Dr. Jan Engelen

tot 1 juli 2007 docent voor katechese/katechetiek
Hogeschool IPABO Amsterdam/Alkmaar.


mei 2018

 


februari 2009

een korte biografie
opleidingen
studie, specialisatie,
werk

 

In 1942 word ik in Schaesberg geboren. Die plaats heet tegenwoordig Landgraaf.

Opleiding.
Eerst is er het Brocardus-college (gymnasium) in Merkelbeek (Z.L.) en het Gymnasium Sancti Alberti in Zenderen (O.). Talen vind ik moeilijk. Al die onregelmatige werkwoorden! Wiskunde is mijn hobby, puur plezier. De Karmelieten hebben nogal wat middelbare scholen. Al snel weet ik: later word ik pater en leraar wiskunde.

Na het gymnasium volgt het Noviciaat, inleiding in het kloosterleven. Het is een jaar in volstrekte afgeslotenheid.
De taal van de kerk is nog latijn. Koorgebed en mediteren en het dagelijks vieren van de liturgie. Van 's morgens vijf tot 's avonds negen ben je bezig je te concentreren op jezelf en 'het geestelijk leven'. Je krijgt inleidende colleges, mediteert veel. Wat mediteren is moet je in feite zelf uitvinden. Het heeft alles met stilte te maken, met goeie bedoelingen en diepte. Veel tijd wordt uitgetrokken voor allerlei vormen van gebed. Stilte is belangrijk. Er is geen radio en geen krant.
Dat strenge eerste jaar in het klooster, noviciaat, doet mij geen kwaad. Al dat "geestelijk" bezig zijn wordt afgewisseld met een dagelijkse portie handenarbeid. Leven wordt een serieuze zaak. De vroomheid doet mij in feite deugd. Als klein jongetje al ging ik vanzelfsprekend en graag naar de kerk. Nu ben je geen kind meer. Het is je keuze. Drie jaar filosofie volgen. Mijn ogen en oren zullen open gaan.

Filosofie studeer ik in Dordrecht in het Karmelietenklooster Amstelwijck, rechts van de autoweg richting Moerdijk, van 1962 tot '65. We beginnen o.a. met klassieke psychologie. Het Thomisme wordt aangesneden, ik lees Thomas in het latijn. Logica. Metafysica. Geschiedenis van de filosofie. wij volgen in feite de laatste restjes traditionele opleiding, met anti/modernisteneed en al. Na een half jaar volstrekt niets begrijpen komen de eerste tentamina. Opeens, als een flits: het klikt. Het wordt zeldzaam spannend en intrigerend. Voor het eerst gaat studeren ergens over, komen er voeten op de grond. Ik stroop de bibliotheek af. Merlau-Ponty, Kwant, Luijpen, Kant, Hegel, Marx, Ricoeur, Levinas, het lichaam, existentie, de ander.

De ontdekking is: je hoeft niet meer van buiten te leren. Je kunt ook dingen begrijpen, er bestaan samenhangen, je kunt vragen proberen. Sommige vragen zijn beter dan andere. Hoe komt dat? Theodicee, "natuurlijke godsleer"wil er bij mijn klas niet in. Godsbewijzen betekenen voor ons niets. Als de transcendente transcendent is, hoe kan die dan immanent worden of zijn? Ik begrijp nog niet dat taal niet een blik woorden is. Spreken kan ook zoiets als tasten of fouilleren kan zijn, aanvoelen, wellicht, vermoeden of proberen te duiden. Taal begint samenhang aan te reiken. Leren of studeren was in mijn jeugd vooral memoriseren. Dat doet er nu niet meer toe. Alles wordt anders, ook anders toegankelijk.

Filosofie neemt de plaats over die wiskunde eerder had. Maar ik zit met veel vragen en verheug me op de theologie. Dat wordt spannend. Daar zal het toch over gaan.

Naast de ontwikeling van je denken doen we in Dordrecht ook aan praktijk. We hebben allerlei clubjes die concreet werk doen: boomonderhoud, tuinieren, dieren, maar ook boekbinden, en mijn club, de stena, stencils maken en vermenigvuldigen. Daarnaast ook sociaal werk: we beginnen in Dordrecht met werken in het woonwagenkamp en in een clubhuis, buurt en jongerenwerk. Buitengewoon inspirerend. Andere mensen zijn heel andere mensen. Dat is interessant. Nabijheid is bemoedigend.

