Het lijdensverhaal van Mattheüs (26,1-27,54)

terug naar basis
home

Studie - aanwijzing.
Je vindt hier een werkvertaling van vlak voor het einde van het evangelie volgens Mattheüs. Wij krijgen onder ogen waar Mt van begin af aan (zie mt 2) op uit is. Het mag de lezer niet verbazen: het hieronder volgende vooronderstelt in feite heel het Evangelie volgens Mattheüs. Daarom moet de tekst wijs, met begrip gelezen worden. Daarmee wordt bedoeld: lees niet alles in een keer van boven naar beneden met alle verklarende voetnoten erbij. Dat is teveel.
Hoe kun je deze tekst het beste lezen?

Lees eerst uit een gewone bijbelvertaling Mt 26 en 27. Dan heb je de tekst in zijn geheel gezien en lees je in ieder geval een beetje meer vanuit het geheel.

Leg voor jezelf met enkele woorden vast wat je aandacht heeft en neem de tijd voor deze terugblik, reflectie.
Begin vervolgens "vanuit dit eerste beeld" met je eigen herinneringen in iets grotere fragmenten de hier geboden vertaling te lezen.
Verandert er iets in het beeld dat je hebt? Leg hetgeen je opvalt vast in enkele aantekeningen. Nu hen je enigermate voor ogen hoe je de tekst in eerste instantie leest.
Ga tenslotte van markering tot markering (***) de tekst lezen. Waarom staan die *** daar? Volg de aantekeningen in de noten. Maak aantekeningen van wat jou aandacht vindt.

Het moge duidelijk zijn: alles wat hier staat kun je niet "in je hoofd vastleggen". Dat hoeft ook niet. Iedere wandeling door de stad biedt zijn eigen momenten en ervaringen of herinneringen. Wanneer je op het einde van de kennismaking meer en concreter zaken hebt op te merken dan wat je na de eerste lezing schreef, dan heb je bijgeleerd.

terug naar plan

Mattheüs 26-28

Inleiding Mt 20,18-19 geeft de inhoud, samenvatting derhalve van het slot van het evangelie volgens Mt.

a  - overgeleverd aan de leiders van het volk (26,1-27,1) en ter dood veroordeeld (a2 - 26,57-75);

b  - 27,2-27,54: overgeleverd aan de volkeren

c  - 27,55-28,10: op de derde dag.

De hieronder afgedrukte werkvertaling is experimenteel. Ze is gebaseerd op de veronderstelling dat het zogenoemde Nieuwe Testament welliswaar in het grieks geschreven en/of overgeleverd is, maar in feite een griekse weergave is van onder de bekende tekst schuilgaande hebreeuwse of aramese taalstrukturen. Dit heeft in het bijzonder gevolgen voor de vertaling van de tijden van het werkwoord (verleden tijd, tegenwoordige of toekomstige tijd). Het hebreeuws of aramees is in feite tijdloos of altijdelijk: het vertelde wordt verteld alsof het eenmaal begonnen gebeurt.

Vanuit de levende herinnering wordt verteld. Het verhaal is en maakt je tot tijdgenoot van dat waar het over vertelt. De beste weergave daarvan in het nederlands is de tegenwoordige tijd. (Technisch heet dit: een praesens historicum.)

De stem van de verteller betrekt de verteller en de toehoorders bij het verhaal, maakt hen tot getuigen. Daarmee komt de nadruk te liggen, - niet meer op het gebeurde, het historische, maar op het gebeuren waar je bij betrokken wordt. (Een eventuele verdere verantwoording van het hier gestelde vind je in A.Chouraqui, Evangiles, les quatre annonces, Desclée De Brouwer, 1976 (2), pp. IX-XI en de daar aangegeven literatuur.)

De tekst wordt hieronder in kolommen weergegeven. Iedere gezette regel is a.h.w. een adem-eenheid. Er worden nauwelijks alinea's afgebakend. Dat mag de toehoorder doen. Welke criteria gebruik je daarvoor?

Om de lezer niet terstond te confronteren met cijfers is de aanduiding der verzen hier steeds toegevoegd aan het einde van het voorafgaande vers.

Tenslotte:

De hier aangeboden hoofdtekst is een woordelijke vertaling uit de grondtekst (grieks met een hebreeuwse achtergrond). Het commentaar vind je puntsgewijs in de voetnoten.

Mattheus 26,1

En (het is):

wanneer JEZUS al[1] deze woorden eindigt,

zegt hij zijn leerlingen[2]: 2

Jullie[3] weten,[4]

over twee dagen is het Pèsach[5].

En de zoon van de mens wordt overgeleverd om ge­krui­sigd te worden.[6] 3

*[7] Dan[8] komen de PRIESTER-OVERSTEN EN DE OUDSTEN[9] van het volk[10] bijeen

naar aula van de hogepriester, genaamd Kajaphas, 4

en zij beraadslagen met elkaar

om Jezus[11] door list te bemeesteren en te doden. 5

Maar ze zeggen,

niet op het feest,

opdat er niet oproer[12] zal zijn in het volk. 6

*** Terwijl JEZUS in Beth-anië[13] is,

in het huis van Simon de me­laatse[14]: 7

EEN VROUW[15] nadert hem.

Ze heeft een albasten kruik met kostbare mirre.

Ze giet het uit over zijn hoofd, terwijl hij aanligt. 8

Maar DE LEERLINGEN zien[16] dit.

Ze zijn verontwaardigd. Ze zeggen

Waartoe deze verkwisting?

Want deze (mirre) kan voor veel verkocht worden

om te geven aan de armen! 10

Maar JEZUS weet het. Hij zegt hen:

Wat voor lasten leggen jullie deze vrouw op?

Want[17] zij doet een goed werk[18] aan mij. 11

Want altijd hebben jullie de armen[19] te midden van jullie,

Maar mij hebben jullie niet altijd. 12

Want zij, gooit deze mirre over mijn lichaam.

Ze doet dit om mij te begraven[20]. 13

Voorwaar, ik zeg jul­lie,

overal waar dit goede verhaal verkondigd zal worden in de gehele wereld,

zal ook gesproken worden over wat zij doet tot gedachtenis[21] aan haar. 14

Dan gaat EEN VAN DE TWAALF,[22] met name JUDA(S)[23] Iskari­oth, naar de priester-oversten. 15 Hij zegt:

Wat willen jullie mij geven?

En ik zal hem jullie overleveren[24].

