg Moria, dat is Jerusalem gaat (zie 2 Kronieken 3,1). Het verhaal Jezus gaat naar Jerusalem draagt dus ook verhalen aan over de Tempel in Jerusalem. Dus ook over Salomo, de zoon van David. Dat om te beginnen klinkt allemaal mee wanneer Matheus schrijft: ‘Boek over de genesis van Jezus Messias, zoon van David, zoon van Abraham’ (Mattheüs 1,1).

  Moet dat allemaal aan kinderen verteld worden? Waarom moeten? Wat moet doe je vanzelf zolang het duurt. Maar deze verhalen mogen verteld worden zolang er vertellers en hoorders zijn. Verhalen brengen je op het spoor van mensen en wat hen tot leven strekt. Alles wat nog verborgen is komt in verhalen aan het licht. In talen en tasten, proberen, verstaan en delen. De verteller moeten kunnen vertellen. Daarom moet z/hij ook een vermoeden hebben van de competentie van de verhalen en van een zekere volgorde. Je kunt niet alle verhalen tegelijk vertellen. Het aanreiken gebeurt op basis van een te verantwoorden selectie. Zo zijn kinder- of anderszins sterk vereenvoudigde bijbels ontstaan.

De verhalen beogen mensen en kinderen, Ze maken ons verleden groter dan alleen de eigen herinneringen. Zo lang het goede verhaal duurt, zo lang kunnen wij, vertellers en toehoorders in dit goede verhaal geloven.

[26]

Het geheel van de Bijbelse Literatuur bestaat waarschijnlijk niet. Nooit is het geheel present, representeer- of totaliseerbaar. Daarom wordt het steeds in delen aangeboden. Deconstructie is ook constructie. Al die verhalen horen bij elkaar, met hun verbindingen. De procedure lijkt gecompliceerd maar is het niet. Denk bijvoorbeeld aan: hoe leer je een stad kennen? Amsterdam bijvoorbeeld. Dat zal toch ook gaan via Monopolie (Kalverstraat, Leidse straat), Schoppenaas (de Beurs van Berlage of Haarlemmer Poort), de televisie op 4 Mei en menig bericht in de media. Ook de duiven op de Dam en Rembrandt onverstoorbaar op zijn plein, met of zonder mensen op de terrassen: dat alle hoort daar bij. En dan hebben we het nog niet eens gehad over het Leidse Plein, de Oude Kerk of Anne Frank voor de Wester, of de Jan Tooropstraat.

Binnen het steeds amorfe geheel (Amsterdam bijvoorbeeld) worden namen genoemd, plaatsen aangewezen, verhalen verkend en herinneringen opgehaald. Het geheel wordt steeds concreter, groter. En alles wat wie dan ook herkent, beschrijft die stad, dat boek, en geeft impliciet ook autobiografische connotaties aan van de toegesprokene of de verteller. Dat autobiografische is ook relevant voor anderen, want het speelt zich af voor het aangezicht van de anderen. Iedere betrokkene is steeds concreet betrokken. Al die verhalen kunnen verteld worden. Kunnen. Het moet niet. Amsterdam is steeds groter dan alle verhalen.

[27]

Denk aan identificatie en imitatie. Deze struktuur gaat terug tot bijv. Gen 1: beeld en gelijkenis. Dat wil zeggen om te doen als. Het is de struktuur die eigen is aan ieder goed verhaal. De presentatie neemt je mee, maakt je tot deelgenoot. Bij de joodse paasviering bijvoorbeeld vertelt degene die de maaltijd leidt over slavernij en bevrijding. Hij moet echt vertellen. Dat wil zeggen: hij moet er iets uit zijn eigen ervaring bij doen, dat voor hem slavernij en bevrijding concreet, persoonlijk beleefd maakt. De gasten aan de paastafel eten van de maror (het bittere kruid) en de charoseth (het zoete bijgerecht van appel, rozijnen, honing en kaneel dat door zijn kleur doet denken aan de klei waar de slaven tichelstenen van moesten maken) en luisteren naar het aloude exodus-verhaal. Ze komen met vragen, suggesties, associaties of matigen de ernst van het gesprek met een geintje. Ontspanning maakt spanning mogelijk.

  Allen aan tafel kunnen zich verplaatsen in de ervaring van de verteller. Door zich te identificeren met de verteller, identificeer je je met zijn verhaal.Zo wordt het verhaal over bevrijding jouw verhaal. Na de paasmaaltijd weet je uit eigen ervaring: wij waren slaven in Egypte en hij heeft ons bevrijd.

(Iedere generatie moet zichzelf beschouwen als bevrijd uit de slavernij – opnieuw, nu van omhoog, uit verhalen geboren. Vgl bijv. Jo 3. Nicodemus begrijpt niet hoe dat kan, opnieuw geboren worden. Hij moet leren dat je van omhoog, uit de verhalen geboren kunt worden.)

[28]

De ‘aarde’ is de plaats van de mens, de plaats waar de mens mens kan, moet en zal zijn, hopelijk ook is. Dit gaat zo ver, dat soms de aarde ook synoniem is voor ‘de mens’.

[29]

De hemel is minder betwist. De hemel – steeds in verhalen - is ‘de plaats van God’. Je begrijpt: waar God de dienst uit maakt is alles goed geregeld. Zo is de hemel blauwdruk, plan voor de aarde. Let wel! Voor ‘ons’ gevoel liggen hemel en aarde zeer ver uit elkaar. Voor de bijbelse vertellers zijn zij elkaars buren, horen zij vanaf Genesis 1, het zeven dagen verhaal, dank zij Gods scheppen bijeen als het eerste paar, de eerste vertolking van het geheim dat het verbond is.

[30]

Het hoeft geen betoog dat ook daarmee een bijbelverhaal begonnen is. Genesis 1 bijvoorbeeld, de aanhef over het verbond tussen hemel en aarde, vertolkt in woorden die men weer kan geven met parafrasen als: ‘wanneer God begint met zijn scheppen…’ Maar voordat je je de vrijheid van die omschrijving aandurft zul je iets moeten weten van de hoed en de rand, zul je je een beetje thuis moeten weten in de marge van bijbelse literatuur. Behalve de streepjes die jij daar gezet hebt is die altijd wit.

[31]

Bij gastvrijheid zijn de rollen en afspraken duidelijk. De onderwijsgevende is de gastheer of gastvrouw. Let wel: ook een groet is een verhaal, lijst het gebeuren hier en nu in, vertolkt het, legt het uit, doet het plaats vinden. Over verhalen gesproken: Abraham is echt Abraham in het verhaal over de gastvrijheid. Abraham wordt genoemd: de vader van de gelovigen.


 

3. Het plan

Om te beginnen

Je bent naar de Hogeschool IPABO gekomen. Je bent gekomen en je bent blijven komen. Blijkbaar past de hogeschool bij de voorstelling die jij je maakt wanneer je peinst over: Hoe wordt ik een goed onderwijsgevende? Tijd, energie en geld maak je vruchtbaar in moeite en zoeken, in beschikbaarheid, loyaliteit en inzet. Dat doe je voor jezelf. Je bent het ook verplicht tegenover degenen die samen met jou studeren of degenen die jóu, samen met anderen, op weg helpen, adviseren, uitdagen. Je bent het ook verplicht aan kinderen van de basisschool die jouw kinderen zullen zijn, - ook al blijkt dat achteraf steeds maar tijdelijk [1] .

   De wijze waarop jij je verantwoordelijkheid interpreteert blijkt uit je zoeken naar wat goed is of het beste. Dat maakt je bespreekbaar in verslagen en werkstukken. In die teksten maak je je bedoelingen en keuzen toegankelijk, probeer je varianten, zoek je alternatieven, ga je na wat er gebeurd is en overpeins je hoe het de volgende keer eventueel beter of anders kan. In de beschrijvingen zal blijken dat jij en wij in toenemende mate meer van je vragen. Je inzichten, vaardigheden en dus ook je verwachtingen, criteria groeien. Bij die vragen moet je denken aan vragen als: waarom gaat het bij mij (in de praktijkschool) zoals het gaat? Zijn er motieven, kapstokken, zaken die terugkeren, vaste punten, vragen? Bijvoorbeeld: ik merk dat ik best moeite heb met vertellen. Hoe kan ik daaraan werken en beter gaan vertellen?

Jij bent in je leerproces om te beginnen waarschijnlijk een beetje lijdend voorwerp. De dingen overkomen je. Maar dat verandert. Steeds meer ga je initiatief nemen, wordt je mee-werkend of onderwerp, actief en betrokken. In alle personen van het werkwoord neem je deel aan je onderwijs en vorming.

   Steeds meer ga je zelf een actieve tot zeer actieve rol spelen in je eigen leerprocessen. Zelf ga je ontdekken, wat het voor jou betekent, een goed onderwijsgevende te zijn. Uiteraard leer je samen met anderen (medestudenten, mentoren, docenten, Ipabo en praktijkscholen). In individueel en sociaal gedrag kom je jezelf als aanstaande onderwijsgevende op het spoor.

Waarom legt dit basisplan zoveel nadruk op jou, de student? Het lijkt wel alsof je bijzonder bent. Dat is ook zo. Jij zult nu en later kwaliteiten hebben, dingen kunnen, of om kunnen gaan met kinderen op een manier die alleen jij kunt. Jij bent bijzonder - bijzonder staat tegenover algemeen. Algemeen wil zeggen: één uit velen of waar er zoveel van zijn. Een mens is ondanks alle meten met gemene maten toch een uitzondering. Iedere mens is een schepsel Gods, een schepping apart. Apart, uniek, uitzonderlijk. De nadruk op tal van hedendaagse verschijnselen [2] in cultuur en onderwijs wordt zeker mede gedragen door de katholieke, christelijke of bijbelse traditie [3] . En er is meer.

   Alleen door meer ik te worden kunnen wij meer wij worden, wij samen, als studiegroep, als klas, als school, tot en met als samenleving. In de dagen van het grote verdriet over zoveel mateloos en onzinnig geweld zou dat betekenis kunnen krijgen.

Op de hogeschool Ipabo ga jij de modules voor katechese/katechetiek volgen. Daartoe zijn enkele uitgangspunten geformuleerd. Zij willen je aanreiken, effectief te studeren.

Uitgangspunten

1. Je hebt om te beginnen globaal een idee van je eigen inzicht in wat het vakgebied katechese van je gaat vragen. Dit idee zal gedurende je opleiding meer concreet worden. Je zult je oorspronkelijke ideeën bijstellen, verder toespitsen, beter kunnen verwoorden en verantwoorden. Je zult ook steeds gemakkelijker kunnen zeggen waar het over gaat, waar we mee bezig zijn en waarom we dit zo doen. Het is best belangrijk dat je kunt verwoorden wat katechese op de basisschool is.

2. Je hebt voor zover dat in jouw vermogen ligt, een open houding. Dit blijkt uit de wijze waarop je tijd en zorg besteed aan je studie, je verslaggeving en aan de ontwikkeling van je vermogen om vragen te stellen (horen,  reflecteren, ijken, ordenen en toetsen van eigen inzichten).

3. Wanneer je het gevoel hebt dat je als student(e) niet voldoende ‘veilig’ kunt zijn wie je bent, bespreek het met studiegenoten of neem contact op met de docent. Je studie is te kostbaar om met minder dan goed tevreden te zijn. Het gaat over jou, als student(e) en als aanstaand onderwijsgevende, voortdurend verantwoordelijk voor kinderen.

 

Regelmaat

1. Je bent bij individueel en groepsgebonden leren (studeren, verwerken, plannen, uitvoeren, toetsen en evalueren) van de diverse onderdelen van het leergebied bereid aan te geven hoe je werkt en waarom zo. Steeds opnieuw weer ben je bereid je in te zetten. Waarom? Simpel: zonder jou gaat het niet. De diverse aspecten van je studie katechese kun je voorlopig en steeds beter benoemen. Hierbij kun je denken aan kennis (bijbelse literatuur, centrale verhalen, namen en woorden, je kijk op en begrip voor zich ontwikkelende kinderen, hoofdstromingen in de cultuur, ook de cultuur van het onderwijs) en vaardigheden (ordenen, omgaan met taal en creativiteit, reflecteren op je eigen leerervaringen en die van anderen). Steeds wil je als het ware opnieuw beginnen, bij de tijd tegenwoordig en dus creatief zijn, ontdekken wat je inspireert en wat je inspiratie tot inspiratie [4] maakt.