Maar ik verheug me op wat komt, de theologie. Ik heb zoveel vragen over mijn geloven, over geloven zowiezo. Ik hou van de kerk, maar wat moet ik daar of daarmee? Daarom ben ik blj met de theologie. Dan kan ik verder komen met wat mij daar wezenlijk bezig houdt.
"Daar moet je je niet te veel van voorstellen", wordt me gezegd. Maar volgens mij kun je daar niet te veel van voorstellen. Als theologie te maken heeft met God kan theologie niet tegenvallen. Dat moet spannend zijn.

Sinds 1964 is het nederlands ook in de katholieke kerk een liturgische taal geworden. Het gregoriaans bewaren we, dat heeft zijn eigen schoonheid en warmte, maar nederlandse liturgie en nederlandse kerkmuziek maakt duidelijk dat liturgie niet alleen een ritueel is, een gebeuren dat je in gang zet en afwerkt. In de liturgie verwoord je ook je geloven, vind je taal om woorden te zingen die je nauwelijks zeggen of spreken kunt.

Na drie jaar filosofie vertrekt "mijn studiejaar" in augustus 1965 naar Merkelbeek. Ik kom terug waar ik als 12-jarige begonnen ben, maar aan de andere kant van het gebouw. Niet meer het klein-seminarie en dus de gewone middelbare school, maar het klooster. We weten dan volstrekt nog niet dat het maar voor twee jaar zal zijn.
We krijgen colleges Bijbel, dogmatiek, kerkelijk recht, moraal, kerkgeschiedenis. Ik herinner me nog: De Deo Uno et de Deo Trino, over de ene en drievuldige God. De docent die daarover oreerde was vol van Hans Urs von Balthasar. Ik vond het slagroom: veel lucht en dat moet dan lekker zijn. Dat in de theologie bijbel verder gaat dan een citeerbaar boek in het kader van een "rationeel" verhaal, het is volstrekt afwezig. De ratio van een en ander is bij dit orakel ver zoek. Maar kerkelijk recht is prima. Kerkgeschiedenis moeilijk soms. De dingen zijn toch anders gegaan dan de officiële lezing in 1967 suggereert. En we worden gedwongen een digen weg te zoeken in de bibliotheek .
Ik werk ook in de openbare bibliotheek die het klooster van Merkelbeek heeft voor de omwonenden. Een goede bibliotheek. Omdat een kapelaan in Schinveld een hartprobleem heeft ga ik les geven op "de lagere school", een aandoenlijk gebeuren. Ik geef later zelfs een retaite voor 11, 12-jarigen in Bingelrade. De ernst van die kinderen geeft zoveel vreugde. Ik merk: ze zijn nog zo geheel zonder eigenbelang, open.,
En er zijn congressen van theologen en filosofen, zelfs interconfessioneel. Frans Breukelman achter en naast een tafel met oude boeken. Alsof het bijbels hebreeuws iets betekent, iets leert. Luijpen, zie boven, hoor ik spreken. En "Kerk en Kunst", een week lang met kunstenaars uit alle disciplines: een openbaring, een rijkdom. "Wat mensen kunnen!" Al in Zenderen deed ik ieder jaar mee met het toneel. Nu kwam ik Hans Tienmeyer tegen en Mia Goossens die veel Brecht speelde, en Bernard Droog, Anita Menist. En de integriteit!

Voorjaar 1967, een 'aardbeving'. Alle katholieke opleidingen filosofie en theologie in Nederland worden gecentraliseerd. "Mijn klas" hoeft nog maar twee jaar basisvorming theologie te doen. De Karmelieten gaan naar Nijmegen. Wij, die laatste groepen van de "oude garde", moeten maar naar Amsterdam. Ik vind dat jammer. Ik wil graag universitair afstuderen. Ik wil doorgaan in filosofie en theologie. "Dat komt dan later wel."

Met "mijn klas" vertrek ik in 1967 naar Aalsmeer om in Amsterdam theologie te gaan studeren. Wat verhullen die feiten?