En zij stellen hem dertig zilverlingen. 16

En van dan af zoekt hij een goed moment dat hij hem zal overleve­ren.[25] 17

***

Op de eerste dag van het feest van de ongezuurde broden[26],

naderen[27] de leerlingen Jezus. Ze zeggen:

Waar wil je dat wij toebereiden voor jou om Pèsach te eten? 18 Hij zegt:

Gaat naar de stad tot die‑en‑die[28] en zegt hem:

De leraar zegt:

Mijn tijd is nabij;

bij jou maak ik Pèsach te midden van mijn leerlingen. 19

En de leerlingen doen zoals Jezus hen opge­draagt,

en zij bereiden Pèsach. 20

Het is avond geworden.

HIJ[29] ligt aan te midden van de twaalf. 21

En terwijl zij eten zegt hij:

Voorwaar, ik zeg jullie:

een van jullie mij zal overleveren.

En zeer be­droefd, begin­nen zij, een voor een, tot hem te zeggen:

Ik ben het toch niet, heer! 23

Maar hij antwoordent. Hij zegt:

Wie zijn hand met mij in de schotel doopt[30] zal mij overle­veren. 24

De zoon van de mens[31] gaat wel heen zoals over hem ge­schre­ven is,

maar wee die mens,

door wie de zoon van de mens wordt overgeleverd.

Goed[32] was het voor hem, als hij niet gebo­ren[33] was, die mens.

Maar Juda(s)[34] die hem overlevert zegt:

Ik ben het toch niet, rabbi![35]

Hij zegt hem: Jìj zegt het[36]. 26

Ze eten.

JEZUS[37] neemt brood,

spreekt de dankzegging[38] uit,

hij breekt het

en geeft het aan zijn leerlingen. Hij zegt:

Neemt, eet[39].

Dit is mijn lichaam.

En hij neemt een beker,

en spreekt de dankzegging uit[40].

Hij geeft hem en zegt:

Drinkt hieruit allen.

Want dit is mijn bloed van het verbond,

dat voor velen[41] vergoten wordt tot vergeving van zonden[42]. 29

Maar ik zeg jullie,

ik zal van nu af aan niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken tot op die dag,

wanneer ik het met jullie nieuw zal drinken

in het koning­schap van mijn va­der. 30

En ze zingen (het Halleel[43])

en gaan naar buiten naar de Olijfberg. 31

***

Dan zegt JEZUS hen:

Jullie zult allen aan mij aan­stoot nemen in deze nacht.

Want er staat geschreven:

Ik zal de herder slaan

en de schapen van de kudde zullen verstrooid wor­den.

Nadat ik ben opgewekt

zal ik jullie voorgaan naar Galilea. 33

PETRUS[44] antwoordt

Hij zegt[45] hem:

Als allen aan­stoot aan je nemen,

ik zal nooit aanstoot nemen[46]! 34

JEZUS zegt hem:

Voorwaar, ik zeg je,

in deze nacht,

eer de haan roept,[47]

jij zult mij driemaal verloochenen.

PETRUS zegt hem: 35

Zelfs al moet ik met je sterven[48],

ik zal je niet verloochenen.

Op gelijke wijze[49] spreken ook al de[50] leerl­ingen. 36

Dan gaat JEZUS MET HEN naar een plaats,

Getsemane[51] genaamd,

en hij zegt de leerlingen:

Gaat hier zitten,

zodat ik wegga om daar te bidden. 37

En hij neemt PetrUs en de twee zonen van Zebedeüs mee

en hij begint bedroefd en angstig te worden. 38

Dan zegt hij hen:

Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe;

blijft hier en waakt met mij. 39

En hij gaat een eindje weg.

Hij werpt zich op zijn aangezicht ter aarde.

Hij bidt en zegt:

Mijn vader als het mogelijk is,

laat deze beker mij voorbijgaan.

Evenwel niet zoals ik wil maar zoals jij wilt.[52] 40

En hij komt bij zijn leerlingen

en hij vindt hen sla­pend.

En hij zegt Petrus:

Jij bent niet zo sterk om een uur met mij te waken! 41

Waakt en bidt,

dat jullie niet in verzoe­king komt;

de geest is wel gewillig,

maar het vlees is ziek. 42

Weer,

voor de tweede keer,

gaat hij weg.

Hij bidt. Hij zegt:

Mijn vader wanneer dit niet voorbij kan gaan tenzij wanneer ik deze (beker) drink,

jouw wil geschiede! 43

En hij ­komt,

en hij vindt hen ingeslapen

want hun ogen zijn ­zwaar. 44

En hij laat hen en gaat[53] weer weg.

Hij bidt de derde keer.

Hij spreekt weer hetzelfde woord.[54] 45

Dan gaat hij naar de leerlingen

en hij zegt hen:

Slaapt nu verder en rust.

Zie, het uur[55] is nabijgekomen,

en de zoon van de mens wordt overgeleverd

in de handen van zondaren. 46

Staat op,

gaan we.

Zie, die mij overlevert, is nabijgekomen. 47

En terwijl hij nog spreekt,

zie, daar is JUDA(S)[56], een van de twaalf,[57]

en met hem veel menigte met zwaarden en stokken

vanwege de priester-oversten en oudsten van het volk. 48

En die hem overlevert heeft hun een teken[58] gegeven. Hij zegt:

Die ik zal kussen, hij is het;

maakt je van hem[59] meester. 49

En ter­stond nadert[60] hij Jezus. Hij zegt:

vrede[61], rabbi!

En hij kust hem. 50

Maar Jezus zegt hem:

Vriend,

ben je daarom hier!

Dan naderen ze.

Ze leggen de handen op Jezus

en maken zich van hem meester. 51

En zie, EEN VAN DIE bij Jezus zijn,

strekt zijn hand uit,

trekt zijn zwaard

en raakt de knecht van de hoge­priester

en slaat hem het oor af. 52

Dan zegt JEZUS hem:

Breng je zwaard weer op zijn plaats,

want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen. 53

Denk je dat ik mijn vader niet kan aanroe­pen

en dat hij mij direct meer dan twaalf legioen engelen terzij­de zal stellen! 54

Hoe dan zullen de Schriften in vervul­ling gaan, dat het zo moet zijn! 55

Op dat uur[62] spreekt JEZUS TOT DE MENIGTEN[63]:

Als tegen een rover zijn jullie uitge­gaan

met zwaarden en stokken om op te pakken.

Dagelijks zit ik in de Tempel te leren[64],

maar jullie overmeesteren mij niet. 56

Maar dit alles is (zo),

opdat de Schriften van de profe­ten in vervulling zullen gaan.

Dan verlaten al de leerlingen hem[65]. Ze vluchten. 57

***

Die Jezus overmeesterd hebben,

voeren hem weg naar Kaja­fas, de hogepriester.

Bij hem zijn de Schriftgeleerden[66] en oudsten bijeengekomen[67]. 58

Maar PETRUS[68] volgt hem van verre[69] tot aan de aula van de hogepriester.