2. In regel is er tijdens het college altijd een onderbreking. Je kunt altijd een korte feedback geven of een afspraak maken.

3. Minstens een keer per 14 dagen reflecteer je op een persoonlijke wijze (in journaalvorm) op de eigen concepten, vaardigheden, attituden. Je streeft daarbij minder naar afgerondheid en totaliteit dan naar intensiteit en betrokkenheid. Anders gezegd: je geeft geen uitgewerkte, afgeronde beschrijvingen maar meer aanzetten, korte overwegingen, constateringen, aandachtspunten [5] . Je sluit deze fragmenten reflectie steeds af met één of twee opmerkingen die in de richting van eigen leervragen gaan. Deze teksten hebben een min of meer persoonlijk karakter en zullen als zodanig gerespecteerd worden. Het katechetisch journaal is een middel om je bij de les, of de vinger bij de pols te houden. Je begeleidt daarmee je eigen je eigen studie en ontwikkeling voor dit vakgebied. Wanneer in je schrijven eenzelfde probleem min of meer regelmatig terug komt, dan moet je het bespreken. Je kunt het rechtstreeks of zijlings voorleggen aan een ander, of aan de docent.

4. Gedurende je studie op de hogeschool Ipabo staat centraal dat jij wil leren. Dit leren maak je toetsbaar in de individuele en gezamenlijk gemaakte teksten. 

Alle teksten bewaar je in een map. Na verloop van tijd breng je hier een zekere ordening in. Deze map heb je bij iedere tussentijdse evaluatie bij je, ter inzage. Op aan te geven tijden sluit je een gedeelte van je opleiding af met een schriftelijke evaluatie.

5. Op de af te spreken datum lever je een en ander tegelijk met je katechetisch journaal in. Tijdens een korte nabespreking worden je vorderingen vertaald in studiepunten, voorzien van een waardering

 

Tijd en taak

Alles wat we minimaal moeten doen is zodanig verdeeld dat een leerplan mogelijk wordt. Voortdurend moet je met alles bezig zijn, maar dat werkt niet. Daarom is de leerstof thematisch exact aangegeven, gegroepeerd rond enkele woorden of verhalen. Op die manier groeit voldoende zicht op het geheel van de bijbelse literatuur zonder deze uitgebreid of oppervlakkig te presenteren. Ook het eigen kunnen en groeien komt hanteerbaar binnen perspectief. Daartoe zijn steeds accenten gelegd. Binnen 2 tot 4 modulen moet je in staat zijn eenvoudig katechetische materiaal (lessen of series) te ontwerpen. Vanuit die kennis en ervaring kun je waarschijnlijk ook verantwoord gebruik maken van bestaand katechetisch materiaal.

   Bij elke beschrijving zijn nogal wat vragen geformuleerd. Ze geven mogelijke accenten aan. Het is niet de bedoeling dat je die vragen beantwoord. Zie ze maar als de joker in het kaartspel. Op zich betekenen de vragen niets, maar tijdens je werk kunnen ze vele betekenissen krijgen en overal voor staan. Tua res agitur: het gaat om jou. Kies niet steeds dezelfde vragen. Wissel van vraagstelling. Probeer verder te komen dan enkel een herhaling van zetten.

 

Propedeuse

Tijdens de propedeuse zal de verantwoordelijkheid voor je leren zich meer richten op je eigen plaats, je studeren en leren op de hogeschool en in de praktijk. Dat betekent: verkenning, situering, kennis maken met, eerste informatie en eerste uitproberen van recent verworven kennis en vaardigheden in de praktijk.

   Gedurende deze periode (P-Ka-1a) oriënteren de colleges katechese zich op: werkomschrijving van het vakgebied, inleiding bijbelse literatuur, verkenning Genesis, Exodus, Passie en Pasen, eerste verkenning van het praktisch bezig zijn op de basisschool. Deze eerste oriëntatie is algemeen, meer gericht op de moeilijkheden en mogelijkheden van het werken met een groep kinderen. Je probeert iets uit, heel klein nog, een deel van een les of het werken met een kleine groep. De colleges katechese beginnen tweede helft van het eerste jaar. Je hebt je eerste stageperiode al achter je.

Het leren reflecteren op het eigen onderwijsgedrag en het verhelderen van het subjectief concept [6] maak je bespreekbaar door middel van een tekst. Je schrijf een kort essay over kinderen, de werkelijkheid en de verhalen. Maak daarbij onderscheid tussen het jonge kind en het oudere kind. Je bron is je eerste stageperiode (herinnering) en de stage die je nu doet. Praat met enkele kinderen over verhalen en wat daar aan of mee is. Gebruik woorden van kinderen om je verhaal te concretiseren. Eventueel: wat betekenen vragen van kinderen en hoe gaan volwassenen daarmee om [7] .

   Streef in de teksten die je schrijft regelmatig opnieuw naar het concrete van de directe observatie en interpreteer de weg die je gaat. Het is jouw persoonlijk leerproces. Let wel: aan het begin van je opleiding kunnen ook de antwoorden op die vragen niet verder gaan dan het begin.

 

Als hulpvragen kun je peinzen over de volgende kwesties. Maak je eigen bloemlezing. Wat zijn de ervaringen waar je van leert? Heb je het gevoel dat je een beetje zicht begint te krijgen op jouw leervragen? Beginnen zich ook eerste antwoorden af te tekenen? Bijvoorbeeld: als kinderen zo spreken, zien, blijken te denken, wat doen verhalen dan voor kinderen? Hoe moet ik gaan leren vertellen? Zijn er themata die wat meer toegankelijk beginnen te worden? Welke woorden denk je zijn binnen dit vakgebied functioneel, inspirerend, bieden ruimte?

   Met name aan het begin van je opleiding lijkt het belangrijk dat je zicht krijgt op je eigen veranderen. Wat is nieuw voor je? Wat begin je te begrijpen, te kennen, in te zien? Waarom is dat belangrijk? Wat je weet, kent en kunt is voor jezelf vanzelfsprekend en natuurlijk [8] . Je hebt van dag tot dag de indruk dat je nauwelijks verandert. Vanuit het beheersen van de situatie ontstaat de neiging om altijd vanuit veiligheid, vertrouwd terrein te gaan werken. Wat je kent brengt zoveel onrust of onzekerheid mee. Met welke studieuze zaken ben je nu als vanzelf bezig terwijl je daar eerder nooit aan gedacht hebt?

   Katechese [9] blijkt steeds meer een nog te ontginnen gebied. Waarheid in de zin van feiten zijn hier niet uit voorraad leverbaar. Altijd ben je bij een begin. Zet je het katechetisch vuur wat lager, dan wordt het wat gemakkelijker. Maar een vuur dat nauwelijks brandt is nauwelijks vuur, het verwarmt niet.

Voor een studerende kan het belangrijk zijn, vertrouwd te zijn met leven in onzekerheid, leven in groei. Je moet ervaring opdoen met het overtrekken van grenzen, het op zoek gaan naar het nog niet gekende. Als het over onderwijs en opvoeding gaat, en kinderen, leren – wat boeit je dan? Wat zou je verder willen uitzoeken? Wat zou je beter willen kennen of kunnen? Waar zou je meer feeling voor willen krijgen? Waar trek je de grens van niet naar wel over? Welke vragen bijvoorbeeld kon je eerst niet en nu wel beantwoorden? Vanuit het gevoel van leren blijf je ook dicht bij de kinderen. Het leren betekent ook voor hen confrontatie met het nog niet gekende. Ook daarin gaat de onderwijsgevende hen voor.

   Zeker aan het begin moet je zorgvuldig je eigen leren volgen. Waar groeit je repertoire? Wat zou je verder moeten weten/kunnen/kennen? Het gevoel van onveiligheid zou uit het onderwijs moeten verdwijnen. Stel je voor dat ik het niet weet. De wereld is veel groter dan mijn begrip. Het is trouwens  belangrijk dat je je realiseert dat je niet alles kunt, en zeker niet hoeft te weten en te begrijpen. Alles bestaat niet. En als het wel zou bestaan, dan zal vrij snel blijken dat alles meer omvat. Katechese studeren op de hogeschool Ipabo  betekent een gesprek beginnen en leren mee te praten, met/over de leerstof, met en over, ten dienste van kinderen op de basisschool, de basisschool zelf, je medestudenten, je studiegroep, tal van situaties met zoveel docenten van de opleiding, en zeker ook met je docent katechese/katechetiek. Dat gesprek zal over tal van kwesties gaan. Rode draad daarbij blijkt binnen het vakgebied katechese/katechetiek steeds weer het geheel van de verhalen [10] waar christenen mee leven en die zij proberen op het spoor te komen.

In de tweede helft van de eerste module (P-Ka-1b) ga je meer zelfstandig met de aangeboden literatuur aan het werk. Het wordt een opdracht in groepswerk die zich concentreert op Abraham, Isaäk en Jacob. Waar staan die namen voor? Op het spoor van welke thematieken willen die verhalen je hebben. Welke themata helpen op het spoor van die verhalen te komen [11] ?

   Let op. Je levert niet een verhaal in, bijvoorbeeld over Abraham. Geen uitreksel. Dat is er al. Zie kinderbijbels. Voor het maken van de opdracht, het gaat over zelfstandige en groepsgebonden werk, bestudeer je steeds 2 à 3 pagina’s literatuur uit de Reader Alef.  Je mag het bestuderen zoals je wil, maar je moet iedere keer 3 of 4 woorden over houden. Woorden die blijkbaar belangrijk zijn, of zinvol. Vergelijk jouw lijstje met dat van anderen binnen je groep. Maak een gezamenlijk (groeps-) lijstje [12] . Daarna de volgende 2 tot 3 pagina’s. Als alles klaar is maak je een of twee suggesties voor lessen. Daarin komt aan de orde het (gedeelte uit het) verhaal, het (hefboom-) woord en de kinderen. Suggesties. Geen uitgewerkte lessen.

Methodische aanwijzing - werken met bijbelverhalen

Je moet je geen samenvattingen maken. Je mag ze natuurlijk voor jezelf samenvatten, als een geheugensteun. Maar die samenvatting hoef je, bij wijze van spreken, niet in te leveren. Wanneer je perse iets van het verhaal wil opschrijven, neem dan bijvoorbeeld de eerste regels. Wanneer je het begin min of meer kalligrafisch overschrijft, -  zo dicht mogelijk bij de tekst blijvend maar eventueel wel met eigen woorden,  - schrijf je als het ware voor jezelf het verhaal open. De ruimte van de tekst gaat leven, wordt meer (de aanhef van) een verhaal, jouw aanhef voor jouw verhaal.

   Samenvattingen vatten niets en zeker niet samen. Het zijn hoogstens geheugensteuntjes. Houdt die dus kort. Wanneer je met een verhaal wil gaan werken mag je je om te beginnen best laten leiden door een kinderbijbel. Daarna ga je studerend lezen: de tekst uit de grote mensen-bijbel. Vervolgens loop je met behulp van de informatie in reader Aleph de tekst opnieuw door. Je noteert enkel woorden uit de tekst die er toe doen of waarden, aandachtpunten waar de uitleg of inleiding [13] (reader) je op wijst of aan doet denken. Vertaal ze in woorden die vandaag typerend of passend zouden zijn. Noteer daarbij je aanvullingen: begrippen, ideeën, beelden, suggesties, associaties, referenties. Zo ontstaat een werkblad [14] als brainstorming. Het wordt bijbels studiemateriaal dat jij verderop in je opleiding kunt verwerken tot katechetisch materiaal. Het kunnen voor jou bouwstenen [15] worden.

   Welke verhalen of fragmenten te midden van anderen vind jij belangrijk, welke woorden te midden van andere woorden? Weet je waarom? Wat jij zinvol of belangrijk vindt, vinden anderen dat ook? Het zal je niet verbazen dat jij toch je eigen voorkeuren hebt. Kun je er achter komen waarom jou intrigeert wat jouw aandacht heeft? Kun je bescheiden onderwijs-opzetjes bedenken waarin je met deze gegevens uit de voeten kunt? Hoe vertaal je zo’n woord in kindertaal? Hoe zou het voor kinderen (welke) betekenis kunnen krijgen [16] ?