Vat ik het verhaal tot nu toe samen. Van 1955 tot 1962 (ik ben dan 13 tot 20 jaar) leef ik in een situatie die te vergelijken is met een internaat, volstrekt afgesloten van "de wereld". Geen krant, geen radio.
Vanaf 1962 komt de krant in mijn wereld, en een simpel radiootje op mijn Stena (zie boven). Soms ook tv. Dat moest aan de prefect gevraagd worden. Toen Kennedy was neergeschoten hebben we gewoon zelf de televisie aangezet. In 1965 wordt tv. in beperkte mate iets meer normaal gevonden. Nog steeds is die wereld gesloten, beperkt tot voor mij het echte leven van een seminarie en een klooster.

Vanuit de hecht gesloten wereld van seminarie en klooster kom ik in 1967 in Aalsmeer te wonen, om in het volstrekt open Amsterdam te gaan studeren op de KTHA (Kath. Theol. Hogeschool Amsterdam - Keizersgracht 105, vlak bij Westerkerk). Het is een jaar voor de Maagdenhuisbezetting en de happenings bij het Lievertje.
Iedere dag gaan we met een volkswagentje of met de bus naar Amsterdam. Ik lees de kranten, hoor radio, zie tv., studeer "bij het leven". Ik lees bibliotheken in de bus en leer in de bus aantekeningen te maken. En ik grijp de kans om kennis te maken met de kunst en culuur van de jaren zeventig. Mijn kloosteroversten hebben daar nooit bezwaar tegen aangetekend. De gesloten wereld was eindeloos open geworden. Waarschijnlijk wist ook eigenlijk niemand meer, "hoe nu verder".
Amsterdam heeft een groots aanbod. De studentenkaart maakt veel toegankelijk. Ik zie vanaf 1967 bijna alle nieuwe films, ga eens per maand naar de Stadschouwburg voor toneel en ballet. Ik blijf een vroom man van de kerk, maar de wereld van mens en samenleving heeft nu ook veel verrijking te bieden.

Mijn wereld verandert meer dan 100 %. Zou ik bij al die verandering ook maar enigermate dezelfde kunnen zijn? Voorbeeldje. Wellicht september 1967 zie ik in de Stadschouwburg iemand met een 'petje of zo' op lopen. Ik weet nog niet dat dat een keppeltje is. Ik weet nog volstrekt niets van of over jodendom. Op 15 oktober begint de KTHA in het pas verbouwde gebouw De Bruynvis, Keizersgracht 105 Amsterdam. Een van de docenten is Jehoedah Ashkenazy. Kennismaking met de joodse traditie blijkt een bron van inspiratie. Wetenschap en reflectie, het systematische en het toevalige dat je overkomt of dat je meemaakt, horen bij elkaar, zoals de zondag en de overige dagen van de week. Ben Hemelsoet doet in zijn exegese alsof zijn vak iets met lezen te maken heeft en alsof je verstand niet overbodig is. Niet beter weten over teksten maar lezen hoe dat wat er er staat er staat. Frits Tillmans dwingt je om je gedachten te formuleren, je manier van aanpak te verhelderen en laat zien dat dit soort plichten ook uitnodigingen zijn. Wat vind je? Is er een alternatief? Hoe zou je uitleggen. Het zijn docenten die ik nog regelmatig dankbaar gedenk.

In 1969 rond ik mijn studie theologie in eerste instantie af. Vanaf 1969 tot 1971 ga ik mij verder specialiseren in Amsterdam (Frits Tilmanns, Arie Leijen, Jehudah Ashkenazy) en Parijs (Paul Ricoeur, Jacques Derrida, Emmanuel Levinas). Mijn hoofdvakken zijn: dogmatiek, hedendaagse filosofie, judaica, exegese. Arie Leyen biedt een privatissimum aan, een werkcollege over Jacques Derrida, De la Grammatologie. Eigenziniger en meer bij de tijd kan voor mijn gevoel bijna niet. Tijd te kort.

Het eigen onderwerp.
"Hoe kun je 'deze dingen' begrijpen?", blijkt steeds meer mijn hoofdvraag. "Wat voor soort denken is geloven eigenlijk? Als je gelooft, wat doe je dan?" Ik denk na en denk ergens over. Een ander doet dat ook en denkt over datzelfde volstrekt anders. Hoe kan dat verschil er zijn? Wie is die ander die zo denkt, wie ben ik?