Hij[70] gaat binnen, en gaat zitten tussen de dienaren

om het einde[71] te zien. 59

De priester-oversten en het hele Sanhedrin

proberen een vals getuigenis tegen Jezus te vinden

om hem ter dood te brengen. 60

En hoewel er veel valse getui­gen optreden:

ze vinden niets.

Uiteindelijk komen er twee. Ze zeggen: 61

Hij heeft gezegd:

Ik kan afbreken de Tempel van God

en binnen drie dagen zal ik hem opbouwen. 62

En de HOGEPRIESTER staat op. Hij zegt hem:

Jij antwoordt niets!

Wat getuigen[72] zij tegen je? 63

Maar Jezus zwijgt.

En de hoge­priester zegt hem:

Ik bezweer[73] je bij de levende God, dat je ons zegt,

of jij de Messias bent, de zoon van God. 64

Jezus zegt hem:

Jìj zegt het.

Maar ik[74] zeg je,

vanaf nu[75] zul je de zoon van de mens[76] zien.

Hij zit aan de rechterhand van de macht

en komt op de wolken van de hemel. 65

Dan scheurt de hogepriester zijn kleren[77].

Hij zegt:

hij heeft (God) gelasterd!

Wat hebben wij nog getuigen nodig?

Zie

hebben jullie nu de godslastering gehoord! 66

Wat is jul­lie menig?

En ze antwoorden en zeggen:

schuldig is hij, de dood. 67

Dan spuwen zij hem in het aangezicht

en ze slaan hem met vuisten;

anderen slaan hem in het gelaat[78] en zeggen:  68

Wees ons een profeet, Messias,[79]

wie is het, die je geslagen heeft? 69

***

PETRUS[80] evenwel zit buiten[81] in de aula.

En er komt een slavin naar hem toe. Ze zegt:

Ook jij was bij Jezus, de Galileeër. 70

Maar hij loochent het ten aanhore van allen[82]. Hij zegt:

Ik weet niet, wat je zegt. 71

Terwijl hij naar het portaal gaat, ziet een andere hem

en zij zei tot degenen die daar zijn:

Hij was ook bij Jezus, de Nazo­reeër. 72

En weer loochent hij het met een eed:

Ik ken de mens niet. 73

Even later komen die daar staan naar Petrus toe. Ze zeggen:

Waarachtig, ook jij bent een van hen,

want ook je taal[83] maakt duidelijk wie je bent. 74

Dan begint hij zich te vervloeken en te zweren:

Ik ken de mens niet.

En terstond roept een haan. 75

En Petrus herinnert[84] zich het woord, dat Jezus gesproken heeft:

Eer de haan roept zult jullie mij driemaal verloochenen.

En hij gaat naar buiten[85] en hij huilt bitter.[86]  27,1

***

Het is ochtend.

Al de priester-­oversten en de oudsten van het volk

nemen het besluit tegen Jezus om hem te doden.[87] 2

En zij boeien hem.

Ze leiden hem weg

en zij leveren hem[88] over aan Pilatus, de Procurator. 3

Dan ziet[89] Juda(s) die hem overgeleverd heeft

dat hij veroordeeld is.

Hij krijgt spijt.

De dertig zilverlingen[90] brengt hij naar de priester-oversten en oudsten en hij zegt:

Ik heb gezondigd.[91] 4

Onschuldig[92] bloed heb ik overgeleverd!

Maar zij zeggen:

Wat gaat ons dit aan?

Zie[93] jij! 5

En hij werpt de zilverlingen de tempel in.

Hij wijkt uit[94] en gaat weg. Hij hangt zich op[95]. 6

De priester-oversten nemen[96] de zilverlingen. Ze zeggen:

Het is niet toegestaan[97] dit te werpen in de offerkist,

want het is schatting van bloed. 7

Zij nemen evenwel een gezamenlijk besluit.

Ze kopen daarvan de akker van de potten­bak­ker

om een begraafplaats[98] te zijn voor de vreemdelingen. 8

Daarom heeft die akker de roep Bloedakker te zijn tot heden toe. 9

Dan wordt vervuld wat gesproken wordt door de pro­feet Jere­mia. Hij zegt:

En zij nemen de dertig zilver­lingen,

de schatting van de geschatte[99]

die ze zich geschat hebben uit de zonen van Israel, 10

en ze geven die voor de akker van de pottenbakker,

zoals de Heer mij opdraagt. 11

***

JEZUS echter staat voor de Landvoogd.

En de LANDVOOGD[100] ondervraagt hem. Hij zegt:

Ben jij de Koning[101] van de Joden?

Jezus zegt: jìj[102] zegt het! 12

En op zijn beschuldigd worden door de priester-oversten en oudsten ant­woordt hij niets. 13

Dan zegt PILATUS[103] hem:

Hoor jij niet hoeveel zij tegen je getuigen? 14

En hij antwoordt hem op geen enkel woord, zodat de Landvoogd zeer verwonderd[104] is. 15

Nu is de Landvoogd bij elk feest gewoon[105]

een gevan­gene, ter keuze van de schare[106], los te laten. 16

Nu hebben ze een berucht[107] gevangene, genaamd Barabbas (- zoon van de vader -). 17

Daar zij nu toch bijeen zijn zegt Pilatus hen:

Wie wilt jullie, dat ik u zal loslaten,

Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt? 18

Want hij weet, dat zij hem uit nijd hebben overge­leverd. 19

Terwijl hij nu op de rechterstoel zit[108], zendt zijn VROUW[109] hem de boodschap:

Laat er niets zijn tussen jou en deze rechtvaar­dige,

want veel heb ik geleden,

heden in een droom om hem. 20

Maar[110] de priester-oversten en de oudsten overreden[111] de scha­ren,

dat zij om Barabbas (- zoon van de vader[112] -) moeten vragen,

maar Jezus ter dood zullen laten brengen. 21

De Landvoogd antwoordt[113]. Hij zegt hen:

Wie van die twee willen jullie, dat ik u loslaat?

Zij zeggen: Barabbas (- zoon van de vader -).  22

Pilatus zegt hen:

Wat moet ik[114] dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt?

Zij zeggen allen:

hij moet gekrui­sigd worden! 23

Hij zegt:

Wat voor kwaad doet hij?

Zij schreeuwen des te meer:

hij moet gekruisigd worden! 24

Pilatus ziet nu dat niets helpt,

maar dat er meer oproer[115] ontstaat en hij neemt water.

Hij wast[116] zich de handen ten overstaan van de schare. Hij zegt:

Onschuldig ben ik aan dit bloed;

jullie zien. 25

En heel het volk ant­woordt. Het zegt:

Zijn bloed[117] over ons en over onze kinde­ren! 26

Dan laat hij hun Barabbas (- de zoon van de vader -) los.