Gedurende je propedeuse werk je één keer per veertien dagen, (drie keer per blok, de derde keer ook evaluerend) aan je katechetisch journaal. Je doet dit in een apart, regulier schoolschrift [17] . Het hoeft niet zo leesbaar te zijn. Niet te veel peinzen. Denk even na en schrijf dan ongeveer 20 minuten. Een opname van het moment. Eventueel concretiseren, of een paar strepen ergens onder zetten. Probeer op het spoor te komen van iets dat voor jou als a.s. onderwijsgevende van vitaal belang kan zijn.

   Na het laatste college van ieder blok colleges werk je aan reflecteren in aanzet, een persoonlijke [18] oefening in het formuleren van je eigen kennen en kunnen en het oppakken van jouw persoonlijke leervragen met voorbeelden [19] . Dit journaal lever je op de eerste werkdag na het laatste college van de module in – wanneer tijdens het laatste college geen andere afspraak wordt gemaakt.

   De kwaliteit van je werk kan er aanleiding toe geven dat de docent je oproept voor een gesprek. Wanneer je eigen evalueren daar aanleiding toe geeft mag je ook zelf een gesprek aanvragen. Maar eerst schrijven, dan praten, tenzij wanneer het niet anders kan.

Hoofdfase

Gedurende de hoofdfase zal je opleiding in toenemende mate meer een eigen leerweg worden. De aandacht voor het bijbelse materiaal (nu in de richting van exodus, evangelie en profetische literatuur) zal meer betrekking krijgen op pedagogische en didactische mogelijkheden van dit materiaal en de toegankelijkheid daarvan voor kinderen op een basisschool.

   Gedurende de propedeuse ligt het accent op kennismaken met. De opdracht rond Abraham, Isaak en Jacob richtte zich op het verzamelen van woorden, ideeën, beelden die de verhalen (meer objectief) meebrachten (ook voor jou, meer subjectief). Deze manier van werken ontwikkel je verder, maar er komt iets bij. Per vier woorden maak je van twee woorden een kwestie. Wat doen de teksten met die woorden? Wat roepen ze op? Waarom zijn ze belangrijk voor mij (a.s. onderwijsgevende) of voor kinderen? Wat uit de kinderliteratuur (ook film, video, liederen) sluit hierbij aan? Bij module H-ka-1 ligt het accent nog niet op het maken van eindproducten, lessen die klaar zijn. Nog is het verkennend. Bij die verkenning situeer je de bijbelse literatuur in onze (ook onderwijs-) cultuur. H-ka-1a over exodus. H-ka-1b over Mattheüs 1-2 en Lukas 1-2 (kerstmis) en bevat een klein zelfstudie-programma over het bijbelse koning-zijn.

   H-ka-2 gaat over Markus. Gedurende de eerste colleges van H-ka-3 zal ruimte vrijgemaakt worden om kennis te maken met de opzet van katechese op de basisschool vanuit de begeleiding door de districtskatecheten. Er wordt naar gestreefd, deze informatie door de begeleidende katecheten zelf te laten geven. Daarnaast zullen enkele colleges besteed worden aan capita Nieuwe Testament. Tegelijk begin je aan concepten voor afstudeerprojecten. Informatie over deze opdracht vind je in de laatste alinea van deze tekst over de  hoofdfase.

Je werkt meer individueel of als individu binnen of voor een groep. Je hebt duidelijk een eigen inbreng in de activiteiten van je werk- of studiegroep. Werken in werkgroepen wordt in toenemende mate belangrijk. Het werken in het basisonderwijs zal blijven vragen naar kwaliteit, betrokkenheid, flexibiliteit en kunnen samenwerken.

   Gedurende de hoofdfase dient de intertekstualiteit [20] van de bijbelse literatuur meer toegankelijk te worden voor onderwijs-leersituaties. Je krijgt meer kijk op de plaats van deze literatuur in onze [21] kultuur. Je moet leren en geleerd hebben, verhalen, thematieken, beelden en woorden te vertalen in andere verhalen en situaties [22] . De opmerkzaamheid en het lerend vermogen van kinderen moet jij een plaats kunnen geven binnen het rijke klimaat van talen en verhalen, van woorden en beelden, gevoelens en begrip. Taalontwikkeling, ontwikkeling van creativiteit en kinderen leren vragen [23] te stellen gaan in deze fase van je studie steeds meer punt van voortdurende aandacht worden. Nabij en op respectvolle afstand, word je getuige, (betrokkene, zij het meer professioneel en geschoold) partijgenoot in het groeiproces van het zich ontwikkelende kind [24] .

De lessen zijn vraag- antwoordcollege. Je bestudeert vooraf de opgegeven stof uit de reader, formuleert enkele vragen. Gedurende het college worden de vragen ter sprake gebracht en worden antwoorden gezocht door de groepsgenoten. De docent is gespreksleider, probeert vragen en antwoorden te verhelderen indien dit nodig of nuttig mocht zijn. Eerst zelf proberen.

   Gezien de werkwijze wordt het een normale zaak dat studenten materieel met hetzelfde bezig zijn terwijl de inzet, de werking en de (steeds voorlopige) uitkomsten van het leren verschillend is. Omdat het groepswerk – voortdurende ontmoeting met anderen –  beslist inspirerend is, moet je het werken van de groep regelmatig evalueren. Omdat ieder mens je op een andere wijze inspireert, ziet de docent het liefst, dat je ieder blok (5, 6 en 7) in een anders samengestelde groep werkt. Bevordert dat niet ook de zakelijke kant van het werken?

   Naast een zekere constante tekenen zich in de verslaggeving, planning en verkenning een zich ontwikkelende flexibiliteit en creativiteit af. Identiteit is een kwestie van veel variatie. Dat moge duidelijk zijn. De praktijk vraagt dat.

Werken aan de ontwikkeling van reflexief vermogen dient zich te oriënteren aan een zich ontwikkelende gevoeligheid voor en toegankelijkheid van situaties in de praktijk. Jouw vraag als onderwijsgevende kan zoiets worden als: hoe kan ik in de katechese deze (steeds concrete) kinderen veiligheid bieden? Hoe kan ik met het geduld van de wijsheid, hun groeien stimuleren? Hoe kan ik hen in alle bescheidenheid maar met de kennis en vaardigheid van een professioneel geschoolde, helpen een plek te vinden, de draad van hun leven (een beetje, weer, toch – kortom met alle denkbare en mogelijke modaliteiten) op te pakken? Tegelijk dient het bezig zijn met de vragen van mensen en kinderen van vandaag, zich te spitsen aan en in het herkennen van verhalen, woorden, beelden en concepten uit de bijbelse cultuur. In de ontmoeting met het andere ontstaat het eigene. Op de boven aangegeven wijze bestudeer je delen uit de readers Alef en Beth. Delen van je werk komen terecht in studiemateriaal (bouwstenen en beddingen) dat je voor de modules maakt, of het worden aantekeningen in je katechetisch journaal.

Gedurende de hoofdfase sluit je elke praktijkperiode in je katechetisch journaal af met een korte schets van de situatie van de katechese (godsdienst, levensbeschouwelijke vorming) in de betreffende bouw van de basisschool. Het zal daarbij niet zozeer gaan over de beschrijving van de concrete situatie in de praktijk. Dat is onderdeel van je reguliere verslaggeving [25] en hoort bij je praktijk. Meer aandacht moet je geven aan wat volgens jou als aanstaande onderwijsgevende relevant is voor kinderen in deze fase van hun leven. Je zou kunnen denken aan bijvoorbeeld de volgende vragen. Hoe zou jij [26] , wanneer je onderwijsgevende was voor een dergelijke groep kinderen, willen werken? Hoe kom je zo ver? Hoe bouw je dat op? Welke problemen zie je, ideeën heb je? Uiteindelijk: hoe verantwoord je de door jou voorgestane aanpak pedagogisch en didactisch? Welke verhalen [27] , denk je, bieden kinderen van deze leeftijd en ontwikkeling, een beetje plaats en ruimte? Bespeur je bij jezelf een zeker groeiend vakvrouw/manschap? Zie je een ontwikkeling? Welke plaats geef je je opmerkingen en ervaringen op de praktijkschool in je opleiding? Geef een en ander weer in korte notities in je journaal.

   Bovenstaande vragen verwerk je in een korte beschouwing van ongeveer een pagina waarmee je, na blok 6, 8 en 10 je katechetisch journaal afsluit. Voordat je je werk inlevert heb je delen [28] daarvan besproken met klasgenoten [29] . Geef aan welke delen. Heeft het gesprek iets opgeleverd? Is er iets blijven liggen? Wat doe je daarmee?

Centraal in de hoofdfase staat het volgende: hoe maak je jouw ervaring, kennis en inzicht functioneel in onderwijs-leersituaties voor kinderen in het primaire onderwijs? Geleidelijk aan ga je je nu ook meer specialiseren: jonge dan wel oudere kind.

   Ervaring speelt een rol in de praktijk, de colleges, en het individueel en samen leren. Kennis en inzicht groeien niet toevallig. Het zijn structuren die ontstaan op basis van de leervragen die zich, wanneer het goed is, beginnen af te tekenen tijdens de colleges en/of de praktijk op de basis- en de opleidingsschool. Adequaat handelen blijkt uit de reflectie en de componenten die jij een rol laat spelen bij de planning van praktijk en studie. Denk daarbij aan bijvoorbeeld de volgende vragen. Welke problemen kom ik tegen? Welke oplossingen zijn er? Welke alternatieven? Welke oplossingen kies ik? Waar binnen je eigen studeren merk je veranderingen op in je kennis, inzicht en handelen? Hoe waardeer je die veranderingen? Waaraan merk je dat je repertoire zich uitbreidt en hoe kun je dat inzetten in je studie en praktijk? Deze bundel vragen ga je te lijf in het voorbeeld exodus. In zelfstudie en groepswerk ga je vervolgens door met Kerstmis en koningen.

Methodische toelichting

Katechese op de basisschool is in het recente verleden te veel gepresenteerd als een praatje bij een verhaaltje en nog wat weinig tijd rovende voorbereiding of continuïteit. Wil de kwaliteit van het vakgebied beter aan de orde komen, dan verdient het verhaal een plaats in de cultuur van mensen in de meest brede zin. Er zullen met name werkvormen aan de orde dienen te komen  waarin kinderen dichter bij de verhalen kunnen komen en de verhalen een bergplaats zijn van zoveel. Hoe spreek je kinderen aan op hun creatieve mogelijkheden en de ontwikkeling daarvan? Hoe kunnen woorden, beelden, verhalen je mee nemen? Hoe kun je je gevoel herkennen, benoemen? Wat betekent het, ‘een plek te hebben’?

   Met name in de tweede helft van de hoofdfase zul je meer aandacht moeten krijgen voor de vraag: welke rol spelen woorden als tevredenheid, onvrede en pedagogisch-didactische nieuwsgierigheid in je pedagogisch en studieus handelen. Reikt jouw betrokkenheid verder dan ‘het lukt me wel’ of ‘als ik het maar red!’. Wat vind je spannend aan kinderen die groeien, leren, bezig zijn? Wat ontroert je, zou je willen? Vanaf eind blok 6 rond je iedere een module af met een antwoord op de vraag:”Wat ik nu gedaan heb, maakt me dat tot een betere onderwijsgevende”? Wat betekent het antwoord op die vraag voor de komende periode? De tekst leg je vast in je katechetisch journaal.

   Regelmatig (bijvoorbeeld één keer per drie weken) werk je grammatologisch [30] (dat wil zoiets zeggen als met de logica van een woordspin), evaluerend en verkennend met de volgende vraag: welke verhalen, beelden, ideeën, samenhangen beginnen voor mij, ook als mogelijkheden voor katechese, betekenis te krijgen? Werk dit uit in een regelmatige rubriek. Het wordt een onderdeel van de schriftelijke begeleiding van je studie [31] .

   Voor het begin van de volgende module maakt je tenslotte een persoonlijk trefwoordenregister bij krenten in de pap, het basisplan voor katechese/katechetiek waarin je nu leest.

Vanaf halverwege je opleiding [32] gaan de opdrachten meer in de richting van de afstudeeropdracht. Gedurende de colleges worden de te ondernemen activiteiten in het kader van de afsluiting hoofdfase en de afsluitfase besproken. Je maakt drie [33] werkstukken: series lessen voor kinderen in een concrete groep van de basisschool. Elke serie duurt ongeveer twee maanden. Aan het einde van H-ka-3 is het plan klaar: de lijn, enkele woorden, eerste ideeën [34] .