Geloven is voor mij als kind van mijn wereld eigenlijk natuurlijk. Het hoort vanzelfsprekend binnen de samenhang van de katholieke gemeenschap van midden vorige eeuw in Zuid-Limburg. In contact met de randstedelijke cultuur en wereld van de filosofen en theologen blijkt die oude wereld steeds minder mijn plaats. Ik wil het begrijpen, ook kunnen uitleggen voor mezelf. Meer dan de gewoonten (cultuur) worden teksten mijn huis - maar hoe moet dat dan? Wetenschappelijk, rationeel, logisch, loop ik op een simpele manier vast. De traditionele woorden wijzen mij geen enkele weg meer. De sociale kant van het leven is rijkdom, alleen word ik gek van mezelf. Mijn hoofd vindt geen rust. Dat is al jaren zo.

Als 12-jarig jongetje ging ik in 1955 thuis weg. Ik wilde "pater worden". In 1970 ga ik weg uit de wereld van seminarie en klooster. Alle rijkdom die ik er vond, het is mijn plaats niet meer. Het maakt je niet gelukkig wanneer je gezag groter wordt, maar jij voor jezelf geen plek vindt. Een oude vriendschap wil ik meer kans geven. We kennen elkaar al een jaar of vijf, zien elkaar min of meer regelmatig. Zij wordt ook belangrijker voor me. Zij luistert naar me. Ik wil ik niet weg uit "het klooster" - dat is mijn leven - , maar ik ga weg, ik moet wel. Maar het is wel een drama. Ik heb er geen idee van wat ik zou kunnen doen of worden, maar blijven kan niet meer.

In 1971 zoek ik uit hoe dat in onze samenleving moet, wanneer je wilt trouwen. Professioneel is volstrekt onverwacht het geluk zeer met me. Ik word benoemd op de RK Ped.Ac. De Voorzienigheid, Lauriergracht Amsterdam. Vanaf dag 1 is lesgeven spannend en plezierig. Daarnaast blijf ik studeren. Twee jaar later, in 1973 wordt onze oudste dochter geboren.

In 1975 leg ik het Doctoraal examen theologie af. Het afstudeerproject is een onderzoek naar dogmatiek en de filosofie van het symbool, aangetoond in het voorbeeld van de eucharistie. De traditionele logica van de "theologie" loopt daarin vast. Een meer grammatologische benadering (Derrida) biedt mogelijkheden. Exegese, goed lezen en jezelf oefenen in beter en zorgvuldiger lezen, niet alleen gealfabetiseerde teksten maar ook andere vormen van gedrag en presentie of presentatie. Resten worden monumenten. Teksten tillen je over de grenzen van tijd en ruimte heen, maken de wereld waarin wij leven groter in tijd en ruimte. Taal kan je tijdgenoot maken. Wat doe je wanneer je leest? Er dient nog veel gelezen en geproefd te worden.
Door toeval wordt het doctoraal-examen over "de grote vakantie" heen getild. Daags na het examen wordt ons tweede dochter geboren. Twee jaar later, in 1977 wordt onze derde geboren, een zoon.

In 1976 is mijn pabo "De Voorzienigheid" geminimaliseerd. Ik ga vrije tijd krijgen. Wat ik eigenlijk nog zou moeten doen is: mij meer verdiepen in het lezen van teksten uit de Bijbelse literatuur. Ik kies voor een klein gedeelte uit het evangelie van Johannes. In mijn Parijse tijd ben ik veel bezig geweest met Johannes 9. Ik kies nu voor Johannes 7, een tekst die meer beperkt lijkt, afgesloten.

Ik vraag Ben Hemelsoet of hij kritisch mee wil lezen en zo mijn studie wil begeleiden. Over twee jaar zullen we dan zien of uit dit studeren meer dan een persoonlijke verrijking komt.
Het alleen maar kijken en steeds weer opnieuw kijken naar de tekst, naar de onder en boven-bouw rond de tekst, groeit uit tot een gedetailleerd onderzoek: Hoe zit het zevende hoofdstuk van Johannes in elkaar? Is er een samenhang? Hoe biedt die samenhang, de tekst zich aan? En vervolgens: hoe is die tekst gelezen? Zou je hem meer in het spoor van de woorden, de eigen kleine en grote conteksten kunnen lezen? Is een nieuwe, meer op de tekst zelf gebaseerde benadering mogelijk, redelijk? Bevestigt de tekst de vragen die je stelt? Krijgt je vermoeden meer grond onder de voeten?