Yehosjoea laat hij geselen. En hij levert hem over

om gekruisigd te worden. 27

Dan nemen de SOLDATEN van de Landvoogd Jezus mee het pretorium in.

Ze brengen bij hem heel de afdeling bijeen[118]. 28

En kleden hem uit.

Ze doen hem een purperen kleed om. 29

En ze vlechten van doornen een krans.

Die zetten ze op zijn hoofd

en ze geven hem een riet in zijn rechterhand.

En zij vallen voor hem op de knieën.

Ze bespotten hem. Ze zeggen:

Vrede, Koning van de Joden! 30

En zij spuwen naar hem.

Ze nemen het riet en slaan naar zijn hoofd. 31

En als zij hem bespot hebben, trekken zij hem de mantel uit en doen hem zijn klederen aan

en zij voeren[119] hem weg

om hem te kruisigen. 32

Terwijl zij uitgaan treffen zij een mens uit Cyrene aan, Simon genaamd.

Hem dwingen[120] zij dat hij zijn kruis draagt[121]. 33

En zij komen naar een plaats[122], Golgota genaamd.

Dat is de genoemd Plaats van de Schedel[123]. 34

Zij geven hem te drinken wijn met gal vermengd[124].

En als hij proeft wil hij niet drinken. 35

Ze kruisigen hem.

Ze verdelen zijn kleren door het lot te werpen. 36

Ze gaan zitten. Ze bewaken zij hem daar. 37

En ze plaatsen boven zijn hoofd zijn geschreven beschul­diging:

Hij is Jezus de koning van de Jodden. 38

***

Dan worden met hem TWEE ROVERS gekruisigd, een rechts en een links. 39

De VOORBIJGANGERS nu belasteren hem.

Ze schud­den hun hoofd 40 en zeggen:

Hij breekt de tempel af en bouwt hem in drie dagen.

Red jezelf[125].

Als jij zoon van God bent,

kom (dan) af van het kruis!  41

Evenzo spotten de PRIESTER-OVERSTEN samen met de SCHRIFTGELEERDEN EN DE OUDSTEN. Ze zeggen: 42

Anderen redt hij,

zichzelf kan hij niet redden.

Hij is koning[126] van Israël:

laat hij nu van het kruis afkomen en wij zullen in hem vertrouwen. 43

Hij heeft vertrouwen op God:

laat die hem nu verlossen als hij welgevallen in hem heeft.

Hij heeft immers ge­zegd: Ik ben Gods Zoon[127]. 44

Op dezelfde wijze schelden ook DE ROVERS die met hem gekruisigd zijn op hem. 45

***

En van het zesde uur is het duister[128] over het hele land tot het negende uur[129]. 46

Omstreeks het negende uur roept JEZUS met luide stem. Hij zegt:

Eli, Eli, lama sabachtani![130]

Dat is:

mijn God, mijn God, waarom heb je me verlaten! 47

SOMMIGEN nu van die daar staand horen dit. Ze zeggen:

Hij roept Elia[131]. 48

En gelijk loopt een van hen.

Hij neemt een spons,

laat hem vol lopen met zure wijn[132],

steekt die op een riet.

Hij geeft hem te drin­ken. 49

Maar DE OVERIGEN zeggen:

Laat.

We moeten zien of Elia komt om hem te redden. 50

JEZUS roept[133] wederom met luider stem.

Hij geeft de geest. 51

***

En zie:

het voorhangsel van de tempel scheurt van boven tot beneden in tweeën,

en de aarde beeft[134],

en de rotsen splijten,

en de graven gaan open en vele lichamen van de ingeslapen heiligen worden opgewekt.

En zij gaan uit de graven na zijn opstanding en ze komen in de heilige stad waar zij aan velen verschijnen. 54

De HOOFDMAN en zij die met hem Jezus bewaken, zien de aardbeving en wat er gaande is

en zij worden zeer bevreesd. Ze zeggen:

waarlijk, hij is een zoon van God. 55 

*** ...

Voor het vervolg: zie het paasverhaal van mattheüs

Voor de vier verrijzenisverhalen

Zie ook: St.v.Amersfoort & J.C.M.Engelen, Vier verhalen verrijzenis., Gooi & Sticht, Hilversum 1987.


© 1995, Jan C.M.Engelen, Amstelveen/Amsterdam.



     [1]... toen J al deze woorden beëindigd had. Vijf keer eindigt, voltooit Jezus bij Mt "woorden": 7,28; 11,1; 13,53; 19,1; 26,1. Vijf keer, een parallel met de vijf "woorden"/boeken van Mozes?

     [2]Als al deze woorden voleindigt zijn, spreekt J tot zijn leerlingen. Wie de woorden hoort wordt "bij wijze van spreken" leerling. In zijn Passion laat Bach het bivoeglijk naamwoord "allen" weg.

     [3]"Jullie", de lezer of toehoorder wordt impliciet mede aangesproken, aanspreekbaar gemaakt.

     [4]het verhaaldoet beroep op iets dat zij en wij zouden weten.

     [5]Het betreft hier het joodse paasfeest. Aan de orde is het feest dat de nog nader uit te leggen zin gedenkt: wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd!

     [6]Tegenover (Pasen:) bevrijding hier: overlevering en kruisiging.

     [7]Alsof gewacht is tot het voorafgaande gezegd is: Dan! (In de griekste tekst staat hier tote. In het nederlands dient men dit weer te geven met "toen" of "dan". Het geeft een nieuw moment in het verhaal aan, een opeenvolgend moment dat direct aansluit bij het voorafgaande.

     [8]"Na twee dagen" ... Dan! Alsof men erop heeft gewacht, alsof hij zelf het startsein geeft.

     [9]Let op de wisseling van onderwerp. Van "Jezus en de leerlingen" gaat het verhaal (als een camera) naar andere personen in een andere omgeving. Verandering van onderwerp en verandering van plaats. Samen met "verandering van tijd" zijn dit de eerste strukturerende elementen in het verhaal.

     [10]Voor het eerst weer, sinds Mt 2,4. Van nu af aan worden zij decor, achtergrond voor heel het verhaal.

     [11]Het onderwerp van 26,1 wordt in het spreken (en doen) tot object (lijdend voorwerp) gemaakt.

     [12]De "oproer" zal er wel komen; zij zelf zullen degenen zijn die dit oproer veroorzaken. Zie 27,24.

     [13]Verandering van plaats. Nieuw fragment. Volgende ver­plaatsing v.14. Beth: huis, ani of anav: arme of zachtmoedige. Vgl Mt 5,3-5. Voor zachtmoedig, zie Num 12,3: dè eigenschap van dè leraar.