   Houdt een tijdschema bij. Je neemt je materiaal mee voor het eindgesprek hoofdfase. Uiterlijk twee dagen voor het gesprek (officieel mondeling tentamen genoemd) lever je je materiaal in. Voeg behalve de evaluatie (zie vorige alinea) ook enkele voortgangsvragen aan het geheel toe.

Afstudeerfase

Heel de ontwikkeling van iemand die in het basisonderwijs wil gaan werken tot een professioneel geschoold en initieel bekwaam te achten onderwijsgevende begint in de propedeuse, gaat scherpere contouren en een meer persoonlijk profiel krijgen in de hoofdfase en wordt afgerond is de afstudeerfase. Gedurende de afrondingsfase gaan we niet zozeer iets nieuws beginnen. Aanzetten uit de voorafgaande perioden worden verder verdiept, hanteerbaar gemaakt en toetsbaar. Een en ander groeit in contact en regelmatig overleg met de docent. Regelmatig: gedurende een blok twee keer.

De colleges zijn ondersteunend. Je begint aan het uitwerken van je werkstukken. Ieder college is gedeeltelijk voor eigen werk. De docent is beschikbaar voor advies of begeleiding op aanvraag.

   De afsluitfase is mede gelet op differentiatie, specialisatie en de lio-stage, een echte afsluitfase geworden: verwerking, verdieping en toepassing.

Het afstudeerproject bestaat uit een trilogie. Met drie werkstukken [35] (steeds voor ongeveer 2 maanden werken in het basisonderwijs, inclusief schriftelijke presentatie en verantwoording) rond je je opleiding af. De drie werkstukken zullen per eenheid ongeveer 15 pagina’s tellen. Ieder deel bestaat voor 2/5 uit materiaal op het niveau van de onderwijsgevende (presentatie en verantwoording) en voor 3/5 uit suggesties voor een praktijk.

 

Afrondend

Paus Johannes XXIII wil rond 1960 door het Tweede Vaticaans Concilie de ramen van de Kerk openen. Hij wil de Kerk bij de tijd en de tijd bij de Kerk brengen. Nu, veertig jaar later, lijkt de Kerk in Noord-West Europa getalsmatig een afgesloten periode te zijn [36] . Wie die periode sluiten wil of waarom? Deze kwestie blijft hier buiten beschouwing.

   De eerste daad van de bisschoppen van Vaticanum II betreft de liturgie, de kerkelijke eredienst. Tot 1963 is de taal tijdens de eucharistievieringen in de katholieke kerken exclusief het latijn. Vanaf december 1963 wordt het gebruik van de taal [37] van het volk algemeen geaccepteerd. Bij diezelfde  gelegenheid wordt ook de lezing van de bijbel in een rooster van drie jaar ingevoerd. Het kerkelijk leergezag is van mening dat mensen recht [38] hebben op meer kennis van en vertrouwdheid met het Boek van God en zijn Mensen. Ook voor het katholiek onderwijs in Nederland kan die doelstelling relevant zijn.

   Een cultuurbreuk markeert ook minstens de mogelijkheid van een overgang en verbinding. Een gesloten boek is als ieder boek. Het hoeft alleen maar geopend te worden [39] . In onze kultuur is het Boek altijd al open [40] . Bijbelse namen zijn bekend, denk maar aan Adam of Abraham, aan Jerusalem of Babel. Maar wat snijden die namen aan? Welk stof verbergen zij, welke verhalen, herinneringen, dromen? Misschien hoef je alleen maar zo nieuwsgierig te zijn als Mozes die een struik in brand ziet. Hij gaat kijken. Hij krijgt te horen dat hij een werk te doen krijgt. Hij zal voor klein gekregen, klein gemaakte mensen, bevrijding en vrijheid mogelijk moeten maken. Hij breekt het brood van de slavernij om het zo Pesach te laten zijn, bevrijding, vrijheid en verantwoordelijkheid.

Aan het einde van de modules katechese en katechetiek op de Ipabo moeten we katechese op de basisschool bescheiden typeren. Misschien mag men proberen: “Wanneer het over deze dingen gaat, kinderen leren mee te praten”. Wat zijn ‘deze dingen?’ Voor wie dat werkelijk wil weten is er veel te vertellen, te laten zien, te bedenken, te vinden. De modules katechese snijden dit in eerste instantie aan. Je zult zelf verder moeten. Daarnaast kan de veelheid aan vakgebieden van de pabo je helpen, op alle niveau’s een speelse en leerzame structuur voor katechese of godsdienst te ontwikkelen zodat je als katholieke, oecumenische of interconfessionele basisschool je verantwoordelijkheid kunt dragen. 

Tenslotte wil je aan het einde van je studie op de Hogeschool IPABO misschien constateren, dat je als onderwijsgevende kinderen meer moet geven dan je geven kunt, meer dan je hebt of kunt verantwoorden [41] . Als begeleider van pabo-studenten in de praktijk maak je vaak mee, dat onderwijsgevenden hun werk niet opvatten als het afwikkelen van een arbeidscontract.

   Kinderen zijn in het onderwijs meer dan een bron van werk of zorg. Hun kwetsbaarheid verplicht je tot grotere verantwoordelijkeheid [42] . Hun vraag stimuleert de kwaliteit van je werk. Daarom doe je meer dan het voorhandene, meer dan kennis en vaardigheden reproduceren of het oude lesje afdraaien.

Katechese wil oprecht bezig zijn met wat de cultuur van het boek te bieden heeft. Je leert in ieder geval, samen te leren, samen zoiets als een gemeenschap te bouwen, een groep, een klas. Het boek biedt wat ons draagt, verkent verhalen en woorden van alzo hoge van alzo ver. Het vertelde of gespeelde verhaal blijkt ruimte voor mensen, door de generaties heen. Verhaal of waarheid, altijd zo goed als nieuw. Bij hooggeëerd publiek dien je steeds een beetje te bukken. Dat doe je bij lezen altijd.



[1]
Die tijdelijkheid is alleen van buiten, of achteraf terugblikkend zichtbaar. Zolang je met anderen bezig bent is dat feitelijk. Iedere verhouding met een ander is een verhouding zonder verhouding (Levinas), iets nieuws, zonder precedent. In de loop van de komende jaren zul je wellicht veel onderwijservaring opdoen. Maar ervaring verhindert niet, dat ieder kind een creatio separata is, een schepping, een wereld apart, uiteindelijk onvergelijkbaar uniek. Van het kind moet je leren, hoe dit kind kan leren. Steeds begin je weer, opnieuw. Ook voor jou, kind, wil ik er proberen te zijn – hopelijk krijgen we die kans. Deze vertaling op onderwijslocatie van Ex 3,14 normeert het pedagogisch en didactisch handelen van leraren en hun gelijken. Dit er willen zijn maakt verzoening (het weer durven en nu ook willen – of weer willen en ook durven meedoen)mogelijk, draagt de vrede. Levenslang leren getuigt van realiteitzin.

[2]
Denk aan individualiseren, in gedrag en expressie. Denk ook aan verschijnselen als leerhuis, adaptief onderwijs of oog voor emotionele ontwikkeling.

[3]
Ook wanneer Bijbel lezen  op verscheiden wijzen manier gebeurt, in alle verscheidenheid is het de uitdrukking van wat ieder naar de Bijbel brengt. De lezing is subjectief, maar dit is noodzakelijk wil het lezen profetisch wezen. Daartoe dient men er zeker ook de noodzakelijke confrontatie en dialoog aan toe te voegen. Zodoende ontstaat het probleem van het beroep op de traditie. De traditie is geen gehoorzaamheid maar een hermeneutiek ( - een geschiedenis van uitleg. Noot van JE). Emmanuel Levinas, Éthique et Infini, Dialoges avec Philippe Nemo, Paris, Librairie Arthème Fayard et Radio France, 1982, p.124.

[4]
Inspiratie: je eigen stem als de stem van een ander. Van buiten af naar binnen (in-)geademd. Souffleren (souffler: fluisteren, ademen). Spiritus: latijnse vertaling van roeach: wind, adem, geest. Inspiratie, heteronomie, - het pneuma van het psychisme. Emmanuel Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence, Den Haag 1974, p. 160. Inspiratie zou je die intrige van het oneindige kunnen noemen waarin ik mij tot de auteur maak van dat wat ik hoor. Zij brengt nog voorafgaand aan de eenheid juist het psychisme tot stand. Inspiratie of profetisme. Ik ben de vertolker van wat ik uitspreek. ‘God heeft gesproken, wie zal niet profeteren”, zegt Amos (3,8) wanneer hij het profetisch reageren vergelijkt met de passiviteit van de angst die degene voelt die de klacht van de armen hoort. Emmanuel Levinas, De Dieu qui vient à l’idée, Parijs: Vrin 1982, p.124. 

[5]
Het gaat hier over een soort fotoalbum, kiekjes in zinnen en woorden, momentopnamen in je studie. Het eerste jaar moet je je richten op jij en onderwijs. Het tweede jaar ben je meer bezig met kinderen in groepen en kinderen meer individueel. Vanaf het derde jaar gaat het steeds over jouw mogelijk functioneren in de praktijk. Het perspectief is dan steeds pedagogiek, didactiek en katechetiek. Daartoe ben je al die jaren ook bezig met het uitbreiden van je repertoire, je kennis en inzicht.

[6]
Het subjectief concept is zoals jij tegen de dingen aankijkt, jouw instelling, inzicht, optiek, jouw neiging om te kiezen en jouw wijze te participeren. Het gaat er daarbij niet over, hoe jij op reflexief niveau met  zaken om gaat (actief: hoe doe je, meer bewust) maar meer over hoe jij, nu jij hiermee (in een concrete situatie in de praktijk) geconfronteerd wordt, uiteindelijk blijkt te denken, te reageren, aan te voelen (passief: hoe blijk je te doen, meer onbewust). In het subjectief concept wordt het voorbewuste of nog niet bewuste meer bewust, hanteerbaar. Hier begint je leren, het bijstellen van je subjectief concept.

[7]
Zorg voor  een goede lay-out. Wees niet zuinig met wit op je pagina's. Geef voorbeelden uit de taal van kinderen die je verhaal illustreren. Maximaal 4 pagina’s A4.

[8]
Wie enkele jaren auto rijdt en mensen na hun eerste rijlessen hoort praten over lessen en opgaan begrijpt de problemen nauwelijks meer. Dan moet je wel ver terugdenken.

[9]
Probeer eens de werkomschrijving: vertrouwen in het leven.

[10]
Het grootste deel van die verhalen is niet van christenen. Ze horen bij de schriftelijke joodse traditie. Door Jezus van Bethlehem en Nazareth tot Jerusalem zijn niet joden mee aangeschoven bij verhalen en vertellingen die al lang begonnen zijn. (Misschien is het een mooi begin van het derde millennium wanneer christenen zich realiseren, dat zijn bij deze verhalen te gast zijn en dat ze ook niet voortdurend voor hun beurt moeten praten. Eerst de vinger opsteken en het woord vragen, hoor je wel eens op de basisschool.)

[11]
Let op de procedure. In de regel zet men bijbelverhalen in omwille van de themata. De strekking daarvan is duidelijk: het gaat dan om de themata. Vanuit de verhalen is die benadering abstract. Concreet zijn de verhalen. Hoe helpt zoiets als een thematiek je, binnen te komen in de optiek van het verhaal? Je kunt dus in de katechese heel goed enkele dagen of weken werken aan themata om daarna (voor de kinderen onverwacht, maar voor jou volgens planning) veel gemakkelijker toegelaten te worden tot het verhaal. Als er van katechese iets overblijft is het (behalve de dingen waarvan je vergeet dat je ze geleerd hebt) de wereld van verhalen.

[12]
Lever de gezamenlijke lijst in met daarop de woorden van ieder afzonderlijk en de woorden die de groep heeft vastgesteld.

[13]
Uitleg bij een bijbelverhaal is een merkwaardige zaak. Het verhaal uitgelegd betekent einde verhaal. Blijkbaar gaat het dan om de uitleg. Terwijl je precies het verhaal toegankelijk wil maken. Uitleg van zou derhalve eigenlijk inleiding tot de tekst moeten zijn, voorwoord. Het woord krijgen we van het verhaal, tot in het evangelie van Johannes toe. (Zie daartoe Johannes 1,1.)