Op 22 mei 1986 verdedig ik op de KTHA het proefschrift: Johannes 7, afbakening, samenhang, lezing. Het proefschrift ondervindt nogal wat moeilijkheden. De algemene theorieën maken Johannes en in het bijzonder het zevende hoofdstuk tot een eigenlijk onmogelijke tekst. Maar deze historisch-methodische manieren van lezen proberen de tekst te ketenen en te confiskeren voor de eigen veronderstelingen en maken het lezen van wat er staat onmogelijk. Veel voorbeelden uit de literatuur over Johannes laten dit zien. In mijn proefschrift wordt hevig gediscussieerd in de voetnoten.
Het enige dat je met teksten moet doen is lezen, en wel zorgvuldig, omzichtig, behoedzaam en weer zorgvuldig. Meer fouilleren dan onderbrengen in hypothesen. Alleen de tekst kan je houden in het spoor van de lezing.

Professioneel.
Van 1965 tot 69 geef ik katechese aan kinderen van de midden en bovenbouw op enkele basisscholen in Schinveld, Brunssum en Aalsmeer. Het schooljaar 68/69 verzorg ik de katechese aan aan Katholieke Mavo Johannes XXIII in Oude Wetering. Vanaf 1971 ben ik als docent voor katechese en katechetiek verbonden aan achtereenvolgens de R.K.PABO De Voorzienigheid (Lauriergracht), de Katholieke PABO Magister Vocat, de KPA en de Hogeschool IPABO, Jan Tooropstraat te Amsterdam en Gabriel Metsulaan in Alkmaar. Onderwijs geven, studenten die hun weg zoeken in die wereld van onderwijzen en geloven blijft mij uitdagen. Veel creativiteit kan ingezet worden in het zoeken naar contact met en de vakbekwaamheid van steeds maar nieuwe mensen in een tijd die voordurend verder gaat. Is het onderwijs in die tijd veranderd? Dat moet wel. In die eerste jaren (rond 1980) heb ik 200 studenten drie jaar lang. In die laatste jaren 600 studenten, zes keer 6 tot 7 weken, verdeeld over een periode van 4 jaar.

Hoofdvragen worden: hoe wordt een student(e) meer onderwerp van haar of zijn eigen studeren? Hoe maak je het mogelijk dat ze ook in dit, veelal onbekend vakgebied, toch een begin en een weg vinden?

In 2007 wordt ik 65. Ik wil niet met pensioen. Mijn werk doe ik met hart en ziel en veel plezier. Wat je interesant vindt gooi je niet weg! Na 36 jaar gebeurt wat al die tijd ondenkbaar is: ik moet/ga met pensioen. (Een overval dwingt mij radicaal om te denken. Twee maanden voor mijn pensionering wordt toevallig slokdarmkanker geconstateerd. Na 5 jaar overleeft 10% deze kwaal. Door een appeltje en een sinasappeltje waar ik mee begonnen was, merkte ik "iets anders" bij het slikken. Daarom ben ik toevallig op tijd en kan nog geopereerd worden. En het gaat goed.Ik ben intussen bijna11jaar verder.)

Collegiaal
Met onderbreking van enkele jaren ben ik van 1972 tot 1998 actief lid van de commissie godsdienst van het KPC. Deze commissie tracht sturing te geven aan de ontwikkeling van katechese op de Ped.Ac. Wanneer de naam katechese vervangen wordt door de naam "godsdienst/ levensbeschouwing" zie ik dat als een vervaging. Een andere naam staat voor iets anders. Mijn collegae in den lande hechten aan die nieuwe naam. Ik treed uit de commissie. Ik wil geen verantwoordelijkheid dragen voor die "keuze" van (voormalige) katecheten en de daarbij horende organisaties (Besturenbond, Bisschoppelijk gedelegeerden).Elders op deze website leg ik dat verder uit.