     [14]Melaatse: buitenstaander. Wat Simon is door zijn melaatsheid zal het onderwerp van het evangelie gaan overkomen: buitengeslo­ten.

Melaats is in het hebreeuws tsara'at. Het woord is afgeleid van tsarah, engte, beklemming, vertwijfeling, benauwdheid. Een ander woord, afgeleid van tsarah is Mitsraïm, "vanwaar beklemdheid", ofwel "Jen-land", in de regel vertaald met Egypte.

     [15]Het voorafgaande van de zin is a.h.w. het decor. Tegen die achtergrond een nieuw onderwerp. Zij is de enige vrouw te midden van al die mannen. Ze heeft iets en daar doet ze iets mee. Dat heeft een concentrerend effet. Haar daad roept een reaktie op, etc.

                In het evangelie zijn niet veel verhalen over vrouwen. Het betreft dan steeds uitzonderlijke verhalen. Typisch, dat vrouwen een dominante rol spelen in het slot van het evangelie - zoals ook direct bij het begin.

                De vrouw in kwestie heeft geen naam. Wie is zij? Antwoord op deze vraag kan alleen zijn: degene die doet wat zij doet.

     [16]De leerlingen reageren op hetgeen zij zien. Zij blijken hetgeen in 26,2 gezegd is niet gehoord te hebben. De leerlingen treden op als "de leerlingen". De reikwijdte van dit woord strekt zich zo men wil uit tot ieder die vandaag leerling is.

     [17]Tegenover hun ene "want" stelt hij een drievoudig "want".

     [18]Hapax, alleen hier genoemd. Het goede werk. Wat is het goede werk voor de lezer? Evenals zij bij hem zijn in hetgeen hij doet, hem overkomt. Vanuit die aanwezigheid bij de arme van het evangelie is het onmogelijk, afwezig te zijn bij ieder die het gaat zoals hem.

     [19]Door hun zorg voor de armen zien ze deze arme te midden van hen niet.

     [20]Waar de leerlingen "bezig zijn" met "de armen" is de vrouw bezig met dat wat, gezien 26,1-2 te gebeuren staat: het voorbereiden van "mijn begrafenis". De vrouw is aanwezig waar de leerlingen afwezig zijn. Hun verontwaardigd motief gebruikt Jezus om hen "bij de tijd" te brengen.

     [21]Bij het evangelie hoort voortaan de gedachtenis aan wat ZIJ gedaan heeft: bij hem en wat er met hem staat te gebeuren zijn. Vgl troosten: niet alleen laten.

     [22]Marcus geeft in het parallelverhaal "sommige leerlingen" (Mk 14,4). Mattheüs laat hen collectief verontwaardigd zijn. Vanuit die verontwaardiging gaat Juda(s) niet à titre personel, maar als één van de leerlingen naar de overpriesters. Juda(s) gaat als "een van de twaalf". Zijn gaan is gemotiveerd door de collectieve verontwaardiging.

     [23]Grieks: Judas; hebreeuws: Jehoeda of Juda. In Mt 1,2 neemt "Juda(s)" het woord broers" mee. (Zie eventueel Mt 28,7 en 8 tegenover 10.) Vanaf Mt 1,2 mobiliseert de tekst alle verhalen uit de Tenach over broers. Alle verhalen, vanaf Kain en Abel, Ezau en Jacob, Jozef en de broers zijn vanaf Mt 1,2 geheel en al reserve. Mt 28,10 onderstreept dit gegeven. Een tekst als "Onze Vader" doet hetzelfde.

     [24]Juda(s) heeft als kenmerkend werkwoord bij zich het griekse werkwoord paradidoomi. Para geeft een "doorgevende beweging" aan, van de een naar de ander. Didoomi is het werkwoord dat meestal vertaald wordt met "geven" (denk aan dosis).

                Paradidoomi betekent overgeven, doorgeven, zo men wil "overleveren". Het woord "verraden" is een interpretatie. Het is een mag niet uitgesloten worden geacht, dat deze interpretatie een verkeerd licht werpt op hetgeen Juda(s) doet.

                Bij Juda(s) dient men te letten op broers. Vanuit 28,7.8.10 vallen leerlingen daar ook onder.

     [25]26,1-16: overleveren! overpriesters! De overlevering komt op gang vanuit "een van de twaalf". Daartegenover staat in het midden de vrouw met haar goede werk van de voorbereiding en de gedachtenis.

     [26]Een nieuwe perioop begint: een aanduiding van tijd.

     [27]Hetzelfde werkwoord als bij de vrouw in 26,7.

     [28]Waartoe die vage aanduiding? Wie is "die-en-die"? Als je deze vraag aan de tekst stelt, dan geeft de tekst alleen als antwoord (zie enkele regels verder):"Bij jou"!

     [29]Geen naam wordt genoemd? Welke naam wordt hem gegeven? Wie geeft die naam? Waarom geeft hij die naam?

     [30]Waar zij samen eten doopt ieder zijn hand met hem in de schotel. Niemand gaat vrij uit. Als je kijkt naar de hand die naar de schotel gaat, wat zie je dan? Brood. Dat brood komt vervolgens "ter sprake" om alle aandacht te vragen voor "mijn lichaam".

     [31]Op deze wijze spreekt Jezus bij Mattheüs steeds over zichzelf, steeds met een aspect van toekomst (zoon, kind), steeds ook met "de mens": adaam. Ook als men hem met andere namen noemt, Hij noemt zichzelf "zoon,m kind van de mens". "Zoon van Adaam" - dan zijn er twee mogelijkheden: Kajien of Abel? Wie is Jezus, Kajien of Abel? Het verdere verloop van het verhaal zal dit duidelijk maken.

     [32]Grieks kalon, letterlijk "mooi". Hetzelfde woord is gebruikt bij het goede werk.

     [33]Vroeger fungeerde deze zin als "bewijs" dat het in ieder geval met Judas slecht afgelopen was. "Als er iemand in de hel is, dan hij!" Maar wellicht moet je je niet zo buiten de tekst plaatsen. Kan hier iets anders aan de orde zijn?

                Het zal je maar overkomen, dat je iemand die "alles" voor je betekent wezenlijk kwetst, pijn doet. Dan ga je door de grond van schaamte, blijf je nergens meer. Dan "vindt" je leven zo goed als "niet meer plaats".

     [34]De naam Jehoeda fungeert als een inclusio rond de perioop over het overleveren. Jehoeda heet daarin:"een van jullie".

     [35]Jullie moeten je niet rabbi noemen, want een is jullie leraar en jullie zijn allemaal broers - Mt 23,8.