[14]
Per woord of verhaal geef je aan:
a. Wat draagt het verhaal aan? Hoezo? (herhaling, verandering van tijd)
b. Wat valt mij op? Weet je waarom?
c. Kunnen a en b voor het verhaal of voor kinderen betekenis krijgen? Hoe kun je dit in kindertaal vertalen? Eventueel laat je je raden door: hoe kinderbijbels doen dit? Waarom zou je kopiëren wat je zelf (voor jouw kinderen) beter kunt?

[15]
Bouwstenen zijn fragmenten die zich tijdens een college of bij het bestuderen van literatuur, losmaken van de achtergrond. Het zijn woorden, beelden, ideeën, themata die voor jou betekenis hebben. Jij voelt daar iets bij. Het zijn woorden die je min of meer een beetje jou laten zijn, die je plaats laten vinden. Zo worden bouwstenen beddingen (en omgekeerd). Je herkent je er in, voelt je er bij thuis. Bijvoorbeeld: veel verhalen over kinderen zullen je belangstelling hebben. Anders zat je niet op een Pabo. Een bedding (of setting) is zoiets als een ruimte, iets waar je in kunt komen. Een bedding is je vertrouwd, niet vreemd. Een melodie die je herkent, een plek die je kent. Bij beddingen en bouwstenen is het sleutelwoord gastvrijheid. In het mijne (van de tekst, de taal of het verhaal – tekst, taal, verhaal zijn hier onderwerp, eerste persoon) ben je welkom. Zo leer je meer, ook over jezelf en de ander (tweede en derde persoon), van en aan elkaar (getuigenis). Ieder het zijne. De maaltijd (niet voor de eetmuur van de automatiek, maar rond de tafel) is hiervan het model: allen samen en ieder voor zich. Zie ook noot 6.

[16]
Leren semantiseren. Ook drama als werkvorm kan je helpen om meer effectief  te analyseren en te concretiseren. Woorden en alternatieven liggen dan meer voor de hand. Dat komt door het impliciete dialogische moment dat eigen is aan het met andere woorden zeggen, het nog eens proberen of de presentatie.

[17]
Gedurende je hele opleidingstijd doe je hierin verslag van je vorderingen, je ontwikkeling, je vragen en je groeiende kijk op wat voor jou hoofdstukken en details van jouw opleiding binnen dit vakgebied zijn.

[18]
De ervaring is een reis die ons over onszelf heen brengt. Zij doet ons het vertrouwde verlaten voor het vreemde, is misschien meer transcendent dan exterieur.... Het ideaal is haar horizon en bepaalt haar domein, het goddelijke is voor haar de laatste plaats van vragen. De ervaring is een volledig weggaan van zichzelf en filosofie is echt metafysiek. Gerard Bailhache, Le sujet chez Emmanuel Levinas, fragilité et subjectivité, Parijs: PUF 1994.

[19]
Bij het formuleren van je eigen kennen en kunnen gaat het niet om een totale reflectie. Je moet je beperken tot de elementen die binnen het kader van je opleiding nu aan de orde (zouden moeten) zijn. Liefst enkele punten waar een beetje meer aandacht verbetering kan brengen. Jouw studie moet steeds meer concreet worden. Op die manier werk je aan de collectie die straks jouw bagage zal zijn wanneer het gaat over katechese op de basisschool. Methodisch begin je misschien het best ongereflecteerd. Beperk je, maak enkele punten concreet. Hanteer als vorm een variant op het dagboek. Zo begint het schematiseren. Werk een of twee punten uit en werk daar enige tijd aan en laat het daarna weer even rusten. Veel vaardigheden en elementen van kennis groeien. Daar zit een eigen dynamiek achter. (Blijf niet altijd ‘werken’ aan wat je erg moeilijk vindt. Wat je moeilijk vindt kost tijd. Werk ook aan wat je goed doet. Perfectioneer dat. ) Totale duur: maximaal 20 tot 30 minuten.

[20]
Het verweven zijn van teksten met andere teksten. Teksten uit de bijbelse literatuur delen deze kwaliteit met andere teksten. Beelden, fragmenten, herinneringen, uitdrukkingen, associaties, enz.,  zijn ook teksten: middelen die een indruk tot uitdrukking brengen of vastleggen, opschrijven, eventueel alleen in je geheugen om plotseling vitaal aanwezig te zijn wanneer de gelegenheid zich voordoet, onverwacht. Iets tot uitdrukking brengen op schrift, of als spreker ter sprake brengen, zelfs onbewust, ongeweten. Een citaat, of een toespeling is een voorbeeld van intertextualiteit. Maar het geduld, of het vermogen van een onderwijsgevende om iets effectief te presenteren herken je ook buiten het onderwijs. Die ‘samenhang’ is ook intertextualiteit. De frase Jezus en zijn leerlingen geeft mensen in het onderwijs, zelf leraren en leerlingen, altijd een extra aanknopingspunt. Zo ook: Mozes is dé leraar, of de Tora is de leerstof. Betekenis, mogelijkheid, reikwijdte, implicatie en strekking van ‘het citaat als hermeneutische werkvorm’ is nog nauwelijks verkend.  Hermeneutiek is 'uitleg-kunde'.

[21]
Wij
en onze in teksten voor katechese op de Hogeschool Ipabo hebben steeds betrekking op de onderwijsgevende en de kinderen van een concrete groep op de basisschool.

[22]
Trefwoord: bouwstenen en beddingen.

[23]
Welke vragen van kinderen vind jij moeilijk? Weet je waarom je ze moeilijk vindt? Kun je er andere woorden voor geven? Hoe ga je met dat materiaal om?

[24]
Vgl Exodus 12,26v.; Jozua 4,21v.; Markus 10,13-16 en par.

[25]
Verwerking, evaluatie en zelfsturing.

[26]
Een goede stage-ervaring is stimulerend. Daar krijg je ideeën van. Hoe zou jij nu ...

[27]
Het gaat hierbij niet over verhalen in de zin van bijbelverhalen. Bij verhalen gaat het hier over verwikkelingen waaraan kinderen hun hart kunnen ophalen. Over kinderen op de basisschool waar jij verantwoordelijkheid voor draagt zal men nooit zeggen: er was geen plaats voor hen in de herberg.

[28]
Nog een keer: niet alles. Je hoeft niet alles te bespreken. Kies een  voor jou relevant punt en brengt dat in als onderwerp. Let wel: werken aan een deel is werken aan het geheel. Het is zelfs de enige manier om aan gehelen te werken. Vermoedelijk is dit een element van deconstructie, het doen oplichten van het onbewaakte, niet gereflecteerde, verbindende.

[29]
De bedoeling van dit gedeelte van de opdracht is: formaliseren wat gedurende de opleiding informeel voortdurend aan de hand is. Voortdurend overleg je met elkaar, geef je feedback, evalueer je. Deze werkvorm is gastvrijheid in de praktijk. De ander mag zijn wie z/hij is. Daarom mag groepswerk, samen werken, essentieel genoemd worden binnen het geheel van de opleiding. Het maakt het ook mogelijk, gezamenlijk verantwoordelijk te zijn voor de kwaliteit van inrichting en uitvoering van dit deel van het onderwijs op de Ipabo.

[30]
De term is van Jacques Derrida, De la grammatologie, Parijs 1967.
Hij wijst erop dat het schriftuurlijke voorafgaat aan het letterlijke of woordelijke. Een korte toelichting volgt hier.

Aan mijn spreken – waarin ik mezelf als origineel en aanwezig, als eerste persoon, beleef – gaat steeds een voorgegeven samenhang vooraf. Zo gezien is het wit van de blanco pagina een illusie. Er zijn altijd lijnen, verbindingen, verbanden, samenhangen. Denk bijvoorbeeld aan het gegeven, dat ik kan spreken dank zij het verschijnsel taal, zelfs moedertaal. Voorgegeven samenhang in die zin, dat deze samenhang aan mijn spreken voorafgaat. Mijn spreken, ik als woord, logos, mijn logica, logologie of egologie, want steeds het ik tegenover het andere, (xenofobie: het andere haalt mij weg bij mijzelf, is angstaanjagend) ik als norm. Gramma is Grieks voor schrift, gravure, kras, inscriptie.
Kort samengevat: bij grammatologie gaat het over het onttronen van de grammatologie.

[31]
Bijvoorbeeld door in je katechetisch journaal of in je aantekeningenmap van achteren naar voren te werken aan een ideeënbak. Daarin catalogiseer je alles wat voor jou inspiratie kan bieden, materiaal kan zijn. Leg daar ook verwijzingen in vast naar tekstfragmenten in de readers die jou helderheid gegeven hebben.

[32]
Bij 6 modules betekent dit na H-Ka-2; bij vier modules na de tweede.

[33]
Een over verhalen uit het ‘aloude testament’, David bijvoorbeeld. Een over iets uit het evangelie, bijvoorbeeld de reis van Jezus naar Jerusalem. Een naar keuze, bijvoorbeeld over een thema. De drie werkstukken zullen alle drie werken met kernwoorden die in het eerste deel van je studie naar voren gekomen zijn. Ze zullen verwijzen naar de readers en naar andere literatuur (ongeveer 150 pp). Het geheel van de drie werkstukken bestaat voor 2/5 uit materiaal voor onderwijsgevenden; 3/5 bestaat uit materiaal voor  onderwijs, toegankelijk geordend. (Verdeel elke periode en twee keer 3 stappen, kernen die je gedurende de periode aan de orde laat komen. Elke drie stappen voor ongeveer 4 weken.) Geef voorbeelden van een mini-programma en van mogelijke uitwerkingen. Je maakt geen mini-methoden. Je materiaal is meer een handreiking. Een onderwijsgevende kan het niet gebruiken zonder er zelf aandacht aan te besteden. Jij schrijft materiaal en exempels, exemplarisch.

[34]
Deeltijd en versnelde deeltijd zijn zover aan het einde van de voorlaatste module. Gezien de beschikbare collegetijd is hun planning en afstudeerproject aangepast.

[35]
Gezien de praktijk van een schooljaar kun je denken aan voor, tussen en na de grote feesten. Voor twee van de drie zullen brede, oriënterende titels aangegeven worden. Bijvoorbeeld: David, De verhalen over Jezus. Het derde onderwerp is naar eigen keuze. Je kunt je ook beperken tot twee projecten en die meer uitbreiden.

[36]
Het leeg raken van de kerken hoeft geen teken te zijn van het naderende einde. D.Hellenius schrijft in het gedicht ‘kerk’:
  Als paddestoelen verbonden
  door een lichaam van onzichtbare draden.
D.Hellenius, , Verzamelde gedichten, Amsterdam: G.A.v.Oorschot, 1991, p.218.

[37]
December 1964.

[38]
Een nieuwe filosofie (manier van denken, spreken, noot van JE) is voor alles het woord teruggegeven aan degenen die het zijn kwijt geraakt in de retoriek die het grootse dat de mens onderneemt verdonkeremaant. Emmanuel Levinas, Un langage qui nous est familier, in  Les Cahiers de la nuit surveillée, Lagrasse: Verdier 1984, p. 325.

[39]
Denk aan de regels van het kinderlied: Is er dan geen smid in het land, die de sleutels maken kan? Wanneer je weet dat een sleutel gebroken is, is er misschien ook iets aan te doen. Zo ook met een gesloten boek. Nog zijn er mensen die de resultaten welke wij cultuur noemen – antwoord op het zoeken van de generaties voor ons – open kunnen maken. Dat geldt voor onze geschiedenis, voor de natuur met haar monumenten, voor het geheel van de kunsten, voor het boek van alle verhalen.

[40]
Mede omwille van de algemene bekendheid is het noodzakelijk in te gaan op de vaak sluimerende, in ieder geval ongeweten, onbewuste kennis, vaak bijvoorbeeld door vorige generaties tot element van de cultuur gemaakt. Zonder bewust aangebrachte nieuwe kennis blijven de oude vooroordelen. Wie niet kiest voor en werkt aan verbeterde, nieuwe kennis van bijvoorbeeld de bijbelse traditie, heeft daarmee gekozen voor de oude vullingen en de daaraan opgehangen structuren van bijvoorbeeld macht en (on-)mondigheid. Medeplichtigheid mag geen optie in het onderwijs zijn.

[41]
Het gaat er niet om, het ik en de anderen samen te denken. Het gaat over het voor het aangezicht staan. Vgl. Emmanuel Levinas, Éthique et Infini, Dialoges avec Philippe Nemo, Paris, librairie Arthème Fayard et Radio France, 1982, p. 82

[42]
Illustratief is hier de rol van Juda in Genesis 44,32-34. Hij stelt zich verantwoordelijk, borg voor zijn broer. Als dat gebeurt valt Jozef uit zijn pose. Hij huilt. Waarom?