Op de Pabo heb ik in de loop van al die jaren in alle denkbare commissies en werkgroepen gewerkt. Eén zaak noem ik met genoegen. Katechese heeft een tijd lang in een sectie samengewerkt met de vakken biologie, aardrijkskunde, geschiedenis. We noemden die sectie "hemel en aarde". Daarnaast was het een genoegen, zelfs openbarend, samen te werken met pedagogen en neerlandisten,. Maar hoe structureer je samenwerking? Dat was gezien de eisen van de vakgebieden, altijd moeilijk. In feite heb ik daarnaast wel met veel genoegen geparasiteerd op de vaardigheden die bij tekenen, muziek en vooral expressie/drama geoefend werden. Themaweken stimuleerden samenwerking. Hoe kun je samen verder? Het wordt mijn stellige overtuiging: ontwikkeling van de creativiteit van kinderen is ook ontwikkeling van hun persoonlijkheid en identiteit. Nu, 11 jaar verder, is de organisatie van het onderwijs op een pabo in nederland zozeer veranderd dat het woord 'veranderen' een eufemisme is. "Veranderen", veronderstelt dat iets hetzelfde blijft en verandert. Nu, niets blijft hetzelfde. De wereld is veranderd. De mensen zijn veranderd. Alleen: studenten die zich voorbereiden op een taak in het onderwijs zijn hetzelfde gebleven. Ik twijfel er niet aan dat het goede er uit komt.

Publiceren
Vanaf 1975 publiceer ik in de reeks "Verklaring van een bijbelgedeelte" van uitgeverij Kok te Kampen teksten over gedeelten uit de bijbelse traditie (Genesis, Samuel 1-15, Mattheus 1-4, Johannes 1-6; 7-10). Ik heb enkele boeken van Levinas vertaald en een eenvoudige inleiding geschreven over zijn filosofie.
Het meeste materiaal voor studenten, gebaseerd op een meer verantwoorde en creatieve manier van omgaan met de bijbelse literatuur, heb ik zelf ontwikkeld. Eerst zijn er readers. Al dat materiaal wordt meer toegankelijk via mijn website die ik rond 1997 begin op te zetten. Sinds 2004 komt er op mijn website ook plaats voor het denken van Emmanuel Levinas, Jacques Derrida en Jean-Luc Nancy. Op de site staat een werkvertaling van het artikel La Pharmacie de Platon (uit La dissémination, van Jacques Derrida, Parijs, Ed. du Seuil, 1972, pp. 69-197). Wie er de moeite voor neemt en nog eens neemt, kan in dat artikel mee kijken in de keuken van een indertijd nog vrij jong intellectueel/filosoof die begonnen is een filosoof van wereldformaat te worden. Levinas laat in het spoor dat de ander is zien hoe de steeds transcendente ander mij interrumpeert, mij het woord geeft of verplicht tot spreken. Nancy herkneedt in de visitatie de taal om 'wat onzichtbaar is' te laten zien. Van hem ook een kort artikel over wat het betekent dat de goden zich teruggtrekken. (In onze tijd zijn het vele goden die zich terugtrekken. Daarbij kun je denken aan onaantastbare (staats)vormen, maatschappelijke instituten en organisaties, maar ook algemeen gedragen inzichten, zienswijzen, liefdes.)

Ik ben medeoprichter van het interconfessionele tijdschrift Interpretatie, tijdschrift voor Bijbelse Theologie dat met Dirk Monshouwer als Hoofdredacteur voor het eerst in januari 1993 verschijnt. Twaalf jaar blijf ik lid van de redactie.

Ik heb gedurende enkele jaren grote delen uit de Tora enigermate open gelegd voor radioluisteraars van de KRO voor het nieuws van 's morgens half acht in het programma Het levend woord en ik publiceer regelmatig in Kerugma, een reeks cahiers ten dienste van de verkondiging en Interpretatie. In 2006 word ik gevraagd hoofdredacteur van Kerugma te worden. De uitnodiging heb ik na ernstig beraad aanvaard. Vanaf jaargang 51 nummer 1 draag ik als hoofdredacteur de eindverantwoordelijkheid. Onder de titel Exegetische sporen schrijf ik korte commentaren bij de zondagse lezingen. Voor mij is het is verheugend dat zovelen hun inspiratie ten dienste willen stellen van hen die geroepen worden om voor te gaan in vieringen. In 2012 spreken we (gezien het aantal abonnementen en de beperkte beschikbaarheid van auteurs) af: we proberen nog vijf jaar door te gaan. Het herfstnummer van 2017, nr 60,4, zal het laatste nummer zijn.
In de schaduw van de tafel gaan de boeken steeds weer open.
De oecumene wordt rond 2000 tot 2010 steeds meer een randverschijnsel in katholiek Nederland. Wij komen er blijkbaar niet toe het eerste woord van het Onze Vader serieus te nemen. Daarmee doen wij veel mensen, onszelf en onze Heer te kort.