     [36]Dezelfde woorden: 26,64 en 27 11. Zo worden Jehoeda (de leerling), de hogepriester (Israël ) en Pilatus (de volkeren - heel de wereld) door dezelfde woorden onder dezelfde noemer gebracht.

     [37]Vanaf Mt 26 wordt het verhaal onder de aanhef van "over twee dagen Pasen" grimmiger. De eerste uitzondering op die grondtoon wordt gemaakt door "de vrouw" met haar kruikje. Zij mobiliseert de collectieve verontw\aardiging van de leerlingen. De tweede uitzondering op de bitterheid van dit verhaal wordt gemaakt door Jezus wanneer hij de leerlingen "bij jou" Pasen laat voorbereiden. Hij neemt het brood om al sprekende naar voren te brengen: "mijn lichaam ... het bloed van het als nieuwe aloude verbond ... vrucht van de wijnstok niet meer totdat..." Wie het verhaal leest moet zich blijven realiseren dat het onderwerp van dit verhaal op een of andere wijze weet van een "totdat". Blijkbaar komt er nog meer.

     [38]Gr. eulogia, het goede woord of de lofprijzing, de zegenbede. Lukas (22,19) gebruikt hier euchariste­oo, het goede zeggen, dank zeggen.

     [39]Wat je eet wordt "je lichaam", wordt opgenomen en gemaakt tot het "ik". Alle aandacht valt op "het brood aangereikt". Dit brood vestigt door "neem" de aandacht op "de hand die geeft". De stem ("Neem en eet") leidt de aandacht verder: van brood naar het onderwerp van dit verhaal, "mijn lichaam", ik, nu nog aktief, straks alleen lijdend voorwerp, puur passief.

                Het "aangereikte brood" vat alles van dit lichaam (gaan, staan, horen, zien, spreken, enz.), alle verhalen tot nu toe en "alles wat nog komen gaat" samen. Daarbij vraagt hij (neem) en zegt hij (eet). Zo biedt hij zich aan. Zijn woord en daad als uitnodiging aan wie toegesproken wordt. Dat is het wezen van de eucharistie- of avondmaalsviering. Dit "gedenken" is: dit tot moment van het heden maken. (Je kunt daarbij denken aan het volgende. Wanneer "wij waren slaven in Egypte en Hij heeft ons bevrijd" betekenis heeft, wanneer je je hoe dan ook voelt als vrij/bevrijd mens, dan is dit "moment uit het verleden" een "bestanddeel van het heden" geworden. Dan vindt die bevrijding nu plaats.)

     [40]Hier heeft Mt eucharisteoo.

     [41]Waarom "voor velen"? Waarom niet "voor allen"? Waarom moeten er mensen uitgesloten worden? De laatste vraag maakt duidelijk dat "voor velen" niet begrepen wordt. Het is, zo zou je kunnen zeggen, een "democratisch allen". Je hoeft niet. Je mag deze beker aan je voorbij laten gaan. Maar als je zegt:"voor velen,  ook voor mij?", dan ben je uitgenodigd. "Voor velen" betekent "voor allen", maar "niet zonder jou".

     [42]"Zonde" is "wat het verbond verbreekt". Zonde vergeven is "het verbond herstellen", als nieuw maken.

     [43]Van dit hebreeuwse werkwoord (lofprijzen) is afgeleid Halleloe-Ya, geprezen de Eeuwige. Het halleel bij pèsach is voor de maaltijd ps 113 en 114; na de maaltijd ps 115-118.

     [44]De maaltijd (laatste avondmaal, paasmaal) wordt omsloten door aan de ene kant Juda(s) en aan de andere kant Petrus.

     [45]Petrus antwoordt niets m.b.t. de opwekking. Wat dat betreft heeft hij "niets gehoord". Hij "is toevallig met iets anders bezig". Dat zal blijken te zijn: "ik zal", zijn kijk op zijn eigen rol. Daar krijgt hij dan over te horen.

     [46]Aanstoot nemen, vallen over. Zie daartoe de "gekerkerde vraag" van Johannes in de gevangenis, Mt 11,1-6. Johannes in de gevangenis krijgt alles wat de Messias zal doen te horen (vgl Jes 29,18-19; 35,5-6; 61,1), maar niet wat hij nu juist nodig heeft, de "bevrijding van de gevangenen". Daarop klinkt:"Zalig ben je als je aan mij geen aanstoot neemt." (Mt 11,6.)

                In zijn "vaderstand" - waar hij thuis is - valt op, hoe bijzonder buitengewoon hij is, niet te herleiden tot zijn verleden. Hij "springt er uit". Daarop nemen zij aanstoot aan hem (Mt 13,57). De derde plaats buiten Mt 26 waar Mt "aanstoot nemen" inzet is Mt 15,11. De tekst is daar direct herkenbaar.

     [47]Je mag natuurlijk zeggen:"Een haan roept niet; hij kraait". In het grieks staat het werkwoord phooneoo, roepen. Je kunt dan ook vragen:"Wat roept hij?" Daarom is hij op de kerktorens terecht gekomen, als een waarschuwing. Daarom ook - als kinderen "palmpasen vieren" - hoort er, ter waarschuwing, een brood in de vorm van een haan op de stok voor palmpasen.

     [48]Petrus wekt de indruk te weten wat er op het spel staat? Maar blijft de vraag: weet hij het wel of weet hij het niet? Het blijkt het niet eens te bevroeden. De leerweg van de leerling gaat tot het einde (vgl Mt 26,58).

     [49]Petrus is evenals Juda(s) representatief voor "de leerlingen".

     [50]Niet meer "zijn" leerlingen.

     [51](Olijf-)olie-pers. Olijfolie werd ook gebruikt voor de lampen in de zevenarmige kandelaar in de tempel (die 's avonds werd aangestoken als een herinnering aan het licht van de vorige dag met het oog op de komende dag). Over olijfolie is een rabbijns gezegde: de zoete olie uit de bittere vrucht.

     [52]Jezus bidt zijn "Onze Vader".

     [53]De tekst vertolkt door zijn eenvoud een totale verlatenheid. Hier zie je al wat het kruis straks te zien zal geven: volstrekt alleen.

     [54]De lezer die zich probeert te herinneren wordt getuige van die woorden, spreekt ze mee, waakt.

     [55]Van "over twee dagen" naar "het feest", "de avond", "de nacht", "het uur". De tijd concentreert zich voor het uur van de overlevering.

     [56]Juda(s) is op tijd ter plaatse als een van de twaalf om hem over te leveren. De "twaalf" zijn de "oerschuldigen die zo aanstonds, als alles voorbij is, gezonden (apostel) worden". Dit geldt voor de twaalf leerlingen, maar evenzeer voor de stammen van Israël:"gij zijt mijn getuigen".