 

4.Ten slotte

Bovenstaande geeft een schets, een weg. Daarin schuilt een optiek. Op deze wijze raak je enigermate thuis in de oorsprong van onze traditie met haar cultuur, ook het vertrouwen dat wij doorgaans geloven noemen, en leer je wat jou als onderwijsgevende mogelijkheden biedt. Een leerproces met de naam katechese moet ook met enkele lijnen omschreven kunnen worden. Wat is de samenhang van het geheel? Enkele kenmerkende woorden zullen uit het geheel gelicht worden. Zij maken een weg zichtbaar, een traject, een procedure

Leren en kennenLeren, studeren, wat is dat eigenlijk? Wat is denken of weten? Wat is kennis? Wat gebeurt er wanneer je iets weet? Wat is dat iets dat je weet? Wat doe ik, actief, wanneer ik denk en wat is actief? Heeft actief ook te maken met receptie en receptiviteit? Heeft het ook kenmerken van iets dat ín mij, zelfs ondanks mij en tegen mijn zin/wil in, aan het werk[1] is?

Ik ken iets, ik heb mij iets eigen gemaakt. Maar wat is eigen en wat is kennis? Is het eigene dat wat niet meer vreemd is? Dan is het eigene het vertrouwde, het bekende. Is het eigene dan het andere dat ik nu bezit. Is het eigene het oorspronkelijk niet-eigene? Maar wat is eigen dan? En kennis: is kennis zoiets als een archief, en massief, complex, onoverzichtelijk organisme voor de buitenstaander, maar volstrekt logisch, bekende grond en heldere structuur voor wie daar thuis is. Is kennis een bekende setting voor wie zich dagelijks aan de hand van een vertrouwde choreografie over het podium beweegt?

 

   Wat je kent of weet, zijn dat ken- of weet-dingen, gestalten of schijngestalten, zoiets als spoken in je hoofd, voorstellingen, maar dan zogenoemd werkelijk, als weergave van de echte werkelijkheid, buiten mij? Tekstballonnetjes in een strip, luchtbellen, lichte formaties[2] of heldere plekken in je hoofd, waar je de weg[3] wel weet. Hoe kun je kennis opslaan, bewaren, activeren. Hoe bewerk of verwerk, verwerf ik kennis? Vastleggen, annoteren, oproepen, hoe doe je dat? Hoe maakt je aantekeningenof verwijzingen bij wat je kent? Hoe kun je kennis delen en/of reproduceren? Nogmaals: wat is kennis? Is het vertrouwd zijn met? Maar wat is dat en wat heeft trouw hier met betekenis te maken – uit te staan?

Buiten en binnen

Oorspronkelijk ben je wellicht geneigd, antwoorden op al die vragen rond leren en kennen te zoeken in de richting van automatiseren[4] of memoriseren[5]. Zo heb je de eerste dingen geleerd. Je moet dan vaak herhalen[6] of jezelf inprenten, van buiten leren. Blijkbaar zijn er dingen buiten je, of heb je die niet ín je. Wat buiten is moet je naar binnen zien te krijgen en binnen zien te houden. In deze wijze van spreken ziet het ik zichzelf als een binnen[7], of als een iets dat binnen is, zich binnen[8] afspeelt. Het ik is dan iets ín het lichaam als de astronaut in een capsule of ruimtepak. Iemand zegt: Diep in mij(n binnenste), voel ik… Niemand vraagt zich af waar de spreker van dergelijke woorden het over heeft of hoe diep dat binnenste dan wel is. Hoe bijvoorbeeld is de ruimte verdeeld? Heb je nog plaats voor … ?

 

Plaatsen en present

Begrijpen heeft te maken met in de buurt komen van of herkennen en kunnen volgen. Ik begrijp, ik vat, ik kan nadoen, ik kan herhalen, ik heb. Het is nu bij mij. Ik heb het present, kan het aanwijzen. Het andere, dat wat ik ken, is mij niet vreemd, ik herken het, weet het. Daarmee komen woorden als present en derhalve ook presenteren dichterbij, maar ook een onderschat woord als plaats[9] bijvoorbeeld.

   Ik begrijp of herken iets: ik kan het plaatsen. In iets dat iemand mij vertelt kan ik mij verplaatsen. Ik kan er ín komen. Voor iets dat ik begrijp, dat ik ken, dat mij lief is bijvoorbeeld of vertrouwd, eigen, heb ik een plek, eventueel zelfs een zwak. Iets dat van mij is hoort bij mij. Bij mij is het op zijn plek. Ik ben de plaats van die verscheidenheid. Ik ben present, aanwezig. Ik als het middelpunt[10], nominatief.

Ik kan beschikken over, plaatsen, overzien, verschuiven, ordenen, uitstellen, laten liggen. Ik heb plaats en alles – nou ja, alles! – vindt bij mij plaats. Zo ontstaat de ruimte, multidimensionaal, rondom het ik – een kleuter in zijn of haar speelhoek.

Lichaam en taal

Naast mijn lichaam is ook de taal voor mij een plaats. Die taal is geen instrument, ding, voorwerp of apparaat. Mijn spreken, nog nauwelijks kunnende spreken, is volop in beweging, groeit en ontwikkelt zich. De taal laat mij het andere zien, doet mij, nu ik er woorden voor heb, het nog niet opgemerkte opmerken. Het tot nu toe voor mij (nog) niet zijnde blijkt er te zijn. De gevoeligheid van het spreken vergroot en verfijnt mijn eigenheid, leert mij beter kijken. Door mijn spreken vindt een soort onteigening, uittocht plaats: ik verlaat mijnoude posities en deel (me) mee. Ik zie dat het andere nog meer het andere[11] is.

   Natuurlijk is het ik de eerste persoon. Ik tref aan, zie alles óm mij heen, de wereld van de dingen en de mensen. Ik tref aan. Maar zo tref ik ook mezelf aan, kom ik mezelf tegen. Er zal enige tijd verstrijken voordat een kind[12] in staat is zichzelf op te merken als afgescheiden[13] van het andere, uitzondering, eerste persoon. Wanneer ik mezelf signaleer, zeg ik: Hier ben ik[14]. Waarschijnlijk is dat het ik van: Zie je mij dan niet?. Dat ik is grammaticaal accusatief, vierde naamval, lijdend voorwerp. Ik heb dan niet meer het eerste woord. Mijn woord blijkt antwoord. De ander[15] is de eerste, laat mij niet met rust[16].  Ook inspiratie is de stem van de ander. Spiritus, geest. De geest kent vele gestalten tussen drift en respect. Zichzelf (kunnen) zijn[17] is een groot item. Blijkbaar komt daar veel los en wil ik er een beetje zijn, present zijn.

   De taal is niet een magazijn fonemen, morfemen en lexemen, beschikbaar voor wie zoekt, ze leert hanteren en er gebruik van maakt. Taal, het kunnen spreken, is niet iets buiten mij. De taal raakt mijn binnenste, maakt er de kern van uit. Want ik ben – al lang en vaak besproken - geboren in een wereld van taal. De taal vertaalt mijn verhouding met de anderen te midden van wie ik er (eigenlijk opeens) blijk te zijn. Anderen maken nolens volens plaats[18] voor mij. De dingen krijgen betekenis en waarde. Ze hebben een plaats om mij heen, in mij. Die wereld om mij heen en in mij, wordt groter. Naast mensen en dingen zijn er ook niet-zichtbare, niet-materiële dingen. Het geheugen[19]: vermoedens, ideeën, beelden, suggesties, verwachting, herinneringen, gevoeligheden, stemming en overtuigd zijn van of gevoel krijgen voor. Het zijn (eventueel sluimerende) taalachtige gegevens, strukturen, samenhangen, al dan niet uitgesproken, invoelbaar. Zodra je over deze dingen te spreken komt, sluit je aan bij het potentieel van degene met wie je spreekt, deze concrete ander, reken je op haar of zijn verstaan[20] en boor je eigen mogelijkheden aan. Een oogopslag is dan een heel verhaal – ook wanneer het snel verteld kan zijn. Gebaar en taal blijken een soort PTT[21], een systeem van zenden, doorgeven, ontvangen en (de)coderen. Gevoeligheid is het hebben van een antenne voor, of het ontwikkelen daarvan. Het gaat over connecties die je met de de meest onwaarschijnlijke en ondenkbare[22] wijzen verbinden met een andere tijd en ruimte. Taal brengt mensen over alle grenzen heen samen of jaagt hen uiteen.

Grenzen

De mogelijkheden van het lichaam zijn in eerste instantie beperkt. Het zou beter anders, en anders beter kunnen. Zo wordt de stok gevonden om de hond te slaan en kan degene die de schoen past hem aantrekken. Instrumenten vergroten de mogelijkheden van het lichaam. Ook de taal is vooralsnog beperkt. Zij blijkt veelvormig. De taal thuis houdt op bij de deur, ontmoet de taal op straat, op school. Andere talen blijken open te kunnen gaan, toegankelijk te zijn, gemeenschappen, technieken en werelden toegankelijk te maken. De taal waarin anderen hun ervaring vertalen blijkt ook het nog naamloze in mij te kunnen benoemen. Het delen is begonnen, collegialiteit of samenleving. Mijn wereld wordt groter, mijn vaardigheden meer aangepast en aan te passen, flexibel. Ervaring is een heel eigen verhaal[23]. Zo ook bekwaamheid, inzicht.

   Beperkingen en grenzen zijn evenzeer verbindingen. Zelfs tegengestelde zaken sluiten op elkaar aan, blijken verwant, elkaars buren[24]. Tegenstelling, parallellisme, overeenkomsten, variatie, omkering, vergroting, verkleining, associatie – alle audiovisuele technieken maken een aanpak en ordening mogelijkheid en zichtbaar die kenmerkend is voor een wereld van verhalen en beelden. Verhalen en beelden zijn dan geen lappendeken of pakketten die je of wel of niet neemt. Ze zijn materiaal, ze roepen op, wijzen door en aan. Verhalen en beelden kunnen bekeken worden, besproken, vertaald, gespeeld, geprobeerd. Zo kan het vlees van ons lichaam ook woord worden, gebaar en taal. Vindt herkenning plaats, dan is er iets nieuws geboren of gebeurd, iets wat er voordien niet was. Een stap verder is misschien gezet – of een stap terug is beter.

Verhalen

Geloven is een wereld van verhalen en taal, van toezegging en vermoeden[25], van verantwoordelijkheid en leren kiezen. In vrijheid en blijheid is geloven[26] gericht op het mondig worden van de mens bij de keuzen die zij of hij moet maken. De kerkelijke liturgie weet zich na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-65) verplicht de Bijbelse literatuur meer systematisch[27] aan de orde te stellen. Zij, de kerk – ook als school kun je kerk[28] zijn, -  leeft van die verhalen. Het breken van het brood[29] is het openen van de ogen. Pas dan worden verhalen leesbaar, versta je in de dingen die gezegd worden degene die spreekt.

   Zeker bij een groot verhaal gaat het er om te beginnen om, dat je hoofdplaatsen[30] leert kennen. Tussen de hoofdplaatsen lopen vaak verbindingslijnen, hoofdwegen, vaak tussen wijken in. Zo wordt een stad toegankelijk als een plattegrond. Een oude stad met zijn bizarre kronkelingen[31] en zijstraatjes, blijkt dan vaak meer eigen en heeft meer blanco’s, biedt meer mogelijkheden, verblijf- en schuilplaatsen dan de anonieme, neutrale, rationele indeling van de tot voor kort moderne stad of wijk. 

           

Katechese, op verhalen komen en met verhalen meegaan, je mee laten nemen, leren kijken en vragen stellen, leren lezen, leren spreken en meespreken. Je weg laten roepen uit de status quo en op weg gaan, het onbekende, het nog niet gekende, de absolute toekomst (uiteindelijk volstrekt onvoorbereid) tegemoet gaan. Ophouden de tijd stil te leggen met bezwerende rituelen als: het is altijd zo geweest, het zal altijd zo blijven, er is niets nieuws onder de zon. Die strategie is gebaseerd op de ontkenning van het leven zelf, van wat ons bestaan als tijd eigen is. Het ik op zoek naar zijn welbehagen[32] hoeft niet het deprimerende van een slavendrijvende pharao te zijn, enkel groot door zeer ondergeschikte onderdanen, alsmaar zichzelf reproducerende tautologie (met alsmaar meer van hetzelfde). Lezen, horen, je laten roepen, je plaats verlaten voor wat over de horizon van het vermoeden gaandeweg dichterbij komt. Veelbelovend land, veelbelovend leven. Het andere is echt mogelijk. Je kunt gehoor geven aan de stem, je weg laten roepen, weggaan[33], opnieuw beginnen en nu echt.