Website
Deze website is de opvolger van readers die voor de studenten van de diverse opleidingen in de loop der jaren ontstaan zijn. Voor het onderwijs dat mij wenselijk leek, met name door geloven en onderwijs beter te hechten aan de bijbelse literatuur, en werken aan een groter vertrouwen in de eigen kennis en vaardigheden van studenten, bestond eigenlijk geen materiaal. Al vrij snel produceerde ik mijn eigen onderwijsmateriaal. De site is begonnen in 2001. Ik schreef in die tijd: De betrokkenheid en vriendschap van veel studenten een bron van grote vreugde voor mij. "Jullie vragen inspireren mij zeer", schreef ik bij de eerste opzet van deze website in 2001.

Kerk ter plaatse
Sinds medio 2006 assisteer ik bij zondaagse vieringen in de kleine parochiekerk van Sint Jan de Doper in Amsterdam. Het is een kerkje met een grote sociale samenhang van mensen die zich inzetten voor hun gemeenschap. De verkondiging is gebaseerd op respect voor het goede dat de kerk ons biedt en respect voor de mensen die meedoen en de mensen om ons heen. Sinds 2010 leid ik de liturgische gemeenschap in diensten van woord en communie. In de regel elke zondag om 10.30 uur. Op de 3e zondag van de maand leiden twee andere parochianen de viering. In 2010 blijkt de kerkgemeenschap van ongeveer iedere zondag erg klein te worden. Daarnaast is de Sint Jan ook centrum in een sociale context. We hebben tegen elkaar gezegd: "We proberen nog vijf jaar vol te houden." Dat is ook gelukt. Op het feest van Sint Jan, 24 juni 2015 hebben we de laatste dienst.
Intussen is mij gevraagd mee te werken aan vieringen in verpleeghuizen en andere parochies in de buurt.

In mei 2007 wordt bij mij toevallig en daarom op tijd (vroegtijdig) slokdarmkanker gediagnosticeerd. Na uitgebreid onderzoek blijken er nog geen uitzaaiingen te zijn. Dank zij een zeer attente huisarts is het toevallig vroegtijdig ontdekt. Een en ander is zeer bedreigend, maar nu ook weer lang geleden. Ik hoor bij de 5 % overlevenden. Een vreemde gedachte.

In oktober 2009 voel ik me ook verplicht tot contact met lotgenoten die slokdarmkanker hebben gehad of hebben. Daar wil ik ook tijd aan geven. Ik word secretaris van de SPKS, voorheen Stichting Doorgang, een Vereniging voor Patiënten met een vorm van Kanker aan het Spijsverteringsstelsel, hun partners en naasten. Het is buitensporig veel werk. In januari 2012 ga ik met ontslag. Een opvolger te vinden is niet eenvoudig.

Sinds juli 2007 ben ik gepensioneerd.
Een artikel in Tertio van 16 februari 2011.

Mijn nieuwste carriere is zeer incidenteel figureren bij De Nederlandse Opera. Spannend de groei van een productie mee te maken. Maar studeren en schrijven zijn puur vreugde. Ik begin zelfs Jean Luc Nancy te begrijpen. En ik begin weer opnieuw met Genesis op Het Plein van Siena. In 2015 wordt het Exodus. De leden van de groep vragen me of ik niet Johannes met hen wil lezen. Ik stem toe. Uren later voel ik dat hun vraag mij echt ontroert. In oktober 2016 beginnen we met een kleine groep aan een zorgvuldige lezing van het Evangelie volgens Johannes. Na drie tot vier bijeenkomsten begint het te wennen. Ieder die wil is van harte welkom. Nog kunnen we die belangrijke teksten die zo medebepalend zijn voor onze identiteit lezen. Nu zijn we aangekomen bij Johannes 17 en staan we in feite voor het lijdensverhaal.

Johannes leidt sindsdien een eigen leven. Tot mijn grote vreugde mag ik in de Abdij van de Trapisten 3 studiedagen Johannes geven, 6 dagdelen.
Sinds een jaar probeer ik ook met olieverf een weg te vinden op het witte doek. Dat is buitengewoon inspirerend. Je gaat beter, veel beter kijken. Dat levert niet alleen voor schilderen veel voordeel op.

Jan Engelen

laatste versie, bijgewerkt 21-10-2018

voor vragen en of opmerkingen
jan engelen (vervang in adres #door @!)

home