     [57]In hem komen ze alle twaalf.

     [58]Een teken: dat wat zal geschieden.

     [59]Het is nog steeds "Jezus te midden van de leerlingen". Op een of andere wijze is hij een met hen. Juda(s) maakt hem los van de groep door zijn kus.

     [60]Hetzelfde gebaar als de vrouw in 26,7, maar hoe anders blijkt hetzelfde!

     [61]In het grieks chaire, als vertaling voor de groet sjalom!

     [62]Is dat "zijn" uur, of "het uur van de menigte"? In ieder geval staat "dat uur" tegenover "altijd" of "dagelijks".

     [63]Een soort afscheid voordat het slotbedrijf begint.

     [64]Hier vindt je waar je Jezus vinden kunt. Je hoeft niet te zoeken. In de tempel bezig met leren, de Tora!

     [65]Vanaf dit ogenblik staat Hij er alleen voor.

     [66]De 'schrijvers', professionelen als het over schrijven en de geschriften gaat. Meestal vertaald met schriftgeleerden. Hier staan ze er alleenmaar bij. Je hoort ze niet. Zij zullen pas met overpriesters en oudsten het woord nemen waneer het gaat over het hoofdonderwerp van "de Schriften", in 27,41: Pasen.

     [67]In het grieks synechtèsan, afgeleid van synagoo, waar ook synagoge van afgeleid is. Bijeen komen, zich tot synagoge maken.

     [68]Niet meer "een van de twaalf".

     [69]De leerlingen zijn gevlucht. Petrus kan dus niet meer volgen. Daarom: van verre. Hoe dat gaat zal blijken.

     [70]Met hem gaat wie leest of luistert naar binnen om te horen en te zien wat er gebeurt.

     [71]Vgl 10,22 en 24,13.

     [72]Het pseudo-getuigenis wordt een getuigenis tegen.

     [73]Petrus hoort hier de hogepriester spreken zoals hij sprak. Vgl 5,33vv.

     [74]Tegenover "jij" staat hier "ik".

     [75]Het koningschap van God dat blijkt in of door zijn dood.

     [76]Kind van Adam/de mens, steeds met alle gevoel van "toekomst".

     [77]Dat mag de hogepriester als hogepriester alleen wanneer de tempel ontheiligd wordt.

     [78]"Het lichaam" wordt geconcentreerd in "het gelaat". De slagen maken Zijn gelaat onherkenbaar: niet om aan te zien.

     [79]Ze hebben niets gehoord over "zoon van de mens", duwen Jezus terug in de optiek van de hogepries­ter.

     [80]Petrus is van verre gevolgd. Hij heeft zich kunnen herkennen is de woorden van de hogepriester. Hij heeft ook kunnen zien hoe hij zou kunnen reageren. Hij heeft zijn eigen stijl. Petrus, hèt model van de leerling.

     [81]Hij zit buiten en gaat steeds verder naar buiten.

     [82]Hier voert Petrus zijn proces.

     [83]Niet een Galilees dialect, maar "de taal der ontkenning".

     [84]De "roep" van de haan wekt de herinnering. Het bij uitstek menselijke, de tijd, krijgt de kleur van de herinnering. Een woord wordt om te beginnen geboren als herinnering, als kunnen reproduceren.

                Petrus is, getuige zijn spreken, niet "bij Jezus". In zijn herinnering weet hij dat Jezus wel als woord, "bij wijze van spreken" bij hem is. Daarop gaat hij bitter wenend naar buiten. Zijn troost is de herinnering. Zo is hij gekend en niet afgewezen, "niet alleen" gelaten.

     [85]Hierna wordt Petrus niet meer met name genoemd.

     [86]Hij heeft nu laten zien wat "van verre volgen" betekent.

     [87]Het zelfstandig naamwoord uit 26,66 is nu een werkwoord geworden.

     [88]De overlevering aan Pilatus is de overlevering van Jezus door Israël aan de volkeren.

     [89]Zien wat er gebeurd is, terugblik.

     [90]Hij brengt de prijs terug, zegt:"Ik heb gezondigd". Aan onschuldig bloed heeft hij zich schuldig gemaakt. Daarmee komt Juda mogelijkerwijze een plaats toe in het verhaal over Kain en Abel.

     [91]Juda(s) lijkt de enige te zijn die zegt wat er gebeurt en die zegt wat hij gedaan heeft. Hij is ook de enige die van "zonde" weet. Hij belijdt zijn schuld. Ook de christen kan aan deze belijdenis niet voorbij.

                Juda deelt het geheim van de messias in uitverkiezing en verwerping. De donkere partijen zijn niet alleen voor Juda(s). Ondanks de volle paasmaan zal het op Calvarië stikdonker worden. Vergeet bij Juda(s) nooit Mt 1,2: Juda(s) en zijn broers. Alleen Pasen (zie Mt 2810) kan spellen hoever die of de broederschap gaat. Blijkbaar hoort wie leest daar - zo hij wil - ook bij.

     [92]Rechtvaardig bloed. De rechtvaardige is bij Mt om te beginnen Jozef (1,19). Hij wil het nieuwe begin tussen hemel en aarde (de geest) in het geheim "als niet" beschouwen maar komt daar op terug, doet zoals hem gezegd wordt. De rechtvaardige is hij die de weg van het woord bewaart en zo hemel en aarde bijeen houdt.

     [93]Zij zeggen:"Jij, zie zelf maar". Zij zeggen hetzelfde als Pilatus in 27,24, menen zich evenals Pilatus te kunnen distanciëren. Juda neemt dit "Ich habe es nicht gewusst" blijkbaar op zich, stelt zich aansprakelijk.

     [94]Hij werp het geld terug en wijkt uit. Het werkwoord dat na hoofdstuk 2 gebruikt wordt om de verplaatsingen van Jezus te duiden, zet Mt ook voor Juda(s) in. Hun beider "bewegingen" beginnen bijeen te horen.

     [95]In heel de schrift is dit alleen nog te vinden en 2 Sam 17,23. Vanuit die tekst word je geattendeerd op iets merkwaardigs. Hier wordt niets gezegd over "begraven". Er is op die dag maar een graf. Jezus neemt het geheim van Juda(s) mee in zijn graf.

     [96]Met dit "nemen" reageren zij op "overleveren". Straks zullen zij dit "geven" (28,12).

     [97]Hier is blijkbaar een kwestie over:"Is het toegestaan?"

     [98]Vanaf nu is er definitief ruimte gemaakt voor vreemdelingen in Jerusalem.