   Maar wie wijst bij al die mogelijkheden de weg? Je zou kunnen zeggen: de tekst is de leraar. Het zou ook het samen lezen kunnen zijn. Samen lezen om op te sporen welk manco of welk perspectief in dit wat te lezen/horen aangeboden wordt, wat de mogelijkheid biedt, heden[34] te zijn, te worden. Door de woorden, beelden, verhalen kun je leren vergelijken. Niet alles is hetzelfde. Je merkt op, gaat beter kijken, luisteren, spreken, over en tot wat of wie zich aandient. De plak van het verleden eraf (laten) halen[35], weer je tanden als nieuw proeven en opnieuw proeven, verkennen of tot je nemen. Vanaf nu is alles anders wanneer je de zaken een beetje bij houdt.

   Vaak in de verhalen onderweg zal het gaan over details. Bijzaken worden even hoofdzaken, ook om de vaart van het automatisch over alles heen lezen tot stoppen te dwingen, tot opnieuw je beraden op. In het oponthoud ontstaat de vraag, in de stilte valt een woord, een antwoord. Soms zit het in het overdrevene, het onwaarschijnlijke, het herhaalde. Alleen in wat eigenlijk niet kan zijn, woorden vinden voor wat eigenlijk niet zou kunnen. Steeds ook blijken de woorden niet uitgeput[36]. Oude woorden blijken zo goed als nieuw wanneer je het proces[37] herkent, meemaakt, leert kennen. In de leegte, op weg naar wat nog niet is, gaan woorden[38] en verhalen spreken, wordt het bestaan(de) leesbaar, de mens opnieuw, als nieuw, geschapen. Steeds verdubbelt het heden zich. Aangesproken kijk ik op. Ik? – een vraagteken. Daarover gaat het in alle verhalen die je behandelen als tweede persoon van het persoonlijk voornaamwoord en je verantwoordelijkheid laten beginnen.

 

Vanaf het begin is het duidelijk: de mens is geschapen naar Gods beeld, op hem gelijkend. Maar wat is dat? Alle verhalen[39] proberen dat[40] ter sprake te brengen. De eerste die dit voor kinderen op de basisschool vertolkt is de onderwijsgevende. Z/hij is de eerste stem, de eerste oogopslag, de eerste bemoediging ook – wellicht gehoorzaam aan het appel dat van de kinderen uitgaat, wellicht gehoorzaam ook aan de weg die de onderwijsgevende zelf gevonden heeft aan de hand van de verhalen die vertellen wat van al zo hoge hier op deze aarde geschiedt. De onderwijsgevende brengt in de katechese de wereld van de kinderen en van deze verhalen ter sprake. De bedoeling is het, samen met de kinderen zaken te leren als: het is goed, als mens leven op aarde onder de hemel van deze verhalen en onderweg elkaar te vinden.

 

 

terug naar titelpagina BASISPLAN 2000
titelblad webside

 


[1]

Zoals een liedje in mijn hoofd: het blijft maar zingen. Ergens is het blijven haken en nu bepaalt het als voortdurende ruis mijn doen en laten.

[2]

Jacques Derrida(, La pharmacie de Platon, in La dissémination, Parijs 1972, p 69-197) wijst bij de beschrijving van teksten van Plato op de zich substituerende reeksen (logos-vader; logos-zoon; de vader, het goede, het hoofd (chef), het bezit; de vader, de zon, het bezit; de koning, de vader, de zon, het woord, a.w., p.91. 93. 102,193. In Spectres de Marx, (Parijs 1993) vindt men: fantoom, spook-beeld, dat wat steeds terugkeert (p.146), phantasma, de geest van … (199). Met There is something rotten in Danmark van Hamlet zet Shakespeare zijn gelijknamig drama in werking. Hamlet wordt gedreven door de geest van zijn vader.  Zie Michel de Certeau, Lacan: an act of speech, in Heterologies, Discourses on the Other, Mineapolis, University of Minnosota Press, 19975, p. 57.

[3]

In het Duits kun je dan zeggen: Ich kenne mich aus. 

[4]

Je weet vanzelf, dat 7 keer 7 49 is. Een chauffeur weet vanzelf hoe dat werkt met koppeling indrukken of loslaten, remmen en/of gas geven. Bij je eerste rijlessen moet je overal aan denken.

[5]

Wat je nog moet leren (het andere), moet nog; wat je geleerd hebt weet je, is gewoon (het eigene) geworden.

[6]

Denk bijvoorbeeld aan hoe kinderen leren te rekenen of schrijven.

[7]

Immanent (tegenover transcendent), interieur (tegenover exterieur). Intimiteit schijnt geen tegenover te hebben. Persoonlijk wel, privé ook.

[8]

Hier komt waarschijnlijk ook de voorstelling vandaan, dat het lichaam een soort huis is. Zie Job 4,19:…degenen die in lemen hutten wonen. Zie de context. Het gaat hier niet over: sommigen wonen in stenen huizen, anderen in huizen van hout en weer anderen in huizen van klei. Met lemen hut wordt bedoeld: het lichaam, vroeger ook bijvoorbeeld het stoffelijke omhulsel genoemd. Bij grote rampen met veel dodelijke slachtoffers blijkt de journalistiek (dus ook wij) niet goed te weten, hoe men de lichamen van gestorven mensen moet noemen. Het typische van het lichaam blijkt, dat het leeft. Een dood lichaam blijkt een contradictio in terminis.

Tot ver in de twintigste eeuw nog is het lichaam wat je kunt zien. De ziel is het onzichtbare, het eigenlijke van de mens. Zo ontstaat het dualisme: de mens is twee-eenheid. In het verleden gaat het lichaam ook het liefst zijn eigen gang. Ik moet mijn lichaam onder controle zien te krijgen. De zindelijkheidstraining is een beetje het model voor ieder vorm van cultuur – redelijk natuurbedwang. De rede, de ratio, bedwingt de natuur met zijn neigingen (die kruipen willen waar men niet kan gaan). Het eigenlijke leven is het geestelijk leven, het leven van de ziel, het onzichtbare ik. Maar je mag vragen, wat in dergelijke taal ter sprake komt. Wat is die ziel, wat is dat eigenlijk onzichtbare ik? 

[9]

Descartes (1596-1650) is de filosoof van de methodische twijfel. Regelmatig blijkt dat ik mij vergis. Kan ik wel ergens zeker van zijn. Of ik mij vergis of niet vergis, in ieder geval: ik denk. Dus: ik ben. Daarmee eindigen de middeleeuwen en begint de moderne tijd. Het ‘moderne ik’ is geboren. Ik ben omdat ik denk, zolang ik denk. Wanneer ik ophoud met denken ben ik ook niet meer. Ook wanneer ik geen lichaam zou hebben, wanneer ik zou denken zou ik bestaan. Ik ben dus eigenlijk een denkend wezen. Dat denkende wezen is mijn geest of ziel: res cogitans. Het denken is de grondeigenschap van de geest. De uitgebreidheid of ruimtelijkheid (res extensa) is eigenschap van de materie, de stof of het lichaam. Ruimte of plaats kan dan geen begrip meer zijn voor de eigenlijke mens.

(De mens is dan de wonderlijke onmogelijkheid. De eenheid van lichaam en geest is enkel uiterlijk. Hun combinatie is alleen bij de mens noodzakelijk. Het wezen van de mens is de ziel. Volgens Descartes is de ziel geplaatst in de pijnappelklier, onder de kleine hersenen. Je merkt: zo gezien is het lichaam op zijn best broeder ezel of schone schijn.)

[10]

...het bijzonder unieke, autochtone ik. Emmanuel Levinas, Totalité et Infini, Den Haag: Nijhoff, 1968, (p. 9).. Niets wordt ik genoemd; ik wordt gezegd door degene die spreekt. Emmanuel Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence, Den Haag, 1974, p.72. Het ik is afgescheiden van het andere. Dit afgescheiden zijn ervaart het niet als kwaad. Het afgescheiden zijn is het geluk. Egoïsme is je gelukkig voelen. In dat genieten identificeert het ik zich door alle verschillen heen met zichzelf. … Zijn is genieten. Gerard Bailhache, Le Sujet chez Emmanuel Levinas, Parijs: PUF 1994, p.75.

[11]

Het andere is niet het niet-ik. In het andere als niet-ik ben ik nog steeds de maat van het andere. Het andere is evenwel steeds exterieur, diachroon, valt buiten mijn hier en nu, buiten mijn archè (het ik als beginsel, principe van zijn/haar wereld). De ander is steeds transcendent. Tussen de ander en mij is er steeds de onoverbrugbare afstand. Die overbrugging is de taal, het kunnen spreken. Ook verhalen zijn bij wijze van spreken. Alleen in zoiets als taal vindt ik plaats. Volgens Levinas is mijn plaats altijd vóór de ander, voor wiens aangezicht ik sta. Die ander kun jij zijn, kan ieder zijn die aangesproken wordt, maar ook voor wiens aangezicht ik sta. Zie Elia in 1Koningen 17,1. 

[12]

Van ik heeft dorst naar ik heb dorst speelt zich niet enkel een grammaticaal ontwaken af.

[13]

Ik zijn, van God los, bij zichzelf, afgescheiden, gelukkig, geschapen – dat zijn synoniemen. Levinas, TI, p.121.

[14]

In het Frans: Me voici. Zo presenteert ook Abraham zich wanneer de tijd van zijn toetsing gekomen is (Genesis 22). Ook Mozes. Hij krijgt dan de opdracht de stappen te zetten die de pharao zullen gaan dwingen het volk te laten beginnen met het lange werk van de bevrijding (Exodus 3).  

[15]

Dit kan ieder ander zijn: mijn vader of mijn moeder, broer, zus, vriendin, vriend, collega of jaargenoot. Ook mijn praktijkklas, de stem van de ander die mijn inspiratie is, zelfs mijn verleden. Zie eventueel Genesis 32,22-32: het gevecht in de nacht, wanneer Jacob het lied probeert: Schipper mag ik overvaren, en hij de schipper of schepper tegenkomt en zijn geschipper definitief is afgelopen en hij – gegeven de zon – voor de dag komt, hinkend, een verhaal rijker en in staat tot broederschap. (Genesis 32-33))

[16]

Rust is niet een toestand die wij op de eerste plaats aan mensen die gestorven zijn als zinvol dienen toe te wensen. Wellicht hoort een beetje rust allereerst bij levenden thuis. Vgl. Ruth 1,9 Jozua 1,13.15, Psalm 23,2.

[17]

Is identificatie herkenning of miskenning? Terugbrengen naar het reeds gekende is misschien een manier om het onbekende te vermijden. Gerard Bailhache, Le Sujet chez Emmanuel Levinas, Parijs: PUF 1994, p. 53.

[18]

Zo maak ook ik plaats voor de ander, of ik dat wil of niet. Ongewild getuig ik van mijn smaak van leven, voor mijzelf en dus ook voor de ander.

  Die plaats kan ook – denk aan de uitgesproken wensen bij sommige krachttermen- de niet plaats zijn. Onderwijs zou wel eens kunnen zijn: plaats bieden aan. Gastvrijheid zou een term in de pedagogiek en didactiek als systematische reflectie op een praktijk dienen te zijn

[19]

Zie mémoire in Michel de Certeau, L’invention du quotidien I, Arts de faire, hoofdstuk vi, Le temps des histoires. 

[20]

Wanneer een ontmoeting het karakter krijgt van zoiets als een tentamen, dan kan er van ontmoeting geen sprake zijn.

[21]

In het begin, in principe, was de post, en ik zal mij daar nooit mee troosten. Maar uiteindelijk weet ik, heb ik er kennis van genomen als van een noodstop: het was geredigeerd, overeenkomstig alle codes, alle genres, alle mogelijke talen, als een liefdesverklaring. In het begin was er de post, zal John zeggen, of Shuan, of Tristan, en dat begint als een verklaring zonder adres – uiteindelijk is de richting daarvan niet te bepalen. Je weet niet waar het aankomt, mijn lieve bestemming …Jacques Derrida, LA CARTE POSTALE, de Socrate à Freud et au-delà, Parijs 1980, p 34.