     [99]Rondom Jezus wordt met geld gesmeten. Zie het woord "schatten". Hoe men ook schat, men blijft onder de maat.

     [100]Het gaat niet over Pilatus. Aan de orde is de Procurator als Procurator, hij die (Pro is) namens (de keizer van Rome de Heer? van de wereld) het recht dient te handhaven.

     [101]Blijkbaar is dàt de kwestie.

     [102]Blijkbaar is dat jòuw wijze van "zien waar het over gaat".

     [103]Niet meer de functionaris. Nu komt de persoon van Pilatus in geding. Hij raakt betrokken.

     [104]Wat zal Pilatus doen met zijn verwondering?

     [105]We worden geïnformeerd over een gewoonte die er toch al is en die nu goed van pas komt, naar het schijnt.

     [106]Zij mogen kiezen; hij laat los.

     [107]Blijkbaar is Pilatus van mening dat ze vanzelf zullen kiezen voor Jezus. Dan hoeft hij geen uitspraak te doen. Die gelegenheidsop­lossing voorkomt dat hij een probleem krijgt.

     [108]En geacht wordt recht te doen maar een politiek spelletje speelt.

     [109]Zijn "hem tegenover". Een onderbreking in wat die mannen daar aan het doen zijn. "Heren, even rust. Mevrouw Pilatus!"

     [110]Tijdens het intermezzo waarin de vrouw van Pilatus het opneemt voor een rechtvaardige buiten de leiders van het volk de tijd uit.

     [111]Blijkbaar zijn ze van plan voor Jezus te kiezen. Nu, door de onderbreking, kunnen ze overgehaald worden.

     [112]De "zoon van de vader" brengt Isaak (Gen 22) binnen perspectief. De "zoon van de mens" Abel. Maar uiteindelijk is het geen keuze. Wie ze ook kiezen, het is de zoon van de vader. Wie ze ook vrij laten: het is de zoon van de vader.

     [113]Op wat zijn vrouw hem zegt.

     [114]Als je recht moet spreken kan dat geen uitspraak zijn. Uitgerekend dit hoeft hij niet te vragen.

     [115]Vgl 26,3. Alleen daar en hier "oproer". Zij zijn voor rust en orde zolang het hun uitkomt. Nu ontstaathet oproer nadat zij het volk "omgeturnd" hebben.

     [116]Pilatus in het theater van de onschuld. Zie ook Deut 21,6-8!

     [117]Dat "voor velen", voor allen vergoten wordt tot vergeving van de zonden. Het is de taal die in de kerk thuis hoort.

     [118]Gr. synagoo.

     [119]7,13.14; 26,57; 27,2.

     [120]5,14: één mijl.

     [121]Historische of plaatselijke informatie. Het kruis dragen: in de regel droeg de veroordeelde - in tegenstelling tot de gangbare voorstelling - de dwarsbalk van het kruis.  Die dwarsbalk werd over de nek gelegd, als een soort juk. De armen van de veroordeelde werden daar aan vastgebonden.

     [122]Die plaats is zo goed als bekend. Golgota was een steengroeve. Uit die stenen werd Jerusalem mede gebouwd. De gaten in de rotsen die daar ter plaatse ontstonden werden vaak gebruikt als begraafplaats. De plek lag vlak buiten de stad, werd in ongeveer 35 van de gangbare jaartelling binnen de zich uitbreidende stad opgenomen. Uit literaire informatie is bekend, dat "christenen" op het plein dat rond 35 daar ter plaatse ontstond bijeenkwamen ter gedachtenis.

     [123]Vermoedelijn een plaats waar in het gesteente dat gebruikt werd om bouwstenen weg te kappen, een ander soort kei zat in de vorm van een schedel. Dit gegeven is in de latere legenden teruggekomen als "de schedel van Adam". Het kruis is volgens die legenden geplaatst op de plaats waar Adam begraven is. (In zijn mond zou een pit gelegd zijn waaruit de boom groeide voor het hout van het kruis. Je ziet hieraan hoe aldus geprobeerd is, Adam en Jezus zeer met elkaar in verbinding te brengen.) Daarvandaan in menig schilderij van de kruisiging een schedel aan de voet van het kruis.

     [124]Een verdovingsdrank uit "medelijden".

     [125]Als Hij iets niet zaldoen is dat "zichzelf redden". Hier staat "red jezelf" tegenover "De Heer redt": Ye-hosjoea.

     [126]De woorden van de overpriesters bevatten meer dan een bespotting. Het begint minstens met een belijdenis. Voor een verder begrip van dit drama is 1Sam 12,25 onontbeerlijk. Zonder die tekst komt men niet verder dan nauwelijks verplichtende of uitnodigende ontroering en blijft de noodzakelijke evaluatie uit. 1Sam 12,25 Werkt uit, dat de koning die zij willen het eerste slachtoffer wordt "als je niet leeft volgens de Tora".

     [127]"Als je de zoon van God bent". Nog nergens heeft Jezus dit gezegd in het evangelie. Als hij het gezegd had, dan zouden wij weten dat hij het niet is. De Messias zal zich nergens op beroemen.

                "De zoon van God", deze woorden worden gebezigd door de duivel in de woestijn, door Petrus als de weg naar Jerusalem begint en door de hogepriester.

     [128]Ondanks de "volle maan" van Pasen, vanaf het zesde uur is het aarddonker. De Egyptische duisternis? Kan nu inderdaad niemand meer zijn naaste herkennen? En komt nu de "10e plaag", de dood van de eerstegeborene?

     [129]Van het 6e tot het 9e uur, het uur van gebed.

     [130]Jezus roept Eli, Eli, lama sabachtani... Wanneer de joodse mens weet dat hij sterven gaat bidt hij (of wanneer hij/zij het zelf niet kan doet een ander dat namens hem) psalm 22. In deze psalm wordt de radeloosheid van de verlatenheid ten einde toe gepeild. Pas daarna - niet eerder! - spreekt de Psalm over "mijn broers". Zie Mt 28,10.

                Door deze psalm hier kan men weten, dat Jezus weet wat er gebeuren gaat. Tegelijk ook geeft zijn bidden van deze tekst ook aan de tekst een nieuw vertolker.

     [131]Eli: mijn God; Ya, afkorting van Gods eigen Naam: de Heer. Dit kan men derhalve verstaan als een geloofsbelijdenis: Mijn God is de Heer. (Dit kan opgevat worden als een teken dat degene die sterven gaat begrijpt hoever het met hem gekomen is. Het kan ook verstaan worden als: roepen om de profeet Eliya, roepen om de de bevrijding.)

     [132]Niet om te plagen, maar om te verdoven.

     [133]27,23

     [134]Alleen nog in 8,24 en 28,2.