[22]

Het voorvoegsel on- in de tekst dien je te lezen als nog niet. Mogelijkheid spreekt zich uit over het mogelijke wanneer ik recht van meten heb. Vgl de mens als maat van de dingen.

[23]

Let op de impact van woord, beeld en geluid in de media. Uitgebreid en voortdurend spelen het suggestieve en de notie van authenticiteit, vormen van narrativiteit, een overheersende of beslissende rol. De narrativiteit is een onderschatte tactiek van de rationaliteit. Zij relativeert de pretenties van de kennis en de ratio, het beheersen, ten gunste van de creativiteit, de vaardigheid die blijkt in het omgaan met het andere als het andere. Zij is prudent, sociaal vaardig. Gastvrijheid blijkt hier een authentieke wijze van bestaan. Zie het geciteerde hoofdstuk in noot 152, met name p. 134.

Kennis is plaats gebonden: het in kaart kunnen brengen, het beheersen, het thuis zijn. Creativiteit, narrativiteit hoort bij de beleving van de tijd. Uitkomsten staan hier nooit vast. Het ogenblik is aan het werk in tijd en duur, voorlopig absoluut.

[24]

Men kent de oude – maar wat heet hier oud? – christelijke ideeën over hemel en hel. De afstand van leven naar dood is dan overbrugd, een afscheid van het leven dat bitter definitief blijkt, een verandering van plaats en wisseling van decor die blijkbaar niet ongedaan gemaakt kunnen worden. Tegen die achtergrond klinkt de vertrouwde nabijheid van hemel en aarde dank zij Gods scheppend begin onwaarschijnlijk. Waar wij afstand kennen (hemel en aarde) reikt Ps 115,16 nabijheid aan: De hemel is de hemel van God, de aarde heeft hij aan de kinderen van de mensen gegeven. Ze zijn elkaar even nabij als op een schaakbord wit en zwart.

[25]

Waarom gesluierde woorden als toezegging en vermoeden? Waarom niet feiten? Waarom niet waarheden? Tegen waarheid zou, mits goed verstaan, geen bezwaar zijn. Goed verstaan, bijbels verstaan, betekent waarheid een daad van genegenheid. Waarheid maakt in de Schrift de genegenheid – vrij algemeen gesubstantialiseerd door het woord genade als vertaling – concreet, geeft haar handen en voeten, tastbaarheid en toegankelijkheid.

  Geloven gaat niet over feiten. Buiten interpretaties om zijn feiten (dogmatiek, moraal) dode letters, zonder betekenis, als uitslagen van een medisch laboratorium terwijl ik geen notie heb van de betekenis van de afkortingen of de aangegeven waarden in cijfers. Daarom hoort katechese essentieel bij geloven, vieren en gemeenschap. Elke uitspraak in de wereld en taal van bijbels geloven dient uitgelegd, of beter, toegankelijk gemaakt te worden. Inleiden in de wereld van deze verhalen en in alles wat daarin ter sprake komt. Uitleg is uitleg, zodra de ander minstens enigermate verstaat wat er gezegd wordt zodat het boek een beetje verder open gaat en zelf het woord kan nemen.

Geloven gaat over de grenzen van mijn mogelijkheden heen. Wanneer ik geloof gebeuren er van mij uit onmogelijke dingen. Mijn vermogen, wat ik vermag, waartoe ik in staat ben, wordt overschreden. Feiten, en in die (oude) zin ook waarheden kan ik verifiëren. Ik kan ervoor instaan en zeggen: het is waar. Zo kan ik ook geloven. Ik kan zeggen: ik houd van jou. Maar de tijd zal leren wat dat voor mij betekent en hoe waar het is.

  Wanneer geloofsleer een geheime leer is, alleen voor ingewijden, dan zijn er geheime bedoelingen aan het werk en wordt een ander doel gediend dan dienst aan de openbaring. Dan wordt er onderscheid gemaakt tussen mensen die er wel en niet bij horen. Waarom? Dan wordt er afhankelijkheid geschapen – terwijl schepping, getuige het verhaal van de zeven dagen uit is op vrijheid, op laten zijn. Bij geloven hoort steeds een ruis, op een of andere manier klinkt mijn verstaan, min of meer op de achtergrond mee, mijn getuigenis, mijn weergave van wat ik hoor (vgl de hoofdtekst binnen de joodse traditie: Hoor Jisraeel, Adonaj is onze God, Adonaj is één – Deut 6,4. Het horen maakt de hoorder tot Jisraeel, Israël. Geloven, houden van, is altijd een vorm van interpreteren.

  Geloven als kennen, weten van feiten, waarheden, - ik weet het niet zeker, maar ik geloof - legt de nadruk op het ik. Je ziet dat aan de hoeveelheid woorden in de voorafgaande, korte tussenzin. Ik geloof, ik ken, ik weet. In de geschiedenis van het geloven is het evenwel nu precies het merkwaardige, dat ik voorkom in het verhaal van anderen, van God bijvoorbeeld, of van mensen die ook in die verhalen thuis blijken, een plaats vinden, zich herkennen. Ik geloof gaat niet over de kwaliteit van mijn kennen, maar over mijn gekend zijn, gekozen, - overleven in het verband van het verbond en daarmee een plaats, een verantwoordelijkheid meer hebben. 

[26]

In de film Shadowlands wordt opgemerkt, dat het niet de bedoeling van bidden is, God te veranderen. Bidden, zegt iemand (D.C.Lewis), heeft als bedoeling om de mens te veranderen.

Verdere toelichting: Wie het Onze Vader bidt, zegt de woorden van Jezus na, geeft zijn/haar stem aan zijn woorden. Bidden leert je dus bijvoorbeeld om te doen als hij.

[27]

Het kerkelijke jaar duurt van de eerste zondag van de Advent (4 weken voor Kerstmis) tot de zondag voor de eerste zondag van het volgende kerkelijke jaar. Ieder kerkelijk jaar volgt de kerk de lezingen die aangegeven worden door het lezingenrooster. Het leesrooster (1ste en in de regel 2e lezing tijdens de zondagse eucharistie-viering) duurt in totaal 3 jaar. Daarom heeft elk jaar als toevoeging, dat het een a, b of c jaar is. Tijdens een a-jaar is de evangelie-lezing uit Mattheüs, tijdens het b-jaar Markus en in een c-jaar Lukas. Grof gezegd van Pasen tot Pinksteren wordt gelezen uit het evangelie van Johannes.

  De evangelie-lezing is in de regel de tweede lezing. Hierbij een een passend gedeelte gezocht uit het zogenoemde oude of eerste testament. Je zult hier dus vaak thematisch of andere verwantschap vinden. (Vaak worden bij deze thematiek ook liederen gezocht en (voor-)gebeden geformuleerd. Er zijn ook standaard-teksten beschikbaar.)

  De lezingen uit het evangelie lopen min of meer door. (Officieel heeft iedere zondag 3 lezingen. Tussen de eerste en de evangelie-lezing is dan een tweede, in de regel uit de brieven van Paulus. Deze lezing staat los van de eerste en die uit het evangelie. Het is een lectio continua.)

  (Vroeger, voor 1960/70 werden er elke zondag dezelfde teksten voorgelezen. Dezelfde in die zin, dat iedere 3e zondag na Pinksteren dezelfde tekst gelezen werd. Zodoende vindt je in de iconografie vaak dezelfde verhalen terug: de barmhartige Samaritaan, de verloren zoon, enz.)

[28]

Kerk – afgeleid van kyriakè, d.w.z. van de Kyrios, van de Heer. Oikia kyriakè, het huis van de heer. Voor kenmerken en kernactiviteiten: zie voetnoot 64.

[29]

Zie Jezus bij de Emmaüsgangers, Luk 24,30v.

[30]

Zoals wanneer je met het openbaar vervoer in Amsterdam komt. Kom je met de trein uit het zuiden, dan zul je aankomen via Duivendrecht en Metro, via Amstel, C.S, of eventueel Sloterdijk. Je kunt ook via metrolijn 50 (Isolatorweg) naar de RAI, Zuid en Sloterdijk. Je kunt ook via Amstel met de bus naar RAI. Je kunt ook …De eerste keer is dat moeilijk, al die namen en varianten. Je zoekt je weg in een vreemde stad. Maar herhaling van stappen blijkt moeilijke situaties makkelijk te maken. Zo wordt het vreemde vertrouwd, eigen.

[31]
Bijvoorbeeld. Je kunt wel zeggen: je mag niet liegen, je moet niet oneerlijk zijn – maar wat is liegen? Wat is oneerlijk zijn? Moet ik om als mens te kunnen leven met heel mijn hebben en houden voor de dag komen zoals sommige publicisten of juristen dat van mening zijn? Is leven het opgemaakte bed van de reclame:Komt U maar? Is leven dat wat van de daken wordt geschreeuwd? Zijn mijn vragen echo's van wat geruis? Gaat ik ergens over? Zeggen mijn woorden wat ik wil zeggen? Kan het zijn, dat ik me nu pas realiseer wat ik gezegd heb? Hoe kan het toch zijn dat ik eerder niet begrepen heb dat …!

[32]
Denk aan de tekst van de engel boven kerstmis over vrede.

[33] Gen 12,1-4.

[34]
Heden, wanneer je luistert naar zijn stem, Ps 95, 7. Niet met onze vaderen heeft de Heer een verbond gesloten, maar met ons, zoals wij hier heden allen in leven zijn. Deut 5,3. De tijd van het verhaal, het echte verhaal, is altijd heden. Daar is enkel een stem voor nodig. Het geeft niet wie hieraan zijn of haar stem geeft, instemt – tot en met: zichzelf hoort spreken. Bijbels lezen is altijd hardop lezen, je horen spreken. In teksten van de franse filosoof Jacques Derrida is s’entendre parler een vertaling voor Selbstbewustsein.

[35]
Zie Genesis 26,18vv. Bronnen water gaan vooraf aan ieder leven en samenleven. Het leven dat de vader (Abraham) mogelijk maakt, wordt ook gedragen door de zoon van de vader Isaak). De bronnen van de traditie toegankelijk maken kan wellicht ook de samenleving van vandaag (onze cultuur) over de vergankelijkheid en de dood  heen helpen. Met name vóór de nieuwe generaties geplaatst (bijvoorbeeld als onderwijsgevende) zou je dan getuige kunnen woorden van het nieuwe leven. Water brengt overigens het wonder van bloeien en groeien niet in zijn massiviteit, als voorraad, maar in zijn vloeibaarheid, waar het opgaat in de (ni niet meer verdrogende) aarde. Het aspect van de tijd bepaalt hier de ruimte.

[36]
Dit is bekend. Vader bijvoorbeeld. Hij gaat van groot en sterk, via autoriteit en niet en niets begrijpende tot een mogelijkheid van rust, een bron van vertrouwen, een onopvallende aanwezigheid en een diep gemis. Steeds opnieuw blijken sleetse woorden aan revisie toe, worden ze zo goed als nieuw. Dat gaat niet over de woorden, dat gaat over mijn verstaan.

[37]
Uiteindelijk is dit proces een variant op het leerhuis-model. Mensen komen met een zekere regelmaat bijeen om samen hun verhalen te lezen. Er is niemand die het weet. Wel zijn er mensen die wat meer leeservaring hebben. Zij zijn de leraren. De vragen maken degenen die een antwoord proberen tot leraren.

[38]
De woorden die ik tot jullie spreek zijn geest en waarheid. Zie Johannes 6,63. De woorden van het woord, dat moet het Onderricht zijn, de Thora. Daar, bij het begin is de geest als het geheim van hemel en aarde: ze zijn toch één.

[39]
Voegt een bijbelverhaal toe aan het arsenaal dat samen de bijbel maakt? Of is ieder verhaal op zich een tekst die het geheel op zijn eigen wijze samen vat, een poging het geheel, dus steeds een deel, een facet, een detail in kaart te brengen

[40]
Alle verhalen zeggen wat zonder dat verhaal onzegbaar is – heeft zoiets betekenis? Je weet het nooit zolang wij elkaar aankijken, zolang het gezegde en het nog niet gezegde ons aan elkaar bindt.